Friedrich Schiller, Rick de Leeuw, Jan van Nijlen, Jacob Cats, AKO literatuurprijs

De Duitse dichter en schrijver Johann Christoph Friedrich von Schiller werd geboren op 10 november 1759 in Marbach. Zie ook mijn blog van 10 november 2006.

 

Der Jüngling am Bache.

 An der Quelle saß der Knabe,
Blumen wand er sich zum Kranz,
Und er sah sie fortgerissen,
Treiben in der Wellen Tanz.
Und so fliehen meine Tage,
Wie die Quelle, rastlos hin!
Und so bleichet meine Jugend,
Wie die Kränze schnell verblühn!

Fraget nicht, warum ich traure
In des Lebens Blüthezeit!
Alles freuet sich und hoffet,
Wenn der Frühling sich erneut.
Aber diese tausend Stimmen
Der erwachenden Natur
Wecken in dem tiefen Busen
Mir den schweren Kummer nur.

Was soll mir die Freude frommen,
Die der schöne Lenz mir beut?
Eine nur ist’s, die ich suche,
Sie ist nah’ und ewig weit.
Sehnend breit’ ich meine Arme
Nach dem theuren Schattenbild,
Ach, ich kann es nicht erreichen,
Und das Herz bleibt ungestillt.

Komm herab, du schöne Holde,
Und verlaß dein stolzes Schloß!
Blumen, die der Lenz geboren,
Streu’ ich dir in deinen Schooß.
Horch, der Hain erschallt von Liedern,
Und die Quelle rieselt klar!
Raum ist in der kleinsten Hütte
Für ein glücklich liebend Paar.

 

 

  

Nänie

Auch das Schöne muß sterben! Das Menschen und Götter bezwinget,
Nicht die eherne Brust rührt es dem stygischen Zeus.
Einmal nur erweichte die Liebe den Schattenbeherrscher,
Und an der Schwelle noch, streng, rief er zurück sein Geschenk.
Nicht stillt Aphrodite dem schönen Knaben die Wunde,
Die in den zierlichen Leib grausam der Eber geritzt.
Nicht errettet den göttlichen Held die unsterbliche Mutter,
Wann er am skäischen Tor fallend sein Schicksal erfüllt.
Aber sie steigt aus dem Meer mit allen Töchtern des Nereus,
Und die Klage hebt an um den verherrlichten Sohn.
Siehe! Da weinen die Götter, es weinen die Göttinnen alle,
Daß das Schöne vergeht, daß das Vollkommene stirbt.
Auch ein Klagelied zu sein im Mund der Geliebten ist herrlich;
Denn das Gemeine geht klanglos zum Orkus hinab.

 

   

 

Die Teilung der Erde

»Nehmt hin die Welt!« rief Zeus von seinen Höhen
Den Menschen zu. »Nehmt, sie soll euer sein!
Euch schenk ich sie zum Erb und ewgen Lehen –
Doch teilt euch brüderlich darein!«

Da eilt’, was Hände hat, sich einzurichten,
Es regte sich geschäftig jung und alt.
Der Ackermann griff nach des Feldes Früchten,
Der Junker birschte durch den Wald.

Der Kaufmann nimmt, was seine Speicher fassen,
Der Abt wählt sich den edeln Firnewein,
Der König sperrt die Brücken und die Straßen
Und sprach: »Der Zehente ist mein.«

Ganz spät, nachdem die Teilung längst geschehen,
Naht der Poet, er kam aus weiter Fern –
Ach! da war überall nichts mehr zu sehen,
Und alles hatte seinen Herrn!

»Weh mir! So soll denn ich allein von allen
Vergessen sein, ich, dein getreuster Sohn?«
So ließ er laut der Klage Ruf erschallen
Und warf sich hin vor Jovis Thron.

»Wenn du im Land der Träume dich verweilet«,
Versetzt der Gott, »so hadre nicht mit mir.
Wo warst du denn, als man die Welt geteilet?«
»Ich war«, sprach der Poet, »bei dir.«

Mein Auge hing an deinem Angesichte,
An deines Himmels Harmonie mein Ohr –
Verzeih dem Geiste, der, von deinem Lichte
Berauscht, das Irdische verlor!«

»Was tun?« spricht Zeus, »die Welt ist weggegeben,
Der Herbst, die Jagd, der Markt ist nicht mehr mein.
Willst du in meinem Himmel mit mir leben –
So oft du kommst, er soll dir offen sein.«
 

 

Schiller

Friedrich Schiller (10 november 1759 – 9 mei 1805) 

 

De Nederlandse dichter schrijver, zanger en producer Rick de Leeuw werd geboren in Haarlem op 10 november 1960. De Leeuw is bekend geworden als zanger van de Tröckener Kecks. Hij heeft twintig jaar in “de Kecks” gespeeld, tot en met 2001. In 2000 debuteert hij als schrijver met de autobiografische roman De laatste held. In 2003 verscheen zijn eerste dichtbundel: planeet jeugd. Hierin zijn de gedichten gebundeld die hij schreef voor het VRT-programma De Laatste Show. De bundel verkocht – naar maatstaven van de poëzie gerekend – met 8000 exemplaren uitzonderlijk goed. Zijn tweede roman, Comeback, kwam in 2004 uit. De Leeuw tourde vanaf 2004, met Jan Hautekiet aan de vleugel, langs Vlaamse en Nederlandse theaters met een programma vol verhalen, gedichten en muziek. Van deze voorstelling verscheen in de zomer van 2004 een dvd, kortweg Hautekiet & De Leeuw geheten. In 2005 volgde De Leeuws tweede dichtbundel: Halverwege.

PLANEET JEUGD

Wie heeft niet
Of woont er nog
Ooit gedwaald op planeet jeugd
Weet van niets
Zoek de grenzen
Voel in elke vezel dat
Waar verbod heerst genot huist

En nooit komt later
Het half beleefde kabbelende later
Waar het milde midden lonkt
En achterom inmiddels net zo weids
Geen fraai uitzicht biedt als de wazige blik vooruit

De Leeuw

Rick de Leeuw (Haarlem, 10 november 1960) 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 10 november 2006.

De Vlaamse dichter en schrijver Jan van Nijlen werd geboren op 10 november 1884 in Antwerpen.

De Nederlandse dichter en schrijver Jacob Cats werd geboren op 10 november 1577 in Brouwershaven

 

(Nagekomen bericht)

In een rechtstreekse uitzending van het televisieprogramma Pauw & Witteman heeft Gerlach Cerfontaine, voorzitter van de jury van de AKO Literatuurprijs 2007, tijdens een feestelijke bijeenkomst op Paleis Het Loo deze week bekendgemaakt dat de jury het boek Het schervengericht van A.F.Th. (van der Heijden) heeft bekroond met de  AKO Literatuurprijs 2007. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en mijn blog van 15 oktober 2007.

 

Uit: Het Schervengericht

 

‘Hoe heet jij?’
‘Ik blijf me niet voorstellen.’
‘Je naam.’
‘Scott Maddox.’
‘Hoe heet je echt?’
‘Maddox, Scott. Vraag het Carhartt. Vraag het
De Griek.’
‘Die weten niet beter.’
‘Als jij het beter weet, zeg het dan.’
‘Scott, wie ben jij?’
‘Een heel andere vraag.’
‘Zeg me wie je bent. Ik heb er recht op.’
‘Wil je me leren kennen?’ schreeuwde hij opeens.
Hij begon aan de kram te rukken waarmee het uiteinde van het verband in zijn nek vastzat. Doordat hij van zijn ingezwachtelde handen alleen de ontvelde vingertoppen
kon gebruiken, kwam het stukje metaal met z’n weerhaakjes steeds dieper in het gaas vast te zitten.
‘Doe geen moeite,’ zei Remo. ‘Ik weet wie je bent.’
‘Ik weet wie jij bent. Daarom doe ik die moeite juist.’
‘Jij was het.’
‘Ik was wat?’
‘Jij hebt het gedaan.’
‘Wat?’
‘Mijn vrouw.’
‘Die is in het kraambed gestorven.’
‘Nog voor de kleine er was, ja.’
‘Ik heb niets gedaan. Ik ben geen verloskundige.’
‘Je personeel.’
‘Ik zie het nu,’ zei Maddox.
‘De regisseur.’
‘De regisseur, Scott, dat ben jij.’
‘Twee regisseurs, voor anker aan hun dekzwabber.’
‘Ze hebben allebei hun dromen geregisseerd.’
‘Bij jou was het kunstlicht en namaakbloed. Ik ben je de baas.’
Remo liet de steel van zijn trekker los, en klauwde met tien vingers tegelijk in de verbandkluwen rond Maddox’ hoofd. ‘Jij bent…’ Met zulke hevig trillende handen was het niet gemakkelijk een begin te maken met het afwikkelen van de windsels. En dan waren er
nog de krammen, waarvan er een op het achterhoofd zat. Remo haakte twee vingers achter een strook verband, en trok. Maddox steunde van de pijn, en duwde zijn omzwachtelde handen tegen Remo’s borst, maar zonder veel kracht.

 

VanderHeijden

A.F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Kazuo Ishiguro, Peter Weiss, Margaret Mitchell, Bram Stoker

De Japanse schrijver Kazuo Ishiguro werd op 8 november 1954 geboren in Nagasaki. Zie ook alle tags voor Kazuo Ishiguro op dit blog.

Uit: Never Let Me Go

„My name is Kathy H. I’m thirty-one years old, and I’ve been a carer now for over eleven years. That sounds long enough, I know, but actually they want me to go on for another eight months, until the end of this year. That’ll make it almost exactly twelve years. Now I know my being a carer so long isn’t necessarily because they think I’m fantastic at what I do. There are some really good carers who’ve been told to stop after just two or three years. And I can think of one carer at least who went on for all of fourteen years despite being a complete waste of space. So I’m not trying to boast. But then I do know for a fact they’ve been pleased with my work, and by and large, I have too. My donors have always tended to do much better than expected. Their recovery times have been impressive, and hardly any of them have been classified as “agitated,” even before fourth donation. Okay, maybe I am boasting now. But it means a lot to me, being able to do my work well, especially that bit about my donors staying “calm.” I’ve developed a kind of instinct around donors. I know when to hang around and comfort them, when to leave them to themselves; when to listen to everything they have to say, and when just to shrug and tell them to snap out of it.

Anyway, I’m not making any big claims for myself. I know carers, working now, who are just as good and don’t get half the credit. If you’re one of them, I can understand how you might get resentful—about my bedsit, my car, above all, the way I get to pick and choose who I look after. And I’m a Hailsham student—which is enough by itself sometimes to get people’s backs up. Kathy H., they say, she gets to pick and choose, and she always chooses her own kind: people from Hailsham, or one of the other privileged estates. No wonder she has a great record. I’ve heard it said enough, so I’m sure you’ve heard it plenty more, and maybe there’s something in it. But I’m not the first to be allowed to pick and choose, and I doubt if I’ll be the last. And anyway, I’ve done my share of looking after donors brought up in every kind of place. By the time I finish, remember, I’ll have done twelve years of this, and it’s only for the last six they’ve let me choose.

And why shouldn’t they? Carers aren’t machines. You try and do your best for every donor, but in the end, it wears you down. You don’t have unlimited patience and energy. So when you get a chance to choose, of course, you choose your own kind. That’s natural. There’s no way I could have gone on for as long as I have if I’d stopped feeling for my donors every step of the way. And anyway, if I’d never started choosing, how would I ever have got close again to Ruth and Tommy after all those years?

kazuo_ishiguro

Kazuo Ishiguro (Nagasaki, 8 november 1954)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 8 november 2006.

De Duitse schrijver Peter Weiss werd geboren op 8 november 1916 in Nowawes (het tegenwoordige Neubabelsberg) bij Berlijn.

De Amerikaanse schrijfster Margaret Mitchell werd geboren op 8 november 1900 in Atlanta, Georgia in de zuidelijke Verenigde Staten.

De Ierse schrijver Bram Stoker werd geboren op 8 november 1847 in Clontarf, een wijk van Dublin in Ierland.

Susanne Fischer, Moritz Rinke

Beste lezers,

De nieuwe editor heeft nog steeds streken, daarom blijf ik het aantal postings beperken. Voor meer schrijfsters en schrijvers kunt u dus terecht op mijn alternatieve blog adres en hiernaast bij Romenu II.

  

De Duitse schrijfster Susanne Fischer werd geboren op 16 augustus 1960 in Hamburg. Zij studeerde germanistiek en politicologie en werkte van 1980 tot 1988 als freelance journaliste en hoorspellector. Van 1989 tot 2001 was zij wetenschappelijk medewerkster van de Arno Schmidt Stiftung, Bargfeld, daarna zakelijk leidster van dezelfde stichting. Vanaf 1995 was zij columniste bij de tageszeiung. Zij publiceerde in talrijke bloemlezingen.

 Uit: Die Platzanweiserin

 »Es war ein Schlag, wissen Sie, er ist beim Frühstück vom Küchenstuhl gefallen.« Kummer und Erregung tanzten in den Waagschalen, mal leicht, mal schwer, sie wußte selbst nicht, welcher Empfindung sie zum Sieg verhelfen würde. Max war in den Keller verschwunden, ohne daß sie es bemerkt hatte. In der Küche, in der wir standen, trug der Vorhang dasselbe Muster wie die Tapete, und es hätte mich nicht gewundert, wenn auch die alte Frau ein Kleid aus jenem Stoff besessen hatte, doch jetzt war sie schwarz überlackiert von den Schultern bis zum Knie, in ein Witwcnfutteral gesteckt, traurig schon, aber eben auch nagelneu, ungewohnt, glänzend und knarzig. Der Abfluß roch, ein Haus mit Mundgeruch, die Witwe war unschlüssig, ob sie es bemerken sollte oder ihr Haus liebevoll vorstellen wie einen alten Pullover, den andere immer so vergammelt finden, während man selbst weiß, wie einzigartig er paßt. Aber die Witwe schrumpfte schon, das Reihenhaus schlotterte um ihren Bauch, es warf Falten und hatte Halsentzündung. Nicht mehr lange, und es würde sie ausgespien haben.

 

 
Fischer_Sus
Susanne Fischer  (Hamburg, 16 augustus 1960)

 

De Duitse (toneel)schrijver Moritz Rinke werd geboren op 16 augustus 1967 in Worpswede bij Bremen. Hij studeerde toegepaste theaterwetenschappen en werkte vervolgens voor kranten als de Süddeutsche Zeitung, Frankfurter Allgemeine Zeitung, Die Zeit en Theater heute. Als redacteur bij de Berlijnse Der Tagesspiegel ontving hij tweemaal de Axel-Springer-Preis. Eenmaal voor zijn verslag van de Love Parade in 1997 en een keer voor zijn reportage Ein Tag mit Marlene. Sinds 1999 schrijft hij theaterstukken. Hij actualiseerde Die Nibelungen voor de Nibelungenfestspiele in Worms in 2002 en 2003.   

Uit: Das große Stolpern


“Kürzlich war ich gebucht auf Lufthansa von Stuttgart nach Berlin. Dieser Flug war

so ungefähr das Schlimmste, was ich an Personenbeförderung je erlebt habe.
Ich saß neben Dolly Buster. Ich hatte sie gerade auf ihren schönen Talisman angesprochen, da ging es los. Sie konnte gerade noch sagen, dass das ein tibetischer Buddha sei, da gerieten wir in große Turbulenzen, die Stewardessen mussten ihren Service einstellen und alle schrien.
Ich selbst wurde von einer Turbulenz auf die Seite von Dolly Buster hinübergeworfen und lag auf ihrer riesigen linken Brust. Sie sagte immer wieder in ihrem wunderbaren Akzent: ‘Wir stürzzzen ab, wir stürzzzzen ab’, und ich überlegte mir, wie groß die Chance zu überleben sei, wenn ich jetzt einfach zwischen den beiden Brüsten von Dolly Buster wäre, als mir Busters Buddha hart ans Brustbein drückte.
Ich sagte noch ‘Pardon’, sie entgegnete ‘Ist doch jetzt egal’ – aber wir überlebten.
Im Bus flüsterte sie: ‘Kommen Sie doch auf die Cebit- Fachmesse in Hannover, da bin ich auch!’ Auf einer ICE-Reise Tage später las ich: ‘Die FDP ist sexy – Stimmen Sie mit Dolly Buster für die Liberalen!’ Ich stieg sofort in Hannover aus, aber ich habe sie nicht gefunden auf der Fachmesse.”

 



Rinke1
Moritz Rinke (Worpswede, 16 augustus 1967)

 

August Willemsen, Joyce Carol Oates, Derek R. Audette, Erich Segal,Theo Thijssen, Giovanni Boccaccio, Torgny Lindgren


De Nederlandse schrijver essayist en vertaler August Willemsen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1936. Zie ook mijn blogs van 16 juni 2006 en van 13 juni 2007. 

 

Uit: Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1986, Dankwoord

 

“Stomverbaasd was ik toen, na de verschijning van de Braziliaanse brieven, vrienden en vreemden mij vroegen: ‘En, wanneer verschijnt je volgende boek?’ Ik antwoordde meestal iets als: ‘Over dit boek heb ik zeventien jaar gedaan; kom over zeventien jaar maar eens terug.’ Maar dan nog: deze brieven zijn een weerslag van zeventien jaar leven, en ik kan schrijven en schrijven wat ik wil, maar die tijd van leven kan ik niet overdoen. En deze prijs komt nu als een aanmoediging om dat wel te doen. Ik bedoel: iemand die een mooie roman, of verhalen, of gedichten schrijft, zo iemand kun je een buidel met munten voorhouden en zeggen: ‘Dat heb je kranig gedaan zeg, schrijf nog eens wat,’ want in principe is het mogelijk opnieuw voor de dag te komen met een roman, met verhalen, met gedichten. Maar brieven als deze schrijft men één keer. Ik kan nooit meer voor het eerst in een land aankomen, om er een tijd te leven, zelfs niet daar waar ik nog nooit geweest ben. Het land kan nieuw zijn, de ervaring niet. Een ontwikkeling van zeventien jaar, een omgang met een land van zeventien jaar – dat doe je geen twee keer. En al zou ik het willen en kunnen en doen, dan is er dit allergrootste verschil en deze allergrootste onmogelijkheid: ik zal niet dezelfde leeftijd hebben. Dus, jury, wat te doen (om de laatste woorden van uw rapport te citeren) ‘opdat ik het hier niet bij zal laten’?

Ik moet bekennen dat ik mij dat al had afgevraagd voor ik van die prijs had gehoord. Mijn antwoord ‘Kom over zeventien jaar maar eens terug,’ betekende voor mezelf: ‘Natuurlijk komt er geen tweede boek.’ Maar gaandeweg, door die vraag, steeds opnieuw gesteld, door reacties, vaak heel persoonlijke, van bekenden en onbekenden, door het feit dat de uitgever erin slaagde het boek te verkopen, door het feit dat het nog steeds niet bij antiquariaat Kok in de Oude Hoogstraat ligt, waar vrijwel het hele Privé-domein in drie stapels staat opgetast (hetgeen aanleiding geeft tot de veronderstelling dat zelfs recensenten het willen houden) – door dat alles kwam er een gevoel bij. (Voordat ik op dat gevoel inga moet ik bekennen dat het boek er wel gelegen heeft, ongeveer twee weken lang, en dat ik niet degene ben die het er weggekocht heeft – dat wilde ik wel even duidelijk maken.) Er kwam dus een gevoel bij: niet alleen kon ik kennelijk aardig schrijven, maar blijkbaar kon ik iets schrijven waarmee ik tamelijk veel mensen een genoegen deed – en mezelf en passant ook, want dat moet je nooit nalaten als het even kan. Dat gevoel was nieuw. Ik noemde het waardering, of erkenning. En van dat gevoel is, voor mij, deze prijs de bevestiging. En daarin schuilt ook de aanmoediging. Zoals gezegd, een boek als dit kan geen tweede keer geschreven worden, maar er valt te broeden (daarover straks) op andere wijzen om ‘het hier niet bij te laten.”

 

 

WILLEMSEN
August Willemsen (Amsterdam, 16 juni 1936)

 

De Amerikaanse schrijfster Joyce Carol Oates werd geboren in Lockport, New York, op 16 juni 1939. In 1956 kreeg Oates een studiebeurs. Zij studeerde in Syracuse en aan de universiteit van Wisconsin. Van 1961 1967 was zij docente Engels aan de universiteit van Detroit. Nadat zij van 1978 tot 1981 als writer in residence aan Princeton University gewerkt had werd zij daar hoogleraar voor creatief schrijven.

 

Uit: The Gravedigger’s Daughter

“Schoolboys sometimes squatted behind the cemetery wall that was about three feet in height, made of crude rocks and chunks of mortar, in poor repair. Briars, poison ivy and summac grew wild along the wall. At the front entrance of the cemetery there was a wrought iron gate that could be dragged shut only with difficulty, and an eroded gravel drive, and the caretaker’s stone cottage; beyond these, there were several sheds and outbuildings. The oldest gravestones ran up practically to the rear of the cottage. To the grassy area where the caretaker’s wife hung laundry on clotheslines stretching between two weathered posts. If the schoolboys couldn’t get close enough to Mr. Schwart to taunt him, or to toss chestnuts or stones at him, they sometimes settled for Mrs. Schwart, who would give a sharp little cry of alarm, hurt, pain, terror, drop what she was doing in the grass, and run panicked into the rear of hovel-house in a way that was very funny.”

 

 

Oates
Joyce Carol Oates (Lockport, 16 juni 1939)

 

De Canadese dichter, artiest en musicus Derek Raymond Joseph Audette werd geboren op 16 juni 1971 in Hull, Qu
ebec. In de jaren negentig was hij lid van bands als Lexington Blues, Swamp Ash, en Wardenclyffe. In dezelfde periode werkte hij soms als producer voor aan aantal andere locale muzikanten in Ottawa. De laatste jaren richtte Audette zich meer op het schrijven van gedichten en op schilderen. Veel van zijn werk wordt uitgegeven zonder de restricties van copyright. Daarbij maakt hij gebruik van Creative Commons.

 

 

Cigarettes & Bourbon

 

I sit here,
sipping bourbon,
smoking a cigarette,
wonderfully sleazy saxophone jazz
is playing in the background.
I am enjoying myself
as I pour my thoughts out on to paper.

And,
there are people who hate me for it.

Charlie Parker’s ‘Ri Bop Boys’
is oozing softly
from my stereo,
the night is sweltering.
It’s August.
A hot,
sticky August night.
Another sip of bourbon,
another drag of my cigarette.

And,
there are people who hate me for it.

Those fucking neo-puritan,
quasi-fascist bastards,
I can smell the rot of their contempt.
I can feel the putrescence of their judgment.
They can’t stand how sweet my bourbon tastes,
they despise the satisfaction
that a long, slow drag
from my cigarette
brings me.

I felt their ears prick up
when they heard the snap of my lighter.
They are out there,
somewhere
in the night,
behind the veil of darkness.
They hide behind the city lights
that shine through my window.

But,
I know they are out there.
I felt their gaze
turn towards me
when they heard me slurp my bourbon.

Their vile jealousy reeks
of the decay of a human soul.
I can hear the whining and whirring

of their inability to comprehend

how a person might dare to risk self-destruction
in exchange for pleasure,
In exchange for life,
in exchange for living.
They hate me for it.
They breathe contempt.
They preach a living death.

Another drag,
another sip.
My cigarette
satisfies.
My bourbon
is sweet.
Charlie Parker’s song ends.
Coltrane’s ‘Countdown’ begins.


 

 

 

Audette
Derek R. Audette (Hull, 16 juni 1971)

 

De Amerikaanse schrijver en literatuurwetenschapper Erich Segal werd op 16 juni 1937 in Brooklyn, New York, geboren. Hij studeerde klassieke talen en literatuur aan Harvard. Daarna doceerde hij aan de universiteiten van Yale, München, Princeton, Tel Aviv en Dartmouth. In deze jaren publiceerde hij diverse werken op het gebied van de literatuurwetenschap. In 1970 kwam voor hem de doorbraak als romanschrijver met Love Story. Vanaf 1968 schreef hij draaiboeken voor verschillende succesvolle films, ook voor film Love Story.

 

Uit: Love Story

 

“What can you say about a twenty-five-year-old girl who died?

That she was beautiful. And brilliant. That she loved Mozart and Bach. And the Beatles. And me. Once, when she specifically lumped me with those musical types, I asked her what the order was, and she replied, smiling, “Alphabetical.” At the time I smiled too. But now I sit and wonder whether she was listing me by my first name — in which case I would trail Mozart — or by my last name, in which case I would edge in there between Bach and the Beatles. Either way I don’t come first, which for some stupid reason bothers hell out of me, having grown up with the notion that I always had to be number one. Family heritage, don’t you know?

In the fall of my senior year, I got into the habit of studying at the Radcliffe library. Not just to eye the cheese, although I admit that I liked to look. The place was quiet, nobody knew me, and the reserve books were less in demand. The day before one of my history hour exams, I still hadn’t gotten around to reading the first book on the list, an endemic Harvard disease. I ambled over to the reserve desk to get one of the tomes that would bail me out on the morrow. There were two girls working there. One a tall tennis-anyone type, the other a bespectacled mouse type. I opted for Minnie Four-Eyes.

“Do you have The Waning of the Middle Ages?”

She shot a glance up at me.

“Do you have your own library?” she asked.”

 

 

 

Segal
Erich Segal (New York, 16 juni 1937)

 

De Nederlandse schrijver en onderwijzer Theo Thijssen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1879. Hij is wellicht het meest bekend om zijn boek Kees de jongen. Hoewel Thijssen altijd heeft volgehouden dat Kees de Jongen fictie was, lijken toch veel van zijn jeugdherinneringen in dit boek te zi
jn verwerkt. Thijssens autobiografische werk In de ochtend van het leven was naar eigen zeggen het enige boek dat eigen jeugdherinneringen bevat.

 

Uit: Kees de jongen

 

“Langzamerhand begon hij toch steviger door te stappen, want hij was voorbij een klok gekomen die al over half vijf wees. En hij moèst vóór vijf uur thuis zijn, daar ging niets van af. Stel je voor:
‘Waar kom jij zo laat vandaan? Je moet toch om half zes weer op avondschool zijn?’
‘Nog een tijdje staan te kletsen met mijn meisje.’
‘O, ben je er zó een. Goed. Best. Morgenochtend ben ik bij je meester, om dáár eens over te praten. Dat gaat zo maar niet, snotneus!’
Pats, was meteen alles bedorven! Als hij gek was! Hij nam de zwembadpas. En de straten waren al bijna donker; en hij zei zachtjes, precies op de maat van zijn lopen: ‘Ro-sa-Over-beek, Ro-sa-Over-beek.’ Lekker, kon niemand hem wat voor maken, dat hij zo op de maat van haar naam liep. Hij hield het vol tot aan huis.
 
De tafel in de keuken stond al gedekt.
Hij had net een gevoel, of het niet zijn eigen huis was, waar hij binnenkwam…”

 

 

 

THIJSSEN
Theo Thijssen (16 juni 1879 – 23 december 1943)

 

De Italiaanse dichter en schrijver Giovanni Boccaccio werd geboren in Florence of Certaldoi in juni of juli 1313. Hij was een buitenechtelijk kind van de koopman Boccaccio di Chellino en ging in 1327 naar Napels om ook koopman te worden, maar studeerde er rechten en oude talen. Een liefde voor Maria d’Aquino, een onecht kind van koning Robert van Napels en de ‘Fiammetta’ (Vlammetje) uit zijn werken, ontwikkelde zijn dichterstalent.

Rond 1340 verbleef hij in Florence, waar hij bevriend raakte met Petrarca, die hem invoerde in de wereld van het opkomende humanisme. Boccaccio’s huis werd een centrum voor humanisten. Uit verering voor Dante schreef hij diens biografie (Vita di Dante, ca. 1360). Hij voerde diverse politieke opdrachten uit, onder meer voor de pausen Innocentius VI en Urbanus V, zowel te Avignon als te Rome. Boccaccio’s roem en invloed op latere schrijvers berust vooral op zijn Decamerone of Decameròn, een cyclus van honderd verhalen geschreven tussen 1349 en 1351. Tien gasten zijn tijdens de pestepidemie – de ‘zwarte dood’ van 1348 – Florence ontvlucht en vertellen elkaar op een landgoed verhalen over liefde en list.

 

Uit: Decamerone (Vertaald door J. K. Rensburg)

 

“Ik zeg dus, dat de jaren sinds de Onbevlekte Ontvangenis van Gods Zoon al gestegen waren tot het getal dertienhonderd achtenveertig, toen in de zeer goede stad Florence, schooner dan elke ]andere Italiaansche, de moorddadige pestziekte uitbrak, welke door den invloed der hemellichamen of voor onze zondige daden door Gods gerechten toorn onder de stervelingen gezonden, eenige jaren te voren in het Oosten ontstond, een ontelbaar aantal levenden wegrukte en zonder oponthoud van de eene plaats naar de andere voortgaande, zich op allertreurigste wijze naar het Westen heeft verbreid.1 En hiertegen hielp geen enkele wetenschap noch menschelijke wijsheid, hoe de stad ook gezuiverd werd van veel onreinheid door de beambten, behalve van die, waarvan het reeds voorgeschreven was en evenmin baatte het, dat het aan elke zieke verboden was de stad binnen te gaan. De vele raadgevingen geschonken voor het behoud van de gezondheid, en ook de nederige smeekbeden, niet ééns maar vele keeren zoowel in geordende processies als op andere wijze tot God gericht door vrome menschen, hielpen niets. Omstreeks het begin van de lente van het voornoemde jaar begon de pest op vreeselijke wijze en op wonderbaarlijke manier haar treurigen invloed te toonen. Zij woedde niet, gelijk zij in het Oosten had gedaan, waarbij ieder, dien het bloed uit den neus kwam, dit een zeker teeken was van onvermijdelijken dood, maar bij het begin der ziekte ontstonden of in de lies of onder de oksels—bij mannen als vrouwen op gelijke wijze—zekere gezwellen, van welke enkelen groeiden als tot een gewone appel, anderen als tot een ei, bij eenigen meer en bij anderen minder, welke de menschen uit het volk pestbuilen noemden. Van de twee genoemde lichaamsdeelen uit begon in korten tijd de reeds gezegde doodelijke pestbuil, onverschillig waar, in een deel er van te ontstaan en op te komen en daarna begon het uiterlijk van genoemd ziekteverschijnsel te veranderen in zwarte of loodkleurige vlekken, welke onder de armen en op de heupen en op elk ander lichaamsdeel verschenen, bij dezen groot en weinig, en bij genen klein en veelvuldig. En daar de pestbuil het eerst was geweest en nog was het zekere teeken van naderenden dood, zoo waren die vlekken het ook bij elk, bij wien zij zich vertoonden.”

 

 

boccacio
Giovanni Boccaccio ( juni of juli 1313 – 21 december 1375)

 

De Zweedse schrijver Torgny Lindgren werd geboren op 16 juni 1938 in Raggsjö. Lindgren begon als dichter in 1965, maar moest voor zijn doorbraak wachten tot 1982. Hij ging naar school in Umeå en studeerde geschiedenis, politicologie en aardrijkskunde in Stockholm en Uppsala. Hij debuteerde in 1965 met een dichtbundel maar brak in 1982 door met zijn roman De weg van de slang. Dit boek werd in 1986 verfilmd door Bo Widerberg. In 2006 werd zijn roman Het licht in toneelbewerking opgevoerd door het Noord-Nederlands Toneel. Van zijn poëzie is slechts één lange cyclus vertaald door Hans Kloos, de reeks ‘Gemeentelijk‘ uit de bundel Dikter från Vimmerby.

 

Uit: Das Höchste im Leben

 

„An einem Nachmittag im August dieses Jahres trat er still und mit einer höflichen Verbeugung in die Küche von Manfred und Eva

Marklund in Avabäck. Eva war allein zu Hause, Manfred befand sich

seit gut einem Monat im Sanatorium von Hällnäs.

Ich wüßte gern, sagte Martin Bormann, ob es möglich wäre, eine

Mahlzeit zu kaufen?

Drinnen im Ort gibt es ein Gasthaus, sagte Eva Marklund.

Ja, sagte Martin Bormann, ich habe es im Vorbeifahren gesehen.

Aber ein paar Butterbrote, sagte sie. Wenn das reicht.

Das wäre vortrefflich, sagte er.

Während sie zwei dicke Brotscheiben mit Butter bestrich und Aufschnitt zurechtmachte, sagte er: Ich heiße Robert Maser. Ich bin

ein Flüchtling aus dem vom Krieg verwüsteten Deutschland.

Das hört man, sagte sie, daß Sie nicht von hier sind. Darf es Kaffee

sein oder Milch?

In den Gefilden meiner Jugend, in Mecklenburg, sagte er, mischten

wir gern Kaffee und Milch.

Dann fragte er:

Spreche ich wirklich nicht Schwedisch, wie ich sollte?

Das mag schon sein, sagte Eva Marklund. Aber man hört, daß Sie

nicht von hier sind.

Hin und wieder schaute sie aus dem Fenster.

Da draußen stand sein Fahrzeug.

Ein merkwürdiges Ungetüm, in dem Sie da reisen, sagte sie.

Ja, räumte Robert Maser ein. Es ist ein wunderliches

Fortbewegungsmittel.

Und sie lud ihn ein, näher zu treten und sich an den Küchentisch zu

setzen, sie schob ihm einen von den achtsprossigen Stühlen hin.

Nachdem er in der Teetasse Milch und Kaffee gemischt und den ersten Bissen genommen hatte, wandte er ihr sein rundes und

neugieriges Gesicht zu und fragte:

Was ist das?

Das ist die Pölsa, sagte sie. Kalte Pölsa. Wenn die Pölsa kalt ist,

erstarrt sie, so daß man sie in Scheiben schneiden kann.

Pölsa, wiederholte er, den Blick auf das Butterbrot gerichtet, das

Wort habe ich nicht gelernt.“

 

 

 

Lindgren
Torgny Lindgren (Raggsjö, 16 juni 1938)

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

 

De dood der geliefden (als Baudelaire)

Ons wachten bedden vol van lichte geuren.
Er liggen divans, diep als graven, klaar.
De lucht is mooier boven hoven, waar
zich vreemde bloemen in ontluiken kleuren.

We zullen lang ons laatste uur betreuren.
Als fakkels branden onze harten zwaar.
Ze schijnen, dubbel in het spiegelpaar
van onze geest, naar eigen vlam te speuren.

Een avond valt tot rose-blauwe mystiek.
We vloeien samen in een licht, uniek
als grote tranen die van afscheid beven.

En later zal men ons een engel sturen
die, trouw e
n vrolijk, voor ons nieuw laat leven,
beroete spiegels en gedoofde vuren.

 

 

Frans Roumen, Uit: Elk woord van mij is zonde,

Uitgeverij Berend Immink, Nijmegen 1984)

 

Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957) woont en werkt in Nijmegen

 

Max Aub, Markies de Sade, Dorothy West, Sibylle Berg, Barbara Pym, Karl Gjellerup, Thomas Hardy, Jim Knipfel


De Spaanse schrijver Max Aub werd geboren op 2 juni 1903 in Parijs. Hij groeide op in Spanje. In de jaren 1934 toto 1936 leidde hij in Valencia het theater “El Búho”. Op verschillende reizen kwam hij in contact met André Malraux, Gustav Regler en Ernest Hemingway. Na de machtsovername van Franco in juli 1936 sllot Aub zich aan bij de “Alianza de escritores antifascistas para la defensa de la cultura”. In 1942 emigreerde hij naar Mexico. De Spaanse burgeroorlog en de gevolgen ervan waren de belangrijkste thema’s in zijn werk.

Werk o.a.: Campo cerrado (1943), Campo de sangre  (1945), and Campo abierto (1951), Jusep Torres Campalans (1958), La calle de Valverde  (1961).

 

Uit: Nichts geht mehr (Campo cerrado)

 

Auf einen Schlag verlöschen die Lichter. Zehn Uhr, der Mond fällt fahl auf die gekalkten Wände; die Tünche teilt sich, halb weiß, halb grau. Wie ein kalter Schauer läuft das Schweigen durch die Straßen des Dorfes, vom Kopf bis zu den Füßen, von der Plaza bis zum Quintanar Alto oben auf dem Berg. Anfang September, und über den Rücken des Ragudo weht es kalt herunter; oben über den Bergen die Sterne, Reißnägel des Windes.
Die Plaza, für acht Tage eine richtige Arena. Stufen und Bretterwände sind vor die frisch gekalkten Fassaden gezimmert, Palisaden schlucken das letzte Licht aus dem Kasino, und in der Mitte der kleine Barockbrunnen mit seinen vier Überläufen, dessen Becken dieser Tage wieder als Tränke genutzt wird: Mit dem letzten Schlag des Zehn-Uhr-Läutens ist die Plaza der Nabel der Welt. Tausendfünfhundert Seelen eng gedrängt und Kind und Kegel aus der Raya de Aragon. Unten, hinter Jérica und Segorbe liegen zum Meer hin die Dörfer der Provinz Valencia: bergauf Richtuna Sarrion der nackte steinige Weg nach Teruel.
Die Kirchturmuhr schaut in den Mond. Über allem ein Bangen, ein Gefühl zwischen Angst und Erwartung, die Ungewißheit, was hinter dem Rücken lauert; kaum Luft zum Atmen“

 

 

aub1

Max Aub (2 juni 1903 – 22 juli 1972)

 

De Franse schrijver Donatien Alphonse François, Markies de Sade,  werd geboren op 2 juni 1740 in Parijs.

 

Zie ook mijn blog van 2 juni 2006.

 

Uit : Les 120 journées de Sodome

 

« Le duc, qui rebanda fort vite, mesura le pourtour de son engin à la taille mince et légère de Michette, et il n’y eut que trois pouces de différence. Durcet, qui était de mois, fit les examens et les visites prescrites. Hébé et Colombe se trouvèrent en faute, et leur punition fut prescrite et assignée sur-le-champ pour le samedi prochain à l’heure des orgies. Elles pleurèrent, mais n’attendrirent pas. On passa de là chez les garçons. Les quatre qui n’avaient point paru le matin, savoir Cupidon, Céladon, Hyacinthe et Giton, se déculottèrent suivant l’ordre, et on s’amusa un instant du coup d’oeil. Curval les baisa tous les quatre sur la bouche et l’évêque leur branla le vit un moment, pendant que le duc et Durcet faisaient autre chose. Les visites se firent, personne n’était en faute. A une heure, les amis se transportèrent à la chapelle, où l’on sait qu’était établi le cabinet des garde-robes. Les besoins que l’on prévoyait avoir le soir ayant fait refuser beaucoup de permissions il ne parut que Constance, la Duclos, Augustine, Sophie, Zélamir, Cupidon et Louison. Tout le reste avait demandé, et on leur avait enjoint de se réserver pour le soir. Nos quatre amis, postés autour du même siège consacré à ce dessein, firent placer sur ce siège ces sept sujets l’un après l’autre et se retirèrent après s’être rassasiés du spectacle. Ils descendirent au salon où, pendant que les femmes dînaient, ils jasèrent entre eux jusqu’au moment où on les servit. Les quatre amis se placèrent chacun entre deux fouteurs, suivant la règle qu’ils s’étaient imposée de n’admettre jamais de femmes à leur table, et les quatre épouses nues, aidées de vieilles vêtues en soeurs grises, servirent le plus magnifique repas et le plus succulent qu’il fût possible de faire. »

 

 

Sade2

Markies De Sade (2 juni 1740  –  2 december 1814)

 

De Amerikaanse schrijfster Dorothy West werd geboren op 2 juni 1907 in Boston. Zij maakte deel uit van de Harlem Renaissance. Bekend is zij vooral van haar roman The Living Is Easy uit 1948 over het leven van een zwarte upper-class familie. De roman werd goed ontvangen, maar verkocht niet goed. West werkte veertig jaar lang als journaliste. In 1982 bracht een feministische uitgeverij de roman opnieuw uit. Als gevolg daarvan publiceerde West op vijfentachtigjarige lleftijd nog een tweede roman The wedding en werd er ook een verzameling van haar short stories, The Richer, the Poorer, uitgegeven.

Uit: The wedding

 

“But how Shelby, who could have had her pick of the best of breed in her own race, could marry outside her race, outside her father’s profession, and throw her life away on a nameless, faceless white man who wrote jazz, a frivolous occupation without office, title, or foreseeable future, was beyond the Oval’s understanding.

Between the dark man Liz had married and the music maker Shelby was marrying, there was a whole area of eligible men of the right colors and right professions. For Liz and Shelby to marry so contrary to expectations affronted all the subtle tenets of their training.

Though Shelby might have been headstrong in her choice of a husband, at least she had let her mother dissuade her from following Liz’s lead and eloping. Her wedding would have the Oval setting that Corinne had promised Miss Adelaide Bannister on a golden afternoon in her daughter’s teens.”

 

 

west

Dorothy West (2 juni 1907 – 16 augustus 1998)

 

De Duitse schrijfster Sibylle Berg werd geboren in Weimar op 2 juni 1962. Ze volgde een opleiding tot clown en had verschillende baantjes voordat zij zich zelf oud genoeg vond om te gaan schrijven. Haar eerste roman Ein paar Leute suchen das Glück und lachen sich tot verscheen in 1997. Berg schrijft naast romans ook essays, columns en theaterstukken. Haar werk werd tot nu toe in veertien talen vertaald. Zij polariseert met haar werk. Berg wordt soms tot de popliteratuur gerekend.  Zij is getrouwd en leeft afwisselend in Zürich en Tel Aviv.

Uit: Sex II

 

“Peter denkt nicht richtig. Es ist, was übrigbleibt, wenn man die Gedanken auf den Kern reduziert, wie einen guten Satz. Befreit von allem Unnützen. Peter liegt im Koma. Das Wort würde ihm nicht einfallen. Ihm fallen keine Worte mehr ein. Nur Zustände. Der Zustand, in dem Peter sich befindet, ist Friedlichkeit. Von dem Unfall weiß er nichts mehr, von seinem Leben vor dem Unfall weiß er nur noch den Kern. Der Kern ist Anstrengung, Bewegung, unnütz. Als Peter nach dem Unfall zu dem Kern von sich kam, war die Sache klar: nicht bewegen, nicht bemühen. Es wäre möglich, zum alten Zustand zurückzukehren. Es bedürfte der Entscheidung. Die will er nicht. Peter hört nicht, was seine Freundin zu ihm sagt. Er spürt es. Sie will ihn holen, über Stacheldrähte ziehen, den alten Zustand wieder. Peter will da nicht hin. Das Gefühl zu der Freundin, der Frau, die da auf seinem Bett sitzt, ist ein fremdes. Sie soll weg. Alle sollen weg. Die Anwesenheit macht, dass sich Störungen abzeichnen. Peter spürt, dass eine fremde Person anwesend ist. Spürt, dass sie über seinen Zustand befinden kann. Er spürt, dass sie von seinem Tod sprechen. Der Tod ist ein Zimmer weiter, Peter hatte ab und zu mal in dieses Zimmer geschaut, es hatte ihm angst gemacht, was in dem Todeszimmer passierte. Peter will da nicht rein. Spürt eine große Gefahr. Und er entscheidet sich. In diesem Moment. Zurückzugehen. Fängt den Weg an. In etwas, das hell ist und weh tut. Etwas klarer. Geht zurück, heller, wie tausend Neonröhren vor ungeschützten Augen. Über trostlose Plätze. Die Erinnerungen sind. Klarer werden. Ein unnützes Leben werden.”

 

 

berg

Sibylle Berg (Weimar, 2 juni 1962)

 

De Engelse schrijfster Barbara Pym werd geboren op 2 juni 1913 in Oswestry, Shropshire. Zij studeerde Engelse literatuur in Oxford. In 1950 werd haar eerste roman Some Tame Gazelle gepubliceerd. Tot 1961 verschenen er nog vijf van haar hand, maar voor An Unsuitable Attachment vond zij geen uitgever. Er volgde een tijd van zelftwijfel en resignatie. In 1977 stelde het Times Literary Supplement aan belangrij
ke personen uit het literatuurbedrijf de vraag naar de meest onderschatte auteur van de eeuw. Haar naam werd als enige tweemaal genoemd en wel door Philip Larkin en Lord David Cecil. Daarmee werd zij op slag beroemd. Voor haar roman Quartet in Autumn kreeg zij in 1977 de Booker Prize.

Uit: Less Than Angels

 

‘What was that thing the organist played when we went up?’ Malcolm asked. ‘Rather a nice tune, I thought.’

‘It sounded like Hiawatha’s wedding feast,’ said Rhoda in a worried tone, ‘Coleridge Taylor, you know. But I don’t think it could have been that.’

‘Mr. Lewis was improvising,’ said Mrs. Swan. ‘There were nearly a hundred communicants, I should think, and I dare say his thoughts wandered. I suppose the music wasn’t really so very unsuitable, in a way; many Indians are Christians, aren’t they?’

‘These were Red Indians, surely,’ said Malcolm.

They seemed to be getting into rather deep water, so Mabel changed the subject by mentioning that there was to be a procession at the eleven o’clock service.”

 

 

Pym

Barbara Pym (2 juni 1913 – 11 januari 1980)

 

De Deense schrijver Karl Adolph Gjellerup werd geboren op 2 juni 1857 in Roholte. Hij studeerde theologie en zou eigenlijk geestelijke worden. Onder invloed van Darwin en Georg Brandes gaf hij echter dat beroep op en maakte hij reizen door Rusland, Griekenland, Duitsland en Italië. In 1892 vestigde hij zich in Dresden en hij publiceerde een groot deel van zijn werk in het Duits. In 1917 kreeg Gjellerup de Nobelprijs voor literauur voor Minna. De prijs moest hij delen met Henrik Pontoppidan.

 

Uit: Der Pilger Kamanita

 

“ Jeder Tag dieser Reise war mir wie ein Fest, und wenn abends die Lagerfeuer flammten, um Tiger und Panther zu verscheuchen, und ich im Kreise älterer und vornehmer Männer an der Seite des Gesandten saß, dünkte ich mich vollends im Märchenland.

Durch den herrlichen Waldbereich Vedisas und über die sanften Höhenzüge des Vindhyagebirges erreichten wir die ungeheure nördliche Ebene, wo eine ganz neue Welt sich mir eröffnete; denn ich hätte nie gedacht, daß die Erde so flach und so groß sei. Und etwa einen Monat nach unserer Abreise sahen wir an einem herrlichen Abend, von einer palmengekrönten Anhöhe aus, zwei goldene Bänder, die sich dem Dunstkreise des Horizontes entwanden, das unendliche Grün durchzogen und sich allmählich einander näherten, bis sie sich zu einem breiten Band vereinigten.

Eine Hand berührte meine Schulter.

Es war der Gesandte, der an mich herangetreten war.”

 

 

Gjellerup

Karl Gjellerup (2 juni 1857 – 11 oktober 1919)

 

De Engels romanschrijver en dichter Thomas Hardy werd op 2 juni 1840 geboren in Higher Bockhampton, bij Dorchester in het graafschap Dorset. Zie ook mijn blog van 2 juni 2006.

 

I look into my glass

 

I look into my glass,

And view my wasting skin,

And say, “Would God it came to pass

My heart had shrunk as thin!”

 

For then, I, undistrest

By hearts grown cold to me,

Could lonely wait my endless rest

With equanimity.

 

But Time, to make me grieve,

Part steals, lets part abide;

And shakes this fragile frame at eve

With throbbings of noontide.

 

 

The darkling thrush

 

I leant upon a coppice gate,
When Frost was spectre-gray,
And Winter’s dregs made desolate
The weakening eye of day.
The tangled bine-stems scored the sky
Like strings of broken lyres,
And all mankind that haunted nigh
Had sought their household fires.

The land’s sharp features seemed to me
The Century’s corpse outleant,
Its crypt the cloudy canopy,
The wind its death-lament.
The ancient pulse of germ and birth
Was shrunken hard and dry,
And every spirit upon earth
Seemed fervorless as I.

At once a voice arose among
The bleak twigs overhead,
In a full-hearted evensong
Of joy illimited.
An aged thrush, frail, gaunt and small,
With blast-beruffled plume,
Had chosen thus to fling his soul
Upon the growing gloom.

So little cause for carolings
Of such ecstatic sound
Was written on terrestrial things
Afar or nigh around,
That I could think there trembled through
His happy good-night air
Some blessed Hope, whereof he knew,
And I was unaware.

 

 

Hardy

Thomas Hardy (2 juni 1840 – 11 januari 1928)

 

De Amerikaanse schrijver Jim Knipfel werd geboren op 2 juni 1965 in Green Bay, Wisconsin. Hij studeerde aan de universiteit van Minnesota en nadat hij zijn studie had afgebroken verdiende hij zijn geld met verschillende jobs. Tegenwoordig woont hij in Brooklyn en heeft hij een column in de New York Press. Knipfel lijdt aan een ongenesslijke oogkwaal die hem uiteindelijk blind zal maken.

Uit: The Buzzing

“Ya gotta help me out here!”

Oh, Jesus Christ, here we go, Baragon thought, rolling his eyes and fumbling into his limp shirt pocket for the already half-empty pack of cigarettes. Why don’t you people ever call anybody else?

It was quarter after five on a Thursday afternoon in late February. The day had been a slow one in what was amounting to another slow week. Baragon had been thinking about getting himself together to head out, and he should’ve known better than to pick up the telephone when it rang. Old reflexes. Still, other old reflexes should have told him that phones that ring when you’re about to split work never amount to any good.

Ruby, the receptionist, thought she was doing him a favor by putting these people through. She knew what his job entailed and, if only out of common courtesy, he’d never told her any different. Receptionists, especially in a place like this, had enough to deal with already.

“Uh-huh,” Baragon sighed around the cigarette, which he was trying to light without much success. “And, uh . . . what seems to be . . . y’know . . . the problem?”

The man’s voice was ragged and wild, and after that opener, Baragon couldn’t help but think this whole scene sounded like the beginning of some lost Hitchcock film. Two hours later, he’d be sitting on a plane to Honduras, to meet up with a man named “Jeb.”

“I . . .” the voice declared, with a certain dramatic flair, “have been kidnapped . . . by the state of Alaska!”

 

 

knipfel

Jim Knipfel (Green Bay, 2 juni 1965)

 

 

Ian Fleming, Leo Pleysier, Frank Schätzing, Maeve Binchy, Thomas Moore

De Britse schrijver Ian Lancaster Fleming werd geboren op 28 mei 1908 in Londen. Fleming was de jongere broer van reisverhalenschrijver Peter Fleming. Hij werd opgeleid op Eton, en de militaire academy Sandhurst. Hierna vertrok hij naar het buitenland om talen te studeren. Hij werkte als journalist in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Aan het begin van de oorlog werd hij aangenomen als persoonlijk assistent van de directeur van Naval Intelligence, John Godfrey. Dit gaf hem de achtergrond en ervaring om goede spionageverhalen te schrijven. Het eerste James Bond verhaal, Casino Royale, werd uitgebracht in 1953.

 

Uit: Casino Royale

“The scent and smoke and sweat of a casino are nauseating at three in the morning. Then the soul-erosion produced by high gambling—a compost of greed and fear and nervous tension—becomes unbearable and the senses awake and revolt from it.

James Bond suddenly knew that he was tired. He always knew when his body or his mind had had enough and he always acted on the knowledge. This helped him to avoid staleness and the sensual bluntness that breeds mistakes.

He shifted himself unobtrusively away from the roulette he had been playing and went to stand for a moment at the brass rail which surrounded breast-high the top table in the salle privee.

Le Chiffre was still playing and still, apparently, winning. There was an untidy pile of flecked hundred-mille plaques in front of him. In the shadow of his thick left arm there nestled a discreet stack of the big yellow ones worth half a million francs each.

Bond watched the curious, impressive profile for a time, and then he shrugged his shoulders to lighten his thoughts and moved away.

The barrier surrounding the caisse comes as high as your chin and the caissier, who is generally nothing more than a minor bank clerk, sits on a stool and dips into his piles of notes and plaques. These are ranged on shelves. They are on a level, behind the protecting barrier, with your groin. The caissier has a cosh and a gun to protect him, and to heave over the barrier and steal some notes and then vault back and get out of the casino through the passages and doors would be impossible. And the caissiers generally work in pairs.”

 

FLEMING

Ian Fleming (28 mei 1908 – 12 augustus 1964)

 

De Belgische schrijver Leo Pleysier werd geboren in Rijkevorsel op 28 mei 1945. In zijn verhalende proza onderzoekt hij zijn verhouding tot zijn geboortestreek en zijn familieleden. Zijn eerste boeken (Mirliton en Niets dan schreeuw) zijn experimenteel van taal en compositie en ik-gericht. Gaandeweg heeft de auteur zijn horizon verruimd: van zijn eigen streek (Waar was ik weer?) naar Engeland (Shimmy), Afrika (Zwart van het volk), India en China (De Gele Rivier is bevrozen, De trousse). Wit is altijd schoon (1989), waarin hij zijn spraakzame moeder na haar dood laat ‘voortratelen’, zorgde voor de doorbraak bij het grote publiek. Wit is altijd schoon werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 1989 en bekroond met de Ferdinand Bordewijkprijs 1990. Hierop volgden De kast (1991), De Gele Rivier is bevrozen (1993) en Volgend jaar in Berchem (2000), waarin respectievelijk een zus, een tante non en de vader centraal staan. De dieven zijn al gaan slapen (2003) bevat een mengeling van autobiografische en poëticale fragmenten. In 2007 verscheen de roman De latino’s.

 

Uit: Een plaasterspook van Szukalski

 

“De tweede en wellicht ook de laatste keer dat ik haar zag – in 1978 – was toen ze na de dood van vader mijn moeder kwam bezoeken. Tegen alle verwachtingen in was ze ineens dan toch aangekomen. Maar in het begin had ik het gevoel dat het iemand anders was die ze onder de naam van tante Roza naar België hadden gestuurd. Weg die vervaarlijke, monumentale kap. Wat ze nu droeg was van een veel kleiner en veel eenvoudiger formaat en was zo opgespeld dat een gedeelte van het hoofdhaar zichtbaar bleef. En zowaar ook zíj bleek in het bezit van een stel benen. Nylons droeg ze ook al. Ze was gekleed in blauw-en-grijs. Een scherpgesneden, ouderwetse schooljuffrouw. Een vergrijsde verpleegster. Maar evengoed een nuchtere, taaie, zakelijke, geïnteresseerde en relativerende dame die in geen enkel opzicht nog overeenkwam met het beeld dat ik me van haar op basis van al die brieven en van mijn herinnering gevormd had. Spraakzaam, vief en attent was ze. Er was veel raadselachtigheid die ze had kwijtgespeeld maar tevens was daar dan ook weer een nieuwsoortige raadselachtigheid voor in de plaats gekomen. Waren wij het of was zij het die zo veranderd was ondertussen? In alle geval, er klopte nauwelijks nog iets aan het beeld van de frenetieke zieltjesjaagster dat ik me door de jaren heen van haar gevormd had. Hoe fout ik daarmee zat, dat bleek nu maar al te duidelijk. Broodnuchter en beraden
was ze. Ze wist evengoed dan gelijk wie wat er te koop was op de wereld. En voor wie wel en voor wie niet dat allemaal te koop was, wist ze nog véél beter. Haar ietwat plechtige, nog vooroorlogse Nederlands dat ik kende van haar brieven bleek ze evenwel te hebben bewaard.

‘Al die schone huizen en gebouwen die er bijgekomen zijn hier overal in ’t land!’

‘Al die blinkende auto’s op de brede straten en verharde wegen.’

‘De welstand onder de mensen.’

‘Alles zo ordelijk en proper geregeld!’

‘En de kinderen van ’t straat!’

 

 

Pleysier

Leo Pleysier (Rijkevorsel, 28 mei 1945)

 

De Duitse schrijver Frank Schätzing werd geboren in Keulen op 28 mei 1957. Schätzing studeerde communicatiewetenschappen en richtte zijn eigen reclamebureau INTEVI op, waarvan hij nog steeds directeur is. Schätzing is begin jaren negentig begonnen hij met schrijven en na enkele novelle en satires verscheen. In 1995 verscheen zijn eerste Duitstalige roman Tod und Teufel. Naast zijn werk als reclamemaker is Frank Schätzing ook actief als muziekproducent.

Schätzing bereikte zijn grootste succes na het schrijven van zijn science fiction boek Der Schwarm.

 

Uit: Der Schwarm

 

„Anawaks Gedanken rasten. Wahrscheinlich war der Rumpf bereits an einigen Stellen gerissen. Er musste etwas tun. Vielleicht konnte er die Tiere irgendwie ablenken.
Seine Hand fuhr zum Gashebel.
Im selben Moment zerriss ein vielstimmiger Schrei die Luft. Aber er kam nicht von dem weißen Dampfer, sondern erscholl gleich hinter ihm, und Anawak wirbelte herum.
Der Anblick hatte etwas Surreales. Direkt über dem Boot der Tierschützer stand senkrecht der Körper eines riesigen Buckelwals. Beinahe schwerelos wirkte er, ein Wesen von monumentaler Schönheit, das krustige Maul den Wolken zugereckt, und immer noch stieg er weiter empor, zehn, zwölf Meter über ihre Köpfe hinweg. Den Herzschlag einer Ewigkeit lang hing er einfach nur so am Himmel, sich langsam drehend, und die meterlangen Flipper schienen ihnen zuzuwinken.
Anawaks Blick wanderte an dem springenden Koloss entlang. Nie hatte er etwas zugleich so Schreckliches und Großartiges gesehen, nie aus solcher Nähe. Alle, Jack Greywolf, die Menschen in den Zodiacs, er selber, legten den Kopf in den Nacken und starrten auf das, was nun auf sie zukommen würde.
»Oh mein Gott«, flüsterte er.“

 

SCHAETZING

Frank Schätzing (Keulen, 28 mei 1957)

 

De Ierse schrijfster en columniste Maeve Binchy werd geboren op 28 mei 1940 in Dalkey. Binchy studeerde aan University College Dublin. Zij werkte eerst als lerares en later als journaliste voor de Irish Times. Haar romans spelen vaak in Ierland en en beschrijven de spanningen tussen het landelijke en stedelijke leven, de tegenstellingen tussen Engeland en Ierland en de veranderingen sinds WO II. Maeve Binchy is een echte bestsellerauteur waarvan al meer dan 6 miljoen boeken verkocht zijn.

 

Uit: Valentine park

 

“It all depended on what form you were in at school, whether there was a fuss about St Valentine’s Day or not. It had nothing to do with the age, it was all to do with the mood. Last year Miss Park remembered all the fourteen-year-olds had been obsessed with Valentines, there had been a fever of activity for three weeks before and two weeks after the day itself. This year they were a different bunch. Miss Park always tried to be in some way relevant to the world about her and gave them a little lesson on St Valentine and who he was and might have been. They yawned at the story. She could find no takers for the legends about the saint who in Roman times had defied the orders of an Emperor and continued to marry loving couples even when there was a decree against it.

“He was very foolish,” said Alice Jones sternly.

Miss Park went on to say that the tradition of Valentine’s Day may have had more to do with the fact that it was traditionally the day that birds began to mate.

“Well, really!” Susan Green said disapprovingly.

Miss Park sighed to herself. What an unromantic lot this crowd were. Hard-hearted little Hannahs, determined to get on, anxious to do well. Perhaps this is what the Nineties might be all about.

But then Miss Park remembered that last year she had sighed too: they had been too obsessed with the day and the possible cards it might bring and she had been worried then in case their expectations were too high and their excitement too unrealistic.

Miss Park, who had great self-knowledge, told herself that there was no way of pleasing her. She was obviously a woman who could never be pleased, no matter how things turned out.”

 

binchy

Maeve Binchy (Dalkey, 28 mei 1940)

 

De Ierse dichter en songwriter Thomas Moore werd geboren op 28 mei 1779 in Dublin. Zie ook mijn blog van 28 mei 2006.

 

At the Mid Hour of Night

AT the mid hour of night, when stars are weeping, I fly

To the lone vale we loved, when life shone warm in thine eye;

And I think oft, if spirits can steal from the regions of air

To revisit past scenes of delight, thou wilt come to me there,

And tell me our love is remember’d even in the sky.

 

Then I sing the wild song it once was rapture to hear,

When our voices commingling breathed like one on the ear;

And as Echo far off through the vale my sad orison rolls,

I think, O my love! ’tis thy voice from the Kingdom of Souls

Faintly answering still the notes that once were so dear.

 

THOMASMoore

Thomas Moore (28 mei 1779 – 25 februari 1852)

Alan Hollinghurst, Hugo Raes, Ivan O. Godfroid

De Britse schrijver Alan Hollinghurst werd geboren op 26 mei 1954 in Stoud, Gloucestershire als enige kind van een bankmanager. Hollinghurst studeerde Engels aan Magdalen College, Oxford. In Oxford deelde hij een woning met dichter en schrijver Andrew Motion. In die tijd werd hem de Newdigate Prize toegekend voor poëzie. In de late jaren zeventig werd Hollinghurts lector, eerst aan Magdalen, vervolgens aan Somerville College en tenslotte aan Christi College. In 1981 ging hij werken aan de universiteit van Londen en voor de Times Literary Supplement.

Werk o.a.: Isherwood is at Santa Monica (1975), The Swimming Pool Library, (1988), The Folding Star, (1994), The Spell, (1998)

Uit: The Line of Beauty (2004)

“PETER CROWTHER’S BOOK on the election was already in the shops. It was called Landslide!, and the witty assistant at Dillon’s had arranged the window in a scaled-down version of that natural disaster. The pale-gilt image of the triumphant Prime Minister rushed towards the customer in a gleaming slippage. Nick stopped in the street, and then went in to look at a copy. He had met Peter Crowther once, and heard him described as a hack and also as a “mordant analyst”: his faint smile, as he flicked through the pages, concealed his uncertainty as to which account was nearer the truth. There was clearly something hacklike in the speed of publication, only two months after the event; and in the actual writing, of course. The book’s mordancy seemed to be reserved for the efforts of the Opposition. Nick looked carefully at the photographs, but only one of them had Gerald in it: a group picture of “The 101 New Tory MPs”, in which he’d been clever enough, or quick enough, to get into the front row. He sat there smiling and staring as if in his own mind it was already the front bench. The smile, the white collar worn with a dark shirt, the floppy breast-pocket handkerchief would surely be famous when the chaps in the rows behind were mere forgotten grins and frowns. Even so, he was mentioned only twice in the text – as a “bon viveur”, and as one of the “dwindling minority” of Conservative MPs who had passed, ”as Gerald Fedden, the new Member for Barwick, so obviously has”, through public school and Oxbridge. Nick left the shop with a shrug; but out in the street he felt delayed pride at this sighting of a person he knew in a published book.”


HOLLINGHURST

Alan Hollinghurst (Stoud, 26 mei 1954)

 

De Belgische schrijver Hugo Raes werd geboren in Antwerpen op 26 mei 1929. Raes was leraar en debuteerde met experimentele gedichten: Jagen en gejaagd worden (1954) . Hij trok de aandacht met korte verhalen en vestigde pas zijn naam als romancier met De vadsige koningen (1961). Daarop volgden enkele experimentele romans, zoals Een faun met kille horentjes, 1966.

Uit: Bankroet van een charmeur

 

“Er zijn vrouwen voor het huishouden en er zijn er om te minnen, spreekt het zegwoord. De vrouwen zijn gemakkelijk, zeggen de vrienden. Je kan er zoveel hebben als je maar wilt, zeggen mijn vrienden de Don Juans.

Een zegwoord of zegger, een verkondiger der waarheden is de vriend Johan:

‘Peter, het is weeral te lang geleden dat je nog eens duchtig een glas hebt gedronken met me.’

‘Vóór drie dagen’ zeg ik.

‘Wat ik zeg: te lang geleden.’

Sonoor de diep ingehaalde rook van zijn zware sigaretten uitblazend over zijn kin, kijkt hij met hautain opgetrokken wenkbrauwen naar mij, naar buiten, terug naar mij, en hij krijgt een spottend glimlachje op zijn gezicht. Hij speelt even met zijn pakje Gauloises dat altijd vóór hem blijft liggen met de lucifers of de aansteker. Zijn grote dikke handen vormen een tegenstelling met de rest van hem. Hij is dus een loper, een vliegenpikker. Aandachtig heb ik hem gadegeslagen, steeds opnieuw, de jaren dat ik hem van nabij volgde, dat ik met hem op schok was. Hij dronk graag. We drinken, we dronken, en de lust, de gulzigheid nam maar toe en het leven werd voller en beter, en de levers, wij die leven, onoverwinnelijker, mannelijker en de ogen driester.

Jawel, de volgende deur open. ‘Welk bier hebben ze hier?’ Tik op de tafel, in grote teugen peil zien zakken. Twee schuifjes open. Een waarheid met effect lanceren tegen de sterk gemaquilleerde waardin, een durvende geestigheid tegen de barmeiden, het steile muurvaste gelaat beheerst.

Er zijn soorten donjuans. Er zijn de harde jongens: de mannen met de dunne streeplippen, de brede kaken. De koele volkse bijlopers met ringen aan de hand. Zij die een limonade drinken, altijd uitgerust en fris sportief zijn, de straatvechters in petto. Er zijn de gulzige erotische typen met de sensuele lippen, de enigszins vrouwelijke trekken, weelderig haar, liefst donker, de zelfbewuste blik, liefst donker, de zacht lijkende huid, liefst donker, en de onmisbare lange gestalte, de trage bewegingen. De zoete woorden.”


Raes

Hugo Raes (Antwerpen, 26 mei 1929)

 


De Belgisch Franstalige schrijver en essayist
Ivan O. Godfroid werd geboren in Boussu op 26 mei 1971. Godfoid’s werk is een poging om wetenschap en kunst met elkaar te verenigen als twee aspcten van een onderliggende realiteit. Als gevolg daarvan bevatten zijn boeken theoretische discussies als poëzie. Omdat Godfroid’s visie op de mensheid nogal somer en wreed is zien sommigen in hem een “gothic filosoof”.

Werk o.a.: La psychiatrie de la femme (1999), Larmes de venin. Essai sur le pouvoir. (L’ombre close des portes celtiques, Livre III) (2004), Pacte de contrition. Essai sur la folie. (L’ombre close des portes celtiques, Livre IV) (2005)

Uit: Larmes de venin

« Qui ? Qui donc choisirez-vous pour vous guider là où toujours vous vous êtes perdu ? Lequel d’entre-vous ? Et pour combien de temps ? – avant le retour du mal. La perfection est inhumaine. Mais de l’humain – comme un miracle, et si rarement – de l’humain naît parfois la perfection. Et en dernier recours, dans une dernière aurore, tel un imperator ex machina, mordant la peau de sa clarté, éblouissant à faire pleurer: DESPOT.EXE “

 

 


Ivan O. Godfroid (Boussu, 26 mei 1971)

Arthur Conan Doyle, Alfonsina Storni, Anne de Vries, Kees Winkler


De Britse schrijver Sir Arthur Ignatius Conan Doyle werd geboren in Edinburgh op 22 mei 1859. In 1890 specialiseerde Conan Doyle zich in Wenen in de oogheelkunde en verhuisde in 1891 naar Londen waar hij een praktijk opzette als oogarts, hoewel hij daar weinig patienten meer heeft behandeld. Conan Doyle was daarnaast een fervent sporter. Hij speelde cricket, bokste met overtuiging en stond, ongebruikelijk voor zijn tijd, in Zwitserland op ski’s (een sport die hij in Noorwegen had leren kennen). Als beginnend arts was Conan Doyle reeds begonnen met het schrijven van verhalen. In 1887 verscheen A Study in Scarlet, waarin Sherlock Holmes voor het eerst zijn opwachting maakte. De verhalen rond Holmes (Bakerstreet 221b), verschijnende in het tijdschrift The Strand, betekenden een belangrijke vernieuwing van het genre en werden in korte tijd zeer populair. De druk, die dit legde op Conan Doyle, maakte dat zijn personage hem ernstig dwars ging zitten. In november 1891 schreef hij aan zijn moeder: ‘Ik denk erover Holmes te doden… zodat hij voor eens en altijd verdwenen is. Hij leidt mijn gedachten af van betere dingen’. In december 1893 gebeurde dit ook, in het verhaal The Final Problem, waarin Holmes en zijn aartsvijand Professor Moriarty gezamenlijk in de Reichenbachwaterval in Zwitserland vallen en kennelijk omkomen. Zijn lezers pikten dit echter niet en Holmes keerde als kennelijke overlever van het drama bij de watervallen terug in menig verhaal

 

Uit: The Return of Sherlock Holmes
 

“It can be imagined that my close intimacy with Sherlock Holmes had interested me deeply in crime, and that after his disappearance I never failed to read with care the various problems which came before the public, and I even attempted more than once for my own private satisfaction to employ his methods in their solution, though with indifferent success. There was none, however, which appealed to me like this tragedy of Ronald Adair. As I read the evidence at the inquest, which led up to a verdict of wilful murder against some person or persons unknown, I realized more clearly than I had ever done the loss which the community had sustained by the death of Sherlock Holmes. There were points about this strange business which would, I was sure, have specially appealed to him, and the efforts of the police would have been supplemented, or more probably anticipated, by the trained observation and the alert mind of the first criminal agent in Europe. All day as I drove upon my round I turned over the case in my mind, and found no explanation which appeared to me to be adequate. At the risk of telling a twice-told tale I will recapitulate the facts as they were known to the public at the conclusion of the inquest.”

 

 

 

Doyle
Arthur Conan Doyle (22 mei 1850 – 7 juli 1930)

 

De Argentijnse dichteres Alfonsina Storni werd geboren in Sala Capriasca, Zwitserland op 22 mei 1892. Op vierjarige leeftijd verhuisde ze met haar ouders wegens economische omstandigheden naar Argentinië, waar ze woonde in Rosario, Santa Fe en Buenos Aires. Ze publiceerde in zeven dichtbundels, een Antología poética in 1938 en een boek met poëzie in de vorm van proza, Poemas de amor. Ziek door kanker, pleegde ze zelfmoord door zich te verdrinken in zee bij Mar del Plata op 25 oktober 1938, nadat ze naar La Nación haar laatste gedicht had verstuurd “Voy a dormir”.

 

 

Am Going to Sleep

 

Teeth of flowers, hairnet of dew,
hands of herbs, you, perfect wet nurse,
prepare the earthly sheets for me
and the down quilt of weeded moss.

I am going to sleep, my nurse, put me to bed.
Set a lamp at my headboard;
a constellation; whatever you like;
all are good: lower it a bit.

Leave me alone: you hear the buds breaking through . . .
a celestial foot rocks you from above
and a bird traces a pattern for you

so you’ll forget . . . Thank you. Oh, one request:
if he telephones again
tell him not to keep trying for I have left .
. .

 

 

 

Lighthouse in the Night

 


The sky a black sphere,
the sea a black disk.

The lighthouse opens
its solar fan on the coast.

Spinning endlessly at night,
whom is it searching for

when the mortal heart
looks for me in the chest?

Look at the black rock
where it is nailed down.

A crow digs endlessly
but no longer bleeds.

 

 

 

Storni
Alfonsina Storni
(22 mei 1892 – 25 oktober 1938)

 

De Nederlandse schrijver en onderwijzer Anne de Vries werd geboren op 22 mei 1904. Hij werd vooral bekend door een tweetal streekromans over de Drentse jongen Bartje. Zijn jeugd bracht de Vries  hij door op een oude boerderij die eenzaam was gelegen in het veld bij Assen. Als scholier schreef hij berichtjes voor de Asser Courant die hem twee kwartjes per stuk opleverden. Ook schreef hij eens een kerstverhaal dat een rijksdaalder waard was. Uit heimwee naar zijn Drentse geboortegrond schreef hij zijn eerste boekjes in zijn latere woonplaats Zeist. Daar schreef hij ook het boek Bartje dat niet lang daarna een begrip werd. Naar eigen zeggen mag dit boek niet gezien worden als een autobiografie.

 

Uit: De storm steekt op

 

“Het kwam misschien door de storm dat Frits op die morgen in Maart 1942 baldadiger was dan ooit. Die joelde nog door zijn hoofd, nadat hij zich als de leider van een troep schreeuwerige buitenjongens op de fiets naar de stad had laten blazen, die raasde ze allen door het bloed en bracht ze tot een wilde stoeipartij op het schoolplein. Maar plotseling viel er een stilte en ze groepten samen, want ze zagen meneer Muys komen, het kleine driftige Muysje met zijn glinsterbril en zijn geitenbaardje, leraar Duits en Geschiedenis, ook wel genoemd ‘de Afrikaan’. Hij was een paar weken ziek geweest en niemand wist precies wat hem gescheeld had; sommigen zeiden ‘bronchitis’ en anderen ‘overspannen’. De meesten waren overtuigd van het laatste en nauwelijks was de leraar de stoep op, of Frits kwam met een overmoedig plan voor de dag. Ze moesten het die lelijke Afrikaan vandaag zo lastig maken, dat hij morgen weer op zijn bed zou liggen.

De anderen schrokken er van, dat zag hij wel, maar toch was er niemand die protesteerde. Voor Muys durfde niemand het op te nemen, want hij ging door voor een Moffenknecht en landverrader. De andere leraren waren allemaal ‘goed’ en dat merkte je dagelijks.”

 

 

DeVries
Anne de Vries
(22 mei 1904 – 29 november 1964)

 

De Nederlandse dichter Kees Winkler werd op 22 mei 1927 in Hoorn geboren. Winkler studeerde medicijnen en was in zijn studietijd redacteur van het studentenblad Propria Cures. Kees Winkler werkte na zijn artsexamen als bibliothecaris bij het herseninstituut aan de Universiteit van Amsterdam. Kees Winkler debuteerde in 1960 met de bundel “Tussen twee oorlogen”. Hierna verscheen nog een elftal bundels. Winkler schreef vooral over het alledaagse leven. Zijn poëzie werd in 1997 gebundeld in zijn “Verzamelde gedichten”. In 1985 stelde Kees Winkler de bloemlezing “Liefde is het enige; de honderd mooiste liefdesgedichten na 1945” samen. In 1972 kreeg Winkler de Henriette Roland Holst-prijs voor zijn poëzieoeuvre. Kees Winkler overleed in april 2004 in Amsterdam op 76-jarige leeftijd. De laatste jaren van zijn leven leed Winkler aan de ziekte van Parkinson.

September

 

Mijn hemel de rozen verwelken
de treurwilg staat al op nul
aanschouw het zéro van de kelken
mijn hemel wat ben ik een sul

 

Ik had van de roos moeten plukken
meeldraden uit moeten zeven
alleen om een kwestie van bukken
verspeel ik de winst van een leven

 

Bij de rozenhof in het Vondelpark
staat stil de tuinman met zijn hark
en ziet de bloemen kwijnen

 

Geven wij elk het zijne
de dichter staat voor zijn sonnet
een tuinman voor het rozenbed

 

 

De dichter en de dood

 

Ik peuter maar wat en ik mier
aan gindse wilgen hangt mijn lier
onbereikbaar voor de hand
in ’t bekende polderland.

Ik peuter wat en mier verder
in de woestijn is geen herder
de wolf in schaapskleren gehuld
huilt, doch de jager brult

Brult tegen de karavaan
die verder trekt naar Ispahan
brult vanwege de vette kamelen
en de ruiters die ze bevelen

Eén raakt achter, wordt verslonden
wolven vechten om de botten
de karavaan is niet te stoppen
de enkeling gaat snel te gronde.

 

 

Winkler
Kees Winkler (22 mei 1927 –  1 april 2004)

 

 

Gerrit Achterberg, Annie M.G. Schmidt, Wolfgang Borchert, Honoré de Balzac, A.C. Cirino


De Nederlandse dichter Gerrit Achterberg werd geboren in Nederlangbroek op 20 mei 1905. Zijn carrière als dichter kreeg pas duidelijk gestalte nadat Roel Houwink zich als zijn literaire mentor ontpopte. Het eerste resultaat was de bundel Afvaart (1931) waarin Achterbergs hoofdthema al aanwezig is: het oproepen van de gestorven geliefde.Na de publicatie van Afvaart raakte Achterberg in een geestelijke crisis. Hij werd enkele keren opgenomen in een psychiatrische inrichting en had moeilijke relaties met vrouwen. De verwarring die dat met zich meebracht, leidde bij Achterberg vaak tot gewelddadige buien.

De ontwikkelingen mondden uit in een drama. Achterberg had in 1934 het onderwijs verruild voor een baan als landbouwcrisisambtenaar bij de Crisis Vee Centrale in Utrecht. Hij woonde in Utrecht op kamers en kreeg, hoewel hij inmiddels verloofd was, een relatie met zijn hospita. Op 15 december 1937 schoot Achterberg haar dood en hij verwondde haar dochter. Hij meldde zich zelf bij de politie en werd tot tbr veroordeeld. Tot augustus 1943 verbleef hij in diverse (forensisch-) psychiatrische inrichtingen. Daarna volgde een periode van resocialisatie tot de tbs in 1955 definitief werd opgeheven.

Onderwijl produceerde hij een stroom aan nieuw werk. Tussen 1939 en 1953 verschenen 22 bundels. En Jezus schreef in ’t zand (1947) werd in 1949 onderscheiden met de P.C. Hooftprijs. Ballade van de gasfitter (1953) kreeg in 1954 de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam en in 1959 kreeg Gerrit Achterberg voor zijn gehele werk de Constantijn Huygensprijs toegekend.

 

Zie ook mijn blog van 20 mei 2006.

 

Diaspora

 

Al zijt gij in onnoembaarheid,
glanzende scharen van mijn wil
zijn uitgegaan om u te tellen:
een prevelen, niet te verstaan,
zal eenmaal samenvallen
met onze kennismaking
diep in de taal.

 

Dan treedt uw lichaam uit mijn som,
want alle moleculen
roep ik weerom
uit hun verstrooiing. Alle.

 

 

 

Depersonalisatie

 

Het schijnt verleden week te Amersfoort.

Een middag voor een ander; van opzij.

De zakenlui. De wereld zonder mij.

Een bakkersjongen in de Koppelpoort.

 

Het zet zich binnen stadsgezichten voort.

Bijna de dood; aan mijn leven voorbij.

Zo zal het zijn als ik hier niet meer rij.

Dan heeft de afzender het laatste woord.

 

Letters figuurtjes op de winkelruiten.

Mijn naam en ik gescheiden van elkaar.

Er zit al speling tussen hier en nu.

 

Agenten wenken dat ik moet besluiten.

Vrachtwagens met inboedel ronken zwaar.

Ik stuur u nog vanavond het reçu.

 

 

 

Achterberg
Gerrit Achterberg
(20 mei 1905 – 17 januari 1962)

 

De Nederlandse schrijfster en dichteres Anna Maria Geertruida Schmidt werd geboren in Kapelleop 20 mei 1911. Annie Schmidt werkte aanvankelijk als bibliothecaris in Amsterdam en Vlissingen. Na de WO II werkte ze vanaf 1946 als documentaliste en later als redactrice bij de Amsterdamse krant Het Parool. Het laatste werk deed ze tot 1958. In die periode werd ze lid van de cabaretgroep De Inktvis, waar ook andere Parool-coryfeën aan meededen. Annie Schmidt – de tussenletters M.G. waren nodig ter onderscheid van een andere schrijfster A. Schmidt – schreef in de beginjaren cabaretteksten/liedjes voor o.a. Wim Kan, Wim Sonneveld en Conny Stuart. Bekendheid als schrijfster kreeg ze met de hoorspelserie In Holland staat een huis over de familie Doorsnee, waar tussen 1952 en 1958 91 afleveringen van gemaakt werden. In 1965 schreef ze de tekst van de eerste oorspronkelijk Nederlandstalige succesvolle musical “Heerlijk duurt het langst” die 534 voorstellingen zou beleven en waarvoor Harry Bannink de muziek componeerde. In 1968 volgde de inmiddels legendarische televisieserie “Ja zuster, nee zuster” weer in nauwe samenwerking met Bannink. Meer musicals zouden volgen:

 

Zie ook mijn blog van 20 mei 2006.

 

Uitverkoop in de Konijnen-Bijenkorf

 

In de Konijnen-Bijenkorf daar is h
et uitverkoop.

Daar krijg je voor een prikje een konijnekussensloop.

Er zijn konijnebroekjes voor drie worteltjes het stuk

en bij de kinderwagens is het heel bijzonder druk.

Er zijn konijne-nylons, o, die worden veel gevraagd,

‘konylons’ ja, ze ladderen niet, zelfs als je er aan knaagt.

Meneer Van Snuffert wil een fles met uitjes en augurken,

mevrouw Van Oren-Pokkestaart wil naar de zonnejurken.

Ze willen allemaal in de lift, de liftboy staat te gillen:

‘De derde! Schrijfbehoeften, lingerie, konijne-brillen!

De vierde! Levensmiddelen, corsetten, baby-wol!

Past op uw oren, dames, heren, ja, de lift is vol!’

Kijk daar, konijne-toffeltjes met echte vilten zolen

en een konijne-juffrouw demonstreert een rauwkostmolen:

‘U hoeft niet meer te knagen!’ zegt zij. ‘Dames! Kijkt u even!

Met deze rauwkostmolen blijft u eeuwig in het leven.’

Daar komt een dame met haar kinders, ’t zijn er vierentachtig,

ze krijgen ieder een ballon, wat vinden ze dat prachtig.

Och kijk, die twee konijntjes met hun oren in de knoop!

In de Konijnen-Bijenkorf daar is het uitverkoop!

 

 

 

Schmidt
Annie M.G. Schmidt
(20 mei 1911 – 21 mei 1995)

 

De Duitse schrijver Wolfgang Borchert werd geboren op 20 mei 1921 in Hamburg. In 1942 kreeg hij difterie en kwam met oorlogswonden in het lazaret terecht. Zijn gezondheid zou zich nooit meer herstellen. Borchert kwam meermaals met de legerleiding in aanvaring: men verdacht hem van insubordinatie in zijn briefcorrespondentie, en hij werd in de gevangenis te Neurenberg opgesloten. Zijn vrijlating geschiedde op voorwaarde dat hij opnieuw naar het front in het oosten zou trekken: tijdens de veldtocht onderkoelde hij echter en liep vervolgens geelzucht op, zodat hij in Smolensk wederom in het veldhospitaal belandde. Uiteindelijk mocht hij met verlof naar huis: hij sloot zich in Hamburg bij het cabaret aan; in 1943 werd hij desondanks steeds zieker, en toen hij poogde aan het front in het theater toegelaten te worden, werd hij eens te meer gearresteerd. Hij werd in 1944 nogmaals voor het gerecht gebracht, ditmaal in Berlijn, er tot negen maand gevangenis veroordeeld en vervolgens opnieuw doodziek naar het front gestuurd. In 1945 capituleerde zijn regiment in Frankfurt am Main aan de Fransen: hij liep weg en trok te voet naar Hamburg terug.

In 1945 werkte Borchert eindelijk terug voor het theater: hij speelde weer cabaret, regisseerde Lessing en richtte zelf een toneelvereniging op in Altona. Maar hij was sterk verzwakt en bedlegerig: de aantasting van zijn lever zette zich snel door, en hij wist dat hij niet lang meer te leven had. In 1946 schreef hij nog een lange rist verhalen en een dichtbundel, die aanknoopten bij de expressionistische traditie van het interbellum die door het Derde Rijk verboden was geweest. Zijn radicale keuze voor het grove, eenvoudige en eenduidige maakten hem tot een hoofdvertegenwoordiger van wat men Kahlschlag of het Uur nul noemt. Met Draußen vor der Tür verwerd hij tot spreekbuis voor een misnoegde en ontmoedigde generatie, die zich voornam van nul te herbeginnen. Na hem kwamen nieuwe experimenten, die soms wel bij de vooroorlogse traditie poogden aan te knopen, maar desalniettemin heeft hij met dit ene toneelstuk, dat een klassieker is geworden, een gigantische impact op de Duitse literatuur nagelaten.

 

Uit: Draußen vor der Tür

 

“Aha, da steht einer. Da auf dem Ponton. Sieht aus, als ob er Uniform anhat. Ja, einen alten Soldatenmantel hat er an. Mütze hat er nicht auf. Seine Haare sind kurz wie eine Bürste. Er steht ziemlich dicht am Wasser. Beinahe zu dicht am Wasser steht er da. Das ist verdächtig. Die abends im Dunkeln am Wasser stehn, das sind entweder Liebespaare oder Dichter. Oder das ist einer von der großen grauen Zahl, die keine Lust mehr haben. Die den Laden hinwerfen und nicht mehr mitmachen. Scheint auch so einer zu sein von denen, der da auf dem Ponton. Steht gefährlich dic
ht am Wasser. Steht ziemlich allein da. Ein Liebespaar kann es nicht sein, das sind immer zwei. Ein Dichter ist es auch nicht. Dichter haben längere Haare. Aber dieser hier auf dem Ponton hat eine Bürste auf dem Kopf. Merkwürdiger Fall, der da auf dem Ponton, ganz merkwürdig. (Es gluckst einmal schwer und dunkel auf. Die Silhouette ist verschwunden.) Rums! Da! Weg ist er. Reingesprungen. Stand zu dicht am Wasser. Hat ihn wohl untergekriegt. Und jetzt ist er weg. Rums. Ein Mensch stirbt. Und? Nichts weiter.”

 

 

borchert2
Wolfgang Borchert (20 mei 1921  – 20 november 1947)

 

De Franse schrijver Honoré de Balzac werd geboren in Tours op 20 mei 1799. Aanvankelijk studeerde hij rechten, maar in 1819 stopte hij met zijn studie om te gaan schrijven. Eerst onder verschillende pseudoniemen, later onder zijn eigen naam. Het succes bleef uit en hij nam een drukkerij over. Ondanks zijn verhouding met de rijke en vijftien jaar oudere en getrouwde Laure de Berny, had hij altijd grote schulden. Balzac trouwde met Eve Hanska, een rijke weduwe uit Polen, maar stierf kort daarna op eenenvijftigjarige leeftijd te Parijs. Hij werd begraven op de beroemde Parijse begraafplaats Père-Lachaise. De Balzac wordt beschouwd als de onbetwiste meester van het realisme. Hij was een harde werker, een broodschrijver, en schreef de monumentale Comédie humaine, een oeuvre van bijna honderd boeken met als doel de gehele Franse maatschappij vast te leggen. Zijn eerste grote successen waren La Peau de chagrin en Le Père Goriot. Le Lys dans la vallée wordt als zijn meesterwerk beschouwd.

 

Zie ook mijn blog van 20 mei 2006.

 

Uit: Le père Goriot

 

« Madame Vauquer, née de Conflans, est une vieille femme qui, depuis quarante ans, tient à Paris une pension bourgeoise établie rue Neuve-Sainte-Geneviève, entre le quartier latin et le faubourg Saint-Marceau. Cette pension, connue sous le nom de la Maison-Vauquer, admet également des hommes et des femmes, des jeunes gens et des vieillards, sans que jamais la médisance ait attaqué les moeurs de ce respectable établissement. Mais aussi depuis trente ans ne s’y était-il jamais vu de jeune personne, et pour qu’un jeune homme y demeure, sa famille doit-elle lui faire une bien maigre pension. Néanmoins, en 1819, époque à laquelle ce drame commence, il s’y trouvait une pauvre jeune fille. En quelque discrédit que soit tombé le mot drame par la manière abusive et tortionnaire dont il a été prodigué dans ces temps de douloureuse littérature, il est nécessaire de l’employer ici: non que cette histoire soit dramatique dans le sens vrai du mot; mais, l’oeuvre accomplie, peut-être aura-t-on versé quelques larmes intra muros et extra . Sera-t-elle comprise au-delà de Paris? le doute est permis. Les particularités de cette scène pleine d’observations et de couleurs locales ne peuvent être appréciées qu’entre les buttes de Montmartre et les hauteurs de Montrouge, dans cette illustre vallée de plâtras incessamment près de tomber et de ruisseaux noirs de boue; vallée remplie de souffrances réelles, de joies souvent fausses, et si terriblement agitée qu’il faut je ne sais quoi d’exorbitant pour y produire une sensation de quelque durée. » 

 

 

 

BALZACRodin
Honoré de Balzac
(20 mei 1799 – 18 augustus 1850)
Beeld van Auguste Rodin

 

De Surinaamse schrijver A.C. Cirino werd geboren in Goede Hoop op 20 mei 1929. Hij was een kenner van de inheemse culturen en publiceerde in het Nederlands twee bundels Indiaanse vertellingen, gebaseerd op de vertelschat van Karaïben en Arowakken. Jarenlang waren ze de eerste, uitgebreide collectie van Surinaams-Indiaanse vertellingen, vastgelegd door iemand die zelf afkomstig was uit een Indiaanse groep.

 

Uit: Het meisje en de vogels

 

“O, wat waren de vogeltjes verdrietig. Bij honderden kwamen ze aangevlogen om haar te troosten en beterschap te wensen. Overal zaten ze op de grond, op de spanten van het kamp, op het dak, aan de rand van haar hangmat, zelfs tegen de bladerwand van het kamp. Overal. En ze piepten en floten al maar door. En ze hadden heel wat lekkernijen voor haar meegebracht, heel wat bosvruchten. Het hele vogelrijk was in de waar en in de weer gekomen.
Sommige vogeltjes stierven van verdriet, omdat zij weigerden te eten toen zij Matuwi maar zagen wegkwijnen. De vogels kwamen bij elkaar en zeiden: “Matuwi is onze koningin. Hoe kunnen wij haar helpen?” Rediborsu dacht bij zichzelf: “Matuwi wordt niet beter.” En hij bracht zijn familie om de vogelkoningin te groeten en een goede reis naar het hiernamaals te wensen.
Een der kleine grijze vogels sprong op Matuwi’s armen en pikte haar. Er kwam wat bloed uit dat op de vogeltjes viel.
Enkele dagen daarna was het dorp en het hele vogelrijk in rouw gedompeld. Matuwi was overleden. Bij haar begrafenis zaten duizenden vogeltjes stil op de takken van de bomen toe te kijken. De vogels hadden zo’n verdriet dat zij nooit meer grote vriendschap met de mensen hebben gesloten. Vanaf die tijd vliegen zij snel weg als je in hun buurt komt.
En jij die dit verhaal hebt gehoord, weet nu ook waarom de rediborsu rode veren en een roodachtige bek heeft.”



REDIBORSI
A.C. Cirino (20 mei 1929 –  6 mei 2003) 

Rediborsi (Geen portret beschikbaar)

 

Adrienne Rich, Jakob van Hoddis, Friedrich Rückert, Olaf J. de Landell, Paul Gellings, Juan Rulfo, Lothar Baier


De Amerikaanse dichteres Adrienne Rich werd 16 mei 1929 geboren te Baltimore. Zij  schreef aanvankelijk volgens de in de jaren vijftig gangbare, door de zeventiende eeuwse Engelse dichters, geïnspireerde opvattingen over poëzie. In de jaren zestig liet zij rijm en strikte vormen varen; zij schreef over persoonlijke ervaringen en raakte betrokken bij de radicaal politieke beweging, in de jaren zeventig bij het feminisme.

 

 

For the Dead

 

I dreamed I called you on the telephone

to say: Be kinder to yourself

but you were sick and would not answer

 

The waste of my love goes on this way

trying to save you from yourself

 

I have always wondered about the left-over

energy, the way water goes rushing down a hill

long after the rains have stopped

 

or the fire you want to go to bed from

but cannot leave, burning-down but not burnt-down

the red coals more extreme, more curious

in their flashing and dying

than you wish they were

sitting long after midnight

 

 

From a Survivor

 

The pact that we made was the ordinary pact

of men & women in those days

 

I don’t know who we thought we were

that our personalities

could resist the failures of the race

 

Lucky or unlucky, we didn’t know

the race had failures of that order

and that we were going to share them

 

Like everybody else, we thought of ourselves as special

 

Your body is as vivid to me

as it ever was: even more

 

since my feeling for it is clearer:

I know what it could and could not do

 

it is no longer

the body of a god

or anything with power over my life

 

Next year it would have been 20 years

and you are wastefully dead

who might have made the leap

we talked, too late, of making

 

which I live now

not as a leap

but a succession of brief, amazing movements

 

each one making possible the next

 

 

 

Rich
Adrienne Rich (Baltimore, 16 mei 1929)

 

De Duitse dichter Jakob van Hoddis (pseudoniem van was Hans Davidsohn) werd geboren in Berlijn op 16 mei 1887. Na zijn middelbare school studeerde Jakob van Hoddis architectuur in München, Grieks en filosofie in Jena en Berlijn. Tijdens zijn studie maakte hij kennis met Kurt Hiller, met wie hij (samen met onder meer Erwin Loewenson) in 1909 de Neue Club oprichtte in Berlijn. Wat later werd het Neopathetischen Cabarets, waaraan ook Georg Heym had bijgedragen, in Berlijn opgericht. Er werden dan verscheidene keren literaire avonden georganiseerd, waarbij Hoddis vaak uit eigen werk voorlas. Reeds eind 1912 vertoonde hij de eerste tekenen van schizofrenie. Sinds 1914 leefde hij in klinieken en gestichten. In 1942 werd hij door de nationaal-socialisten eerst in een joods gesticht in de buurt van Koblenz gedeporteerd en wat later werd hij door hen in het kamp Sobibór vermoord. Hij werd vooral bekend dankzij zijn gedicht ‘Weltende’, dat in 1911 in het Berlijnse weekblad Der Demokrat verscheen.

 

Weltende

 

Dem Bürger fliegt vom spitzen Kopf der Hut,

In allen Lüften hallt es wie Geschrei,

Dachdecker stürzen ab und gehn entzwei

Und an den Küsten – liest man – steigt die Flut.

Der Sturm ist da, die wilden Meere hupfen

An Land, um dicke Dämme zu zerdrücken.

Die meisten Menschen haben einen Schnupfen.

Die Eisenbahnen fallen von den Brücken.

 

 

Der Todesengel

 

I

 

Mit Trommelwirbeln geht der Hochzeitszug,
in seidner Sänfte wird die Braut getragen,
durch rote Wolken weißer Rosse Flug,
die ungeduldig goldne Zäume nagen.

 

Der Todesengel harrt in Himmelshallen
als wüster Freier dieser zarten Braut.
Und seine wilden, dunklen Haare fallen
die Stirn hinab, auf der der Morgen graut.

 

Die Augen weit, vor Mitleid glühend offen
wie trostlos starrend hin zu neuer Lust,
ein grauenvolles, nie versiegtes Hoffen,
ein Traum von Tagen, die er nie gewußt.

 

 

 

Hoddis
Jakob van Hoddis (16 mei 1887 – mei/juni ? 1942)

 

De Duitse dichter Johann Michael Friedrich Rückert werd geboren in Schweinfurt op 16 mei 1788.  Hij studeerde aan de universiteit van Würzburg. Van 1811-1812 werkte hij als privaatdocent klassieke filologie in Jena, waar Friedrich von Schlegel Rückerts passie voor de Oosterse wereld deed oplaaien. Deze passie resulteerde in heel wat vertaalwerk van Rückert uit het Perzisch. Zo z
ette hij bijvoorbeeld de Perzische liederen van de dichter Hafis om naar het Duits in zijn bundel Östliche Rosen (1822): wijn, liefde en levensgenot vormen de ingrediënten van deze dichtbundel. Door op die manier heel wat Oosters gedachtegoed in de Duitse poëzie te brengen, heeft hij die enorm verrijkt. Rückert is tevens de schrijver van de 114 Kindertotenlieder, waarvan een aantal later door Gustav Mahler op muziek werden gezet.

 

Zie ook mijn blog van 17 mei 2006.

 

Uit: Kindertotenlieder

 

Erwach, o Licht des Gesanges,
O Licht der Erinnerung!
Rings am Himmel ist banges
Gewölk der Trauer genung.

Es soll in meinem Herzen
Nicht auch noch finster seyn.
Dazu in der Nacht hat man Kerzen,
Wenn aus ist Sonnenschein.

Den Schein der Sonn’ ersetzen,
O Kerze, kannst du nicht;
Doch kann das Auge sich letzen
An keinem anderen Licht.

Ich zag’ ums Herz, wie lang es
Ist ohne Freudenschwung;
Erwach, o Licht des Gesanges,
O Licht der Beseligung!

Wach, holden Überschwanges,
O Licht der Erinnerung,
Bis ich beschwichtigten Dranges
Schlaf ein in Dämmerung!

 

 

Uit: Ghaselen des Mewlana Dschelaleddin Rumi

 

Obgleich die Sonn’ ein Scheinchen ist deines Scheines nur,
    Doch ist mein Licht und deines ursprünglich eines nur.
Ob Staub zu deinen Füßen der Himmel ist, der kreist;
    Doch eines ist und eines mein Sein und deines nur.
Der Himmel wird zu Staube, zum Himmel wird der Staub;
    Und eines bleibt und eines dein Wesen, meines nur.
Wie kommen Lebensworte, die durch den Himmel gehn,
    Zu ruhn im engen Raume des Herzenschreines nur?
Wie bergen Sonnenstrahlen, um heller aufzublühn,
    Sich in die spröden Hüllen des Edelsteines nur?
Wie darf, Erdmoder speisend, und trinkend Wasserschlamm,
    Sich bilden die Verklärung des Rosenhaines nur?
Herz, ob du schwimmst in Fluten, ob du in Gluten glimmst,
    Flut ist und Glut ein Wasser; o sei du reines nur.
O Mewlana! Am Morgen wacht’ ich mit dir, und sah:
    Mein Auge, statt voll Thränen, voll Himmelsweines nur

 

 

 

rueckert
Friedrich Rückert (16 mei 1788 – 31 januari 1866)

 

De Nederlandse schrijver Olaf J. de Landell pseudoniem van Jan Bernard Wemmerslager van Sparwoude) werd geboren in Cirebon op Java in Nederlands-Indië op 16 mei 1911. In 1935 verscheen zijn eerste roman “Wij moderne menschen”, waarvan er niet zo heel veel van zijn verkocht. In de Tweede Wereldoorlog had zijn uitgever hem aangemeld voor de Kultuurkamer, en dat kwam hem na de oorlog te staan op een jaar publicatieverbod. Hij werd een beetje bekender toen zijn boek “De appels bloeien” uit 1950 een aanmoedigingsprijs kreeg bij het inzenden voor het boekenweekgeschenk. Helemaal in de wolken was hij toen hij een jaar later met “De porseleintafel” de eerste plaats kreeg: boekenweekgeschenk 1951. Hij won f 2000,- . Vanaf 1966 begon hij langzaam meer boeken te verkopen, ook al werd hij niet echt erkend als “groot schrijver”. In 1974 tot en met 1976 verscheen zijn meest bekende werk, de trilogie over de Porseleinboom. Verder heeft de Landell ook in talrijke tijdschriften korte verhalen geschreven.

 

Uit : De dief stelen

 

“Wat vreemd eigenlijk, dat het mensdom volwassenheid beschouwd als een winst.

Want als de mens volwassen is, heeft hij al zijn onbevangenheid, dus grote dosis eerlijkheid, en veel uitingskracht verloren.

Kijkt U eens op straat naar het jongetje, dat plotseling een sprong in de hoogte doet, met zijn armen klapt en “kukeleku” roept.

Zou u dat doen, doe ik het?

Wij zijn volwassen.”

 

 

Landell
Olaf J. de Landell (16 mei 1911 – 26 april 1989)

 

De Nederlandse dichter en vertaler Paul Johann Gellings werd geboren in Amsterdam op 16 mei 1953.  Van
1978 tot 1982 was hij als wetenschappelijk ambtenaar verbonden aan het Romaans Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen. Sinds 1993 is hij als docent Frans werkzaam aan de Thorbecke Scholengemeenschap te Zwolle. Daarbij wijdde hij zich vanaf 1985 aan zijn doctoraalopleiding Franse letterkunde, welke hij in 1987 afsloot. In de jaren 1985-1998 werkte hij intensief samen met literair café ‘In de Sinnepoppen’ te Zwolle, waar hij veelvuldig betrokken was bij voorleesavonden en andere evenementen. Gellings publiceert regelmatig poëzie, novellen, artikelen in literaire tijdschriften als Hollands Maandblad, De Gids, Bzzletin en Tirade. Daarnaast is hij werkzaam als literatuurrecensent bij De Stentor en het Nieuw Israëlietisch Weekblad. Gebloemleesd werk o.m. in Meulenhoffs Dagkalender en ‘De dikke Komrij’.

In 2003 heeft Gellings, samen met Jos Wiersema, de website Zuidelijke Wandelweg in het leven geroepen. De website is gebaseerd op de roman Zuidelijke Wandelweg en gaat over de Amsterdamse Rivierenbuurt. In april 2004 werd Gellings voor een periode van twee jaar benoemd tot eerste stadsdichter van Zwolle.

 

 

Terug naar Eden

over de tuin van Harry Pierik

Het land waar het begon is nagenoeg bestraat,
de tuin bijna onvindbaar sinds de dag dat we
in de brandende zon moesten vertrekken.

De verrassing was dus overweldigend
om hier tussen de huizen ons paradijs
zonder distels, zonder duivels
ongeschonden aan te treffen.

Met paden die stromen als rivieren, met
bomen die bloesemen en vruchten dragen,
alsof de tijd is opgerold naar het begin.

Maar zo gaat het hier: eenmaal binnen
ontdek je in de struiken het verre land
van toen, waar valleien ruisen en voorbij
het groen de oude horizon weer lokt.

Of je vindt achter een gordijn van rozen
een uitgegraven schaduw die naar aarde
ruikt, zomers in het bos waar het begon.

 

 

Februari

 

Mijn kalender op een kier gezet
en alvast geroken aan
onzichtbaar groen.

 

Mijn oor op het papier gelegd
en geluisterd naar het lied
van ieder jaar.

 

Begraven in het flets gazon
schopt de krokus, wentelt
zich de narcis.

 

Deze dagen niet verscheuren, maar
koesteren als een raam met
zicht op zilver water.

 

Avond aan avond nog de stilte van
het wachten, de aarde houdt zich
in, geen kat schreeuwt

 

om gezelschap en van takken
trilt alleen de schaduw
in de maan.

 

Zo vluchtig deze tijd, een altijd
nieuw seizoen, dat ik in huis
haal om te vangen.

 

 

 

Gellings
Paul Gellings (Amsterdam, 16 mei 1953)

 

De Mexicaanse schrijver Juan Rulfo werd geboren op 16 mei 1917 in Sayula.Hij groeide op in de nadagen van de Mexicaanse revolutie. Hij schreef, naast Pedro Páramo, verhalen en filmscripts. In 1980 ontving hij de Nationale Literatuurprijs van Mexico. Met Pedro Páramo vestigde deze Mexicaanse schrijver in één klap zijn roem als een van de belangrijkste Zuid-Amerikaanse schrijvers.

 

Uit: Pedro Páramo

“I saw that there was no one, although I kept hearing what sounded like the murmur of many people in a market.  A constant buzz without rhyme or reason, similar to that which is made by the wind rustling the branches of a tree in the night, when neither the tree nor the branches can be seen though their whispers can be heard.  I didn’t dare take another step.  I began to feel that the murmuring was getting closer and circling me like a swarm until I was able to make out a few words, almost void of sound: ‘Pray to God for us.’ That’s what I heard them telling me.”

 

 

Rulfo
Juan Rulfo (16 mei 1917 – 8 januari 1986)

 

De Duitse schrijver, vertaler en essayist Lothar Baier werd geboren in Karlsruhe op 16 mei 1942. Hij studeerde Duitse taal en letterkunde, filosofie en sociologie. Baier schreef literatuurkritieken en essays. Hij was medeoprichter van het tijdschrift “Text und Kritik”. Lothar Baier vertaalde werk van de Franse schrijvers Paul Nizan, André Breton en Georges Simenon. Vooral zijn vertalingen van de vroege werken van Jean-Paul Sartre baarden veel opzien in het Duitse taalgebied. Baier ontving in 1982 de Jean-Améry-Preis voor essays en in 2003 de Gerrit-Engelke-Preis. Hij publiceerde o.a. in Merkur,
Kursbuch en Deutschlandfunk.

 

Uit: Keine Zeit. 18 Versuche über die Beschleunigung

 

“Keine Zeit! Die Leute im Kino biegen sich vor Lachen, wenn auf der Leinwand ein Stadtstreicher zwei anderen Stadtstreichern, die mit ihm ein Schwätzchen halten wollen, zuruft: »Je n’ai pas le temps!« Ein Penner in Eile, das gibt es nicht und ist deshalb zum Brüllen komisch. Der Mann will sich gegenüber seinen Kameraden in der Misere nur zu etwas Besserem machen, zu einem Verwandten der vielen ordentlich beschäftigten Zeitgenossen, die durch den Tag hetzen, von Termin zu Termin. Die Leute im Kino, Zuschauer des Film Joyeux calvaire 1 von Denys Arcand, Regisseur der auch außerhalb Kanadas bekannt gewordenen Spielfilme Jésus de Montréal und Le déclin de l’empire américain (»Jesus von Montreal« und »Der Untergang des amerikanischen Imperiums«), biegen sich vor Lachen. Sie lachen, wie wenn sie sich über eine Figur amüsierten, die sich das falsche Kostüm angezogen hat und es nicht merkt. Doch der Penner macht kein Theater, er weiß, was er sagt. Der Film läßt ihn eine ernst und wörtlich zu nehmende Einsicht aussprechen.”

 

 

BAIER
Lothar Baier (16 mei 1942 – 11 juli 2004)