Georgi Gospodinov

De Bulgaarse schrijver Georgi Georgiew Gospodinov werd geboren op 7 januari 1968 in Yambol, Bulgarije.  Gospodinov groeide op in Thracië. De roman “Het vertrek van de vliegende ploeg. Kroniek van de Bulgaarse opstanden van 1875/1876 van Zakhari Stoyanov had in zijn jeugd een grote invloed op hem. Gospodinov voltooide een graad in Bulgaarse filologie aan de Universiteit van Sofia en behaalde later een doctoraat in Nieuwe Bulgaarse Literatuur aan het Instituut voor Literatuur van de Bulgaarse Academie van Wetenschappen met een proefschrift over poëzie en media. “Film, radio en reclame bij Nikola Vapzaroen de dichters van de jaren veertig”.. Vanaf 1995 werkte hij als onderzoeksassistent aan de Bulgaarse Academie van Wetenschappen en van 1998 tot 2000 als docent essayschrijven en van 1999 tot 2000 in hedendaagse Bulgaarse literatuur aan de Nieuwe Bulgaarse Universiteit.Gospodinov verwierf internationale bekendheid met zijn debuutroman “Natuurlijke roman” (1999), die inmiddels in 25 talen is vertaald. Het tijdschrift New Yorker omschreef het boek als een ‘ongebreideld, experimenteel debuut’.In 2011 verscheen zijn tweede roman “Физика на тъгата” (De wetten van de melancholie). Gospodinov heeft ook twee toneelstukken geschreven, waaronder D.J. (afkorting van Don Juan), dat in 2004 in Sofia in première ging. Het won de prijs voor het beste toneelstuk van het jaar en werd ook opgevoerd in Frankrijk en Oostenrijk. Hij schreef ook de originele Bulgaarse versie van het libretto voor de Engelstalige opera Space Opera van Aleksander Nowak, die op 14 maart 2015 in première ging in het Poznań Teatr Wielki. Hij is ook een van de redacteuren van “Ik leefde het socialisme: 171 persoonlijke verhalen” (2006), het resultaat van een tweejarig internetproject dat tot doel had verhalen van gewone mensen over het leven onder het socialisme te verzamelen.Gospodinov schrijft regelmatig columns voor het Bulgaarse dagblad Dnevnik en Deutsche Welle en werkt als redacteur voor het Bulgaarse literaire tijdschrift Literaturen Westnik. In mei 2016 ontving Gospodinov de Orde van de Heiligen Cyrillus en Methodius I-klasse. In hetzelfde jaar ging de film Blind Vaysha van de Bulgaarse filmmaker Theodore Ushev, gebaseerd op een verhaal van Gospodinov, in première op de Berlinale 2016 en werd genomineerd voor de Academy Awards 2017 voor beste korte animatiefilm.Van januari tot juni 2019 verbleef Gospodinov in Zürich als Writer in Residence bij het Literaturhaus Zürich en de Stichting PWG. Gospodinov woont en werkt in Sofia.

Uit: Physik der Schwermut (Vertaald door Alexander Sitzmann)

„Und dann schnappte sich ein Zauberer die Schirmmütze von meinem Kopf, bohrte seinen Finger hinein und machte so ein großes Loch. Ich brach in Tränen aus, wie sollte ich mich mit kaputter Mütze zu Hause blicken lassen? Er lachte, blies einmal dagegen, und zum Erstaunen aller war sie wieder heil. Ein großer Zauberer.
Das war doch nur eine Illusion, Opa, höre ich mich sagen.
Damals war es Zauberei, sagt mein Großvater, später wurde es zur Illusion.
Aber ich bin schon dort, 12 Jahre alt, wir schreiben wohl das Jahr 1925. Da ist der Fünfer, den ich fest in der Hand halte, schweißnass, ich spüre seinen Rand. Zum ersten Mal bin ich allein auf dem Jahrmarkt und habe Geld. Hierher, meine Herrschaften … Kommen Sie und sehen Sie den Python, vom Kopf bis zum Schwanz drei Meter lang, vom Schwanz bis zum Kopf noch einmal so viel … Oh Mann, was kann denn das für eine Schlange sein, sechs Meter lang … He, warte mal, wo willst du hin, ohne zu zahlen, das macht einen Fünfer … Aber ich habe nur die fünf, die werde ich doch nicht für eine Schlange ausgeben … Gegenüber verkaufen sie Pomaden, Heilerde und Farbe für die Haare. Faaaarbe für den Baaaart, macht die B0000rsten ganz zaaart…
Und wer ist dieser Mann, um den die alten Frauen herumstehen und schniefen?
… und als Nikolöo aus der Kriegsgefangenschaft nach Hause kommt, hört er, dass seine Braut einen anderen genommen hat, Nikolöo passt sie am Ziehbrunnen ab, er reißt ihr den Kopf von den Schultern, der Schädel fliegt durch die Luft und spricht ein letztes Mal, Nikoldo, was hast du nur getan … So, und jetzt weint, ihr alten Frauen … Und die alten Frauen weinen, zum Steinerweichen … Kauft das Liederbuch, um zu erfahren, welch grausiger Irrtum sich zugetragen hat, die Braut ward ohne Schuld aus dem Leben gerissen … Der Verkäufer von Liederbüchern. Oh Mann, was das wohl für ein Irrtum war …
Leute über Leute, sie rempeln mich an, ich halte das Geld fest in der Hand, dass es dir nur keiner klaut, sagte mein Vater, als er es mir gab.
Stopp. Agop. Sirup. Angeschrieben mit großen, siruprosa Buchstaben. Ich schlucke. Soll ich einen trinken …

Ran an die Lutscheeeer … verlockt mich der Teufel, verkleidet als armenische Großmutter. Bist du bei Verstand, dann komm zu mir gerannt … Und jetzt? Sirup oder Lutscher? Ich stehe in der Mitte, schlucke und kann mich überhaupt nicht entscheiden. Mein Großvater in mir kann sich nicht entscheiden. Daher also kommt diese Unentschlossenheit, die mir später zu schaffen machen wird. Ich sehe mich dort sitzen, schlank, großgewachsen, das Knie aufgeschürft, auf dem Kopf die Mütze, der es bevorsteht, vom Zauberer durchbohrt zu werden, mit offenem Mund und verlockt von der Welt, die sich mir rundherum bietet. Ich entferne mich noch ein bisschen, sehe mich aus der Vogelperspektive, um mich herum herrscht reges Treiben, ich stehe da, und mein Großvater steht da, beide im selben Körper.“

 

Georgi Gospodinov (Yambol, 7 januari 1968)

Hester Knibbe, Carl Sandburg

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Hester Knibbe op dit blog.

 

Zog

Was ik een zeedier geweest met meer dan
zeven tentakels, ik had zonder bedenken
het stof van ze afgewaaierd zodat ze

konden ademen. Maar ik moest het redden met enkel
één hart wat hersens en deze twee handen.

Ik heb ze gekoesterd gevoederd gevoed met
gedachten aan later, maar iets in ze wilde niet
groeien, is lummelig misgegaan. Badwater te

warm of te koud, foute sokjes aan? Te weinig
of juist te veel doodgeknuffeld, haartjes te
kortgeknipt of te strak in vlechtjes gedaan?

Maar al wouen ze niet, ze moesten en zouen, ik heb ze
gelukkig gescholden gedwongen terwijl ik wel wist
hoe het leven je soms. Slavenwerk, dwangarbeid.

 

Laten we de oude….

Laten we de oude

brieven verbranden, al die mooi
verregende zongebleekte woorden en regels
in vlammen zien opgaan maar schaamteloos

hun inhoud behouden. We hebben
geluk gehad, o wat hebben we –
Laten we

straks andere steden verkennen, door nieuwe
straten met muzikanten en slapers op banken
slenteren, wennen aan weggaan.
Laten we

daar eten drinken en geven

de zanger genoeg om dronken te worden
de bedelaar wat hem toekomt.

 

Patience

Patience. Stel dat je opnieuw, had je
hetzelfde lichaam gekozen, wieg die zo verrekte

opgetogen je op stond te wachten? Had je
eenzelfde eenzelvig liedje gezongen en

je lijf even verlegen links en rechts

goeddeels verzwegen? Stel dat je
opnieuw kon bij even na twintig, je bouwde

een liefde een huis een kind, beminde
beminde, vermeed het bekende en tuimelde

over vreemde ellende. Stak dan in dat andere
lijf en hoofd een vergelijkbare

twijfel en aarzel?

 

Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook alle tags voor Carl Sandburg op dit blog.

 

Hoop is een gehavende vlag

Hoop is een gehavende vlag en een droom van de tijd.
Hoop is een door het hart gesponnen woord, de regenboog, de krentenboom in wit
De Avondster onschendbaar boven de kolenmijnen,
De glinstering van noorderlicht doorheen een bittere winternacht,
De blauwe heuvels voorbij de rook van de staalfabriek,
De vogels die die voor hun maatjes blijven zingen in vrede, oorlog, vrede,
De krokusbol van tien cent die bloeit in een toonzaal voor tweedehands auto’s,
Het hoefijzer boven de deur, het geluksmuntje in je zak,
De kus en de troostende lach en vastberadenheid –
Hoop is een echo, hoop bindt zich aldaar, aldaar.
Het lentegras laat zich zien waar dat het minst verwacht wordt,
De rollende pluisjes van witte wolken aan een veranderlijke hemel,
De uitzending van strijkinstrumenten uit Japan, klokken uit Moskou,
Van de stem van de premier van Zweden gedragen
Over de zee namens een wereldfamilie van naties
En kinderen die koralen zingen over het Christuskind
En Bach die wordt uitgezonden vanuit Bethlehem, Pennsylvania
En hoge wolkenkrabbers die praktisch verlaten zijn door huurders
En de handen van sterke mannen die naar houvast grijpen
En het Leger des Heils dat zingt dat God van ons houdt ….

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)
Portret door William Arthur Smith, 1961

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e januari ook mijn blog van 6 januari 2021 en ook mijn blog van 6 januari 2019 deel 2 en eveneens deel 3.  

Joris van Casteren, Andreas Altmann

De Nederlandse schrijver, dichter en journalist Joris van Casteren werd geboren in Rotterdam op 5 januari 1976. Zie ook alle tags voor Joris van Casteren op dit blog.

 

Met lego

Met lego speel ik
op schaal het ongeval
een paar keer na

Grote atomen gunnen
het slachtoffer een
zwakke zwaartekracht

Zelfs in de ambulance
lacht ze onuitwisbaar

 

Onder de mat na de voordeur

Onder de mat na de voordeur
legt hij het luik naar de
kruipruimte op zijn plaats

De vloer dreunt boven mijn hoofd
Ik volg zijn voetstappen
naar het gat dat zij geboord heeft

Langs de plint is slordig
Tussen tuner en speaker
moet snoer onzichtbaar zijn

Het zand is nat en koud
Mijn hand plet een zwam
Ik vang rag vol verpopte spinnen

 

Ooijpolder met gravin

In Babberich
te dorpshuis St. Jan
pipi machen darf ich hier

Landjuweel
Seniorenvereniging 65+
Haar split wappert blote benen
Ranjatap slaat damp van boerenkool
Zo blond ook je kont

Ruzie op het oorlogsgravenkerkhof
Me eindelijk weer een beetje dichter gevoeld
Natuurwinkelende A delslet
Holocaust-vegetariër!

 

Joris van Casteren (Rotterdam, 5 januari 1976)

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Altmann werd geboren in Hainichen (Sachsen) op 4 januari 1963. Zie ook alle tags voor Andreas Altmann op dit blog. Zie ook mijn blog van 8 juni 2009 

 

een verhaal uit het dal

het huis leunde tegen de berg,
zwart zijn hout van alle winters.
de zon boog gele schaduwen in de vallei.
of het regende dagenlang. of sneeuwde.
het leven had niet veel woorden.
en het zwijgen rook naar vochtig gras,
dat uit de grond oprees.
er hingen kleren in de kasten,
die in hun stof naar seringen roken.
een vlinder zat op het plafond,
vastgehouden door de draden van de spin.
De stappen op de vloerplanken vertelden
de stappen op de vloerplanken. daaronder
rustte het huis. daarboven de wereld.
die weg waren, niemand vroeg naar hen.
bloemen sierden het haar van de graven.
de kerk torende boven zichzelf uit.
niemand sprak over de dromen. spoedig
vergaten ze wie in de nacht ze toebehoorden.
de ogen zagen wat ze waren. soms
werd een huis door een lawine
meegesleept, het is lang geleden.
de bergen namen ze mee de dood in
alsof ze konden vluchten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andreas Altmann (Hainichen, 4 januari 1963)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e januari ook mijn blog van 5 januari 2021 en ook mijn blog van 5 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Hellmuth Karasek, Andreas Altmann

De Duitse journalist, schrijver, film- en literair criticus en hoogleraar theaterwetenschap Hellmuth Karasek werd geboren op 4 januari 1934 in Brno, Moravië, Tsjechoslowakije. Zie ook alle tags voor Hellmuth Karasek op dit blog.

Uit: Auf Reisen. Wie ich mir Deutschland erlesen habe

„Jeder Mensch funktioniert in seinen Tätigkeiten wie eine Maschine – moderner würden wir sagen: wie ein Computer. Das Fließband war der erste Ausdruck dieses Maschinenzeitalters, der Modern Times. Chaplin hat es in seinem Film, der Fließbandtragikomödie, auf atemberaubende, gleichzeitig »chaplineske« und »kafkaeske« Weise vorgeführt.
Läuft das Fließband, lässt es sich bis zur Grenze der maschinellen und menschlichen Kräfte ausbeuten; gerät ein Teilchen aus der Ordnung, entsteht eine Kettenreaktion aus Fehlern: In der Ordnung lauert das Chaos, das die Unordnung genauso beschleunigt wie im Normalfall die Produktivität. Auch im Chaos potenziert sich die Kraft. Chaplin zeigt, wie die Ordnung »außer Rand und Band« gerät. Ein Bestandteil der modernen Komik ist, dass sie zeigt, wie die Ordnung in Unordnung umschlägt. Fehler, Fehlleistungen, Unachtsamkeiten sind dann nicht wiedergutzumachen. Die Unordnung bringt die Ordnung aus ihrem Lauf, sobald ein Steinchen ins Getriebe gerät, ein Fehler sich unerbittlich im Ablauf potenziert. Chaplin führt das am Fließband wie an der Ess- und Fütterungsmaschine vor.
Natürlich erfährt das auch derjenige, der nach Fahrplan reisen muss. Und dabei gibt es zwei Fehlerquellen: den Fahrplan und den Reisenden, den Menschen und die Maschine, das Subjekt und die Tücke des Objekts (die übrigens auch im Subjekt lauern kann). Dem geraden Weg stellt sich etwas in die Quere. Manchmal. Öfter. Meistens.
Früher habe ich in kleinen Flugzeugen Gelegenheit gehabt, dem Piloten und dem Copiloten beim Start durch die geöffnete Kabinentür über die Schulter zu schauen. Wie sie alle Vorgänge nach einer Anleitungsliste abchecken, laut und vernehmlich. Und wie sie dabei Schalter umlegen, sodass aus roten Lämpchen grüne werden und aus nach unten geschalteten Hebeln nach oben gerichtete. Es ist wie ein Blick in ein Gehirn, beim Packen, bevor die Reise losgeht. Wie eine Zwiesprache im Monolog.
Habe ich genug Socken, Unterhemden, Hemden und Unterhosen eingepackt? Bin ich zwei oder drei Tage unterwegs? Habe ich (das gilt für ältere Reisende wie für chronisch Kranke) genug Pillen, Tabletten und Salben für drei Tage? Habe ich das Ladegerät für mein Handy? Genug Klingen für meinen Rasierer? Patronen für meinen Füller oder Schreibstift? Habe ich meinen Ausweis, Führerschein? Brauche ich meinen Ausweis, meinen Führerschein? Fliege ich und habe die Schere aus Versehen ins Handgepäck gesteckt? Werde ich beim Einchecken ins Flugzeug also wieder eine Nagelschere und ein Toilettenwasser einbüßen? Habe ich die Kreditkarte, die Bahncard? Die Miles-&-More-Karte? Habe ich mein Notizbuch, meinen Taschenkalender mit Terminen und Adressen?“

 

Hellmuth Karasek (4 januari 1934 – 29 september 2015)  

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Altmann werd geboren in Hainichen (Sachsen) op 4 januari 1963. Zie ook alle tags voor Andreas Altmann op dit blog. Zie ook mijn blog van 8 juni 2009 

 

bezoek

het geheugen, als het de ene
na de andere herinnering opgeeft,
wordt verblind door zijn woorden.
in lege ruimtes tast je langs
de muur, die je handen pakt,
over deuren die je niet opent
naar het raam. Blikken die donker
die helder zijn, wijken voor de ogen.
Aan geluiden vormt zich de stem,
die niet boven het zwijgen uit-
komt. nog een keer ga je
met bodemloze stappen door het huis.
licht heeft schaduwen weggesneden,
waarvoor hier geen reden is.
je krabt aan de randen je vingers kapot.
iemand volgt je met de armen
gekruist, zijn blik. je vraagt,
om langer te blijven. voor de poort
wacht de auto. de motor start.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andreas Altmann (Hainichen, 4 januari 1963) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e januari ook mijn blog van 4 januari 2021 en ook mijn blog van 4 januari 2019 en ook mijn blog van 4 januari 2017 en mijn blog van 4 januari 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.

Peter Ghyssaert, Hasso Krull

De Vlaamse dichter Peter Ghyssaert werd geboren op 3 januari 1966 te Wilrijk. Zie ook alle tags voor Peter Ghyssaert op dit blog.

 

Oude mannen in korte broeken

Ze wandelen heel gemoedelijk voorbij,
hun seizoen is een apart seizoen.
Ze hebben geen behoefte aan een wandelstok,
ze gaan met een reserve aan kracht
begonnen in de winters van hun jeugd.

En als ze stilstaan om naar iets te kijken
staan ze zonder beven stil;
de zon maakt van hun oude, montere, blote benen
iets bijzonders, als een pose
op een plein vol licht.

Maar mooier nog zijn hun gepolitoerde knieën
of de glaswol op hun kuiten,
Zo worden ze bekeken
door bewonderaars die anoniem blijven
terwijl ze zelf met mildheid naar de dingen kijken,
naar de groene bomen en de witte klok

die beter loopt dan zij
en iets vertelt over hun afgezaagde tijd;
zij kennen hem van buiten.

 

De tuinman

Hij eet het fruit met pit en al,
trekt wortels uit de grond die on-
gewassen in zijn zak bewaard worden

voor later. Je ziet hem niet direkt
onder de ritssluiting van gras, maar
zeker is hij bezig, stelt de mol een
ultimatum, legt zijn oor te luisteren
aan een donker, koud stramien om
het dreunen van de mieren op te vangen.
Als kind al roosterde hij met een
grote glazen schijf insekten in de
zomerzon, tot er een toefje rook uit
hun gebarsten rug opsteeg. Vooral de
grote blauwe vliegen bloosden in de
dood. Hij was van geen insekt bang,
hield van planten boekhouding in
een verkleurend schrift dat in de schuur
lag. Nu kookt hij kruiden door voor ons.
Hij doet het zwijgend en wij zien in zijn
pupil waarachter donkere humus kruid
van eeuwen opgetast tot groei moet voor-
bereiden. Na zijn dood als onze tuinman.

 

De pruimelaar

De pruimelaar in onze tuin, scharminkelig
maar niettemin nog vol van licht,
keerde zich van het voorjaarsgorgelen
en stierf verder. Luis groef hem
langzaam uit de grond omhoog.

Richting vijver en bij naderende storm
kon je doorheen zijn kruin de dondervliegjes zien,
met elektriciteit bezenuwd.
Zo kwam de zon daarna ook altijd
door zijn poort de tuin binnen.

Nog wordt hij dagelijks gelezen dat
het kraakt: een stam vermagerend
tot op een dunne, dodelijke naald,
zwart en nauwkeurig.

 

Peter Ghyssaert (Wilrijk, 3 januari 1966)

 

De Estse dichter Hasso Krull werd geboren op 31 januari 1964 in Tallinn. Zie ook alle tags voor Hasso Krull op dit blog.

 

Het schemert reeds. Reeds schemert het.

Het schemert reeds. Reeds schemert het.
Aan de bomen komen takken. Aan de takken komen bladeren.
Aan de bladeren komt kleur. Aan de kleur komt een toon.
In de toon komt diepte. In de diepte zachtmoedigheid.
 
Op de vloer komt een tapijt. Op het tapijt komen pantoffels.
Op de tafel komt een glas. In het glas komt water.
Tegen de muur komt behang. Op het behang komt een patroon.
Op de planken komen boeken. In de boeken komen letters.
 
Op het kussen komen haren. Onder de haren komt een gezicht.
In het gezicht komen ogen. Om de ogen komen oogleden.
Bij de oogleden komen wimpers. Over de wimpers komt een rilling.
Door de rilling komt een beeldscherm. Op het scherm komen dromen.
 
De dromen bewegen op het netvlies.
Jij beweegt je elleboog. Ik raak je aan.
Je draait je om. Onder de deken komt warmte.
In de warmte komt een droom. In de droom komt de zon.

 

Vertaald door Iris Réthy en Jan Sleumer

 

Hasso Krull (Tallinn, 31 januari 1964)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e januari ook mijn blog van 3 januari 2019 en ook mijn blog van 3 januari 2017 en eveneens mijn blog van 3 januari 2016 deel 1, deel 2 en deel 3.

Kerstbrief van Melchior (Jan H. de Groot), Nyk de Vries, Jimmy Santiago Baca

 

Bij Driekoningen

 

De aanbidding van de koningen door Peter Paul Rubens, 1628-29

 

Kerstbrief van Melchior

Ik schrijf u Caspar, Balthazar,
vanuit mijn hoofdkwartier.
Ik kan en wil niet weg dit jaar
want oorlog houdt mij hier.
De laatste oorlog weliswaar
tegen het blank verweer
maar laatste loodjes wegen zwaar
en dat weet God de Heer.

Gaat gij getweeën maar op reis.
Ik vecht het hier eerst uit.
Mijn zwarte volk werd smartelijk wijs
en is niet langer buit.
Waar ook de blanke man zijn voet
neerzette, schoot hij neer.
Daar baande hij zijn weg door bloed
en dat weet God de Heer.

Mijn zwarte volk heeft het geduld,
het werd door leed gestaald.
Drie eeuwen blanke heersersschuld
wordt eindelijk betaald.
Een zwarte huid bergt ook een ziel
die bloei wil tot Gods eer.
Maar bloesem sterft onder een hiel
en dat weet God de Heer.

Nu zal ik wel gedoodverfd zijn
als vuige communist,
als een rebel in de woestijn; –
men heeft zich meer vergist.
Ik strijd hier voor een rechte zaak,
niet min en ook niet meer.
Dit is mijn opgedragen taak
en dat weet God de Heer.Nu gaat gij op naar Bethlehem,
nu volgt gij weer de ster.
Het vredeslied der englenstem
hoor ik toch wel van ver.
Maar eerst zal hier een vrijheid staan
aleer ik wederkeer
om samen met u op te gaan
en dat weet God de Heer.

En als gij ’t Kind vindt in het licht
en knielend tot Hem spreekt,
zegt dan waarom het aangezicht

van Melchior ontbreekt.
De Derde wijze kon dit jaar
niet komen ‘van zo veer’.
Dat weet gij Caspar, Balthazar
en dat weet God de Heer.

 

Jan H. de Groot (13 maart 1901 -1 december 1990)
Alkmaar, de geboortestad van Jan H. de Groot

 

De Nederlandse dichter Nyk de Vries werd geboren in Noordbergum op 2 januari 1971. Zie ook alle tags voor Nyk de Vries op dit blog.

 

Verkouden

Door zijn gekuch mag hij niet naar buiten.
Voor oudere mensen kan dat gevaarlijk zijn,
heeft z’n moeder gezegd. Bijna al z’n strips las
hij al twee keer. Drie weken zonder school
is toch wel lang.

Zijn vader zei: Drie weken is nog niks, jonge.
Opa ging in de oorlog ruim drie jaar niet naar
school. Zo lang, lachtte hij, zal dit toch
hopelijk niet duren. Dan zitten we hier in
2023 nog.

Maar z’n vader maakte niet steeds grapjes,
soms keek hij lang op zijn telefoon. Zonet sprak
hij zacht met z’n moeder over geld en ZZP.

Hoelang zal dit allemaal nog duren, wanneer
wordt het weer gewoon? Gister hoorde hij op
het nieuws, te voorspellen valt er niet zoveel.

In bed dacht hij aan opa en aan zichzelf over
tachtig jaar. Hoe zal hij met zijn kleinkinderen
terugkijken op deze vreemde Corona-tijd?

Eerlijk, hij wist het niet, al leek een ding toch wel
zeker: Hij kuchte al een beetje minder vaak.
Zijn keel deed iets minder pijn.

 

KAMER

Er was een kamer in die stad waar ik steeds omheen cirkelde. Het was in de buurt van mijn lief. Ze wist niet dat ik soms die trappen opliep. Aan de wand hingen foto’s van voor de oorlog. Ik sprak er eens over met een oude Friese schrijver. Hij zei: ‘Ik ken die kamer, ik zou er eigenlijk binnen moeten gaan, maar het gaat er niet meer van komen, ben ik bang.’ Hij kreeg gelijk. Hij stierf tijdens de Spelen. De kamer is er nog steeds – de trappen op, linksaf de gang door. Iedereen weet wel zo ongeveer wat erin staat.

 

Nyk de Vries (Noordbergum, 2 januari 1971)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Jimmy Santiago Baca werd geboren in Santa Fe, New Mexico, op 2 januari 1952. Zie ook alle tags voor Jimmy Santiago Baca op dit blog.

 

Een dagelijkse vreugde om te leven

Hoe sereen dingen
in mijn leven misschien ook zijn,
hoe goed het ook gaat,

mijn lichaam en ziel
zijn twee kliftoppen
waar een droom van wie ik kan zijn
van afvalt, en ik moet elke dag
weer leren vliegen,
of sterven.

De dood zorgt voort respect
en angst van de levenden.
De dood biedt
geen valse starts. Het is geen
scheidsrechter met een proppenschieter
bij het verrassende
van een honderd meter sprint.

Ik leef niet om terug te krijgen
of te vermeerderen wat mijn vader verloor
of verwierf.

Ik vind mezelf voortdurend terug in de ruïnes
van een nieuw begin,
het touw van mijn leven ontrollend
om steeds dieper af te dalen in onbekende afgronden,
mijn hart in een knoop te leggen
rond een boom of rotsblok,
om veilig te stellen dat ik iets heb dat me houdt,
dat me niet laat vallen.

Mijn hart heeft vele met doornen bezaaide barsten van vlammen,
oplaaiend uit de rode kaarspotten.
Mijn dromen flikkeren en draaien
op het altaar van deze aarde,
licht worstelt met duisternis,
licht straalt in de duisternis,
om mijn dag blauw te verwijden,
en alles wat was is smelt
in de vlam-

Ik kan boomtoppen zien!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jimmy Santiago Baca (Santa Fe, 2 januari 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e januari ook mijn blog van 2 januari 2019 en ook mijn blog van 2 januari 2016 deel 2 en ook deel 3.

New Year’s Day (Kim Addonizio), W. H. Auden

 

Alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!

 

Winters stadsgezicht door Adrianus Eversen, 19e eeuw

 

New Year’s Day

The rain this morning falls   
on the last of the snow


and will wash it away. I can smell   
the grass again, and the torn leaves

being eased down into the mud.   
The few loves I’ve been allowed


to keep are still sleeping
on the West Coast. Here in Virginia


I walk across the fields with only   
a few young cows for company.


Big-boned and shy,
they are like girls I remember


from junior high, who never   
spoke, who kept their heads


lowered and their arms crossed against   
their new breasts. Those girls


are nearly forty now. Like me,   
they must sometimes stand


at a window late at night, looking out   
on a silent backyard, at one


rusting lawn chair and the sheer walls   
of other people’s houses.


They must lie down some afternoons   
and cry hard for whoever used


to make them happiest,   
and wonder how their lives


have carried them
this far without ever once


explaining anything. I don’t know   
why I’m walking out here


with my coat darkening
and my boots sinking in, coming up


with a mild sucking sound   
I like to hear. I don’t care


where those girls are now.   
Whatever they’ve made of it


they can have. Today I want   
to resolve nothing.


I only want to walk
a little longer in the cold


blessing of the rain,   
and lift my face to it.

 

Kim Addonizio (Washington, 31 juli 1954)
Washington bij de jaarwisseling

 

Een nieuwjaarsgroet

(Na lezing van een artikel van Mary J. Marples in Scientific American, januari 1969)
voor Vasily Yanowski

Deze dag die traditie bestemt
voor het opmaken van de balans,
geldt mijn groet jullie allen, Gisten,
Bacteriën, Virussen,
Aeroben en Anaeroben:
Een heel gelukkig nieuw jaar
Voor elk voor wie mijn epidermis
Is als Middenaarde voor mij.

Aan schepsels van jullie formaat
bied ik vrijheid van vestiging,
dus strijk maar neer in de zone
die ’t beste bevalt, in de poelen
van poriën, het tropisch woud
van mijn oksels en kruis, de woestijnen
van mijn onderarmen, of in het
koele bos van mijn schedel.

Koloniseer maar: ik zorg voor
warmte en vochtigheidsgraad,
vereiste lipiden en sebum,
maar beding wel dat jullie me nooit
irriteren met je bestaan,
dat je je gedraagt als van gasten
mag worden verwacht, niet te hoop loopt
tot acne, voetschimmel of steenpuist.

Heeft mijn innerlijk weer invloed
op het oppervlak waar jullie leven?
Verandert er iets, onvoorspelbaar,
als mijn innerlijk kwik diep omlaag duikt
van mooi weer: mentaal alles pluis
en gedachten die er toe doen,
naar lelijk weer: er gebeurt niets
en er belt niemand op en het regent.

Ik zou graag willen geloven dat ik
geen onmogelijke wereld ben,
maar een Eden zal het niet zijn:
mijn spel en mijn handelen
kan daarginds wel tot rampen leiden.
Als jullie godsdienstig zijn,
hoe rechtvaardigen dan jullie drama’s
het lijden dat niet is verdiend?

Wat voor mythen heeft jullie clerus
ter verklaring van de orkanen
die woeden, twee maal per etmaal,
wanneer ik me aan- of uitkleed,
wanneer ondanks vlotten van hoornstof
hele steden weggevaagd worden,
in de ruimte vergaan – van de zondvloed
die dodelijk schroeit als ik douche?

Maar vroeger of later breekt er
een Apocalyptische dag aan,
mijn omhulsel, opeens, is te koud
en ook te ranzig voor jullie,
wel genietbaar voor vretend gedierte
van een grimmiger soort; dan ben ik
beroofd van excuses en nimbus,
een Verleden, goed voor het Oordeel.

 

Vertaald door Peter Verstegen

 

W. H. Auden (21 februari 1907 – 29 september 1973)
De kathedraal van York (North Yorkshire), de geboorteplaats van W. H. Auden

 

Zie ook alle tags voor nieuwjaar op dit blog.

Zie voor de schrijvers van de 1e januari ook mijn vier blogberichten van 1 januari 2019.

Anti-nieuwjaar (Karel Jonckheere), Carol Ann Duffy

 

Alle bezoekers en mede-bloggers een prettige jaarwisseling en een gelukkig Nieuwjaar!

 

Wintergezicht door Anton Smeerdijk, ca. 1910

 

Anti-nieuwjaar

Altijd en ergens oudejaarsavond
op een ster in een boek of een brief
ik vier mijn tijd niet in namen
ik hef geen punch op een dief.

Eeuwen zo oud als mijn jaren
mijn jaren zo jong als de wind
die met datumloze gebaren
mij uit de kalenders ontbindt.

Deze avond blijf ik afwezig
betrek een aanwezigheid
op einders die mij genezen
van mijn vergankelijkheid.

 

Karel Jonckheere (9 april 1906 – 13 december 1993)
Jaarwisseling in Oostende, de geboorteplaats van Karel Jonckheere

 

Nieuwjaar

Ik laat het stervende jaar achter mij als een sjaal
en laat het vallen. Het gehaaste vuurwerk werpt zichzelf
tegen de nacht, bloemen van verlangen, liefdes vurigheid.
Uit de ruimte om me heen, terwijl ik hier sta, vorm ik
jouw afwezige lichaam tegen het mijne. Je raakt me aan als de gevende lucht.

Het meest veraf, meest dichtbij, zijn je armen duisternis, die me vasthoudt,
dus ik leun achterover, lip-lees de hemel die doorpraat in het licht,
syllabische sterren. Ik zie dat ze eindelijk tot ons bidden. Jouw adem
is middernacht, levend, op mijn huid, over de mijlen tussen ons heen,
velden en snelwegen en steden, de miljoen verlichte huisjes.

Deze liefde die we hebben, omgekeerd verdriet, vol rijm, verkeerde plaats,
verkeerde tijd, zoet werk voor handen, de roeping van ’t hart, vlammen
om het nieuwe jaar in te leiden, de dagen en nachten ver in de donkere zee
van de lucht. Je mond is nu sneeuw op mijn lippen, koel, intiem, eerste kus,
gelofte. Tijd valt en valt door eindeloze ruimte, naar wanneer we zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Carol Ann Duffy (Glasgow, 23 december 1955)
Jaarwisseling in Glasgow

 

Zie voor de schrijvers van de 31e december ook mijn blog van 31 december 2018 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Peter Buwalda, Norbert Hummelt

De Nederlandse schrijver, journalist en redacteur Peter Buwalda werd geboren in Blerick op 30 december 1971. Zie ook alle tags voor Peter Buwalda op dit blog.

Uit: Otmars zonen

“Maar dan is er dus Otmar Smit uit Venlo. Wanneer de man Dolfs moeder komt ophalen voor de nieuwe James Bond of voor een cabaretvoorstelling in de Maaspoort, brengt hij altijd iets voor hem mee, meestal een bouwpakket dat precies in de roos is, het goede vliegtuig, de goede schaal, de goede wereldoorlog. Een keer blijft hij een hele zondagmiddag in de flat om Dolf aan de eettafel waarop ze kranten hebben uitgespreid voor te doen hoe je een Vickers-tweedekker opschildert. De verf zit in begeerlijke miniblikjes die Otmar koopt in een winkel in Venlo waarvan zijn moeder het bestaan niet eens vermoedt. Ze voeren ernstige gesprekken over welke lijm de beste is, uit een tube of uit een potje, en ook over de vliegtuigen zelf, of de boordmitrailleur van de schots en scheve Vickers al tussen de propellers door schoot, of de Sopwith Camel die aan visdraad boven zijn bureau hangt een beetje wendbaar was – zaken waarvoor je bij vaders moet zijn, ziet hij in.
Zonder twijfel heeft zijn moeder al eerder aanbidders gehad. De stroopwafelboer op de markt snijdt de bovenste wafel van haar zakje altijd in de vorm van een hart. De muziekleraar, een man met een glazen oog, wil dat hij de groeten doet aan zijn moeder. Verdwaalde vaders op het schoolplein maken grapjes tegen haar, wat Dolf verbaast, want zo aardig is ze niet. Wel is ze anders dan andere moeders. Om te beginnen heet ze al gek, Ulrike Eulenpesch, ‘waarom heten jullie Uilenpis,’ vraagt een jongen op school met wie hij meteen begint te vechten – maar ze praat ook gek, als het knappe zusje van prins Claus, zegt Otmar. Bij Duitse postorderbedrijven bestelt ze fleurige zijden blouses en taillehoge pantalons waaronder ze open schoenen met gouden riempjes aantrekt, zelfs als het regent. Wanneer hij in de klas zit, ziet hij haar vanuit zijn ooghoeken het schoolplein op komen, ze heeft een asblond kapsel dat ze overeind houdt met grote wolken hairspray. ‘Scheisse, hoe kan die Elnett nou al op zijn?’ roept ze vanuit het douchehok, waarna ze ’s middags samen de bus naar Venlo nemen, de Maasbrug over, en hand in hand door de Vleesstraat naar het Nolensplein lopen om bij Die 2 Brüder von Venlo nieuwe bronzen flacons te kopen, en ook meteen koffie en sigaretten en harde broden; daar houdt zijn moeder van, net als van goud en ‘geschoolde zang’. Tijdens het bedden verschonen zingt ze Duitse aria’s. ‘Jouw moeder was bij de operette in Wuppertal,’ zegt Otmar als Dolf een brutale mond geeft, ‘dus wees een beetje lief voor d’r.’
Hij doet wat hij kan. Al dacht hij toen ze nog met z’n tweeën waren niet in die termen over zijn moeder, als over iemand voor wie je extra lief moest zijn; haar karakter leent zich niet voor medelijden, ze is een vrouw die als ze verdrietig is boos wordt of gaat schoonmaken. De enige vrouwen die op haar lijken ziet hij in reclames voor shampoo van Schwarzkopf op de Duitse televisie, maar die wonen in grote huizen en gedragen zich vrolijk.”

 

Peter Buwalda (Blerick, 30 december 1971) 

 

De Duitse dichter en schrijver Norbert Hummelt werd geboren op 30 december 1962 in Neuss. Zie ook alle tags voor Norbert Hummel top dit blog en ook mijn blog van 24 juni 2009.

 

Klaprozen

zojuist was het fulda. het bleke licht van de plafondlampen
van de reiswagon wordt constant voor me weerspiegeld
in het raam. je schrijft bij jou is het bedekt en koel

mijn hartslag stoort me het bedrukte gevoel
al op de heenreis vloog het me aan buiten de weilanden
veel bos e. de wolken, wat ik ook zie, het doet mij

niet goed het oude stuwen in mijn bloed. eergisteren
was er het golvende groen e. wind op het erf hoe
de boom bewoog hoorde ik de waarschuwingskreten van de ekster

ze vloog achter me aan vanuit een ander leven er was een
boom op het erf maar op een ochtend licht e. een stem
spreekt van ver: kassel ligt achter ons. nog altijd

is het een goede twee en een half uur, rusteloos ben ik e.
ouder dan jij e. raas roerloos op göttingen af e. zie
de taluds rood van klaprozen e. kan mijn gestaag vloeiende tijd

geen van de voorbij trekkende beelden beloven.
dat e. de ondraaglijke wachttijd totdat je me na de ruzie
weer kust laat me zeker voor hildesheim bezwijken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Norbert Hummelt (Neuss, 30 december 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e december ook mijn blog van 30 december 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Stefan Brijs, Christian Kracht, Vesna Lubina

De Vlaamse schrijver Stefan Brijs werd geboren op 29 december 1969 in Genk. Zie ook alle tags voor Stefan Brijs op dit blog.

Uit: Berichten uit de vallei

“Op de elektriciteitsdraad die door de vallei loopt zitten al meer dan een minuut, op telkens een halve meter van elkaar, een roodkopklauwier, een groenling en een huismus. Alle drie kijken ze strak voor zich uit in dezelfde richting. Het is alsof ze daar door een poppenspeler zijn geplaatst en de voorstelling dadelijk zal beginnen, een middeleeuws blijspel met een koning, een lakei en een vagebond.
Het paartje torenvalken dat hier vorige lente vier jongen grootbracht in een nestkast is de hele winter in de buurt gebleven. Die nestkast liet ik twee jaar geleden ophangen toen er op een meter of vijftig van mijn schrijfhut een extra elektriciteitspaal werd geplaatst omdat de draad bijna op de grond hing. Aanvankelijk was ik woedend en bedroefd. De paal stond recht in mijn gezichtsveld als ik door het raam keek – het voelde alsof er opeens een balk in mijn oog stak. Nog dezelfde dag besloot ik van de nood een deugd te maken en vroeg mijn handige buurman een houten bak van veertig bij
dertig bij dertig centimeter te timmeren, die als een loge in een theaterzaal aan de voorzijde halfopen was. Toen ik nog op het Vlaamse platteland woonde had ik een soortgelijke nestkast in een hoge es gehangen en jaar na jaar brachten torenvalken er drie tot vijf jongen in groot, tot nijlganzen de kast op nogal agressieve wijze veroverden en de oorspronkelijke bewoners voorgoed verjoegen.
In de wijde omtrek zijn, op enkele eucalyptussen na, amper hoge bomen. Torenvalken broeden hier voornamelijk in spleten en holen en op richels van rotswanden, zoals die van de Peña de Hierro, waar ik al vaker een paartje had opgemerkt. Nestkasten voor deze soort zag ik nergens – en voor andere soorten evenmin. Hoewel ik de kans dat een paartje een nestkast aan een elektriciteitspaal in de open ruimte van de campo zou uitkiezen erg laag inschatte, wilde ik het toch proberen en toen de technici van de elektriciteitsmaatschappij – een jonge en een oude man – de volgende dag terugkeerden om de kabel te bevestigen, had ik de nestkast met wat draad en enkele lange schroeven al bij de voet van de paal klaargezet. In mijn toen nog ongeoefende Spaans legde ik hun mijn plan uit, waarbij ze mij in steeds grotere verbazing aankeken alsof ik in lichte (de jonge man) en misschien wel in hoge mate (de oude man) idioot was. ‘Para el cernícalo.
Voor de torenvalk,’ zei ik nogmaals met nadruk voordat ik hen weer alleen liet.”

 

Stefan Brijs (Genk, 29 december 1969)

 

De Zwitserse schrijver en journalist Christian Kracht werd geboren in Saanen op 29 december 1966. Zie ook alle tags voor Christiab Kracht op dit blog.

Uit: Eurotrash

“Also, ich mußte wieder auf ein paar Tage nach Zürich. Meine Mutter wollte mich dringend sprechen. Sie hatte angerufen, ich solle doch bitte mal rasch kommen, es war ganz unheimlich gewesen am Telefon. Und aus Nervosität darüber hatte ich mich das gesamte verlängerte Wochenende über so unwohl gefühlt, daß ich unter starker Verstopfung litt. Dazu muß ich außerdem sagen, daß ich vor einem Vierteljahrhundert eine Geschichte geschrieben hatte, die ich aus irgendeinem Grund, der mir nun leider nicht mehr einfällt, Faserland genannt hatte. Es endet in Zürich, sozusagen mitten auf dem Zürichsee, relativ traumatisch.
Ich war mit der ganzen Geschichte dann das erste Mal erneut in Berührung gekommen, als ich eben, wie gesagt in Zürich, unten auf der Bahnhofstrasse, einen dunkelbraunen, etwas groben Wollpullover gekauft hatte, an einem kleinen, aus Brettern zusammengezimmerten Verkaufsstand, unweit des Paradeplatzes. Es war bereits Abend gewesen, ich hatte etwas Baldrian zu mir genommen, und der Effekt der Tabletten und das Hoffnungslose des Schweizer Herbstes und die fünfundzwanzig vergangenen Jahre hatten sich bleiern und maßlos über mein Gemüt gelegt.
Kurz zuvor war ich in der Altstadt unterwegs gewesen. In einer klandestinen Filmvorführung drüben im Niederdorf war In girum imus nocte et consumimur igni gezeigt worden, der letzte Film von Guy Debord, fertiggestellt noch vor seinem Selbstmord. Man war zu viert oder zu fünft gekommen, was mir angesichts des immer noch hellsonnigen warmen Abends und des blutleeren, einschläfernden Werks wie ein Wunder erschienen war.
Und nachdem das Publikum, also die beiden Professoren, der Projektionist und ein Obdachloser, der eine Weile im Kinosessel hatte schlafen wollen, verabschiedet und die Hände fertig geschüttelt waren, bin ich wohl wieder hinab Richtung Paradeplatz gelaufen, ohne Absicht und Sinn durch die Nacht. Und dort, auf der anderen Seite der Limmat, hatte ich dann eben jenen improvisierten Verkaufsstand einer schweizerischen Kommune vorgefunden, an dem zwei bebrillte Frauen unbestimmten Alters und ein bärtiger, freundlicher junger Mann schwere Wollpullover und Decken in Naturfarben verkauften, die sie selbst gestrickt hatten.“

 

Christian Kracht (Saanen, 29 december 1966)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse dichteres Vesna Lubina werd geboren in 1981 als dochter van Bosnische immigranten in Witten. Zie ook alle tags voor Vesna Lubina op dit blog.

 

Eerste loopoefeningen voor het slangenhol

De kever ligt op mijn voorhoofd te wachten
Hij trekt het gordijn over zijn oog

Er komt geen geluid dan meer uit de schaduw
[die zich gewoonlijk zo slim in het graan werpt]

Uit een of ander raam komt immers altijd rook
in dit gebied en waar men de olie niet schuwt

Onze voeten betreden niet langer vijandelijk gebied
en als het dag wordt, opent mijn familie de deur

Je mond niet langer als door de slaap gesloten
Ook andere huizen staan weer

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Vesna Lubina (Witten, 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e december ook mijn blog van 29 december 2018.