A Song for Simeon (T. S. Eliot)

Bij Maria Lichtmis

 

 
Presentatie van de Heer in de Tempel door Il Guercino, 1623

 

A Song for Simeon

Lord, the Roman hyacinths are blooming in bowls and
The winter sun creeps by the snow hills;
The stubborn season had made stand.
My life is light, waiting for the death wind,
Like a feather on the back of my hand.
Dust in sunlight and memory in corners
Wait for the wind that chills towards the dead land.

Grant us thy peace.
I have walked many years in this city,
Kept faith and fast, provided for the poor,
Have given and taken honour and ease.
There went never any rejected from my door.
Who shall remember my house, where shall live my children’s children
When the time of sorrow is come?
They will take to the goat’s path, and the fox’s home,
Fleeing from the foreign faces and the foreign swords.

Before the time of cords and scourges and lamentation
Grant us thy peace.
Before the stations of the mountain of desolation,
Before the certain hour of maternal sorrow,
Now at this birth season of decease,
Let the Infant, the still unspeaking and unspoken Word,
Grant Israel’s consolation
To one who has eighty years and no to-morrow.

According to thy word.
They shall praise Thee and suffer in every generation
With glory and derision,
Light upon light, mounting the saints’ stair.
Not for me the martyrdom, the ecstasy of thought and prayer,
Not for me the ultimate vision.
Grant me thy peace.
(And a sword shall pierce thy heart,
Thine also).
I am tired with my own life and the lives of those after me,
I am dying in my own death and the deaths of those after me.
Let thy servant depart,
Having seen thy salvation.

 

 
T. S. Eliot (26 september 1888 – 4 januari 1965)
Saint Raphael the Archangel Church in St. Louis, de geboorteplaats van T. S. Eliot

 

Zie voor de schrijvers van de 2e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Hella Haasse, Willem van Zadelhoff, Esther Gerritsen, Kees Torn, James Joyce, Eriek Verpale, Santa Montefiore, James Dickey, Monica Camuglia

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Een nieuwer testament

“De voorhang dichtgevallen achter de soldaten. Door de arrestanten herkend en met onbehagen veranderd bevonden de nu besloten ruimte van de rechtszaal. Vroeg ochtendlicht, nog dampig, achter de boogvormige ramen, uitgespaard in het metselwerk tussen de zuilen. Ieder van de zojuist binnengebrachten kent het secretarium van de prefect nog uit de periode voor de Gotische verovering. Sommigen zijn hier wel eens opgetreden als getuigen, anderen als aanklagers, een van hen tien jaar tevoren zelfs als beklaagde. Destijds door een open galerij uitzicht op een binnenhof en de muren van de voormalige Tellus-tempel. Nu van de buitenwereld niets waarneembaar dan weerkaatsing van licht in hooggeplaatste raamnissen.
De enige die niet rondkijkt maar de blik gericht houdt op het vloergedeelte vlak voor zijn voeten – witte en zwarte mozaïekmeanders – raadt uit de verandering in de aard van de ook tot nu toe steeds gedempte geluiden, dat de prefect binnengekomen is. Een zetel wordt verschoven.
In het blikveld van de prefect, op de voorgrond (de pretorianen en de ambtenaren die tot zijn eigen gevolg behoren vormen voor hem een nauwelijks meer bewust waargenomen, vanzelfsprekende stoffering bij gelegenheden als deze): zes mannen, van wie hij er drie persoonlijk kent; hij zal hen straks zonder aarzelen met naam en toenaam aanspreken, hij heeft hen verwacht, hun aanwezigheid hier is het resultaat van langdurige en zorgvuldige manoeuvres. Hij kan zich de weelde veroorloven hen nu over het hoofd te zien, de confrontatie met hun beheerste gezichten en koele ogen nog even uit te stellen.
Een meer dan vluchtige blik dus eerst voor de drie anderen; er is niemand bij die hem geheel vreemd voorkomt. Op de laatste van de rij, die met afgewend gezicht, blijven zijn ogen rusten. Een baard, een rafelige toga, een vreemde vogel tussen de patriciërs. Uit de toon vallend, maar ondanks dat voor de prefect van een niet onmiddellijk te achterhalen, toch als doorslaggevend gevoelde importantie. Hij zoekt in zijn herinnering, doorkruist snel de verschillende strata van zijn werkzaamheden: een plaats, een tijd, een gebeurtenis? Op hetzelfde moment weet hij dat er meer is, dat het dieper zit. Zijn voldoening over de arrestatie – eindelijk! – van wat hij een staatsgevaarlijke groep acht, is vertroebeld. Een verschuiving heeft plaatsgehad. Deze zaak betekent geen bedachtzaam proeven van een overwinning, geen demonstratie van overwicht. Er is een voze plek.”

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Cover

Lees verder “Hella Haasse, Willem van Zadelhoff, Esther Gerritsen, Kees Torn, James Joyce, Eriek Verpale, Santa Montefiore, James Dickey, Monica Camuglia”

In Memoriam Menno Wigman

In Memoriam Menno Wigman

De Nederlandse dichter Menno Wigman is gisteren overleden. Dat heeft zijn uitgeverij bekendgemaakt. Wigman leed aan een hartziekte. Hij is 51 jaar oud geworden. Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en ook mijn blog van 10 oktober 2008 en eveneens alle tags voor Menno Wigman op dit blog

 

Burger King

Was er een tijd dat ik hier boven stond,
mijn mond vol Proust en Bloem, mij hoor je niet,
niet meer. Wat heeft het nog voor zin om in
een taal te denken die geen tanden heeft?
Ik sta alleen. Mijn woorden zijn naar god.

Dus slof ik door de leeszaal van de straat
en blader maar wat door de Burger King,
gewoon, omdat ik leef, omdat ik hopeloos
eenvoudig eet en straks vanzelf vertrek.
– Als deze wanhoop ons Walhalla is,

als hier het echte leven staat te lezen,
mij best, ik zag genoeg. In dit verhaal
betaal je met jezelf, niet eens bedroefd,
eerder verbaasd dat alles wat zo laag
en lelijk is zo sterk en stevig staat.

 

Billboards

De domme avond, doordeweeks, doorweekt
en dierlijk als een potloodventer.
De grijze jongens in de avondbus.
Iets verderop een moeder met een snor.
En elke halte weer twee levensgrote,
neonrode vrouwenlippen die vertellen
wat er aan het leven schort.

Het einde van de regenboog! Ambrosia,
verlicht en wel, wijst ons de weg.
En wij, met onze rimpels, leugentjes,
gebreken en oneffenheden, stuk
voor stuk tot onze nek vol eigen bloed,
gebeten op geluk en overvloed,
wij rijden door de domme avond,

dromen muren om ons heen, dag in,
dag uit, en komen thuis, speuren
zenders af en gaan naar bed. Het mysterie
van het laatste onrecht! Algehele
roofzucht! Perfectie! Paringsdrift!
Nu kan, nu zal, nu moet het komen.
Ambrosia wees ons de weg.

 

Tot de bodem

Een kroeg bezoeken en naar glazen grijpen,
je geest, een luchtballon, van zandzakken bevrijden,
steeds hoger stijgen en blijmoedig verder hijsen,
de hoogste tijd, een nieuwe kroeg, je geld, je jas,
zo dweil je door de koude voorjaarsnacht en pist,
je bent een man of niet, schuimkringen in de gracht.

Ik las dat de politie bij elk waterlijk
(het gaat om meer dan vijftig doden in drie jaar)
sinds kort meteen naar open gulpen kijkt.
Hoe drank een vloek over de grachten verft.
Hoe water ’s nachts naar mensen grijpt.

Een flits van speelgoed, stranden, tuinen en tv.
Naar kades klauwen, in je kreten stikken, rond
die luchtbel, rond je hoofd, een engel die niet komt,
o de gestorven zomers in je mond.

 
Menno Wigman (10 oktober 1966 – 1 februari 2018)

 

Hugo von Hofmannsthal, Stijn Vranken, José Luis Sampredo, F. B. Hotz, Toine Heijmans, Dieter Kühn, Günter Eich, Muriel Spark, Georg Rendl

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hugo von Hofmannsthal werd geboren op 1 februari 1874 in Wenen. Zie ook alle tags voor Hugo von Hofmannsthal op dit blog.

 

Uit: Jedermann

„JEDERMANN.
Wer hieß dich Geld auf Zinsen nehmen?
Nun hast du den gerechten Lohn.
Mein Geld weiß nit von dir noch mir
Und kennt kein Ansehen der Person.
Verstrichne Zeit, verfallner Tag,
Gegen die bring deine Klag.
SCHULDKNECHT.
Er höhnt und spottet meiner Not!
Da seht ihr einen reichen Mann.
Sein Herz weiß nichts von Gotts Gebot,[18]
Hat tausend Schuldbrief in seinem Schrein
Und läßt uns Arme in Not und Pein.
SCHULDKNECHTS WEIB.
Kannst du dich nicht erbarmen hier,
Zerreißen ein verflucht Papier,
Anstatt daß meinen Kindern da
Der Vater wird in Turm geschmissen,
Von dem dir nie kein Leid geschah!
Hast du kein Ehr und kein Gewissen,
Trägst du mit Ruh der Waisen Fluch
Und denkst nit an dein eigen Schuldbuch,
Das du mußt vor den Richter bringen,
Wenns kommt zu den vier letzten Dingen?
JEDERMANN.
Weib, du sprichst, was du schlecht verstehst,
Es ist aus Bosheit nit gewest,
Man hat sich voll und recht bedacht,
Eh man die scharfe Klag einbracht.
Geld ist wie eine andere War.
Da sind Verträg und Rechte klar.
GESELL.
Wär schimpflich um die Welt bestellt,
Wenns anders herging in der Welt.“

 

 
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929) 
Cover

Lees verder “Hugo von Hofmannsthal, Stijn Vranken, José Luis Sampredo, F. B. Hotz, Toine Heijmans, Dieter Kühn, Günter Eich, Muriel Spark, Georg Rendl”

Jan-Paul Rosenberg wint Turing Gedichtenwedstrijd 2018

Jan-Paul Rosenberg wint Turing Nationale Gedichtenwedstrijd

De Nederlandse dichter en uitgever Jan-Paul Rosenberg heeft de Turing Gedichtenwedstrijd 2017 gewonnen met het gedicht ‘Laatste foto van de vrede’. Hij ontving 10.000 euro. De prijs werd afgelopen woensdag uitgereikt in De Rode Hoed tijdens een uitzending van “Met het oog op morgen.” Na zijn studie sociologie aan de universiteit van Wageningen en stages in Catalonië en Vlaanderen nam Jan-Paul Rosenberg (Leiden, 1966) in 1992 het initiatief tot het oprichten van de onafhankelijke literaire uitgeverij Stichting Achterland, waarvan hij thans hoofdredacteur en directeur is. Diverse bloemlezingen namen deze dichter al op.

 

Laatste foto van de vrede

Ik bedoel dit letterlijk: verlaat de zoemende foto
nu het nog kan, zelfs uit de ruimte blijkt de verwoesting
onafwendbaar. De man in de kamer hiernaast is al geschiedenis.

Vanuit deze foto leidt de weg naar de ontsnapping, elke poging tot bewegen
wordt beloond. Deze waarschuwing geldt voor iedereen: pretvaders, bonusmoeders,
leenkroost; alles waarop een naam rust, een burgerservicenummer, een cliëntprofiel; alles
wat kan worden afgeluisterd dus alles wat voor evacuatie in aanmerking komt.

De laatste foto van de vrede bloedt als een oprechte, loyale Madonna. De staat stuurt een app: de elektriciteit is dood, telefoons/computers
afgesneden. Discreet duiken we onder in een tentenkamp.
Paspoorten, sleutelwoorden raken uitgebloeid.

De foto liegt niet. Nog even en dan gaat het los
begint het zoeken met honden naar overlevenden.
Tot dan steken we de koppen in het zand, trakteren we
het gouden kalf op Bach, blijven God door de vingers zien.

 

 
Jan-Paul Rosenberg (Leiden, 16 oktober 1966)

Dolce far niente, Bert Leston Taylor, Anton Korteweg, Hasso Krull, Alfred Kossmann

 

Dolce far niente

 

 
Dolce far niente door Frank Buchser, 1857

 

Dolce Far Niente

Ship me to the far Marquesas,
Where there ain’t no daily pape;
For from whittling witless wheezes
I would very fain escape.

I would sit unnumbered days out
With my back against a palm,
Where I’d read and smoke and gaze out
On the ocean wide and calm.

Far away from witless wheezes,
In those islands of the blest,
In the sleepy old Marquesas,
I would get a longed-for rest.

Every day there is manana,
For the native’s one ambish
Is to pick the gay banana
And to snare the festive fish.

I would take some dusky tulip —
Not to rear a savage race,
But to shake me up a julep
When I felt the need of brace.

Oh, it’s there that I’d be winging,
From this world of guff and gab,
For the bulbul is a-singing
In his ancient baobab.

In those isles of peace and plenty
I would loaf beneath a palm,
In a dolce far niente
And a transcendental calm.

 

 
Bert Leston Taylor (13 november 1866 – 19 maart 1921)
Three Sisters Sanctuary in Goshen, MA, de geboorteplaats van Bert Leston Taylor

Lees verder “Dolce far niente, Bert Leston Taylor, Anton Korteweg, Hasso Krull, Alfred Kossmann”

Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt, Anne-Gine Goemans, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Les Barker, Karl Gerok, Michael Dorris, Anton Hansen Tammsaare

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Bernard Dewulf werd op 30 januari 1960 in Brussel geboren. Zie ook alle tags voor Bernard Dewulf op dit blog.

Uit: Late dagen

“Herfstlicht scheen over de tuin. Dat heeft vaak iets heiigs, alsof iemand in een laatste woede de wereld aan het vegen is en het opzwevende stof nu doelloos laat ronddwarrelen. Elk jaar opnieuw vind ik het groot nieuws, maar nooit haalt het de krant.
Het gras was een laatste keer gemaaid. Een wesp spartelde er nog even in rond. Ik stapte er als een genadige reus overheen en slalomde tussen de paddenstoelen.
De schommel, die sommige dagen hoger heeft gezwierd dan de populier, hing nu al jaren stil. In de druivelaar droogden nog wat aanstaande rozijnen aan een tak.
Het blijkt allemaal geen nieuws. Nooit gebeurt het nieuws hier, altijd daar. Daarom ben ik ook hier en niet daar. Was ik daar, dan zag ik niet wat er hier gebeurt, waar ik liever vertoef. Hier kan ik rustig lezen wat daar gebeurt. Dan denk ik, ze doen daar maar. Daar kunnen ze niet lezen wat hier gebeurt,
aangezien het geen nieuws is.
Tenzij ik het opschrijf, zoals daarnet. En dan nog. Ik noteer het niet om er nieuws van te maken, want dan werd het hier een soort daar.
Ik schrijf het op om te laten weten dat hier ook weleens iets gebeurt. Uiteraard zijn het geen gebeurtenissen, zeker geen historische. Er bestaan andere woorden voor: anekdote, fait divers, bagatel, futiliteit, banaliteit. Of: doordeweeks, dagelijks en zelfs dagdagelijks.
Dat laatste is het dagelijkse in het kwadraat. D2. Trek daarvan de vierkantswortel en het resultaat is mijn bestaan.
Ik geloof graag dat het dagelijkse even historisch is als het historische.
Dat de langswaaiende bries in mijn tuin ooit, uiteindelijk, haast als een tegenwind, soeverein over het graf van de geschiedenis zal gaan. Dat ik, plaatsnemend in het kleine verhaal van mijn tuin en kijkend naar het grootse herfstlicht, in één blik op dat licht alles nietig kan verklaren.
Dat als het waar is dat het universum huist in een zandkorrel, het ook waar moet zijn dat de geschiedenis bestaat in onze kamers.”

 

 
Bernard Dewulf (Brussel, 30 januari 1960

Lees verder “Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt, Anne-Gine Goemans, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Les Barker, Karl Gerok, Michael Dorris, Anton Hansen Tammsaare”

Han van der Vegt

De Nederlandse dichter Han van der Vegt werd op 30 januari 1961 geboren te Utrecht. Zie ook alle tags voor Hans van der Vegt op dit blog.

Exhorbitans (Fragment)

I
Zingend, ronkend, zwanger van horizonten,
rook van haar geschubde flanken slakend,
zo hangt ze boven het dok, de vliezen kloppend
de vensters geloken, wachtend tot men haar gaan laat.
Exorbitans is haar naam, want zij zal buiten
elke bekende baan het heelal ontsluiten.
Aan ons de taak haar daarbij terzijde te staan.

Aan elke pier van de grote ruimtehevel
die over de rand van het zonnestelsel rolt
ligt wel een schip te wachten op het sein van vertrek,
maar geen smacht zo reisbelust als het onze.
Materie en antimaterie, gescheiden in
twee bollen, herscheppen het begin
van het universum in haar borst.

Door een luik tussen haar schouderplaten
zakken wij een voor een naar binnen en komen
in een gangenstelsel: gerimpelde membranen
overeind gehouden door ribbenbogen.
Boven ons wordt een lamp helderder
die ons, glijdend langs de nok, op de weg
voorgaat en ons naar de cockpit loodst.

Wij laten ons zinken in oranje kuipstoelen waarvan
de bekleding meteen naar onze lichamen staan gaat.
Wij schuiven de dubbele plug in onze neus, zodat
wij altijd met het schip in verbinding staan;
Rolfo doet het alsof het zijn plicht is en Zark
of het een pik is en Mim of ze lachen
moet en Brand of hij zoiets nog nooit heeft gedaan.

 

han_van_der_vegt
Han van der Vegt (Utrecht, 30 januari 1961)

Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Anton Tsjechov, Olga Tokarczuk, Hubert K. Poot, Romain Rolland, Germaine Greer

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Hans Plomp op dit blog.

Uit: Jezus en zijn band

“Door de paarsbruine wolkenflarden snijden schichtige trekvogels een rafelige ‘V’, uiteengejaagd door laagvliegende vliegtuigen en de termiese windkolken tussen de hoge gebouwen.
De oude boomgeesten langs de grachten laten hun bladeren los, mismoedig. ‘Dit is geen leven voor een boom,’ bromt er een. ‘Ik houd al drie jaar een lek in de gasleiding met mijn wortel dicht en toch sta ik het langzaam maar zeker af te leggen. En dat terwijl ik Lodewijk Napoleon nog langs heb zien gondelen in mijn jeugd.’
‘En ik Descartes en de ouwe Spinoza en de dikke Barleus,’ lispelt een boom, bevend over zijn hele gebladerte.
‘Tegen mij heeft Hadjememaar nog staan pissen, maar tegenwoordig heb ik alleen het hondje van Mr. Hilterman, een schraal plasje.’
Zo brommen de boomgeesten onder elkaar, en als ze zwijgen, kietelen ze elkaar onder de grond met de duizenden haarworteltjes en ze laten de dikkere wortels mistroostig in in het laagveen hangen. Zelfs diep onder de grond is schraalhans keukenmeester geworden.
Op het Damrak voelt Larrie zich opeens een toerist. Bij dozijnen schuifelen de gezelschappen af en aan. ‘In de rij! In de rij blijven daar!’ gilt een parmantige gidse schel. Er schiet een echtpaar betrapt terug in de slagorde. ‘Mij willen slechts paar klompjes kopen voor nichtje met klompvoetjes,’ hoort Larrie de bedremmelde man mompelen, hoewel hij ruim buiten gehoorsafstand sjokt.
Hij draait een steeg in naar de Nieuwendijk, waar de geuren uit de keukens van de eetgelegenheden een heel ander verhaal vertellen dan de neonreklames op de voorgevels.
Hier huizen de aasgieren, die rusteloos in de voorbijtrekkende stroom spieden, die met een feilloos oog de voorbijgangers takseren en om de haverklap snel en schoon hun slag slaan.
‘Ze hebben het graag, een vleugje crime,’ grijnslacht een van de kruimelratten tegen Larrie. ‘Ze voelen zich belazerd als ze niet beroofd worden in de buurt van het Anne Frankhuis. Allemaal dikke reisverzekeringen. Je hoeft ze tegenwoordig niet eens meer te róllen, ze drukken je hun gouden klokkies zo in de hand. Allemaal zwáár oververzekerd. En als je moeite hebt met hun zak, maken ze graag het knoopje voor je open. En de anderen maar filmen.”

 

 
Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)

Lees verder “Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Anton Tsjechov, Olga Tokarczuk, Hubert K. Poot, Romain Rolland, Germaine Greer”

Elia Barceló

De Spaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Elia Eisterer-Barceló werd geboren op 29 januari 1957 in Elda, in de provincie Alicante. Barceló studeerde Engels, Amerikaans en Spaans aan de universiteiten van Londen, München, Parijs, Florence, Rome en Innsbruck. In 1996 promoveerde ze op de Argentijnse schrijver Julio Cortázar. Tegenwoordig woont de moeder van twee kinderen met haar Oostenrijkse echtgenoot in Innsbruck. Ze doceert Spaanse literatuur, culturele studies en creatief schrijven aan de Universiteit van Innsbruck en schrijft romans en korte verhalen. Ze ontving talloze onderscheidingen voor haar werk. Ze bezoekt regelmatig de Gijón’s Black Week, een van de meest populaire literaire festivals in Europa, waar ze literaire workshops leidt. In 2002 verscheen van haar de roman “El vuelo del hipogrifo” (Ned: Stemmen uit het verleden) gevolgd door “El secreto del orfebre” (Ned:De eeuwige terugkeer van de liefde, 2003), “Disfraces terribles” (Ned: Bal masqué, 2004), “Corazón de tango” (Ned: Tangohart, 2007), “Las largas sombras” (Ned: Donker geheim, 2009), “Laura” (2010), “Anima Mundi” (Ned: Kinderen van de rode clan, 2012) en “El color del silencio” (Ned: De kleur van stilte, 2017)

Uit: De kleur van stilte (Vertaald door Dorotea ter Horst)

“Gisteren heb ik van La Mora gedroomd. Het was zo’n droom die zich aanvankelijk niet onderscheidt van de realiteit en tevens een soort ontdekkingsdroom is. Zo’n droom waarvan je in een euforische stemming raakt, niet alleen omdat je iets zeer geliefds hebt teruggevonden, maar ook vanwege de onvermoede verwondering voor alle nieuwe dingen, die daar in feite altijd al waren maar die je destijds nooit hebt kunnen zien. La Mora lag als een juweel op de bodem van een vijver te glinsteren, tastbaar en irreëel tegelijk. Het wateroppervlak werd beroerd door rimpelingen en spiegelingen die de aanwezigheid van wat daar niet hoorde te zijn maar er toch was, afwisselend onthulden en verborgen. Ik liep over de paden en keek naar de fonteinen, de ijzeren lantaarns en kleurkristallen die aan de bomen hingen, naar de blauwe, groene en zwarte tegels van de bankjes met hun geometrische figuren. Alles stond in bloei en ik wist dat ik in de mooiste tijd van het jaar was gekomen, in die koele aromatische Atlantische lente, die later onder de zomerzon onherroepelijk zou verzengen. Maar nu vouwde ze haar charmes open voor alle zintuigen van de toeschouwer, voor die vreemde wandelaar die zich liet verleiden door de onvervalste schoonheid van het leven, die na een lange winterslaap weer onbedwingbaar tevoorschijn komt. Onder een van die bomen waarvan ik nooit de naam heb geweten, vol met ballen roze bloemen die als kerstversiering aan de takken hangen, bleef ik staan en genoot ik van de rust en stille verlatenheid van die tuin, net een betoverde tuin uit een sprookje. Uit een oosters sprookje, dat zich alleen voor mij had ontvouwd. De zeewind beroerde de hoge takken, blies de donkere pijlen van de cipressen tegen een felblauwe hemel heen en weer en ruiste door de bladeren van de palmbomen, een geluid dat klinkt als regen als je je ogen sluit. Een van ver aangevoerd aroma van rode anjers wedijverde met de zoute lucht. Ik wist dat er niemand in de tuin was en ook nooit zou komen, dat die betovering alleen voor mij was. Ik moest lachen van geluk, rende over de paadjes en zag na iedere bocht iets nieuws en onbekends: een buxusdoolhof met een zonnewijzer in het midden, een groot rechthoekig waterbassin vol witte waterlelies met achterin een fontein die zijn diamantenregen naar de zon opspoot, een marmeren tempeltje vanwaar je de branding van de zee op een verlaten strand kon zien, een in een wolk van theerozen gehuld Romeins borstbeeld in een nis. Plotseling begon de verlatenheid mij te benauwen en verlangde ik hevig naar iemand met wie ik al die schoonheid kon delen. Maar ik wist dat het mijn schuld was, dat ik iedereen had verlaten.”

 


Elia Barceló (Elda, 29 januari 1957)