Dolce far niente, Hendrik Marsman, Gerrit Komrij, Hans Warren, James Baldwin

Dolce far niente – Canal Parade

 

 
Gay Pride, Amsterdam

 

Twee vrienden

De maan maakt den nacht tot een sneeuwwit veld.
een man heeft zijn vriend van zijn leven verteld:

er is door dit spreken een wonder gebeurd:
hun harten zijn zoozeer eender gekleurd

dat de een als hij soms naar den ander ziet
bij zichzelven zegt: maar ben ìk dat niet?

een vrouw; nog een vrouw; een verterend gemis.
het is alsof alles ten einde is:

want één hart blijft thuis en één hart gaat op reis
maar geen van twee vindt het Paradijs.

 

 
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)
Met zijn vrouw in 1934

Lees verder “Dolce far niente, Hendrik Marsman, Gerrit Komrij, Hans Warren, James Baldwin”

Dolce far niente, Fred Endrikat, Gerrit Krol, Frans Pointl, Ko Un, Edward van de Vendel

 

Dolce far niente

 

 
Green and Gold door Henry Scott Tuke, 1920

 

Wochenbrevier

Am Montag fängt die Woche an.
Am Montag ruht der brave Mann,
das taten unsre Ahnen schon.
Wir halten streng auf Tradition.

Am Dienstag hält man mit sich Rat.
Man sammelt Mut und Kraft zur Tat.
Bevor man anfängt, eins, zwei, drei,
bums – ist der Dienstag schon vorbei.

Am Mittwoch fasst man den Entschluss:
Bestimmt, es soll, es wird, es muss,
mag kommen, was da kommen mag,
ab morgen früh am Donnerstag.

Am Donnerstag fasst man den Plan:
Von heute ab wird was getan.
Gedacht, getan, getan, gedacht,
inzwischen ist es wieder Nacht.

Am Freitag geht von alters her,
was man auch anfängt, stets verquer.
Drum ruh dich aus und sei belehrt:
Wer gar nichts tut – macht nichts verkehrt.

Am Samstag ist das Wochen-End,
da wird ganz gründlich ausgepennt.
Heut anzufangen, lohnt sich nicht.
Die Ruhe ist des Bürgers Pflicht.

Am Sonntag möcht’ man so viel tun.
Am Sonntag
muss man leider ruhn.
Zur Arbeit ist es nie zu spät.
O Kinder, wie die Zeit vergeht.

 

 
Fred Endrikat (7 juni 1890 – 12 augustus 1942)

Lees verder “Dolce far niente, Fred Endrikat, Gerrit Krol, Frans Pointl, Ko Un, Edward van de Vendel”

Dolce far niente, Israël Querido , Cees Nooteboom, Wouter Godijn, Grand Corps Malade

 

Dolce far niente

 


Brug over de Egelantiersgracht in de Jordaan

 

Uit: De Jordaan: Amsterdamsch epos

“Als het reuzen-gezin maar bijéén bleef, en als er maar geen vreemde den protserigen neus tusschen drong.
In het winteravondlijke walmrood der lantaarns waren zij heerschers van de donkere, enge straten en grachtjes, waar iedere kei van hún leek. Dan was er vrij messengevecht en meidenspel; dan werd er in het half-duister gewelddadigheid uitgewrokt op zwakker vrouwen-lichamen, waarvoor ze bij klaarlichten dag later schuw de oogen knipperden. Dan werd er gedobbeld in de gangen, waar nooit een vreemde tronie zich vertoonde; achter karren op de rottende straat; dan werd er gevrijd en gedronken, maar alles, als één schrikwekkende bende, smart en schande, begeweld-dadiging en oneer, ramp en vervloekenis van elkaar duldend en overnemend, zonder ooit er politie in te moeien. Want ze verafschuwden politie-mannen als indringers en verbrekers van onbewust éénheids-gevoel.
Ze waren van één ras, één klasse, door éénzelfde levensgolf rondgezwabberd, naar vóór gestooten, naar achteren gekanteld, op één plek grond. –
Daarom konden ze elkaar bestelen in nuchterheid of dronkenschap, nooit mocht een ánder ze striemen of afstraffen, dan de buurtgenooten zelf. – Ze leefden op elkaar, als menschen in een zwaar gedrang. Ze lazen malkander de misdaden en de deugden uit de oogen. Heel vroeg al hun bed uit, pakten ze hun negotie aan of bezwermden de fabrieken. Maar van venttochten, van fabrieken of werkplaatsen terug,…. het veiligst en gelukkigst voelden ze zich eerst in hun Jordaan, voor de open deur, op stoepen, houten leuning-trappen, tusschen het gewoel der menschen, tegenover bekende tronies uit steeg-slurven en walmende dwarsstraatjes. Het gelukkigst bij hun vischhengel, duiven, blompotten, kanaries; bij hun jak-wijven en vooral bij hun tapperijen. De hooge buik-bruggetjes tusschen de dwarsstraten in, bezwierden ze met veel grooter gemak en bevalligheid dan de niet-buurtgenooten, en markten-slentering leek hun heerlijker dan de schoonste buitenwandeling. In wilde ruzie waren ze gegroeid; zonder ruzie leek hun het bestaan traag en saai.”

 

 
Israël Querido (1 oktober 1872 – 5 augustus 1932)

Lees verder “Dolce far niente, Israël Querido , Cees Nooteboom, Wouter Godijn, Grand Corps Malade”

Dolce far niente – Naarden Vesting

Dolce far niente – Naarden Vesting

 

 
Naarden Vesting

 

 
Duivensteeg

 

Iemand moet het doen

Iemand moet het doen, iemand
moet de schimmen van zieners
en zangers de weg wijzen, iemand

bevroren paden betreden onder
schaduwregen van een vlucht spreeuwen,
moet in de melkwitte winter allen

gedenken die hier ooit liepen
en dronken en sliepen – zodat zij
blijven. Iemand moet het doen.

 

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

Lees verder “Dolce far niente – Naarden Vesting”

Dolce far niente, Theo Thijssen, Guillermo Martínez, Harry Mulisch, Chang-Rae

 

Dolce far niente

 

 
Brouwersgracht 99, Amsterdam
Hier had Theo Thijssens moeder vanaf 1890 een kruidenierszaak

 

Uit: In de ochtend van het leven

“Met die Arie Tol, die ook op de Brouwersgracht bleek te wonen, tegenover de Langestraat, ging ik om vier uur naar huis; we hadden haast, want om vijf uur moesten we weer op avondschool zijn, tekenen. `Ik ben al aan de blokken begonnen,’ vertelde hij.
 `Ik allang,’ zei ik, maar ik vertelde niet van m’n vrijmoedige sprong.
 Hij was ook op Franse cursus, op de Lauriergracht.
 Ik ook, in de Raamstraat, en er was besloten dat ik daar maar blijven zou.
 Ik vertelde van de bibliotheek op Letter A, over de vierhonderd boeken. O, maar op Letter G was de bibliotheek ook aardig uitgebreid, er waren nu over de zestig boeken. Ook van Jules Verne? vroeg ik. Ja, verscheidene; en ook van Kapitein Marryat. Bijvoorbeeld `Koningskind’ en `Jakob Eerlijk’. `Is `De woudlooper’ er ook bij?’ vroeg ik. Nee, `De woudlooper’ was er niet bij. Jammer, vond ik, dat was zowat het mooiste boek dat er bestond. `Nou, je moet van de week `Het koningskind’ zien te krijgen,’ zei Tol, `of `Vlissingen in 1572′, die zijn ook niet voor de poes, hoor.’
 We waren aan onze winkel gekomen. `O,’ zei hij, `woon je hier? Nou, ik kom je morgenochtend afhalen, hoor.’
 Dat is het begin geweest van m’n grote jongensvriendschap.”
(…)

“ Mater, de grossier die op de Rozengracht z’n zaak had en die elke woensdag om één uur de bestelling kwam opnemen, kon álles leveren, behalve petroleum; petroleum, beweerde hij, is de dood in een kruidenierszaak. Maar hij mócht lang niet alles leveren. De suiker nam moeder van hem, omdat hij de suiker van Spakler had; en rijst en ’t losse meel en andere grutterswaren, en zeep en soda leverde Mater ook. Maar azijnin mijn winkel alleen azijn van De Ooievaar, zei moeder; en ’t was geen praatje: ik moest altijd naar die fabriek, op de Lijnbaansgracht, om een vaatje te bestellen.”

 

 
Theo Thijssen (16 juni 1879 – 23 december 1943)
In 1901

Lees verder “Dolce far niente, Theo Thijssen, Guillermo Martínez, Harry Mulisch, Chang-Rae”

Dolce far niente, Ingo Baumgartner, Remco Campert, Malcolm Lowry, Gerard Manley Hopkins

 

Dolce far niente

 

 
De storm door Jan van Goyen, 1641

 

Gewitter am See

Ein Delta formt des Blitzes Feuer,
rückt schemenhaft den Berg ins Licht.
Die Wolke wird zum Ungeheuer,
das grollend dunklen Qualm erbricht.

Aus Spielgekräusel wachsen Wogen
die Anmut flieht in Hast den See.
Bedenklich hin zum Nass gebogen,
schwankt Segeltuch in wilder Bö.

Die Möwen schützen sich, sie ducken
sich schweigend in das Uferrohr.
Doch bald verebbt das Himmelszucken
und Blau strahlt kräftig wie zuvor.

 

 
Ingo Baumgartner (Oberndorf an der Salzach, 24 december 1944)

 

Lees verder “Dolce far niente, Ingo Baumgartner, Remco Campert, Malcolm Lowry, Gerard Manley Hopkins”

Dolce far niente, Tour de France, Michael Longley, Hilde Domin, Graeme C. Simsion

 

Dolce far niente – Bij de Tour de France

 


De finish in Parijs

Uit: Rond de 40

“De Tour volgen is in zekere zin een ziekte. Steeds was daar die terugkerende vraag: wat doe ik hier? En steeds weer moest ik het juiste antwoord schuldig blijven, maar dat had ik ook als ik in Italië of Spanje op een hoge berg volkomen vast stond in het verkeer. Als ons vliegtuig net vertrokken was omdat de renners die dag wat langzaam gereden hadden. Als ik ergens in de vochtige mist, in een kleine halfopen cabine in een microfoon zat te babbelen en de levensloop van twee Spanjaarden, een Rus en een Belg zat voor te dragen. De tijd kroop voort en in mijn bonkende achterhoofd klonk de melodie van Jackson Browne’s ‘The Barricades of Heaven’.
Je deed het in de maand juli omdat het de Tour was. Een sympathiek onding. Ooit zei ‘ami’ Jean Marie Leblanc dat de Tour uit zijn voegen ging barsten. Hij zei dat lang geleden en de Tour is alleen maar verder gegroeid en bijna geëxplodeerd. De dranghekken, vroeger nauwelijks aanwezig, reiken nu tot in de hemel. Als journalistieke onderneming moet je je inkopen voor de exclusieve en snelle interviews, de Tour leeft al lang niet meer op de straat.
De romantiek, zo prachtig hoorbaar in de stem van Jean Nelissen, is verpacht aan een gele bank die angstig mooie, langbenige vrouwen op een podium samendrijft. Deze kussende, lachende meiden hebben bodyguards en een privéchauffeur. Van een alpinopet hebben ze nog nooit gehoord. Wie Yvette Horner is? Ach wat!
En toch ga ik weer, voor de veertigste keer. Met optimisme, een blij ge- moed en met mijn zelfgemaakte plakboeken vol uitslagen. En ja, er komt weer een avond dat je hotelkamer de grootte van een schoenendoos zal hebben. Dat al het licht uitvalt, dat het contact met Hilversum er gewoon even niet is, dat de randweg rond Nantes he-le-maal vast staat. Maar dan haal je de schouders op. Ach wat, het is de Tour.
Beter deze vrolijke chaos dan het saaie, grijze bestaan van een loonslaaf elders. In zekere zin is de Tour rock & roll, vrijheid. En die zocht ik blijkbaar in 1973. Met heel veel dank aan Kees Buurman en Bob Spaak, die me de kans gaven in deze chaos te leren overleven.”

 

 
Mart Smeets (Arnhem, 11 januari 1947)

Lees verder “Dolce far niente, Tour de France, Michael Longley, Hilde Domin, Graeme C. Simsion”

Dolce far niente, Remco Campert, Arthur Japin, Gregoire Delacourt, Yves Petry

Dolce far niente

 

 
Brug over de Schinkel, de Sluis bij de Overtoom, Amsterdam
door Jan Hermanus Melcher Tilmes, z.j.

 

Op de Overtoom

Het dooit op de Overtoom
maar het vriest ook alweer op
melden mijn voeten
die mijn dag verlopen
ik blijf dicht bij huis
steeds dichter
dat is mijn leeftijd
wolken worden zwaarder van onkleur
de geur van gisteren hangt nog aan me
ik at met mijn vriend
we braken het brood
en deelden de doden
we zijn al bijna uit zicht
wij lachen nog
wat moet je anders?
omhelzen elkaar ten afscheid
misschien je weet maar nooit

 

 
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

Lees verder “Dolce far niente, Remco Campert, Arthur Japin, Gregoire Delacourt, Yves Petry”

Dolce far niente, Kees Fens, Lieke Marsman, Max Dauthendey

 

Dolce far niente

 

 
Het Spui in 1895, geschilderd door Eduard Karsen

 

Uit: Het stadsgevoel (Het geluk van de brug)

“Soms sta ik in de avond wel eens een klein kwartier voor het raam.
Ik kijk naar de overzijde; lang niet overal brandt licht, maar elk verlicht raam doet mij beseffen dat ik niet alleen ben. Het licht geeft ook een gevoel van veiligheid. De mooiste passages in oude jongensboeken vond ik altijd de beschrijvingen van het sluiten van der stadspoorten. Niemand er meer in, niemand er meer uit, we zitten veilig achter de muren, onder elkaar. Ik geloof dat nog altijd de poort van het Begijnhof op een vast uur wordt gesloten. Ik vind dat een prachtig symbolisch gebaar en ik benijd de poortwachter die het ritueel uitvoert.
Als ik niets meer zie, luister ik. Ik kan de Westertoren horen, de hele nacht door. Ik ben niet alleen. Die sensatie is alleen in een stad mogelijk. (Ik heb nu en dan ook een vertrouwensrelatie met die schildwachten van de nacht: de lantarenpalen.)
Deze week zag ik in het derde deel van de Geschiedenis van Amsterdam een schilderij van Breitner. De Kalverstraat met vlaggen op een regenachtige avond. Ik moet het ooit hebben gezien, ik ben het vergeten en ik voel mij schuldig. Een schitterende streep van geel licht loopt over het bijna abstracte schilderij heen. Licht van etalages kan men nog ter linker- en rechterzijde zien. De besloten straat is voor mij de volmaakte uitdrukking van mijn stadsgevoel. Ik zou daar graag hebben gelopen opgenomen in de lichtstreep. We hebben de ‘echte’ straat niet eens nodig. Al jaren draag ik het schilderij van het Spui van Eduard Karsen in gedachten mee. Het is van een zeldzame stadsintimiteit, zoals ook sommige schilderijen van de grote Witsen.
Ik denk dat mijn stadsgevoelens lopen tot de vroegere afscheiding van stad en land: de lijn Orteliuskade, Postjeskade, Stadionkade. Daarachter ligt een stad van veelal brede straten. De intimiteit is weg, verlichte ramen aan de overzijde zijn verre lichtpunten. Men is er niet meer onder elkaar en misschien pas echt verlaten.

 

 
Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)

Lees verder “Dolce far niente, Kees Fens, Lieke Marsman, Max Dauthendey”

Dolce far niente, Frans Erens, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw

 

Dolce far niente

 

Hartjesdag op de Zeedijk door Johan Braakensiek, 1926

 

Uit: Zeedijk

“Zij was een teêre, slanke meid.
Op den Zéédijk ging ze wandelend voort.
In het vierkantig gerok der breede meiden liep ze buigend zacht; in het stevig getrap der voortschommelende matrozen, ging ze, buigend zacht als waaiend riet.
Onder de helmen diep, glommen heimelijk de oogen der stappende agenten, als waterpoelen in het ruig gestruik op de avond-hei.
Als glimwormen hel, glommen de helmen der loerende agenten.
Vijandig recht, de gezichten strak, liepen vrouwen blootshoofd en in wit gejak, langs het kalm gestap der loerende agenten.
Van rechts en links glansde kroeg aan kroeg met de rijen van flesschen der vonkelende likeuren. Van rechts en links kwam zang en spel en getrappel van dans en gespring.
Binnen ging de lieve meid, stil en met ernst.
Zij danste, danste de lieve meid, de slanke witte hand gespreid op den schouder van den dronken matroos.
Haar gezichtje zacht, geresigneerd, draaide weg tusschen de gezichten vol, wellustig-vol, slaperig-dik, lachend-dik der op- en neêr springende vrouwen.
Tusschen de vierkante meiden met de donkere rokken, die waaiden breed, als krinolinen wijd.
Vloog licht en rank, in vollen zwaai en leliewit de slanke meid.
Gloeiend heet en rood in zweet trapte ferm de sterke matroos, meênemend licht, het lichte wicht.
In den nevelenden stof, in den wirbelenden dans, in het voeten gebons, in het plompende gestomp, in het vioolgesnerp verdween, kwam op de vliegende meid.
Op de borsten en ruggen de halssnoeren klikten en tikten. De zwaar-vleezige, zwart-nagelige handen op de ruggen gespreid, kwamen op? verdwenen snel in het gezwaai en gedraai. Er tusschen door de witte hand, verdwijnend hier, verdwijnend daar.”

 

Frans Erens (23 juli 1857– 5 december 1936)
Plaquette in Landgraaf
Lees verder “Dolce far niente, Frans Erens, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw”