Asternfelder braun und blau, Kinder spielen dort an Grüften, In den abendlichen Lüften, Hingehaucht in klaren Lüften Hängen Möven silbergrau. Hörnerschall hallt in der Au.
In der alten Schenke schrein Toller auf verstimmte Geigen, An den Fenstern rauscht ein Reigen, Rauscht ein bunter Ringelreigen, Rasend und berauscht von Wein. Fröstelnd kommt die Nacht herein.
Lachen flattert auf, verweht, Spöttisch klimpert eine Laute, Leise eine stille Raute, Eine schwermutvolle Raute An der Schwelle niedergeht. Klingklang! Eine Sichel mäht.
Traumhaft webt der Kerzen Schein, Malt dies junge Fleisch verfallen, Klingklang! Hörs im Nebel hallen, Nach dem Takt der Geigen hallen, Und vorbei tanzt nackt Gebein. Lange schaut der Mond herein.
Der Schlaf
Verflucht ihr dunklen Gifte, Weißer Schlaf! Dieser höchst seltsame Garten Dämmernder Bäume Erfüllt von Schlangen, Nachtfaltern, Spinnen, Fledermäusen. Fremdling! Dein verlorner Schatten Im Abendrot, Ein finsterer Korsar Im salzigen Meer der Trübsal. Aufflattern weiße Vögel am Nachtsaum Uber stürzenden Städten Von Stahl.
In Venedig
Stille in nächtigem Zimmer. Silbern flackert der Leuchter Vor dem singenden Odem Des Einsamen; Zaubrisches Rosengewölk.
Schwärzlicher Fliegenschwarm Verdunkelt den steinernen Raum, Und es starrt von der Qual Des goldenen Tags das Haupt Des Heimatlosen.
Reglos nachtet das Meer. Stern und schwärzliche Fahrt Entschwand am Kanal. Kind, dein kränkliches Lächeln Folgte mir leise im Schlaf.
De slaap
Vervloekt jullie donkere gifstoffen, Witte slaap! Deze hoogst merkwaardige tuin Van schemerende bomen Gevuld met slangen, nachtvlinders, Spinnen, vleermuizen. Vreemdeling! Je verloren schaduw In het avondrood, Een sinistere zeerover In de zoute zee van triestheid. Opfladderen witte vogels aan de nachtrand Over neerstortende steden Van staal.
Vertaald door Frans Roumen
Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914) Portret door Knud Odde, 2003
Wasser stürzt, uns zu verschlingen, Rollt der Fels, uns zu erschlagen, Kommen schon auf starken Schwingen Vögel her, uns fortzutragen.
Aber unten liegt ein Land, Früchte spiegelnd ohne Ende In den alterslosen Seen.
Marmorstirn und Brunnenrand Steigt aus blumigem Gelände, Und die leichten Winde wehn.
Fremdes Fühlen
Ich ging spät abends neben dem Damm, Nicht träumerisch, nicht wirklich froh, Halb künftiger Schmerzen süßdumpf bewußt, Halb sehnend um eine Zeit, die floh,
Wie einer, der eine Laute trägt, Die ihm beim Gehn um die Schulter schlägt Und drin so sehnsüchtig der Wind sich fängt, Daß es ihm wie Erinnrung das Herz bedrängt.
Wir gingen den Weg spät abends zuzweit, Der andere ging ihn schon vielemal, Er kannt ihn so gut, fast bei jedem Baum Befiel ihn Erinnern mit süßer Qual.
Zwischen Hecken tauchten Paare auf, Verliebte, müde, dann und wann, Mit welkem Flieder geschmückt, und schauten Uns durch die Dämmerung seltsam an,
Wie Menschen schauen, die ihre Welt So trunken und traumhaft umfangen hält, Sie schauen auf einen, als träten sie ein Aus Dämmerung in einen grellen Schein.
Der neben mir kannte das alles so gut, Sehnsüchtge Erinnerung erregte sein Blut, Er bebte, wie eine Laute bebt, Wenn durch ihre Leere der Nachtwind schwebt.
Drum hab ich gesagt: ich war nicht froh, Nicht traurig, nur ahnend ergriffen, so Wie einer, der eine Laute trägt, Die leise stöhnend das Herz ihm bewegt.
Wo kleine Felsen …
Wo kleine Felsen, kleine Fichten Gegen freien Himmel stehen, Könnt ihr kommen, könnt ihr sehen, Wie wir, trunken von Gedichten, Kindlich schmale Pfade wandern. Sind nicht wir vor allen andern Doch die unberührten Kinder? Sind es nicht die Knaben minder Und die Mädchen, jene andern? Sind sie wahr in ihren Spielen, Jene andern, jene vielen?
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)
Berichten dei voor mij bedoeld zijn, getrommeld van regen naar regen, van leisteen tot pannendak, binnengesleept als een ziekte, smokkelwaar, gebracht naar wie haar niet wil hebben –
Achter de muur weerklinkt de vensterbank, ratelende letters die zich samenvoegen, en de regen praat in de taal waarvan ik geloofde dat niemand haar kent behalve ik –
Verbijsterd verneem ik de berichten van wanhoop, de berichten van armoede en de berichten van verwijt. Het kwetst mij dat ze tot mij gericht zijn omdat ik me niet schuldig voel
Ik spreek het hardop uit dat ik niet bang ben voor de regen en zijn aantijgingen en niet voor degene die ze naar mij heeft gestuurd dat ik op een goed moment naar buiten wil gaan en hem antwoorden.
elke morgen de kelk het geel van rubberen handschoenen een vingerwijzing van god ligt op je als je langs de voortuin loopt naar de bushalte lukas snuffelt in de vuilnisbakken naar de kruimels laat over het inpakpapier zijn geaderde stierentong gaan als een blad van de nachtschade nog bleek de geliefde in haar hand het boek met de blauwe kaft monologen over engelensoorten en jij denkt aan sierlijke schouderbladen
o als het we het opgeven de verbeelding te voeden met dromen
o als we de sprookjes niet vertellen onze kinderen sprakeloos voor de beeldbuis
o als er geen paashaas is en geen beschermengel blijven wij achter als zinloze wezens in de gestolde nachtmerrie van de werkelijkheid
Mens
Het valt me zwaar van je te houden
Heb je vannacht de jammerklacht de schuifelende duizendpoot van duister onbehagen in de straten van de stad
Soms mens, als ik je zie gaan met hoeden op en jassen aan of als ik je zie genieten op een plekje in de zon. Soms als ik je voort zie zwoegen op een rijwiel of op krukken zou ik je aan mijn hart willen drukken
Maar vaak valt het me zwaar van je te houden mens
Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944) Portret door Toontje van der Hulst, 2000
ook je voorhoofd is kwetsbaar laat de afbeeldingen gewoon uit je hoofd een simpele haarscheur in de velg volstaat om te ontsporen wie telt de wagons en kent de kreukelzone van tevoren alleen de poppen blijven intact in levenloze armen en alleen knuffels met een chip op de juiste plaats kunnen nog praten persoonlijke tachografen die reddingswerkers dan geruisloos oppikken maar niemand kan je de juiste mignoncel geven zodat je geneest
De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.
Broeders van liefde
Probeer het eens. Je neemt een kind op schoot zo’n ding dat nog doorschijnend is en broos liefst blind of doof. Geslachtloos bijna. Het zit daar maar, een zuiglam voor het oog.
Pak nu het hoofdje. Leid het zacht omlaag tot aan de uitgang onzer naastenliefde. Schuif het, prop het erdoor desnoods, niet bang zijn. Vandaag mag het. Er zijn geen ouders bij.
Dit is de kracht van elk geloof. Te groot om te bevatten stoot het vroeg of laat tot daar waar wij ons soeverein nog dachten.
Ze zeggen: God werkt slechts met onze handen. Wel God, dit kun je dan: een kind van acht mishandelen en jaar na jaar verkrachten.
Het lentekanon
en dan: ineens geen gebeurtenis.
vandaag geen nieuws. geen zwaailicht of wind. ik sta zonder voelspriet stil. enkel de zon die doorbreekt tussen mijn ribben. verder niets. man op balkon. in de verte: geschiet.
geen mensen hier. enkel een kaasschaaf blikkert in mijn hand als een oudhollands wapen.
enkel wij tegenover elkaar. minder dan iemand.
en ik denk nog ik moet iets doen
maar de zon eet mijn mond glipt naar binnen in horden legt lobben rond mijn ogen steekt het stuif in al mijn woorden als kleine stokken.
we zijn begonnen. ’t kanon van de lente werd ingezet.
ik zwaai wat ik kan om haar te schaden david met kaasschaaf en zie: de stralen tuimelen omlaag… of toch een paar. lullige lichtplakjes krullen zich op mijn balkon. aan mijn voeten brabbelt de kosmos onverstaanbare peutertaal.
zonnetje wordt beetje boos. ze groeit de katjes uit mijn oren uit mijn navel, ellebogen knoken, halfverstikte strot rukt zij nu op in scherpe loten. mannenlichaam staat in knop.
dat heb ik weer. en ik moet nog orde op aarde scheppen het licht van de duisternis aftrekken, ik moet het heelal als een hond doen kermen mijn vijand verschroeien, mijn lief de waarheid zeggen, ik moet mijn tegenstem nog uitbrengen de dood vergruizen met een lied rouwen op rijm, sonnetten schrijven heel dit volk met troost invetten.
heden geen nieuws. geen mensen hier. in de verte: geschiet.
en de winter doet niets. en de bliksem doet niets.
enkel een heimelijk tikkende bloem geil van onmacht. ik ben op zoek naar een pen om mijn taal uit te likken.
nachtvorst en de vliegen op het raam hangen zichzelf op vermoeide zeelieden aan tafel net op tijd voor de val van de bladeren wie gaf het bevel tot de herfststerfte gordijnen afhalen en wassen zo belanden ze toch niet in de zee alleen in de loog en cirkelen betoverde kompasnaalden in chitinepantsers
Uit: De buitenjongen (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)
“Een paar winters geleden maakte ik een moeilijke tijd door. Ha heeft nu denk ik weinig zin om te memoreren waar dat toenmalige gevoel van onbehagen uit voortkwam. Ik was dertig en voelde me futloos, verloren en ontgoocheld, zoals je je voelt wanneer iets wat je onderneemt op niets uitloopt In mijn ogen was de toekomst op dat moment net zoiets onbestaanbaars als de gedachte dat je op reis gaat wanneer je ziek bent en het buiten regent. Ik had veel van mezelf gegeven, en wat was mijn beloning? Ik sleet mijn dagen in boekhandels, in ijzerwinkels, in het café tegenover mijn huis en op bed, waar ik door het raam naar de witte lucht van Milaan staarde. En vooral schreef ik niet, wat voor mij gelijkstaat aan niet slapen of niet eten: het was een leegte zoals ik die nog nooit eerder had ervaren. Romans stonden me in die maanden tegen, maar ik voelde me wel aangetrokken tot verhalen van mensen die de wereld hadden afgewezen en de bossen in waren gegaan om de eenzaamheid te ervaren. Ik las Walden van Henry David Thoreau en Geschiedenis van een berg van Elisée Reclus. Ik werd met name getroffen door de reis van Chris McCandless, die door Jon Krakauer is beschreven in De wildernis in. Misschien wel omdat Chris geen negentiende-eeuwse filosoof was, maar een tijdgenoot van me die op zijn tweeëntwintigste afscheid had genomen van de stad, zijn familie, zijn studie en een op klassieke westerse leest geschoeide briljante toekomst, en helemaal alleen aan een eenzame zwerftocht was begonnen die zou eindigen met zijn hongerdood in Alaska. Toen het verhaal bekend werd, meenden veel mensen dat hij waarschijnlijk uit idealisme had gehandeld, dat het een vlucht uit de werkelijkheid was geweest, of dat hij wellicht tot zelfmoord neigde. Ik had het gevoel dat ik zijn keuze begreep, en inwendig bewonderde ik hem erom. Chris had niet genoeg tijd gehad om een boek te schrijven, misschien was hij dat niet eens van plan geweest, maar hij hield van Thoreau en had diens manifest overgenomen: ‘Ik ging de bossen in omdat ik bewust wilde leven, om me alleen met het wezenlijke bezig te houden en te onderzoeken of ik niet kon leren wat het leven me moest leren, zodat ik niet op mijn sterfbed zou moeten ontdekken dat ik niet geleefd had. Ik wenste niet te leven wat niet het leven was, en ook wilde ik me niet overgeven aan berusting, tenzij dat noodzakelijk was.”
Ik sta nog steeds op een dak in Brooklyn op uw heilige dag. De haven ligt voor mij, Governor’s Island, Verrazano Bridge en de Narrows. In mijn hoofd zit nog steeds wat Rabbi Nachmann zei over de wereld, dat het een smalle brug is en dat het het belangrijkste is om niet bang te zijn. Dus op deze dag zegen ik mijn moeder en vader, mogen ze niet bevreesd zijn waar ze ronddwalen. En ik vraag u om hen te zegenen en voor u uw Boek des Levens sluit, uw Sefer Hachayim, onthoud dat ik uw wereld altijd heb geprezen en uw pracht en dat mijn tong probeerde uw naam te zeggen in Court Street in Brooklyn. Breng me veilig door de Narrows naar de zee.
Straks ben ik net zo oud als jij en verwar ik oude foto’s met die waarop je aan je einde bent.
Dan kijk ik in mijn spiegel in jouw ogen en wen mijzelf aan de rimpels in mijn hoofd,
en heb ik weer een grens verlegd voor die man die aan mijn ziekbed zit, wiens gezicht ik almaar niet herken.
Hij is de Millennial
Aan hem kleven veel te hoge verwachtingen. Ze drijven hem tot wanhoop. Maken dat hij zich wil verdrinken.
Hij is Jezus. Hij loopt over water. Schuilt daar onder bomen. Ontwijkt vluchtelingen. Bouwt kampvuren. Vermaakt zijn volk.
Hij is de Illusionist.
Hollandse regen
I Als ik met houtskool tekenen kon op glas jouw vingervlugge tederheden, of hoe je je liefde als een goedkope goocheltruc op een heuphoog eenpootstafeltje in een vlinder veranderde
had ik alle ramen tegen elkaar geopend en de speld met de strepen van de regen onder een doekje weggewist, als ik tekenen kon op glas?
Wat ceremonieel onzuiver was, wist hij, Was zijn leven. De wetten werden niet nageleefd. De god werd niet geëerd. Angst zat op elke weg. Om zijn leven te veranderen, vond hij Een baan uit die regelmaat en orde beloofde. Hij vond liefde uit die vreugde beloofde. In de zomer zat hij tussen groene bomen. De familie lachte in het water. Laat nu de ceremonie beginnen, zei hij, In het hart van de zomer, in het pure groen En het pure blauw. Laat de god zijn berg betreden. Hij kan naar beneden komen.
Uit: Someone to Run With (Vertaald door Vered Almog en Maya Gurantz Picador)
“A dog runs through the streets, a boy runs after it. A long rope connects the two and gets tangled in the legs of the passersby, who grumble and gripe, and the boy mutters “Sorry, sorry” again and again. In between mumbled sorries he yells “Stop! Halt!”–and to his shame a “Whoa-ah!” escapes from his lips. And the dog keeps running. It flies on, crossing busy streets, running red lights. Its golden coat disappears before the boy’s very eyes and reappears between people’s legs, like a secret code. “Slower!” the boy yells, and thinks that if only he knew the dog’s name, he could call it and perhaps the dog would stop, or at least slow down. But deep in his heart he knows the dog would keep running, even then. Even if the rope chokes its neck, it’ll run until it gets where it’s galloping to–and don’t I wish we were already there and I was rid of him! All this is happening at a bad time. Assaf, the boy, continues to run ahead while his thoughts remain tangled far behind him. He doesn’t want to think them, he needs to concentrate completely on his race after the dog, but he feels them clanging behind him like tin cans. His parents’ trip–that’s one can. They’re flying over the ocean right now, flying for the first time in their lives–why, why did they have to leave so suddenly, anyway? His older sister–there’s another can–and he’s simply afraid to think about that one, only trouble can come of it. More cans, little ones and big ones, are clanging, they bang against each other in his mind–and at the end of the string drags one that’s been following him for two weeks now, and the tinny noise is driving him out of his mind, insisting, shrilly, that he has to fall madly in love with Dafi now–because how long are you going to try to put it off? And Assaf knows he has to stop for a minute, has to call these maddening tin followers to order, but the dog has other plans. Assaf sighs–“Hell!”–because only a minute before the door opened and he was called in to see the dog, he was so close to identifying the part of himself in which he could fall in love with her, with Dafi. He could actually, finally, feel that spot in himself; he could feel himself suppressing it, refusing it in the depths of his stomach, where a slow, silent voice kept whispering. She’s not for you, Dafi, she spends all her time looking for ways to sting and mock everyone, especially you: why do you need to keep up this stupid show, night after night? Then, when he had almost succeeded in silencing that quarrelsome voice, the door of the room in which he had been sitting every day for the last week, from eight to four, opened. There stood Avraham Danokh, skinny and dark and bitter, the assistant manager of the City Sanitation Department. (He was sort of a friend of his father’s and got Assaf the job for August.) Danokh told him to get off his ass and come down to the kennels with him, now, because there was finally work for him to do. Danokh paced the room and started explaining something about a dog. Assaf didn’t listen. It usually took him a few seconds to transfer his attention from one situation to another. Now he was dragging after Danokh along the corridors of City Hall, past people who came to pay their bills or their taxes or snitch on the neighbors who built a porch without a license.”
David Grossman (Jeruzalem, 25 januari 1954)
De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.
Liefde na liefde
De tijd zal komen wanneer je, met opgetogenheid, jezelf zult begroeten als je aankomt bij je eigen deur, in je eigen spiegel en elk zal glimlachen om het welkom van de ander,
en zeggen, ga hier zitten. Eet. Je zult weer van de vreemdeling houden die jezelf was. Geef wijn. Geef brood. Geef je hart terug aan zichzelf, aan de vreemdeling die je hele leven
van je heeft gehouden, die je negeerde ten gunste van een ander, waarmee je vertrouwd bent. Haal de liefdesbrieven van de boekenplank,
de foto’s, de wanhopige aantekeningen, pel je eigen afbeelding van de spiegel. Ga zitten. Geniet van je leven.
„Ganz, wie ihn mein Freund beschrieben, fand ich den Professor; hellgesprächig – weltgewandt – kurz, ganz in der Manier des höheren Geistlichen, der wissenschaftlich ausgebildet, oft genug über das Brevier hinweg in das Leben geschaut hat, um genau zu wissen, wie es darin hergeht. Als ich sein Zimmer auch mit moderner Eleganz eingerichtet fand, kam ich auf meine vorigen Bemerkungen in den Sälen zurück, die ich gegen den Professor laut werden ließ. »Es ist wahr«, erwiderte er, »wir haben jenen düstern Ernst, jene sonderbare Majestät des niederschmetternden Tyrannen, die im gotischen Bau unsere Brust beklemmt, ja wohl ein unheimliches Grauen erregt, aus unseren Gebäuden verbannt, und es ist wohl verdienstlich, unsern Werken die regsame Heiterkeit der Alten anzueignen.« – »Sollte aber«, erwiderte ich, »nicht eben jene heilige Würde, jene hohe zum Himmel strebende Majestät des gotischen Baues recht von dem wahren Geist des Christentums erzeugt sein, der, übersinnlich, dem sinnlichen, nur in dem Kreis des Irdischen bleibenden Geiste der antiken Welt geradezu widerstrebt?« – Der Professor lächelte. »Ei«, sprach er, »das höhere Reich soll man erkennen in dieser Welt und diese Erkenntnis darf geweckt werden durch heitere Symbole, wie sie das Leben, ja der aus jenem Reich ins irdische Leben herabgekommene Geist, darbietet. Unsere Heimat ist wohl dort droben; aber solange wir hier hausen, ist unser Reich auch von dieser Welt.« Jawohl, dachte ich: in allem was ihr tatet, bewieset ihr, daß euer Reich von dieser Welt, ja nur allein von dieser Welt ist. Ich sagte aber das, was ich dachte, keinesweges dem Professor Aloysius Walther, welcher also fortfuhr: »Was Sie von der Pracht unserer Gebäude hier am Orte sagen, möchte sich wohl nur auf die Annehmlichkeit der Form beziehen. Hier, wo der Marmor unerschwinglich ist, wo große Meister der Malerkunst nicht arbeiten mögen, hat man sich, der neuern Tendenz gemäß, mit Surrogaten behelfen müssen. Wir tun viel, wenn wir uns zum polierten Gips versteigen, mehrenteils schafft nur der Maler die verschiedenen Marmorarten, wie es eben jetzt in unserer Kirche geschieht, die, Dank sei es der Freigebigkeit unserer Patronen, neu dekoriert wird.« Ich äußerte den Wunsch, die Kirche zu sehen; der Professor führte mich hinab, und als ich in den korinthischen Säulengang, der das Schiff der Kirche formte, eintrat, fühlte ich wohl den nur zu freundlichen Eindruck der zierlichen Verhältnisse. Dem Hochaltare links war ein hohes Gerüste errichtet, auf dem ein Mann stand, der die Wände in Giallo antik übermalte. »Nun wie geht es, Berthold?« rief der Professor hinauf Der Maler wandte sich nach uns um, aber gleich fuhr er wieder fort zu arbeiten, indem er mit dumpfer beinahe unvernehmbarer Stimme sprach: »Viel Plage – krummes verworrenes Zeug – kein Lineal zu brauchen – Tiere – Affen – Menschengesichter – Menschengesichter – o ich elender Tor!« Das letzte rief er laut mit einer Stimme, die nur der tiefste im Innersten wühlende Schmerz erzeugt; ich fühlte mich auf die seltsamste Weise angeregt, jene Worte und der Ausdruck des Gesichts, der Blick, womit er zuvor den Professor anschaute, brachten mir das ganze zerrissene Leben eines unglücklichen Künstlers vor Augen.“
E. Th. A. Hoffmann (24 januari 1776 – 25 juni 1822) Portret door een onbekende kunstenaar, ca. 1795
De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.
Na de storm
Zoveel eilanden als de sterren ’s nachts op die vertakte boom waaruit meteoren worden geschud als vallend fruit rond de schoener Flight. Maar dingen moeten vallen, en zo was het altijd aan de ene kant Venus, aan de andere kant Mars; vallen, en zijn één, net zoals deze aarde één eiland is in archipels van sterren. Mijn eerste vriend was de zee, nu is het mijn laatste. Ik stop nu met praten, ik werk, dan lees ik, chillend onder een lantaarn die aan de mast is gehaakt. Ik probeer te vergeten wat geluk was, en als dat niet werkt, bestudeer ik de sterren. Soms zijn het alleen ik, en het zacht geschoren schuim als het dek wit wordt en de maan een wolk opent als een deur, en het licht boven mij een weg is in wit maanlicht die me naar huis brengt. Shabine zong voor je vanuit de diepten van de zee.