John Rechy, Naomi Shihab Nye

De Amerikaanse schrijver John Rechy werd geboren op 10 maart 1934 in El Paso, Texas. Zie ook alle tags voor John Rechy op dit blog.

Uit: Rushes

“AS OFTEN as he comes to the Rushes, Endore still feels a clash of excitement and dread in anticipation of the sights, sounds, odors he knows will assault him. The astonishing array of cowboys, motorcyclists, construction workers, policemen, lumberjacks, military-uniformed men will cluster intimately within the red darkness. Muted music will pulse into the rancid smoke: Laughter–that laughter-will crack mysteriously at the point of euphoria. The most shadowed part will churn with bodies increasingly bared as night moves deeper. Mixed with the heated odor of the congregated flesh, the rot-tinged scent of “poppers’ will hover like cummy incense.
Endore pauses on the street in the midst of violent-sex turf near the city’s abandoned waterfront. He always does in preparation for entering the Rushes, whether to prolong the expectation or to postpone the actuality.
A sexually handsome, dark-haired man in his upper 30s–he appears younger–he wears an individualized adaptation of the requisite “uniform” in the Rushes: boots, jeans, denim shirt open to reveal a triangle of tanned flesh; his chest is muscular, defined.
Behind him, the network of iron that had once been the elevated, stretches unused, a leftover prop, rusted over, scratching its outline against the distant soaring landscape. Shadows of the tangled iron network divide the street into gray and black patches. The night is dusted ashen orange by the lights from the area of the piers. Hot mist rises smokily from the coarse-paved street, moist from an early drizzle. It is the first sweaty night of spring. Summer breathes into the humid breeze.
Near the Rushes, meat trucks are abandoned for the night. During the day they haul denuded carcasses of cattle hanging on savage racks, raw flesh to be cut up later in the wholesale butcher shops across the street. At night, men invade the bloodied floors of the trucks for sex. Before the aisles of trucks, a man licking his lips is signaling with exposed genitals to a naked man at the window in the apartment building across the street.
The walls of that building have been lashed with red and black paint–angry phallic swirls and slashes like enciphered curses. Ripped tile has left gouges in its lobby, Endore knows. A few nights ago he answered the signal of a handsome man motioning from a window to the entrance. Endore walked up the squeezed aged corridor and to an open door, where the man waited. They blew each other on the floor of the desperately chic apartment.”

 


John Rechy (El Paso, 10 maart 1934)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Naomi Shihab Nye werd geboren op 12 maart 1952 in St. Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor Naomi Shihab Nye op dit blog.

 

Bijen waren beter

Op de universiteit gingen mensen altijd uit elkaar.
We gingen uit elkaar op parkeerplaatsen,
naast fonteinen.
Twee mensen gingen uit elkaar
aan een rafel tegenover mij
in de bibliotheek.
Ik kon niet meer aan die tafel zitten
hoewel ik ze niet kende.
Ik bestudeerde bijen, die in staat waren
boodschappen over te brengen door te dansen
en hun weg naar huis konden vinden
naar hun korven
zelfs als iemand een blokkade van lakens
en planken en draad opwierp.
Bijen hadden radar in hun vleugels en hersenen
die mensen nauwelijks konden begrijpen.
Ik schreef een werkstuk waarin ik
hun genialiteit en superioriteit verkondigde
en keek het na in een klein café
met houten honingdippers in de vorm van een korf
in zilveren honingpotten
op elke tafel.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Naomi Shihab Nye (St. Louis, 12 maart 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e maart ook mijn blog van 10 maart 2020 en eveneens mijn blog van  10 maart 2019 deel 1 en ook deel 2.

Koen Peeters, Naomi Shihab Nye

De Vlaamse schrijver Koen Peeters werd geboren in Turnhout, 9 maart 1959. Zie ook alle tags voor Koen Peeters op dit blog.

Uit: Grote Europese Roman

“Eén keer per jaar ontmoetten ze elkaar. De naam van hun club was ESP, en alle belangrijke marktpartijen voor relatiegeschenken in Europa waren lid. CSP was een beroepsvereniging die ooit gedicht werd om hogere kortingen te bedingen, maar het ging er ook over informele marktafspraken. Een tijdlang betekende CSP Cooperative Society for Promotions’. en daarvoor ‘Chambre Syndicale de Ia Publicité’. Vandaag speelde de juiste betekenis geen rol meer. Misschien kwamen ze gewoon samen voor de gezelligheid. Vanavond stond een diner op het programma. In vurig rode letters prijkte op een flip-over ‘Symposium’. Daaronder zes lelijke logo’s. Er zouden twee dagen volgen met telkens drie sessies, elk apart gesponsord. Elke dag waren er presentaties met tussendoor reclamemomenten, en dit was meteen het eerste: een tv-monitor vertoonde beelden van plastic gadgets, en hostess Christine stond ernaast. Christine was blond als vlas. Op haar hoofd droeg ze een hoedje als een scheepje. Theo begroette haar hoffelijk en zijn collega’s hartelijk Dit was het weerzien van goede, oude, dikke vrienden. Om te beginnen Albert, die door iedereen Dick werd genoemd.
Dan de puissant rijke Hubert, die in een goudkleurige Mercedes reed, en die kleur was niet eens ironisch. Dan Herman, die altijd gelijk had, tot vervelen toe. Kneep zijn ogen dicht, tuitte zelfgenoegzaam zijn lippen en zei: ‘Heb ik het niet gezegd?’ Want inderdaad, Herman had het gezegd, hij kon ook nooit zwijgen. Vervolgens Lenoir, die sprak met bruisende champagne in zijn mond. Articuleerde Frans op z’n Engels en Engels op z’n Frans. Ze noemden hem de Billenniumman. Dat woord had hij bedacht voor de heisa rond het absoluut onmagische jaar 2000, dat gelukkig alweer achter de rug was. Remco. Stresskip. Alles wat hij aanraakte veranderde in geld en ook in reclame, persoonlijk voor hemzelf. Dan Philippe, die zo graag pochte dat hij een snelle beslisser was. Was daarom zelfs trots op zijn foute beslissingen. Bob, de op een na oudste. Was zeventig, maar voelde zich vijftig. Zei dat onophoudelijk en streelde daarbij zijn jeugdige, geverfde haar. Zijn geheugen beheerde hij als een magazijn. Alles wat hij vergeten was, wilde hij opzettelijk vergeten, dat beweerde hij althans. Daarnet kwam ook de enige vrouw van het gezelschap aan, Nathalie. Ze loenste een beetje. Volgens sommigen was dat een van de zeven schoonheden, maar slechts één. Dan waren er nog Jean-Paul, Martin en Thomas. En ten slotte de oudste van hen, Theo zelf. Hij dacht: dit is de allerlaatste keer dat ze naar me zullen luisteren. Allen waren oprecht gelukkig elkaar terug te zien. Dat zag je aan de aimabele schouderklopjes, de omhelzingen en het langdurig handschudden. Dit was CSP, de federatie der geschenkenschenkers.”

 


Koen Peeters (Turnhout, 9 maart 1959)

 

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Naomi Shihab Nye werd geboren op 12 maart 1952 in St. Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor Naomi Shihab Nye op dit blog.

 

Hoe Palestijnen zich warm houden

Kies één woord en zeg het steeds
opnieuw, tot het een vuur in je mond creëert.
Adhafera, degene die het volhoudt, Alphard, de eenzame,
de sterren ontvingen namen van mensen zoals wij.
Elke nacht treden ze aan op het lange pad tussen werelden.
Ze knikken en knipperen, geen goed of fout
in hun gele ogen. Dirah, klein huis,
vouw je muren open en neem ons op.

Mijn bron is opgedroogd, de druiven van mijn grootvader
zijn gestopt met zingen. Ik roer de kolen,
mijn baby’s huilen. Hoe zal ik ze leren
dat ze bij de sterren horen?
Ze bouwen forten van witte steen en zeggen: “Dit is van mij.”
Hoe zal ik ze leren om van Mizar, sluier, mantel te houden,
om te weten dat erachter een oude man
een vlam aanwakkert?
Hij roert de donkere wind van onze adem.
Hij zegt dat de sluier zal opstijgen
tot ze ons zien schijnen, zich verspreidend als sintels
op de gezegende heuvels.

Goed, dat heb ik verzonnen. Ik weet het niet zo zeker over Mizar.
Maar ik weet dat we het hier op aarde warm moeten houden
En als jouw sjaal zo dun is als de mijne, vertel je verhalen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Naomi Shihab Nye (St. Louis, 12 maart 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e maart ook mijn blog van 9 maart 2021 en ook mijn blog van 9 maart 2020 en eveneens mijn romenu blog van 9 maart 2019 deel 1 en ook deel 2.

 

Jetzt hebt der Fasching an (Hoffmann von Fallersleben), Robert Kleindienst

 

Bij Carnaval

 


Carnaval door Tanja Ritterbex en Bas de Wit, 2016

 

 

Jetzt hebt der Fasching an

Jetzt hebt der Fasching an,
Des Jahres tolle Lustbarkeit,
Und wer kein Narr sein kann,
Der ist auch nicht gescheit.
Die Maske vor, lauf’ ich herum
……als Geck, als Geck,
Ich fopp’ und necke Jedermann:
……das eben ist mein Zweck.

So Mancher läuft das Jahr
All überall als Narr herum
Und denkt, daß er’s nie war –
Das ist erschrecklich dumm.
Drum sag’ ich ihm vor aller Welt
……ganz keck, ganz keck:
Willkommen, lieber Herr Colleg!
……willkommen, Bruder Geck!

Wenn ich mich täusche nicht,
So ist die Welt der Narren voll,
Nur daß man’s ins Gesicht
Nie sagen darf und soll.
Der Fasching macht die Narren nicht,
……o nein! o nein!
Sie finden sich zu jeder Zeit
……auch ohne Fasching ein.

 


Hoffmann von Fallersleben (2 april 1798 – 19 januari 1874)
De St.-Marien-Kirche in Fallerslebben, de geboorteplaats van de dichter

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Robert Kleindienst werd geboren op 4 maart 1975 in Salzburg. Zie ook alle tags voor Robert Kleindienst op dit blog.

 

Ungeträumt

um ade nach drei fährt man
auf. ein gelbes Licht geht durch
den Raum, es wird wieder
dunkel. noch einmal fährt
ein Finger zwischen die Augen,
der riecht nach Fisch
und Zitrone

 

Vorzeichen

es bewölkt sich erste Fenster
werden geschlossen noch
fällt kein Tropfen vom Himmel
fliegen Schwalben tief übers Feld
im Haus spricht man verhalten
mit der Wetterzentrale
hält Polizzen bereit
für die Zeit danach

 

Vandaag, lang geleden

zie je, de schommel staat stil
in Sisal, zie je, een kind
zit erop dat geen schaduw werpt,
totdat de wind het tilt naar de andere oever.
wij wachten niet daar, het is
al te laat, wordt ons verteld
in de lobby. allemaal vroegtijdig
afgereisd. later zullen wij
de rekening betalen,
vertrekken, slechts één keer
omkijken, om te zien,
wie zwaait

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Robert Kleindienst (Salzburg, 4 maart 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e maart ook mijn blog van 4 maart 2019 en ook mijn blog van 4 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Kostümball-Gedanken (Joachim Ringelnatz), Abbas Khider, Elisabeth Borchers

 

Bij Carnaval

 


Carnaval à Nivelles (Carnaval in Nijvel) door Edith Gorren, 2015

 

Kostümball-Gedanken

Es wechseln die Moden,
Aber der Hosenboden
sitzt sinngemäß
Immer unterm Gesäß.

Bunt stimmt viel froher
Als beispielsweise Grau.
Aber viel sowieso er
reizt der Busen der Frau.

Das nächste Mal gedenke ich
Als ganz Nackter mitzumachen.
Und auch dies Kostüm verschenke ich.
Nur damit die Leute lachen.

 


Joachim Ringelnatz (7 augustus 1883 – 17 november 1934)
De Ringelnatzfontein in Wurzen, de geboorteplaats van Joachim Ringelnatz

 

De Duits-Iraakse schrijver Abbas Khider werd geboren op 3 maart 1973 in Bagdad. Zie ook alle tags voor Abbas Khider op dit blog.

Uit: Der Erinnerungsfälscher

»Komm so schneit wie möglich her«, sagt sein Bruder am anderen Ende der Leitung. »Es ist so weit. Unsere Mutter liegt im Krankenhaus. Der Arzt sagt, es wird nicht mehr lange dauern.« Said Al-Wahid sitzt in einem ICE irgendwo zwischen Mainz und Berlin. Draußen ist es grau und trüb, ein regnerischer Junitag. Saids Mutter war in den Jahren zuvor oft krank. In den vergangenen Wochen hat sich ihr Zustand verschlechtert. Sie schlief ununterbrochen. Nur für wenige Minuten am Tag war sie wach. Said war bewusst, dass der Moment nahte, in dem der Tod, der alte, unerwünschte Gast, auf der Türschwelle stehen würde. Mit dem Vater und der Schwester wird die Mutter bald vereint sein. Im Himmel ist die Familie vollständiger als auf Erden.
In Mainz hat Said an einem Podiumsgespräch teilgenommen. Er ist auf dem Weg nach Hause zu Monica und seinem Sohn Ilias. Er überlegt, ob er am nächsten Halt aussteigen und mit einem anderen Zug zum Frankfurter Flughafen fahren soll. Mit dem Handy schaut er nach Flügen, die er buchen könnte. Sein Bruder würde ihn niemals dazu auffordern, nach Bagdad zu fliegen, wenn der Zustand ihrer Mutter nicht wirklich ernst wäre. Aber wie soll er nun schnellst-möglich dorthin kommen? Direkte Flüge gibt es seit Ewigkeiten nicht mehr. Ist der Bagdader Flughafen überhaupt in Betrieb? Während welchen Krieges wurde er ge-schlossen? Ob er seine Mutter noch sehen wird, bevor sie sich von der Welt verab-schiedet? Hat der Tod ein wenig Mitgefühl und lässt sie noch ein paar Tage am Le-ben? Wartet er auf ihn? Möglicherweise hat die Mutter es eilig, den Rest der Familie im Jenseits wieder-zusehen. Keiner der Überlebenden ihrer Sippe hat eine Ahnung, wo der Leichnam des Vaters beerdigt wurde. Von den Körpern der Schwester und ihrer Familie fand man kaum noch Überreste. Im Irak, das weiß Said, drehen sich die Minutenzeiger nicht über Ziffern, sondern über Wunden.”

 


Abbas Khider (Bagdad, 3 maart 1973)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

April

Er komt een tijd
met regen,
met hagel,
met sneeuw.

Met wind die de hoek om raast.
Hij neemt de man de hoed van het hoofd
Hé, roept de man, waar is mijn hoed?
Hé, roept de hoed, waar is mijn man?
En hij is al helemaal daarboven.

De haan op de gouden kerktoren
die denkt: ik zie het vast niet goed.
een hoed zonder man,
een hoed die nog vliegen kan
en heeft toch geen vleugels aan?

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e maart ook mijn blog van 3 maart 2020 en ook mijn blog van 3 maart 2019 en ook mijn blog van 3 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

 

Maart (C. S. Adama van Scheltema), Jan Eijkelboom, Elisabeth Borchers

 

Bij het begin van maart

 


March Light door Ann Larsen, 2018

 

 

Maart

Nou is de Winter weggeruimd.
Die aan de aard zat vastgevroren.
Nou is het vuil er afgeschuimd
En komt de blote grond te voren.

Maart heeft de korst al schoongespoeld
En blaast er op om ’t af te drogen;
Zijn eigen borst is blootgewoeld –
Daar gaat die knaap: – zijn donkre ogen.

Als vijvers waar een bloem in drijft
– Maar waar geen bodem is te schouwen
En ’t wijze water doodstil blijft –
Kijken in ledige landouwen;

Hij houdt een dood blad in zijn mond.
En blaast het weg – een vreemde vlinder! –
Dan zoekt hij ijvrig aan de grond: –
Hij is de mooie bloemenvinder.

Waarnaar de eerste krokus gluurt
En opkijkt uit haar winterdromen –
Luister! een lijster tureluurt
Al ginder in de hoge boomen!

Die heeft het gure tij al lief!
Die roept het licht om mee te spelen:
Wat zou zo’n boze lentedief
Anders dan zonnestralen stelen?

Daar zijgt de zon in ’t waterland
En lacht een rimpling in de sloten, –
De jonge Maart slaapt aan de kant,
Met de eerste bloem, bij de eerste loten.

De schrale aard leek uitgeteerd
En afgeleefd in al haar naden
En zwarte voegen, – zie: nou keert
Haar jeugd uit de geleden schade!

Zij heeft gedragen en gebaard,
Al zoveel eindeloze malen –
Nou staat haar stil gelaat verklaard
En gaat zij rustig ademhalen.

Zoo’n lieve lach heeft ook een vrouw,
Als ze uit het bleke bed weer ’t leven
Ziet en aanneemt en weer de vouw
Van naar verdriet heeft gladgewreven.

Als aard en akker draagt ons hoofd
De voren van zijn wil en werken, –
Geen hand, die uit die voegen rooft,
Geen wind, die ons de diepe merken

Van ’t leven en het weten neemt!
Leun gij dan, maat, op de oude spade!
Zie naar die gaard en klare beemd,
En lees de vrucht van al uw daden

En al uw kommer in de lach
Van wat vergaat en wordt geboren: –
Uw leven is een dorre dag. –
Hebt gij een dode schijn verloren –

Zij gij ’t die de eerste paasbloem vindt
Om daar de aard mee af te romen,
Tot de eerste Mei uw dorstig kind
Over zijn bloesems heen ziet komen,

En gij in de geruste schoot
Van Holland’s wei u leit te slapen; –
Maar ’t leven verft uw lijf nog rood!
En roept uw klare geest te wapen

In ’t werktuig dat uw leger teelt,
In ’t voorjaar dat uw moed zal dragen.
Uw onder-gang en op-tocht beeldt
In de gedaante van de dagen.

Wier ring in u zijn orde herschept.
O gij: gedenk de stille maaier,
Die vroeg genoeg zijn voeten rept! –
Zie! zie: daarginder gaat een zaaier!

 


C. S. Adama van Scheltema (26 februari 1877 – 6 mei 1924)
Gezicht op de Oudezijds Voorburgwal te Amsterdam door Karel Klinkenberg (1852-1924). Amsterdam is de geboorteplaats van Adama van Scheltema.

 

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

 

De kunst

In die tijd trokken amateurs
met zwarte kastjes erop uit
om in een poortdoorgang
het tegenlicht te vangen

dat door de lindeblaadjes scheen.
Of ze betraden gretig het park
op de dag van de eerste sneeuw.
Vanaf meegenomen keukentrapjes

legden zij vast hoe ijzel of rijp
van takjes toverstokjes maakte.
Ook ik verbalisant betrapte

dat voortvluchtig licht en
sloot het op in een sonnet
waaruit het ijlings is ontsnapt.

 

 

Itsukushima

Gewapend tegen de havenvis staat
een dozijn hengelaars langs de kade.
Roeiboten, een meter of wat van de oever
leeg gemeerd, halen verbaasd hun schouders op.

Grote trommen, zout-doordrenkt hout,
vullen de kamers van de schrijn,
gebouwd op dikke palen als een pier:
ik zie het nut van een eredienst hier.

Beneden dansen de kleine, tedere krabben
de tango in ’t ondiepe, riskeren het land,
schieten naar gaten van slikkerig zand.

Schimmen van groen zeewier, een bierblik, dronken,
worden getrokken door het tij… Zegen, gij Niets,
mij in bijna-niets.

(naar Christopher Reid)

 

De kleine komedie

1

Inferno

Nel mezzo del cammin di nostra vita

Toen schrok ik wakker in een donker bos.
Ik was verdwaald in ’t midden van mijn leven.
Dat wat ik vasthield liet mij zomaar los.

Van kindsbeen was de lief de mij gegeven.
Leven had niet veel pijn gekost.
Toch was mij alles nu om ’t even.

Wel had ik nooit iets opgelost,
altijd maar liever meegegeven,
en wás er iets, dan had ik dorst.

Rond liep ik in een gouden nevel,
van gods gebod naar ’t scheen verlost.
Maar daar is niets van heel gebleven.

Erger dan wanhoop is het kwaad
dat mij hier doodstil gadeslaat

 


Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)
Portret door Rein Dool, z.j

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

Juni

Er komt een tijd
dan zijn de vissen blauw.

De blauwe vissen komen
in de kleine en de grote
beken stroomafwaarts.
Ze reizen door rivieren
en meren.
Ze willen allemaal de zee in.

Als we heel snel rennen
naar de beek,
naar de rivier,
naar het meer,
komt een blauwe vis langs.

Wij vragen hem:
Waarheen wil je, vis?
En hij antwoordt niet.

Wij vragen de vis:
Ben je stom?
En de vis zegt:
Ja, ik ben stom.

En hij is weg.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e maart ook mijn blog van 1 maart 2021 en ook mijn blog van 1 maart 2020 en ook mijn romenu blog van 1 maart 2019  en ook mijn blog van 1 maart 2015 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Bart Koubaa, Howard Nemerov

De Vlaamse schrijver Bart Koubaa (pseudoniem van Bart van den Bossche) werd geboren op 28 februari 1968 in Eeklo. Zie ook alle tags voor Bart Koubaa op dit blog.

Uit: De vogels van Europa

“Statistisch gezien was de kans vrij groot dat ik op maandagochtend op weg naar het werk een aalscholver met gespreide vleugels op een lantaarnpaal naast de Leie zou zien zitten; de kwaliteit van de Vlaamse rivieren is erop vooruitgegaan waardoor er opmerkelijk veel palingen en snoekbaarzen in het Gentse binnenwater rondzwemmen. Dat ik daarna gehinderd werd door een man en een jongetje op de fiets, zodat ik bruusk remde, waardoor mijn achterwiel slipte en uit mijn mond een kreet ontsnapte waarop de man reageerde men Achterlijke boer, terwijl twee jongensoogjes me beduusd aankeken vanonder een fietshelm in de vorm van een witte haaienkop, die kans was nihil, maar toch gebeurde her. Het vond plaats. En dat plaatsvinden ging onafgebroken verder… Ik stond afwezig in de lift, zat afwezig aan mijn bureau gegevens in te vuren, was er niet bij in de kantine tijdens de middagpauze en beantwoordde geen enkele mail. Ik had de hele tijd een opgeblazen gevoel, alsof mijn maag voortdurend aan het geeuwen was, en zat volgens mijn collega te neuriën en te fluiten. Om twee uur stipt stapte ik naar het bureau van mijn baas, zei hem dat ik me niet al te best voelde – ‘Ik voel me een beetje…’- vroeg hem een maagtabletje – ‘Heb jij soms een euh…’en reed naar huis. Thuis nam ik een lange douche en ging op mijn rug op bed liggen. Rond halfzes ging de telefoon; ik was vergeten dat ik mijn dochter beloofd had naar haar wasmachine te kijken. Pas een kleine week later, toen de wasmachine van mijn dochter weer zwierde en mijn vrouw en ik voor de televisie zaten, maakte die afwezigheid, die de hele tijd als een lege reddingssloep in mij had rondgezwalkt, zich kenbaar: ‘Eddie’ riep ik verdwaasd toen er na het nieuws een foto van een man op het scherm verscheen, ‘ik heb samen met hem in het koor gezeten… Eddie Bonte…’Er ontsnapte een ongecontroleerde langgerekte boer uit mijn mond.
‘Heb jij in een koor gezeten?’ Ik legde mijn wijsvinger op mijn mond en gebaarde mijn vrouw te zwijgen. ‘…de heer Bonte is 1,83 meter lang en normaal gebouwd. Hij is licht kalend en heeft een litteken op de biceps van de rechterarm. Op het moment van de verdwijning droeg hij een schildersbroek met kniestukken, witte werkschoenen, een grijs sweatshirt en een kaki vest zonder mouwen. Als u meer informatie hebt, kunt u contact opnemen met de rechercheurs via het gratis nummer 0800-30300…’ ‘Ja zeg, vermist verdomme…’ Er volgde nog een boer; ik perste mijn lippen op elkaar, verontschuldigde me met mijn hand. ‘Wil je thee?’

 


Bart Koubaa (Eeklo, 28 februari 1968)

 

De Amerikaanse dichter en literatuurdocent Howard Nemerov werd geboren op 29 februari 1920 in New York. Zie ook alle tags voor Howard Nemerov op dit blog.

 

September De eerste schooldag

I

Mijn kind en ik houden elkaars hand vast op weg naar school,
En als ik hem bij de deur van de eerste klas achterlaat
huilt hij een beetje, maar is dapper; hij laat
me los.
Mijn egoïstische tranen herinneren me eraan hoe
ik een leven geleden voor die deur huilde.

Ik heb het misschien moeilijk gehad om los te laten.

Elke herfst moeten de kinderen samen doorstaan
Wat elk kind ook alleen doorstaat:
Het alfabet leren, de gehele getallen,
Drie dozijn stukjes en beetjes van een ding
Zo willekeurig, zo gebiedend,
Dat werelden onzichtbaar en zichtbaar

Ervoor buigen, zoals in Jozefs droom
De schoven bogen en toen bogen de sterren
Voor de droom van een kleine jongen.

Die droom bezorgde hem zoveel haat van zijn broers
Dat het hem grootste deel van zijn leven kostte om te herstellen,
En toch kwam er uiteindelijk grote goedheid uit voort.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Howard Nemerov (29 februari 1920 – 5 juli 1991)

 

Zie voor meer schrijvers van de 28e en de 29e februari ook mijn blog van 28 februari 2021 en ook mijn blog van 28 februari 2020 en ook mijn blog van 28 februari 2019 en eveneens mijn blog van 28 februari 2018 deel 2.

Cynan Jones, Elisabeth Borchers

De Welshe schrijver Cynan Jones werd geboren op 27 februari 1975 in Aberystwyth, Wales. Zie ook alle tags voor Cynan Jones op dit blog.

Uit: De burcht (The Dig, vertaald door Jona Hoek)

“De hond bewoog zich toen Daniel tussen de gebouwen door liep, kwam aan zijn ketting overeind, strekte zich en geeuwde, en in het licht van de lantaarn zag Daniel dit luie uitrekken en het licht van de lantaarn werd door de schakels van de ketting gevangen.
Hij stak de voederplaats over, hoorde het knisperen van hooi dat door het vee bij de ruif in het zich verspreidende strijklicht van de schuur werd weggemalen, hoorde hoe de hond zich uitschudde en het zich weer gemakkelijk maakte in het hok achter hem.
De nacht kabbelde stilletjes.
Hij ging de schapenstal in. De ooien waren uitgerust en de plek was moederlijk en rustig. Er klonk enkel het knisperen en zo nu en dan de kuch van een schaap. Hij plaatste de lantaarn op een plank en deed het licht aan. Een paar lammeren begonnen te mekkeren en er klonk een gerammel in de warmtebox, waar de weesjes opgewonden raakten bij de gedachte aan voeding.
Terwijl hij wacht tot het water in de waterkoker kookt loopt hij door de schuur. Aan de dwarsbalken hangen cd’s, vreemde astrale objecten in dit semilicht, nu genegeerd door de mussen en spreeuwen die ze moeten buiten houden. Zo nu en dan vangen ze wat licht en voorzien de ruimte van een misplaatste kerstsfeer en hij denkt aan hoe zij ze ophing, aan haar andere provisorische uitvindingen, alsof ze een kind was dat modellen van de televisie maakte.
Een eenzame mot wordt door de wind naar binnen gedragen, botst tegen de kale peer boven de waterkoker, puntig, een dwarrelend stukje as tegen de witte gloeidraad, opgebrand papier, gevangen in de luchtstroom van een of ander vuur, onzichtbaar, onvoelbaar.
In het achterste hok stampt een ooi op de grond, de bovenlip opgetrokken als een paard. Hij heeft wacht, dus hij moet blijven tot ze lammert, hoewel hij weet dat dit Beulah-ras goede moeders zijn en meestal geen hulp nodig hebben. Hij weet dat ze er dicht tegenaan zit, dat het niet lang meer zal duren.
De waterkoker tolt mechanisch op zijn houder, spuwt stoom in het licht van het peertje en slaat af. Hij mengt de poedermelk en terwijl hij de brede kan op de plank laat afkoelen controleert hij de stallen, de vermoeide lammeren slaperig en gedwee onder de warmte van hun moeders, tilt de waterbakken uit hun houders en schept het drijvende hooi en de uitwerpselen die het water chromatografisch bevlekken eruit; en het geroffel van het vullen van de waterbakken verstoort het zachte gemaal van de sluimerende ooien niet, die erbij liggen alsof ze uitgeput zijn van het eten, iets wat kenmerkend voor ze is. En in deze stille nacht heeft hij een ogenblik het gevoel alsof iets onzichtbaars hem aanraakt, de tijdloosheid van het werk dat hij doet, alsof hij een man van ieder tijdperk kan zijn.”

 


Cynan Jones (Aberystwyth, 27 februari 1975)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

Tijd. Tijd

Ik moet eindelijk begrijpen
dat ik tijd heb.
Tijd voor de vogel op de borstwering
die met mij praat, in opdracht van.
Tijd voor de lampenvoet
waarin het licht van de aarde wordt gereflecteerd.
Tijd voor de kat op blauw fluweel
in het kleinste formaat aan de muur
geschilderd door Almut, toen beiden nog leefden.
Ook voor het schaap met de zwarte oren
de loensende ogen, de scheve muil en de
dorstige mond. Indiaans, heel eenvoudig, instructief.
Missen zal ik het in de komende eeuw.
Ik heb nog niet een stilzwijgend woord
met de gedroogde roos gewisseld, van waar en waarheen ook.
En het kalenderboek in zwart leer
met het gouden jaartal
gaapt elegant uitelkaar om me in en uit te laten.
Leren, tijd te hebben.
Leren, dat het te laat is.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 
Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor de schrijvers van de 27e februari ook mijn blog van 27 februari 2021 en ook mijn blog van 27 februari 2019 en eveneens mijn blog van 27 februari 2016 deel 2.

George Barker, Hermann Lenz

De Engelse dichter George Granville Barker werd geboren op 26 februari 1913 in Loughton, Essex. Zie ook alle tags voor George Barker op dit blog.

 

True Confession

2
The Church, mediatrix between heaven
And human fallibility
Reminds us that the age of seven
Inaugurates the Reason we
Spend our prolonged seniority
Transgressing. Of that time I wish
I could recount a better story
Than finding a shilling and a fish.
But memory flirts with seven veils
Peekabooing the accidental
And what the devil it all entails
Only Sigmund Freud suspects.
I think my shilling and my fish
Symbolised a hidden wish
To sublimate these two affects:
Money is nice and so is sex.

The Angel of Reason, descending
On my seven year old head
Inscribed this sentence by my bed:
The pleasure of money is unending
But sex satisfied is sex dead.
I tested to see if sex died
But, all my effort notwithstanding,
Have never found it satisfied.

Abacus of Reason, you have been
The instrument of my abuse,
The North Star I have never seen,
The trick for which I have no use:
The Reason, gadget of schoolmasters,
Pimp of the spirit, the smart alec,
Proud engineer of disasters,
I see phallic: you, cephalic.

Happy those early days when I
Attended an elementary school
Where seven hundred infant lives
Flittered like gadflies on the stool
(We discovered that contraceptives
Blown up like balloons, could fly);
We memorised the Golden Rule:
Lie, lie, lie, lie.

For God’s sake, Barker. This is enough
Regurgitated obscenities,
Whimsicalities and such stuff.
Where’s the ineffable mystery,
The affiancing to affinities
Of the young poet? The history
Of an evolving mind’s love
For the miseries and the humanities?

The sulking and son loving Muse
Grabbed me when I was nine. She saw
It was a question of self abuse
Or verses. I tossed off reams before
I cared to recognize their purpose.
While other urchins were blowing up toads
With pipes of straw stuck in the arse,
So was I, but I also wrote odes.

There was a priest, a priest, a priest,
A Reverend of the Oratory
Who taught me history. At least
He taught me the best part of his story.
Fat Father William, have you ceased
To lead boys up the narrow path
Through the doors of the Turkish Bath?
I hope you’re warm in Purgatory.

And in the yard of the tenement
– The Samuel Lewis Trust – I played
While my father, for the rent
(Ten bob a wekk and seldom paid),
Trudged London for a job. I went
Skedaddling up the scanty years,
My learning, like the rent, in arrears,
But sometimes making the grade.

Oh boring kids! In spite of Freud
I find my childhood recollections
Much duller now than when I enjoyed
It. The whistling affections,
All fitting wrong, toy railway sections
Running in circles. Cruel as cats
Even the lower beasts avoid
These inhumanitarian brats.

Since the Age of Reason’s seven
And most of one’s friends over eight,
Therefore they’re reasonable? Even
Sensible Stearns or simpleton Stephen
Wouldn’t claim that. I contemplate
A world which, at crucial instants,
Surrenders to adulterant infants
The adult onus to think straight.

At the bottom of this murky well
My childhood, like a climbing root,
Nursed in dirt the simple cell
That pays itself this sour tribute.
Track any poet to a beginning
And in a dark room you will find
A little boy intent on sinning
With an etymological lover.

I peopled my youth with the pulchritude
Of heterae noun-anatomised;
The literature that I prized
Was anything to do with the nude
Spirit of creative art
Who whispered to me: ‘Don’t be queasy.
Simply write about a tart
And there she is. The rest’s easy.’

And thus, incepted in congenial
Feebleness of moral power
I became a poet. Venial
As a human misdemeanour,
Still, it gave me, prisoner
In my lack of character,
Pig to the Circean Muse’s honour.
Her honour? Why, it’s lying on her.

Dowered, invested and endowed
With every frailty is the poet –
Yielding to wickedness because
How the hell else can he know it?
The tempted poet must be allowed
All ethical latitude. His small flaws
Bring home to him, in sweet breaches,
The moral self indulgence teaches.

Where was I? Running, so to speak,
To the adolescent seed? I
Found my will power rather weak
And my appetite rather greedy
About the year of the General Strike,
So I struck, as it were, myself:
Refused to do anything whatsover, like
Exercise books on a shelf.

Do Youth and Innocence prevail
Over that cloudcuckoo clime
Where the seasons never fail
And the clocks forget the time?
Where the peaks of the sublime
Crown every thought; where every vale
Has its phantasy and phantasm
And every midnight its orgasm?

I mooned into my fourteenth year
Through a world pronouncing harsh
Judgments I could not quite hear
About my verse, my young moustasche
And my bad habits. In Battersea Park
I almost heard strangers gossip
About my poems, almost remark
The bush of knowledge on my lip.

Golden Calf, Golden Calf, where are you now
Who lowed so mournfully in the dense
Arcana of my adolescence?
No later anguish of bull or cow
Could ever be compared with half
The misery of the amorous calf
Moonstruck in moonshine. How could I know
You can’t couple Love with any sense?

Poignant as a swallowed knife,
Abstracted as a mannequin,
Remote as music, touchy as skin,
Apotheosising life
Into an apocalypse,
Young Love, taking Grief to wife,
And tasting the bitterness of her lips
Forgets it comes from swabbing gin.

The veils descend. The unknown figure
Is sheeted in the indecencies
Of shame and boils. The nose gets bigger,
The private parts, haired like a trigger,
Cock at a dream. The infant cries
Abandoned in its discarded larva,
Out of which steps, with bloodshot eyes,
The man, the man, crying Ave, Ave!

 


George Barker (26 februari 1913 – 27 oktober 1991)

 

De Duitse dichter en schrijver Hermann Lenz werd op 26 februari 1913 in Stuttgart geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Lenz op dit blog.

 

Lieve tijd

Wat was het
In zijn geheel gezien?

Eeuwige wijsheid
Kunnen ze van jou niet verwachten.
Misschien heb je iets gemist.

Liefdesaffaires en reizen?
De gezichten van de landen?
Je hebt tenslotte veel gezien
Tussen Leningrad en San Francisco,
Echter onder ongemakkelijke omstandigheden,
Maar het maakt niet uit.

Ach, lieve tijd.

Je bent gelukkig als je ongehinderd
Ergens loopt of ligt,
Aan de rand van het bos bijvoorbeeld.

Bij heldere hemel, een blik in de verte.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Hermann Lenz (26 februari 1913 – 12 mei 1998)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e februari ook  mijn blog van 26 februari 2022 en ook mijn blog van 26 februari 2019 en eveneens mijn blog van 26 februari 2017 deel 2.

Michiel Stroink, Björn Kuhligk

De Nederlandse schrijver Michiel Stroink werd geboren in Oss op 19 februari 1981. Zie ook alle tags voor Michiel Stroink op dit blog.

Uit: Of ik gek ben

“Na het ontbijt moeten ree aan het werk. Iedere patiënt heeft een werkplek. De Regenboog heeft een professionele houtwerkplaats, er is een metaalwerkplaats en er wordt verf gemengd. Sommige bewoners hebben schoonmaakdienst, volgen een opleiding, werken in do keuken of in de tuin. Ik werk in de tuin en samen met Grover wandel ik zo langzaam mogelijk naar onze werkschuur. De tuin is niet zomaar een tuin. We hebben een grote binnentuin in de zomer als een gezellig, doldwaas speelparadijs fungeert. Compleet met vijver, twee grasheuvels en een tafeltennisgebied prijkt hij als een paradepaardje op de homepage van de website van de kliniek. Center Parel schijnt jaloers te zijn. We onderhouden de sierruin, maar we verbouwen ook groente en Wit. Met onze kas zijn we bijna een zelfvoorzienende gekkenbiotoop. Ongeveer dertig rasidioten beginnen elke ochtend met het verdelen van de taken. Grover en ik bieden aan om het grasveld van de binnentuin in orde te maken. ‘Opkomen voor je groepsgenoten’ heet dat officieel; ‘lummelen met een hark en een sigaretje’ heet dat officieus. Langzaam strompelen we mm een kruiwagen en wat interessant uitziend tuingereedschap door de sneeuw naar het verbrande stukje gras. Grover is een poezelig, oud, tandeloos koekiemonster. Zijn bijnaam is uitstekend gekozen, want hij ie absoluut een bepaalde combinatie van die twee Sesamstraatfiguren en daar lijkt hij ook trots op te zijn. Hij was dertig jaar lang de directeur van een van de grootste koeriersdiensten van Nederland. Het was zijn eigen bedrijf rel hij had het van de grond af opgebouwd. Hij bestuurde bet eerste busje, en uiteindelijk bestuurde hij de bestuurders van ruim vijftig vrachtwagens. Hij hield van hard werken. Nu houdt hij van koffiekoeken en shag. Grover werkte ongeveer negentig uur per week tot er op een dag iets knapte in zijn hoofd. Hij begreep niet meer dat zijn werknemers hun eigen gedachten hadden, of een ander idee van werken, en toen hij op een nacht, tijdens zijn zesenveertigste welverdiende en pikzwarte koffie, geconfronteerd werd met een veeleisende chauffeur, ontstond er een tijdelijke kortsluiting in zijn hersenen. Met eenzelfde soort schop als die hij nu in zijn handen heeft, rende hij op de chauffeur af. Die verdedigde zich en sloeg nog flink wat tanden van Grover aan gruzelementen, maar kon niet voorkomen dat de schop uiteindelijk in zijn maag belandde.”

 


Michiel Stroink (Oss, 19 februari 1981)

 

De Duitse dichter en schrijver Björn Kuhligk werd geboren op 19 februari 1975 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Björn Kuhligk op dit blog.

 

Horizonbeschouwer

Hier is een bos
daar zijn de bomen
daarin zitten de ringen
daarin slaapt de angst

jij slaat toe met de bijl
en drinkt de harssteen mee

en het lievelingsdier
dat is de aap in de dierentuin
die kun je bezoeken
en hij jou niet

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Björn Kuhligk (Berlijn, 19 februari 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e februari ook mijn blog van 19 februari 2019 en eveneens mijn blog van 19 februari 2017 deel 1 en ook deel 2.

Richard Blanco, Stacie Cassarino

De Amerikaanse dichter en schrijver Richard Blanco werd geboren op 15 februari 1968 in Madrid. Zie ook alle tags voor Richard Blanco op dit blog.

 

Mexican Almuerzo In New England

for M.G.
Word is praise for Marina, up past 3: 00 a.m. the night before her flight, preparing and packing the platos tradicionales she’s now heating up in the oven while the tortillas steam like full moons on the stovetop. Dish by dish she tries to recreate Mexico in her son’s New England kitchen, taste-testing el mole from the pot, stirring everything: el chorizo-con-papas, el picadillo, el guacamole. The spirals of her stirs match the spirals in her eyes, the scented steam coils around her like incense, suffusing the air with her folklore. She loves Alfredo, as she loves all her sons, as she loves all things: seashells, cacti, plumes, artichokes. Her hand waves us to circle around the kitchen island, where she demonstrates how to fold tacos for the gringo guests, explaining what is hot and what is not, trying to describe tastes with English words she cannot savor. As we eat, she apologizes: not as good as at home, pero bueno… It is the best she can do in this strange kitchen which Sele has tried to disguise with papel picado banners of colored tissue paper displaying our names in piñata pink, maíz yellow, and Guadalupe green- strung across the lintels of the patio filled with talk of an early spring and do you remembers that leave an after-taste even the flan and café negro don’t cleanse. Marina has finished. She sleeps in the guest room while Alfredo’s paintings confess in the living room, while the papier-mâché skeletons giggle on the shelves, and shadows lean on the porch with rain about to fall. Tomorrow our names will be taken down and Marina will leave with her empty clay pots, feeling as she feels all things: velvet, branches, honey, stones. Feeling what we all feel: home is a forgotten recipe, a spice we can find nowhere, a taste we can never reproduce, exactly.

 

We’Re Not Going To Malta

because the winds are too strong, our Captain announces, his voice like an oracle coming through the loudspeakers of every lounge and hall, as if the ship itself were speaking. We’re not going to Malta- an enchanting island country fifty miles from Sicily, according to the brochure of the tour we’re not taking. But what if we did go to Malta? What if, as we are escorted on foot through the walled ‘Silent City’ of Mdina, the walls begin speaking to me; and after we stop a few minutes to admire the impressive architecture, I feel Malta could be the place for me. What if, as we stroll the bastions to admire the panoramic harbor and stunning countryside, I dream of buying a little Maltese farm, raising Maltese horses in the green Maltese hills. What if, after we see the cathedral in Mosta saved by a miracle, I believe that Malta itself is a miracle; and before I’m transported back to the pier with a complimentary beverage, I’m struck with Malta fever, discover I am very Maltese indeed, and decide I must return to Malta, learn to speak Maltese with an English (or Spanish) accent, work as a Maltese professor of English at the University of Malta, and teach a course on The Maltese Falcon. Or, what if when we stop at a factory to shop for famous Malteseware, I discover that making Maltese crosses is my true passion. Yes, I’d get a Maltese cat and a Maltese dog, make Maltese friends, drink Malted milk, join the Knights of Malta, and be happy for the rest of my Maltesian life. But we’re not going to Malta. Malta is drifting past us, or we are drifting past it- an amorphous hump of green and brown bobbing in the portholes with the horizon as the ship heaves over whitecaps wisping into rainbows for a moment, then dissolving back into the sea.

 


Richard Blanco (Madrid, 15 februari 1968)

 

De Amerkiaanse dichteres en schrijfster Stacie Cassarino werd geboren op 15 februari 1975 in Hartford, Connecticut. Zie ook alle tags voor Stacie Cassarino op dit blog.

 

In de keuken

Het is net voordat je wegrijdt:
onze ledematen nog warm van de slaap,
koffie die pruttelt, de noordenwind, je heupen die me
hard tegen de tafel drukken. Ik vind hard leuk
omdat ik dit moet onthouden.
Ik wil harder zeggen. Hoe we
moeten kijken naar de weg die verdwenen is,
naar de uitgespreide ochtend van koude
boter en onverbeterlijke hebzucht.
Licht komt en gaat in het veld.
Sinaasappels in een kom, knoflook, radio.
In het verhaal van ons wint niemand.
Isolatie is een nieuw thema
zegt iemand. Inmiddels
heb ik je uitgevonden. De meeste mensen
houden er niet van dode dingen aan te raken.
Dat is wat mijn vriend me vertelt
als ik mijn vis op de grond vind.
Hij moet eruit hebben gewild.
Soms maakt mijn verlangen me bang.
Soms kijk ik naar voetbal
en denk: vier kansen
is genoeg om er te komen. Maar
we hebben geen helmen.
Ik wil harder zeggen,
ik kan er tegen, maar
er is geen bewijs dat ik het kan.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Stacie Cassarino (Hartford, 15 februari 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e februari ook mijn blog van 15 februari 2019 en ook mijn blog van 15 februari 2015 deel 1 en eveneens deel 2.