Wir haben ein Bett, wir haben ein Kind, mein Weib!
Wir haben auch Arbeit, und gar zu zweit, und haben die Sonne und Regen und Wind. Und uns fehlt nur eine Kleinigkeit, um so frei zu sein, wie die Vögel sind: Nur Zeit.
Wenn wir sonntags durch die Felder gehn, mein Kind, und über den Ähren weit und breit das blaue Schwalbenvolk blitzen sehn, oh, dann fehlt uns nicht das bißchen Kleid, um so schön zu sein, wie die Vögel sind: Nur Zeit.
Nur Zeit! Wir wittern Gewitterwind, wir Volk. Nur eine kleine Ewigkeit; uns fehlt ja nichts, mein Weib, mein Kind, als all das, was durch uns gedeiht, um so kühn zu sein, wie die Vögel sind. Nur Zeit!
Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920) Gedenksteen voor Richard Dehmel in zijn geboorteplaats Hermsdorf
Voorwaar, wij leven En leven niet slecht In het Europese deel van Duitsland Maar Goethe werd al naar het zuiden gedreven Winckelmann droomde van Athene Reizend over de modderige wegen Tussen Bückeburg en Berlijn Een keer de grensrivier over het stroomgebied Eindelijk voor ogen de andere zee Dat is het leven
Stiekem in de schaduw van de bakstenen kathedralen Broeden wij een afstand uit Noordkaap Noord-Afrika Normandië Reizende boetelingen in dobbelbekers Onder onze verlangende blik Welft zich de hemelkoepel wiegen de velden Roepen de raven bij Stalingrad
Zwaar klontert de aarde Aan onze voeten Verhindert onze terugkeer naar huis Wij verwarmden ons liever aan jullie vuur Luisterden naar de liederen Naar het lachen van vrouwen Herder was een Duitser het Slavische volk- hoofdstuk Met verbazing lezen onze buren het: Onze ziel woekert richting het oosten
Maar in het zuiden wordt het woud dunner Hier bouwden vreemdelingen Waar wij van droomden”
De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.
Uit: Alles echt gebeurd
“Thans ben ik 371/2 jaar in leven. `Veel meegemaakt.’ Veel veroorzaakt, veel ondergaan, – oorlog en vrede, liefde en dood. Nergens thuis en toch het lichtje in de verte wel gevonden. Verdwaald en toch het spoor van broodkruimpjes wel weer aangetroffen. Eenzaam en toch bijtijds weer op het schootje kunnen klimmen. Wie nu geen huis heeft, hoeft er ook niet meer aan te beginnen. Wie nu er blijk van geeft nog altijd niets te hebben geleerd, die moet maar dom blijven. Dit is het midden mijns levens, de zomer van mijn bestaan. Al mijn knopjes zijn opengebroken, ik sta volop in de bloemen, ik verspreid een geur waarvan men zegt wel wel, ik bloei me te barsten. Ben ik gelukkig? Mij dunkt, dat is wat anders, al ben ik de laatste jaren niet ongelukkig. Ik mag niet mopperen, ten slotte, en ik mag wel dankbaar zijn ook, uiteindelijk. Lichamelijk en psychisch behoor ik tot wat gangbaar is. Ik hoef mij niet gezeten in een wagentje of hangend tussen krukken voort te bewegen. Ik heb niet een ijzeren haak in plaats van een hand. ik ben niet astmatisch, slechthorend, kleurenblind, scheel, tandeloos, voor mijn jaren kaal. Ik word niet ontsierd door wratten, wijnvlekken, een bochel, een dwerggestalte. Ik lijd niet aan strotstank. ik ga zonder medicijnen door het leven. Ik ben precies zoals het moet en alles functioneert naar behoren. ‘Mooi’ ben ik niet. Ik ben bijvoorbeeld nogal lijvig. Geestelijk: – geen greintje gekte. Niet fobisch, niet neurotisch, niet psychotisch. Beetje bang in het donker, soms een beetje paranoia, soms wat angst bij sociaal verkeer. Nu en dan de angstdroom, nu en dan het apocalyptisch visioen. Niks aan de hand. Dankzij het feit dat ik ben ‘aangepast’ vorm ik geen gevaar op de weg. Ik ben niet verslaafd aan geestverplaatsende vochten of dampen, niet moordlustig, niet zwakbegaafd. Ik ben geen perverserik en geen maniak. Paranormale gaven bezit ik niet. Karakter: – zeer aimabel. Niks geen slechtigheid aan mij te bespeuren, attent en beleefd, geen vlieg kwaad. Wel cholerisch, niet rancuneus. Neiging tot sentimentaliteit. ‘Rouw. Sterrebeeld: Stier. Verdediger en koesteraar van de eigen plek. Waar ik woon plant ik een boom. Grote orde op zaken, afspraken worden nagekomen, man van de klok, leesbaar handschrift. Kunstminnend, maar uitermate kritisch. Zo gangbaar ben ik dus, en ook overigens heb ik geweldig geboft. ik ben van het blanke ras. Ik ben van het mannelijk geslacht. Ik ben geen homoseksueel. Ik ben geen jood. ik woon (weer) in Nederland. De middelbare jaren stap ik lachend tegemoet. Op feestjes draag ik mijn speelpakje, bij de barbecue-party mijn blazertje, bij meer plechtige vertoningen mijn strakke pak met vest en stropdas. Haar knippen vindt op tijd en stond plaats. Zelfs een snor laat ik niet groeien, zelfs een zonnebril zet ik niet op als de zon niet schijnt. ik zou graag in een knalgele auto rijden, maar ik rijd in een decent blauwe. De zestiger jaren zijn voorbij, mijn jeugd is ook voorbij. Thans ben ik bang om op welke wijze dan ook er anders uit te zien, of mij anders te gedragen, dan gangbaar is en ‘normaal’ wordt gevonden. Mijn angst voor niet-normaalheid. Ik weet waar die wortelt.”
Jeroen Brouwers (30 april 1940 – 11 mei 2022)
De Duitse dichteres en schrijfster Ulla Hahn werd geboren op 30 april 1946 in Brachthausen. Zie ook alle tags voor Ulla Hahn op dit blog.
Voorgeschreven
Dit verlangen om je bij je naam te noemen Deze angst om je bij je naam te noemen
Dit verlangen om woord te houden Deze angst slechts woord te houden
Dit verlangen naar een leven dat geen gedicht wordt Deze angst voor een gedicht dat op een leven vooruitloopt.
Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen: je kunt hier ronduit niet in alle ruwheid naar binnen gaan. Vreemd, ik kan jullie helemaal niet horen, omdat ik zo schreeuw, waarschijnlijk. Ik draag mijn toorn als een hertengewei Ik heb de ruimtes waar moois gebeurde heuphoog met bouillon laten vollopen, ik heb de fluit overblazen, de posthoorn, tegen het mondstuk sprongen mijn lippen open. Ik woedde, ik woed. Ik rookte, ik rook. Ik zing, scherts, kus, slaap. Ik staarde en staar in het wit. Ik heb liederen in me en een zeis. Het is Schluss, zegt de zeis me. En alsof het donkerder en helderder is, verschijnt het verwoeste dorp. Door de afgrond van mijn ziel trekt een kudde. Waar is de fluit dan? Weet ik niet. Verkneukelend vee graast op verrotte weides a a a akelige klaver. Morgen wordt het zelf geslacht, gevild, afgeknaagd, ingemaakt, verkondigt de zeis. Niemand gelooft hem hoewel niemand hem weerspreekt. Het is de op zijn kop gezette, van boven tot onder vervuilde idylle. Het schijnt dat het einde van de lieftalligheid gekomen is. Hier moet ik helaas afsluiten. Van harte het beste wenst je maagd je toe. Watch me explode.
De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Robert Anker werd geboren in Oostwoud op 27 april 1946. Zie ook alle tags voor Robert Anker op dit blog.
Het glas
De vrede vliegt te pletter op het glas van de volksgezondheid de salarisschalen de huisvestingsvooruitzichten het democratische gehalte van onze onmin de nieuwe natuur.
Oorsuizingen? Hersenletsel? Oude natuur? De vrede vindt de moker die hij nooit is kwijtgeraakt.
Achter het glas het woeden van de vrijheid.
Vergeetkist
Ik vond in de beroemde boekenkist op zolder Een telefoonboek waar jouw naam nog in stond Snel dichtgeklapt maar zoals de snelle stofjes Die ontsnapten aan het zonlicht zo kolkten Mijn gedachten om je stralende naam en om Je gapende gestalte waar die zijn kon In de tijd en natuurlijk heb ik toch nog Snel je nummer ingetoetst en een kind nam op En of het door dat kind kwam dat ik plotseling
Trok ik uit dezelfde boekenkist te voorschijn Het busboekje van toen mijn moeder nog haar tijd Geheel bewonen moest en die ze moest bereizen Met de bus die langs dorpsweg en binnendijk Trillen doverhellend stoppend voor een geit Leer en dieselolie hoofdpijn verspreidend – O al die tijden en daartussen al die lijnen Alles wat beschreven was en dan verdwijnt
Heimwee naar Carmiggelt
De man zat met moe haar op een bank in de herfst zei hij dof zei hij eenvoudig. Ik ben niet ostentatief ongelukkig ik draag mijn zelfspot als een zijden harnas riep hij hield hij vol. Ach je knoeit wat je rommelt wat en je hebt je rust je levensavond. Anna heette ze wist ik nu gehuld in een mooie gave neurose een fineer van droefenis over haar stem een lichtbruin korstje op haar stem bloemen gezellig voor als je ontevreden bent of sad. Ik op een paaltje? Ik was lid van het Concertgebouw nu rielèks ik rielèksen daar gaat het om dat wel natuurlijk zei de kastelein laf een wat schemerige man een heerachtige verschijning een losse jongen men schreef een goudbruine namiddag in december. Daarom heeft die verongelijkte uitdrukking zich metterwoon op mijn gezicht gevestigd zei hij filosofisch heeft u ooit intensief samengehangen met schertsartikelen vroeg hij getoucheerd vroeg hij vriendelijk verweesd nee maar dat vind ik nou leuk sprak de kastelein moedeloos en loosde onafgebroken levensbloesem.
Het aanbiddingsgebaar uit vier oceanen in de middag. Waar het water ophoudt, beginnen de glinsteringen – Weefsels van de huid. Nu al beginnen daar Maskers te groeien: van timide zachtheid, Onstuimig als jagende haviken, op te leiden voor Koorddansertrucs omdat het leven niet gemakkelijker wordt. Nog ligt alleen ’s nachts de naar-bed-gaan-drang Zwaar op de maag. Tot nu. In de ochtend spelen Fijngevoelige pruilmondjes: teleurgestelde lankmoedigheid, naïeve Vertwijfeling. Dan (sic!) deelt de lucht zich in tweeën Uit louter ongenoegen: tussen twee Schreeuwers oogst de spreker een glimlach. Een Ogenblik lang lijkt het geluk tastbaar.
vor 13.8 milliarden jahren, im ersten milliardstel eines milliardstels eines milliardstels einer milliardstel sekunde blähte sich unser universum um das zehn-billionen- billionen-fache auf: von subatomaren dimensionen zu der größe eines fußballs, so sagt man im april des jahres 2014. in diesen urknallball war unsere liebe schon eingraviert, aber vorher noch sonnen planeten und monde, das ganze schwerkraftding musste sich einschaukeln, liebes, das dauert ein bisschen. auch unsere kugel, aus sternenstaub zusammengepappt war nicht gleich fest; doch irgendwann zellen unter wasser: einzelne, tänzelnde, noch unsterbliche gebilde .. ewige teilungen, plasmaeinschnürungen: aus eins wird zwei ohne rest. erst später zusammenkünfte vielzellereien, die erfindung der leiche: volvox die kugelalge, muss als erste dran glauben ihr körper gesprengt bei der geburt ihrer töchter. überall leichen! – aber pflanzen behalten immer die nerven, liebes, nicht wahr .. ganz anders als wir. überhaupt PFLANZEN! ohne sie keine liebe. wie göttliche diener verschenken sie zucker und luft. tiere erscheinen: fische und saurier, mollusken und vögel, kiemen und lungen, die erste milch die aus den zitzen tropft, die ersten säuger: unauffällige kleingewachsene, huschende objekte .. und auch wir mussten erst in form gebracht werden liebes: affen und menschen, milliarden von menschen, lucy und ötzi, immer wieder zerlegt nach wenigen jahren von bakterien und pilzen (in einer handvoll erde oder in deinem wunderschön geschwungenen mund leben mehr bakterien als jemals menschen auf dieser welt herumspaziert sind, so sagt man im april des jahres 2014) schließlich wir: mit großen gehirnen, kaum fell trinken milch und wachsen heran, fast ohne instinkte: wir lernen und lernen, überleben und finden uns schließlich, erkennen uns schließlich mitten in der nacht, auf einer straße in münchen, unter zerschossenen laternen und fühlen uns plötzlich – unerklärlicherweise albernerweise – unzerstörbar und lachen und unser lachen rast um die sonne, du weißt schon wie wahnsinniger, glücklicher staub ..
kleine retabel I
1
als we onze ogen openen, komt er een lichtflits binnen dringt door transparante huiden, wrongel, raakt in een donker bedraad netwerk
gezichtspurpur stuift
de eerste contouren van deze wereld: een gegeven paard met glanzende manen en rotte tanden
geel en oud
dan een scheur alsof cadeaupapier scheurt zodat men huilt
zonder te weten dat men huilt
en schreeuwt… totdat je de stem opvangt die neuriet… nog steeds heel vertrouwd uit hartverscheurende tijden
en rust stroomt binnen.
2
verdrijf je de angst uit een of ander gat in je hoofd blijft hij als een teek stilletjes over je schedel kruipen en kondigt de vrijlating aan als een dronken ezel, en boort een nieuw gat een nieuwe wirwar van gangen in je, nog dichter bij jouw limbische graal, nog dichter bij jouw heilige systeem, nog dieper nog krachtiger in het onthoofden van jouw ezel.
en toch is er een soort bloem waar je nog steeds blij van wordt een soort dier dat bij je ligt en je verwarmt een gedachte die stilhoudt en je tegenhoudt in jouw wanhopige magie, een soort wolk die fluistert … voor een kort moment.
3
kalmeer, adem rustig, ik weet dat jouw bange hart raast, je rode libel, je denkt dat je stikt, maar kalmeer je hebt lucht in je, meer dan je denkt, meer dan je denkt jouw uitgeschakelde hoofd schreeuwt, maar ik raad je aan: zing zing en verwonder je, verwonder je over de lucht die jou verlaat en naar jou terugkeert als een hond, of zoals al jouw honden, zij, die al overleden zijn, zij, die nog bij je liggen in jou, zonder dat je het merkt, in een wolk van vacht .. je vraagt wie er spreekt? Ik ben jouw wolk uit niets: ik hoor bij jou, elke seconde, en ik hoor bij iedereen elke seconde, elke seconde kalmeer ik ieder bang molecuul van deze wereld, elk vals alarm van deze wereld, elke afzonderlijke overgang, en ook jou –
“Van de zoogenaamde beweging van tachtig sprekende, is het allereerst noodig te begrijpen, dat zij niet zoo maar uit de lucht kwam vallen. Na de vrijwording van het verstandelijke, die in de Gidsbeweging van 1837 culmineerde, na de emancipatie van het zedelijk gevoel die in de Multatulifiguur haar uiterste grens bereikte en in hem een latere, maar zeer echte Hollandsche romantiek bracht, was er nog maar één laatste en definitieve loswikkeling uit het gemeen verband mogelijk, n.l. die der zinnen, der zuiver individueele, persoonlijkeigen gewaarwordingen van het stoffelijk leven. In de andere Europeesche landen had deze evolutie, die in wezen een individualistische was, reeds langs plaats gehad en wel aan den uitgang van het romantische tijdperk, toen eindelijk het individueel gevoel het individueel verstand dorst te aanvaarden en als complete persoonlijkheid zich zelf te zijn. En die wedergeboorte bracht een dubbel gevolg mede. Het versterkt zelfbesef was of werd tot verhoogde vitaliteit, tot levenslust, levenskracht. Het individu ging zich machtig en belangrijk voelen, een middelpunt en beheerscher des levens. Of het versterkt zelfbesef bracht een gevoel van vereenzaming mee, door het zich onherroepelijk gescheiden en vervreemd weten van andere individuen. En verder een sensatie van kleinheid en nietigheid in een eindelooze, onbeperkte wereld. Dat leidde dan tot pessimisme, menschenhaat, levensmatheid, levenswanhoop. De noorsche schrijvers vooral hebben deze phase der individualistische renaissance tot uiting gebracht, die dan meest weer een zedelijk karakter draagt. Maar in Frankrijk doet zich de diepere en krachtiger bewustwording van het eigen-ik vooral gelden in verhoogde vitaliteit, dierlijken levenslust, en het naturalisme in de kunst is er klaarblijkelijk gevolg van, al werken ook nog vele andere factoren tot het ontstaan van deze kunst-strooming mede. Het naturalisme is tenslotte niet anders dan de belangstelling in de uiterlijke, stoffelijke wereld, ongeveer als bij de natuurwetenschapsmenschen. Die belangstelling duidt op ontvankelijkheid, verhoogde gevoeligheid voor zinsindrukken, allereerst van den individueelen zelfstandiger levenden mensch. En die verhoogde ontvankelijkheid verinnigde en vergeestelijkte tot een brandende belangstelling, een liefde tot dat uiterlijk leven, waarvan men nu alles begrijpen, meevoelen, omvatten wil. Er is dan geen plaats meer voor moreele onderscheidingen van goed en kwaad. Alles schijnt even belangrijk, enkel omdat het leven is, deel van dat bekorende, geheimzinnige, duizendvoudig, verbijsterend wisselende, zich steeds veranderende en vernieuwende, dat wij leven noemen.”
Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936) Portret door Ferdinand Hart Nibbrig, 1894
In de regen danst de naakte oude vader; hij zal nat worden. ’t Is een lichte regen, maar hij kan niet alle druppels ontwijken.
Hij zingt een lied, maar de taal is mij vreemd. De moeder telt haar geld als een gek, in de zon. Als schietspoelen vliegen haar vingers, en de som is duidelijk astronomisch. Haar adem is zoet als gekneusde viooltjes, en haar glimlach zwaait als narcissen, weerspiegeld in een beek.
Het lied van de vader vertelt hoe hij het eindelijk begrijpt. Daarom is de taal mij vreemd.
Daarom zijn klokken over het hele continent blijven stilstaan.
Het geld dat de naakte oude moeder telt, zijn haar gouden herinneringen aan liefde. Daarom zie ik niets in haar maniakaal drukke vingers.
Daarom zijn alle vluchten vanaf Kennedy Airport geannuleerd.
Hoe erg ik het ook vind, ik moet de politie inschakelen. Voor hun eigen bestwil, maar ook voor dat van de samenleving, moeten ze onder toezicht worden geplaatst.
Ze moeten leren in hun graf te blijven. Daar zijn graven voor.
Vertaald door Frans Roumen
Robert Penn Warren (24 april 1905 – 15 september 1989)
“Van Duinkerken was een vriend uit duizenden, die duizenden vrienden had en daarom ben ik des te dankbaarder, vooral bezien in het licht van hetgeen ik hierboven schreef, voor de steun die ik van hem heb ondervonden. Want, eigenlijk had hij wel wat anders te doen. Hij moest in het Besiendershuys de Gemeenschap van Beeldende Kunstenaars Nijmegen gaan voorhouden dat de stichting van een nationaal cultuurfonds voor de kunstenaars noodzakelijk was (10 april 1959), daarbij het hele orgel van zijn cultuurhistorische kennis met welbehagen bespelend. Of hij toog naar het Nijmeegse stadhuis (30 januari 1960): de leden van de vereniging tot beoefening van Gelre’s geschiedenis, oudheidkunde en recht, kregen er het naadje van de kous te horen over een Nijmeegse dichter uit de zeventiende eeuw, Johan van Someren – zeven jaar later liet hij de verenigde neerlandici met deze syndicus op wandel gaan, in gematigd tempo, want de syndicus was ‘een tamelijk luie man’. En wie zou beter dan Van Duinkerken de groenen kunnen toespreken tijdens hun introductiedagen op de Lage Hoenderbergh? Of hij moest in Atlanta de spreker van de Amitiés Catholiques Françaises inleiden en uitluiden, want elk ontviel in zijn aanwezigheid het spraakvermogen. Onverbiddelijk de beste spreker, wist hij zich feilloos aan te passen aan het gezelschap dat hij toesprak. Dat is tenminste mijn ervaring gedurende de periode van drie, vier jaar, dat ik er als journalist nogal eens op uit moest om Toon te verslaan. Wat mij het meest in hem heeft getroffen, was, dat hij zijn drukke bezigheden wist te combineren met een intense aandacht voor zijn vrouw en kinderen. Ik herinner mij levendig een carnavalsfeestje in de Regentessestraat waarbij Van Duinkerken op het hoogtepunt van de herrie uiterst beminnelijk en met de grootste vanzelfsprekendheid om stilte verzocht, teneinde een van de jongere kinderen de gelegenheid te geven een zeer serieus pianostukje tot een goed einde te brengen. Het was of men zich in de nabijheid van een levenscentrum bevond, waarvan de warmte op elke bijstaander oversloeg. Als je hem en zijn vrouw samen zag, zonder anderen, was dit gevoel misschien nog sterker. Toen ik eens, op een heldere voorjaarsmiddag vanuit het instituut aan de Muchterstraat naar Lent was gefietst om er op het terras van Het Witte Huis een pilsje te vatten, kreeg ik onverwacht gezelschap van het echtpaar Asselbergs dat zich bij mij aan tafel onder de bomen zette en er een uur lang bleef uitrusten van de wandeling over de Waalbrug. Het was een verkwikkend uur, waarvan ik mij geen frase meer herinneren kan, maar wel een intense prilheid en intimiteit in vlekken zonlicht en schaduw, die door geen auto op de rijksweg naar Arnhem gestoord konden worden.”
Wam de Moor (18 april 1936 – 12 januari 2015)
De Libanese dichteres, journaliste en vertaalster Hanane Aad werd geboren op 18 april 1965 in Beiroet. Zie ook alle tags voor Hanane Aad op dit blog.
Het Kind van de Tijd
De Tijd wordt nooit moe te luisteren, wacht er altijd op om genoeg van ons te krijgen, zodat, ook hij, kan zijn. De Tijd roept mij altijd: “Mijn kleine kind!” en vertelt me dat hij niets anders is dan een leegte zonder mijn magische dans aan de poorten van het moment. Hij fluistert in mijn oor dat zijn bloed gekoeld wordt in mijn aderen.
Ik ben het kind van de Tijd, ik zeg: de Tijd smaakt naar de lekkerste wijn wij drinken hem en hij drinkt ons wij en de tijd wachten samen op onze dronkenschap tot de engel van verdraagzaamheid volkomen onbevangen ons melancholische voorhoofd kruist.
Waar e elkaar weer zagen Per toeval hetzelfde moment, dezelfde plek Je rode haren steeds dichterbij Want ik zie steeds slechter
Zo diep kan ik blijkbaar gaan Want mijn liefde voor jou is groter dan onze zee van afstand
Op de dagen dat ik je zie En alles wat daar nog buiten gaat liggen In de regen in de zon De liefste vervloeking voor altijd houden
Vincent Corjanus (Zwolle, 17 april 1995)
De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.
Brandnetelbloem
Het kleine tuinpaviljoen Verloor ramen en deuren. De zwaluwen vliegen er doorheen Alsof het er niet meer is Vleermuizen slapen door het leven ondersteboven aan de nok. Er steken zeisen en vorken in het zand Van de opgeloste verkruimelde cementvloer.
“De afgelopen week hadden Graham McKinley Jr. en zijn broer Maurice (`Ugh, die eikels,’ zei Luana altijd over hen, iets waarover Ralph het volmondig met zijn vrouw eens was) vanaf de poort in het hek en het naastgelegen generatorhuisje stroomkabels van enorme haspels gerold, uit het zicht in het struikgewas. Krachtstroom, natuurlijk. Hun overbuurman Marc Wachowski had geholpen met de aankleding. Meer dan driehonderd ledlichtbakken waren op tactische posities links en rechts van het pad geplaatst, kalm oplichtend op het ritme van de meditatieve soundscapes uit evenzoveel speakers, alle in regenwerende behuizing Ze hadden vanaf de poort systematisch dieper het bos in gewerkt in de richting van de rustplaats (de ‘executieplaats’ noemde Maurice McKinley die steevast; ‘Een van de redenen,’ zo zei Luana, ‘maar beslist niet de enige, van zijn eikelschap.’) Tot slot hadden ze de meer dan twaalfhonderd elektrische windlichten uit het depot in clusters aan takken opgehangen. Het resultaat was magisch: tot de plek waar de South Sunday Trail doodliep was het een drie kilometer lange reis door roze, blauw en groen feeëriek licht, zinderend op de repetitieve klanken van de muziek. Als je je ogen toekneep kreeg je de indruk je door een tunnel te begeven vol dwaallichten. Ralph merkte dat zoveel twinkellichtjes bij elkaar de eigenschap bezaten je zintuigen voor de gek te houden. Bijna hoorde je de stromende regen niet meer. Bijna zag je niet meer de grimmige, kale novembertakken die als skelettenhanden deinden aan de rand van je gezichtsveld, of wat net daarbuiten scharrelde. Bijna vergat je de stank van keldervocht en kreupelrot. Ze vormden een processie van zes. Ralph en Harry Aikman droegen de ouderwetse palankijn aan lange stokken, waarop ze mevrouw Olsen Dickinson in haar overdekte zetel hadden gehesen. Harry liep voor, Ralph achter. Zwaar was het niet: de vrouw was uitgemergeld. Maar het terrein liep heuvelopwaarts en was niet eenvoudig, en de regen verkleumde bovendien zijn blote handen om de stokken. Harry’s vrouw Elizabeth trippelde als een trouw, klein hondje naast de zieke, maar het nauwe pad dwong haar steeds uit te wijken om dikke boomstammen heen of door kniediep kreupelhout en ze was al eens uitgegleden. Juliette McKinley, de duldbare zus van de onduldbare broers McKinley, liep voorop met een lantaarn. Haar vrouw Olivia Davis sloot de optocht af en Ralph kon haar nerveuze ademhaling horen. Olivia woonde pas drie jaar aan Bird Street en voelde zich duidelijk niet op haar gemak. Ralph kon het haar niet kwalijk nemen. Ann Olsen Dickinson was een gezonde zestiger geweest, tot ze in 2019 werd gediagnosticeerd met baarmoederhalskanker. Aanvankelijk leek de operatie en de daaropvolgende radio- en chemotherapie aan te slaan en Ann waren nog twee relatief goede jaren gegund, weliswaar onder de beperkingen van de pandemie. Maar afgelopen september waren uitzaaiingen ontdekt in haar lymfeklieren en longen en kreeg ze de mededeling dat behandeling alleen nog symptomen kon verlichten. Haar tijd iets kon rekken. Hoe de buren van Bird Street dit wisten?”
Thomas Olde Heuvelt (Nijmegen, 16 april 1983)
De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.
Bomen lezen
De regen valt in het grondwater een ander nut heeft hij in de winter niet, tenzij ik hem in verband breng met dennen en sparren van deze noordelijke bomen wordt het stof van bloemen en paden nu grondig afgewassen. De stammen trekken aan mij voorbij (dat is overdreven: ik loop langs het pad) de bomen zijn letters, ik beweeg als op papier, sla moeizaam de tussenruimte over, struikel een teken neer dit is naaldbos geen ondergroei, alles transparant van regel tot regel, de grond vol sneeuw die komt uit de regen, papierwit een vreemde groep bomen duidelijk uit het buitenland (zo groeit het hier niet) dringt naar voren, ik loop er met langzame stappen omheen: zes bomen de eerste het grootst, dat zou een scheepsmast zijn, stijgt op naar de onzichtbare hemel, erboven een mistsliert, rook van een stoomboot de bomen liggen afgemeerd, hun scheepsklok wijzer springt op het hele uur een gekraak ik ben niet bang, ja dat zijn schoten! nu gaan we vooruit oorlogsverklaring aan boven, neer met domheid uitbuiting, honger, rood schijnt mijn woord met mij een bos!, Majakovski speelt op zijn ruggengraat fluit Ik lees: Aurora.
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.
Weekend Glory
Some clichty folks don’t know the facts, posin’ and preenin’ and puttin’ on acts, stretchin’ their backs.
They move into condos up over the ranks, pawn their souls to the local banks. Buying big cars they can’t afford, ridin’ around town actin’ bored.
If they want to learn how to live life right they ought to study me on Saturday night.
My job at the plant ain’t the biggest bet, but I pay my bills and stay out of debt. I get my hair done for my own self’s sake, so I don’t have to pick and I don’t have to rake.
Take the church money out and head cross town to my friend girl’s house where we plan our round. We meet our men and go to a joint where the music is blue and to the point.
Folks write about me. They just can’t see how I work all week at the factory. Then get spruced up and laugh and dance And turn away from worry with sassy glance.
They accuse me of livin’ from day to day, but who are they kiddin’? So are they.
My life ain’t heaven but it sure ain’t hell. I’m not on top but I call it swell if I’m able to work and get paid right and have the luck to be Black on a Saturday night.
Zoon tegen moeder
Ik begin geen oorlogen, die vergif op kathedralen laten regenen, En Davidsterren omsmelten tot gouden kranen, verlicht door lampen met schermen van menselijke huid.
Ik hecht geen waarde aan de vreemde landen, stuur geen zendelingen buiten mijn grenzen, om geheimen te plunderen en zielen ruilen.
Ze zeggen dat je me mijn mannelijkheid hebt afgenomen, mama. Kom op mijn schoot zitten en vertel me, wat wil je dat ik tegen ze zeg, vlak voordat ik hun onwetendheid vernietig?
De Vlaamse dichter en schrijver Charles Ducal (pseudoniem van Frans Dumortier) werd geboren in Leuven op 3 april 1952. Zie ook alle tags voor Charles Ducal op dit blog.
Que faire?
Op een middag verscheen hij in de stad, het gezicht bleek, de jas versleten, als teruggekeerd uit het graf.
Wij stonden opzij, wat verlegen, bang dat hij opnieuw zou gaan preken Wij hadden een baan en weinig tijd,
maar waren zijn leerling geweest, lang geleden. Dus, bang voor verraad, sloegen wij hem op de schouder
en konden nog altijd de bijbel citeren en spraken nog altijd de taal van de opstand, het groot ideaal.
(Alsof hij nooit dood was gegaan.)
En tikten met spijtige vingers op onze horloges, opgelucht dat hij zweeg, ons nauwelijks herkende.
’s Avonds in de kroeg, de hele bende. Peter bootste hem na (goddelijk!): voorwaar, voorwaar…
Het werd laat, de zon kwam al op. Een van ons imiteerde een haan.
Begin
Hoe werd ik begonnen die nacht? In welke schuwe, onzegbare woorden? Of sliep zij, schoof in haar slaap zijn hand op de tast? Het was zomer,
met open ramen. Zij hoorden het erf, het gerucht van de hond, het donker gestamp van onrustige paarden. Lagen zij naakt, het dek weggeschopt, speelde hij tot zij duizelig werd en heel zacht? Of lagen zij in hun schaamte te zweten, enkel ontbloot van geslacht tot geslacht? Kwam ik uit liefde?
Of door een godsdienst bedacht?
Het gezin
Vader, moeder hun eenvoudig leven. Vingers om het mes, de smakeloze plicht. Zijn kaken malen vreedzaam. Kouwe kip, Haar lichaam heeft niets mee te delen
tenzij: dat zij met elkaar een tafel delen zonder brekend glas en zonder gif. Het kind scheurt een toevallig moordbericht uit oude kranten, inkt in sombere vegen
als een teken op zijn wang. Want alles kan in een eenvoudig leven: vader, moeder, mes geslepen, en een kind uit zelfbedwang.
Zoek niet naar de stenen in het water boven de modder, het schip is verdwenen, de rivier niet meer met netten en visfuiken uitgerust. De zonnelont, de dotterbloem vervaagde in de regen.
Alleen de wilg geeft nog rekenschap, in zijn wortels zijn de geheimen van de zwervers verborgen, de schamele schatten, de roestige vishaak, het blik zonder bodem voor het bewaren van al lang vergeten gesprekken.
In de takken de lege nesten van de buidelmezen, de vogellichte schoenen. Niemand schuift ze aan de kindervoeten.