De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celanop dit blog.
ZUVERSICHT
Es wird noch ein Aug sein, ein fremdes, neben dem unsern: stumm unter steinernem Lid.
Kommt, bohrt euren Stollen!
Es wird eine Wimper sein, einwärts gekehrt im Gestein, von Ungeweintem verstählt, die feinste der Spindeln.
Vor euch tut sie das Werk, als gäb es, weil Stein ist, noch Brüder.
IN MUNDHÖHE
In Mundhöhe, fühlbar: Finstergewächs.
(Brauchst es, Licht, nicht zu suchen, bleibst das Schneegarn, hältst deine Beute.
Beides gilt: Berührt und Unberührt. Beides spricht mit der Schuld von der Liebe, beides will dasein und sterben.)
Blattnarben, Knospen, Gewimper, Äugendes, tagfremd. Schelfe, wahr und offen.
Lippe wußte. Lippe weiß. Lippe schweigt es zu Ende.
EINE HAND
Der Tisch, aus Stundenholz, mit dem Reisgericht und dem Wein. Es wird geschwiegen, gegessen, getrunken.
Eine Hand, die ich küßte, leuchtet den Mündern
Waar ijs is
Waar ijs is, is koelte voor twee. Voor twee: dus liet ik je komen. Een waas als van vuur hing er om je – Je kwam van de roos vandaan.
Ik vroeg je: Hoe heette je daar? Je noemde hem mij, je naam daar: een schijn als van as lag er op – Van de roos vandaan kwam je.
Waar ijs is, is koelte voor twee: ik gaf je de dubbele naam . Jij sloeg je oog op daaronder – Een glans lag over de bijt. Nu sluit ik, zo sprak ik, het mijne – : Neem dit woord – mijn oog zegt ’t tegen het jouwe! Neem het, spreek het mij na, spreek het mij na, spreek het langzaam , spreek het langzaam, stel het wat uit, en je oog – hou het open zo lang nog!
“Stel je voor, je kinderwereld is saai, grauw en getekend door armoede. De volwassenen om je heen vechten tegen hun oorlogsherinneringen. Je hunkert naar iets anders, een breuk met de oude toestand. Maar al je verlangens naar vrijheid, avontuur, plezier, het verruimen van je horizon worden in benauwde Hollandse alledaagsheid en moralisme gesmoord. En als je al probeert te dromen van een ontsnapping of een alternatief, dan dienen zich met overrompelend geweld de beelden en geluiden aan die uit Amerika komen. Daar zijn de jeugd, het optimisme, de vooruitgang en het plezier de baas. Vanuit zo’n standpunt bezien kun je de Amerikaanse culturele invloed als een kolonisering ervaren. Ze hadden ons bevrijd en nu dwongen ze ons hen na te doen, of nee, het was onweerstaanbaar hen na te doen. Want ook dat beloofde een bevrijding, zij het een die op zelfverraad kon lijken. En dat leverde een intense haat-liefdeverhouding op, die onderdeel uitmaakt van de mentaliteit van de generatie die twintig was in het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw. Ik was toen een jochie van tien. De eerste keren dat ik me iets probeerde voor te stellen van de Verenigde Staten van Amerika woonde ik in een spiksplinternieuwe buitenwijk in een Noord-Hollandse stad. Ik keek naar Rawhide op de televisie en speelde in de braakliggende bouwterreinen en rietvelden aan de rand van de stad. De duinen in de verte waren de canyons, de vaarten tussen bouwland en weiland de machtige Rio Grande. De kinderwereld van waaruit ik me een beeld van Amerika vormde, was helemaal niet grauw, moralistisch en saai. Van behoudzucht en oorlogsherinneringen was niets te merken. Om ons heen woonden jonge, vrolijke moeders, een groot deel ervan kleedde zich modieus en had een vak geleerd. De huisvaders reden iedere paar jaar in een grotere auto, waarmee ze hun kinderen in de weekends naar het Evoluon reden om ze in die betonnen ufo van Philips de wereld van de toekomst te laten zien. Of ze gingen naar de Euromast om met de ronddraaiende lift op te stijgen naar een glorieus uitzicht over de grootste haven van de wereld. De trots van mijn vader was besmettelijk.” Ik wil maar zeggen: als het om welvaart, technologische vooruitgang en energiek optimisme ging, had in mijn beleving Europa evenveel te bieden als Amerika. Als jochie van tien zwijmelde ik bij de TEE-treinen, precies even hartstochtelijk als bij de Geminicapsules van de NASA. En popmuziek was geen Amerikaans specialisme. Eerlijk gezegd vond ik de Engelse bandjes op de radio even lekker of irritant klinken als hun Amerikaanse, Zweedse, Nederlandse of Duitse collega’s.
waar helderheid, open, zo vijandig open en betrapt ligt: om de helderheid te begrijpen van het concept helderheid, alsof zeggen we er een breed veld was, alsof zeggen we het bedekt met sneeuw was, alsof het ook helder was van grote afstand: daar ligt toch mijn blik en hij is en kijkt daar zo vriendelijk vreemd daar op de uitgestrekte witte loer
From her vantage point, Cat York looked across to the three Flatirons, to Bear Peak and Green Mountain. She gazed down the skirts of Flagstaff, patting the snow around her and settling herself in as though she was sitting on the mountain’s lap. ‘It’s like a giant, frozen wedding dress,’ she said. ‘It probably sounds daft, but for the last four years, I’ve privately thought of Flagstaff as my mountain.’ `There’s a lot of folk round here who think that way,’ Stacey said. ‘You’re allowed to. That’s the beauty of living in Boulder.’ The sun shot through, glancing off the crystal-cracked snow on the trees, the sharp, flat slabs of rust-coloured rock of the Flatirons soaring through all the danling white at their awkward angle. `When Ben and I first arrived and I was homesick and insecure, I’d walk to Chautauqua Meadow and just sit on my own. It felt like the mountains were a giant aim around my shoulders.’ Cat looked around her with nostalgic gratitude. ‘Then soon enough we met you lot, started hiking and biking the trails and suddenly the mountain showed me its other side. You could say it’s been my therapist’s couch and it’s been my playground. It’s now my most favourite place in the world.’ Stacey looked at Cat, watched her friend cup her gloved hands over her nose and mouth in a futile bid to make her nose look less red and her lips not so blue. ‘This time next week, the only peaks I’ll be seeing are Victorian rooftops,’ Cat said, ‘grimy pigeons will replace bald eagles and there’ll just be puddles in place of Wonderland Lake. Next week will be a whole new year.’ `Tell me about Clapham,’ Stacey asked, settling into their snow bunker. `Well,’ said Cat, ‘it’s a silent “h” for a start.’ They laughed. `God,’ Cat groaned, leaning forward and knocking her head against her knees, ‘I’m still not sure we’re doing the right thing — but don’t tell Ben I said so. I can’t tell you about Clapham, I don’t think I’ve ever been.’ She paused and then continued a little plaintively. `God, Stacey, I have no job, my two closest friends don’t even live in the city any more and I’m moving to an opposite side of London to where I used to live, where my sisters still live.’ `It’s exciting,’ Stacey said, ‘and if you don’t like it, you can always come back.’ She tore into a pack of Reese’s with her teeth, her chilled fingers unfit for the task. ‘And there’s some stuff that’s really to look forward to.’ Placated and sustained by the pack of peanut butter, the comfort of chocolate, Cat agreed. ‘I’ve missed my family — by the sound of it, my middle sister Fen is having a tough time at the moment. And it’s going to be a big year for Django — he’ll be seventy-five which will no doubt warrant a celebration of prodigious proportions.’ `I’d sure like to have met him,’ Stacey said and she laughed a little. ‘I remember when I first met you, I thought you were like, so exotic, because you came to Boulder with your English Rose looks and a history that Brontë couldn’t have made up. You with the mother who ran off with a cowboy, you who were raised by a crazy uncle called Django, you and your sisters brought up in the wilds of Wherever.’
Ik wil dat je weet hoe het was, of het kruis vergruist tot stof onder mensenwielen of helder schijnt als monument voor een nieuw tijdperk.
Er was een kerk en een man diende haar, en weinigen gingen ter kerke daar in het rauwe licht op de heuvel in de winter, zich voortbewegend tussen de stenen, om hen heen gevallen als ruïnes van een cultuur waar ze te zwak voor waren om haar te vervangen, zelf te arm om iets anders te doen dan wachten op het aflopen van een leven waar ze niet om hadden gevraagd. Dan kwam de priester en luidde de gebarsten klok die niemand hoorde, en betrad die plaats van duisternis, zuur van de schimmel van jaren. Dan rende de spin uit de kelk, en lag de wijn daar een tijdje, koud en ongewenst door iedereen behalve hem, terwijl de kaarsen flikkerden wanneer de wind aan het dak plukte. En hij zou over dat karige maal zijn gezicht naar hem zien staren door het gebarsten glas van het raam, de lippen in beweging als van een bewoner van een wereld daarbuiten. En zo terug naar de vochtige sacristie naar het boek waarin hij zijn naam en de datum zou krassen, die hij zich nauwelijks kon herinneren, zondag na zondag, terwijl de plek op zijn knieën zonk en de aarde draaide van seizoen tot seizoen als het wiel van een grote gieterij om jou, vriend, voort te brengen, die zal weten wat er is gebeurd.
Christus als Koning, geschilderd op de tussenverdieping in de Heilig Kreuz Kirche in Goesdorf, Luxemburg
The Kingdom
It’s a long way off but inside it there are quite different things going on; festivals at which the poor man is king and the consumptive is healed; mirrors in which the blind look at themselves and love looks at them back; and industry is for mending the bent bones and the minds fractured by life. It’s a long way off, but to get there takes no time and admission is free, if you will purge yourself of desire, and present yourself with your need only and the simple offering of your faith, green as a leaf.
R. S. Thomas (29 maart 1913 – 25 september 2000) De St John the Baptist Church in Cardiff, de geboorteplaats van R. S. Thomas
De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.
Voordracht
Hij viel toen niet, blind op een weg, evenmin verdween zijn levenslange verlamming. Hij hoorde geen stem, behalve de bekende,
onophoudelijk, zelfondervraging van de pijnlijk verwarde. De ketel stoomde en floot. Een zware vrachtwagen schakelde terug
vlakbij het plein. Hij hoorde een kind roepen, en hoorde een rouwende duif zijn eigen doffe roep inzetten. Ondanks dat alles bleef zijn verstand
vrij nevelig. Hij ademde en sprak de woorden die hij las. Als wat allang dood was toen tot leven kwam, dan was die opstanding blijkbaar
metaforisch. Het wonder vond plaats zonder vertoon. Hij hield een boek vast en terwijl hij las vond hij precies wat hij zocht. Alleen dat.
Een leven met weinig pijn behalve één, het geluksgeschenk van een rafelig boek, een ketel die langzaam opwarmt, en dus tijd genoeg om het boek op te nemen
en in een kleine passage juist die wens te vinden die hij niet hardop durfde te uiten, dat wil zeggen, totdat hij de woorden uitsprak die hij las.
De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.
First Storm and Thereafter
What I notice first within this rough scene fixed in memory is the rare quality of its lightning, as if those bolts were clipped from a comic book, pasted on low cloud, or fashioned with cardboard, daubed with gilt then hung overhead on wire and fine hooks. What I hear most clearly within that thunder now is its grief—a moan, a long lament echoing, an ache. And the rain? Raucous enough, pounding, but oddly musical, and, well, eager to entertain, solicitous.
No storm since has been framed with such matter-of-fact artifice, nor to such comic effect. No, the thousand-plus storms since then have turned increasingly artless, arbitrary, bearing—every one of them—a numbing burst.
And today, from the west a gust and a filling pressure pulsing in the throat—offering little or nothing to make light of.
Idiot Psalms
4
Isaak’s penitential psalm, unaccompanied.
Again, and yes again, O Ceaseless Tolerator of our bleaking recurrences, O Forever Forgoing Foregone (sans conclusion), O Inexhaustible, I find my face against the floor, and yet again my plea escapes from unclean lips, and from a heart caked in and constricted by its own soiled residue. You are forever, and forever blessed, and I aspire one day to slip my knot and change things up, to manage at least one late season sinlessly, to bow before you yet one time without chagrin.
Eremiet
—Katounakia, 2007
De grot zelf is aangenaam sober, met weinig rommel – niets behalve een smalle plaat, een versleten wollen omslagdoek, en in de afgebroken uitsparing hier drie roetige iconen verlicht door een olielamp. Net voorbij de opening van de donkere grot, rust een zwartgeblakerde ketel tussen de kolen, waarmee, elke middag, een handvol wilde groenten wordt gekookt tot een malse brij. De eremiet ligt op de grond dichtbij twee boeken – een evangelie en het verzameld proza van de Syriër – waarvan de pagina’s omslaan, geholpen door een briesje. Naast de sliert van houtrook die uit de kolen opstijgt, trekt geen andere beweging de aandacht. Het gezicht van de oude man wordt in de aarde gedrukt, zijn lichaam uitgerekt alsof hij vooruit wil reiken. De pot kookt droog. Hij voedt zich met wat we niet zien en zou verzadigd kunnen zijn.
“Het was in die donkere dagen dat mensen elkaar gedichten begonnen te sturen. Ook hij kreeg de kettingmail binnen, op een morgen dat hij met een zeurende kies was ontwaakt en het vooruitzicht trachtte te verwerken misschien op zoek te moeten naar een tandarts, in een zieltogend land waarin niets nog functioneerde. Toen hij het gordijn wegtrok verrees zijn stad, net als de dagen ervoor, als een foto uit een brochure over stedelijke architectuur: stil, koud, kleurloos, met spaarzame silhouetten die langs de gevels slopen. Scherpe schaduwen in de ochtendzon, waarbij zich, toen hij het raam openduwde, de auditieve skyline van een verre sirene voegde. Een stad zonder winkels, cafés, musea. Een stad vol ziekenhuizen. Ook de tandartsen werkten niet meer, wist hij, op enkele noodkabinetten na, strategisch verdeeld over de natie, op geheime plekken, slechts te traceren via speciale nummers. Alleen ‘wie dringend hulp nodig had’ kon er terecht, na strenge triage, en werd dan geholpen door astronauten. Hij had de beelden gezien op tv. Zover was hij nog niet. Zijn kies zeurde alleen maar, lichtjes protesterend tegen de druk van zijn tastende tong, die hij niet kon verhinderen telkens even te checken of het al niet wat beter ging, zoals een moeder dwangmatig haar hand op het voorhoofd van een koortsig kind legt. Enkel als je radeloos grommend in je kussen beet. Enkel dan mocht je bellen. Stelde hij zich voor. Als je razend rond de tafel beende, de zelfmoord nabij. Niet eerder, om land en maatschappij niet nodeloos te belasten. Ieder zijn steentje, zijn druppeltje zweet, dan komen we er allemaal doorheen. Zei men. Zong men, ’s avonds, op balkons en in de straat, op tien armlengtes van elkaar. We shall overcome. Op de tanden bijten. Niet evident, als je tandpijn had. Maar hij begreep het wel. Hij was absoluut aan boord, en de gezangen ontroerden hem, hoewel hij er zelf niet aan deelnam. Nooit een manifestatiemens geweest. En zingen kon hij niet. Toch: al die mensen van goede wil, al die solidariteit. Er was niets mooiers, en het hielp om elke dag in verzoening af te sluiten.”
Het adembenemende van zijn zussen toen het woord zich verspreidde: Hij is opgestaan! Maar een man die een vol leven heeft geleefd zal met anderen rekening moeten houden naast zijn zussen. Zeker die ondergeschikte met zijn scherpe blik die is doorgeschoven naar zijn bureau op kantoor, voor hem is opstanding een verschrikkelijke kwelling. De ongelukkige mensen van Ogbaku kenden de verschrikkingen die dag waarop het tweekoppige kwaad over hun snelweg schreed. Het kan niet gemakkelijk zijn geweest om de met bloed bespatte knuppels weer op te pakken die ze hadden weggegooid; of zich af te wenden van het gehavende lichaam van de advocaat die naast zijn gehavende limousine lag om hun eigen man af te maken, die zich nu plotseling roerde in opstanding met de ogen wijd open. Hoe goed begrepen ze die dorpelingen met hun grimmige gezichten die hun karmozijnrode wapens nogmaals hanteerden dat op het uur van zijn verrijzenis hun bloedverwant, door moord gewroken, zich van hen af zou keren in gehoorzaamheid aan andere broederschappen, feitelijk veranderen zou in hun eigen aanklager en in één adem hun pleidooi en rechtvaardiging zou vernietigen! Dus vermoordden ze hem een tweede keer die dag op de drempel van een veelbelovende opstanding.
„Sie war überrascht, wie schnell Sterben gehen kann. So lautlos und ohne jedwedes Aufsehen. Auf den Tag genau vor zehn Jahren ist Klaus gestorben. Da war sie gerade mal achtundfünfzig Jahre alt. Es war ein sonniger Frühlingstag, harmlos, ein ganz gewöhnli-cher Morgen. Klaus und sie haben gefrühstückt, 6.45 Uhr, wie immer. Als er sich die erste Zigarette des Tages an-stecken wollte, hatte sie gemeckert. Auch wie immer. »Sei nicht so eine zickige Ziege!«, hatte er erwidert. Und als sie in die Küche ging, um für beide eine weitere Tasse Kaffee zu holen, ist er vornüber auf den Tisch gesunken und war, als sie mit dem Kaffee ins Esszimmer zurück-kam, tot Ein Herzinfarkt. »Nichts zu machen, das war heftig! «, hatte der Notarzt nur gesagt und bedauernd den Kopf geschüttelt. Sie hatte sich hingesetzt und eine Zigarette aus Klaus’ Packung genommen. Sie, die Nichtraucherin. Er braucht sie ja nicht mehr, hatte sie nur gedacht. »Zickige Ziege« war das Letzte, was er zu ihr gesagt hatte. Weil sie, wie eigentlich jeden Morgen, genörgelt hatte. Ober seine Raucherei. Jetzt war es zu spät für jegliche Freundlich-keit »Gehen Sie nie schlafen oder getrennter Wege, ohne jede Streitigkeit aus dem Weg geräumt zu haben!«, lautet eine Weisheit aus Frauenzeitschriften. Aber sie war bloß mal eben in die Küche gegangen. Und statt zu rauchen, stirbt Klaus. Das kann man nun wirklich nicht ahnen. Da dürfte man ja nie was sagen. Er hat die kurze Gelegenheit genutzt, um sich davonzustehlen. So jedenfalls hat sie es eine Weile gesehen. Inzwischen ist sie milder gestimmt, zehn Jahre sind eine verdammt lange Zeit. Genug, um Tatsachen zu akzeptieren. Zweiundvierzig Jahre waren sie zusammen, seit der Schule. Sie haben die Mittlere Reife gemeinsam gemacht. Sie nennt es noch immer Mittlere Reife. Passt besser als Realschule, findet sie. Und Klaus macht sich einfach aus dem Staub. Stirbt. Nach all den Jahren, ohne jede Vor-warnung. Das hatte sie sich anders vorgestellt. Noch heute wird sie ein klein bisschen wütend, wenn sie daran denkt. Nie ist er zur Vorsorge gegangen, egal, wie sehr sie gedrängt hat. »Brauche ich nicht, keine Zeit, ich geh zum Arzt, wenn ich krank bin!«, waren seine Ausreden. »Das kommt davon!«, hätte sie ihm gerne am Grab hinterhergerufen. »Jetzt hast du wirklich keine Zeit mehr!« Diese Wut hat ihre Trauer all die Jahre überschattet. Viel-leicht auch erträglicher gemacht. Heute, zum zehnjähri-gen Todestag, will sie rausfahren zum Grab. Das macht sie nur noch selten. Wozu auch? Es ist kein Ort, an dem sie Klaus nah ist. Aber waren sie sich je wirklich nah?”
Susanne Fröhlich (Frankfurt am Main, 15 november 1962)
Je had je eigen redenen om jezelf in de weg te zitten. Je wilde niet Duidelijk zijn voor jezelf. Je wist heel Wat meer dan je voor jezelf wilde weten. Ik voelde Ter plekke een natuurlijke liefde voor je. RESPECT. Juist. Mooi. Ik gebruik het woord niet lichtvaardig. lk Protesteerde met welke liefde dan ook (eerlijkheid) (& frontale naaktheid) waar Een, ja, in wezen gereserveerde, Iers-katholieke-Amerikaanse Providence Rhode Island New Englander mee om kan gaan. Jij Bent geraffineerd, niet ongecompliceerd, niet Naïef en niet eenvoudig. Een Entertainer, & dat ben ik ook. Frank O’Hara respecteerde de liefde, jij ook, & wij ook. Hij was zichzelf en ik was ik. En toen we elkaar troffen Elk zichzelf in Iowa, helemaal Dat was liefde, & dat is het nog steeds, liefde, vandaag. Kun je mij zien In wat ik zeg? Want ik zie ook dat je weet In wat je te zeggen hebt, ik hield van Frank, net als ik hou Van jou, “op de juiste manier”. Dat is gewoon praten, geen Logos, een aan de slag gaan met zaken: Ik beschouw het als simpele bijzonderheden dat we onze gevoelens op ons gezicht dragen.
Vertaald door Frans Roumen
Ted Berrigan (15 november 1934 – 4 juli 1983) Portret door Alex Katz, 1967
„Ich wartete am Ben-Gurion-Flughafen unter bunten Luftballons, die an der Decke klebten. Ich las die Anzeigetafel, aß ein Sandwich, beobachtete Menschen, die sich ratlos umsahen, Soldaten, russische Großmütter, orthodoxe Juden und arabische Großfamilien. An der Schleuse zur Ankunftshalle war eine Mesusa angebracht, viele der Ankommenden küssten sie, indem sie die Fingerspitzen ihrer rechten Hand an die Mesusa führten und dann zum Mund. In den meisten Gesichtern waren Freude und große Erwartungen zu lesen. Immer wieder liefen zwei Menschen aufeinander zu, umarmten sich, ließen voneinander ab, musterten das Gesicht des anderen, als versuchten sie, die verlorene Zeit wettzumachen. Neben mir fiel ein Ultraorthodoxer im schwarzen Anzug und mit einem breitkrempigen Hut auf die Knie und küsste den Boden, eine junge Frau, die einen kleinen Jungen im Arm hielt, wurde von einem älteren Mann abgeholt, der Junge schrie und trat um sich, als dieser ihn berühren wollte. Eine ältere Frau redete energisch auf ihren Enkel ein, in der Flughafenhalle vermischten sich die Sprachmelodien zu einem Klangteppich: Russisch, Hebräisch, Englisch, Italienisch und Arabisch. Über die Lautsprecher mahnte eine tiefe Frauenstimme immer wieder, das Gepäck nicht aus den Augen zu lassen, und fügte hinzu: »It’s prohibited to carry weapons in all the terminal halls.« Mein Computer war vor einer Viertelstunde erschossen worden, und ich wartete nun auf die Bestätigungsformulare, die mich dazu berechtigen würden, einen Antrag auf eine Kompensationszahlung seitens des Staates Israel zu stellen. Es hatte mit der Passkontrolle angefangen. Ich wurde nach meinen Namen gefragt. »Maria Kogan.« »Ausgerechnet Maria.« Ich zuckte mit den Schultern und sagte: »Der Name hatte meiner Mutter gefallen. Mascha.« »Was für eine Mascha?« »Mein Kosename.« Er machte einen Vermerk in eines seiner Formulare und studierte eingehend mein Arbeitsvisum. Weshalb ich gekommen sei. »Um zu trauern.« Ein weiterer Vermerk. »Wie lange wollen Sie bleiben?« »So lange wie möglich.« »Ist es wirklich Ihr Computer?« Er betrachtete missmutig die Aufkleber mit den arabischen Schriftzeichen auf meiner Tastatur. »Ja.« »Sie interessieren sich wohl für unsere Nachbarn? Darf ich mit Ihrem Computer einen kleinen Test machen?«, sagte er grinsend und ging mit meinem Computer fort.“
“Ssst. De kring in de huiskamer valt stil, al klinkt er nog her en der gekuch. De helft van de aanwezigen is op de houten bankjes langs de wanden gaan zitten, als kerkgangers. De andere helft is blijven staan. Iedereen staart naar het plafond, het hoofd gekanteld in de nek, de handen gevouwen voor buik of broekriem. Een meisje zegt nog gauw tegen haar vader: ‘Het beweegt helemaal niet.’ Dan zet de gids een stap naar voren. ‘Willen jullie om te beginnen even stil zijn.’ Ze kijkt over de rand van haar leesbril en wacht tot ook het geschuifel verstomt. Er volgt geen gebed. In plaats daarvan laat ze een aanwijsstok ritmisch tussen haar vingers heen en weer slingeren, op de maat van de eeuwigheid. Tik tak, tik tak, tik tak… Boven de tafel in het midden van de kamer hangen twee ballen aan koorden, de zon en de aarde. Stijf tegen het plafond hangen er meer: kleinere en grotere, goudkleurig. Jupiter met zijn vier manen, Saturnus met zijn ringen. De planken zoldering is zeegroen geschilderd, wat eerder een gevoel van diepte oproept dan van ruimte. Het tikken ontspringt hoorbaar in de hoogte. Op de vliering staat een slingeruurwerk dat de planeetbollen hypnotiserend traag laat ronddraaien. De verborgen klok beweegt ook een rijtje wijzerplaten in de wand boven de bedstee, een achttiende-eeuws dashboard dat op elk moment van de dag de maanfase en de stand van de sterren weergeeft, bezien vanuit de positie van de aanschouwer. In dit geval: het bed van Eise Eisinga te Franeker, Friesland. Er daalt ontzag neer op de bezoekers. Voor ze dit grachtenhuis betraden, stonden ze op een stoeptegel voor de ingang, met de inscriptie: Voorbij deze drempel begint, huiselijk verbeeld, het universum. Mars zijn weg om de zon is 487 dagen staat er in de gradenboog langs de baan die de rode planeet beschrijft. De schaal van dit zonnestelsel doet duizelen: elke millimeter plafond komt in werkelijkheid overeen met een miljoen kilometer zwerk. Saturnus doet 29 jaar over een rondgang door de kamer. ‘Eisinga zelf heeft tijdens zijn leven maar één omloop meegemaakt.”
.“What do you want from me, huh? What did you expect? Those were some of the questions Steady Boy was asking that morning, after waking his computer and sitting awhile with the rapier-style letter opener, contemplatively cleaning his nails. But of whom was he asking them? His children? Ex-wives? Old colleagues, maybe. Like that bastard Larry Stoval. He knew Larry from his time at Bear Stearns—that scrappy brokerage firm with the dog-eat-dog mind-set, now kaput. He and Larry Stoval were good buddies back then. This was years ago. Charlie worked the retail desk while Larry cleared dubious trades at the direct orders of Jimmy Cayne, Bear’s CEO, doing God knows what damage to the moral universe . . . but what was it that kept Larry up at night? It wasn’t boiler rooms and FTC fines. It was Charlie’s affair with a nurse at First Baptist. It was fall, 1992. The nurse’s name was Barbara. Larry didn’t like her. Didn’t like the idea of her. Larry, the Oak Brook deacon, didn’t give a damn about Wall Street thievery, but coveting thy neighbor’s wife—now that Larry could not abide. Human hypocrisy of this magnitude was one reason Charlie always felt far from God. Little did Larry know that that guilt-ridden affair, which ended when Charlie left Evangeline and married the nurse, sent him, for the first and only time in his life, to a therapist’s couch just to pull himself together. Honestly, he’d assumed the extramarital shame would go on eating him alive, like the guy who stole fire from the gods and had his liver picked clean by birds. But did Larry offer him any comfort? Take-home pay that put Larry Stoval in the halls of Valhalla, but he still couldn’t afford a little compassion for his fellow fallen man. “Larry,” Charlie had said, making himself vulnerable to his good old friend, “I’m in real trouble here,” and what’d the guy do? Treated him like a fucking pariah. He set down the letter opener, picked up the phone, and dialed. with the rapier-style letter opener, contemplatively cleaning his nails. But of whom was he asking them? His children? Ex-wives? Old colleagues, maybe. Like that bastard Larry Stoval. He knew Larry from his time at Bear Stearns—that scrappy brokerage firm with the dog-eat-dog mind-set, now kaput. He and Larry Stoval were good buddies back then. This was years ago. Charlie worked the retail desk while Larry cleared dubious trades at the direct orders of Jimmy Cayne, Bear’s CEO, doing God knows what damage to the moral universe . . . but what was it that kept Larry up at night? It wasn’t boiler rooms and FTC fines. It was Charlie’s affair with a nurse at First Baptist.”
Joshua Ferris (Danville, 8 november 1974)
De Engelse dichteres en schrijfster Anne Sexton werd geboren op 9 november 1928 in Newton, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Anne Sexton op dit blog.
Het mos van zijn huid
Het was alleen belangrijk om te glimlachen en stil te zitten, naast hem te gaan liggen en even uit te rusten, samen te worden opgevouwen alsof we zijde waren, weg te zinken uit de ogen van moeder en niet te praten. De zwarte kamer nam ons op als een grot of een mond of een inhuizige buik. Ik hield mijn adem in en papa was er, zijn duimen, zijn dikke schedel, zijn tanden, zijn haar dat groeide als een veld of een sjaal. Ik lag bij het mos van zijn huid totdat het raar werd. Mijn zussen zullen nooit weten dat ik uit mezelf val en doe alsof Allah niet zal zien hoe ik mijn vader vasthoud als een oude stenen boom.