Frans Kellendonk, Eva Meijer, Reginald Gibbons

De Nederlandse schrijver en vertaler Frans Kellendonk werd geboren in Nijmegen op 7 januari 1951. Zie ook alle tags voor Frans Kellendonk op dit blog.

Uit: Mystiek Lichaam 

De poort werd bekroond door de naam Doornenhof in smeedijzeren letters. Erachter, en achter het gras dat grauw zag van de heiigheid, achter de perebomen die glommen als lantaarnpalen, stond een hoog en ondiep huis. De ramen in de voor- en zijgevels waren gevat in gestucte lijsten met gargouilles. Wanneer het regende gulpte het water uit hun loden kelen, om het huis lag dan een ring van geklater.
Die ring bleef dan aan de achterkant open. De achtergevel was blind, op een lage deur na. Onder de witkalk waren daar de littekens van een amputatie zichtbaar. Het huis leek een half huis, de stenen roerloosheid leek te verlangen naar een verloren wederhelft. Maar die wederhelft was er nooit geweest. Het pand maakte zo’n onvolledige indruk omdat het vroeger gediend had als woonhuis bij een boerderij, waarvan de bedrijfsgebouwen in de loop der jaren waren gesloopt en het land stukje bij beetje was verkocht. Stukje bij telkens duurder beetje was het land gevoerd aan het garagebedrijf links en aan het recreatieterrein aan de zuidkant. De Doornenhof ging langzaam op in geld.
Tussen de poortspijlen en fruitbomen door, achter het raam linksonder, kon je ’s avonds Gijselhart zien zitten. Daar had hij zijn kantoortje. ‘Comptoirtje’ zei hij ouderwets. Hij had dan het avondblad voor zich liggen, opengeslagen op de advertentiepagina of de pagina financiën. De pendellamp was dicht op de krant getrokken en belichtte alleen de onderste helft van zijn gezicht. Baardstoppels flonkerden als rijp, terwijl hij over het montuur van zijn leesbril en over de krant heen zat te staren. De oude lippen rekten zich traag, stulpten zich uit, twee slakken.
Avond aan avond speelde hij daar zijn spelletje solitaire. Er zwermden dan in zijn hoofd getallen rond die guldens vertegenwoordigden en samen als het goed was het bedrag één miljoen moesten vormen. A.W. Gijselhart was miljonair, maar binnen de klasse der miljonairs behoorde hij tot de minima. Hij had de grootste moeite om zich te handhaven boven de magische streep die hem scheidde van al degenen die financieel geen naam mochten hebben. De getallen in zijn hoofd hadden de zenuwslopende onhebbelijkheid om af te dwalen van de zwerm, als je even niet keek tot een lager getal te verspringen of zelfs op te lossen in het niets. De balans die zijn accountant ieder jaar voor hem opmaakte kon hem over zijn rijkdom even weinig vertellen als een luchtfoto over de dramatiek van het weer.“

 

Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)

 

De Nederlandse schrijfster, beeldend kunstenares, filosofe en singer-songwriter Eva Meijer werd geboren in Hoorn op 7 januari 1980. Zie ook alle tags voor Eva Meijer op dit blog.

Uit: Zee Nu

“Het duurde even voor de mensen begrepen wat er aan de hand was.
De eerste dag leek er ook weinig aan de hand: de zee komt de ene dag verder het strand op dan de andere en de dijken waren hoog en breed genoeg. Een enkele strandwandelaar voelde dat er iets niet in de haak was. Maar wat. Ze vergaten het voor ze thuis waren.
De tweede dag naderde de vloedlijn op verschillende kustplekken de duinen. Een aantal burgemeesters van badplaatsen schakelde experts van Rijkswaterstaat in: mannen met koffertjes die in tweetallen kwamen, metingen deden en weer vertrokken. Ze konden er niets over zeggen, de metingen moesten eerst worden geanalyseerd. Ondertussen, in de loop van de middag van die tweede dag, begonnen de mensen over dit zeldzame natuurverschijnsel te praten – want zo noemden ze het in het begin: een zeldzaam natuurverschijnsel. In Scheveningen maakte een restauranteigenaar een foto die hij op internet plaatste, in Domburg deed een metaaldetectorspeurder hetzelfde. Was het eerder zo lang vloed? Was dit nu de waterspiegelstijging waar ze voor waarschuwden?
Het is nog te vroeg in het verhaal om ons te buigen over de beweegredenen van de zee, maar een kleine omschrijving misstaat hier niet. De zee lijkt voor wie vanaf het strand over haar uitkijkt oneindig. Er is weliswaar een horizon, maar die verschuift zodra wij verschuiven en geeft alleen een optische grens aan. De zee leeft niet maar is ook niet dood, een staat waar de meeste mensen zich weinig bij kunnen voorstellen, hoezeer ze misschien ook aan de aanwezigheid van de zee zijn gewend. De zee bestaat uit water, net als mensen, maar heeft geen huid. Haar kleur en vorm zijn afhankelijk van de omgeving: de zon, de wolken, de wind. Mensen zijn ook gevormd door weer en landschap, maar toch veranderen ze niet zo mee met wat om ze heen beweegt, zeker de Nederlanders niet, het volk dat in dit boek centraal staat.
De zee denkt en voelt niet, tenminste niet op een manier die de mensen als zodanig kunnen herkennen, met hun denken en voelen, dat noodzakelijkerwijze beperkt is want gebonden aan hun fysieke gesteldheid en voorstellingsvermogen. Een dichter zou hier kunnen wijzen op de meerstemmigheid en het fluïde karakter van het gevoel, een filosoof op het belang van de erkenning van de materialiteit van het menselijk bestaan, toch brengt dat ze niet dichter bij de zee. Maar over de zee zoals gezegd later meer.”

 

Eva Meijer (Hoorn, 7 januari 1980)

 

De Amerikaanse dichter, redacteur en hoogleraar Reginald Gibbons werd geboren in Houston op 7 januari 1947. Zie ook alle tags voor Reginald Gibbons op dit blog.

 

Wilde bloemen

Coleridge schreef zorgvuldig een hele pagina
vol met ze, allemaal beginnend met de letter b.
Reisgidsen bewaren onze kennis
van hun tinten en vormen, hun voortplanting.
Veel gedichten hebben tere woordklanken geschapen –
als windgongs, niet voor de wind maar voor de adem van de mens –
uit hun mooie namen.
Aan de rand van de prairie in een hut
lijken, wanneer de donder dichterbij komt om hard op het dak te bonzen,
een paar van hen – in een hoek, breekbaar in een droge pot
waar de bedachtzame hand van een vrouw ze liet staan om te verwelken –
mee te waaien met de zich aandienende winden buiten,
wanneer de regen begint te vallen op al hun buigzame verwanten
in alle kleuren, onder een hemel in één kleur, of geen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Reginald Gibbons (Houston, 7 januari 1947)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e januari ook mijn blog van 7 januari 2019 en ook mijn blog van 7 januari 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Hester Knibbe, Carl Sandburg

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Hester Knibbe op dit blog.

 

Zog

Was ik een zeedier geweest met meer dan
zeven tentakels, ik had zonder bedenken
het stof van ze afgewaaierd zodat ze

konden ademen. Maar ik moest het redden met enkel
één hart wat hersens en deze twee handen.

Ik heb ze gekoesterd gevoederd gevoed met
gedachten aan later, maar iets in ze wilde niet
groeien, is lummelig misgegaan. Badwater te

warm of te koud, foute sokjes aan? Te weinig
of juist te veel doodgeknuffeld, haartjes te
kortgeknipt of te strak in vlechtjes gedaan?

Maar al wouen ze niet, ze moesten en zouen, ik heb ze
gelukkig gescholden gedwongen terwijl ik wel wist
hoe het leven je soms. Slavenwerk, dwangarbeid.

 

Laten we de oude….

Laten we de oude

brieven verbranden, al die mooi
verregende zongebleekte woorden en regels
in vlammen zien opgaan maar schaamteloos

hun inhoud behouden. We hebben
geluk gehad, o wat hebben we –
Laten we

straks andere steden verkennen, door nieuwe
straten met muzikanten en slapers op banken
slenteren, wennen aan weggaan.
Laten we

daar eten drinken en geven

de zanger genoeg om dronken te worden
de bedelaar wat hem toekomt.

 

Patience

Patience. Stel dat je opnieuw, had je
hetzelfde lichaam gekozen, wieg die zo verrekte

opgetogen je op stond te wachten? Had je
eenzelfde eenzelvig liedje gezongen en

je lijf even verlegen links en rechts

goeddeels verzwegen? Stel dat je
opnieuw kon bij even na twintig, je bouwde

een liefde een huis een kind, beminde
beminde, vermeed het bekende en tuimelde

over vreemde ellende. Stak dan in dat andere
lijf en hoofd een vergelijkbare

twijfel en aarzel?

 

Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook alle tags voor Carl Sandburg op dit blog.

 

Hoop is een gehavende vlag

Hoop is een gehavende vlag en een droom van de tijd.
Hoop is een door het hart gesponnen woord, de regenboog, de krentenboom in wit
De Avondster onschendbaar boven de kolenmijnen,
De glinstering van noorderlicht doorheen een bittere winternacht,
De blauwe heuvels voorbij de rook van de staalfabriek,
De vogels die die voor hun maatjes blijven zingen in vrede, oorlog, vrede,
De krokusbol van tien cent die bloeit in een toonzaal voor tweedehands auto’s,
Het hoefijzer boven de deur, het geluksmuntje in je zak,
De kus en de troostende lach en vastberadenheid –
Hoop is een echo, hoop bindt zich aldaar, aldaar.
Het lentegras laat zich zien waar dat het minst verwacht wordt,
De rollende pluisjes van witte wolken aan een veranderlijke hemel,
De uitzending van strijkinstrumenten uit Japan, klokken uit Moskou,
Van de stem van de premier van Zweden gedragen
Over de zee namens een wereldfamilie van naties
En kinderen die koralen zingen over het Christuskind
En Bach die wordt uitgezonden vanuit Bethlehem, Pennsylvania
En hoge wolkenkrabbers die praktisch verlaten zijn door huurders
En de handen van sterke mannen die naar houvast grijpen
En het Leger des Heils dat zingt dat God van ons houdt ….

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)
Portret door William Arthur Smith, 1961

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e januari ook mijn blog van 6 januari 2021 en ook mijn blog van 6 januari 2019 deel 2 en eveneens deel 3.  

Joris van Casteren, Andreas Altmann

De Nederlandse schrijver, dichter en journalist Joris van Casteren werd geboren in Rotterdam op 5 januari 1976. Zie ook alle tags voor Joris van Casteren op dit blog.

 

Met lego

Met lego speel ik
op schaal het ongeval
een paar keer na

Grote atomen gunnen
het slachtoffer een
zwakke zwaartekracht

Zelfs in de ambulance
lacht ze onuitwisbaar

 

Onder de mat na de voordeur

Onder de mat na de voordeur
legt hij het luik naar de
kruipruimte op zijn plaats

De vloer dreunt boven mijn hoofd
Ik volg zijn voetstappen
naar het gat dat zij geboord heeft

Langs de plint is slordig
Tussen tuner en speaker
moet snoer onzichtbaar zijn

Het zand is nat en koud
Mijn hand plet een zwam
Ik vang rag vol verpopte spinnen

 

Ooijpolder met gravin

In Babberich
te dorpshuis St. Jan
pipi machen darf ich hier

Landjuweel
Seniorenvereniging 65+
Haar split wappert blote benen
Ranjatap slaat damp van boerenkool
Zo blond ook je kont

Ruzie op het oorlogsgravenkerkhof
Me eindelijk weer een beetje dichter gevoeld
Natuurwinkelende A delslet
Holocaust-vegetariër!

 

Joris van Casteren (Rotterdam, 5 januari 1976)

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Altmann werd geboren in Hainichen (Sachsen) op 4 januari 1963. Zie ook alle tags voor Andreas Altmann op dit blog. Zie ook mijn blog van 8 juni 2009 

 

een verhaal uit het dal

het huis leunde tegen de berg,
zwart zijn hout van alle winters.
de zon boog gele schaduwen in de vallei.
of het regende dagenlang. of sneeuwde.
het leven had niet veel woorden.
en het zwijgen rook naar vochtig gras,
dat uit de grond oprees.
er hingen kleren in de kasten,
die in hun stof naar seringen roken.
een vlinder zat op het plafond,
vastgehouden door de draden van de spin.
De stappen op de vloerplanken vertelden
de stappen op de vloerplanken. daaronder
rustte het huis. daarboven de wereld.
die weg waren, niemand vroeg naar hen.
bloemen sierden het haar van de graven.
de kerk torende boven zichzelf uit.
niemand sprak over de dromen. spoedig
vergaten ze wie in de nacht ze toebehoorden.
de ogen zagen wat ze waren. soms
werd een huis door een lawine
meegesleept, het is lang geleden.
de bergen namen ze mee de dood in
alsof ze konden vluchten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andreas Altmann (Hainichen, 4 januari 1963)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e januari ook mijn blog van 5 januari 2021 en ook mijn blog van 5 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Hellmuth Karasek, Andreas Altmann

De Duitse journalist, schrijver, film- en literair criticus en hoogleraar theaterwetenschap Hellmuth Karasek werd geboren op 4 januari 1934 in Brno, Moravië, Tsjechoslowakije. Zie ook alle tags voor Hellmuth Karasek op dit blog.

Uit: Auf Reisen. Wie ich mir Deutschland erlesen habe

„Jeder Mensch funktioniert in seinen Tätigkeiten wie eine Maschine – moderner würden wir sagen: wie ein Computer. Das Fließband war der erste Ausdruck dieses Maschinenzeitalters, der Modern Times. Chaplin hat es in seinem Film, der Fließbandtragikomödie, auf atemberaubende, gleichzeitig »chaplineske« und »kafkaeske« Weise vorgeführt.
Läuft das Fließband, lässt es sich bis zur Grenze der maschinellen und menschlichen Kräfte ausbeuten; gerät ein Teilchen aus der Ordnung, entsteht eine Kettenreaktion aus Fehlern: In der Ordnung lauert das Chaos, das die Unordnung genauso beschleunigt wie im Normalfall die Produktivität. Auch im Chaos potenziert sich die Kraft. Chaplin zeigt, wie die Ordnung »außer Rand und Band« gerät. Ein Bestandteil der modernen Komik ist, dass sie zeigt, wie die Ordnung in Unordnung umschlägt. Fehler, Fehlleistungen, Unachtsamkeiten sind dann nicht wiedergutzumachen. Die Unordnung bringt die Ordnung aus ihrem Lauf, sobald ein Steinchen ins Getriebe gerät, ein Fehler sich unerbittlich im Ablauf potenziert. Chaplin führt das am Fließband wie an der Ess- und Fütterungsmaschine vor.
Natürlich erfährt das auch derjenige, der nach Fahrplan reisen muss. Und dabei gibt es zwei Fehlerquellen: den Fahrplan und den Reisenden, den Menschen und die Maschine, das Subjekt und die Tücke des Objekts (die übrigens auch im Subjekt lauern kann). Dem geraden Weg stellt sich etwas in die Quere. Manchmal. Öfter. Meistens.
Früher habe ich in kleinen Flugzeugen Gelegenheit gehabt, dem Piloten und dem Copiloten beim Start durch die geöffnete Kabinentür über die Schulter zu schauen. Wie sie alle Vorgänge nach einer Anleitungsliste abchecken, laut und vernehmlich. Und wie sie dabei Schalter umlegen, sodass aus roten Lämpchen grüne werden und aus nach unten geschalteten Hebeln nach oben gerichtete. Es ist wie ein Blick in ein Gehirn, beim Packen, bevor die Reise losgeht. Wie eine Zwiesprache im Monolog.
Habe ich genug Socken, Unterhemden, Hemden und Unterhosen eingepackt? Bin ich zwei oder drei Tage unterwegs? Habe ich (das gilt für ältere Reisende wie für chronisch Kranke) genug Pillen, Tabletten und Salben für drei Tage? Habe ich das Ladegerät für mein Handy? Genug Klingen für meinen Rasierer? Patronen für meinen Füller oder Schreibstift? Habe ich meinen Ausweis, Führerschein? Brauche ich meinen Ausweis, meinen Führerschein? Fliege ich und habe die Schere aus Versehen ins Handgepäck gesteckt? Werde ich beim Einchecken ins Flugzeug also wieder eine Nagelschere und ein Toilettenwasser einbüßen? Habe ich die Kreditkarte, die Bahncard? Die Miles-&-More-Karte? Habe ich mein Notizbuch, meinen Taschenkalender mit Terminen und Adressen?“

 

Hellmuth Karasek (4 januari 1934 – 29 september 2015)  

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Altmann werd geboren in Hainichen (Sachsen) op 4 januari 1963. Zie ook alle tags voor Andreas Altmann op dit blog. Zie ook mijn blog van 8 juni 2009 

 

bezoek

het geheugen, als het de ene
na de andere herinnering opgeeft,
wordt verblind door zijn woorden.
in lege ruimtes tast je langs
de muur, die je handen pakt,
over deuren die je niet opent
naar het raam. Blikken die donker
die helder zijn, wijken voor de ogen.
Aan geluiden vormt zich de stem,
die niet boven het zwijgen uit-
komt. nog een keer ga je
met bodemloze stappen door het huis.
licht heeft schaduwen weggesneden,
waarvoor hier geen reden is.
je krabt aan de randen je vingers kapot.
iemand volgt je met de armen
gekruist, zijn blik. je vraagt,
om langer te blijven. voor de poort
wacht de auto. de motor start.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andreas Altmann (Hainichen, 4 januari 1963) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e januari ook mijn blog van 4 januari 2021 en ook mijn blog van 4 januari 2019 en ook mijn blog van 4 januari 2017 en mijn blog van 4 januari 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.

Kerstbrief van Melchior (Jan H. de Groot), Nyk de Vries, Jimmy Santiago Baca

 

Bij Driekoningen

 

De aanbidding van de koningen door Peter Paul Rubens, 1628-29

 

Kerstbrief van Melchior

Ik schrijf u Caspar, Balthazar,
vanuit mijn hoofdkwartier.
Ik kan en wil niet weg dit jaar
want oorlog houdt mij hier.
De laatste oorlog weliswaar
tegen het blank verweer
maar laatste loodjes wegen zwaar
en dat weet God de Heer.

Gaat gij getweeën maar op reis.
Ik vecht het hier eerst uit.
Mijn zwarte volk werd smartelijk wijs
en is niet langer buit.
Waar ook de blanke man zijn voet
neerzette, schoot hij neer.
Daar baande hij zijn weg door bloed
en dat weet God de Heer.

Mijn zwarte volk heeft het geduld,
het werd door leed gestaald.
Drie eeuwen blanke heersersschuld
wordt eindelijk betaald.
Een zwarte huid bergt ook een ziel
die bloei wil tot Gods eer.
Maar bloesem sterft onder een hiel
en dat weet God de Heer.

Nu zal ik wel gedoodverfd zijn
als vuige communist,
als een rebel in de woestijn; –
men heeft zich meer vergist.
Ik strijd hier voor een rechte zaak,
niet min en ook niet meer.
Dit is mijn opgedragen taak
en dat weet God de Heer.Nu gaat gij op naar Bethlehem,
nu volgt gij weer de ster.
Het vredeslied der englenstem
hoor ik toch wel van ver.
Maar eerst zal hier een vrijheid staan
aleer ik wederkeer
om samen met u op te gaan
en dat weet God de Heer.

En als gij ’t Kind vindt in het licht
en knielend tot Hem spreekt,
zegt dan waarom het aangezicht

van Melchior ontbreekt.
De Derde wijze kon dit jaar
niet komen ‘van zo veer’.
Dat weet gij Caspar, Balthazar
en dat weet God de Heer.

 

Jan H. de Groot (13 maart 1901 -1 december 1990)
Alkmaar, de geboortestad van Jan H. de Groot

 

De Nederlandse dichter Nyk de Vries werd geboren in Noordbergum op 2 januari 1971. Zie ook alle tags voor Nyk de Vries op dit blog.

 

Verkouden

Door zijn gekuch mag hij niet naar buiten.
Voor oudere mensen kan dat gevaarlijk zijn,
heeft z’n moeder gezegd. Bijna al z’n strips las
hij al twee keer. Drie weken zonder school
is toch wel lang.

Zijn vader zei: Drie weken is nog niks, jonge.
Opa ging in de oorlog ruim drie jaar niet naar
school. Zo lang, lachtte hij, zal dit toch
hopelijk niet duren. Dan zitten we hier in
2023 nog.

Maar z’n vader maakte niet steeds grapjes,
soms keek hij lang op zijn telefoon. Zonet sprak
hij zacht met z’n moeder over geld en ZZP.

Hoelang zal dit allemaal nog duren, wanneer
wordt het weer gewoon? Gister hoorde hij op
het nieuws, te voorspellen valt er niet zoveel.

In bed dacht hij aan opa en aan zichzelf over
tachtig jaar. Hoe zal hij met zijn kleinkinderen
terugkijken op deze vreemde Corona-tijd?

Eerlijk, hij wist het niet, al leek een ding toch wel
zeker: Hij kuchte al een beetje minder vaak.
Zijn keel deed iets minder pijn.

 

KAMER

Er was een kamer in die stad waar ik steeds omheen cirkelde. Het was in de buurt van mijn lief. Ze wist niet dat ik soms die trappen opliep. Aan de wand hingen foto’s van voor de oorlog. Ik sprak er eens over met een oude Friese schrijver. Hij zei: ‘Ik ken die kamer, ik zou er eigenlijk binnen moeten gaan, maar het gaat er niet meer van komen, ben ik bang.’ Hij kreeg gelijk. Hij stierf tijdens de Spelen. De kamer is er nog steeds – de trappen op, linksaf de gang door. Iedereen weet wel zo ongeveer wat erin staat.

 

Nyk de Vries (Noordbergum, 2 januari 1971)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Jimmy Santiago Baca werd geboren in Santa Fe, New Mexico, op 2 januari 1952. Zie ook alle tags voor Jimmy Santiago Baca op dit blog.

 

Een dagelijkse vreugde om te leven

Hoe sereen dingen
in mijn leven misschien ook zijn,
hoe goed het ook gaat,

mijn lichaam en ziel
zijn twee kliftoppen
waar een droom van wie ik kan zijn
van afvalt, en ik moet elke dag
weer leren vliegen,
of sterven.

De dood zorgt voort respect
en angst van de levenden.
De dood biedt
geen valse starts. Het is geen
scheidsrechter met een proppenschieter
bij het verrassende
van een honderd meter sprint.

Ik leef niet om terug te krijgen
of te vermeerderen wat mijn vader verloor
of verwierf.

Ik vind mezelf voortdurend terug in de ruïnes
van een nieuw begin,
het touw van mijn leven ontrollend
om steeds dieper af te dalen in onbekende afgronden,
mijn hart in een knoop te leggen
rond een boom of rotsblok,
om veilig te stellen dat ik iets heb dat me houdt,
dat me niet laat vallen.

Mijn hart heeft vele met doornen bezaaide barsten van vlammen,
oplaaiend uit de rode kaarspotten.
Mijn dromen flikkeren en draaien
op het altaar van deze aarde,
licht worstelt met duisternis,
licht straalt in de duisternis,
om mijn dag blauw te verwijden,
en alles wat was is smelt
in de vlam-

Ik kan boomtoppen zien!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jimmy Santiago Baca (Santa Fe, 2 januari 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e januari ook mijn blog van 2 januari 2019 en ook mijn blog van 2 januari 2016 deel 2 en ook deel 3.

Anti-nieuwjaar (Karel Jonckheere), Carol Ann Duffy

 

Alle bezoekers en mede-bloggers een prettige jaarwisseling en een gelukkig Nieuwjaar!

 

Wintergezicht door Anton Smeerdijk, ca. 1910

 

Anti-nieuwjaar

Altijd en ergens oudejaarsavond
op een ster in een boek of een brief
ik vier mijn tijd niet in namen
ik hef geen punch op een dief.

Eeuwen zo oud als mijn jaren
mijn jaren zo jong als de wind
die met datumloze gebaren
mij uit de kalenders ontbindt.

Deze avond blijf ik afwezig
betrek een aanwezigheid
op einders die mij genezen
van mijn vergankelijkheid.

 

Karel Jonckheere (9 april 1906 – 13 december 1993)
Jaarwisseling in Oostende, de geboorteplaats van Karel Jonckheere

 

Nieuwjaar

Ik laat het stervende jaar achter mij als een sjaal
en laat het vallen. Het gehaaste vuurwerk werpt zichzelf
tegen de nacht, bloemen van verlangen, liefdes vurigheid.
Uit de ruimte om me heen, terwijl ik hier sta, vorm ik
jouw afwezige lichaam tegen het mijne. Je raakt me aan als de gevende lucht.

Het meest veraf, meest dichtbij, zijn je armen duisternis, die me vasthoudt,
dus ik leun achterover, lip-lees de hemel die doorpraat in het licht,
syllabische sterren. Ik zie dat ze eindelijk tot ons bidden. Jouw adem
is middernacht, levend, op mijn huid, over de mijlen tussen ons heen,
velden en snelwegen en steden, de miljoen verlichte huisjes.

Deze liefde die we hebben, omgekeerd verdriet, vol rijm, verkeerde plaats,
verkeerde tijd, zoet werk voor handen, de roeping van ’t hart, vlammen
om het nieuwe jaar in te leiden, de dagen en nachten ver in de donkere zee
van de lucht. Je mond is nu sneeuw op mijn lippen, koel, intiem, eerste kus,
gelofte. Tijd valt en valt door eindeloze ruimte, naar wanneer we zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Carol Ann Duffy (Glasgow, 23 december 1955)
Jaarwisseling in Glasgow

 

Zie voor de schrijvers van de 31e december ook mijn blog van 31 december 2018 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Peter Buwalda, Norbert Hummelt

De Nederlandse schrijver, journalist en redacteur Peter Buwalda werd geboren in Blerick op 30 december 1971. Zie ook alle tags voor Peter Buwalda op dit blog.

Uit: Otmars zonen

“Maar dan is er dus Otmar Smit uit Venlo. Wanneer de man Dolfs moeder komt ophalen voor de nieuwe James Bond of voor een cabaretvoorstelling in de Maaspoort, brengt hij altijd iets voor hem mee, meestal een bouwpakket dat precies in de roos is, het goede vliegtuig, de goede schaal, de goede wereldoorlog. Een keer blijft hij een hele zondagmiddag in de flat om Dolf aan de eettafel waarop ze kranten hebben uitgespreid voor te doen hoe je een Vickers-tweedekker opschildert. De verf zit in begeerlijke miniblikjes die Otmar koopt in een winkel in Venlo waarvan zijn moeder het bestaan niet eens vermoedt. Ze voeren ernstige gesprekken over welke lijm de beste is, uit een tube of uit een potje, en ook over de vliegtuigen zelf, of de boordmitrailleur van de schots en scheve Vickers al tussen de propellers door schoot, of de Sopwith Camel die aan visdraad boven zijn bureau hangt een beetje wendbaar was – zaken waarvoor je bij vaders moet zijn, ziet hij in.
Zonder twijfel heeft zijn moeder al eerder aanbidders gehad. De stroopwafelboer op de markt snijdt de bovenste wafel van haar zakje altijd in de vorm van een hart. De muziekleraar, een man met een glazen oog, wil dat hij de groeten doet aan zijn moeder. Verdwaalde vaders op het schoolplein maken grapjes tegen haar, wat Dolf verbaast, want zo aardig is ze niet. Wel is ze anders dan andere moeders. Om te beginnen heet ze al gek, Ulrike Eulenpesch, ‘waarom heten jullie Uilenpis,’ vraagt een jongen op school met wie hij meteen begint te vechten – maar ze praat ook gek, als het knappe zusje van prins Claus, zegt Otmar. Bij Duitse postorderbedrijven bestelt ze fleurige zijden blouses en taillehoge pantalons waaronder ze open schoenen met gouden riempjes aantrekt, zelfs als het regent. Wanneer hij in de klas zit, ziet hij haar vanuit zijn ooghoeken het schoolplein op komen, ze heeft een asblond kapsel dat ze overeind houdt met grote wolken hairspray. ‘Scheisse, hoe kan die Elnett nou al op zijn?’ roept ze vanuit het douchehok, waarna ze ’s middags samen de bus naar Venlo nemen, de Maasbrug over, en hand in hand door de Vleesstraat naar het Nolensplein lopen om bij Die 2 Brüder von Venlo nieuwe bronzen flacons te kopen, en ook meteen koffie en sigaretten en harde broden; daar houdt zijn moeder van, net als van goud en ‘geschoolde zang’. Tijdens het bedden verschonen zingt ze Duitse aria’s. ‘Jouw moeder was bij de operette in Wuppertal,’ zegt Otmar als Dolf een brutale mond geeft, ‘dus wees een beetje lief voor d’r.’
Hij doet wat hij kan. Al dacht hij toen ze nog met z’n tweeën waren niet in die termen over zijn moeder, als over iemand voor wie je extra lief moest zijn; haar karakter leent zich niet voor medelijden, ze is een vrouw die als ze verdrietig is boos wordt of gaat schoonmaken. De enige vrouwen die op haar lijken ziet hij in reclames voor shampoo van Schwarzkopf op de Duitse televisie, maar die wonen in grote huizen en gedragen zich vrolijk.”

 

Peter Buwalda (Blerick, 30 december 1971) 

 

De Duitse dichter en schrijver Norbert Hummelt werd geboren op 30 december 1962 in Neuss. Zie ook alle tags voor Norbert Hummel top dit blog en ook mijn blog van 24 juni 2009.

 

Klaprozen

zojuist was het fulda. het bleke licht van de plafondlampen
van de reiswagon wordt constant voor me weerspiegeld
in het raam. je schrijft bij jou is het bedekt en koel

mijn hartslag stoort me het bedrukte gevoel
al op de heenreis vloog het me aan buiten de weilanden
veel bos e. de wolken, wat ik ook zie, het doet mij

niet goed het oude stuwen in mijn bloed. eergisteren
was er het golvende groen e. wind op het erf hoe
de boom bewoog hoorde ik de waarschuwingskreten van de ekster

ze vloog achter me aan vanuit een ander leven er was een
boom op het erf maar op een ochtend licht e. een stem
spreekt van ver: kassel ligt achter ons. nog altijd

is het een goede twee en een half uur, rusteloos ben ik e.
ouder dan jij e. raas roerloos op göttingen af e. zie
de taluds rood van klaprozen e. kan mijn gestaag vloeiende tijd

geen van de voorbij trekkende beelden beloven.
dat e. de ondraaglijke wachttijd totdat je me na de ruzie
weer kust laat me zeker voor hildesheim bezwijken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Norbert Hummelt (Neuss, 30 december 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e december ook mijn blog van 30 december 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Stefan Brijs, Christian Kracht, Vesna Lubina

De Vlaamse schrijver Stefan Brijs werd geboren op 29 december 1969 in Genk. Zie ook alle tags voor Stefan Brijs op dit blog.

Uit: Berichten uit de vallei

“Op de elektriciteitsdraad die door de vallei loopt zitten al meer dan een minuut, op telkens een halve meter van elkaar, een roodkopklauwier, een groenling en een huismus. Alle drie kijken ze strak voor zich uit in dezelfde richting. Het is alsof ze daar door een poppenspeler zijn geplaatst en de voorstelling dadelijk zal beginnen, een middeleeuws blijspel met een koning, een lakei en een vagebond.
Het paartje torenvalken dat hier vorige lente vier jongen grootbracht in een nestkast is de hele winter in de buurt gebleven. Die nestkast liet ik twee jaar geleden ophangen toen er op een meter of vijftig van mijn schrijfhut een extra elektriciteitspaal werd geplaatst omdat de draad bijna op de grond hing. Aanvankelijk was ik woedend en bedroefd. De paal stond recht in mijn gezichtsveld als ik door het raam keek – het voelde alsof er opeens een balk in mijn oog stak. Nog dezelfde dag besloot ik van de nood een deugd te maken en vroeg mijn handige buurman een houten bak van veertig bij
dertig bij dertig centimeter te timmeren, die als een loge in een theaterzaal aan de voorzijde halfopen was. Toen ik nog op het Vlaamse platteland woonde had ik een soortgelijke nestkast in een hoge es gehangen en jaar na jaar brachten torenvalken er drie tot vijf jongen in groot, tot nijlganzen de kast op nogal agressieve wijze veroverden en de oorspronkelijke bewoners voorgoed verjoegen.
In de wijde omtrek zijn, op enkele eucalyptussen na, amper hoge bomen. Torenvalken broeden hier voornamelijk in spleten en holen en op richels van rotswanden, zoals die van de Peña de Hierro, waar ik al vaker een paartje had opgemerkt. Nestkasten voor deze soort zag ik nergens – en voor andere soorten evenmin. Hoewel ik de kans dat een paartje een nestkast aan een elektriciteitspaal in de open ruimte van de campo zou uitkiezen erg laag inschatte, wilde ik het toch proberen en toen de technici van de elektriciteitsmaatschappij – een jonge en een oude man – de volgende dag terugkeerden om de kabel te bevestigen, had ik de nestkast met wat draad en enkele lange schroeven al bij de voet van de paal klaargezet. In mijn toen nog ongeoefende Spaans legde ik hun mijn plan uit, waarbij ze mij in steeds grotere verbazing aankeken alsof ik in lichte (de jonge man) en misschien wel in hoge mate (de oude man) idioot was. ‘Para el cernícalo.
Voor de torenvalk,’ zei ik nogmaals met nadruk voordat ik hen weer alleen liet.”

 

Stefan Brijs (Genk, 29 december 1969)

 

De Zwitserse schrijver en journalist Christian Kracht werd geboren in Saanen op 29 december 1966. Zie ook alle tags voor Christiab Kracht op dit blog.

Uit: Eurotrash

“Also, ich mußte wieder auf ein paar Tage nach Zürich. Meine Mutter wollte mich dringend sprechen. Sie hatte angerufen, ich solle doch bitte mal rasch kommen, es war ganz unheimlich gewesen am Telefon. Und aus Nervosität darüber hatte ich mich das gesamte verlängerte Wochenende über so unwohl gefühlt, daß ich unter starker Verstopfung litt. Dazu muß ich außerdem sagen, daß ich vor einem Vierteljahrhundert eine Geschichte geschrieben hatte, die ich aus irgendeinem Grund, der mir nun leider nicht mehr einfällt, Faserland genannt hatte. Es endet in Zürich, sozusagen mitten auf dem Zürichsee, relativ traumatisch.
Ich war mit der ganzen Geschichte dann das erste Mal erneut in Berührung gekommen, als ich eben, wie gesagt in Zürich, unten auf der Bahnhofstrasse, einen dunkelbraunen, etwas groben Wollpullover gekauft hatte, an einem kleinen, aus Brettern zusammengezimmerten Verkaufsstand, unweit des Paradeplatzes. Es war bereits Abend gewesen, ich hatte etwas Baldrian zu mir genommen, und der Effekt der Tabletten und das Hoffnungslose des Schweizer Herbstes und die fünfundzwanzig vergangenen Jahre hatten sich bleiern und maßlos über mein Gemüt gelegt.
Kurz zuvor war ich in der Altstadt unterwegs gewesen. In einer klandestinen Filmvorführung drüben im Niederdorf war In girum imus nocte et consumimur igni gezeigt worden, der letzte Film von Guy Debord, fertiggestellt noch vor seinem Selbstmord. Man war zu viert oder zu fünft gekommen, was mir angesichts des immer noch hellsonnigen warmen Abends und des blutleeren, einschläfernden Werks wie ein Wunder erschienen war.
Und nachdem das Publikum, also die beiden Professoren, der Projektionist und ein Obdachloser, der eine Weile im Kinosessel hatte schlafen wollen, verabschiedet und die Hände fertig geschüttelt waren, bin ich wohl wieder hinab Richtung Paradeplatz gelaufen, ohne Absicht und Sinn durch die Nacht. Und dort, auf der anderen Seite der Limmat, hatte ich dann eben jenen improvisierten Verkaufsstand einer schweizerischen Kommune vorgefunden, an dem zwei bebrillte Frauen unbestimmten Alters und ein bärtiger, freundlicher junger Mann schwere Wollpullover und Decken in Naturfarben verkauften, die sie selbst gestrickt hatten.“

 

Christian Kracht (Saanen, 29 december 1966)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse dichteres Vesna Lubina werd geboren in 1981 als dochter van Bosnische immigranten in Witten. Zie ook alle tags voor Vesna Lubina op dit blog.

 

Eerste loopoefeningen voor het slangenhol

De kever ligt op mijn voorhoofd te wachten
Hij trekt het gordijn over zijn oog

Er komt geen geluid dan meer uit de schaduw
[die zich gewoonlijk zo slim in het graan werpt]

Uit een of ander raam komt immers altijd rook
in dit gebied en waar men de olie niet schuwt

Onze voeten betreden niet langer vijandelijk gebied
en als het dag wordt, opent mijn familie de deur

Je mond niet langer als door de slaap gesloten
Ook andere huizen staan weer

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Vesna Lubina (Witten, 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e december ook mijn blog van 29 december 2018.

Burkhard Spinnen, Alexander Gumz

De Duitse schrijver Burkhard Spinnen werd geboren op 28 december 1956 in Mönchengladbach. Zie ook alle tags voor Burkhard Spinnen op dit blog.

Uit: Rückwind

„Späte Pop-Art auf staatseigenen Rädern. Aber ich wette, Trössner, du hast das gemocht. Gib’s zu! Du warst jung, diese Farben waren jung, das passte einfach wunderbar zusammen, ein fantastischer Auftakt für eine Klassenfahrt. Vielleicht nach Berlin? Das wurde doch vor Zeiten einmal staatlich bezuschusst. Womit ich auch ganz zwanglos wieder bei meiner Frage wäre: Warum nach Berlin?
Und wieder keine Antwort.
Dafür ist der Fahrschein gedruckt. Trössner nimmt ihn aus dem Kästchen, in dem ein kleines Licht sehr dringlich flackert. Dergleichen Kommunikation mit der Maschine war zu seinen Klassenfahrtzeiten noch unbekannte Zukunft und wirkt heute schon wieder überkommen. Einszweidrei, im Sauseschritt, läuft die Zeit. Aber jetzt keine Nostalgie. Es muss gefahren werden. Mag der Himmel wissen, warum.
Und warum ausgerechnet nach Berlin!
Aber das wirst du mir noch sagen, Trössner, nicht wahr? Das wirst du doch nicht vor mir verheimlichen, oder?
Und nicht so schnell! Ich komme ja kaum hinterher.
Hier oben auf dem Bahnsteig ist er nicht allein. Hoffentlich verdirbt ihm das nicht die Stimmung. Nach all den Jahren in so aberwitzig viel Gesellschaft ist er mittlerweile wieder ein Profi im Alleinsein, und er scheint es zu schätzen. Allerdings galt es ja nur, alte Fähigkeiten wiederzubeleben. Als Einzelkind und Unternehmersohn in einem noblen Vorort ohne Kindergarten, da lernt man das Alleinsein von der Pike auf.
Er hatte sich sogar ein gewisses Vergnügen daran bewahrt, als es um ihn herum lebhafter wurde. Das hat er in meinem Beisein einem der Therapeuten erzählt. Mit zwölf oder dreizehn besuchte er dieses altmodische Kino am Bahnhof, das damals still vor sich hin starb. Nachmittagsvorstellung, außer ihm vielleicht nur vier, fünf andere im Saal, unerkennbar in der Dunkelheit. Der Film war ihm egal, es ging nur um das Gefühl, so etwas wie der Einzige oder sogar der Letzte zu sein. Wenn einer kam und fragte, ob jemand Eis wolle, sei das wie eine persönliche Botschaft gewesen.
Lange her, Trössner!
Er nickt bloß. Klemmt dabei die Daumen hinter die Tragegurte des neuen Rucksacks und schaut die Schienen entlang. Trete ich also einen Schritt beiseite. Ich will ihm ja seine wertvollen Momente nicht ruinieren.“

 

Burkhard Spinnen (Mönchengladbach, 28 december 1956)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Alexander Gumz werd geboren op 19 december 1974 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Alexander Gunz op dit blog.

 

stukgeslagen nieuwsberichten

ik ben boos op taal, op alles
wat me met krakende jatten aanraakt. maar ik zeg het niet hardop.

stom van afschuw schud ik de vloerplanken,
luister naar klopsignalen. mijn adem, een koppige eenheid,
geherprogrammeerd door toetsingen aan de grondwet.

boven mij ruimt de geheime dienst op. voorbereidingen zijn in volle gang,
om mijn appartement met plankton te bedekken.

een briefje glijdt onder de deur door: maak je geen zorgen om mij.
heb de stemmen in de regenpijpen in detail bestudeerd.
door mijn vleugels af te knippen, word ik onsterfelijk.

ik had me nooit moeten laten overtuigen
al onze eerste borrel: fout. zoals in een western
wilde je mij, pezig en dapper

zoals in een western, liet je me achter toen de sheriff kwam.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Alexander Gumz (Berlijn, 19 december 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e december ook mijn blog van 28 december 2018 en ook mijn blog van 28 december 2015 en eveneens mijn blog van 28 december 2014 deel 2.

Bernard Wesseling, Alexander Gumz

Rectificatie. De Nederlandse dichter en schrijver Bernard Wesseling werd geboren in Amsterdam op 7 december 1978. Zie ook alle tags voor Bernard Wesseling op dit blog.

Uit: Midzomer, stadsmoe

“Ik nader mijn bestemming, steek mijn telefoon weg en zoek de huisnummers af. Een spoedje, las ik in de order. Ik glijd behoedzaam de stoep op, temporiserend, en hang de laatste meters op één pedaal, in de stijl van boodschappende moeders.
Ik werd nageroepen, dat weet ik zeker. Voor ik me om kan draaien heeft een mevrouw van een zekere leeftijd in feite de moeite genomen om me achterlangs voorbij te snellen en voor me te gaan staan en begint me hier uit te foeteren. Aan haar zijde gapen beurtelings drie keffertjes, als een piepklein pijporgeltje.
Wat voor idioot of ik ben, om zomaar ‘het trottoir’ op te rijden! Ze had wel dood kunnen zijn. Welke achterlijke imbeciel het in zijn hoofd haalt zich zo in het verkeer te begeven? Door wie ik ben opgevoed, áls ik al ben opgevoed, en of ik soms een wolfskind ben?
Ondertussen bevingert ze haar kruisje, dat glimmend tussen haar zonverbrande borsten rust.
Ik wijs met een duim naar de tas op mijn rug die aan de oplettende waarnemer verraadt dat ik een fietskoerier ben, een soort postbezorger, en dus werkachtig in de logistiek (getuige het kwartaalkrantje dat ik ontvang, waaruit blijkt dat ik ook collega’s heb onder vrachtwagenchauffeurs). Verkeersregels gelden voor mij als voor ieder ander, zeker, maar ik permitteer me nu en dan, als de kust veilig is, een aanloopje stoep om mijn klant te behagen. Snelle service heet dat. Waarvan akte, tot uw dienst.
De confrontatie verslechtert snel. Waarschijnlijk herinner ik haar aan een lange lijn verlopen liefdes. Of ze heeft een afvallige zoon, hij wil haar geld zonder haar affectie of haar affectie maar dan met geld toe. Als er maar geld loskomt. Dat haar roedel is uitgekeken op de situatie en onrustig om haar heen drentelt, helpt de spanning alleen te verhogen. Je had liever dat ze begonnen te janken.
– Ja, jij denkt laat maar blèren, dat malle mens, het zal mijn tijd wel duren!
– Mevrouw, het spijt me, u hebt gelijk. Maar nu moet ik verder met mijn werk.
De stoep is trouwens zo breed als een boulevard. Er kan nog zeker een Deense dog langs met zijn baas, zo wordt ondertussen bewezen, en nog blijft er armslag over.
Alles aan haar staat me nu tegen: haar verwrongen gezicht, de kakel in haar stem, haar sieraden, haar honden, maar vooral haar blik, die zegt: ik zal je laten boeten voor alles wat ik niet kan bevatten, jongen.
Er is een onontkoombare intimiteit tussen ons ontstaan.”

 

Bernard Wesseling (Amsterdam, 7 december 1978)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Alexander Gumz werd geboren op 19 december 1974 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Alexander Gunz op dit blog.

 

Hopen op de achterhoede

de zomer is afgelast, de houwdegens komen dichterbij
(wie hangen ze vandaag aan de goot) hun strijdkreten
in de tuinen van de kameraden

dat de tijdrekening met elk refrein krommer wordt
(er tussenin een gat: afgedekt met netten
zodat de arbeidsmarkt niets ziet)

Patroonhulzen klikken tussen noodlampen heen en weer
iemand jongleert met grote handen
soms uitvalswegen, soms piratenzenders

(zijn eigen uitsluitingszone) wat was daaraan
even gevaarlijk (herhalingen) oh ja: het onmogelijke
in telbare gestalten

de trailers worden er uitgesneden
of passend bij de aardkromming overgeschilderd (daar alsjeblieft
een ondertitel: gebruik van middelen die men niet begrijpt)

naar lege bibliotheken joggen (wazige blik
op een rivier waarin de bruggen elkaar overtreffen)
in het donker staat het insectenleger

(de argumenten tegen een stap in het water
worden dunner) snel trappelen (de hele tijd
van zijde wisselen) desondanks hardop schreeuwen

en hopen dat het water zal dragen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Alexander Gumz (Berlijn, 19 december 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e december ook mijn blog van 27 december 2018 en ook mijn blog van 27 december 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.