Anne Brontë, Jan Van Droogenbroeck, Dorothee Wong Loi Sing, Hella Eckert, Nevil Shute, Mrs Henry Wood, George Lyttelton

De Engelse dichteres en schrijfster Anne Brontë werd geboren op 17 januari 1820 in Thornton. Zie ook alle tags voor Anne Brontë op dit blog.

 

Verses To A Child

6
Now, Flora, thou hast but begun
To sail on life’s deceitful sea,
O do not err as I have done,
For I have trusted foolishly;
The faith of every friend I loved
I never doubted till I proved
Their heart’s inconstancy.

7
‘Tis mournful to look back upon
Those long departed joys and cares,
But I will weep since thou alone
Art witness to my streaming tears.
This lingering love will not depart,
I cannot banish from my heart
The friend of childish years.

8
But though thy father loves me not,
Yet I shall still be loved by thee,
And though I am by him forgot,
Say wilt thou not remember me!
I will not cause thy heart to ache;
For thy regretted father’s sake
I’ll love and cherish thee.

 

 
Anne Brontë (17 januari 1820 – 28 mei 1849)

Lees verder “Anne Brontë, Jan Van Droogenbroeck, Dorothee Wong Loi Sing, Hella Eckert, Nevil Shute, Mrs Henry Wood, George Lyttelton”

Jan Van Droogenbroeck, Dorothee Wong Loi Sing, Hella Eckert, Nevil Shute, Mrs Henry Wood, George Lyttelton

De Vlaamse dichter en schrijver Jan Van Droogenbroeck werd geboren te Sint-Amands op 17 januari 1835. Zie ook alle tags voor Jan van Droogenbroeck op dit blog.

 

Zaterdagavond

Bombam, bombam
De groote klokke luidt;
Bombam, bombam
Wie weet wat dit beduidt?
De week is uit, de week is uit
En morgen is het zondag!

Bombam, bombam,
Ons huis is opgetooid;
Bombam, bombam,
De vloer met zand bestrooid,
Het wit gordijntje versch geplooid:
Want morgen is het zondag!

Bombam, bombam,
De koster luidt zoo sterk;
Bombam, bombam,
Sa, jongens aan het werk!
De straat gereven tot een perk,
Want morgen is het zondag!

Bombam, bombam,
De schoenen zijn gepoetst,
Bombam, bombam,
Ei! deed men nog iet goeds,
Zoo men op morgen werken moest?
Want morgen is het zondag!

 

 
Jan Van Droogenbroeck (17 januari 1835 – 27 mei 1902)

Lees verder “Jan Van Droogenbroeck, Dorothee Wong Loi Sing, Hella Eckert, Nevil Shute, Mrs Henry Wood, George Lyttelton”

Jan Van Droogenbroeck, Dorothee Wong Loi Sing, Nevil Shute, Mrs Henry Wood, George Lyttelton, Hella Eckert

De Vlaamse dichter en schrijver Jan Van Droogenbroeck werd geboren te Sint-Amands op 17 januari 1835. Zie ook mijn blog van 17 januari 2007 en ook mijn blog van 17 januari 2009 en ook mijn blog van 17 januari 2010.

 

De Pen

 

Op twee beenen,

Zonder voeten

Loopt zij over ’t witte blad:

Zonder tonge

Kan zij spreken,

Deftig, sierlijk, rad en glad.

 

Met den bek, den

Scherpgespitste,

Wroet zij in vergiftig nat;

Jongens, jongens,

Dat is wonder!

Zeg mij, wat een dier is dat?

 

Loopen kan zij;

Maar bestieren,

Moet gij zelf, mijn slimme snaak;

Spreken kan zij,

Ja; maar denken,

Dat is weerom uwe zaak.

 

Wroet zij in den

Zwarten koker,

Wordt zij gansch besmeurd aldaar:

– Uw’ gedachten

Blijven helder;

Wat gij schrijft zij klaar en waar!

 

 

Jan Van Droogenbroeck (17 januari 1835 – 27 mei 1902)

 

 

Lees verder “Jan Van Droogenbroeck, Dorothee Wong Loi Sing, Nevil Shute, Mrs Henry Wood, George Lyttelton, Hella Eckert”

Einar Schleef , Klaus M. Rarisch, William Stafford, Jan Van Droogenbroeck, Dorothee Wong Loi Sing, Nevil Shute, Mrs Henry Wood, George Lyttelton, Hella Eckert

De Duitse schrijver en regisseur Einar Schleef werd in 1944 geboren in Sangershausen, Thüringen. Zie ook mijn blog van 17 januari 2009.

 Uit: “Tod eines Lehrers” in DIE BANDE.

[…] Eine Frau die früh 4 bis abends 11 stramm gearbeitet hat verkommt. In ersehnter Rentenruhe den Lebensabend genießen. Davon macht Ihr Euch kein Bild, schreib und schärf das auch Deinem Bruder ein. Ich meckere nicht, aber wenn ich auf dem Schragen liege, wer kümmert sich um mich, beide einfach abhauen.
Wer fragt nach mir.
Ich nummeriere meine Briefe, aber was machst Du. Ich habe Deine ganze Reise auf der Karte verfolgt, Dein Schulatlas liegt auf dem Schreibtisch genau vor Vatis Bild, kann er auch sehen wo Du Dich rumtreibst. Einfach fabelhaft. Manchen Abend blättere ich drin rum, überall der Stempel der Oberschule, daß Du Dich nicht schämst, wenn man den Atlas bei mir findet. Die Feierlichkeiten für die Lehrer sollen schon vorbei sein, da klingle ich einfach heute Abend, steh vor der Tür. Ich habe herrliche weiße Gladiolen. Vati hab ich auch seine rausgetragen. Wieviel Jahre du mich vertröstet, wir kümmern uns gemeinsam um einen Stein, es ist bis jetzt keiner draußen. Rings alles pompös, keiner denkt, ich kann den mir nicht leisten, das ist lächerlich, man denkt, ich will ihn nicht. Vati wünschte sich einen Findling, den soll er erhalten aber woher. Ich tigere durch die Umgebung, rauf zur Schachthalde, nirgendswo ein geeigneter zu entdecken, ja wär ich früher drauf gekommen, den Friedhofsgärtner mit Intershop eingepackt, hätte der Vati einen, hinten die alte Schrift ab und die unsere neu. In Gold oder Natur. Oder einfach Schwarz. Ich habe soviele Fragen an Dich und kein Mensch ist da. Aber daß ich so völlig von der Welt abgeschnitten, wer sich das denken können. Jammern, ich kann hier nicht weg, müßte ja den Vati ausbuddeln und wo sollte ich hin, euch folgen, nein der Vati hält mich fest, das ist auch besser so.
Schreib Deinem Lehrer. Wieoft warst Du bei ihm. Kannst Du das einfach vergessen. Ich bin ja unwichtig. Die Laster donnern am Gaswerk vorbei, jeden Tag, die Lampe zittert, der Schreibtisch wackelt. Ich bin alt geworden, muß mich jedesmal festhalten. Abends stiebt der Qualm durch die Mogkstraße, rote Funken mache sofort die Fenster zu, früh sitzen trotzdem dicke, schwarze Noppen in der Gardine.
Hoffentlich erreicht Dich mein Brief und antworte sofort.

Dich lieb grüßend

Deine Mutter.

 

schleef

Einar Schleef (17 januari 1944 – 21 juli 2001)

 

De Duitse dichter Klaus M. Rarisch werd geboren op 17 januari 1936 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 17 januari 2009.

 

Deep blue

 

Viele Zwerge glauben: Klein

sind wir an Statur und Klasse,

aber nicht an Zahl und Masse.

Schraube los? Wir schrauben ein!

 

Macht aus faulen Trauben Wein,

doch laßt ab von eurem Hasse

gegen unsre Däumlingsrasse,

laßt das Bauernrauben sein!

 

Was wir in das Blech gesteckt,

das hat Int’ligenz geweckt,

adelt Variantenschutt!

 

Was der Gegner auch bezweckt –

wir sind schneller, sind perfekt!

Input … Output … Liliput.

 

 

Tod im Café

 

Ein Dichter will sich aufs Papier verschwenden –

Statt dessen nimmt ein Weib an ihm Gefallen.

Man trinkt und schweigt in langen Intervallen.

Dem Dichter zieht es süßlich in den Lenden …

 

Da flammt sie auf – der Wein aus den Kristallen

Verzischt, als Essig rinnt er von den Wänden –

Manon hielt eben Flieder noch in Händen? –

Jetzt krampft sie Asche in geborstnen Krallen.

 

Ringsher fängt zähes Lachen an zu fließen,

Wie Sand aus einem leeren Portemonnaie.

Die Kellner lassen es sich nicht verdrießen –

Der Dichter zahlt und hetzt aus dem Café.

Er muß sich jetzt in freie Rhythmen gießen:

Die liest er morgen auf der Sturmsoirée!

 

Rarisch

Klaus M. Rarisch (Berlijn, 17 januari 1936)

 

De Amerikaanse dichter William Edgar Stafford werd geboren op 17 januari 1914 in Hutchinson, Kansas. Zie ook mijn blog van 17 januari 2009.

 

When I Met My Muse 

 

I glanced at her and took my glasses

off–they were still singing. They buzzed

like a locust on the coffee table and then

ceased. Her voice belled forth, and the

sunlight bent. I felt the ceiling arch, and

knew that nails up there took a new grip

on whatever they touched. “I am your own

way of looking at things,” she said. “When

you allow me to live with you, every

glance at the world around you will be

a sort of salvation.” And I took her hand.

 

 

Notice What This Poem Is Not Doing 

 

The light along the hills in the morning

comes down slowly, naming the trees

white, then coasting the ground for stones to nominate.

 

Notice what this poem is not doing.

 

A house, a house, a barn, the old

quarry, where the river shrugs–

how much of this place is yours?

 

Notice what this poem is not doing.

 

Every person gone has taken a stone

to hold, and catch the sun. The carving

says, “Not here, but called away.”

 

Notice what this poem is not doing.

 

The sun, the earth, the sky, all wait.

The crowns and redbirds talk. The light

along the hills has come, has found you.

 

Notice what this poem has not done. 

 

Stafford

William Stafford (17 januari 1914 – 28 augustus 1993)

 

De Vlaamse schrijver Jan Van Droogenbroeck werd geboren te Sint-Amands op 17 januari 1835. Zie ook mijn blog van 17 januari 2007 en ook mijn blog van 17 januari 2009.

 

Het zieke broerken

 

De moeder zit aan ’t vensterraam,

Zij heeft een kind op haren schoot

En vouwt de handen biddend saam:

Ons broederken is bijna dood!

[p. 50] Hoe ligt het daar, op haren schoot,

Wat is het bleek, het arme wicht!

Mijn broederken is bijkans dood,

Dat nog op ons zijne oogen richt.

 

Wat ziet het bleek, het arme wicht!

Het legt zijn hoofdje moede neer

Terwijl ’t op ons zijn oogen richt;

Want het bemint ons nog zoo teer!

 

Het legt het moede hoofdje neer

En zoekt in moeders armen rust.

Ach! het bemint ons nog zoo teer:

Het heeft ons gistren nog gekust…

 

Nu zoekt het bij de moeder rust.

Het wilde,…. maar en kan niet meer,

Het heeft ons gistren nog gekust:

Omarm ons, lieve, nog een keer!

 

Het wil wel, maar het kan niet meer!

 

Droogenbroeck

Jan Van Droogenbroeck (17 januari 1835 – 27 mei 1902)

 

 

De Surinaamse schrijfster en beeldend kunstenares Dorothee Wong Loi Sing werd geboren in Paramaribo op 17 januari 1954. Zie ook mijn blog van 17 januari 2009.

 

Uit: Witmans hel

 

Daar gaan ze dan: vergezeld van een voortdurend innerlijk kontakt met mij, de Mamaisa, die de hoogmoedswaanzin, het onterechte superioriteitsgevoel, en de hebzuchtige egocentriciteit van de valse broeders en zusteren wil nivelleren.

In mij sluimeren ook onrustig de Witmensen, geplaagd door angstige voorspellende visioenen van hel en verdoemenis, want hoe goed hebben zij geweten, dat hun daden niet tot in alle eeuwigheid ongestraft zouden blijven, en dat zij de verstikte stem van hun eigen geweten niet voor immer zouden kunnen blijven negeren. Onrustig sliepen hun beenderen in mij, bedekt door marmeren praalgraven met lovende in-memoriams: de Suzanna Duplessis’en, de Cecil Rhodes’en, de tallozen. Onrustig keerden hun schimmen telkens en telkens terug naar de plaatsen waar zij hun wandaden bedreven hadden, tot zelfs de minst gevoelige arbeider, wandelaar of toerist op voormalige executieplaatsen, voormalige slavenplantages, in musea en antiekzaken (waar nog authentieke brandijzers en folterwerktuigen te koop zijn! Om als versiering voor je huis te dienen!) het gevoel kreeg, iets op te hebben gevangen van een echo uit het schuldige verleden. Ook de witmensen van toen bekleed ik met nieuw vlees, maar ik plaats ze in parallelle werelden, waar de historie ná hun succesvolle historische wandaden nèt iets anders verloopt Enkelen ge-

[p. 186]nieten de twijfelachtige eer, in dezelfde parallelwereld te mogen reïncarneren, waar ze in historische tijden zo’n ongebreidelde macht uitoefenden en aanzien genoten. Daar zullen ze verdwaald en angstig moeten toezien, hoe de afstammelingen der slaven nu gelijk zijn in velerlei, of zelfs superieur in sommige aspecten. En dan laat ik ze lòs, allen, op het door hen gekozen tijdstip.

En verklaar de ‘jacht’ voor geopend.“

 

Sing

Dorothee Wong Loi Sing (Paramaribo, 17 januari 1954)

 

De Engelse schrijver Nevil Shute werd geboren op 17 januari 1899 in Ealing. Zie ook mijn blog van 17 januari 2009.

 

Uit: The Far Country

 

They went back to the hotel, and rested for a time in the lounge with glasses of cold beer, and dined, and went out to see Worm’s Eye View, and laughed themselves silly. They got up late by their standards next day, and early by those of the hotel, and went down to their breakfast in the dining room. As country folk they were accustomed to a cooked breakfast and the hotel was accustomed to station people; half a pound of steak with two fried eggs on top of it was just far enough removed from normal to provide a pleasant commencement for the day for Jack. Jane ate more modestly – three kidneys on toast and a quarter of a pound of bacon. Fortified for their day’s work they set out to look at pictures with a view to buying one.

The first gallery they went to was full of pictures of the central Australian Desert. The artist had modeled his style upon that of a short-sighted and eccentric old gentleman called Cezanne, who had been able to draw once but had got tired of it; this smoothed the path of his disciples a good deal. The Dormans wandered, nonplused, from mountain after mountain picture, glowing in rosy tints, all quite flat upon the canvas, with queer childish brown scrawls in the foreground that might be construed into aboriginals. A few newspaper clippings, pinned to the wall, hailed the artist as one of the outstanding landscape painters of the century.

Jack Dorman, deep in gloom at the impending waste of money, said, “Which do you like best? That’s a nice one, over there.”

Jane said, “I don’t like any of them. I think they’re horrible.”

“Thank God for that,” her husband replied. The middle-aged woman seated at the desk looked at them with stern disapproval.

They went out into the street. “It’s this modern stuff,” Jane said. “That’s not what I want at all.”

“What is it you want?” he asked. “What’s it got to be like?”

She could not explain to him exactly what she wanted, because she did not know herself. “It’s got to be pretty,” she said, “and in bright colours, in oils, so that when it’s raining or snowing in the winter you can look at it and like it. And it’s got to be like something, not like those awful daubs in there.”

The next gallery that they went into had thirty-five oil paintings hung around the walls. Each picture depicted a vase of flowers standing on a polished table that reflected the flowers and a curtain draped behind; thirty-five oil paintings all carefully executed, all with the same motif. A few newspaper cuttings pinned up announced the artist as the outstanding flower painter of the century.“

 

Shute

Nevil Shute (17 januari 1899 – 12 januari 1960)

 

De Engelse schrijfster Mrs Henry Wood werd geboren in Worcester op 17 januari 1814 als Ellen Price. Zie ook mijn blog van 17 januari 2009.

 

Uit: Reality Or Delusion?

 

THIS is a ghost story. Every word of it is true. And I don’t mind confessing that for ages afterwards some of us did not care to pass the spot alone at night. Some people do not care to pass it yet.

  It was autumn, and we were at Crabb Cot. Lena had been ailing; and in October Mrs. Todhetley proposed to the Squire that they should remove with her there, to see if the change would do her good.

  We Worcestershire people call North Crabb a village; but one might count the houses in it, little and great, and not find four-and-twenty. South Crabb, half a mile off, is ever so much larger; but the church and school are at North Crabb.

  John Ferrar had been employed by Squire Todhetley as a sort of overlooker on the estate, or working bailiff. He had died the previous winter; leaving nothing behind him except some debts; for he was not provident; and his handsome son Daniel. Daniel Ferrar, who was rather superior as far as education went, disliked work: he would make a show of helping his father, but it came to little. Old Ferrar had not put him to any particular trade or occupation, and Daniel, who was as proud as Lucifer, would not turn to it himself. He liked to be a gentleman. All he did now was to work in his garden, and feed his fowls, ducks, rabbits, and pigeons, of which he kept a great quantity, selling them to the houses around and sending them to market.

  But, as every one said, poultry would not maintain him. Mrs. Lease, in the pretty cottage hard by Ferrar’s, grew tired of saying it. This Mrs. Lease and her daughter, Maria, must not be confounded with Lease the pointsman: they were in a better condition of life, and not related to him. Daniel Ferrar used to run in and out of their house at will when a boy, and he was now engaged to be married to Maria. She would have a little money, and the Leases were respected in North Crabb.“

 

Wood

Mrs Henry Wood (17 januari 1814 – 10 februari 1887)

 

De Engelse schrijver, politicus en staatsman George Lyttelton, 1e Baron Lyttelton werd geboren in Hagley, Worcestershire op 17 januari 1709. Zie ook mijn blog van 17 januari 2009.

 

Uit: Dialogues of the Dead

 

_Mr. Hampden_.–I wished for peace too, as ardently as your lordship, but I saw no hopes of it.  The insincerity of the king and the influence of the queen made it impossible to trust to his promises and declarations. Nay, what reliance could we reasonably have upon laws designed to limit and restrain the power of the Crown, after he had violated the Bill of Rights, obtained with such difficulty, and containing so clear an assertion of the privileges which had been in dispute?  If his conscience would allow him to break an Act of Parliament, made to determine the bounds of the royal prerogative, because he thought that the royal prerogative could have no bounds, what legal ties could bind a conscience so prejudiced? or what effectual security could his people obtain against the obstinate malignity of such an opinion, but entirely taking from him the power of the sword, and enabling themselves to defend the laws he had passed?

_Lord Falkland_.–There is evidently too much truth in what you have said.  But by taking from the king the power of the sword, you in reality took all power.  It was converting the government into a democracy; and if he had submitted to it, he would only have preserved the name of a king.  The sceptre would have been held by those who had the sword; or we must have lived in a state of perpetual anarchy, without any force or balance in the government; a state which could not have lasted long, but would have ended in a republic or in absolute dominion.“

 

George_Lyttelton

George Lyttelton (17 januari 1709 – 24 augustus 1773)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 17 januari 2009.

 

De Duitse schrijfster Hella Eckert werd geboren op 17 januari 1948 in Bremen.

 

Klaus M. Rarisch, William Stafford, Roel Houwink, Jan Van Droogenbroeck, Dorothee Wong Loi Sing, Nevil Shute, Mrs Henry Wood, George Lyttelton

De 17e januari is (net als de 17e december) een erg vruchtbare geboortedag gebleken voor schrijvers. Vandaar dat er na deze posting nog een tweede volgt. Kom gerust nog eens kijken later vandaag

 

De Duitse dichter Klaus M. Rarisch werd geboren op 17 januari 1936 in Berlijn. Hij werkte als wetenschappelijk archivaris. Hij publiceert gedichten, essays en vertalingen uit het Engels en het Italiaans. Vanwege zorgen om de wapenwedloop begon hij samen met Dieter Volkmann de lieteraire stroming van het Ultimisme.

 

MEMENTO MORI

              Platen zu Ehren

Die grünen Hüpfer zahlen Alimente,
und sind sie pleite, na, dann zahlt der Staat.
Sie denken allenfalls: Ich bin auf Draht.
Es stimmt schon, daß ich früher mit ihr pennte,

doch gut nur, daß ich mich beizeiten trennte.
Den Löffel habe ich schon längst parat –
ich geb ihn ab, wird alles mir zu fad.
Und stetig schrumpft die kümmerliche Rente.

Die Älteren, von Wichtigkeit durchdrungen,
sie bleiben Futter für den finstren Feldherrn.
Die besten Taten sind noch stets mißlungen.

Zwei Sensenstreiche galten alten Eltern,
der dritte hat die junge Frau bezwungen.
Schwarz schäumt der Wein auf, den wir barfuß keltern.

 

rarisch

Klaus M. Rarisch (Berlijn, 17 januari 1936)

 

De Amerikaanse dichter William Edgar Stafford werd geboren op 17 januari 1914 in Hutchinson, Kansas. Hij studeerde aan de universiteit van Kansas en Iowa en doceerde aan verschillende colleges. Hij debuteerde pas op zijn 48e als dichter met de bundel Traveling Through the Dark. Het titelgedicht is een van zijn bekendste werken. In het jaar 1963 kreeg hij voor deze bundel de  National Book Award. In 1970 werd Stafford benoemd tot Consultant in Poetry to the Library of Congress, tegenwoordig is deze functie bekend als Poet Laureate.

 

For My Young Friends Who Are Afraid

           

There is a country to cross you will

find in the corner of your eye, in

the quick slip of your foot–air far

down, a snap that might have caught.

And maybe for you, for me, a high, passing

voice that finds its way by being

afraid. That country is there, f
or us,

carried as it is crossed. What you fear

will not go away: it will take you into

yourself and bless you and keep you.

That’s the world, and we all live there.

 

 

Remembering Mountain Men

           

I put my foot in cold water

and hold it there: early mornings

they had to wade through broken ice

to find the traps in the deep channel

with their hands, drag up the chains and

the drowned beaver. The slow current

of the life below tugs at me all day.

When I dream at night, they save a place for me,

no matter how small, somewhere by the fire.

 

William-Stafford

William Stafford (17 januari 1914 – 28 augustus 1993)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Roel Houwink werd geboren op 17 januari 1899 in Breda. Zie ook mijn blog van 17 januari 2007.

 

De Idioot

 

Zijn mond is hongerend en zacht.

Hij bouwt met bonte blokken als een kind,

maar waar het leven van de ziel begint

spieglen zijn oogen eenzaamheid en nacht.

Hij kan niet denken en niet spreken

en toch verstaat hij, God, Uw teeken,

wanneer G
ij in de kille holte van zijn hand

het vlammend zegel van Uw liefde brandt.

Want zie, hij heft zijn oogen op en lacht

naar ’t plotse f onkien van die zonnepracht.

 

Houwink

Roel Houwink (17 januari 1899 – 3 juni 1987)
Houwink met zijn vrouw

 

De Vlaamse schrijver Jan Van Droogenbroeck werd geboren te Sint-Amands op 17 januari 1835. Zie ook mijn blog van 17 januari 2007.

 

In den Winter.

 

Daar is de koude Winter weer;

De vijver is vol ijs.

Nu zijn er geene bloemen meer,

De velden zijn nu niet meer groen,

Maar grauw en grijs.

 

Waar zijn de vliegen, klein en groot,

Die fladderden zoo vlug?

De meeste vliegen zijn al dood.

Zij zien het aangenaam seizoen,

De lente, niet terug.

 

Zijn vlieg en vlinder nu gestorven,

Zijn al de wespen ook verdorven,

De bieën zitten in de korven

En hebben daar nog lekkre spijs;

Zij spaa
rden voor den langen Winter

En handelden zeer wijs.

 

Is weer de lieve Lente daar,

Dan vliegen zij vlug uit:

Zij ronken in den appelaar,

Den kerselaar, den pruimelaar,

In beemden en in velden,

Op alle bloem en kruid.

 

Nu is de koude Winter daar,

De vijver is vol ijs,

Nu zijn er geene bloemen; maar

Nog twee, drie maanden, – en de wei

Is weer van bloemen grijs.

 

Droogenbroeck

Jan Van Droogenbroeck (17 januari 1835 – 27 mei 1902)

 

De Surinaamse schrijfster en beeldend kunstenares Dorothee Wong Loi Sing werd geboren in Paramaribo op 17 januari 1954.  Dorothee Wong Loi Sing werkte als schrijfster bij het Project Volwassenenalfabetisering van het Surinaamse ministerie van Onderwijs. Ze bracht meer dan vijftien werken in eigen beheer uit, gestencild, gefotokopieerd, in ringbandjes of geniet: poëzie, proza, toneel, zowel voor de jeugd als voor volwassenen. Grootste verspreiding vond haar bundel Zwarte muze, witte creoolse (1983) met gedichten in het Sranan, Engels en Nederlands. In 1984 won ze met drie gedichten een prijs in The Black Youth Annual Penmanships Awards te Londen. Na 1991 stopte ze met schrijven. Zij is ook schilderes en gebruikt daarbij verschillende technieken.

 

Uit: Witmans hel

 

“De hèl breekt los. Of de hemel, het hangt ervan af vanuit wiens standpunt je het bekijkt. De hèl breekt los, daar zorg ik, Mamaisa, eigenmachtig voor. De gefolterde zielen van de zwarte slaven van weleer laat ik vrij, met geen ander doel, dan dat zij de vreugde mogen smaken van zich te mogen wreken op hun stiefbroeder Kain. Uit de tot as verbrande beenderen van Codjo, Mentor en Present, de gemartelde botten van de slavin Séry en haar talloze vertrapte lotgenoten, roep ik de wachtende kra’s en dyoyo’s op, en bekleed ze met nieuw vlees en een ontzagwekkende hoeveelheid psikrachten en intellectueel/artistieke talent
en. Ik vervul de vroegere slaven en slavinnen van mijn reeds eeuwen zinderende drang tot vergelding, laat hen kiezen uit verschillende instructies met een scala aan mogelijke resultaten, variërend van nachtmerries veroorzaken, jaloezie opwekken, imitatiedrang vestigen, beschaamd maken, op schuldgevoelens inwerken, tot en met bittere genadeloze moordaanslagen die in angstpsychosen dienen uit te monden bij de Witman en de Witvrouw, in effect gelijk aan de angst die een Ku-Klux-Klan oproept in Noord-Amerika op de planeet OerAarde, waarvan vele parallelwerelden afstammen. En dan laat ik ze lòs, allen op het door henzelf gekozen tijdstip.”

 

paramaribo

Dorothee Wong Loi Sing (Paramaribo, 17 januari 1954)
Paramaribo (Geen portret beschikbaar)

 

De Engelse schrijver Nevil Shute werd geboren op 17 januari 1899 in Ealing. Een groot aantal van zijn boeken is in meer talen uitgegeven en een aantal is verfilmd, met onder anderen bekende sterren als Gregory Peck en Marlene Dietrich. Het bekendste werk is wel zijn On the Beach. In WO II was hij nauw betrokken bij het ontwikkelen van diverse bewapeningssystemen voor de luchtmacht, wat hij beschreef in zijn werk Most Secret.

 

Uit: The Far Country

 

The last exhibition that they visited that morning was of paintings and sculpture by the same artist; at the door a newspaper cutting informed them that the artist was a genius at the interpretation of Australia. The centre of the floor was occupied by a large block of polished mulga wood with a hole in it, of no recognizable shape or form, poised at eye level on a stand that you might admire it better. Beneath it was the title, Design for Life.

“Like that one to take home?” asked Jack. He glanced at the catalogue. “It’s only seventy-five guineas . . .”

The paintings were a little odd, because this artist was a Primitive, unable to paint or to draw, and hailed as a genius by people who ought to have known better. Purple houses that might have been drawn by a five-year-old child straggled drunkenly across vermilion streets that led to nowhere and meant nothing; men with green faces struggled mysteriously and perhaps discreditably with ladies who had square blue breasts.

“That’s a nice one . . .” said Jack thoughtfully.

Jane said, “Let’s get out of here. People must be mad if they like things like that.”

Out in the street he said, “There’s another gallery in Bourke Street, up by William Street or somewhere.”

Jane said, “I want a cup of tea.”

They turned into a cafe; over the tea she said that she was through with picture galleries. “I know what I want,” she said, “but it’s not here. I want a picture that an ordinary person can enjoy, not someone who’s half-mad. I’ll find it someday.”

He said tentatively, “There might be time to go down and pick up the Ford before dinner…….

“Let’s do that,” she said. “Take the taste of those foul paintings out of our mouths.”

 

shute

Nevil Shute (17 januari 1899 – 12 januari 1960)

 

De Engelse schrijfster Mrs Henry Wood werd geboren in Worcester op 17 januari 1814 als Ellen Price. Ellen Price leed aan een rugkwaal, waardoor zij in haar jeugd een beschermd leven leidde, met veel tijd voor studie. Zij trouwde met de bankier Henry Wood, en woonde in Zuid-Frankrijk, waar zij haar schrijverscarrière begon. Zij bereikte bekendheid met haar tweede roman, East Lynne, en publiceerde in totaal bijna 50 romans en verhalenbundels. In 1867 kocht zij het tijdschrift Argosy, waarvan zij de redactie voerde en waaraan ze ook zelf bijdroeg. In 1880 keerde zij terug naar Engeland.

 

Uit: East Lynne

 

In an easy-chair of the spacious and handsome library of his town-house, sat William, Earl of Mount Severn. His hair was gray, the smoothness of his expansive brow was defaced by premature wrinkles, and his once attractive face bore the pale, unmistakable look of dissipation. One of his feet was cased in folds of linen, as it rested on the soft velvet ottoman, speaking of gout as plainly as any foot ever spoke yet. It would seem—to look at the man as he sat there—that he had grown old before his time. And so he had. His years were barely nine and forty, yet in all save years, he was an aged man.

A noted character had been the Earl of Mount Severn. Not that he had been a renowned politician, or a great general, or an eminent statesman, or even an active member in the Upper House; not for any of these had the earl’s name been in the mouths of men. But for the most reckless among the reckless, for the spendthrift among spendthrifts, for the gamester above all gamesters, and for a gay man outstripping the gay—by these characteristics did the world know Lord Mount Severn. It was said his faults were those of his head; that a better heart or a more generous spirit never beat in human form; and there was much truth in this. It had been well for him had he lived and died plain William Vane.“

 

Wood

Mrs Henry Wood (17 januari 1814 – 10 februari 1887)

 

De Engelse schrijver, politicus en staatsman George Lyttelton, 1e Baron Lyttelton werd geboren in Hagley, Worcestershire op 17 januari 1709. Hij bezocht Eton College en de Universiteit van Oxford. Aansluitend ondernam hij de grand tour, waarna hij in de politiek ging. Hij werd gekozen in het Lagerhuis, waar hij deel uitmaakte van de oppositie ten tijde van Robert Walpole. In 1737 werd hij secretaris van Frederik, prins van Wales en in 1755 Chancellor of the Exchequer. In 1756 werd hij in de adelstand verheven. Lyttelton was een vriend en begunstiger van Alexander Pope en van Henry Fielding, die zijn roman Tom Jones aan hem opdroeg. Ook steunde hij de Schotse dichter James Thomson, die zijn werk The Seasons aan hem opdroeg. Zijn literaire werk omvat Monody (gedichten, 1747, ter nagedachtenis aan zijn vrouw), Dialogues of the Dead, een verzameling dodengesprekken, en The History of the Life of Henry the Second.

 

Uit: Dialogues of the Dead

 

Lord Falkland.—Are not you surprised to see me in Elysium, Mr. Hampden?

Mr. Hampden.—I was going to put the same question to your lordship, for doubtless you thought me a rebel.

Lord Falkland.—And certainly you thought me an apostate from the Commonwealth, and a supporter of tyranny.

Mr. Hampden.—I own I did, and I don’t wonder at the severity of your thoughts about me.  The heat of the times deprived us both of our natural candour.  Yet I will confess to you here, that, before I died, I began to see in our party enough to jus
tify your apprehensions that the civil war, which we had entered into from generous motives, from a laudable desire to preserve our free constitution, would end very unhappily, and perhaps, in the issue, destroy that constitution, even by the arms of those who pretended to be most zealous for it.

Lord Falkland.—And I will as frankly own to you that I saw, in the court and camp of the king, so much to alarm me for the liberty of my country, if our arms were successful, that I dreaded a victory little less than I did a defeat, and had nothing in my mouth but the word peace, which I constantly repeated with passionate fondness, in every council at which I was called to assist.“

 

Lyttelton

George Lyttelton (17 januari 1709 – 24 augustus 1773)

Ilja Leonard Pfeijffer, Roel Houwink, Raoul Schrott, Anne Brontë, Jan Van Droogenbroeck

De Nederlandse dichter en schrijver Ilja Leonard Pfeijffer werd geboren op 17 janauari 1968 in Rijswijk. Zie ook mijn blog van 17 januari 2007.

Uit: Het ware leven, een roman

“Neuken. We kenden het woord niet eens. Maar we deden het gewoon. Ach, Parijs.
Jenever kostte toen nog een kwartje in Café Reynders. Maar dan moest je net Remco hebben. Altijd ideeën. We konden hem niet eens bijbenen. Maar nooit een cent op zak, als je begrijpt wat ik bedoel. Dan zaten we daar met Gerrit, Jan, Hans leefde toen nog en Hugo, of was dat pas later? Maar, in ieder geval, het ging over de experimentele roman. Ja, zo ging dat in die dagen. En dan had Hugo nog een fles ergens, god weet hoe hij daar aan kwam, maar wij klaagden niet. En als we echt aan de grond zaten, kwam Karel wel onverwachts binnenwaaien. Met die kop van hem. Had hij weer een gouache verkocht. Daar konden we drie dagen van zuipen. Maar het ging om de ideeën, hè, in die tijd, het experiment. Daar leefden we voor.
Karel had natuurlijk al eerder een voet aan de grond in Parijs. Pied à terre, noemden wij dat. En dat moest toen in die dagen zo’n beetje de basis gaan vormen van de experimentele roman. Achteraf heb ik daar wel eens de wenkbrauwen over gefronst. En achteraf heb ik ook wel een beetje gelijk gekregen. Maar in die tijd ging dat zo. Zo waren we. We wisten niet eens wat het was. We deden het gewoon.
En toch, onze ideeën waren zo slecht nog niet. Maar je moet het allemaal in die tijd zien. Remco was daar een meester in, om het in die tijd te zien. ‘We moeten het in deze tijd zien,’ zei hij altijd. Ach, Remco. Zijn ideeën waren goed. En hij heeft toch wel iets bereikt. Want waar we vanaf wilden, was het fascisme, hè. Het fascisme van de lineaire vertelling. Zo van dat er nog geen mus op het dak kan gaan zitten, als je begrijpt wat ik bedoel. Ja, achteraf lach je erom. Maar we hebben op onze bescheiden manier toch wel iets bereikt. De boel werd zo’n beetje opengebroken. Gewoon, omdat wij onbevooroordeeld de boel te lijf gingen. En verder moet de geschiedenis er maar een oordeel over vellen.”

 

PFeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer (Rijswijk,  17 janauari 1968)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Roel Houwink werd geboren op 17 januari 1899 in Breda. Zie ook mijn blog van 17 januari 2007.

 

 

De kinderen
Voor Anne de Vries

Zij komen uit een rijk voorbij dit leven

en gaan langs wegen waar geen mensch van weet

een verren onbekenden einder tegen,

de zoom strijkt langs ons van hun wapprend kleed.

 

Hoe houden zij zoo licht en bijna blij geheven

den beker van ’t oneindig bittre leed?

hoe ligt voor elk een argelooze zegen

in ’t teere hunkren van hun hart gereed?

 

Maar Die zegt: ‘Laat de kindren tot mij komen!’

spreekt daarmee over ons een streng gericht,

want wij staan tusschen hen en hunne droomen

vaak als een muur van angsten opgericht.

 

HOUWINK

Roel Houwink (17 januari 1899 – 3 juni 1987)

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Raoul Schrott werd op 17 januari 1964 in Landeck (Tirol) geboren. Zie ook mijn blog van 17 januari 2007.

 

Uit: Handbuch der Wolkenputzerei

 

“1. Teheran – Shiraz

Nach einer Woche im Iran blieben eher fast unübersehbar viele Gedankensplitter, kaum Eindrücke, die einem nahegingen, eingingen. Man hat einen anderen Blick, wenn man die ganze Zeit untereinander Positionen verhandelt und damit beschäftigt ist, alle vorgefaßten Meinungen wieder zu vergessen und dieses Andere zu begreifen; das Fremde bleibt fremd, seltsam uneigentlich, es hielt einen in der Rolle des Beobachters, nicht des Betrachters. Wir waren als Intellektuelle gefragt, weniger als Schriftsteller, wurden von einer Diskussion zur anderen geführt und redeten, redeten bis in die Nacht mit einem stündlich wechselnden Gegenüber, wandernde Akteure auf einer politisierten Bühne, ebensooft aber auch Publikum; wir antworteten auf Stichworte und suchten hinter den Kulissen nach einem Plot, einer Einheit der Handlung und der Zeit. Oder selbst noch nach der eines Ortes.

Nein, Teheran war weder Damaskus noch Bagdad; es erinnerte weit mehr an Athen, ebenso zersiedelt, der Verkehr chaotisch und Dreck in der Luft, die Straßen jedoch ungleich sauberer und die Schilder überall wie selbstverständlich zweisprachig, Englisch unter den arabischen Schriftzeichen. Sie ließen einen leicht übersehen, daß das Persische der Zoroaster selbst eine uralte indoeuropäische Sprache war und das Arabische historisch ebenso aufgezwungen war wie auch der Islam. Den Iran mit ihnen gleichzusetzen hieß, ihn mißzuverstehen und der typisch westlichen Legasthenie zu verfallen, die zwischen Iran und Irak keinen Unterschied herauslas; dagegen wehrte man sich hier um so berechtigter, als die Vergleiche mit Europa weit näher lagen. Die Atmosphäre in der Stadt glich vielmehr der eines Griechenlands Anfang der 70er Jahre, das sich noch abzufinden hatte mit der Diktatur, doch im Bewußtsein, daß das Ende bereits irgendwie absehbar sein mußte.

Die Menschen begegneten uns mit einer zuvorkommenden Zurückhaltung und waren uns gegenüber dennoch offen; das war ein erstes Paradoxon. Das zweite aber, daß jeder humorlose Konformismus und vorauseilende Gehorsam, wie sie sich in totalitären Regimes ausbreiten, völlig fehlte; dazu waren sie zu abgeklärt und zugleich doch aufgeklärt. Noch die Frauen suchten diesen Individualismus unter ihrem Russari zu bewahren, und sie zeigten ihn mit jedem einzelnen Zentimeter, mit dem sie das schwarze Kopftuch zurückrückten über den dunklen Haaren. Sich die Nase von einem Schönheitschirurgen klassisch gerade richten zu lassen war gerade in Mode; wer sich das nicht leisten konnte, klebte eben ein Pflaster drauf, als ob. Es mochte eine allgemein spürbare Faszination für alles Westliche verraten, andererseits aber blieb ihnen auch nur etwas Make-up und sorgfältig manikürte Finger, um sich einer Öffentlichkeit zu zeigen, in der Musik und Tanzdarbietungen offiziell verboten sind und es unstatthaft ist, einer Frau offen in die Augen zu sehen oder ihr gar die Hand zu reichen.”

 

Schrott

Raoul Schrott (Landeck, 17 januari 1964)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 17 januari 2007.

De Engelse schrijfster Anne Brontë werd geboren op 17 januari 1820 in Thornton.

De Vlaamse schrijver Jan Van Droogenbroeck werd geboren te Sint-Amands op 17 januari 1835.

Anne Brontë, Raoul Schrott, Jan Van Droogenbroeck, Roel Houwink, Ilja Leonard Pfeijffer

De Engelse schrijfster Anne Brontë werd geboren op 17 januari 1820 in Thornton. Anne Brontë was de jongste zus van de meer bekende Charlotte Brontë en Emily Brontë. Zij was ook de minst getalenteerde van de drie. Samen publiceerden zij ‘Poems’ (1846) onder de pseudoniemen Currer Bell (Charlotte), ellis Bell (Emily) en Acton Bell (Anne), namen die ze ook voor hun individuele werken gebruikten. Anne schreef twee verdienstelijke romans, ‘Agnes Grey’ (1847) over haar ervaringen als gouvernante, en ‘The tenant of Wildfell Hall’ (1848), die een jaar voor haar dood verscheen.

Uit: Agnes Grey

 

“All true histories contain instruction; though, in some, the treasure may be hard to find, and when found, so trivial in quantity, that the dry, shrivelled kernel scarcely compensates for the trouble of cracking the nut.  Whether this be the case with my history or not, I am hardly competent to judge.  I sometimes think it might prove useful to some, and entertaining to others; but the world may judge for itself.  Shielded by my own obscurity, and by the lapse of years, and a few fictitious names, I do not fear to venture; and will candidly lay before the public what I would not disclose to the most intimate friend.

My father was a clergyman of the north of England, who was deservedly respected by all who knew him; and, in his younger days, lived pretty comfortably on the joint income of a small incumbency and a snug little property of his own.  My mother, who married him against the wishes of her friends, was a squire’s daughter, and a woman of spirit.  In vain it was represented to her, that if she became the poor parson’s wife, she must relinquish her carriage and her lady’s-maid, and all the luxuries and elegancies of affluence; which to her were little less than the necessaries of life.  A carriage and a lady’s-maid were great conveniences; but, thank heaven, she had feet to carry her, and hands to minister to her own necessities.  An elegant house and spacious grounds were not to be despised; but she would rather live in a cottage with Richard Grey than in a palace with any other man in the world.

Finding arguments of no avail, her father, at length, told the lovers they might marry if they pleased; but, in so doing, his daughter would forfeit every fraction of her fortune.  He expected this would cool the ardour of both; but he was mistaken.  My father knew too well my mother’s superior worth not to be sensible that she was a valuable fortune in herself: and if she would but consent to embellish his humble hearth he should be happy to take her on any terms; while she, on her part, would rather labour with her own hands than be divided from the man she loved, whose happiness it would be her joy to make, and who was already one with her in heart and soul.  So her fortune went to swell the purse of a wiser sister, who had married a rich nabob; and she, to the wonder and compassionate regret of all who knew her, went to bury herself in the homely village parsonage among the hills of -.  And yet, in spite of all this, and in spite of my mother’s high spirit and my father’s whims, I believe you might search all England through, and fail to find a happier couple.”

 

ANNE_BRONTE

Anne Brontë (17 januari 1820 – 28 mei 1849)
Geschilderd door haar zuster Charlotte

 

De Oostenrijkse schrijver Raoul Schrott werd op 17 januari 1964 geboren op een schip dat van São Paulo op weg was naar Europa. Hij groeide op in Tunis en in Landeck (Tirol). Na zijn studie literatuur – en taalwetenschap in Norwich, Parijs, Berlijn en Innsbruck was Schrott van 1986 tot 1987 secretaris van de Franse filosoof Philippe Soupault. Van 1990 tot 1993 was hij lector voor germanistiek aan het Istituto Orientale in Napels. In 996 haalde hij zijn habilitatie (facultas docendi) aan de universiteit van Innsbruck in de vergelijkende literatuurwetenschap.Naast romans en gedichten publiceerde Schrott ook bloemlezingen, reisverhalen, toneelstukken en vertalingen.

MATUTIN [I]

womit beginnen · dem vor dem fenster auf stirnfronten
fassaden und straßenfluchten verfallenden himmel
ein weißaschener rand über häuserzeilen
die sich in diesem nachtlangen dämmern aneinanderreihen
zu dem schlaflosen das sein ewiges ansonsten

daraus abliest ungeduldig und aus dem augenwinkel
überspringend satz für satz · oder bei dir
sacht ja beinah zögernd mit hand und mund den silhouetten
des körpers nachtastend blind von dir als ginge
die nacht um das bett herum einmal zweimal und sinke

zu auf dich · ein schatten der an deiner schulter sich verliert
um dich von deiner nacktheit abzusetzen
als dem unvollständigsten an dir · nein du schaust
noch im dunkeln ich weiß du mit deinen dunklen lidern
den griechisch großen augen und dein nacken

zurückgeworfen in dieser vor all dem wachen
zu kopf gestiegnen müdigkeit ihrem magren fiebern
mit offenen lippen wie um etwas auszusprechen das als laut
innen in der kehle bleibt · ich kann dich dabei nur halten
bis es nachgibt · und wo ich dich berühre

ist da der fahle glanz der haut · im zimmer
der tisch ein spiegel und licht das zwei finger
weit wie über leeren bögen liegt in denen n
un die frühe
ihre stelle findet · das leben und das sterben hatten
darauf jäh raum indem sie einander dann umfassen konnten

Schrott

Raoul Schrott („São Paulo“, 17 januari 1964)

 

Jan Van Droogenbroeck werd geboren te Sint-Amands op 17 januari 1835. Hij studeerde aan de Normaalschool te Lier. Hier kreeg hij les van o.m. Jan Van Beers. Beroepshalve was hij achtereenvolgens onderwijzer, ambtenaar en bureeloverste op het Ministerie van Binnenlandse Zaken.Hij schreef en/of bewerkte poëzie, muziekteksten, verhandelingen, cantates, woordenboeken en schoolboeken. Enkele van zijn werken werden bekroond door de Koninklijke Academie van België. Hij werkte mee aan tijdschriften zoals “De Toekomst”, “Noord en Zuid”, “Het Nederlandsch Tijdschrift”. Hij publiceerde ook onder het pseudoniem “Jan Ferguut”.

Regenlied

Het regent, regent, jongens,

Nu is het weder frisch!

Sa roept maar door het venster

Dat regen welkom is!

 

Hoe rolt hij van de daken;

Hoe platst hij in de goot;

Hoe spoelt hij langs de straten;

Hoe schuimt hij in de sloot.

 

En alles wordt gewasschen,

Gereinigd van het stof;

Het haantjen op den toren,

De bloemen in den hof.

 

En alles wordt weer zuiver

En blikkert om het meest.

Tot zelfs daar, in de wolken,

Viert men vandaag nog feest.

 

Daar steekt men dan een vaan uit,

Wel zeven torens hoog;

Een vaan met zeven kleuren:

Den schoonen regenboog!

 

Dat is een ander leven

Dan met die heete zon,

Waarin men maar moest zweeten

Zooveel men zweeten kon!

 

En dorst dat wij dan hadden:

– Al erger dan een paard.

En lui dat wij dan waren:

– We waren
niets meer waard!

 

Het regent, regent, jongens;

Nu is het weder frisch,

En wij zijn weder vroolijk

En versch gelijk een visch!

.

VANDROOGENBROECK

Jan Van Droogenbroeck (17 januari 1835 – 27 mei 1902)

 

Roel Houwink werd geboren op 17 januari 1899 in Breda, maar zijn kindertijd bracht hij door in Middelburg. Hij bezocht het gymnasium in Groningen en Utrecht. Na zijn eindexamen in 1918 debuteerde hij journalistiek met enige kritieken in het Utrechtsch Dagblad. In datzelfde jaar debuteerde hij als dichter met het gedicht ‘Zwerverseinde’ in het tijdschrift Stroomingen. Zijn debuut als prozaïst maakte hij in 1921 met de novelle ‘Muggendans’ die hij in Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift wist te plaatsen. In september 1919 ving hij zijn studie rechten aan bij de Rijksuniversiteit Utrecht. In die tijd dreef zijn vader een boekhandel in Zeist, waar Roel Houwink kennis maakte met de schrijver Marsman. Deze ontmoeting vormde het begin van hun literaire vriendschap, die tot 1926 zou duren. Beiden hadden het expressionisme ontdekt. In 1925 vormden zij getweeën de redactie van De Vrije Bladen. In 1926 verliet hij De Vrije Bladen, onder meer omdat hij anders was gaan denken over de relatie tussen leven en kunst. Als literator kwam hij in 1928 uiteindelijk terecht bij de groep van de Jong-Protestanten en hun tijdschrift Opwaartsche Wegen. Van 1932 tot 1940 was hij redacteur en tevens een van de belangrijkste woordvoerders van dit blad.

 

Paschen

Breekt, makkers, breekt de dorre twijgen uit,
vandaag is gansch de wereld Gode’s bruid;
uit ’t hunkrend duister van de kleinste knop
staat Christus blank en zwijgend op.

houwwink

Roel Houwink (17 januari 1899 – 3 juni 1987)

 

Ilja Leonard Pfeijffer werd geboren op 17 janauari 1968 in Rijswijk. Hij studeerde Griekse talen in Leiden en promoveerde op een dissertatie over de archaïsch Griekse dichter Pindarus. Hij schreef meerdere publicaties over Pindarus en ook over Bacchylides, Sappho en Anacreon. In 1998 debuteerde Pfeijffer van wie o.a. het tijdschrift ‘Zoetermeer’ gedichten voorpubliceerde als 30-jarige met de bundel Van de vierkante man die het jaar daarop werd gehonoreerd met de C. Buddingh’ -prijs voor debuten en bovendien werd hij ermee genomineerd voor de prestigieuze VSB Poëzieprijs. Pfeijffer kwam in 1999 in het nieuws omdat hij als enige voor zichzelf campagne voerde bij de verkiezing voor Dichter des Vaderlands, destijds gewonnen door Gerrit Komrij. Zijn notoriteit dankt hij evenwel aan de discussie die hij in oktober 2000 aanzwengelde met een artikel in het tijdschrift Bzzlletin over ‘De mythe van de verstaanbaarheid’. Hij ageerde tegen de ‘verstaanbare gedichten’, gedichten die voor voordracht bedoeld en geschikt zijn, maar die op papier niet overleven. In 2002 verscheen de roman Rupert. Over ‘Rupert‘ ontstond opnieuw veel ophef. Had Pfeijffer plagiaat gepleegd, of was het ‘gebruik maken van andermans werk’? De roman zit vol met regels uit ‘The Waste Land’ van de Amerikaans-Britse dichter T.S. Eliot (1888-1965).

 

Uit : Rupert

 

“Zij was mijn marteling, mijn messteek en mijn mierzoete, zinderende Mira. Zij stond als een spiegelbeeld voor mijn ogen toen ik haar voor het eerst zag staan, doodde mij toen zij de mijne was en wekte mij ten lange leste tot leven toen ze mij definitief vermoordde. Zij was de lentezon die mij met stralende ogen naar buiten lokte en de stad waarin ik verdwaalde. Ik droomde van haar warme, verwarde loomheid als zij nog niet wilde opstaan in de ochtend, haar ravissant plompverloren aanwezigheid in de middag, haar gesprekken tussen spiegels in haar twinkelend ingerichte lievelingslokaal en haar dodelijke lonken na zonsondergang. Zij was als drie godinnen die alle drie levensecht als de allermooiste waren afgebeeld op een mystieke schildering die in een droom door een engel was voltooid en zij was als de dame van zeven maal zeven rozen die de acteur zijn rollen ontnam. Zij was alle vrouwen die ik had verzonnen en duizendmaal bemind en zij was zeven maal zeven maal mooier dan zij en zij was echt. Zij was feit dat fictie onmogelijk maakte. En in al haar weergaloze werkelijkheid verschrompelde ze mij om mij pas op te richten toen ze mij definitief brak en tot droom vervaagde.
Ik heb haar, hoe kan het ook anders, bij toeval leren kennen. Ik was door Benno, de klootzak, meegenomen naar een feest van een gemeenschappelijke studievriend die we al tijden niet meer hadden gezien omdat hij de stad had verlaten. Het feest was ver, helemaal in Kse-Waga op Wagaland en al voordat ik zelfs nog aan boord was van de draagvleugelboot had ik er spijt van dat ik mij had laten overhalen om mee te gaan. Maar nu teruggaan, dat zou een belediging zijn aan het gekke plan om gewoon te gaan, leuk tochtje toch, niet zeuren, zonde om thuis te zitten. Het feest viel tegen.”

 

PFEIJFFER

Ilja Leonard Pfeijffer (Rijswijk,  17 janauari 1968)