Christopher Brookmyre, Adrian Matejka

De Schotse schrijver Christopher Brookmyre werd geboren op 6 september 1968 in Glasgow. Zie ook alle tags voor Christopher Brookmyre op dit blog.

Uit: Want You Gone

“I was always afraid that this story would end with me in prison. Turns out I was right.
Not exactly a major spoiler though, is it? I mean, we both already know that part, so it’s how I got here that really matters.
I’m going to tell you everything, and I’m not going to hold back to spare anyone’s feelings. I have to be totally honest if I’m looking for honesty in return. I’ll warn you up front, though. Much of what I’m about to say is going to be difficult for you to hear, but there are things about me that I need you to understand. You’re not going to like me for some of what I did and said, and the way you personally come across isn’t always going to be flattering either, but it’s important that you get a handle on how everything looked from my point of view.
It doesn’t mean I feel that way now, or that I was right to think what I did back then. It’s just how it was, you know?
There are a lot of places I could start, but I have to be careful about that. Certain choices might imply I’m pointing the finger, and I’m not. I know who’s to blame for everything that happened. No need for any more deceptions on that score. So I’m not going right back to childhood, or to when my dad died, or even to when the police raided the flat and found a shitload of drugs and a gun.

Because this isn’t about any of that stuff, not really. To me, this all starts a few weeks ago, with me sitting in a waiting room, looking at a human time-bomb.
THE READER
I know the man is going to explode several minutes before the incident takes place. It is only a matter of time.
He is sitting opposite me in the waiting area, shifting restlessly on the plastic bench, his limbs in a state of constant motion: sudden jerks and twitches beating out a code I can read only too clearly. His head is an unkempt ball of hair, his matted locks merging with enough beard to kit out a whole bus full of hipsters. He looks across at me every few seconds, which makes me scared and uncomfortable, though I know he’s not picking me out specifically. His eyes are darting about the room the whole time, not alighting on a single sight for more than a second, like a fly that won’t land long enough to be swatted.
I am afraid of catching his eye, so I keep my gaze above him, where a row of posters glare back at me from the wall. They all seem intended to threaten, apart from the ones encouraging people to grass on their neighbours. ‘We’re closing in,’ says one. ‘Benefit thieves: our technology is tracking you,’ warns another. ‘Do you know who’s following you?’ asks a third. They feature images of people photographed from above at a steep angle, making them look tiny and cornered as they stand on concentric circles. To drive the point home, another poster shows an arrow thwocking into a bullseye: ‘Targeting benefit fraudsters’.

 

Christopher Brookmyre (Glasgow, 6 september 1968)

 

De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Zie ook alle tags voor Adrian Matejka op dit blog.

 

Sportief leven

Mensen hebben het altijd over als
& stel alsof die woorden meer waard zijn
dan geld, meer dan de striem die
een zijden kous maakt in de dij van een

vrouw. Meer dan het gebrom van een Thomas
Flyer motor. Dus ik kies de kant van mijn
pleziertjes. Twee kleine woorden, als & stel,
& niemand kan ze uitleggen. We krijgen

in deze wereld wat we krijgen zullen.
Eén man kan immers uit bed vallen
& doodgaan, terwijl een andere man van
een steiger valt & blijft leven. Een man kan

een kogel in de zijn hersens krijgen en zijn leven behouden
terwijl een andere stakker sterft
door een schot in het been. Het is allemaal geluk
& perspectief: plezier is het voor mij allebei.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Matejka (Neurenberg, 5 september 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e september ook mijn blog van 6 september 2020 en eveneens mijn blog van 6 september 2019 en ook mijn blog van 6 september 2017 en ook mijn blog van 6 september 2015 deel 2.

Leo Mesman

De Nederlandse dichter en vakbonds-theoloog Leo Mesman werd geboren in Nuenen op 6 september 1949. Hij studeerde theologie in Nijmegen en was o.a. werkzaam als beleidsmedewerker bij de vakcentrale FNV. Vanaf 1997 publiceerde hij regelmatig dichtbundels, vaak verlucht met grafiek of fotografie. Ook verschenen gedichten van hem in tijdschriften, poëziekalenders en bloemlezingen. Van 2011 tot november 2019 was Mesman voorzitter van de vereniging Taalpodium.

 

Winterverlangen

Wat zou ik graag de schoonheid ervan zien,
een winterlandschap zonder sneeuw en ijs.
Voor jongeren van nu geen punt misschien,
ik ben nog van de vorige eeuw en grijs.

Een winterlandschap zonder sneeuw en ijs,
de climate-change gooit alles in de war.
Ik ben nog van de vorige eeuw en grijs,
mijn stellingname is wellicht wat star.

De climate-change gooit alles in de war,
wat er ook groeit geen ijslaag op de sloot.
Mijn stellingname is wellicht wat star,
Elfstedentochten enkel nog per boot?

Wat er ook groeit geen ijslaag op de sloot.
voorbij lijkt het romantisch ijsvermaak.
Elfstedentochten enkel nog per boot?
Komt er nog een wending in de zaak?

Nooit koek en zopie meer of snert met worst,
voor jongeren van nu geen punt misschien.
Een ganze winter zonder strenge vorst,
wat zou ik graag de schoonheid daarvan zien.

 

TWAALF

’t Was in de week na Pasen,
we waren twaalf jaar oud;
ik kroop achter mijn vriendje
door het dichte kreupelhout.

Het geel-groen van de wilgen,
de frisse lentelucht,
ik vond het heel opwindend,
maar ’t meeste zijn gerucht.

Ver van de bewoonde wereld
was hij er voor mij alleen;
elk woord, elke beweging
ging mij door merg en been.

Nooit zal ik meer vergeten
welk geluk mij overkwam,
toen wij, rug aan rug gezeten,
rustten voor een boterham.

Nu, zoveel jaren ouder,
voel ik nog de tederheid
van zijn warme schouder
en zijn onwetendheid.

 

Leo Mesman (Nuenen, 6 september 1949)

Marcel Möring

De Nederlandse dichter en schrijver Marcel Möring werd geboren in Enschede op 5 september 1957. Zie ook alle tags voor Marcel Möring op dit blog.

Uit: Amen

“Dat er een begin is dat begint en een einde dat eindigt en dat het einde begint en het begin eindigt en dat het tij van de tijd aanspoelt en zich terugtrekt en het wrakhout achterlaat van wat was kom zaterdag de laatste doos halen oké? en jij die zegt dat dat oké is, dat alles oké is, jij bent oké, ik ben oké, dat je weg bent is oké, dat ik het niet snap is oké, het is oké dat het einde hier begint of het begin hier eindigt, er is helemaal niets dat niet oké is, oké scheelt een boel gelul waar we niets mee opschieten, want er verandert nooit iets, tussen ons niet, de wereld niet, de geschiedenis niet, alles stroomt en je kunt er alleen maar naar kijken en denken: alles stroomt. Dat, als we het over beginnen hebben, als er een begin moet zijn, dat je alleen wilde zijn, maakt niet uit waar, dat je het bos in liep maar eigenlijk nergens heen ging, dat je (wat is het woord?) liep om te lopen en aan die laatste doos dacht en wat daarin zat en waarom je er eigenlijk niet in had gekeken terwijl die doos al weken, maanden in de gang stond, dat je je afvroeg of die doos een symbool was (voor wat?) en wat het betekende dat je er niet in had gekeken, dat je er steeds maar langs was gelopen en dat je hem niet eens had gezien, of misschien wel gezien, maar zoals je een stoel ziet, een gordijn, de dingen die er zijn omdat ze er zijn, de dingen die geen betekenis hebben tot je ernaar kijkt en er ineens over na gaat denken en dat je pas over die doos na begon te denken… een symbool, omdat je er ook niet achter was gekomen wat er in háár zat, wie zij was, wat zij was, laat staan waarom ze bij je was, niet dat je dat niet hebt geprobeerd, god weet dat je dat hebt geprobeerd, dat je hebt geprobeerd om in haar te kijken, om haar te leren kennen, werkelijk te leren kennen, en dat je dat nog steeds zou doen, dat je daar niet mee zou zijn opgehouden als ze niet uit het niets had gezegd dat ze wegging en alleen nog een keer terugkwam toen je niet thuis was en haar spullen ophaalde, behalve de ene doos die ze… en wat als ik nou eens een keer had gezegd dat het niet oké was, Joyce, wat als ik had gezegd ben je nou godverdomme helemaal belazerd om niet te zeggen hé er staat nog een doos bij jou is het goed als ik die kom halen en wanneer zou jou dat schikken? Dat je dus begint te lopen, het bos in, want hier is niets dan bos (en heide en moeras, laten we de heide en het moeras niet vergeten), en je loopt en je loopt, de ene voet voor de andere, de andere voor de ene (a poor lonesome cowboy) en je loopt en je loopt, het maakt niet uit, alles is oké, alles is prima, en na een tijdje weet je niet eens meer waar je bent en hoe je hier bent gekomen, op dit punt in het leven, in jouw geschiedenis als mens, Deze Korte Opflakkering Tussen De Duisternis Waaruit Je Kwam En De Duisternis Die Je Wacht, op deze plek waar het bos ophoudt en de leegte zich ontvouwt, een weerbarstig en sober natuurgebied, net als Joyce, op een stugge manier aantrekkelijk, net als Joyce, waarmee je bedoelt dat je geen hoogte van haar kon krijgen en niets liever wilde dan dat,….”

 

Marcel Möring (Enschede, 5 september 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e september ook mijn blog van 5 september 2020 en eveneens mijn blog van 5 september 2018 en ook mijn blog van 5 september 2017 en ook mijn blog van 5 september 2015 deel 2.

Helga Ruebsamen, Adrian Matejka

De Nederlandse schrijfster Helga Ruebsamen werd op 4 september 1934 geboren in Batavia, in Nederlands lndië. Zie ook alle tags voor Helga Ruebsamen op dit blog.

Uit: Olijfje

“Olijfje en ik betrokken onze laatste haveloze zolder, omdat we uit alle nette kamers gelazerd werden, want we waren oud maar opgewekt en lustten een slokje. Ons kon het trouwens niet meer schelen waar we overwinterden. We waren van laag naar hoog gerezen en weer in sneltreinvaart naar beneden geraasd, wij hadden het allemaal wel gezien. We hadden ons misdragen in park Marlot en we waren voor hoer gescholden op het Zieken, we toefden als dames op het buiten van graaf Loeki tot hij de laatste adem uitblies, we voeren over de Hollandse binnenwateren en de Zeven Zeeën in de zeezeilwaardige bark van schout-bij-nacht b.d. Hendrickx, met c k x en we hadden patat verkocht in een kraam bij het voetbal-VUC-terrein waar we onder de toonbank sliepen, alle drie, inclusief immers Pimmetje de hond, kortom, wij keken niet zo nauw meer.
Behalve dat we graag een glaasje meedronken daar waar het voorhanden was, beweerden boze tongen dat Olijfje en ik het met elkaar hielden. Misschien was dat soms zo, maar we hadden ook veel andere zaken aan ons hoofd, bij voorbeeld hoe op onze leeftijd, bejaard maar nog te ver van onze AOW vandaan, aan contanten te komen. Wij trokken natuurlijk, elke maandagmorgen haalden wij elk fl. 80,- bij de Beierse Bank, maar dat was een basisbedrag en daar konden we niet van leven zoals ons paste. We deden dus nu en dan zwart werk, maar zo min mogelijk omdat er weinig bevredigend zwart werk te verrichten valt en wij bietsten een los tientje hier en een los geeltje ginder – wat nog steeds aardig opliep al was het niets meer vergeleken bij de vrije ontvangsten van weleer. Daarom treurden we niet, want onze behoeften waren ook teruggelopen. We hoefden ons zozeer niet meer te kleden en te soigneren. Dat zou in mijn geval toch geen rendement meer opleveren. Het had ook nooit écht zoden aan de dijk gezet, voor wat mij betreft.
Olijfje dirkte zich bewust niet meer op, anders had ze ongetwijfeld nog goed uit de voeten gekund, beter dan menig jong ding, mager en sjiek als ze was. Maar ze had er genoeg van, zei ze. Al haar vroegere verdiensten, die niet gering waren, zijn als as door een zuchtje wind weggeblazen en waarom zou ze zich nu nog meer uitsloven dan nodig was? Olijfje had rijk kunnen zijn en zeer goed getrouwd, van adel desnoods en alles, als ze er niet te aardig voor was geweest. En te onverschillig. Haar devies was dat alles of uit de lengte of uit de breedte moest komen. Waarmee ze bedoelde dat ze, als ze bij voorbeeld wél met graaf Loeki getrouwd was, nu vermoedelijk dood getreiterd zou zijn door zijn nabestaanden en als ze haar gelden wél had beheerd, nu wel een huis had gehad, maar geen vrolijke herinneringen, wel alle kopzorgen die bezit geeft. Zo dacht Olijf en vanzelfsprekend dacht ik zo ook.”

 

Helga Ruebsamen (4 september 1934 – 8 november 2016)

 

De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Zie ook alle tags voor Adrian Matejka op dit blog.

 

KOGEL ONDERDELEN

Slaghoedje (messing + lood)

De kogelbasis is gemaakt van het soort messing dat anders
een klaslokaaldeurknop of een goedkope ring zou zijn geweest in een
van die prequarantaine verzamelplaatsen met kansspelen
& lichten die verrassen & verrukken. Of gegoten in nieuwe Franse
hoorns voor de ondergefinancierde jeugdband – geen solo’s voor de hoornisten,
maar ze zijn nog steeds cruciaal voor het orkest. In het midden van de koperen
basis: een ontsteker gemaakt van lood. Een ontsteker is alleen goed in ontploffen,
maar het lood heeft zijn liefde misschien in nauwgezette briefjes gekrast
met ouderwetse schrijfkunst. Of is onderdeel geworden van de verf achter
een periodiek systeem der elementen achterin het klaslokaal
van een openbare school: Pb, atoomnummer 82. Het is daar, waar het Romeinse
aquaducten en wijnvaten bekleedt aan de andere kant van het rijk. Het is daar,
waar het reactoren en hun straling dichtbij zich houdt als een vriend in nood.
Walkman-batterijen raken weer leeg tijdens een slow jam…
de stemmen worden dikker en dieper in de loden correctie. In een andere
leven, zou het slaghoedje waarschijnlijk een andere kant zijn opgegaan.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Matejka (Neurenberg, 5 september 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e september ook mijn blog van 4 september 2018.

Jacq Firmin Vogelaar, Adrian Matejka

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar (pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers) werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voorJacq Firmin Vogelaar op dit blog.

Uit: Laatste post

“Waarom ik daar nog zat, in het café aan een tafeltje bij het raam, weet ik niet, evenmin ben ik in staat, zelfs maar bij benadering, uit te leggen waarom ik die dag naar Moorgat ben doorgereden, welk gat ik al dertig jaar uit de weg was gegaan, waar ik niemand kende en waarschijnlijk, naar ik mocht aannemen, niemand mij nog kende tenzij van naam, omdat deze op de helft van de plaatselijke bevolking van toepassing is en de streek er tegenwoordig zijn faam en kwade reuk aan te danken heeft – maar waarom je naam noemen? Het kwam toevallig zo uit dat ik onverwacht een paar uur overhad doordat de bespreking, waarvoor ik naar het nabijgelegen stadje O. gereisd was, korter duurde en voor mij minder succesvol verliep dan verwacht; de reden van het een en van het ander lag bij mijzelf. Tot ieders en niet het minst mijn eigen verbazing bleek het laatste obstakel dat de zaak al maanden traineerde en de partners tot wanhoop begon te drijven – wees niet bang, ik zal je niet vermoeien met een gedetailleerde toelichting – een fusie te betreffen van een universitair, een direct door de overheid geleid en een particulier onderzoeksbureau – zulke hybriden zijn de laatste jaren erg in trek – van welke drie bureaus het mijne de grootste en voor het verwerven van de fondsen onmisbare stem in het kapittel had, waarvoor ik de spreekbuis was die nog niet volmondig met de fusie had ingestemd, hetgeen de aanleiding vormde voor de bespreking op deze septembermiddag ten aanzien waarvan de verwachtingen even gespannen als laag waren, en opeens bleek het tot dan toe onoverkomelijke obstakel, dat was ik, meteen al in het begin van de vergadering om. Vrome formules als ‘Ik heb er nog eens goed over nagedacht’ liet ik achterwege – ik had er domweg over nagedacht, bovendien gaat nadenken meestal vanzelf en merk je de resultaten pas op het moment dat je je mond opendoet – nog voordat andere rituelen konden worden ingezet, deed ik mijn mond meteen al open en gaf te kennen dat ik met alles akkoord ging. Ik hield de bijeenkomst verder voor gezien; het voorstel om het behaalde resultaat gezamenlijk te vieren – het woord overwinning werd kies vermeden – wimpelde ik af, het zou ook iets teveel van het goede geweest zijn. Zo had ik opeens een paar uur over, een ongekende weelde, toch ging ik niet meteen op huis aan, hoewel ik niets liever wilde dan snel weg van die sukkels; iets weerhield mij ervan.”

 

Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)

 

De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Zie ook alle tags voor Adrian Matejka op dit blog.

 

Einde van kant A

Het eindigt omdat het begin niet nog eens een vliegende start
maakt: rode veeg van een mond, lippenstift overal

de bijkomstigheid die een komeet achterlaat die
verdwijnt. Wat maakt dat dit moment zich ontvouwt als een fraaie

vrouw die zichzelf opricht van de badkamervloer?
Honky-tonk in het honingzoete bruin van een oogbol?

Parfum & zijn circus van hartvormige introducties?
Het eindigt omdat de naald altijd terechtkomt in

de uitloopgroef als een man die rondtast naar een gebroken
bril nadat hij wakker wordt in het puin van de wereld.

Met de ene hand over de andere tast hij naar opzichtige gitaar
plectrums & verloren stiletto’s, hoge taille rokken & stenen,

zijn bril zo gebarsten en vlekkerig als de topografie
van een overslaande plaat. Hij zou Albright zelf

kunnen zijn, foeragerend op het stilleven geruis van korte
tutu’s en wolkenkrabbers gebarsten in de verdraaide

nasleep van een glimlach. Ook zonder bril
herinnert hij zich haar in haute couture: grootmoedig

afdalend langs de blauwe en violette draden van de nacht,
haar groene jurk vloekend met de badkamertegels.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Matejka (Neurenberg, 5 september 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn blog van 3 september 2018 en ook mijn blog van 3 september 2017.

Willem de Mérode, Sabine Scho

De Nederlandse dichter en schrijver Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) werd op 2 september 1887 geboren in Spijk. Zie ook alle tags voor Willem de Mérode op dit blog.

 

Uw naam

Wanneer mijn lied mag leven na mijn dood,
Zal onze liefde niet vergeten wezen.
Ons zwakke hart mag voor het sterven vreezen,
Maar nooit vergaat wat zuiver is en groot.

De wereld wentelt zich in stillen nood,
Wijl stormen licht woest aan de kim ontstegen.
Wij zien den schrikkelijken vlammenregen,
Die lang geleden aan een ster ontspoot.

En zoo zal onze liefde lichtend zijn
En als een purperroode vlammenschijn
Spelen op schoone en lieflijke gezichten,
Die lezen, en zij sidderen tezaem,
Wanneer de glans van uw beminden naam
Hun oogen tegenslaat uit mijn gedichten.

 

Elisabeth

Er leefde in haar een heimelijke hoop,
Dat zij nog eens een schoonen zoon zou baren,
En toen haar man intrad met wilde haren,
En nederviel en op zijn knieën kroop,

En kuste, als een hond, haar rimpelhanden,
En sprak, zag zij den engel in zijn stem,
En plotseling begon haar schoot te branden
En zij vereende zich dien nacht met hem.

Toen werd zij als een oude rozeboom
Die langzaam alle blaadren voelt verdorren
En zich wegsterven laat en zonder morren
Haar kracht perst naar één knop en die is schoon.

En op een morgen, met den eersten dauw
Ging er een ruischen door haar duldend hopen,
En brak de zon harts vreugdfonteinen open,
En zij glimlachte als een jonge vrouw.

 

In hem leven wij

Zeer onverschillig zijn de dagen nu:
De regen en het ruischen van de boomen,
En zon, en menschen die meelijdend komen,
De pijnen, en de angsten en de droomen,
Want alle dingen worden weggenomen,
Er is alleen licht tusschen mij en U.
En dit beroert me en tast aan mijn gelaat
En is zacht aan mijn lippen en mijn wangen,
En zinkt mijn oogen in, en zingt gezangen
In ’t trage bloed, dat stil wordt en bevangen,
En niet durft huivren en niet kan verlangen,
Wijl Gij er zijt en door mij henen gaat.
Dan wil het donkeren; en ik word nacht.
De sterren rijzen brandend op en dalen,
De dieren komen uit hun holen dwalen
En rozen geuren en de nachtegalen
Zijn wild, o leven! dan… diep ademhalen.
Gij komt terug! de morgenwind waait zacht!

 

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Sabine Scho werd geboren op 1 september 1970 in Ochtrup. Zie ook alle tags voor Sabine Scho op dit blog.

gestrande potvis

…………“something like the tack-tack-tack
………….of a few dozen typewriters”

wanneer de vingers ontbreken
om zenuwachtig op ‘t tafelblad
te trommelen en de tafel
ontbreekt ook

wanneer het medium niet
de boodschap maar
het medium verstrekt
dat het geluid sneller
transporteert

sonic youth is the loudest
animal on earth

wanneer het walviskalf op het land
daarom alleen al verloren is
omdat niemand het meer hoort
zelfs de klik versterkende
zee, weggetrokken, zijn
grootste spruit niet mist

wanneer tandwalvissen met hun kaken
knarsen, in de slaap, in het zand
in de droom, oceaanloos ontwaakt
door het eigen gewicht

wanneer het verhevene
op het strand puft
darmen de blubber
als mijngangen stutten

wanneer het skelet nog
staat, een servetring
waarvoor niemand een
lijkwade naait

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sabine Scho (Ochtrup, 1 september 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e september ook mijn blog van 2 september 2020 en eveneens mijn blog van 2 september 2018 deel 1 en ook deel 2.

100 jaar W. F. Hermans, Sabine Scho

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Frederik Hermans werd geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. Dat is vandaag precies 100 jaar geleden. Zie ook alle tags voorW. F. Hermans op dit blog.

Uit: De donkere kamer van Damokles

“Osewoudt ging op de grond zitten, zijn knieën opgetrokken, zijn handen kruiselings op zijn voeten. Het meisje kwam steeds dichter in de buurt van het huis, zij zwaaide nu niet meer met de tas, maar had haar handen in haar jaszakken gestoken, ook de hand waarmee zij de tas vasthield. Hij haalde zijn pistool uit zijn binnenzak, schoof de zekering heen en weer en nam het magazijn uit de greep. Hij bekeek het magazijn aan alle kanten, blies erop en stak het weer in zijn pistool. Toen sloeg hij zijn ogen op en zag een eekhoorn die aan de voet van een beuk naar hem keek, de twee voorpootjes al tegen de stam. Osewoudt deed het pistool in de rechterzak van zijn regenjas en stond op. De eekhoorn schoot de boom in. Hij keek opnieuw naar het huis en zag even later dat het meisje binnengelaten werd. Door wie zij ontvangen werd, kon hij niet zien. Hij peinsde: zij moet geweten hebben dat Marchiena Siemerink met dezelfde trein zou komen, want deze Lagendaal zal haar naar haar naam vragen. Er moet rekening gehouden worden met de omstandigheid dat hij wist hoe de jeugdleidster heten zou die zijn kind zou halen. Dus moet Dorbeck die naam ook geweten hebben, of beter: hij zou hem hebben moeten weten en ‘Hé jij’ heeft hem ook geweten. Mogelijk. Toch, ik heb er niets van gemerkt. Eerder geloof ik dat ze het niet geweten hebben, alleen geweten met welke trein zij zou komen en erop hebben gerekend dat ik haar onschadelijk zou maken. En als het eens mislukt was? Hij keek naar de deur van het huis, maar die bleef gesloten. Hij wachtte al tien minuten. Toen zag hij het meisje van achter het huis vandaan komen. Zij hield een fiets aan de hand, achter op de fiets zat een kind. De tas hing aan het stuur. Naast haar liep een man, blootshoofds. Nu afscheid nemen en wegrijden, dacht hij, in godsnaam, schiet op! Maar zij namen geen afscheid van elkaar. Het meisje bleef lopen en de man liep naast haar, druk pratend. Hij scheen van plan te zijn haar een eindje weg te brengen. Nu zag Osewoudt bovendien dat de man zich eigenlijk het meest met het kind bezighield. Waarschijnlijk had het kind niet bij zijn ouders vandaan gewild, een keel opgezet en liep de man mee om het te troosten. De man was corpulent en niet groot van stuk. Hij had niets op zijn hoofd, hij was zomaar in zijn colbertje naar buiten gelopen. Hij had een lange, spitse neus, zover uitgerekt dat er in zijn gezicht plooien gekomen waren die er parallel mee liepen. Een kleine, lippenloze mond zat er vrijwel helemaal onder weggescholen. Bij elk woord dat hij tegen het jongetje zei, leek het of hij het afsnauwde, maar het kind zat luid te schateren. Wat er gezegd werd, kon Osewoudt niet verstaan. Ze kwamen tamelijk dicht in zijn buurt, hij had ze met een steen kunnen raken, toen werden ze onzichtbaar achter de bomen.“

 

W. F. Hermans (1 september 1921 – 27 april 1995)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Sabine Scho werd geboren op 1 september 1970 in Ochtrup. Zie ook alle tags voor Sabine Scho op dit blog.

 

atomic tangerine

een deur, wat voor een praktijk,
een slot, scharnier, kraag-

staafjes, daarmee meet je
stalen deurkozijnen, beton, dossiers
en ja, dossiers. “zo doen we
het licht uit «, op stapels van
papier, maar griezelgrijs is toch ook
een kleur, volstrekt zakelijk met de
bezemsteel, bijna zoals thuis, alleen
hoger, het derde deel van het karma-
spel ging niet door, no alarms and
no surprises, een gang, wat
voor een buis, pizza uit de
koekjestrommel, en daarbuiten
wordt het steeds witter, met kerst-
mis, zegt men, is dat zo traditie,
glinsterhekken, nog een laatste privé-kamerbiertje
maar please, couldn’t you let me out of here

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sabine Scho (Ochtrup, 1 september 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e september ook mijn blog van 1 september 2020 en eveneens mijn blog van 1 september 2018.

Sander Kok, Wolfgang Hilbig

De Nederlandse schrijver Sander Kok (ook bekend fotomodel) werd geboren in Arnhem op 31 augustus 1981. Zie ook alle tags voor Sander Kok op dit blog.

Uit: Smeltende vrouw

“Als hij een geweer vanonder zijn bureau tevoorschijn zou halen en er de tl-buizen boven hun hoofden mee kapot zou schieten, zouden ze hem niet anders hebben aangekeken.

De wijzer tikte eindelijk de vier aan, de schoolbel snerpte, de leerlingen schoven hun stoelen naar achteren en stroomden naar de deur waardoor ze verdwenen als water in het doucheputje, het meubilair schots en scheef achterlatend. Hij zag nu pas hoeveel stof er in dikke slierten op de vloer lag. Het leek wel of de leerlingen het stof aantrokken of het in hun zakken mee naar binnen namen. Buiten was de lucht melkwit. Het trottoir was hier en daar bevroren. Auto’s gleden met een klef geluid door de sneeuw voorbij. Reukens had in de lerarenkamer zijn schoenen verruild voor sneeuwlaarzen, om met zekere pas naar huis te lopen. Het was warm in zijn oude, felgekleurde ski-jack. Hij had het nooit op de piste gedragen, omdat hij nog voor vertrek tot de ontdekking was gekomen dat hij Neeltje niet te lang alleen moest laten. Ze waren toen nog niet eens samen geweest, maar blijkbaar had ergens diep in zijn binnenste zijn liefde voor haar al wortel geschoten en daarmee het verantwoordelijkheidsgevoel dat altijd met liefde opschiet, als brandnetels bij hondsdraf. Het jack was niet goedkoop geweest en daarom droeg hij het nog elke winter. Om zijn schouder hing een grote boekentas van cognackleurig leer, dezelfde die hij als leerling een jaar of zes om zijn schouder had hangen en die hij nu als volwassene sinds een jaar of twee weer was gaan gebruiken. Hij bewandelde hetzelfde pad als hij als kind had bewandeld, maar in een andere stad en in een andere tijd. Er was niet veel veranderd, als je erover nadacht. Hij was er en de wereld was er, en daartegen afgezet waren de veranderingen miniem Behalve Neeltje: zij was misschien de enige grote verandering in zijn leven geweest. Ze was zijn eerste liefde — op 33-jarige leeftijd was hij laat geweest —en ze was zijn enige liefde gebleven. Zijn herinneringen aan zijn jeugd en aan die eerste tijd waren als foto’s die te kort in de ontwikkelaar hebben gelegen. Hij herkende de vage omtrekken van bekende figuren als door een dikke mist, de bleke, volumeloze vormen van de spullen die hij had bezeten en de ruimtes waarin hij had geleefd, waarin hij had geademd, waar hij tegenaan had geleund, alles zonder volume, al wist hij dat ze ergens, hij wist niet waar, nog ruimte innamen. Hun leeftijdsverschil bedroeg veertien jaar, maar dat was geen probleem, zeker als je bedacht wat ze samen deelden. Hij kende stellen die niets samen deelden, geen gezamenlijke wensen hadden, geen dromen, niets.”

 

Sander Kok (Arnhem, 31 augustus 1981)

 

De Duitse dichter en schrijver Wolfgang Hilbig werd geboren in Meuselwitz op 31 augustus 1941. Zie ook alle tags voor Wolfgang Hilbich op dit blog.

 

Matière de la Poésie

De zee gehuld in licht: gehuld in helderheid …
in de zin van licht: een leliewit om niets te zijn
dan wit van de lelies – en zee om niets dan zee
te zijn en zonder maat: en maan-afwezigheid –
wat een glans die aan zijn lange oversteek begint
en elk land vergeet op niets acht slaand dan eeuwigheid –
de zee: die niet langer dag of nacht is maar tijd.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Wolfgang Hilbig (31 augustus 1941 – 2 juni 2007)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e augustus ook mijn blog van 31 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 31 augustus 2019 en ook  mijn blog van 31 augustus 2018 en ook mijn blog van 31 augustus 2017.

Charles Reznikoff

De Amerikaanse dichter Charles Reznikoff werd op 30 augustus 1894 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Charles Reznikoff op dit blog.

 

His mother stepped about her kitchen

His mother stepped about her kitchen, complaining in a low
voice;
all day his father sat stooped at a sewing machine.
When he went to high school Webber was in his class.
Webber lived in a neighborhood where the houses are set in
lawns with trees beside the gutters.
The boys who live there, after school, take their skates and
hockey sticks and play in the streets until nightfall.
At twelve o’clock the boys ran out of school to a lunchroom
around the corner.
First come, first served, and they ran as fast as they could.
Webber would run up beside him and knock him against the
wall.
He tried not to mind and thought Webber would tire of it.
One day he hit Webber’s side; his fist fell off Webber’s over-
coat. Webber turned with a glad shout and punched him
as he cowered.
His home was in a neighborhood of workingmen where there
were few Jews.
When he came home from school he walked as quickly as he could,
his head bowed and cap pulled low over his face.
Once, a few blocks from home, a tall lad stopped him.
“Are you a Jew? I knock the block off every Jew I meet.”
“No,” he answered.

“I think you’re a Jew. What’s your name?” He told him,
glad that his name was not markedly Jewish and yet foreign
enough to answer for his looks.
“Where do you live?” He told him and added, “Come around
any old time and ask about me.” So he got away.
When he was through high school he worked in the civil
service as a typist, taken on until a rush of business was
over.
He took the test for a steady job, but his standing on the list
was low,
unlikely to be reached for a long time, if ever before the new list.
Looking for work, he always came upon a group waiting for
the job.
He was short and weak-looking, and looked peevish. He could
not get work for months.
At last an old German storekeeper wanted to hire him and
asked at what he had been working. He told him.
“It doesn’t pay me to break you in, if you are going to leave
me. Have you taken another civil service test? Are you
waiting for a new appointment?”
“No,” he answered.
In a few months a letter came to his home from the civil
service board, asking him to report for work as a typist, a
permanent appointment.
There was no hurry, but his father did not know and so
brought the letter to the store.

There had been a boy in his class at school whose name was
Kore.
Kore was short, too, but he had the chest of an old sailor and
thick, bandy legs. He shouted when he spoke and was
always laughing.
Kore moved into the block. With Kore he was not afraid to
stand on the stoop after work or go walking anywhere.
Once they went to Coney Island and Kore wanted to go
bathing. It was late at night and no one else was in.
They went along the beach until they came to the iron pier the
steamboats dock at.
Kore boasted that he would swim around the pier and slid
away into the black water.
At last the people were gone. The booths were long darkened.
He waited for Kore at the other side of the pier, watching the
empty waves come in.

 

ZONDAGWANDELINGEN IN DE VOORSTAD

1.
Op stenen bemost met heet stof, geen beschutting dan de dunne, nutteloze schaduwen
van bermgrassen;
de duisternis van het bos in, starend naar de blauwe bloemen op dunne stelen
als draden.

Het groene slijm – een struikgewas van jonge bomen die in bruin water staan;
met knobbels als spieren strekt een naakte boom zich uit,
dood; en een dode eend, met zijn kop onder water alsof hij duikt.

Het is eb. Er is alleen nog een poel over in de stinkende modder van de kreek.
Iemand heeft een wasketel weggegooid.
Op de oever een hoop blikjes;
ratten, bedekt met roest, kruipen in en uit.
De witte randen van de wolken als aders in een steen.

2
Bange honden die achteruit kijken met geduldige ogen;
bij ramen bukken oude vrouwen, gewikkeld in sjaals;
oude mannen, gerimpeld als knokkels, op de stoep.

Een teef, ruggengraat en ribben in de kromme rug,
snuffelde naar eten, haar gezwollen uier schuurde bijna over het trottoir.

Een tandeloze vrouw opende eens haar deur,
kauwend op een plakje spek dat als een tong uit haar mond hing.

Di is waar ik nacht na nacht liep;
Di is waar ik vele jaren wegliep.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e augustus ook mijn blog van 30 augustus 2019 en ook mijn blog van 30 augustus 2017 en ook mijn blog van 30 augustus 2016.

Elma van Haren, Rita Dove

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Elma van Haren werd geboren in Roosendaal op 29 augustus 1954. Zie ook alle tags voor Elma van Haren op dit blog.

 

Dorst

Over de drempel, de haspel de klos,
nooit gekocht, nooit gevonden,
maar vergaard met een vals hart,
een klosje wit garen voor witte gordijnen.

Door de kamer, de kelder de koelte
van het gezicht gewist, achter de bries,
onder ons gebleven en gezwegen dit grijze,
dit klosje grijs garen voor je zondagse pak.

Onder de grond, de gondel de grendel,
weggeschoven voor de kus van de Judas,
das om de nek ongebreidelde heisa, met een
rood klosje garen je mond gestopt als een sok.

Binnen de touwen, de tong en de tranen,
gedroogde zilvervisjes onder de rots,
rollen de klos rond. zout in je wonde,
warmte een hittebestendige grap —

Alles onderweg de pas afgesneden,
aanplant vertrapt, broedsel het nest uit,
karrenspoor hard, een korst op de aarde.
Oranje tegen de felblauwe hemel en
van duister gesponnen
garen het zwart,
bivakmuts,
woedende bloedklos,

de klok slaat, het hart slaat,
één houw
en het hoofd ligt eraf.

 

De braven en de bozen

Brave burgers blaffen zachtjes goedenavond,
maar de boze!…
Tja, de boze huilen uit hun hemelsblauwe huizen
huizenhoog de hemel in.

Brave burgers planten bloemkool en kabouters in hun tuinen,
maar de boze!…
Tja, de boze zetten er zuurstokrose rozen en
pimpelpaarse pompoenen in.

Brave burgers zoenen op hun eigen tedere wijze heftig,
maar de boze!…
Tja, de boze willen liever zuigen, likken, knijpen,
knabbelen, brabbelen, bijten… nou, vul zelf maar in!

Soms trouwt een boze met een brave,
dan krijg je een rare mix.
Bijvoorbeeld in de tuin een zuurstokrose bloemkool en
voor ontbijt een bordje pimpelpaarse Bambix.

En hoe zit dat met hun kinderen?
Kijk daarvoor naar jezelf…
Ben je alleen maar boos of alleen maar braaf
of ben je van alles precies de helft?

Als dat zo is; soms lief, soms stout,
dan is een ding zeker bij jullie thuis,
dan heeft je brave pa een boze ma
of je boze pa een brave ma getrouwd!

 

Elma van Haren (Roosendaal, 29 augustus 1954)

 

De Amerikaanse schrijfster en dichteres Rita Frances Dove werd geboren op 28 augustus 1952 in Akron, Ohio. Zie ook alle tags voor Rita Dove op dit blog.

 

Etiquette voor slapeloosheid

Ze zenden een film uit, dus ik kijk ernaar.

De gebruikelijke blanke mensen
verliefd, ellende. De gebruikelijke tranen.
Maar goed camerawerk:
zonneschijn die de sproeterige rondingen
van een peer wast, een opeengeklemde kaak –
meer tragedie dus.

Ik sta op voor wat whisky en Stilton.
Ik doe de lichten niet aan.
Ik loop graag door het donker
terwijl de wereld slaapt,
sereen als een Stealth-bommenwerper
met de neus door wolken…

noem het een preventieve aanval,
“een voorzorgsmaatregel”
helaas zo nodig in deze hachelijke tijden”.
Ik noem het niets
dan hebzucht: de rare vrolijkheid
om zonder incidenten mijn weg te vinden.

Ik weet dat ik morgen spijt zal hebben
van de Stilton. ik zal spijt hebben
dat ik geen boek kon vinden
om in te verdwalen,
en al die jaren kon ik verdwalen
in wat dan ook. Tot dan

zijn het alleen ik en jij,
Broeder Nacht – maanloos,
neergestort achter de vijandelijke linies
zonder kaarten, zonder lucifers.
Het bos diep.
Proost.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Rita Dove (Akron, 28 augustus 1952)

 

Zie voor de schrijvers van de 29e augustus ook mijn blog van 29 augustus 2020 en eveneens  mijn blog van 29 augustus 2018 en eveneens mijn blog van 29 augustus 2017 en ook mijn blog van 29 augustus 2016 en ook mijn blog van 29 augustus 2015 deel 1 en eveneens deel 2.