Het bevrijdingsmonument (Herrezen boom door Jan Schoenmakers) in Lent (Nijmegen)
In vredesnaam
Mijn nacht is breekbaar als een kolibrievlinder
vreemde stappen naast mijn bed laarzen groot als wolkenkrabbers
’t bliksemt en knalt en ik sta weer op straat – klein – alleen
Ik ren naar het slagveld om een gedicht te schrijven
graaf geen kuil voor gevallen woorden
ik laat de bomen stapelverliefd ruisen
de bergen elkaar opnieuw ontmoeten
en om geen kind te zijn dat nooit meer slapen kan
geef ik landen voeten om het geluk met ons te delen
Voor vrede plant ik een stokroos een echte
met kaarsrechte rug
Jana Beranová (Plzen, 2 mei 1932) Monument ter ere van generaal George Patton in Plzen
De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.
Voorbereidende oefeningen voor een wonder
Voor het lege bouwterrein met gesloten ogen wachten tot het oude huis er weer staat en open is
Zo lang kijken naar de stilstaande klok tot de secondewijzer weer beweegt
Aan je denken tot de liefde voor jou weer gelukkig mag zijn
Hier op het strand bij Asjkelon kwamen we aan het eind van de herinnering, als rivieren die uitmonden in zee. Het nabije verleden zinkt het verre verleden in En het verre rijst op uit de diepten naar het nabije. Vrede, vrede degenen die verre zijn en degenen die nabij zijn.
Hier tussen brokstukken van idolen en pilaren Vraag ik me af hoe Simson de tempel, waarin hij stond, blind, ten val bracht, en zei ‘mijne ziel sterve met de Filistijnen’,
Of hij de pilaren heeft omarmd, zoals bij een laatste liefde, Of ze met zijn beide armen van zich af heeft geduwd, Om in zijn dood alleen te zijn.
“Nog altijd ben ik ervan overtuigd dat ze eigenlijk ergens daar thuishoorde, op een plek die mijn verbeelding voor haar ingericht heeft. Dat ze die avond in mei alleen per vergissing verzeild was geraakt op dat stomvervelende feest in de polder. Nu er niets over is, hunker ik ernaar om nog een keer te zien hoe zij bewoog, haar sierlijkheid zo ongebruikelijk voor vrouwen uit ons land, die zich ongeacht hun schoeisel voortbewegen alsof ze regenlaarzen dragen. Sierlijk, maar wat zegt dat? Valt dat woord soms aan te raken, vast te pakken? Alleen in mijn gebarricadeerde huis doe ik mijn best me te herinneren hoe haar gezicht eruitzag, haar stukje voor stukje vanuit het niets weer op te bouwen. De lachrimpels rond haar rode lippen, het glanzend zwarte haar dat ze die eerste avond opgestoken droeg bij wijze van parodie op een oudere, stoffigere vrouw. Telkens als ik aan haar denk wis ik haar verder uit, onvermijdelijk worden haar trekken vager, onduidelijk wat echt was en wat niet. Had ze een moedervlek op haar linkerwang, had ze überhaupt een moedervlek? Over een jaar of tien, of misschien eerder, morgen, overmorgen of volgende week, zal er een leger komen om ons in beslag te nemen, misschien de Russen wel. Ze zullen onze huizen vullen met hun flessen wodka, met stapels Dostojewski en zwaarmoedigheid, en ik zal hen niet tegenhouden, als ik tegen die tijd nog leef. Ik stel me de soldaat voor die op zijn zware laarzen dit huis binnenstampt, het dunne snorretje boven zijn lip, grote, vochtige ogen. Hij zal mijn spullen vinden, en wie weet, misschien ook mij als een geraamte met tegen mijn borst geklemd een stapel losse blaadjes, aangetast door vocht en schimmels en de tijd, volgekalkt in mijn handschrift, dat nog het meest weg heeft van een verzameling insectenpoten, eerst uitgetrokken en daarna zorgvuldig tussen lijntjes gerangschikt. Lieve schat, ik ben melodramatisch, maar gun me dit plezier, de ijdele gedachte dat een lezer mijn al lang verlaten huis zal binnengaan. Nog terwijl ik dit schrijf zie ik het ongeduldig schouderophalen waarmee jij steevast reageerde op dergelijke uitspraken van mijn kant, hoe je demonstratief de andere kant uit keek en ondertussen met een prachtige hand strengen draaide van je haren, verveling geperfectioneerd tot kunst. Wreed, misschien, om eindeloos tegen je aan te praten nu jij je niet meer kunt verweren. Vergeef me, dear. Je zult het geluid van mijn stem nog een keer moeten verdragen, waar je ook bent.”
Mijn kleine broertje mijn oudste metgezel. Die de tafel met dekens vol hing, wanneer bezoek werd aangekondigd. Mijn kleine broertje in zijn schuilplaats. Wilde hij worden verlost? Drink niet, broedertje! Het bezoek roerde in de kopjes, een belletje op de grond, beneden haalde iemand diep adem. Een dierenjong, dat een geur in zich opneemt. Ik heb hem nooit gevraagd: Liet hij een kiertje open waardoor hij naar ons keek? En waarom hij daar was en niet ik. Ik vraag het hem niet mijn bloedbroeder van de ondoorzichtige vlakte achter ons, in de buurt van de eeuwige jachtvelden, van waaruit we zijn vertrokken. Tot het einde van ons leven hoeven we elkaar geen vragen te stellen. Als hadden we in het duister van onze levensstart elkaar alles verteld.
Wat moet je op 1 mei ter tafel brengen? Dat is de vraag die mij laatst werd gesteld. Mijn antwoord op die vraag is gauw verteld, op 1 mei moet je rood met rood vermengen.
Begin de dag dus met een zak tomaten. Vermijd het kroontje wel tot elke prijs Als lunch gebruik je dan een bos radijs. Je kan er brood bij doen, je kan ’t ook laten.
1 mei, de dag van d’Arbeid, het diner. Een rooie huisvrouw zal het simpel houwen, ze zal een diepvriesmaal in d’oven douwen.
Dan is z’op tijd bij al die and’re vrouwen, die samen aan een nieuwe toekomst bouwen. En zij gaat met die rooie vrouwen mee!
Letty Kosterman (17 maart 1935 – 5 februari 2017) Utrecht, de geboorteplaats van Letty Kosterman
Op jou, vlinder, ik heb de hele Dag al gewacht, jouw zeeblauwe Vleugels. Ik ging onrustig door de nacht, Vroeg in de ochtend begon ik te drinken, Want: ik hield de verwachting niet uit. En nu Weer nacht en mijn hoofd vol wijn, En de slaap komt niet eerder dan dat jij Komt. Jouw vlucht van ver weg, vanaf de Baltische Zee, en altijd naar mij, op de Vlucht voor de kraaien die uit Noorwegen Zijn. Jouw uitzicht – zuidelijk Scandinavisch licht Onder de gelijkmatige vleugelslag, Wanneer je terugkeert naar het thuishok, Nectarparels in de vacht en de geur van stuifmeel: op Jou heb ik de hele zomer gewacht.
De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.
Uit: Het hout
“Ongeveer op dat punt brandt het licht in Mansuetus’ kamer. Twee tl-buizen. Het raam waar dat licht schijnt is een gele lap in het pastoorzwart van de nacht, te zien door de takken van de kastanjes. Hij van daaruit zal het povere schijnseltje van mijn lampje wel niet zien als het brandt. Als je nu niet onmiddellijk ophoudt met die smerige gelui-den, Weytjens! Schreeuwen doe ik niet. Het heeft hier alles van een strafinstelling. Broeder? Ja Weytjens? Mark Freelink is er nog altijd niet. Knor knor. Ahômm. Besmuikte geluiden in verschillende slaapcoupés. Stilte! Iedereen slapen! Ik pro-duceer opnieuw een roffel met het kruis van het weesgegroe-tensnoer met de houten kralen. Daar rinkelt de lamp van in de fitting, het resoneert in de thermosfles. Ik kom niet van mijn stoel en word weer onbeweeglijk. Druppels aan mijn oren en neus. Er glibbert er een van nek naar stuit. Nog een van borstbeen naar daaronder, waar het jeukt. Kloosterzakdoek om te vegen en te deppen was van-morgen al doorweekt. De lap hangt achter mij aan het bed te drogen nadat ik hem onder de kraan heb uitgespoeld. Me-debroeders op de aardappel en groenteakkers opzij van de gebouwen leggen een knoop in de vier punten van de zakdoek en spannen hem zo over het hoofd. God weet wat de confra-ters nog meer met hun zakdoeken doen. Naast God weet ik dat ook, ik doe er hetzelfde mee, waartoe het weefsel bij voor-keur droog zij, nat is niet prettig. Mark Freelink moest nablijven na de avondstudie. Mansuetus verscheen in de deuropening van de studiezaal en commandeerde met die snorkende stem van hem, na eerst dat schraapgeluid: Freelink! Als hij opdoemt slaat meteen ab-solute stilte in. Als hij weer in de gang is opgelost, deur geluid-loos achter zich gesloten, zoals hij hem ook opeens geluid-loos heeft geopend, blijft iedereen nog seconden verstijfd. De leerlingen, maar wij, zijn kloosterbroeders, evengoed, die Mansoeweetoes ook buiten het schoolgebouw meemaken. Een stronk van een kerel, die door zijn gestalte boven alles uitsteekt, ook als hij zit of knielt. Het franciscuskleed bergt een zo omvangrijk lichaam dat het hem niet tot de voeten maar tot halverwege de behaarde onderbenen reikt. Daar ver-plaatst hij zich niet mee met dreunend misbaar als de kolos die hij is, maar onhoorbaar, zonder te sluipen, of hij met grote stappen zweeft. Opeens is hij er, opeens staat hij voor of achter je en je schrikt. Die schrik is angst. Dat bolle kale hoofd met de kleine loerende ogen boven pofferige wangen. Broe-der ever. Hij zet een stem op die wel altijd dreunt. En voordat hij iets zegt altijd eerst dat bijna rochelende aggrômm. Alleen al bij de klank daarvan verstommen mens en natuur, terwijl de mens er ook nog bij verbleekt. Onze broedergemeenschap ziet hem alleen in de kapel, niet altijd bij alle diensten, en in de kloosterrefter in het slot.”
Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)
De Duitse dichteres en schrijfster Ulla Hahn werd geboren op 30 april 1946 in Brachthausen. Zie ook alle tags voor Ulla Hahn op dit blog.
Mijn woorden
Ik heb mijn woorden uitgetrokken tot ze er lagen ademend en naakt onder mijn tong.
Ik draai ze om spuug ze uit zuig ze naar binnen blaas ze op
span ze aan van top tot teen span ze open
Maak ze groot als een ruimteschip naar de maan en klein als een kind. Overal zoek ik de zin die me vertelt waar ik mezelf vind.
Ons pogen is, van wie voor rampspoed is geboren; ons pogen is zoals van de Trojanen. Iets krijgen wij wel voor elkaar, iets komen wij er wel bovenop, en voelen dan hoe er begin van moed en goede hoop is.
Maar altijd duikt er wel iets op en stopt ons af. Achilles bij de gracht verschijnt voor onze ogen en jaagt ons met zijn luide kreten angst aan.–
Ons pogen is zoals van de Trojanen. Wij menen dat we, moedig, vastbesloten, de neergang nog wel zullen keren van ons lot, en staan daarbuiten pal en gaan de strijd aan.
Maar als de grote crisis eenmaal daar is, gaan onze moed en vastbeslotenheid teloor; en overstuur raakt onze ziel, verlamt dan, en rondomheen de muren rennen wij
om zo ons leven nog te redden door de vlucht.
Maar, onze val staat vast. Boven is, op de muren, begonnen reeds de jammerklacht. Van onze dagen herinneringen en gevoelens wenen er. Bitter om ons weent Priamos met Hekabe.
Ver weg
Graag had ik die herinnering verteld… Maar zo vervaagd is zij allengs… haast niets is ervan over — want ver weg, in mijn vroegste jongenstijd is zij gelegen.
Een huid die wel gemaakt leek van jasmijn… In die augustusmaand — was het augustus? — op een avond… Amper weet ik de ogen nog; waren ze niet diepblauw…? Ach ja: diepblauw, als een saffier zo blauw.
Vertaald door Hero Hokwerda
Chandelier
In a room -empty, small, four walls only, covered with green cloth- a beautiful chandelier burns, all fire; and each of its flames kindles a sensual fever, a lascivious urge.
In the small room, radiantly lit by the chandelier’s hot fire, no ordinary light breaks out. Not for timid bodies the lust of this heat.
hoho hortensia, jij was er, als solitaire stond je in je vaas en ik schreef je niet, jij stond te rotten en werd toch niet kleiner. kom nu niet bij me aan met kinderschorten of briefpapier. ik ben er toch, ik – zorg voor je. hortensia, ken je die lampen niet, waar je model voor staat, rond (natuurlijk rond) en zo geliefd in clubs en retro-discotheken? ken je niet.
of een rond (jahaa, rond) ruimtestation in orion, wie woont daarin? hoho hortensia, je raadt het niet: frank sinatra met een schortje om, fixing drinks, bezig met de cocktailgarde en de sodafles, woont met zijn barcombi in jouw omgekeerd gewelfde midden, en buiten alleen maar univers. hoor je mij, hortensia. buiten alleen maar univers en grote zwarte zwartheid.
Vertaald door Monique de Waal
Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)
Zie voor nog meer schrijvers van de 29e april ook mijn blog van 29 april 2020 en eveneens mijn blog van 29 april 2019.
“Haar huid: een landschap van blank waar haar gezicht het oosten was: daar kwamen twee zonnen als blossen op – en haar borsten waren het westen: daar gingen zij als areola’s onder. Zij was zo blank dat het leek alsof zij enkel in duisternis leefde, nimmer het daglicht had gezien, noch het daglicht haar. Het kon ook liggen aan haar frequente bezoeken aan het badhuis. Ze was er dol op en bracht er vele middagen door. Haar voeten waren even rood als de aarde waarop zij liepen. De andere vrouwen, zelf hazel of mahagonie, benijdden haar alabaster. Haar naam was Mamoerra. Wanneer haar ogen verzadigd waren van zijn beeld, vlijde zij haar broze warmte ruggelings tegen zijn boezem waar een brief lag te bonken. Zijn armen omsloten haar levendragend lijfje, omvatten haar alsof ze een mand zomervruchten was. Zij wentelde zich in zijn omarming en keek op naar hem; hij hield haar gezicht gekooid in zijn handen. Haar kin rustte waar de hielen van zijn palmen samenkwamen en hij kuste haar mond en voorhoofd. Vervloekt en nogmaals vervloekt wie de oorzaak van deze verstrengelingen had onthuld! En al die tijd leefde de brief tussen hen als een kind of een waardevol huisdier, naast de twee geiten en de ezel. Het deed haar pijn dat al haar voorzorgsmaatregelen tevergeefs bleken. Maar ook zij was weerloos tegen gerucht, dat nooit sliep en talrijke echo’s als dienstmaagden had in de ravijnen en vlakten van noordelijk Morea (dat is Moorlant voor u, mijne heren), waar het witte gehucht moeizaam standhield op de rode aarde en alles aangreep om verstrooiing te vinden voor zijn verveeld bestaan. Een enkel woord opgevangen door een blad van de druivenrank die, zaadloos nog als het genot van een vrouw, over de muren van hun huis op kroop naar een hiernamaals van schreeuwerige markten en wie weet van zondig glas – één zo’n woord doorverteld aan de wind die het voortzegde in de vrouwenvertrekken, was genoeg om het gehucht in een staat van opwinding te brengen, klapperend van roddels als een zeil in de wind.”
De Nederlands dichter, schrijver, journalist, radio- en televisieprogrammamaker, uitgever en biograaf Wim Hazeu werd geboren in Delft op 28 april 1940. Zie ook alle tags voor Wim Hazeu op dit blog.
Uit: Achterberg en de psychiatrie
“Het belang van al deze romans en andere (zoals Demonen), en van de thema’s en ideeën, wordt nog overtroffen door de indruk die Schuld en boete op Achterberg maakte, met name het personage van Raskolnikov en diens opvatting dat aan de grotere mens alles is geoorloofd. Raskolnikov doodde om aan zichzelf te bewijzen dat hij tot de categorie der buitengewone mensen behoorede. Waar de prostituee Sonja nog op een wonder wacht (zij leest Raskolnikov het verhaal over de opwekking van Lazarus voor) wordt Raskolnikov oor zijn bijna sadistische hartstocht beheerst, die ten tijde van Schuld en boete nog in Dostojevski zelf woelde. Later zou hij verklaren dat alleen de gevangenis hem redde voor waanzin, moord of zelfmoord. Het is verleidelijk om uit Schuld en boete te citeren, maar dat zou voor wat mij betreft neerkomen op honderd van de bijna vijfhonderd bladzijden, zo overweldigend lijken mij de voorbeelden, waaraan Achterberg zich heeft kunnen spiegelen in de keuze tussen ‘gewone en buitengewone’ mensen, of waarin hij zichzelf meende te herkennen; voorbeelden ook die als voorspellingen van Achterbergs verdere leven gelezen kunnen worden. ‘Alles, zelfs zijn misdaad, het vonnis en de verbanning kwamen in de eerste opwelling, voor als iets dat buiten hem omging, waar hij niets mee te maken had’, lezen wij op de laatste bladzijde van Schuld en boete. Ik kan het niet anders lezen dan als een vooruitlopen op Achterbergs arrestatie en gevangenschap in 1937, na het plegen van de doodslag op zijn hospita-geliefde, zonder (direct) schuldgevoel, en ook als een vooruitlopen op wat in 1932 en 1933 zou gebeuren, toen hij eerder aanstalten maakte om een geliefde te doden. Na de arrestaties in die beginjaren van 1930, werd hij psychiatrisch onderzocht en behandeld en daarna spoedig op de maatschappij losgelaten, zonder dat één psychiater ook maar het minste benul toonde voor het ‘unieke’ van Achterberg: een dichter voor wie niets meer telde dan de poëzie en een lezer die door Dostjoveski’s personages was beïnvloed. Het gespreksthema poëzie of Dostojevski werd niet serieus opgepakt, waardoor de psychiaters – als ik het voorzichtig mag formuleren – een kans hebben laten lopen om hun patiënt méér te begrijpen en om wellicht een terughoudender advies te geven, dan het zonder meer vrijlaten van wat toen al een desperaat mens was. Het is natuurlijk niet zo dat, omdat Raskolnikov een moord pleegde en in de gevangenis terechtkwam, dit ook met Achterberg moést gebeuren. Maar het feit dat Achterberg zich in Raskolnikov ging herkennen (wat hij nota bene ook duidelijk heeft gezegd aan degenen die hem verplegen moesten), en zich op deze romanfiguur beriep, werd door de psychiaters niet als een punt van serieuze gesprekken overwogen. Men liet het bij vage oorzaken: wellicht was de val van een hooiberg, waarbij hersenbeschadiging zou hebben kunnen optreden, de oorzaak van het ongereguleerd driftleven van hun patiënt.”
Zijn superkracht was dat zijn testikels sperma produceerden met uitsluitend X-chromosomen en dat was ironisch want niet alleen was hij een beest voor vrouwen, maar zijn 40 meisjesbaby’s groeiden op, op zoek naar mannen zoals hun vader die ze nauwelijks zagen, tenzij ze naar zijn atelier gingen om te worden geschilderd, wat hun moeders niet goed vonden, die niet alleen jaloers waren, maar ook schuldig aan het baren van meisjes die producten waren van een monster dat X-chromosomen maakt & die binnenkort zouden lijden onder de handen van andere monsters met X- type sperma waardoor de voortzetting van het lijden is verzekerd & ondertussen werden alle meisjes schrijvers die lusteloos waren van het zitten aan een bureau en het zijn van dochters en liefhebbers van beesten.
De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Robert Anker werd geboren in Oostwoud op 27 april 1946. Zie ook alle tags voor Robert Anker op dit blog.
Heimwee naar de dag voordat jij kwam
Ik was Abba al voorbij maar Abba haalde mij in het was een jonge dag de dag voordat jij kwam het was zo’n dag dat iedereen je aankijkt en gestalte neemt en: bewogen de gordijnen in de deur er was geen wind knikkend zakte iets opzij een vloed een flakkering van licht in het licht een zingend kleuren van de kleuren naar zichzelf het was de dag voordat jij kwam ik heb gewoon ontbeten denk ik en ik las de krant vermoed ik op mijn werk zo zal ik ook geluncht en weer teruggelopen naar de tram de sleutel in het slot no sense of living without aim maar al die opkomst in het niets de dag voordat hij kwam.
Met haar rugzak zwaarder dan een paard
Met haar rugzak zwaarder dan een paard om stuitert desondanks zij de trappen op en af woont in abstracte lessen voor een toekomst met haar gierende vriendinnen wild gearmd naar de wc’s een wijle daar valt zij in een aandacht voor haar oogopslag haar rozenmond in de beheersing van haar hoofddoek strijkt zij langs de jongensblote navel der vriendin o zij haat de broertjes in haar kamer met agendazware zucht en tekent haar belofte in het stralendste gezicht dat zij ooit tekende, o knusse dingen hou me vast ik blaak van alles wat me ook vandaag omringde.
De zon daalt, wij hebben ons verinnerlijkt in ons bootje
De zon daalt, wij hebben ons verinnerlijkt in ons bootje en varen zoet vereenzaamd in een landschap waarbij ik roei en jij met elegante handslag het water in het water schept opdat wij zinkende niet zinken in het water waar zo pas zie ik omkijkend land was en ver voor mij op de kant was de kindertijd en wuift nog o god wat hou ik toch van de knieën uit je rok!
Lang op de vlucht voor het verstrijken van de waarheid. Maar nu moet ik, zeggen de handlangers, oneerlijke zaken Doen met de moeders van de vijanden. Ja, ik geef toe, ik neem, Wanneer brood een wapen is en een weerzien de oorlog Is, die jullie niet willen, deze omwegen heel graag. Handtekening bij zonsopgang. Met gebroken vingers. Ik: een Satan onder het teken van welk teken dan ook – Zwarte tulband, zwart kruis, zwarte hand, zwarte schoen Bestendig en braaf! Dan gaan de zwarte lichten aan en De bevoegde rechter sluit zijn dossier.