Sylvain Tesson

De Franse schrijver (van reisverhalen) Sylvain Tesson werd geboren 26 april 1972 in Parijs als zoon van de arts Marie-Claude Tesson en de journalist Philippe Tesson. Sylvain Tesson volgde middelbaar onderwijs aan het Lycée Passy-Buzenval in Rueil-Malmaison. Daarna haalde hij een baccalaureaat aan het Lycée Claude-Debussy in Saint-Germain-en-Laye. Hij studeerde geografie en specialiseerde zich in geopolitiek. In 1996 behaalde hij het Diplôme d’études approfondies (DEA) aan het Institut français de géopolitique. Hij sloot zijn studie af met een onderzoeksverslag over de waterproblematiek in het noorden van Israël. In hetzelfde jaar maakte zijn eerste fietstocht naar Centraal-Azië in 1997. Tesson nam deel aan verschillende wetenschappelijke expedities. Hij werd lid van de Société des Explorateurs Français. Hij reist vooral naar Azië en het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie. In de regel reist hij met enkele partners, b.v. voor een motorreis van Moskou naar Parijs, beschreven in Berezina, met de Franse fotograaf Thomas Goisque, de Franse reisschrijver Cédric Gras en twee Russische reisgenoten. In 2012 viel hij van het dak van een huis, overleefde met ernstige verwondingen maar leed aan gezichtsverlamming. Als onderdeel van het genezingsproces zwierf hij door Frankrijk. Hij beschrijft deze reis in “Sur les chemins noirs”. Zijn boeken zijn zeer succesvol in Frankrijk. Er werden ongeveer 500.000 exemplaren van “La Panthère des neiges” verkocht, waarmee Tesson de “meest gelezen Franstalige auteur van 2019” werd. Ook maakt hij deel uit van de gelijknamige documentaire uit 2021.

Uit: La panthère des neiges

« Je l’avais rencontré un jour de Pâques, après une projection de son film sur k loup d’Abyssinie. Il m’avait parlé de l’insaisissabilité des bêtes et de cette venu suprême : la patience. Il m’avait raconté sa vie de photographe animalier et détaillé les techniques de l’affût. C’était un an fragile et raffiné consistant à se camoufler dans la nature pour attendre une bête dont rien ne garantissait la venue. On avait de fortes chances de rentrer bredouille. Cette acceptation de l’incertitude me paraissait très noble — par là même an ti modern e. Moi qui aimais courir les routes et les estrades, accepte-rais-je de passer des heures, immobile et silencieux ? Tapi dans les orties, j’obéissais à Munier : pas un geste, pas un bruit. Je pouvais respirer, seule vulgarité autorisée. J’avais pris dans les villes l’habitude de dégoisa à tout propos. Le plus difficile consistait à sc taire. Les cigares étaient proscrits. « On fumera plus tard, sur un talus de la rivière, cc sera nuit et brouillard ! » avait dit Munier. La perspective de griller un havane au bord de la Moselle faisait supporter la position du guetteur couché.
Les oiseaux dans la charmille striaient l’air du soir. La vie explosait. Les oiseaux ne troublaient pas le génie des lieux. Appartenant à ce monde, ils n’en brisaient pas l’ordre. C’était la beauté. La rivière coulait à cent mètres. Des escadres de libellules volaient au-dessus de la surface, carnassières. Sur la rive ouest, un faucon hobereau menait des razzias. Vol hiératique, précis, mortel — un Stuka. Ce n’était pas le moment de se laisser distraire : deux adultes sortaient du terrier. jusqu’à la nuit ce fin le mélange de la grâce, de la drôlerie et de l’autorité Les deux blaireaux donnèrent-ils un signal ? Quatre têtes apparurent et des ombres fusèrent hors des galeries. Les jeux du crépuscule avaient commencé. Nous étions postés à dix mètres et les bêtes ne nous repérèrent pas. Les jeunes blaireaux se battaient, escaladaient la levée de terre, rodaient dans le fossé, se mordaient la nuque et recevaient la torgnole d’un adulte qui remettait de la tenue dans le cirque du soir. Les fourrures noires rayées de trois lanières d’ivoire disparaissaient entre les feuillages, surgissaient plus loin. Les bêtes se préparaient à fureter par les champs et par les berges. Elles s’échauffaient avant la nuit. Parfois, l’un des blaireaux approchait de notre position et allongeait son long profil qu’un mouvement de la tête recadrait de pleine face. Les bandes sombres où se logeaient les yeux dessinaient deux coulées mélancoliques. Il avançait encore, on distinguait les pattes plantigrades, puissantes, ramenées en dedans. Les griffes laissaient dans le sol de France ces empreintes de petits ours qu’une certaine race d’hommes assez malhabile dans le jugement d’elle-même identifiait comme traces de « nuisibles ».

 

Sylvain Tesson (Parijs, 26 april 1972)

Erik Menkveld, Ted Kooser

De Nederlandse dichter Erik Menkveld werd geboren op 25 april 1959 in Eindhoven. Zie ook alle tags voor Erik Menkveld op dit blog.

 

Zomerhuisjesuitzicht

Je stond te wassen in een teiltje
voor het raam. Een soort godin,
je blauwe jurk die ik zo schitterend
vind aan en achter je de duinen –

hopen pasgewassen bont.
De wolken hingen in de verte
al aan meeuwen in de zon,
boven het langzaam onderlopend wad

dat zilver in dat licht was
met wat zwart. O soort godin
die niet bleef staan. Nog voor hoogwater
had je weer een T-shirt aan.

 

Poème de l’extase

Rustige avond met een glaasje,
Poes, die warme zak
en Skrjabin. Hoe hoger
dat koper hoe hoger
hoe geraakter.

Tot dat beest moet hebben gedacht:
die blijft geen schoot,
die gaat weer uit deze stoel
als een langzame duif
in de lucht staan wuiven,
die gaat weer als een merel
met zijn ogen dicht
zijn bek staan tuiten –
Want hij dook onder tafel.

En even later sloeg ik
de bekkens en de maat,
floot ik trompetten
en fluiten.

 

Een eindje om

De stugge ontoegankelijkheid van dit gebied.
Zoals iets, voor de vierde keer verteld

weer in dezelfde woorden schiet
maar daar niet meer te vinden is

zo ligt dit landschap teruggetrokken
in de aanblik die het biedt:

een dunne plek in de lucht, vogels,
winters uitgekamd griend.

Er trekt een stilte uit de akkers op,
de grauwe gevel in het weiland

maakt haar diep: een raam, mensen
erachter, televisie aan. Stilte

waarin ik door golven fiets.

 

Erik Menkveld (25 april 1959 – 30 maart 2014)

 

De Amerikaanse dichter Ted Kooser werd geboren op 25 april 1939 in Ames, Iowa. Zie ook alle tags voor Ted Kooser op dit blog.

 

Dood van een hond

De volgende ochtend voelde ik dat ons huis
’s nachts was opgetild van zijn
fundament, en nu op drift was,
hoewel het zo zwaar was, werd het een voet of meer,
van wat het ook deed drijven omhoog getrokken, geen water
maar iets kouds en duns en helders,
stilte die over zijn oppervlak rimpelde toen het huis
op een sterke stroom begon te draaien,
vertrok, mijn vrouw en mij meenemend,
en hoewel het nooit in mij was opgekomen
tot dat moment, had onze hond
vijftien jaar lang vastgehouden wat we hadden
door zijn buik tegen de vloeren te drukken,
zijn voorpoten ook, en nu hij weg was
begon het huis naar buiten te zweven,
de leegte in, geen vaste grond in zicht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ted Kooser (Ames, 25 april 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e april ook mijn blog van 25 april 2020 en eveneens mijn blog van 25 april 2019 en ook mijn blog van 25 april 2016 en mijn blog van 25 april 2015 deel 2.

Frans Coenen, Robert Penn Warren

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: Onpersoonlijke herinneringen (Het huis)

“Toen ik vele jaren geleden het huis betrad, het heel deftige huis aan de Amsterdamsche hoofdgracht, was de laatste bewoonster eerst drie maanden tevoren overleden. En sedert hadden de testamentaire executeurs daar gehuisd, er in huisgehouden is een beter woord, want overal lag de boel omgehaald voor den inventaris. Maar trots deze grauwe wanorde, als voor een verhuizing, die vergeefs op de kruiers wachtte, had toch het huis zijn eigen sfeer, die sfeer van afwerende, stille beslotenheid, niet gansch verloren. En dat leek wel altijd zoo geweest, sedert het ruim driehonderd jaar geleden, onder de republiek, gebouwd werd voor een burgemeester van Amsterdam. Maar, als ’t ware, boven op het fundementale van dien sfeer, aan het gebouw eigen, en die eerst langzaam tot het volle besef kwam, was er de sfeer en zelfs de atmosfeer van de laatste bewoonster zeer duidelijk en opdringend, zoodra men het schemerige onderhuis betrad. Het rook er namelijk naar katten, al sterker naarmate men uit de lage benedengang de breede trap kwam opgestegen.
Het werd als in Artis, in het gebouw van de kleine roofdieren, voor wie uit de hooge marmeren hoofdgang, door het koepelachtig monumentaal trappenhuis, de eerste verdieping bereikte. Daar was in de kamers die reuk bijna onverdragelijk, als de vertrekken een tijd lang gesloten waren geweest, uitstroomend uit de gordijnzoomen, verhevigd bij alle schoorsteenmantels, klaarblijkelijk overal waar de katers geloopen hadden. Het was vreemd en akelig te bedenken, dat die laatste bewoonster, mevrouw Leroy, jaren lang in deze verpeste atmosfeer had gehuisd. Die oude vrouw met haar katten, het vormde tezamen allengs een griezelige eenheid, iets heksachtigs, dat toch van andere zijden weer werd teniet gedaan. Want eigenlijk alles getuigde hier nog van haar, of zij gisteren was uitgedragen. Allereerst op de ronde, gebeeldhouwde tafel in dat groote, langwerpige voorvertrek, die menigte statiemutsen met linten van elke kleur, maar alle groezelig en wansmakelijk. Dat scheen niet heksachtig, doch meer armzalig van vreemd misplaatste coquetterie. Hoe kon iemand zooveel rare hoofddeksels bezitten? Had zij ze ongeveer alle tegelijk gekocht uit een maniacale behoefte aan verzamelen? Of had zij ze eenvoudig niet weg kunnen doen en er altijd meer bijgekocht? Dit laatste leek wel waarschijnlijk, gezien den vergeelden en verlepten staat van een groot deel der collectie. In elk geval, nu lagen zij daar, bloot voor de onverschillige blikken, een zielige nalatenschap van allicht vergeefsche vrouwelijke behaagzucht en zelf-illusie. Achter de gesloten blinden in het vale schemerlicht van deze kille kamer lagen zij daar al weken, zooals zij uit de laden waren geplukt, pijnlijke getuigenis van een vreemd verleden, dat ons misschien niet had moeten geopenbaard.”

 

Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936)
Portret door Ferdinand Hart Nibbrig, 1894

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Penn Warren werd geboren op 24 april 1905 in Guthrie, Kentucky. Zie ook alle tags voor Robert Penn Warren op dit blog.

 

Vertel me een verhaal

Lang geleden, in Kentucky, stond ik, een jongen,
Door een onverharde weg, in het eerste donker, en gehoord
De grote ganzen gieren naar het noorden.

Ik kon ze niet zien, er was geen maan
En de sterren schaars. Ik heb ze gehoord.

Ik wist niet wat er in mijn hart gebeurde.

Het was het seizoen voordat de vlierbes bloeide,
Daarom gingen ze naar het noorden.

Het geluid ging naar het noorden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Penn Warren (24 april 1905 – 15 september 1989)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e april ook mijn blog van 24 april 2020 en eveneens mijn blog van 24 april 2019 en ook mijn blog van 24 april 2016 deel 2.

William Shakespeare, Peter Horst Neumann

De Engelse dichter en schrijver William Shakespeare werd geboren in Stradford-upon-Avon op, vermoedelijk, 23 april 1564. Zie ook alle tags voor William Shakespeare op dit blog.

 

Sonnet 106

When in the chronicle of wasted time
I see descriptions of the fairest wights,
And beauty making beautiful old rhyme
In praise of ladies dead, and lovely knights,
Then, in the blazon of sweet beauty’s best,
Of hand, of foot, of lip, of eye, of brow,
I see their antique pen would have express’d
Even such a beauty as you master now.
So all their praises are but prophecies
Of this our time, all you prefiguring;
And, for they look’d but with divining eyes,
They had not skill enough your worth to sing:
For we, which now behold these present days,
Had eyes to wonder, but lack tongues to praise.

 

Sonnet 130

Mijn Liefje heeft geen ogen als de zon;
Veel roder dan haar lippen is koraal;
En is sneeuw wit? Dan zijn haar borsten vaal;
Zijn haren goud? ’t Is zwart goud dat zij spon.
En ik ken Rozen, roze, wit en rood.
Maar zulke Rozen sieren niet haar wangen.
Ook zijn er geurtjes waar ik meer van genoot
Dan die er in mijn liefjes adem hangen.
Ik, die haar graag hoor praten, moet beamen
Dat ik Muziek vaak aangenamer vond;
Nooit zag ik hoe godinnen nader kwamen,
Als zij loopt, stampt mijn liefje op de grond.
     En toch, mijn hemel, mijn lief kan meer bekoren
     Dan al die vrouwen vervalst in metaforen.

 

Vertaald door Bas Belleman

 

Sonnet 5

Die uren die met teeder-sterk vermogen
De blikken vormden waar elks oog op rust,
Zullen tirannen zijn voor juist die oogen
Totdat hun schoone schijn is uitgebluscht.

Want nooit-rustende tijd leidt zomer voort
Naar gruwbre winter en verslaat hem daar.
’t Sap wordt gestremd, de groei van ’t loof gestoord,
Schoonheid besneeuwd, en de aard van groeisel baar.

Was dan niet zomers bloem, tot geur gestoofd,
Vloeibaar gekerkerd in een huis van glas,
Dan was met schoonheids schijn haar ziel geroofd
En geen herinring meer van wat zij was.

Van bloemen, zoo bewaard, is als het wintert
De schijn wel weg, maar ’t wezen onverminderd.

 

Vertaald door Albert Verwey

 

William Shakespeare (23 april 1564 – 23 april 1616)
Standbeeld in Lincoln Park, Chicago

 

De Duitse dichter, essayist en literatuurwetenschapper Peter Horst Neumann werd geboren op 23 april 1936 in Neisse. Zie ook alle tags voor Peter Horst Neumann op dit blog.

 

Toen ze na een zomervakantie
haar tuin weer zag

De onder verwondingen
opgestoken bramenhaag
groeide boven zichzelf uit,
met doornige slierten
zijn de paden overwoekerd,
jou ijver vergeten,
jouw orde overleefd.

Tuinkers groeit verbroederd
tussen bonen, de uien
hebben ruzie met zoete erwten,
de kleine pompoen
klom uit de boom
laat zijn bollen bij de appels
schijnen.

Zichzelf te verwoesten –
Plezier der tuinen. Als
je blij zou kunnen zijn,
tuinvrouw. De bom
van de tomatenstruik
valt zachtjes
.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Peter Horst Neumann (23 april 1936 – 27 juli 2009)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e april ook mijn blog van 23 april 2020 en eveneens mijn blog van 23 april 2019 en ook mijn blog van 23 april 2017 deel 3.

Giorgio Fontana, Louise Glück

De Italiaanse schrijver Giorgio Fontana werd geboren op 22 april 1981 in Saronno. Zie ook alle tags voor Giorgio Fontana op dit blog.

Uit: Het geweten van Roberto Doni (Vertaald door Philip Supèr)

“Dat is ’s morgens, ’s avonds doe ik dezelfde route andersom. Weet jij dan nog waar ik godverdomme woon?’ `In Piola.’ `Ja hoor, dág!’ `Je kan toch ’s avonds gaan wandelen, als je dat zo graag wilt.’ `Ach, welnee, waar moet je in godsnaam naartoe? En daarbij: ’s winters is het steenkoud en ’s zomers snikheet.’ `Vandaag is het anders wel lekker.’ `Ik weet niet hoe ik het je duidelijk moet maken. Het is een kwestie van tempo, van bepaalde stappen.’ Doni lachte breed. Wan beloond worden.’ `Milaan is een gierige stad, die pas iets geeft als je het heel vriendelijk vraagt,’ zei Doni. `Maar dat ben ik niet gewend. Ik ben gewend dat een stad vol in mijn gezicht waait, niet dat ik op mijn knieën moet vallen voor ieder stukje brood. Dat zal allemaal wel komen omdat ik zo’n cliché-zuiderling ben, weet ik het. Maar hoe het dan ook komt, om hier te kunnen leven heb je goddelijke bijstand nodig.’ `Amen,’ zei Doni, en nam nog een slok ambachtelijk bier. Dat was koud en sterk: hij voelde ontspanning in zijn mond en een prettige prikkeling in zijn kaken. Salvatori keek hem aan en schoot in de lach. `Amen,’ herhaalde hij. ‘En geloofd zij de Heer!’

Maar toen ze uit het restaurant kwamen, zag Doni een straal licht de gebouwen doorklieven bij de kruising met de Via Conservatorio. Er ging een onnatuurlijke rust van dat moment uit, schoonheid geschreven in het contrast: de theorie van Salvatori werd weerlegd en als bij toverslag was Milaan schitterend. Doni herinnerde zich hoe hij als jongeman ’s avonds, na zijn colleges recht, naar zijn ouderlijk huis liep. Hij kruiste dan deze straten en nam daarna de Via Sottocorno, vervolgens de Corso Indipendente tot het Piazzale Susa, waar zijn vader een driekamerwoning had gekocht met de erfenis van zijn eigen vader. Soms dook hij onderweg even een bar in, voor een broodje, soms ook week hij uit in noordelijke richting, om naar een bioscoop in de Corso Buenos Aires te gaan. Nooit ging het hem duizelen, hij voelde alleen de zoete rust van een lange pauze. Salvatori liep een paar stappen voor hem. Doni hield een moment halt om nog een keer naar dat licht te kijken. Het was nu uiteengevallen in een soort diffuse schittering die alles daar leek te willen omvatten: de boomtakken vol knoppen, de muren van de gebouwen, de vensterbanken. April leek meer een lichaam dan een maand. Een jongetje rende naar het fonteintje voor de San Pietro in Gessate-kerk. Een elegante oude heer stak zijn krant onder zijn arm en begon te fluiten. Er ging een siddering door Doni heen, die hij meteen indeelde bij de plezierige gevoelens die hij al heel lang niet had ervaren. Het was iets onmiddellijks en kortstondigs, iets wat waarschijnlijk ook met dat biertje te maken had; hij leefde.

De middag bracht hij door in de ruimte waar de servers stonden, om samen met de technici een probleem op te lossen. (Zonder het te willen was hij benoemd tot contactpersoon voor de computers van het Openbaar Ministerie.) Een secretaresse had per ongeluk een deel van de database gewist, ook al bleef ze het ontkennen. In tranen had ze daar gezeten, haar hoofd en wijsvinger schuddend. ‘Het is niet mijn schuld! Het is niet mijn schuld!’ zei ze steeds maar. ‘Er sloot zomaar opeens een venster op mijn scherm, ik begreep er niks van, het is niet mijn schuld!’

 

Giorgio Fontana (Saronno, 22 april 1981)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste en schrijfster Louise Elisabeth Glück werd geboren op 22 april 1943 in New York. Zie ook alle tags voor Louise Glück op dit blog.

 

Wijkend licht

Jullie leken net kleine kinderen,
altijd tuk op een verhaal.
En ik had er al zo veel verteld;
ik had genoeg verzonnen.
Dus gaf ik jullie potlood en papier.
Ik gaf jullie pennen van riet
dat ik zelf sneed, middagenlang in de dampige velden.
Schrijf jullie eigen verhaal maar, zei ik.

Na al die jaren luisteren
zouden jullie wel weten
wat een verhaal was dacht ik.

Zeuren was het enige wat jullie konden.
Alles moest jullie worden uitgelegd,
op eigen kracht doorgrondden jullie niets.

Toen besefte ik dat jullie niet konden denken
met werkelijke lef of passie;
jullie hadden je leven nog niet geleid,
geen eigen rampen doorstaan.
Dus gaf ik jullie levens, gaf ik jullie rampen,
want schrijfgerei alleen bleek niet genoeg.

Jullie zullen nooit weten hoe goed
het me doet jullie daar te zien zitten
als onafhankelijke wezens,
jullie te zien dromen bij het open raam,
potloden die ik jullie gaf in de aanslag
tot de zomerochtend in woorden opgaat.

Het scheppen heeft jullie opgewonden,
ik wist het van tevoren, dat doet het in het begin altijd.
En ik ben vrij om te doen wat ik wil,
me met andere dingen bezig te houden,
in het volste vertrouwen
dat jullie me niet meer nodig hebben.

 

Vertaald door Erik Menkveld

 

Louise Glück (New York, 22 april 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e april ook mijn blog van 22 april 2020 en eveneens mijn blog van 22 april 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Patrick Rambaud, Gerrit Wustmann

De Franse schrijver Patrick Rambaud werd geboren op 21 april 1946 in Parijs. Zie ook alle tags voor Patrick Rambaud op dit blog.

Uit: The Battle (Vertaald door Will Hobson)

“Berthier had in turn climbed out of the Berline and gone to join Napoleon, who was sitting on the stump of a durmast oak. The two men were almost the same height and they wore the same type of hat; from a distance, they might have been mistaken for one another. But the Chief of Staff had thick, curly hair and a corpulent face which lacked the symmetry of Napoleon’s. Together they looked at the Danube.
‘Sire,’ said Berthier, biting his fingernails, `the place seems well chosen.’
‘Sulla carta militare, ” evidente!‘ replied the Emperor, cramming his nostrils with snuff.
‘The depth still needs to be sounded from skiffs …’
That’s your concern!’
‘… the strength of the current measured …’
Your concern!’
Berthier’s concern, as usual, was to obey. Loyal and meticulous, he always carried out his master’s wishes to the letter and, as a consequence, had acquired enormous power, the self-interested devotion of others and no small amount of jealousy.

********************************************************

The section of the Danube before them was split into several branches, which slowed its current, and was further broken up by a number of islands covered in meadows, scrub and woods of elms, willows and spreading oaks. An islet between the bank and the largest of these islands, the island of Lobau, would serve as a point of support for the bridge they were going to build. On the other side of the river, at the Lobau’s furthest point, they could see a small, level expanse stretching to the villages of Aspern and Essling and then, rising above the thickets of trees, the two village steeples. Beyond that, an immense plain planted with green crops and watered by a stream that dried up in May, and finally, on the left, the wooded heights of Bisamberg, where the Austrian troops had fallen back after burning the bridges.
The bridges! Four years earlier the Emperor had entered Vienna as a saviour, its inhabitants running to meet his army. This time, when he reached its poorly protected suburbs, he had been forced to lay siege to the city for three days, and even bombard it before the garrison withdrew.
An initial attempt to cross the Danube near the destroyed Spitz bridge had failed recently. Five hundred light infantrymen of Saint-Hilaire’s division, under the command of chefs de bataillons Rateau and Poux, had gained a foothold on the island of Schwartze-Laken, but acting without precise orders or coordination they had neglected to station a reserve company in a large house well placed for protecting the landing of further troops. Half of their men had been killed; the others were wounded or captured by the enemy vanguard stationed on the left bank, which played the Austrian anthem by Herr Haydn every morning to rouse the spirits of the Viennese.”

 

Patrick Rambaud (Parijs, 21 april 1946)

 

Onafhankelijk van geboortedagen:

De Duitse dichter Gerrit Wustmann werd in 1982 in Keulen geboren. Zie ook alle tags voor Gerrit Wustmann op dit blog.

 

galata kulesi beneden

’s nachts de akkoorden van de sitar
en de klaagzang van de saz van de man
die hier altijd zit met de klacht
van de bomen en de violen
die uit ramen klinken
om twee uur ’s ochtends stemt
de gitaarbouwer nog een laatste
instrument voordat hij de laatste
katten voedt een laatste çay
een laatste nog op het laatst deze
blik deze lach en
de nachtlichten van de schepen
op de bosporus

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Gerrit Wustmann (Keulen, 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e april ook mijn blog van 21 april 2020 en eveneens mijn blog van 21 april 2019 deel 2 en eveneens deel 3.

Martinus Nijhoff, Sarah Kirsch

De Nederlandse dichter, toneelschrijver en essayist Martinus Nijhoff werd geboren in Den Haag op 20 april 1894. Zie ook alle tags voor Martinus Nijhoff op dit blog.

 

Het uur U (Fragment)

Deze echter, uit stil verweer,
legde de pen zelfs niet neer,
schoof geen stoel bij, keek niet op. –
Er zat voor de geest niets op,
dan dat hij weer ontsteeg
naar zijn ballingsoord, blauw en leeg
tussen aarde en zon.
Even keek de compagnon
de gewillige na op zijn vlucht,
peinsde, zag in de lucht
een wolkje, en zag dat daar ging
nog steeds die vreemdeling,
nog steeds die man door de straat.

Maar, naar zich horen laat,
– want langzaam kwam men bij
uit de diepe mijmerij
en de man liep betrekkelijk vlug –
men zag hem nu op de rug.
Men had hem niet bepaald
feestelijk ingehaald;
daar was ook geen reden voor;
maar gelukkig liep hij door,
en toen de waarschijnlijkheid
dat men hem weldra kwijt
en voorgoed kwijt zou zijn,
bij elke stap terrein
en aan waarschijnlijkheid won,
gaf heel de straat, kortom
ieder en iedereen
– met uitzondering van één,
en wie aandachtig las
weet dat het de rechter was, –
gaf, behalve de rechter dan,
geheel de straat den man
– sit verbo venia –
het heilig kruis achterna.

Maar voor de zoveelste keer
prees men de dag aleer
de avond was gedaald.
Men heeft leergeld betaald,
de man was de straat nog niet uit.
Plat tegen de vensterruit,
met het vitrage-net
bloedrood in het voorhoofd geplet,
kon men hem nog zien gaan.
Toen heeft zich iets voorgedaan
dat alle beschrijving tart.
De schrik sloeg de straat om het hart.
Kokend van woede, doodsbleek,
de vuisten gebald, bekeek
men het ontzettende dat
beneden voortgang had.

 

Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
Herdenkingspostzegel uit 1954

 

De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.

 

In de zomer

Dunbevolkt is het land.
Ondanks enorme velden en machines
Liggen de dorpen slaperig
In buxustuinen; de katten
Raakt zelden een steenworp.

In augustus vallen sterren.
In september wordt de jacht aangeblazen.
De grijze gans vliegt nog, de ooievaar stapt nog
Door ongerepte weilanden. Oh, de wolken
Als bergen vliegen ze over de bossen.

Als je hier geen krant bijhoudt
Is de wereld in orde.
In pruimenjamketels
Wordt je eigen gezicht prachtig weerspiegeld en
Vurig rood gloeien de velden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sarah Kirsch (16 april 1935 – 5 mei 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e april ook mijn blog van 20 april 2020 en eveneens mijn blog van 20 april 2019 deel 2 en ook deel 3.

Marjoleine de Vos, n. c. kaser

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marjoleine de Vos werd geboren in Oosterbeek op 19 april 1957. Zie ook alle tags voor Marjoleine de Vos op dit blog.

 

Februari

De keuze, zegt hij, is niet groot, er is verdriet
om bij te blijven, of kies je voor het leven.
Zo makkelijk klinkt hij, lacht moeilijk
en wenst geloof ik alle dingen nieuw.
Achter het raam zit het huiselijk leven
onder de lamp bij de hagelslag
luistert slordig naar elkaar en de muziek;
vier jaargetijden, eerste deel. Hoor de lente.
Wat al ruikbaar is moet nog te voorschijn komen
het kan eenvoudig toegevroren, februari,
verijsde rietpluimen aan metalen water.
Toch doet een reeds vergeten geur geloven
dat het komen zal. De dolle pimpelmees
weet er al van, net als de vlier aan het diepje
dat zich een weg slingert door modderig gras.

Het is zo ver weg, wij zijn zo stram vertederd
het huiverig oog stuit op de kerktoren
in de verte tussen onzichtbaar bezige bomen.
Gehoorzaam halen wij onze adem in en
als koolzuur in de Spa zo onbedwingbaar
groeit alles zich een weg naar boven
feestelijk bereid tot bijna niets.

 

Mevrouw Despina wil afscheid nemen

Ik teken ervoor, zegt de man in de trein
zo weg, zegt hij, het hart, geen pijn. Maar
zijn vrouw, gilt mevrouw Despina die zwijgend
uit het raam springt boven haar krant
waarin plotseling is overleden zonder een woord
een kus geen wuiven. Deed zij de deur achter hem
dicht lachte ze tot de hoek om zijn kruin
die zo bloot, zijn stappen al te haastig
van angst om vertrek zei ze dag.

Nu niet, weet mevrouw Despina, in schril protest
het lot vloeken: buigen, denk aan de wijze
onverdrinkbaar in de stroom aan de levenskunstige
fuut op zijn nest van vuilnis, men moet
een achteloos vangnet bij de hand terugveren
als een bal op een racket bereid zijn
voor het valluik, de neersuizende dakpan
de revolutie van eigen organen.

Van rechtvaardigheid nu geen woord gevraagd wordt
vast te houden steeds weer de liefste dagelijks
zwaaien, het liegende lot te geloven als het lacht
van altijd voor eeuwig met thee aan de tafel
en nooit een bericht ondertekend door wie
zonder een blik – Mevrouw Despina verklaart
zich bereid te betalen als niet in stilte
ongewaarschuwd knalt nog haar vloek tegen
zomaar verdwijnen en zwaait ze gedag
naar langsvliegende sloten, zwanen, de zon.

 

Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957)

 

De Zuidtiroolse dichter norbert c. kaser werd geboren op 19 april 1947 in Brixen. Zie ook alle tags voor norbert c. kaser op dit blog.

 

lied van het gebrek aan fantasie

geliefd land
opgebouwd uit koebellen &
vechtpartijen in cafés

kind van het weer
moeder van de druiven

het blazen van de wind
alpine gloed
langs groene rivieren
& aan de voet
een gedode worm
bekende straatjes
burgerschap, trotse boerenstand
vijand van de Franstaligen en erger
dan die

kind van het weer
moeder van de druiven

intieme dorpjes
blauw schort & stieren
autonoom
heidenen in de rok van de schutters
brandweer muziek
snijplanken citers
jodelen kan niemand

samenzwerend met het hart van god

& overal boven zweeft de roodkopgier

 

Vertaald door Frans Roumen

 

n. c. kaser (19 april 1947 – 21 augustus 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e april ook mijn blog van 19 april 2020 en eveneens mijn blog van 19 april 2019 en ook mijn blog van 19 april 2018 en ook mijn blog van 19 april 2015 deel 2.

Roos van Rijswijk, Hanane Aad

De Nederlandse schrijfster Roos van Rijswijk werd geboren in Amsterdam op 18 april 1985. Zie ook alle tags voor Roos van Rijswijk op dit blog.

Uit: De Dwaler (Seven Year Itch)

“Als haar zoon met een oerkreet haar deur open¬trapt draait Ans Dorrepaal, die bijna een manus-cript uit godbetert eind achttiende eeuw aan flar¬den snijdt, zich om op haar stoel. Ze scant binnen luttele seconden het lichaam van haar kind. Er is geen bloed te zien, zelfs geen tranen, en hij staat zoals gebruikelijk nog stevig op zijn kunstbenen. Ze zoekt als hij bij haar bureau is aangekomen voor de zekerheid met haar handen de contou¬ren van het harnas onder zijn shirt af. Jopie duwt haar handen ongedurig weg, hij wordt er liever niet aan herinnerd, zegt een paar keer per week dat hij denkt wel uitgegroeid te zijn en dus aan de vaste benen toe is. Papa was ook kort, zegt hij dan.
Ze kan zich niet herinneren dat ze haar zoon in de twaalf jaar dat hij bestaat ooit heeft horen schreeuwen; zelfs als baby was hij kalm. Gela¬ten zelfs. Op de dag dat hij in het ziekenhuisbed ontwaakte zonder benen had hij zijn wenkbrau¬wen opgetrokken en gezegd dat hij zijn tenen nog had, ze waren alleen onzichtbaar. Hij was toen pas vijf.
‘Papa is weg,’ gilt hij buiten zinnen.
Er brandt een kaarsje op het bureau van Ed om¬dat het vandaag precies zeven jaar geleden is dat Ed en Jopie van de weg gereden werden – meer doen ze er niet meer aan. Hoe mooi het ochtend¬licht aan het eind van de vroege herfst de kamer van haar man verguldt, de rust haast tastbaar in de kamer vangt; Ans was het vergeten. Zo opge¬ruimd als nu was het toen hij nog leefde nooit. Zo schoon ook niet, Ed Dorrepaal stond erop zelf zijn ruimte te onderhouden en vergat daarbij re-gelmatig de ruiten, of een hoek van het tapijt. Zijn kamer ziet er ouderwetser uit dan de hare, terwijl hij zich bezighield met bytes en zij met boeken. De sporen van zijn bewegingen zijn al¬lang uitgewist door die van Jopie en haarzelf, ze haalt eens per week een lap door het kantoor. De uSoul, die op het bureau staat, moet ze met een speciaal doekje doen. Dat doet ze niet, en daar¬door is het apparaat dofzwart geworden.
Haar man zit in dat dofzwarte ei. Het intensie¬ve gebruik door haar zoon is te zien aan de vet¬te vingerafdrukken die erop glimmen. Uit het ei steekt een kabel met Jopies telefoon eraan, die laadt hij altijd aan zijn vader op. Aan de onder¬kant van het bureau kleven stickers die Jopie er stiekem op plakte: fotootjes van Mrc LeFaw, een Britse popster die bestaat uit witte tanden, kaak¬lijn, spieren en mascara. Jopies billen passen pre¬cies in de kuil van de poef waar hij op gaat zitten als hij met zijn vader praat. Vreemd, vindt Ans dat laatste. De jongen zou ook gewoon op een stoel, op ooghoogte, kunnen gaan zitten, maar kennelijk wil hij naar zijn vader opkijken.”

 

Roos van Rijswijk (Amsterdam, 18 april 1985)

 

De Libanese dichteres, journaliste en vertaalster Hanane Aad werd geboren op 18 april 1965 in Beiroet. Zie ook alle tags voor Hanane Aad op dit blog.

 

Bloedrode tederheid

Mijn ogen zijn een arena van verbazing
in mijn lach is de onschuld van de scepter
ik ben een viool die hangt
tussen de trilling van de geest
en de hartslag van de snaar

Til mij op
met de kracht van de laatste weddenschap
kleur de vruchtbare velden van de kindertijd
 met jouw bloedrode tederheid
vul de kruiken van het moment
met de wijn van de eeuwigheid
geef de grenzen van mijn mond
aan de mythe
vind voor mijn gezicht
een horizon zo helder als de bestendigheid
Draag mij aan jouw borst
jij zoekt toevlucht in de tuin
van het geheim genot
telkens als je de tederheid mist
verberg mij in jouw gebeente
als een raadsel dat oplaait door de mythe
een lente die jouw aderen beklimt
neem mij elke morgen
naar jouw stilte
neem een slokje van de regen van mijn gedachtenis
troost de ijzige geest met haar warmte
til mij naar het toppunt van jouw wachten
versla de keizers van de wreedheid
 met de stralen van mijn wimpers
was een met nevel gestenigde wereld
met de zoetheid van mijn hart
Daar, daar wacht op mij
in de avonden van een andere tijd
waar nieuwe levens geschapen worden
wacht mij daar
op de oever van het volmaakte
omhels mij helemaal
bezing met mij de overwinning
van de vrijheid gekneed met zekerheid
ín een kuise ontmoeting met de eeuwigheid.

 

Vertaald door Cees Nijland

 

Hanane Aad (Beiroet, 18 april 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e april ook mijn blog van 18 april 2020 en eveneens mijn blog van 18 april 2019 en ook mijn blog van 18 april 2017 en ook mijn blog van 18 april 2015 deel 2.

Vincent Corjanus, Sarah Kirsch

De Nederlandse dichter Vincent Daniel Corjanus werd geboren op 17 april 1995 in Zwolle. Zie ook alle tags voor Vincent Corjanus op dit blog.

 

Soldaten van Cura

Stemmen uit mijn telefoon.
Hoe het gaat.
De stilte,
het hardste geluid.
Mijn gitaar blijft hangen aan de muur
voor de reizen van later.
Wanneer we elkaar weer mogen zien.
Jouw hand,
mijn hand
in gedachten.
Het schetsboek haalt adem.
Geen gedicht gekregen van de muze
tot vandaag.
Al mag ik niet schrijven.
Al mag ik niet verdwalen
in mijn eigen poëtische vlindertuin.
Geen inkt verzacht
een lach van tranen.
Er is hoop.
Er is hulp.
Soldaten van Cura.
De bestrijders van de eeuwige nacht.
Dromen zijn niet verboden.
Daar omhels ik je teder
en koester ik jou
voorzichtig
van een afstand.

 

Een vergeten passage

Oostende.
Barcelona.
Boekarest.
Praag.

Er werd gedanst
van vroeg in de morgen
tot vandaag.

We zien kleuren in foto’s.
Slecht geprint.
Waar we misschien eens of nooit meer
onszelf zijn.

 

Vincent Corjanus (Zwolle, 17 april 1995)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.

 

Trieste dag

Ik ben een tijger in de regen
Water maakt een scheiding in mijn vacht
Druppels druppelen in de ogen

Ik schuifel langzaam en gooi mijn poten
Langs de Friedrichstrasse
En ben in de regen afgebrand

Ik beuk me een weg door auto’s bij rood licht
Ga naar het café voor bittertjes
Vreet het orkest en schommel verder

Ik brul de regen op scherp bij de Alexanderplatz
De wolkenkrabber wordt nat, verliest zijn gordel
(Ik grom: je doet wat je kunt)

Maar het regent op de zevende dag
Ik ben boos tot aan de wimpers

Ik bries de straat leeg
En ga zitten onder eerlijke meeuwen

Ze kijken allemaal naar links de Spree in

En als ik, enorme tijger, huil
Begrijpt u: ik bedoel, hier zouden
nog andere tijgers moeten zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sarah Kirsch (16 april 1935 – 5 mei 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e april ook  mijn blog van 17 april 2020 en eveneens mijn blog van 17 april 2019 en ook mijn blog van 17 april 2017 deel 2.