Nelleke Noordervliet, Werner Söllner

De Nederlandse schrijfster Nelleke Noordervliet werd op 6 november 1945 in Rotterdam geboren. Zie ook alle tags voor Nelleke Noordervliet op dit blog.

Uit: De val van Thomas G.

“Ik heb alle fotoalbums verbrand voor ik wegging. Alle grappige en ontroerende momenten, die ik op de drempel van de dood nog eens vertederd zou bekijken, heb ik rigoureus op de brandstapel gegooid. Het fikte in veel kleuren. Het plastic van de omslagen smolt en stonk. Behalve Thomas en ik zijn onze kinderen, familie en vrienden, zakenrelaties en kerstvieringen, vakanties en fraaie uitzichten in rook opgegaan. Ik voer­ de een taak uit die ik me zelf had gesteld. Het doel was wraak. Op wie, op wat? Op alles. Wraak is een extreme vorm van ver­ gelding. Wraak houdt zich niet bezig met proporties of matiging. Wraak gloeit. Wraak brandt zichzelf op. ‘Zul je me wreken, Isa?’ zei mijn moeder in de agressieve periode van haar dementie.
De weerwraak van de foto’s liet niet lang op zich wachten. Terwijl ik me verder verwijderde van Nederland verschenen op willekeurige momenten scènes uit mijn huwelijk op mijn netvlies. Had ik die albums op de hoogste plank in de kast ge­ laten, ze zouden me niet in de weg hebben gestaan, na mijn dood door de kinderen nog even zijn gekoesterd en dan in de vuilnisbak gemieterd. Maar ik moest een daad stellen, hoe symbolisch en zinloos ook. Ach, laat die taferelen toch door me heen stromen. Ik zal de onverschillige bedding van een rivier zijn.
Als ik hier de winter doorkom, als ik schrap sta in de storm die de bomen kromtrekt, die jaagt door de sleuven tussen de heuvels en aan komt rijden op de golven van de oceaan met duizend snuivende paarden, die rammelt aan het dak van het huis en loeit en fluit tussen de kieren van de schuur, als ik buig maar niet breek onder de buien die als een gordijn van ijzige kralen ratelend neerslaan, als ik de duisternis van de lange nachten en de somberheid van de korte dagen omhels, als ik afgehard als een plant en sterk als een kogel de zomer tege­moet treed, dan heb ik het ergste gehad. Het is een voornemen dat me angst aanjaagt. Discipline. Elke dag de vaste ronde naar het strand, bij eb de smalle landbrug naar het eiland op en weer terug, linksaf naar het haventje: een grote kuip water achter een betonnen pier voor een handvol scheepjes ter groot­ te van een flinke roeiboot, weer omhoog langs een paar hui­ zen en dan linksaf naar het onze, het mijne. Tien jaar geleden gekocht als toevluchtsoord aan de uiterste rand van het conti­nent. Een stoer grijs huis, dat half uit water bestaat, zoveel zuigen de muren op. Ik stook het warm en droog. De muffe stank moet weg.”

 

Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 6 november 1945)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Werner Söllner werd geboren op 10 november 1951 in Arad, Roemenië. Zie ook alle tags voor Werner Söllner op dit blog.

 

Café Americain

In een krant
vandaag, toen ik van Onze Lieve Heer
de tijd afpakte, las ik
na een lange tijd
mijn naam.

Kijk eens
aan, dacht ik
en betaalde. Er
bestaan niet alleen
de media.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Werner Söllner (10 november 1951 – 19 juli 2019)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e november ook mijn blog van 6 november 2018 en eveneens mijn blog van 6 november 2017 en ook mijn blog van 6 november 2016 deel 2.

Bert Wagendorp, C. K. Williams

De Nederlandse schrijver en journalist Bert Wagendorp werd geboren in Groenlo op 5 november 1956. Zie ook alle tags voor Bert Wagendorp op dit blog.

Uit: Ferrara

“Heel lang is de dood voor ons geen onderwerp van gesprek geweest. Ook niet nadat Peter was overleden, toen we nog geen twintig waren. Het hele idee ‘dood’ vonden we verwerpelijk. Peter was gestorven op de Ventoux, dat viel niet te ontkennen, we stonden er met onze neus bovenop, maar dat was toch wat anders dan dood in de betekenis van einde, afgelopen, van de woordjes The End in de bioscoop.
We vormden een bloeiende coöperatie van gedeelde herinneringen, en daarvan maakte Peter nog deel uit. Hij kon er elk moment bij komen zitten, met z’n getekende dichtershoofd – sterker: hij zát er regelmatig bij. We waren jong en niet van plan ooit oud te worden. Wie oud wordt komt terecht in de gevarenzone en dat was geen optie.
Keith Richards en Mick Jagger waren onze helden en we sloegen geen concert over. Niet vanwege de muziek, die kenden we nu wel, maar omdat ze op het podium als apostelen van de eeuwigheid ons credo verspreidden: dood is onzin en oud worden een gotspe, laten we erover ophouden.
We waren ook bij Leonard Cohen toen die in de Ziggo Dome zijn negenenzeventigste verjaardag vierde met een lang en weergaloos concert. Toen hij drie jaar later toch overleed, vonden we hem een onbetrouwbare boeddhist.
Ontkenning? Wat is er eigenlijk tegen ontkenning? Ontkenning is prima en maakt het leven een stuk leuker. Ontkennen is niet zielig, zoals je weleens hoort beweren. Het vereist moed en vastberadenheid. De erkenners, die zijn de pest. Ze boren alle hoop de grond in.
Wij – ik bedoel David, Joost, André en ik – hadden ons lang verschanst achter hoop en onkwetsbaarheid; niet individueel maar samen, een onneembaar bolwerk tegen sterfelijkheid en wanhoop.
De eerste scheurtjes in de verdedigingslinie ontstaan wanneer je kinderen krijgt. De gedachte aan hun dood maakt je waanzinnig. Dat is het moment waarop je gaat denken: als er dan toch zo nodig moet worden gestorven, dan maar door mij. Je bent ineens bereid je eigen eindigheid te erkennen, niet van harte, onder protest en voorwaardelijk, maar je zwaait met de witte vlag en geeft je over aan het onvermijdelijke.”

 

Bert Wagendorp (Groenlo, 5 november 1956)

 

De Amerikaanse dichter Charles Kenneth Williams werd geboren op 4 november 1936 in Newark, New Jersey. Zie ook alle tags voor C. K. Williams op dit blog.

 

Vuil

Gezichtspoeder, buskruit, anthrax-talkpoeder,
schilfertjes ijzer, as van crematoria, schijfjes
verpulverend poëziepapier – dat alles in mijn kluis,
en vuil, tanks, tempels, tempels vol met vuil.

Zaag-, zijde-, kalkvuil en kaf,
het vuil van het schuim van een stier, zijn kop zwaaiend
omdat-ie droomt dat de dood
aan komt kwijlen: vuil zelfs van de gepoetste,

schoongeschraapte Aegeïsche kust,
massa’s die erover kwamen stromen, schreeuwend
tegen wie die dag, die eeuw of voor altijd
de vijand was, waardig om vuil voor te zijn.

Tenslotte, zwevend vuil van de oogst, eventjes
als dat half-plotse rukje in de vlucht
van de havik, als de hoekjes van licht
door de bladeren van de bruinwordende essen.

Dierlijk vuil, mineraal, mentaal, allemaal verzameld
niet in de doos van sexy Pandora, niet
in de ark waar het vuil van heiligen
die zouden willen stollen als modderspul, nog siddert –

Gewoon deze leren, verweerde, ouwe doos,
groot als een hart of brein, het roestig slot verbrijzeld,
hengsels huilend van vreugd dat ze weer mogen tillen . . .
gezichtsvuil, buskruit, vuil, dierbaar vuil.

 

Vertaald door Rob Schouten

 

C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e november ook mijn blog van 5 november 2018 en ook mijn blog van 5 november 2017 deel 2.

Judith Herzberg, C. K. Williams

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Judith Herzberg op dit blog.

 

Laat paar

Will there be a net en wit geschilderd hek between their two
such different wildernesses? Een hek dat piepend open kan?

Kunnen hun lippen de afstand verzachten, lippen uit zulk ander
voedsel gegroeid om zulke andere woorden gevormd?
Mond op mond elk zijn verhaal in moeite taal.

Vloeit het samen, zelfs inéén, hoe? Terwijl
uit zulk verschillend onweer water neerslaat?

Zijn ze aandoenlijk, herkenbaar, de ander’s gebutste resten?
En het broeivuur hier en daar, dat, uitgetrapt, weer opvlamt toch
zo vluchtend onblusbaar – blijft het verontrusten?

Zelf gewend elk zelf gewend – maar hoe de mankheid aangepast
als onder heler zon de laatste warmte opgevangen
wordt, arm in onbegrijpelijke arm, over de promenade
.

 

Hij is zo dik en zij zo klein

Hij is zo dik en zij zo klein
hoe zou ze hem omhelzen.
Hij is zo moe en zij zo klein
hoe zou ze hem begrijpen.
Hij loopt zo slecht en zij zo klein
hoe staan ze samen stil.
Hij is zo grijs en zij zo klein
hoe. Hij wenste iemand, onbesmet
door zo’n onhebbelijk verleden als het zijne
en zij is zo klein.

 

Alles wat denkbaar is

Alles wat denkbaar is fladdert en flitst.
Geen la om het in op te slaan
laat staan sorteren. Wij zoeken
toevlucht in wat al gevangen,
gedresseerd: boek, film, toneel,
elk getemd deel van fladderend
flitsgeheel.

 

Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

 

De Amerikaanse dichter Charles Kenneth Williams werd geboren op 4 november 1936 in Newark, New Jersey. Zie ook alle tags voor C. K. Williams op dit blog.

 

Eerste verlangens

Het was alsof je naar de opname van een symfonie luisterde voordat

je ook maar iets over muziek wist,
hoe de instrumenten klinken, eruit zien, welk deel van het

orkest elk vertegenwoordigt:
er waren alleen volumes en snelheden, verdikkingen en verdunningen,

de kronkelende kreten van verandering
die zich in jou leken te raken, door je lichaam,

om een deel van jou te zijn en dan los van jou.
En zelfs als je het korrelige timbre van die ene viool had meegekregen,

de pijnlijke arpeggio’s van de hoorn,
toen je het opnieuw probeerde, resteerden er nog steeds ongemakken en verwarring, een

pijn, een gevoel van verlangen
dat je in chromatische dissonantie hield, dreunend voorbij de

dominante vastberadenheid in de grondtoon,
alsof er een gebrek aan logica in de structuur zat, of in (je wist

dat dat waarschijnlijker was) jou.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e november ook mijn blog van 4 november 2018.

Joe Queenan, Oodgeroo Noonuccal

De Amerikaanse schrijver, humorist en criticus Joe Queenan werd geboren op 3 november 1950 in Philadelphia, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Joe Queenan op dit blog.

Uit: My 6,128 Favorite Books

“During antiwar protests in the nation’s capital back in the Days of Rage, I would read officially sanctioned, counterculturally appropriate materials like Steppenwolf and Journey to the East and Siddhartha to take my mind off Pete Seeger’s banjo playing. I once read Tortilla Flats from cover to cover during a Jerry Garcia solo on “Trucicin'” at Philadelphia’s Spectrum; by the time he’d wrapped things up, I could have read As I Lay Dying. Often I have slipped away from picnics and birthday parties and children’s soccer games and awards ceremonies to squeeze in a bit of reading while concealed in a copse, a garage, a thicket, or a deserted gazebo. For me, books have always been a safety valve, and in some cases—when a book materializes out of nowhere in a situation where it is least expected—a deus ex machina. Books are a way of saying: This room seems to have more than its fair share of bozos in it. Edith Wharton may be dead, but she’s still better company than these palookas. I have never squandered an opportunity to read. There are only twenty-four hours in the day, seven of which are spent sleeping, and in my view at least four of the remaining seventeen must be devoted to reading. Of course, four hours a day does not provide me with nearly enough time to satisfy my appetites. A friend once told me that the real message Bram Stoker sought to convey in Dracula is that a human being needs to live hundreds and hundreds of years to get all his reading done; that Count Dracula, misunderstood bookworm, was draining blood from the porcelain-like necks of ten thousand hapless virgins not because he was the apotheosis of evil but because it was the only way he could live long enough to polish off his reading list. But I have no way of knowing if this is true, as I have not yet found time in my life to read Dracula. If it were possible, I would read books eight to ten hours a day, every day of the year. Perhaps more. There is nothing I would rather do than read books. This is the way I have felt since I started borrowing books from a roving Quaker City bookmobile at the tender age of seven. In the words of Francois Rabelais: I was born this way. And I know why I read so obsessively: I read because I want to be somewhere else. Yes, this is a reasonably satisfactory world that we are living in, this society in particular, but the world conjured up by books is a better one. This is especially true if you are poor or missing vital appendages. I was stranded in a housing project with substandard parents at the time I started reading as if there were no tomorrow, and I am convinced that this desire to escape from reality—on a daily, even an hourly, basis—is the main reason people read books. Intelligent people, that is. This is a category that would include people like my father, a Brand X prole who got started on the road to perdition early by dropping out of high school in ninth grade, thereby condemning himself to a lifetime of inane, soul-destroying jobs, but who was rarely seen without a book in his hands. He used books the same way he used alcohol: to pretend that he was not here, and if he was here, that he was happy for a change. I think this compulsion is fairly common.”

 

Joe Queenan (Philadelphia, 3 november 1950)

 

De Australische dichteres en schrijfster Oodgeroo Noonuccal (eig. Kathleen Jean Mary Ruska) werd geboren op 3 november 1920 in Minjerribah (Stradbroke Island) in Moreton Bay. Zie ook alle tags voor Oodgeroo Noonuccal op dit blog.

 

Integratie – Ja!

Dankbaar leren we van jullie,
Het geavanceerde ras,
Jullie met eeuwenlange kennis achter de rug.
Wij die reeds lang Australiërs waren
Voor jullie die gisteren kwamen,
Gretig moeten we leren veranderen,
Nieuwe behoeften leren kennen die we nooit wilden,
Nieuwe verplichtingen die we nooit nodig hadden,
De prijs om te overleven.
Veel waar we van hielden is weg en moest gaan
Maar niet de diepe inheemse dingen.
Het verleden is nog steeds zozeer een deel van ons,
Nog steeds rondom ons, nog steeds in ons.
We zijn het gelukkigst
Onder onze eigen mensen. We zouden graag zien
Dat onze eigen gebruiken behouden bleven, onze oude
Dansen en liederen, ambachten en corroborees.
Waarom onze heilige mythen inruilen
Tegen jullie heilige mythen?
Nee, geen assimilatie maar integratie,
Geen onderdompeling maar onze verheffing,
Zwarten en blanken mogen samen verdergaan
In harmonie en broederschap.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Oodgeroo Noonuccal (3 November 1920—16 September 1993)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e november ook mijn blog van 3 november 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Allerzielen (Bert Deben), Ilse Aichinger

Bij Allerzielen

 

Allerzielen door Josef Jíra, 1984

 

Allerzielen

Hij wandelt door de Winterlaan
vermoeidheid tekent zijn gezicht
maar elke stap is heel gericht
hij weet waar hij naartoe wil gaan

het is niet ver meer hier vandaan
gedachten in zichzelf gericht
de nevel glinstert in het licht
de weg die hij graag in wil slaan

hij ziet een glimlach in de mist
gezichten uit verleden tijd
ze groeten hem, hij ziet voldaan
hoe zij op hem te wachten staan

hij zegt dat hij is voorbereid
en voor zichzelf al heeft beslist.

 

Bert Deben (Antwerpen, 1960)
De Antwerpse begraafplaats Schoonselhof

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.

 

Voorlopig advies

Ten eerste
moet je geloven
dat het dag wordt,
als de zon opkomt.
Maar als je het niet gelooft,
zeg ja.
Ten tweede
moet je geloven
en met alle macht,
dat het nacht wordt,
als de maan opkomt.
Maar als je het niet gelooft,
zeg ja
of knik meegaand met je hoofd,
dat accepteren ze ook.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)

 

Zie voor de schrijvers van de 2e november ook mijn blogs van 2 november 2018.

A Poem For All Saints Day (Stephen Spender), Ilse Aichinger

Bij Allerheiligen

 

Glas-in-lood-raam in All Saints’ Church, Stamford, Lincolnshire

 

A Poem For All Saints Day

I think continually of those who were truly great.
Who, from the womb, remembered the soul’s history
Through corridors of light, where the hours are suns,
Endless and singing. Whose lovely ambition
Was that their lips, still touched with fire,
Should tell of the Spirit, clothed from head to foot in song.
And who hoarded from the Spring branches
The desires falling across their bodies like blossoms.

What is precious, is never to forget
The essential delight of the blood drawn from ageless springs
Breaking through rocks in worlds before our earth.
Never to deny its pleasure in the morning simple light
Nor its grave evening demand for love.
Never to allow gradually the traffic to smother
With noise and fog, the flowering of the spirit.

Near the snow, near the sun, in the highest fields,
See how these names are fêted by the waving grass
And by the streamers of white cloud
And whispers of wind in the listening sky.
The names of those who in their lives fought for life,
Who wore at their hearts the fire’s centre.
Born of the sun, they travelled a short while toward the sun
And left the vivid air signed with their honour.

 

Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995) Interieur van All Saints Church in Londen, de geboorteplaats van Stephen Spender

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.

 

Winterantwoord

De wereld is gemaakt uit stof
die overweging vereist:
geen ogen meer
om de witte weiden te zien
geen oren in de takken
om hetgeroezemoes van de vogels te horen.
Grootmoeder, waar zijn je lippen gebleven
om de grassen te proeven
en wie ruikt voor ons de hemel ten einde,
wiens wangen wrijven zich vandaag
nog kapot aan de muren in het dorp?
Is het niet een donker bos,
waar we in zijn geraakt?
Nee, grootmoeder, het is niet donker
Ik weet het, ik woonde lang
bij de kinderen aan de rand,
en het is ook geen bos.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)

 

Zie voor de schrijvers van de 1e november ook mijn blog van 1 november 2018 en ook mijn blog van 1 november 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en ook mijn blog van 1 november 2009.

Halloween in the Anthropocene, 2015 (Craig Santos Perez)

Bij Halloween

 

Halloween Eve door Debbie Criswell, 2015

 

Halloween in the Anthropocene, 2015

Darkness spills across the sky like an oil plume.
The moon reflects bleached coral. Tonight, let us
praise the sacrificed. Praise the souls of  black

boys, enslaved by supply chains, who carry
bags of cacao under West African heat. “Trick
or treat, smell my feet, give me something good

to eat,” sings a girl dressed as a Disney princess.
Let us praise the souls of   brown girls who sew
our clothes as fire unthreads sweatshops into

smoke and ash. “Trick or treat, smell my feet, give me
something good,” whisper kids disguised as ninjas.
Tonight, let us praise the souls of Asian children

who manufacture toys and tech until gravity sharpens
their bodies enough to cut through suicide nets.
“Trick or treat, smell my feet, give me,” shout boys

camouflaged as soldiers. Let us praise the souls
of  veterans who salute with their guns because
only triggers will pull God into their ruined

temples. “Trick or treat, smell my feet,” chant kids
masquerading as cowboys and Indians. Tonight,
let us praise the souls of native youth, whose eyes

are open-pit uranium mines, veins are poisoned
rivers, hearts are tar sands tailings ponds. “Trick
or treat,” says a boy dressed as the sun. Let us

praise El Niño, his growing pains, praise his mother,
Ocean, who is dying in a warming bath among dead
fish and refugee children. Let us praise our mothers

of  asthma, mothers of  cancer clusters, mothers of
miscarriage — pray for us — because our costumes
won’t hide the true cost of our greed. Praise our

mothers of  lost habitats, mothers of  fallout, mothers
of extinction — pray for us — because even tomorrow
will be haunted — leave them, leave us, leave — 

 

Craig Santos Perez (Mongmong-Toto-Maite, 6 februari 1980)
Mongmong-Toto-Maite, de katholieke kerk Nuestra Senora de Las Aguas

 

Zie voor nog meer gedichten over Halloween ook alle tags voor Halloween op dit blog.

Zie voor de schrijvers van de 31e oktober ook mijn blog van 31 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Jan Van Loy, Claire Goll

De Vlaamse schrijver Jan Van Loy werd op 30 oktober 1964 geboren te Herentals, in de Antwerpse Kempen. Zie ook alle tags voor Jan Van Loy op dit blog.

Uit: Veertig jaar liefde

Ik zou u al de feiten kunnen vertellen over uw ‘natuurlijke’ stamboom tot in de zeventiende eeuw, maar verre voorouders zijn ver, een vierenzestigste of honderdachtentwintigste of een nog kleiner deel van uw erfelijk materiaal. Ik ben uw vader. Ik ben de helft. Mijn ouders, een kwart. Zij waren geboren te Hinterlee, in mijn jeugd bewoond door twintigduizend boeren en burgers. De ‘smaragd der Kempen’ is ten opzichte van het dorpje waar u bent getogen ‘het lokale verkeers-, handels- en dienstencentrum’ (Winkler Prins Encyclopedie, zesde druk). Ik werd te Hinterlee geboren, en gij zoudt te Hinterlee worden geboren. Mijn vader was tijdens de Eerste Wereldoorlog kapitein in het Belgische leger, omdat élke dokter begon in de kapiteinsrang. Het Belgische leger was echter niet zijn leger, en hij zou ervoor zorgen dat het ook niet mijn leger werd. Wij Vlamingen, zei mijn vader, waren de onderdrukte natie van België. Elke staat was tot op zekere hoogte kunstmatig, jawel, maar België, zei mijn vader, was anorganisch. In het leger verzamelde hij klachten van soldaten die een oog of een lidmaat hadden verloren omdat ze het bevel van hun Franstalige officier niet hadden verstaan. De Vlamingen, vond hij, hadden het recht om bevelen te krijgen in hun eigen taal. Die taal, dacht ik als kind, was het Hinterlees. Op school hoorde ik afwijkende geluiden, van de onderwijzer, of van een jongen uit Bremhout, die werd uitgelachen om zijn ‘gehakkel’. `Vanaf nu,’ zei mijn vader, ‘spreken wij thuis beschaafd ‘ Dat was een taal die geleek op die van de onderwijzer. Mijn vader wist zelf niet altijd hoe hij zijn Hinterleese gedachten moest omzetten in dat ‘beschaafd’ en nam soms zijn toevlucht tot het Frans, de taal waarin hij had gestudeerd. Veel patiënten konden dat beschaafd Nederlands trouwens niet verstaan. Niettemin werd hij lid van een nationalistische groep van Vlaamse demobilisanten, de Frontbeweging. Mijn vader was een Fronter, mijn levende ooms waren Fronters en mijn gesneuvelde ooms zouden het ook zijn geweest. Ik was een paar maanden oud toen de oorlog was afgelopen en dus bijna een geboren Fronter. Niet elke flamingant was Fronter, maar elke Fronter was flamingant. Het devies luidde: ‘Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus.’ Christus, zonder Vlaamse K, was voor mijn vader louter vanzelfsprekend, maar mijn moeder was verzot op Meneer Jezus, van wie ze twee schoendozen met `votiefprentjes’ had, afbeeldingen die ze aan haar boezem drukte of zelfs tegen haar lippen. Het dressoir diende als een votiefkast en sommige muren werden gedecoreerd als een votiefwand. Op Jezus was ik niet jaloers, want ik vond mijn moeder een zeurkous en hij mocht haar hebben. Zij sprak alleen over praktische zaken en de Heer Jezus, een uiterst onpraktisch verschijnsel, leek mij, dat het leven alleen maar bemoeilijkte. Zoals mijn vader nam ik werktuiglijk deel aan de kerkelijke geplogenheden: elke zondag eucharistie, prevelgebedje aan tafel, zelfs meelopen in de driejaarlijkse processie van Sint-Konradijn.

 

Jan Van Loy (Herentals, 30 oktober 1964)

 

De Duits – Franse schrijfster Claire Goll werd geboren op 29 oktober 1890 in Nürnberg. Zie ook alle tags voor Claire Goll op dit blog.

 

Ik heb de Avondster

Ik heb de Avondster
Mijn favoriete sieraad
In een taxi verloren
Ik heb mijn geliefde
Op de speelplaats der engelen
Tussen Mars en Frankrijk verloren
Een regenseizoen begint in mijn ogen
De raven dragen rouw
De jonge vogels houden op te groeien
Mijn liefste en de Avondster
Waren een – en dezelfde:
Bloemen staakt met mij: hou op te glimlachen!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claire Goll (29 oktober 1890 – 30 mei 1977)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e oktober ook mijn blog van 30 oktober 2018 en ook mijn blog van 30 oktober 2017 en ook mijn blog van 30 oktober 2011 deel 2.

Matthias Zschokke, Claire Goll

De Zwitserse dichter, schrijver en filmmaker Matthias Zschokke werd geboren op 29 oktober 1954 in Bern. Zie ook alle tags voor Matthias Zschokke op dit blog.

Uit: Ein Sommer mit Proust

„Intermittierend mag im Französischen ein geläufiges Wort sein, auf Deutsch ist es ein theoretisches, wissenschaftliches. Ich frage Dich, weil ich fürchte, dass ich vielleicht an der Übersetzung scheitern könnte und gar nicht an Proust? Werde ich von der Übersetzerin dazu gezwungen, das Bildungsbürgerross zu besteigen und auf diejenigen herabzuschauen, die prunefarben nicht verstehen (zu denen gehöre ich immerhin nicht, kann ich stolz vermelden, frage mich aber, ob es nicht ebenso gut pflaumenfarben heißen könnte) oder die nach jedem dritten Satz verwundert ausrufen, hä?, was hat er gesagt?, versteh ich nicht … und irgendwann das Werk entnervt weglegen, nicht weil es ihnen zu hoch ist, sondern weil es in ein zu hohes Deutsch übersetzt ist? Bevor ich nun dauernd an dieser Frage herumnage, wollte ich sie Dir stellen, weil ich denke, dass sie alt ist und von Dir leicht beantwortet werden kann. Danach werde ich Dich in Ruhe lassen. Unabhängig davon habe ich bereits auf diesen ersten zweihundertfünfzig Seiten schöne Passagen gelesen und umarmenswerte Charaktere kennengelernt und habe den Eindruck, Proust habe einen feinen Humor und denunziere die Zeitgenossen nicht, die er abschreibt. Ich glaubte immer, die Arroganz, Verachtung und giftige Ironie, die eingeschworene Proustleser ausströmen, hätten sie bei ihm abgeschaut; doch er scheint unschuldig zu sein daran; er hat wohl bloß das Pech, die falschen Leser anzuziehen. Wobei ich, je älter ich werde desto mehr, den Verdacht habe, dass jeder von uns selbst verantwortlich ist für die Anhänger, die er um sich schart. Zum Beispiel wäre James Joyce längst zu einem Autor geworden, an dem ich mir die Zähne ausgebissen hätte, wenn er vom Pech verfolgt worden wäre, die gleichen mitleidlosen Bildungsbürger anzuziehen wie Proust. Doch das tat und tut er nicht. Mir übrigens unbegreiflich, dass beide immer in einem Atemzug genannt werden, wenn es darum geht, die Geburtsstunde der sogenannt neuen oder modernen Literatur festzulegen, da Proust meines Erachtens mit keiner Silbe neu ist — im Gegenteil, er steht für die auf die Spitze getriebene und bis ins Extrem verfeinerte Konvention —, während Joyce im Ulysses tatsächlich Regeln brach und wohl als radikal bezeichnet werden kann. Mindestens habe ich das damals, als ich ihn las, so empfunden.
An einen Freund, die ersten beiden Bände habe ich inzwischen gelesen. Ich fürchte, ich werde nicht durchhalten. Das ist mir alles viel zu mastig Eine Perle an die andere gereiht; Perlendünnpfiff Ich kann mir vorstellen, dass man als Leser niederkniet vor einem solch bravourösen Umgang mit Sprache, dass man sich benebeln lässt von der Parfumwolke und dem schwülen Bombast, in denen das alles daherkommt. Doch ich fürchte, ich habe mich schon an den ersten zwei Bänden überfressen und kriege das triefend süße Zeug nicht bis zum letzten Band runter. Aber noch gebe ich nicht auf.”

 

Matthias Zschokke (Bern, 29 oktober 1954)

 

De Duits – Franse schrijfster Claire Goll werd geboren op 29 oktober 1890 in Nürnberg. Zie ook alle tags voor Claire Goll op dit blog.

 

Droomde ik slechts

Droomde ik slechts
Dat ik in een gouden taxi
Met jou door de maandag reed?
Zat je echt naast me?
En hield je mijn hand vast
Die mijn lichaam trillen deed?
De bloemenkiosken op de boulevards
Drongen door de ramen binnen,
Het dak was gemaakt uit hemel
En alle neonreclames laaiden op:
Ik hou van je.

Of droomde ik
Dat de auto stopte
En we op aarde aankwamen?
Zit ik niet nog altijd
In een gouden taxi naast je,
Rij door de tedere maandag
Het paradijs in?
Hou ik niet voor eeuwig je hand vast
En laat je nooit meer uitstappen
Uit mijn droom?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claire Goll (29 oktober 1890 – 30 mei 1977)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e oktober ook mijn blog van 29 oktober 2018 en ook mijn blog van 29 oktober 2017 deel 2 en eveneens deel 3

Evelyn Waugh, István Kemény

De Britse schrijver Evelyn Waugh werd geboren in Londen op 28 oktober 1903. Zie ook alle tags voor Evelyn Waugh op dit blog.

Uit: Brideshead Revisited

“From the moment he arrived the newcomer took charge, talking in a luxurious, self-taught stammer; teasing; caricaturing the guests at his previous luncheon; telling lubricious anecdotes of Paris and Berlin; and doing more than entertain–transfiguring the party, shedding a vivid, false light of eccentricity upon everyone so that the three prosaic Etonians seemed suddenly to become creatures of his fantasy.
This, I did not need telling, was Anthony Blanche, the “æsthete” par excellence, a byword of iniquity from Cherwell Edge to Somerville, a young man who seemed to me, then, fresh from the sombre company of the College Essay Society, ageless as a lizard, as foreign as a Martian. He had been pointed out to me often in the streets, as he moved with his own peculiar stateliness, as though he had not fully accustomed himself to coat and trousers and was more at his ease in heavy, embroidered robes; I had heard his voice in the George challenging the conventions; and now meeting him, under the spell of Sebastian. I found myself enjoying him voraciously, like the fine piece of cookery he was.
After luncheon he stood on the balcony with a megaphone which had appeared surprisingly among the bric-à-brac of Sebastian’s room, and in languishing, sobbing tones recited passages from The Waste Land to the sweatered and muffled throng that was on its way to the river.
“‘I, Tiresias, have foresuffered all,'” he sobbed to them from the Venetian arches–
“Enacted on this same d-divan or b-bed,
I who have sat by Thebes below the wall
And walked among the l-l-lowest of the dead….”
And then, stepping lightly into the room, “How I have surprised them! All b-boatmen are Grace Darlings to me.”
We sat on sipping Cointreau while the mildest and most detached of the Etonians sang “Home they brought her warrior dead” to his own accompaniment on the harmonium.
It was four o’clock before we broke up.
Anthony Blanche was the first to go. He took formal and complimentary leave of each of us in turn. To Sebastian he said: “My dear, I should like to stick you full of barbed arrows like a p-p-pin-cushion,” and to me: “I think it’s perfectly brilliant of Sebastian to have discovered you. Where do you lurk? I shall come down your burrow and ch-chivvy you out like an old st-t-toat.”
The others left soon after him. I rose to go with them, but Sebastian said: “Have some more Cointreau,” so I stayed and later he said, “I must go to the Botanical Gardens.”

 

Evelyn Waugh (28 oktober 1903 – 10 april 1966)
Portret door Henry Lamb, 1928

 

De Hongaarse dichter en schrijver István Kemény werd geboren op 28 oktober 1961 in Boedapest. Zie ook alle tags voor István Kemény op dit blog.

 

Verdrietig

Je zou het verstand moeten verliezen.
Zoals de zelfmoordenaar als hij achteruit leeft.
Haal het puntje van de i,
maar zet het terug, mocht de plek leeg blijven.

Het is beter als alles blijft zoals ik het aantrof,
het was niet eens zo slecht.
Veracht het onrustige bed, slaap op de grond.
Dan zal gisteren weer heel zijn.

Het was een geschenk. Ik hoor de inslag
zelfs voordat het valt, al veel eerder.
Een engel zweeft voorbij, de orde wordt hersteld,
Het papier laat los, het onderwerp valt eruit.

Begin dan gewoon opnieuw
Zoals de zelfmoordenaar als hij achteruit leeft
Vergeet de hele zaak hier
Schrijf memoblaadjes: melk, brood
………………………..Melk brood

 

Vertaald door Frans Roumen

 

István Kemény (Boedapest, 28 oktober 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e oktober ook mijn blog van 28 oktober 2018 deel 2 en eveneens deel 3.