fold paper boats for the boy Odysseus and launch them
ship-shape happy-go-lucky in the direction of Troy
OLD POETS
Old poets regurgitate Pellets of chewed-up paper Packed with shrew tails, frog bones, Beetle wings, wisdom.
Monarch
If I were inside you now I would stay there for ages Until the last migrating Monarch butterfly had left.
Notitieboekje
Waarom heb ik nooit een notitieboekje bijgehouden Dat vol stond met rietgorzen En zwartkoppen en tjiftjaffen, hun liederen een sublied tussen de regels?
Begin april. Ik ben zeventien. Onder een overhangende bremstruik heb ik kneuen zien bouwen. Een roodborstje heeft haar eerste ei gelegd.
Ben vroeg gisteravond of hij, als hem tijdens zijn verblijf in New York iets overkomt, bij Lex en mij mag worden begraven. Nu vind ik op zijn bureau, het oude bureau van mijn vader, een briefje: Mocht ik sterven terwijl ik op reis ben, dan wil ik in Nederland begraven worden, de begrafenis te regelen door Arthur en Lex. Zo gezellig lijkt me dat ineens, met zijn drieën de eeuwigheid in.
Maart 2008
‘Ik wist dat er aan die zaak iets helemaal niet deugde,’ vertelt Metta de Noo. Zij is arts in een psychiatrisch ziekenhuis en de zus van het hoofd van een van de klinieken waar de van moord beschuldigde verpleegster Lucia de B. werkzaam was. ‘Ik liep al anderhalf jaar met de vraag of ik het de wereld nou wel of niet moest vertellen. Ik zou er bepaalde mensen mee in grote problemen brengen, maar mijn geweten… Toen las ik Een schitterend gebrek. Óók een Lucia. Ook zij was hoer geweest. Wij waren in de Provence aan een klein riviertje. Heerlijk stil. Maar uw boek verstoorde mijn rust. Casanova’s bezoek aan het spinhuis waarin zij zat opgesloten, gaf de doorslag. Ik hoorde ónze Lucia schreeuwen: ‘Ik héb het niet gedaan, ik wil het niet horen.’ Die opmerkingen van die vrouwelijke rechters waren zo dom, zo treiterig. Voor mij even onrechtvaardig als dat spinhuisgebeuren. Ineens wist ik heel zeker dat ik zoiets niet nóg een keer kon laten gebeuren. Vanwege die scène is het proces van Lucia de B. heropend, misschien vindt u dat fijn om te weten. Het onrecht dat die ene Lucia was aangedaan, deed mij het onrecht beseffen dat de andere werd aangedaan. Nog voordat ik uw boek uit had, besloot ik de zaak opnieuw aanhangig te maken.’
•
Miep is bijna 98. Al jaren duikt zij op, mijn oudste fan, van Deventer tot Middelburg. Treed ik op binnen een straal van twintig kilometer van Maarssen, dan komt zij rustig op de fiets. ‘Kom je nou een keertje bij me?’ vraagt ze. ‘Er is zoveel dat ik je wil vertellen.’ ‘Ik neem het me elke zomer voor,’ zeg ik naar waarheid, ‘om bij je langs te fietsen, maar het komt er nooit van. Dit voorjaar doe ik het echt.’ ‘Maar niet veel later, hoor, want nou ben ik er niet lang meer.”
Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)
De Roemeense dichter en schrijver Dan Coman werd geboren op 27 juli 1975 in Gersa in de provincie Bistrita-Nasaud. Zie ook alle tags voor Dan Coman op dit blog.
de nieuwe morgens
meerdere keren per week zijn er nieuwe morgens morgens die er net zo uitzien als alle andere alleen dat ze niet meer dan een meter hoog zijn
een soort educatieve kubussen voor kinderen onder de één
er is hier geen koffie meer de tabak komt niet meer uit de mond onze liefde staat als een koe tussen ons in en vult ons met haar
dit is waar mara loopt en hier loopt ze met allerlei zwaarlijvigheid voor wie de lucht slechts een speeltje is om snel-snel in de neus te stoppen
dit zijn de nieuwe morgens en de melkpoeder rolt er langs en van hun kant tikt een chicco-zon onophoudelijk
dit zijn de nieuwe morgens
één meter erboven zweven onze grote lichamen al met hun buik omhoog
Hier iets neer kunnen zetten en daar iets weg kunnen nemen
Zeggen dat er verticale strepen bestaan naast driedimensionale holtes
Dat er een andere zijde is en een einde aan mijn tijd
Soms ben ik zo open dat ik mezelf van de randen afduw
Soms zo laag dat het voelt alsof ik er wortel schiet
Maar ik heb goed gegeten en het was lekker
De meeste dingen blijven gemakkelijk
De meeste dingen blijven gemakkelijk hangen. Geen probleem. Maar niet de boze woorden, het opnieuw bedoelde. Het is ook koud als ik het raam sluit. En licht met de gordijnen dicht. Zo blijf ik vol in een kamer die leeg is en leger nu ik alles naar me toetrek.
Ik heb dit nodig, want ik heb alles nodig Nadat ik het nodig heb gehad, is er voor niemand iets over Jullie vinden allemaal de hond in de pot Het spijt me, maar niet genoeg
De overkant van de canyon
wat er aan de overkant, wilden we weten van die duizelende diepte met het heldere water
dat wandelaars koelt, dus daalden we af langs de gruizelende randen en het vogelgeschater
naar de tengere cactus. jij moedigde me aan en je hielp me op de bodem om te kiezen voor vervolg
als je een landschap was, dan was je een canyon: tot grote hoogte uitgesleten
ik verkwistte in jou al mijn vrolijke dagen en keek ’s nachts vanuit jou naar die brave planeten
je zou je geschiedenis zijn – dat ben je wat er aan de overkant is, kan niemand weten
Cherries of the night are riper Than the cherries pluckt at noon Gather to your fairy piper When he pipes his magic tune: Merry, merry, Take a cherry; Mine are sounder, Mine are rounder, Mine are sweeter For the eater Under the moon. And you’ll be fairies soon.
In the cherry pluckt at night, With the dew of summer swelling, There’s a juice of pure delight, Cool, dark, sweet, divinely smelling. Merry, merry, Take a cherry; Mine are sounder, Mine are rounder, Mine are sweeter For the eater In the moonlight. And you’ll be fairies quite.
When I sound the fairy call, Gather here in silent meeting, Chin to knee on the orchard wall, Cooled with dew and cherries eating. Merry, merry, Take a cherry; Mine are sounder, Mine are rounder, Mine are sweeter. For the eater When the dews fall. And you’ll be fairies all.
Dew-Drop And Diamond
The difference between you and her (whom I to you did once prefer) Is clear enough to settle: She like a diamond shone, but you Shine like an early drop of dew Poised on a red rose petal.
The dew-drop carries in its eye Mountain and forest, sea and sky, With every change of weather; Contrariwise, a diamond splits The prospect into idle bits That none can piece together.
Een stukje bruidstaart
Waarom zijn er zoveel lieve, getalenteerde meisjes Getrouwd met onmogelijke mannen? Eenvoudige zelfopoffering kan worden uitgesloten, En zendingswerk, negen van de tien keer.
Herhaal ‘onmogelijke mannen’: niet alleen boers, Slechtgehumeurd of verdorven (Dramatisch contrast gekozen om de wereld te laten zien Hoe goed vrouwen zich gedragen, en zich altijd hebben gedragen).
Onmogelijke mannen: lui, analfabeet, Vol zelfmedelijdend, vies, sluw, Voor wiens verschijning zelfs in stadsparken Excuses moeten worden aangeboden aan toevallige voorbijgangers.
Is Gods voorraad aanvaardbare echtgenoten Zo ver, in feite, geslonken? Of overwaardeer ik de vrouw altijd Ten koste van de man? Doe ik dat? Het zou zo maar kunnen.
Vertaald door Frans Roumen
Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)
De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook alle tags voor Katia Mann op dit blog.
Uit: Katia Mann: Meine ungeschriebenen Memoiren
„Mit elf Jahren war ich zum ersten mal in den >Meistersingern<, und alle dachten: Ach, da wird das Kind ja einschlafen. Dabei war ich betrübt, als es aus war. Ich bin eigentlich ganz mit der Wagnerschen Musik aufgewachsen, mit der Idee, daß sie das Herrlichste sei. München war damals eine Kunststadt; weniger eine literarische Stadt, die Schriftsteller zählten nicht so viel. So wurde mein Mann, wenn er in ein Geschäft ging, immer »Herr Kunstmaler« genannt. Daß ich ein frühes Training im Umgang mit Schriftstellern hatte, kann ich eigentlich nicht sagen. Ich kannte natürlich diverse Schriftsteller schon als Kind. Es hat mir aber keinen großen Eindruck gemacht. Der erste Schriftsteller, den ich gekannt habe, war meine Großmutter Hedwig Dohm, die Frau von Ernst Dohm, der den >Kladderadatsch< gegründet hat. Sie schrieb Romane, die heute wahrscheinlich nicht sehr aktuell wären. Wie früh ich etwas von ihr las, könnte ich überhaupt nicht sagen. Ein Buch von ihr hieß >Der Frauen Natur und Recht<. Sie war eine leidenschaftliche Vorkämpferin für Frauen, die damals wirklich noch gar nicht sehr viele Rechte hatten. (Wie gesagt, es gab nicht einmal Gymnasien für Mädchen.) Unter ihren vielen Romanen hatte sie ein Buch geschrieben, das einen großen Skandal in München erregte. Es hieß >Sibilla Dalmar<. Meine Großmutter liebte ihre älteste und begabteste und schönste Tochter, meine Mutter, heiß, und sie korrespondierten miteinander, ich glaube, mindestens zwei- bis dreimal die Woche. Meine Mutter schrieb ihr lange Berichte aus München nach Berlin, und meine miteinander, ich glaube, mindestens zwei- bis dreimal die Woche. Meine Mutter schrieb ihr lange Berichte aus München nach Berlin, und meine Großmutter bewahrte sie alle auf. In den Roman >Sibilla Dalmar< hat sie dann alles, was in den Briefen über die Münchner Gesellschaft stand, übernommen, und das hat in dieser Gesellschaft ein furchtbares Ärgernis gegeben, wirklich einen richtigen Skandal. Um so mehr, als die Figur, die meiner Mutter entsprach, ein Verhältnis mit einem baltischen Adligen hatte, das es in Wirklichkeit nicht gegeben hatte. Das war für meinen Vater besonders ärgerlich. Meine Großmutter war eine sehr naive, dabei begabte Frau. Sie hatte sich gar nichts dabei gedacht. Sie war später eigentlich eine richtige Märchenfigur. Sie war sehr klein und wurde immer kleiner. Lenbach hat ein sehr schönes Porträt von ihr gemacht, das wir besitzen. Sie hatte einen guten Kopf, und alle Enkel hingen sehr an ihr.“
“The moon hid itself behind the clouds. The wind spat an icy snow at angles. In the tall black wall of the palisade, through a slit too seeming thin for human passage, the girl climbed into the great and terrible wilderness. Over her face she wore a hood drawn low, and she was slight, both bony and childish small, but the famine had stripped her down yet starker, to root and string and fiber and sinew. Even so starved, and blinded by the dark, she was quick. She scrabbled upright, stumbled with her first step, nearly fell, but caught herself and began to run, going fast over the frozen ruts of the field and all the stalks of dead corn that had come up in the summer already sooty and fruitless and stunted with blight. Swifter, girl, she told herself, and in their fear and anguish, her legs moved yet faster. These good boots the girl had stolen off the son of a gentleman, a strip-ling half her age but of equal size, who had died of the smallpox the night before, the rash a rust spreading over the starved bones. These leather gloves and the thick cloak the girl had stolen off her own mis-tress. She banished the thought of the woman still weeping upon her knees on the frozen ground in the courtyard inside that hellish place. With each step she drew away, everything there loosened its grip on the girl. Yet there was a strange gleam upon the dark ground of the field ahead, and as she moved, she saw it was the undershirt of the soldier who a fortnight earlier had been caught worming his body slow from the horrors of the fort and toward the different horrors of the forest. He had made it halfway to the trees when in silence a shadow that had lain upon the ground grew denser, grew upward, came clear at last as the fearsomest of the men of this country, the warrior two heads taller than the men of the fort, who made himself yet more terrible by wearing upon his shoulders outstretched a broad dark mantle of turkey feathers. He had lifted with one hand the creeping fearful soldier by his hair and had with a knife cut a long wet red mouth into the man’s throat. Then he dropped him to spill his heart’s blood into the frozen earth and there the dead man lay splayed ignoble. All this time, he had lain unburied, for the soldiers of the settlement had become too weak and too cowardly in their hunger to fetch the body back. She had passed the dead man and his reek had drawn itself out of her nostrils and she was nearly to the woods when site stumbled again, for the thought of these two men gave rise to thoughts of other men who lurked perhaps in the woods, men out there hidden and awaiting her. And now, as she peered before her into the dark of the forest, site saw a man crouching in ambush in ever deeper blacker shadow of each tree, perhaps a man with a knife or an ax or an arrow and cold murder in his eye. She stopped her running for a breath, but she had no choice, she took her courage up again and she ran on. And as she ran each imagined man in passing revealed himself to be mere shadow again.”
OVER NEO RAUCH / Perifere genegenheid voor New York
In het moment van de kleine stapjes is het gevorderde LIEFDE, zei de schilder. ––– Wat een gelegenheid! Wat een kans wat een kans op een wereldomvattend applaus! ––– Hij wilde dus, zei de schilder, voor één keer afzien van de grote poorten, die zich openen voor deze universums van droom en gelijktijdigheid. ––– In plaats daarvan zichtspleten, ooguitsparingen, fragmenten van gewatteerde, van schimmige werelden. ––– Als basismotief voor schilderijen, die kleiner dan normaal hun tests uitvoerden in de koele kringen van de botanie. ––– En eigenlijk ruimte nodig hebben voor de fatale gevolgen, die erop volgen.
Uit:Onder de Drachenwand (Vertaald door Wil Hansen)
“Aan de hemel, hoog in de lucht, kon ik enkele wolken voorbij zien drijven, en toen begreep ik dat ik het had overleefd. / Later stelde ik vast dat ik dubbelzag. Alle botten deden me pijn. De volgende dag borstvliesontsteking, gelukkig goed doorstaan. Maar met mijn rechteroog zag ik nog steeds dubbel, en mijn reukvermogen was ik kwijt. Zo had de oorlog me ook ditmaal alleen maar even opzij geslingerd. Het eerste moment had ik het gevoel gehad dat ik werd opgeslokt door het gedreun en door de toch al alles opslokkende steppe en de toch al alles opslokkende rivieren, bij die ruime bocht van de Dnjepr. Onder mijn rechtersleutelbeen liep het bloed in glinsterende stroompjes naar buiten, ik keek ernaar, het hart is een krachtige pomp, en het pompte mijn bloed nu niet meer in mijn lichaam rond, maar dreef het uit mij, boem, boem. In doodsangst rende ik naar de geneeskundig officier, die mijn wond dichtdrukte en me provisorisch verbond. Ik keek toe, verbaasd over het geluk dat ik nog ademde. Een granaatsplinter had mijn rechterwang geraakt, uiterlijk was er weinig van te zien, een andere splinter zat in de rechterdij, pijnlijk, en een derde splinter had onder mijn sleutelbeen een groot bloedvat geraakt, hemd, uniformjasje en broek waren doordrenkt van het bloed. Het onbeschrijflijke gevoel dat je het hebt overleefd, met niets te vergelijken. Als kind de gedachte: als ik groot ben. Nu de gedachte: als ik het overleef. / Wat is er mooier dan in leven te blijven? Het gebeurde in precies dezelfde omgeving als waar we twee jaar geleden in dezelfde tijd hadden gezeten. Ik kon me alles goed herinneren, ik herkende de omgeving meteen weer, de wegen, alles nog steeds hetzelfde. Maar de wegen waren er sindsdien niet beter op geworden. We lagen bij een verwoest dorp, de meeste tijd onder vuur. ’s Nachts was het al zo koud dat het water in de emmer bevroor. Ook op de tenten lagen ijskorsten. / Onze terugtocht was één grote vuurstreep, vreselijk om te zien. En ontnuchterend om erover na te denken. Alle stromijten stonden in brand, alle kolchozen stonden in brand, juist de huizen bleven meestal overeind. De bevolking moest naar achteren geëvacueerd worden, maar dat kon maar gedeeltelijk worden doorgevoerd, voor een groot deel waren de mensen niet weg te krijgen, het kon hun niet schelen of ze werden doodgeschoten, maar weg wilden ze in elk geval niet. En de oorlog woedde voort, voor de een voorwaarts, voor de ander achterwaarts, maar altijd jachtig, hoogst bloederig en onbegrijpelijk.”
In de schaduw van de zelf gezaaide hazelaars In een achterste hoek van onze tuin, Rechts van de bloeiende bes Een onverwacht Salomonszegel Die Ik je wil laten zien. Maakt het uit Waarom zulke sierlijke klokken zo worden genoemd (Zegels van een middeleeuws document?) Het is mei en Salomon zegt: Sta op, Mijn liefje, mijn schoonheid, en kom mee, De winter is voorbij, de regen is voorbij En weg. Bloemen verschijnen op de aarde. Een eenzame sleutelbloem heeft Onder onze beuk de eerste grasmaaibeurt overleefd. De tijd van het zingen van vogels is gekomen.
Hij kijkt met het kind mee naar Het water en de bogen van de brug. Voor hem alleen de straten van De stad, verweerde spiegel in de Stroom, droom die verjaarde. Wandelend over pleinen, door Seizoenen. Herfst in regen gedrenkt En droeve ogen van kerken. De oude Stenen bieden troost in deze laatste Der maanden, wanneer het water oever – Loos kolkt en wind jaagt.
Over winterse trappen daal Je naar de rivier, het kind achter Woorden verscholen. Verborgen in ‘Herinnering aan Zee’, je gezicht en Schemer op de kademuren. Mijn hand Schrijft op het water: vertrek is Wachten op een terug, altijd wordt Het later. Een laatste blik, de stad Glimt in de regen. Ik scheep mij in Het avondlicht. Verdwijn in de Stroom, herhalend de vraag, Wanneer kom ik je weer tegen ?
Een dag van bordkarton
I
Ach de dag is bordkarton Het néon gedoofd geraamte En stof, waarde vriend. Een rede tot vele levens.
Schuif je schaduw door het raam En zie hem zitten in het café Martinho de Arcada, koffie op Het marmeren tafelblad.
Een slopende nacht voorbij Kijk mee over de Taag, nu Verbergt de ochtendnevel nog De schepen in een droef concert.
Het plein, na de koffie, na De aguardente: verfomfaaid Marmer vol armoedig afval, 25 april Tien jaar later met lege handen.
VI
Sociedade Nacional de Belas-Artes. Verse anjers Op het revers of in de hand. Loop verdwaald Tussen de beelden, de tekens. Wat blijft er over? Daar loopt de man, evenbeeld, met hoed en koffertje,
Stijlvol in zijn zwarte pak. Pessoa, herrezen Uit de muffe kelder van het verleden. Pessoa, Het ene oog rood, het andere zwart. Pessoa Monstert met monocle schilderij na schilderij.
Beelden en bezoekers. Performance binnen performance. Tenslotte viert men de revolutie. Kookt het water Voor de koffie nog steeds? Beschaafd applaus. De revolutie zelf treedt binnen, Pessoa verdwijnt.
Oh, oh de kapiteins! Een aantal ponden dikker, Maar herkenbaar. Glimlachen, flitsen, fluisteringen. Ik schud de handen. Rood hoofd. Late middagzon. Ach, de dag is bordkarton en néon gedoofd geraamte.
Hans van de Waarsenburg (21 juli 1943 – 15 juni 2015)
Voor de tweede keer deze week heb ik sneeuw zien vallen bij zonsopgang, de dageraad arriveren op een briesje (zoals ik denk dat hij altijd doet). Ik weet niet wat, tijd of weer, me wakker maakte, me uit een droom toverde waar enkelen van ons rondzweefden, grappenmakers van de zwaartekracht, met het gezicht naar boven in het stille water en het strandgoed van een langzaam leven. Ik had één regel die ik had bewaard en gaf hem prijs als was hij van mij, een oproep tot ‘donkerdere dagen en lichtere goden!’ Toen had ik alleen mijn moment van ontwaken, maar dat begon met datzelfde schaduwloze licht, een gevoel van verandering, van iets dat dichtbij is en ver weg, dat als eerste komt en als laatste, met wind en sneeuw waait door mijn spiegelbeeld in het raam. En toen verloor ik het.
Dus hier ben ik, met sigaretten en koude koffie, een onvoltooide ode aan de ledigheid, spinnenwebben op hoge plaatsen, een spin die langs de boekenplanken naar beneden dwarrelt, en een commotie die in rust wordt herinnerd; zonlicht dat er doorheen stroomt, en nog een lichte pagina met een eigenaardige duisternis die eroverheen stroomt —schaduwen van hittegolven van de radiator, of mijn gedachten die opgaan in rook.
Het glas, als het beslagen is, doet me denken aan winkeletalages, hoe ze omhuld zijn met zeep, bedekt met geheimhouding vóór een feestelijke opening of na een smadelijke sluiting. Hoe dan ook, niet erg interessant behalve misschien wanneer de graffiti, de anonieme berichten verschijnen er overheen gekrabbeld door een kind van de lucht, woorden waar je doorheen kunt kijken of een duidelijke veeg.
En in de schemering ben ik nog steeds hier, dezelfde plaats, hetzelfde licht. Er zit niets anders op dan mee te bewegen met het uitzicht: sneeuw, wind over zachte ruïnes, onvoltooide gebouwen die opdoemen als monumenten voor een verbruikte nieuwsgierigheid. Ik ben de langste, hier bij de Nee’s, rustend op sullige steunsels. Wil je een sigaret? Nee. Heb je een lucifer? Nee. Zie je een alternatief voor het solipsisme? Nee. Hedonisme? Nee. Slordig stoïcisme? Nee. Wist je dat Maryland geen natuurlijke maar alleen door de mens gemaakte meren heeft? Nee.
De wezens van nietsdoen zijn pure speculatie. Ze volgen het weer, schaduwen de wind, vullen de lege plekken in. Sommige zijn groot, onhandig en sluw en likken graag aan mijn horloge; anderen, zoals gerundia, hebben zichzelf al in een staat van zijn gedronken. Een ander, met tijd om handen en het gevoel van hoe ramen zowel binnen als buiten een plaats zijn, staat daar en ziet hoe zijn silhouet verandert in een reflectie terwijl het licht verschuift en hij vooruit beweegt of achteruit, speelt als een god die in en uit zichzelf stapt, en hoort de wind als de adem van verandering wanneer de laatste vlaag wegdwarrelt in het licht.
De laatste vlok wordt groter terwijl hij neerdaalt en presenteert wanneer hij landt in een uitbarsting van schittering de plattegrond van een nieuw gebouw waar elk nat raam, gevat in parels een beeld is van plezier en verwachting. De druppels rijpen, momenten in het licht, vragen die, beantwoord door een gevoel, wegglijden zo helder als mijn wezen, druppel voor druppel langs het glas. Als de wind zo hard waait staat hij op het punt eindelijk iets zeggen. De aarde teruggebracht tot pure magie, wind en glas, water en licht.
De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Dat is vandaag precies 100 jaar geleden. Zie ook alle tags voor Hans Lodeizen op dit blog.
Al die dingen gebeuren en zijn
al die dingen gebeuren en zijn netjes geordend: de kinderen spelend aan de vijverrand het paard ploegend de aarde en de trein in het landschap.
zelfs het water dat in welbespraakte onrust deint tussen zijn twee oevers waar de huizen glimlachen terwijl een bootje als een wijsheid wegdrijft is verloren in de werkelijkheid.
zo staan wij vissers naar ontraadselingen tot de nacht uit het water oprijst en met al haar raadselen de hemel inneemt.
en deze wereld waar ik niet van houd
en deze wereld waar ik niet van houd vanwege de buitenwijken vanwege de al te lange diners
hoe graag zou ik haar willen inwisselen voor deze mijn wereld waar ik woon waar ik lachend tussen spiegels loop
maar ik ben vast met één helft aan de andere mijn liefde is niet verdeeld maar mijn handen zijn twee de ene is goed en lachend de andere o angstig, voorzichtig
(want hij moet vasthouden, nemen)
deze wereld die ik niet liefheb vanwege de terugkeer uit Zwitserland vanwege de reis naar Frankrijk in de lente
deze wereld die ik liever zou kleuren dan haar bewonen.
deze ochtend draagt de wind
deze ochtend draagt de wind kinderen op haar boezem en ontrafelt het lange windsel van haar schoot. wij liggen in kussens uit te rusten, luisterend naar trams die de borst van het licht verscheuren
over de rust der vogels wiegende in een tak. wij willen naar het einde van de wereld gaan, daar waar de mast breekt en de schepen schuin over de zee vallen, niet denkend aan morgen; dromend tegen de hemel.
Want we zijn gemaakt om naar dingen te reiken. Want verbeelding verlengt het leven. Want ons bereik moet groter zijn dan onze greep. Want in gevangenschap gedijt de verbeelding. Want de Boek van de Maand Club selectie Is eindelijk aangekomen. Want het is Het leven van Jeffrey Hudson. Want het is een februariklassieker. Want hij heeft een wonderbaarlijk leven opgebouwd. Want hij bloeide op in gevangenschap. Want hij was een kampioen die de spot dreef met beperkingen. Want op negenjarige leeftijd, hoewel nauwelijks 18 centimeter lang, Was hij sierlijk geproportioneerd. Want hij was een page voor hertog Edward. Want tijdens een banket sprong hij uit een taart, Neergezet voor koningin Henrietta Maria. Want ze adopteerde hem ter plekke. Want hij werd tot kapitein van de cavalerie benoemd. Want hij heette Energieke Jeffrey. Want hij was onvermoeibaar en heldhaftig. Want schietend vanaf een paard Doodde hij zijn tegenstander in een duel. Want hij werd door Duinkerkers gearresteerd en gevangengezet. Want bij zijn vrijlating Bleek hij groter te zijn geworden. Want hij werd gearresteerd en gevangengezet door Turkse piraten. Want tegen de tijd dat hij werd vrijgelaten, was hij een voet groter geworden. Want na de Restauratie was hij met pensioen. Want als beschuldigde samenzweerder in het Pauselijke complot Werd hij opnieuw gearresteerd en opnieuw vrijgelaten. Want kort daarna stierf hij, Op 63-jarige leeftijd, met een lengte van 3 voet 9.
Uit: ik hier jij daar (Samen met Anne Vegteren vertaald door DjuKe Poppinga)
Damascus trok zich terug
Ik heb dit gedicht geschreven voor een vrouw die ik beminde. Daarna zijn we uit elkaar gegaan. Zij heeft nu een andere man en ik heb dit gedicht. Toen ik Damascus verliet, zat ik vast op mijn plek en trok Damascus zich terug. Dat is precies wat Einstein probeerde te zeggen over de relativiteitstheorie, wat Whitman probeerde te zeggen in Grasbladen en wat ik probeerde te fluisteren in jouw oor toen jij probeerde van mij te houden. Damascus trok zich terug en ik had mijn hart zorgvuldig in mijn koffer gepakt, mijn hart dat jij zo goed kent, jankte als een wolf in de woestijn van Jordanië, terwijl ik het spoor van een oude honger volgde, omdat ik sinds Damascus me had verlaten, niet genoeg liefde meer had ontvangen. ‘Geduld is mooi en God is een toevlucht,’ staat in de Koran geschreven. Ik voedde mijn hart dat jij zo goed kent met de heesheid van je stem, opdat het tot rust zou komen, en ik blies er een wolk hasjiesj in om het te kalmeren, terwijl de bedoeïen, die mijn huid had aangetrokken, rondzwierf met de Arabieren van het Noorden. Hoe kan ik in jouw huis wonen, als God heeft beschikt dat ik ‘in elke vallei smacht naar mijn geliefde’? Hoe kan ik, als de mawwaals mij hebben gestolen uit de schoot van mijn moeder en als jouw taille, die duidelijk is als de dood, mij gevangenhoudt tussen mijn vrienden, waarna ik je volg, zoals de vriend van Imroe’ al-Kais zijn vriend volgde, land na land, slaaf na slaaf, terwijl ik van je wegvlucht, zoals ‘de mens vlucht voor zijn broeder, en zijn moeder, en zijn vader, en zijn gezellin en zijn zonen’. Damascus trok zich terug en ik zat op mijn plaats, mijn koffer vluchtte naar voren, en mijn hart, vervuld met Arabische retoriek, was bezig met mijn vertrek. Mijn hart dat je zo goed kent. Steeds wanneer ik het ’s nachts uit zijn hol haal zodat het de maan kan zien, jankt het je naam, maar ik ben harder dan steen en mijn hart dat je zo goed kent, wordt niet milder.
oorlogsrappen (I)
maar wij waren vrij anderen werkten ziekenhuisfiguren brandweer krantentypes als we verongelukten hadden zij werk het ongeluk moest dan wel groot genoeg zijn
met kerstmis kon school niet verder weg zijn ons geloof had geen kerst maar kaarsen vonden we okay in de avond klommen we het dak op van ons huis iemand noemde vrede een periode
Het station Ter nagedachtenis aan Guillaume Apollinaire
Het regent voortdurend in mijn slaap mijn droom vult zich met modder de plaats is donker en ik wacht op een trein de stationschef plukt madeliefjes die op de rails zijn ontsproten want het is al lang geleden dat er een trein op dit station is aangekomen en plotseling zijn de jaren verstreken ik zit achter een raam haar en baard zijn lang geworden alsof ik erg ziek ben en net als ik weer in slaap val komt zij langzaam met een mes in haar hand zij komt voorzichtig naar me toe en steekt het in mijn rechteroog.
De Engelse dichteres Elizabeth Joan Jennings werd geboren op 18 juli 1926 in Boston, Lincolnshire. Toen ze zes jaar oud was, verhuisde haar familie naar Oxford, waar ze de rest van haar leven bleef. Daar studeerde ze later aan St. Anne’s College. Na haar afstuderen werd ze schrijfster. Jennings’ vroege gedichten werden gepubliceerd in tijdschriften zoals “Oxford Poetry”, “New English Weekly”, “The Spectator”, “Outposts” en “Poetry Review”, maar ze publiceerde haar eerste boek pas in 1953, op 27-jarige leeftijd. Het won datzelfde jaar de Arts Council of Great Britain Award voor beste debuutgedicht. Ze noemde Gerard Manley Hopkins, W. H. Auden, Robert Graves en Edwin Muir als dichters die haar beïnvloedden. Haar tweede boek, “A Way of Looking”, won in 1955 de Somerset Maugham Award en markeerde een keerpunt, omdat het prijzengeld haar in staat stelde bijna drie maanden in Rome door te brengen. De reis bracht een nieuwe dimensie in haar religieuze geloof en voedde haar verbeelding. In 1987 ontving ze de WH Smith Literary Award voor de bundel “Collected Poems 1953–1985”. Jennings worstelde met de praktische aspecten van haar carrière en leven. Ze raakte verarmd en kampte met haar geestelijke gezondheid, en haar persoonlijke problemen ondermijnden haar reputatie als criticus. Toen ze in 1992 door de koningin werd geëerd als Commandeur in de Orde van het Britse Rijk, droeg ze “een gebreide muts, een duffelcoat en canvas schoenen”. De roddelpers bespotte haar als de zwerfster van de sonnetten, een label dat haar bijbleef. De laatste jaren van haar leven bracht ze door in verschillende studentenhuizen. Kort voor haar dood ontving ze een eredoctoraat in de Godgeleerdheid van de Universiteit van Durham. Ze stierf in een verpleeghuis in Bampton, Oxfordshire. Ze is begraven op de Wolvercote Cemetery in Oxford. Jennings, die meer als traditionalist dan als vernieuwer wordt beschouwd, staat bekend om haar poëzie en vormbeheersing. Haar werk wordt gekenmerkt door een eenvoud in metrum en rijm die ze deelt met Philip Larkin, Kingsley Amis en Thom Gunn, allen leden van de groep Engelse dichters die bekendstaat als The Movement. Haar diepgewortelde rooms-katholicisme vormde een groot deel van haar werk. Haar leven en carrière werden in 2018 geëerd door Dana Gioia, die zei: “Ondanks haar mislukkingen in de seculiere wereld, is haar artistieke carrière een gestaag traject van succes geweest. Jennings behoort tot de beste Britse dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw. Ze is ook Engelands beste katholieke dichter sinds Gerard Manley Hopkins.”
A Mental Hospital Sitting-Room
Utrillo on the wall. A nun is climbing Steps in Montmartre. We patients sit below. It does not seem a time for lucid rhyming; Too much disturbs. It does not seem a time When anything could fertilize or grow.
It is as if a scream were opened wide, A mouth demanding everyone to listen. Too many people cry, too many hide And stare into themselves. I am afraid There are no life-belts here on which to fasten.
The nun is climbing up those steps. The room Shifts till the dust flies in between our eyes. The only hope is visitors will come And talk of other things than our disease … So much is stagnant and yet nothing dies.
Song of Time
Deliver time and let it go
Under wild clouds and passive moon.
Once it was fast, now it is slow.
I lose my hours beneath the sun,
Brisk minutes ebb and flow.
Time is elemental, all
We make in speech and action, yet
Time itself can have a fall
When heart and mind have no regret
And love is how you feel.
Oh let us dance with time and turn
It to a friend, a willing one.
In time we grow, through time we learn
The visitations of the sun
And ardour of the moon.
Time is not clocks but moves within
The discourse of the learned heart,
It is the way our lives begin.
O leaving time behind’s an art
Ahead and now and then.
Friendship
Such love I cannot analyse; It does not rest in lips or eyes, Neither in kisses nor caress. Partly I know it’s gentleness
And understanding in one word Or in brief letters. It’s preserved By trust and by respect and awe. These are the words I’m searching for.
Two people, yes, two lasting friends. The giving comes, the taking ends. There is no measure for such things. For this all Nature slows and sings.
Elizabeth Jennings (18 juli 1926 – 26 oktober 2001)