In Memoriam Jan Cremer

In Memoriam Jan Cremer

De Nederlandse schrijver en beeldend kunstenaar Jan Cremer is woensdagochtend op 84-jarige leeftijd overleden. Dat meldt uitgeverij De Bezige Bij. Volgens zijn uitgever was de auteur bezig met een nieuwe roman. Of die nog uitgebracht gaat worden, is onduidelijk. Jan Cremer werd geboren in Enschede op 20 april 1940. Zie ook alle tags voor Jan Cremer op dit blog.

Uit: Ik Jan Cremer

“Af en toe ’s nachts schieten flarden van mijn jeugd door de duisternis. Dan zie ik weer Fabrieksstad met zijn brave wantrouwige bewoners, de harde werkers, de stinkende boeren, de loerende burgers, de vinnige wijven en de stiekeme kindertjes met de snottebellen. En de taal! Als ik die mummelende, wantrouwige, boerse, platte, onuitgesproken klinkende taal hoor, ruik ik weer de mest, de kippen, de koeiestront, de melkfabrieken, en de vlagen roetige rook uit de tientallen gigantische fabriekspijpen. Ik en mijn moeder woonden er enkele jaren tijdens de oorlog. Van mijn vader weet ik niet meer dan dat het een onbevreesde en onvervaarde avonturier was, oorlogscorrespondent en ontdekkingsreiziger. Hij was een van de eersten die Egypte, Klein-Azië, Perzië, Soudan-Francaise, de Balkan, de steppen, woestijnen en poesta’s in trok, te voet, per fiets of per trein en daar dan maandenlang tussen de autochtone bevolking leefde, er boeken over schreef (die nooit zijn uitgegeven omdat na de oorlog alle grenzen zijn veranderd) en te gast is geweest bij sjeiks, koningen en premiers op de halve wereldbol. Hij was Boogschutter, bijna twee meter groot en twee keer getrouwd geweest. Mijn moeder heeft hij meegenomen van een reisje naar de Balkan, zij werd zijn derde vrouw. Hij bleef drie maanden lang weg zonder iets van zich te laten horen. Hij deed de boodschappen omdat mijn moeder de taal niet sprak, en dan kreeg ze tien weken later een kaartje uit Albanië met de beste wensen, en dat ie gauw weer terug kwam. Het enige wat Senior naliet was een grote zeemanskist vol met foto’s uit alle delen van de wereld. Later mocht ik op zondagen als ik thuis was, na eerst m’n handen te hebben gewassen, de hele middag naar de foto’s en platen uit de kist kijken; mijn moeder luisterde dan naar het belcantoprogramma. Hij was een van de eerste niet-Spaanse stierenvechters. In de kist lagen tientallen met de hand gekleurde foto’s van torero’s, aan hem opgedragen. Van hem persoonlijk bestaan er twee foto’s: op de ene zit hij met een groepje naakte negers in de top van een kokospalm met een hakmes te zwaaien naar de fotograaf. De foto is zeer klein en bovendien nog tegen de zon in genomen, dus niet erg duidelijk. De tweede mocht ik vroeger nooit zien, later enkele tellen en tot slot heb ik hem gepikt. Daar staat hij tussen een groepje naakte negerinnen, vrolijk lachend met een brede grijns en zijn armen amicaal om de naakte vrouwen. Als een reus staat hij daar, en wat een grote tepels hebben die wijven. Zijn devies was: ‘liever honderd gulden schuld dan vijf minuten verdriet,’ (hij is dan ook met tienduizend piek schuld gestorven) en verder weet ik dat hij voor niemand uit de weg ging, altijd een grote bek had, direct met zijn vuisten klaar stond, niemand boven zich duldde, mijn moeder sloeg en mij een keer wilde wurgen, toen ik nog een baby was en huilde. De buurt moest mij ontzetten (in ’n deken wilde hij me smoren, de schoft, vertelde mijn moeder) en dat was voor hem weer ’n reden om enkele maanden op pad te gaan. Toen ik twee was kwam een verpleegster uit het ziekenhuis mijn moeder halen omdat mijn vader aan het sterven was (hij lag er al een week, was neergestoken bij een vechtpartij met een paar boeren in zijn stamkroeg, maar wilde niemand zien). M’n moeder had hem  willen bezoeken maar werd niet toegelaten.”

 

Jan Cremer (20 april 1940 – 19 juni 2024)

Salman Rushdie, Anne Carson

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit: Knife: Meditations After an Attempted Murder

“At a quarter to eleven on August 12, 2022, on a sunny Friday morning in upstate New York, I was attacked and almost killed by a young man with a knife just after I came out on stage at the amphitheater in Chautauqua to talk about the importance of keeping writers safe from harm.
I was with Henry Reese, co-creator, along with his wife, Diane Samuels, of the City of Asylum Pittsburgh project, which offers refuge to a number of writers whose safety is at risk in their own countries. This was the story Henry and I were at Chautauqua to tell: the creation in America of safe spaces for writers from elsewhere, and my involvement in that project’s beginnings. It was scheduled as part of a week of events at the Chautauqua Institution titled “More Than Shelter: Redefining the American Home.” We never had that conversation. As I was about to discover, on that day the amphitheater was not a safe space for me. I can still see the moment in slow motion. My eyes follow the running man as he leaps out of the audience and approaches me, I see each step of his headlong run. I watch myself coming to my feet and turning toward him. (I continue to face him. I never turn my back on him. There are no injuries on my back.) I raise my left hand in self-defense. He plunges the knife into it. After that there are many blows, to my neck, to my chest, to my eye, everywhere. I feel my legs give way, and I fall.
Thursday, August 11, had been my last innocent evening. Henry, Diane, and I had strolled without a care through the grounds of the Institution and had a pleasant dinner at 2 Ames, a restaurant on the corner of the green park area called Bestor Plaza. We reminisced about the talk I’d given eighteen years earlier in Pittsburgh about my part in creating the International Cities of Refuge Network. Henry and Diane were at the talk and were inspired to make Pittsburgh an asylum city, too. They began by funding one small house and sponsoring a Chinese poet, Huang Xiang, who strikingly covered the exterior walls of his new home with a poem in large white-painted Chinese letters. Gradually, Henry and Diane expanded the project until they had a whole street of asylum houses, Sampsonia Way, on the city’s North Side. I was happy to be in Chautauqua to celebrate their achievement.”

 

Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

TANGO XII. HIER WORDT FATSOENLIJK ZAKEN GEDAAN DAN LOPEN WE NU DOOR DE GANG NAAR DE ZWARTE KAMER WAAR IK HET ECHTE GELD VERDIEN

U wilt weten hoe het er vanuit het oogpunt van de echtgenoot voorstond –
we lopen achterom,
daar staat de vrouw
ze grijpt zich vast aan haar ellebogen en staat tegenover de man.
Niet die tranen zegt hij, niet weer tranen. Maar ze komen nochtans.
Ze kijkt naar hem.
Het spijt me zegt hij. Geloof je me.
Ze kijkt.
Ik heb je nooit willen kwetsen.
Ze kijkt.
De banaliteit. Het is net Oscar Wilde. Zeg iets!
Ik geloof

dat daar je taxi is zei ze.
Hij keek naar beneden, naar de straat. Ze had gelijk. Het stak hem:
de pathos van haar gespitst luisteren.
Daar stond ze dan iemand met persoonlijke trekjes,
een hart, leven dat op weg in haar klopt.
Hij geeft een teken aan de chauffeur: vijf minuten.
Haar tranen zijn opgehouden.
Wat zal ze doen als ik weg ben? vraagt hij zich af. Haar avond. Het snoerde zijn adem af.
Haar onbekende avond.
Tja zei hij.
Weet je begon ze.
Wat.

Als ik je kon doden zou ik erna net zo iemand als jij moeten scheppen.
Waarom.
Om het aan te vertellen.
Perfectie bleef even als windstilte op een meer op hen rusten.
Pijn in rust.
Schoonheid neemt geen rust.
De man raakte de slaap van zijn vrouw aan
en draaide zich om
en rende
de
trap
af.

 

Vertaald door Marijke Emeis

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor de schrijvers van de 19e juni ook mijn blog van 19 juni 2022 en ook mijn blog van 19 juni 2020 en eveneens mijn blog van 19 juni 2019 en ook mijn blog van 19 juni 2018.

Marije Langelaar, Karin Fellner

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Marije Langelaar werd geboren op 18 juni 1978 in Goes. Zie ook alle tags voor Marije Langelaar op dit blog.

 

Optellen

Tellen de dagen dat het zin heeft, dat hij honger
heeft, thuisblijft, zijn jas vergeet, meegaat,
stilzwijgt, zijn veters strikt, dooreet,
moddergooit, wazig is, opstandig, bloedend,
doodmager, projectielig.

Leggen onze gevoelens daaromtrent in
doordringende kleuren op tafel, heldergeel,
jammerzwart, gekoesterd bruin, levend rood, mul
groen, bruin in draden, in frommels, in klonten, in
scheuren.

Nodigen rook, wolken, elektriciteit, gevoelens,
angsten, aura uit in bewaarpot.
Sluiten.

Gaan ernstig kijken.
Tellen de tabellen en kleuren op. Uitkomst is een weiland
om het even waar omstreeks een uur of tien
met een vlieger die hard trekt.

 

Nu
ontpoppen de zaden
vangt het barre ochtendlicht de handen

De kale schuur
legt zijn muren voor ons neer

Nu – godswonder rommelt de donder

helle stralen belichten een langzaam toneel

de donkere stier die zijn lief ontkleedt
en paart in een uithoek

dienstplichtig wapperen de vaandels
gedempt vallen vruchten in het zand

Nauwelijks hoorbaar was de dag gegaan
laatste verstommende kreten

 

Vertrek

Wanneer ik in een duistere plek in mijzelf
en de wereld op haar achterste tandwiel
begint het wapperen.

Het leven doet ons pijn
het is een mossige scherpte
glijden het strand in, snijden het water open.

Het ongemak wolft zich door de straat.

Woede slakt uit het woonhuis.
Mijn man in zijn pijnlijkste lichaam.

Schiet nog eenmaal het zaad het lichaam in, mist,
raakt het bed.
We houden onze nek vast.
Zoveel van vastigheid overschat we treffen elkaar
binnenshuis.
Hij heeft een meisje met lange benen mee.
Ik draag een man met regenlaarzen aan.
Het licht als een scherf in onze nek.

Ik moet weg, ik zeg het hem.
Hij maakt een afwijzende beweging.
Het stuiptrekken, het missend grijpen
in onze ogen is geen ontmoeting
geen vallen
enkel een wond waarbinnen ons kind.

 

Marije Langelaar (Goes, 18 juni 1978)

 

De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

 

Deze kleine vrouw zit in het loof
van haar gedachten en schommelt

zonder onderwerp is zij slechts
lindebollen een boom
paddenstoelen buiten gebruik

ziet met gesloten oogleden:
van mij en van jouw is een schild
van veren het blaast

de korrels in de borst weg
het stenen pantser bestrijkt
zij met luchtdraden nu

is niets meer bijzonder
platanen langs de snelweg tegen
het raam gesmeerde vlieg,

gerafeld als distelkoppen,
het knettert: neuronaal

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn blog van 18 juni 2020 en eveneens mijn blog van 18 juni 2019 en ook mijn blog van 18 juni 2016 deel 2.

Peter Rosei, Ron Padgett

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Von hier nach dort

„REISEPASS, WASCHZEUG, GELD: Ich hatte alles beisammen. Ordentlich lagen die Dinge vor mir. Da weinte ich. Ich legte mich auf das Bett und weinte. Dann lag ich eine Weile reglos. Wieder wollte diese Traurigkeit über mich kommen, doch ich widerstand. Das Unglück ist schön. Ich sah einen großen Felsen; er fiel zum Meer hin ab. Ich stand auf dem Felsen und winkte. Ich war glücklich. Ich versuchte zu fliegen, und es gelang. jetzt kramte ich aus dem Kasten ein paar Hemden hervor, einen Pullover, Tennisschuhe. Manchmal zeigt man Dingen gegenüber eine Zuneigung, die man sich selbst stets versagen würde. Es ist schön, so zu hantieren. Ich mag das gern. Während ich zusammenpackte, klopfte es an der Tür. Eine Frau guckte herein und fragte, ob ich nicht zufällig ihre Brille im Flur oder auf der Treppe aufgelesen hätte. Als ich verneinte, sah ich, wie bekümmert die Frau war. Sie nickte nur und schloss dann die Tür. Ich hörte noch, wie sie nebenan klopfte. Gegen Mittag verließ ich das Bahia, es regnete ein wenig, ich stand auf der Straße und sagte: So! – als ob das etwas bedeutet hätte. Ziemlich rasch fuhr ich aus der Stadt hinaus. Über den Hügeln, die die Stadt im Westen einfassen und deren Anblick mir so vertraut war, sah ich einen Regenbogen stehen. Schön und deutlich in all seinen Farben stand er gegen den Hintergrund. Auf den Hügeln waren Windräder, die sich drehten. Wein wuchs dort. Einmal erhob sich eine Wolke von Vögeln aus einem Rebberg und spielte in der Luft. Ganz golden war die Luft über den Rebbergen, die braun waren. Die Sonne wartete, halb versteckt von den Wolken.
Eine dieser Satellitensiedlungen, halb städtisch, halb in Felder und öde Flächen hineinverloren: Vor einem Italienerlokal machte ich halt. Ich stellte mich gleich an die Theke und bestellte Spaghetti. Die Fliegen, die herumkrochen, waren wie betrunken vom Küchendunst. Dem Koch rann der Schweiß unter seiner weißen Mütze hervor. Mit dem Schöpfer fasste er in den
Kessel, hob die Nudeln aus dem brodelnden Wasser. Dann spritzte er Tomatensoße über die Nudeln, die eingeringelt in dem Plastikteller lagen, warf Reibkäse darüber und stellte mir den Teller hin. Ich esse gerne Spaghetti, ich esse sie jeden Tag. Der Koch nahm dann eine Handvoll aus der Masse des Teiges, der auf dem Brett war. Und während er den Teig geschickt zu einem Fladen auswalzte und -zog, sank die Masse des Teiges auf dem Brett fast unmerklich zusammen, blähte sich wieder, und zuletzt konnte man kaum noch die Stelle erkennen, an der der Koch in den Teig gegriffen hatte. Es waren nur wenige Leute in dem Lokal, so dass die Kellner, wenn nichts zu tun war, müßig an der Theke lehnten und miteinander plauderten. Einer von ihnen tanzte zu der Schlagermusik, die aus dem Automaten kam. Ancora tu.”

 

Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.

 

Overleversschuld

Hij is heel gemakkelijk te krijgen.
Blijf gewoon leven en je zult zien
dat je er steeds meer van krijgt.
Je kunt hem houden of doorgeven,
maar het is een goed idee om een klein deel te bewaren
voor die avonden waarop je je zo goed voelt
dat je vergeet dat je een mens bent. Sjouw hem dan naar boven
en zweef vanaf het plafond naar beneden,
dat bedekt is met sterren die gloeien in het donker
met als enig doel mooi te zijn voor jou,
en terwijl je wegzinkt, vervaagt hun schoonheid en dooft uit
Ik bedoel, zij vliegt uit de dichtstbijzijnde deur of het raam,
het is een windvlaag die de haren op je onderarmen doet rijzen.
Waten je armen maar groen, dan had je wellicht twee kleine gazons!
Maar je armen zijn er gewoon en je bent kaput.
Het is sowieso allemaal jouw schuld, en dat is altijd zo geweest —
het vriendelijke woord dat je wilde zeggen, maar je deed het niet,
de verschrikkelijke achteruitgang van het menselijk fatsoen, de opwarming van de aarde,
thermonucleaire nachtmerries, je eigen kleine lafheid,
jouw stomme idee dat je eeuwig zou leven —
allemaal tua culpa. John Phillip Sousa
heeft de sousafoon uitgevonden, wat ook jouw schuld is.
De tonen klinken als monsterlijke ricochets.

Maar als je wakker wordt, lijkt je lichaam
redelijk goed te passen, zoals een maatpak,
en je ziet er niet zo slecht uit in de spiegel.
Hallo daar, kerel! Oude kerel, jonge kerel, wat maakt het uit?
Wie het ook was die zich gisteravond schuldig voelde,
naar de hel met hem. Dat was toen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juni ook mijn blog van 17 juni 2020 en eveneens mijn blog van 17 juni 2019 en ook mijn blog van 17 juni 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Vader (Anton Korteweg), Joël Dicker, Maylis de Kerangal, Silke Scheuermann, Frans Roumen

 

 

Vader en zoon door Lutz Baar, 1976

 

Vader

Als hij groot is, koop ik een auto
Kan hij die ’s zaterdags wassen.
En een gazon. Dat moet hij dan maaien.

Oude vrouwtjes jaag ik de straat op.
Kan hij die helpen oversteken.
Knaapjes het wakke ijs. Die moet hij
redden met levensgevaar.

Eenmaal toch moet ik het meemaken dat ik
goedkeurend hem op de schouder kan kloppen.
diep in de ogen kijk, verlegen mompel:
‘Jongen, je vader is trots op je.’

 

Anton Korteweg (Zevenbergen, 31 januari 1944)
Zevenbergen, mark

 

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: Het mysterie van kamer 622 (Vertaald door Manik Sarkar)

“Toen ik aan het begin van de zomer van 2°18 naar het Palace de Verbier ging, een prestigieus hotel in de Zwitserse Alpen, kon ik onmogelijk vermoeden dat ik mijn vakantie zou wijden aan het oplossen van een moord die daar jaren geleden was gepleegd. De vakantie was bedoeld om mij een welkome afleiding te gunnen na twee kleine rampen die in mijn leven hadden plaatsgehad. Maar voordat ik jullie vertel wat er die zomer gebeurde, moet ik eerst nog even terugkomen op datgene wat aan deze hele geschiedenis ten grondslag ligt: de dood van mijn uitgever, Bernard de Fallois. Bernard de Fallois is de man aan wie ik alles verschuldigd ben. Mijn succes en mijn faam heb ik aan hem te danken. Ze noemden me De schrijver en dat komt door hem. Dankzij hem word ik gelezen. Toen ik hem ontmoette, was mijn werk nog niet eens uitgegeven: hij maakte van mij een schrijver die over de hele wereld werd gelezen. Bernard was, onder het uiterlijk van een elegante patriarch, een van de meest vooraanstaande figuren uit de Franse uitgeverswereld. Voor mij was hij een leermeester, en ook, ondanks de bijna zestig jaar die we scheelden, een goede vriend. Bernard stierf in januari 2018, in zijn tweeënnegentigste levensjaar, en ik reageerde op zijn dood zoals iedere schrijver dat zou doen: door een boek voor hem te schrijven. Ik stortte me erop met hart en ziel, opgesloten in de werkkamer van mijn appartement in de Geneefse wijk Champel, aan de avenue Alfred-Bertrand 13. Zoals altijd wanneer ik schreef, was de enige menselijke aanwezigheid die ik verdroeg die van mijn assistente Denise. Zij was de goede fee die over me waakte. Steevast goedgehumeurd hield ze mijn agenda bij, schiftte en sorteerde ze de lezerspost, herlas en corrigeerde ze wat ik had geschreven. Verder vulde ze mijn ijskast aan en zorgde ze ervoor dat ik nooit zonder koffie zat. Ten slotte vervulde ze de functie van scheepsarts wanneer ze aanmonsterde op mijn werkkamer, alsof ze na een eindeloze oversteek aan boord van een schip kwam, en me gezondheidsadviezen gaf. `Naar buiten!’ commandeerde ze op vriendelijke toon. ‘Ga maar wandelen in het park, je hoofd luchten. Je zit hier al uren opgesloten!’ `Ik heb vanochtend al hardgelopen,’ zei ik. `Je moet zorgen dat je hersenen regelmatig zuurstof krijgen!’ drong ze aan. Het was een haast dagelijks ritueel: ik bleef koppig weigeren en ging alleen even op het balkon staan. Ik vulde mijn longen met een paar teugen frisse februarilucht, dan wierp ik haar uitdagend een geamuseerde blik toe en stak een sigaret op. Ze protesteerde en zei: “Als je maar weet dat ik je asbak niet leeggooi, Joël. Dan besef je tenminste dat je rookt.”

 

Joël Dicker (Genève, 16 juni 1985)

 

De Franse schrijfster Maylis de Kerangal werd geboren op geboren 16 juni 1967 in Toulon. Zie ook alle tags voor Maylis de Kerangal op dit blog.

Uit: De levenden herstellen (Vertaald door Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos)

“DIE NACHT DUS remde er een busje op een verlaten parkeerterrein, kwam scheef tot stilstand, de voordeuren sloegen dicht en een zijdeur schoof open, er kwamen drie gestalten tevoorschijn, drie schimmen die afstaken tegen het duister en bevangen waren door de kou — februari en ijskoud, natteneuzenweer, slapen met je kleren aan —, jongens kennelijk, die hun jasje tot de kin dichtritsten, hun muts tot hun wimpers afrolden, de vlezige bovenkant van hun oren onder hun fleece vest schoven, en blazend in hun bol gevouwen handen poolshoogte gingen nemen bij de zee, die op dat uur louter geluid was, geluid en duisternis. Jongens, ja, nu kon je het zien. Achter het muurtje dat het parkeerterrein van het strand scheidde, stonden ze op een rijtje te trappelen en diep adem te halen — pijnlijke neusgaten door de instroom van jodium en kou — en ze peilden die duistere vlakte waar tempo niet bestaat buiten het lawaai van exploderende golven, dat tumult dat aanzwelt tijdens het uiteindelijke neerstorten, ze tuurden naar wat daar dreunend voor hen lag, dat krankzinnige gebulder waar niets was om de blik op te richten, niets, behalve misschien de wittige schuimrand, miljarden tegen elkaar geslingerde atomen in een fosforescerende halo, en de drie jongens, verdoofd door de winter toen ze uit de bus stapten, bedwelmd door het donker boven zee, vermanden zich nu, stelden hun ogen en oren in, taxeerden wat hun te wachten stond, de swell, maten de deining op het oor, schatten de hoeveelheid brekers, de diepte, en herinnerden zich dat op volle zee gevormde golven zich altijd sneller voortbewogen dan de snelste boten. Prima, bromde een van de drie jongens bedaard, het wordt een mooie sessie, de andere twee glimlachten, waarna ze gedrieën terugliepen, traag, met hun zolen over de grond schrapend en om hun as draaiend, tijgers, ze keken op en tuurden in de duisternis voorbij het   stadje, de nog dichte duisternis achter de kliffen, en toen keek degene die had gesproken op zijn horloge, nog een kwartiertje, jongens, en ze klommen terug in de bus om te wachten op de dageraad aan zee. Christophe Alba, Johan Rocher en hij, Simon Limbres. Terwijl de wekkers afgingen schoven ze hun laken weg en stapten uit bed voor een sessie waar ze kort voor middernacht per sms toe hadden besloten, een sessie bij halftij zoals er een paar per jaar voorkomen: ruwe zee, regelmatige deining, zwakke wind en geen hond ter plaatse. Jeans, jasje, ze glipten naar buiten zonder iets te eten of te drinken, niet eens een glas melk, een handje muesli, zelfs geen stuk brood, posteerden zich beneden voor de flat (Simon) of voor de poort van hun vrijstaande huis (Johan), en wachtten op het busje, dat ook stipt op tijd was (Chris), en terwijl ze normaal ondanks moederlijke vermaningen op zondag nooit vóór de middag opstonden, terwijl ze dan naar verluidt alleen maar konden pendelen tussen de bank in de zitkamer en de stoel in hun slaapkamer, één slappe hap, stonden ze nu om zes uur ’s ochtends te popelen, met losse veters en een stinkadem — “

 

Maylis de Kerangal (Toulon, 16 juni 1967)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Paardenbloem

Wat houd ik van de wind;
hij kamt grassen en schuurt stenen glad,
leidt mijn zaden,
hij is er altijd,
soms sterker, soms zwakker.
Als ik de wind met jullie vergelijk,
zoals jullie alles vergelijken,
komen jullie er slecht af.

Hij heeft nooit geprobeerd mij een naam te geven
zoals jullie. En toch: ik geef de voorkeur aan hem.
In zijn onstoffelijke aanwezigheid is hij
mijn vader en heer. Zijn manier,
om mij aan te raken, doelbewust, zonder het valse
gevoel de regen te brengen, geuren.
Hij laat me vergeten hoe kleinzielig
de wereld is die mij onkruid noemt.

Verbazingwekkend dat jullie de eindjes aan elkaar knopen,
geheel zonder bezittingen, zonder eigen plek op de grond.
Bovendien zijn jullie zwaar,
Als beladen met tienduizend bloemen.
Dat jullie volgens je eigen regels leven,
kan ik slecht vermoeden.
Wat ben ik blij dat ik geen wetten ken,
die zoveel vernietiging brengen, zoveel leed.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

Klassiek
voor Arno

Ik heb een handdoek om mij heen geslagen
die nog naar hem ruikt en zo is hij hier
en heel dicht bij me, gunt me het plezier
wat liefde van zijn geur liet, op te dragen.

Hij douchte zich en als om mij te plagen
had hij de celdeur schijnbaar op een kier
gezet. Nu luister ik naar een klavier-
concert, om – Brahms – mijn hartslag te verlagen.

Niet dat zijn naakte lichaam in mij lust
schiep ooit, of toch wel ooit, maar nooit voor lang en
ofschoon geen hartstocht ons dat toch verbood,

maar met die innige, volmaakte rust,
waarmee hij me kust, op mond kust en op wangen,
raakt hij een leven, dieper dan de dood.

 

Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957)
In the Locker Room door Bruce Sargeant, z. j.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn blog van 16 juni 2019 en ook mijn blog van 16 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Silke Scheuermann, Olivier Guez

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

VERWANDELTE WEIDE

Mein Halt im Boden war beinah
vergessen Ich beugte
mich tief Spöttisch
inspizierte der Sturm
den Widerstand meiner Zweige
begann dann ernsthaft
den Kampf

Es war etwas am Wind das Gedanken freisetzte
hindurch strich sie ausdünnte
und etwas das mich ans Sterben erinnerte
mir singend verriet das hier sei keine
Welt im Gleichgewicht
Es werde mal dieser Mal jener
Platz nach nicht genauer bekannten Befehlen
geräumt – leisen Befehlen
gegeben in Stille Wo

ich stand fand
ich meine Angst wieder
Sie leistete allen erdenklichen Widerstand
Wollte sich nicht
auf ein Anderswo richten Noch
war sie Kontrolleur
Lange noch? Letztlich
war sie doch nur
Anfängerin
machte in Wolken

Ich sah überall um mich Wagen
mit schwarzen Scheiben als gäbe es
nicht weit von mir
ein unheimliches
Unternehmen das
ständig wuchs
wie Holzhandel wachsen und
Fäulnis Was genau

würde es sein das ich
als erstes losließ? Den Schmerz
der mich weniger brauchte als ich ihn?

Ich würde so leicht werden
als schwebte ich über den Jahren
ein schwarzes Zeichen
so hoch gewachsen dass es
nicht mehr lesbar war

 

ES WAR WOMÖGLICH OPHELIAS LIEBLINGSQUALLE

Sie kam vom Ostwind angeschwemmt
Formlos Wenig mehr als die Frage
nach dem was da war bevor das Meer nach ihr trat
und wir seine Verbündeten
sie mit den Fußspitzen kitzelten

Ophelias Liebe zum Beispiel All die wilden
Spiele mit der See Das gewagte
Herumgeschubse von Schwimmern
als Strafe dass sie
dermaßen schlecht im Sichvorstellen warn
wer sonst noch lebte und zuckte
Nicht so nachgemacht wie die Wasserfrau
in den Schaukästen saß

Wir etwa: Kein Seestück an das wir uns erinnerten
kein Rocksaum mit blauen Muschelketten besetzt und doch –
gibt es uns hier Heute So sicher wie auf Papier
und nicht auf irgendeiner Insel draußen auf der
niemand uns kennt oder erwartet und ernst nehmen will
die beiden Fremden die auf den Boden starren
die Qualle ansehn und denken Die Welt

 

VAN DE WILG DIE VERANDERDE

Mijn houvast in de grond was bijna
vergeten Ik boog
diep voorover Spottend
inspecteerde de storm
de weerstand van mijn takken
ging vervolgens serieus
de strijd aan

Er was iets in de wind wat gedachten losmaakte
er doorheen streek ze uitdunde
en iets wat me aan sterven herinnerde
mij zingend verried dat dat hier geen
wereld in evenwicht is
dat nu deze dan die
plek op niet nader bekende bevelen
ontruimd wordt – gedempte bevelen
gegeven in stilte Waar

ik stond vond
ik mijn angst terug
Die verzette zich uit alle macht
Wilde zich niet
op een elders richten Nu
was hij nog controleur
Nog lang? Tenslotte
was hij toch maar
beginneling
deed in wolken

Ik zag overal om mij heen wagens
met zwarte ruiten alsof er
niet ver van mij vandaan
een onheilspellende
onderneming was die
gestaag groeide
zoals houthandels groeien en
verrotting Wat precies

zou het zijn wat ik
als eerste losliet? De pijn
die mij minder nodig had dan ik hem?

Ik zou zo licht worden
alsof ik boven de jaren zweefde
een zwart teken
zo in de hoogte geschoten dat het
niet meer leesbaar was

 

Vertaald door Monique de Waal

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

De Franse schrijver,  essayist en journalist Olivier Guez werd geboren op 15 juni 1974 in Straatsburg. Zie ook alle tags voor Olivier Guez op dit blog.

Uit: Grand Tour Europa (Vertaald door Katelijne de Vuyst)

“Het is absurd, suïcidaal haast. Sinds de jaren 1950 bouwen we aan een monumentale constructie, maar we vergeten de fundamenten ervan te verstevigen. We bouwen om beurten, zonder de bewoners met elkaar in contact te brengen; we zien het cement over het hoofd, de verstandhouding die ervoor moet zorgen dat we samen kunnen leven en dromen: de cultuur. En we voorzien niet in de middelen om ons te identificeren met het spannende avontuur van de Europese integratie. Alsof we opzettelijk vanaf de zijlijn blijven toekijken. De wijken van de Europese instellingen in Brussel, Luxemburg en Straatsburg zien er glad, functioneel en luguber uit. Niemand gaat er op zondag wandelen. In de Brusselse Wetstraat werd een beeldhouwwerk opgericht, Stepping Forward. Vanaf zijn voetstuk zet een slaapwandelaar een stap in het ijle: bloedstollende symboliek. En onze bankbriefjes… In plaats van het gezicht van Dante, Goethe, Mozart of Victor Hugo, in plaats van Toscaanse of Beierse landschappen of een Griekse tempel heeft men er kunstmatige computerbeelden van bruggen en bogen op gezet. Zijn we dan bang van onszelf, onze geschiedenis, onze identiteit? Of zijn we te lui om die te definiëren en ervoor uit te komen? Een Chinees die een reis maakt in onze contreien zou dat niettemin moeiteloos kunnen doen. Zelfs een Amerikaan uit het Middenwesten zou erin slagen het Europese erfgoed in grote lijnen te herkennen. Als de toeristen in het zuiden van Europa rondkuieren, kunnen ze met hun eigen ogen de Grieks-Romeinse invloeden vaststellen, of het Saraceense stempel in Andalusië en de Balkan. Overal, van het noorden tot het zuiden en van het oosten tot het westen, kunnen ze kerken en kloosters, kathedralen en basilieken bewonderen. In het jaar i000 was Europa christelijk en hadden alle Europese vorsten, met uitzondering van de Litouwse heersers, zich tot het christendom bekeerd. Een gids zou vertellen dat Europa tot aan de grote slachtpartijen van de toste eeuw het uitverkoren land was van de Joden, en dat het continent vorm heeft gekregen op basis van supranationale ideeën.”

 

Olivier Guez (Straatsburg, 15 juni  1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juni ook mijn blog van 15 juni 2021 en eveneens mijn blog van 15 juni 2019 en ook mijn blog van 15 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Alex Boogers, Silke Scheuermann

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit: Alle dingen zijn schitterend

“De laatste jaren heb ik geen verhaal gehoord dat me niet al eens eerder was verteld. Elk gesprek was een herhaling van een ander gesprek. Elke nieuwe gebeurtenis leek zich al eens te hebben afgespeeld, op een ander moment, met andere gezichten en namen. Misschien lag het aan mij. Voordat ik vanochtend van huis vertrok zei Taij: “Jij bent, pap, ik heb het paard verplaatst naar C4.” “Vanavond, als ik weer thuis ben, goed?” “Nee, nu, papa!” “Je moet zo naar school.” “Het is bijna vakantie, we doen geen belangrijke dingen meer. De juf zegt dat dit de pretuurtjes zijn.” “Zegt ze dat, pretuurtjes? Gaat het er zo aan toe tegenwoordig? Ik had geen pretuurtjes vroeger.” Ik aaide hem over zijn hoofd, ritste mijn groene winterjack dicht en gaf hem een kus. “Pretuurtjes,” zei ik, met een lichte verbazing in mijn stem. “Vergeet je snoepjes niet in te nemen.” Hij ging met zijn hand door zijn blonde haar, alsof hij mijn aanraking ongedaan wilde maken. Hij was tien, een overdreven liefkozing werd al snel als iets kinderachtigs gezien. De lokken vielen onmiddellijk weer voor zijn gezicht “Dat zijn geen snoepjes, pap!”
Een half uur later sta ik op een parkeerterrein bij het kleine winkelcentrum, vlak bij Albert Heijn, want daar hebben ze mooie, had Stephanie gezegd. De motor draait. De verwarming staat aan. Buiten wachten mannen met bomberjacks en verkleumde gezichten op klanten. Ik toets het nummer van Bleeker in en druk de telefoon tegen mijn oor. “Hallo?” De vertrouwde stem van Bleeker, haastig, nerveus als altijd, alsof hij in een migrantenwijk in Gouda, Den Haag of Rotterdam met een bord om zijn nek loopt waarop staat:
MOSLIMS OPROTTEN! “Bleeker.” “Arthur? Waar ben je? Kom je nog hierheen? Wacht… Ja, ik ben er. Vijf minuutjes, ik moet zo een vergadering in. Lukt dat?” Ik zeg: “Ik moet een boom oppikken en ik heb nog een interview om uit te tikken. Maar luister -” “Wacht, Art, iemand zegt hier iets – wat?” De mannen bij het plein slepen de kerstbomen aan hun netten uit de verroeste container. Ze staan er al een week en doen me denken aan visserlieden op de Beringzee die in de vrieskou de kooien met degenkrabben binnenhalen, hopend op een vangst die het seizoen veiligstelt. Mannen met een ongeschoren gezicht, verkleumde handen, een kleine wollen muts op, en een opgebrand shaggie in de mondhoek. Ze houden elkaar warm met verhalen over Feyenoord. Ze grijnzen en stoten wolkjes rook naar buiten.”

 

Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Uraniavlinder

Wat was ons doel; we waren voortdurend ’s nachts
met vertraging onderweg destijds, toen de discotheken ons nog
hun liefde iets te luid verklaarden en ons dat niet opviel,
omdat we ons in het centrum van de straling bevonden; het was toen
altijd klaarlichte dag, wij voortdurend met onze lichamen
in de weer, die oneindig veel sterker waren dan verwacht,
pretentieus, mooi; de droom loste op in de tijd;
we waren beschikbaar voor elkaar. Wij wilden vergeten,
wilden de vloek van onze afkomst vergeten. Hoe de
priester het bloed dronk, de zondagen ons vlees roosterden,
vader barbecuede, terwijl moeder het brood brak. In de tuin
rijpten tomaten, wij groeiden op, vlinders
op natuurlijke bloemen. Maar dan: de wereld op zijn kop,
nieuwe natuurervaringen. Licht flikkerde, stenen werden gerookt.
Welk doel, ik herinner mij het niet, en waarom geloofden
wij toen alles bereikt hebben? Omdat wij in de
steden altijd door licht gestuurd werden, door
autokoplampen, reclameborden, glitters
reflecterende winkelcentra? Omdat we
dode insecten van de vloer raapten in lichte appartementen,
afscheid namen van vrienden die het hadden over vermoeidheid?
Ze zeiden dat ze op de rand van uitputting balanceerden,
kregen er niet eens applaus voor. Welk doel toch,
vandaag zie ik vreemde mannen door de straten snellen,
weet niet waarheen, en jij bent een van hen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2021 en ook mijn blog van 13 juni 2020 en eveneens mijn blog van 13 juni 2019 en ook mijn blog van 13 juni 2017 en mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Thomas Heerma van Voss, Christoph Meckel

De Nederlandse schrijver Thomas Heerma van Voss werd geboren in Amsterdam op 13 juni 1990. Zie ook alle tags voor Thomas Heerma van Voss op dit blog.

Uit: Omwegen

“Vlak voor mijn vriendin besloot dat ze niet langer mijn vriendin was, ging ik met haar familie een week wandelen in de Ardennen. Van tevoren had ik speciale schoenen gekocht, waterdicht en met dikke zolen. De verkoper zei: ‘Deze kunnen niet stuk. Hier ga je de rest van je leven profijt van hebben.’
Thuis had ik de schoenen alvast ingelopen, dat had mijn vader aangeraden. Zoals hij me ook jaren terug, rond mijn achttiende, adviseerde om met leren schoenen zo snel mogelijk in plassen regen te stappen. ‘Wij hebben enorm brede voeten, dan moet je zulke trucjes toepassen. Om te wennen.’
In aanloop naar mijn wandelvakantie gaf hij me een plattegrond van de Ardennen mee. Ik wist al dat ik hem niet zou bekijken en toch had ik de kaart in mijn rugzak gestoken, die verder gevuld was met een waterfles, antimuggencrème, blarenpleisters, een opschrijfboekje en kleren natuurlijk, vooral T-shirts, omdat ik verwachtte dat ik de komende dagen veel zou zweten.
Zuid-België in de ochtend. Bushaltes waarvan je niet direct kon zien of ze nog in gebruik waren. Kerken met daaromheen een bakkertje en een begraafplaats, losstaande huizen die leken te twijfelen bij welk gehucht ze hoorden. Het weinige leven dat hier was speelde zich af achter rolluiken of in een van de imposante bossen, die met glooiende weilanden en middeleeuwse bruggetjes aan elkaar waren verbonden.
Verkeer was er nauwelijks, we moesten alleen vaart minderen voor groepjes wielrenners. Een paard in sukkeldraf. Twee tractoren. Als we nog even doorreden over deze weg zouden we in Frankrijk belanden, maar in plaats daarvan parkeerde mijn schoonvader zijn minibusje vlak bij Bouillon. Camping Halliru. We gingen er niet slapen, alleen de auto zou hier achterblijven, op dit afgelegen grind en beschut door een rij bomen, het was allemaal van tevoren uitgedacht.
Mijn schoonfamilie hield van deze streek. De ouders hadden er een huisje waar ik inmiddels twee kersten had doorgebracht en alle vijf waren ze gewend aan wandelvakanties. Vorige zomer nog trokken ze met zijn vijven door de Italiaanse bergen, en heel geroutineerd controleerden ze nu hun bagage. Mijn schoonzusje ging na of ze genoeg mueslirepen bij zich had. Mijn vriendin benutte het moment om haar rugzak alsnog, overvallen door een plotse haast die ik niet begreep, opnieuw in te delen. Zoals gebruikelijk trok mijn schoonbroer intussen de meeste aandacht, met zijn fladderige overhemd, zijn sandalen, het ongewassen haar dat tot aan zijn middel kwam, en met de gitaar die hij als voornaamste bagage had meegenomen en waarvan hij nu kort de snaren beroerde.”

 

Thomas Heerma van Voss (Amsterdam, 13 juni 1990)

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Hotel voor slaapwandelaars

Komen slapend overal vandaan,
mijn huis is een altijd donker verblijf
voor dwaallichtjagers, mummies, winterdieren
en voor de slapeloze handelaars die op de glinsterende
boulevard van de Maanlicht Hotels
vermoeidheid uit hun hoorn des overvloeds verkopen.

Over een windstille viaductspoorweg trekken jullie
met vrachters en wagons in een slaapkonvooi
van het licht naar het donker, de tunnels
van de schemering ertussen houden jullie niet lang op.

Uiteindelijk kloppen jullie op mijn deur en smeken
met een stem verstikt door dromen, met zieke vleugels
en gescheurde schoenen om een ontwaken
uit je wereldreis door de verlaten
nachtmerrieachtige nacht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (Berlijn, 12 juni 1935)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2021 en ook mijn blog van 13 juni 2020 en eveneens mijn blog van 13 juni 2019 en ook mijn blog van 13 juni 2017 en mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Christoph Meckel

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

Uit: Eine Tür aus Glas, weit offen

„Die Tür aus Glas ist im Sommer offen, auch nachts und im Regen, und wenn ich in die Gemeinde fahre, um Post zu holen und Brot zu kaufen. In meiner Abwesenheit tritt niemand ein. Es ist nicht dasselbe, wenn ich zu Hause bin.
In der offenen Tür tauchen Leute auf (sie erscheinen im Winter hinter Glas), vertraute und unbekannte, erwünschte und falsche, Gesichter und Mäntel im Gegenlicht, ein Uhrenhändler im Wagen aus Marseille, ein Nachbar, der Honig bringt, um erzählen zu können, ein vom Bergweg abgeirrter Tourist. Ein Lavendelbauer kommt an Erntetagen und bittet um Hilfe. Der Gemeindediener liest die Wasser-uhr und trinkt etwas Wein. Es kommen Zigeuner, die Körbe verkaufen, und es kommen zwei Damen der christlichen Redseligkeit, sie bieten Broschüren und Bibeln an. Eine Viper rutschte, als ich im Zeichnen war, grau und langsam über die Schwelle, krümmte sich an den Wänden entlang und verschwand hinter Büchern. Jahrelang bewegte sich, nachts um elf, eine Kröte hangabwärts durch das Licht. Der Marder (er scheint mein Marder zu sein) trug die Kopf- und die Schwanzhälfte eines zerlegten Gecko nacheinander an der Tür vorbei. Der Kater des Nachbarn erscheint mit einer Maus. Junge Vögel fliegen ins Zimmer, prallen ans Fenster und stürzen ab, verwirrt, betäubt, mit gebrochenen Flügeln.
Elstern schwirren laut vorbei, randalierende Diebe der Vogelwelt, verschlagen und frech wie alte Füchse, und schaffen beiseite, was Licht fängt: Kupferteile, Scherben, Silberpapier. Eine Brille, lang verschwunden, wurde nach Jahren im Bach entdeckt.
Es ist ein Raum, in dem gearbeitet wird. Vor der Tür steht ein alter Tilleul, er trägt zu allem bei, was mir möglich ist. Die Türe öffnet sich in dichtes Laub (im Winter in kahles Geäst), ich atme und schlafe im Baum, in Geräusch und Schatten des Baums, in seinem Duft. Die Wurzeln wachsen unter das Fundament, die Äste berühren das Dach und scheuern im Wind an den Ziegeln. Der Baum muss
gelichtet werden, ich schneide die Äste. Er filtert Hitze, Licht und Wind, lässt den Regen erzählen, wirft bewegliche Schatten auf Gras und Mauern, grünen Schatten auf Tisch und Gläser, Sonnenflecken auf das Papier. Vögel durchfliegen ihn ohne Geräusch, Bienen halten sich auf, im Schatten brummend. Im ausgehöhlten Stamm ein Nest von Hornissen, das ich nachts mit Zement verschloss.
Hinter dem Baum geht das Grasland hangaufwärts nach Süden. Unter Weißdorngestrüpp verfällt eine Mauer, die Lavendelfeld und Wiesen trennte. Wiesen und Feld sind verbraucht, voll Kraut und Dornen, das Gras ist üppig, aber verfilzt und wertlos, saftig im Frühling, im Sommer verdorrt, das Land vor Augen wird an den Hundstagen grau. Grau sind Bergrücken, Gräser und Steine, grün wie grau ist das staubige Laub.“

 

 

Half oktober

Heeft de herfstmaan een slaapmuts op,
vergeet hij afscheid te nemen van de vlier,
de wind trekt gouden handschoenen aan,
om de laatste bladeren van de acacia
in zijn dagboek te leggen;
het eerste sneeuwvlokje aarzelt nog,
het laat zich op mijn schouder vallen.
De regen meent het goed met mij,
Hij wandelt op het dak van de wereld
In onhoorbare pantoffels.
Maar Onze Lieve Heer heeft zevenmijlslaarzen aan
en gaat voorbij aan de jaren waarin ik leef.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e juni ook mijn blog van 12 juni 2020 en eveneens mijn blog van 12 juni 2019 en ook mijn blog van 12 juni 2016 deel 2.

Sophie van der Stap, Christoph Meckel

De Nederlandse schrijfster Sophie van der Stap werd geboren in Amsterdam op 11 juni 1983. Zie ook alle tags voor Sophie van der Stap op dit blog.

Uit: Een blauwe vlinder zegt gedag

“27 maart 2007. Slechts een datum, maar ook zoveel meer dan dat. Die dag reed ik weg van huis. De opeenvolging van pijnlijke herinneringen ging te snel om van me af te schudden. Zelfs niet voor een dag, een minuut, of een moment. Ik reed met een omweg door Duitsland naar Spanje, maar algauw bleek Spanje niet groot en ver genoeg. De kilometers gingen hard, bijna net zo hard als mijn gedachten. Mijn hoofd stond bol van de woorden, de spiegels vol van de vrachtwagens, maar de weg voor mij was leeg. Blank. En vooral: vrij. 240.638, las ik op de display. Slechts de laatste 638 kilometers waren van mij. Ik reed weg van Amsterdam, van alles wat mijn leven beheerste en bepaalde, op weg naar een nieuwe, lege dag, die, in gedachten, alleen ingevuld kon worden in Spanje. Maar helaas kun je eenzaamheid niet vullen, daar ben ik inmiddels wel achter. Het was de eenzaamheid die mij vulde. Het leven bepaalde meer voor mij dan ik voor mijn leven. De rollenwisseling die hieraan vooraf was gegaan heb ik machteloos moeten toestaan, steeds verder weg rakend van mijn eigen speelterrein, de zijlijn op. Misschien dat het wel altijd zo geweest is. Misschien dat het gewoon zo is. Misschien dat mijn geloof in maakbaarheid meer weg heeft van dromen dan van wakker zijn. Dat weet ik niet. Hoe het ook zij, mijn ongeloof in grenzen knaagde als een bezetene aan mijn geloof in mogelijkheden. De acceptatie dat het leven van meer toevalligheden en omstandigheden aan elkaar hangt dan ik me ooit heb voorgenomen te accepteren, kroop grillig als een naaktslak bij me naar binnen. Het was oorlog binnen mijn eigen filosofie en het geschil had ik zelf op te lossen. Enerzijds volgde ik de paden van een droom, anderzijds vertrok ik uit een eerdere droom, die ik los moest zien te vlechten van mijn toekomst. Met het afsterven van Chantal en het inkrimpen van mijn hart, raakte ik meer en meer verstikt in de leegte, die als een koude deken om me heen was geslagen.
De werkelijkheid verschuift en verwachtingen schuiven mee. Ze passen zich stilletjes aan de nieuwe straatstenen aan, die ik twee jaar geleden op een winderige ochtend in januari voor het eerst bewandelde. Vanaf die ochtend was alles anders. Het is moeilijk te bevatten wat er met je gebeurt als op jonge leeftijd de weg vooruit ophoudt te bestaan. Je kunt niet meer dromen en je durft niet meer te dromen zonder de pijn te voelen van de eenzaamheid die niet in te vullen blijkt.”

 

Sophie van der Stap (Amsterdam, 11 juni 1983)

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Vogel

DE VOGEL IS HET TEGENOVERGESTELDE VAN ALLES –
Maar niet het tegenovergestelde van lucht en hemel
zij zijn het paleis en de danszaal van de vogelvolken.

Tot het einde van de nacht een kauw,
die in de laatste sneeuw van de maartochtend roept,
Het zou een ekster kunnen zijn, het zilveren kettinkje van Stella
in de snavel, waar laat je het. Hij is niet
het tegenovergestelde van het licht, de zee, de zomer,
van stormen uit negentig richtingen van het nadir.

Hij is de zwarte wouw en heeft geen vijanden.
Mijn vogel, maar hij kent mij niet.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e juni ook mijn blog van 11 juni 2021 en ook mijn blog van 11 juni 2020 en eveneens mijn blog van 11 juni 2019 en ook mijn blog van 11 juni 2017 deel 2.