Tariq Ali, Doeschka Meijsing, Martin Bril, Mehdi Charef, Martin Roda Becher, Allen Hoey, Nikos Engonopoulos, Patrick Kavanagh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge

 De Pakistaanse auteur, journalist en filmmaker Tariq Ali werd geboren in Lahore op 21 oktober 1943. Tariq Ali studeerde aan de Universiteit van Oxford waar hij betrokken raakte bij de politieke studentenbeweging, vooral de beweging tegen de Vietnamoorlog. Na zijn studies leidde hij de Vietnam Solidarity Campaign. Hij richtte een eigen onafhankelijk televisiemaatschappij op, Bandung, die programma’s maakte voor Channel 4 gedurende de jaren tachtig van de vorige eeuw.

Hij schrijft artikelen en essays voor weekbladen en kranten zoals The Guardian en The London Review of Books. Hij is tevens de uitgeefdirecteur van de Londense filosofische uitgeverij VERSO en zetelt in de raad van het bekende New Left Review, waarvoor hij ook als redacteur werkt. Zijn fictie-werk omvat een reeks historische romans over de islam: Shadows of the Pomegranate Tree (1992), The Book of Saladin (1998), The Stone Woman (2000) en A Sultan in Palermo (2005). Enkele van zijn belangrijkste essays: 1968:Marching in the Streets (1998), een sociale geschiedenis van de sixties. Een verzameling essays, The Clash of Fundamentalisms, verscheen in 2002. In dit boek vergelijkt hij het religieuze moslimfundamentalisme van Al Qaida met het marktfundamentalisme van de Verenigde Staten. Ali behoort tot de belangrijkste internationale publicisten, essayisten en activisten in verband met de problematiek van migratie, islam en culturele integratie.

 

Uit: Shadows of the Pomegranate Tree

 

“The five Christian knights summoned to the apartment of Ximenes de Cisneros did not welcome the midnight call. Their reaction had little to do with the fact that it was the coldest winter in living memory. They were veterans of the Reconquest. Troops under their command had triumphantly marched onto Gharnata seven years before and occupied the city in the name of Ferdinand and Isabella.

 

None of the five men belonged to the region. The oldest amongst them was the natural son of a monk in Toledo. The others were Castilians and desperate to return to their villages. They were all good Catholics, but did not want their loyalty taken for granted, not even by the Queen’s confessor. They knew how he had had himself transferred from Toledo where he was the Archbishop to the conquered city. It was hardly a secret that Cisneros was an instrument of Queen Isabella. He wielded a power that was not exclusively spiritual. The knights were only too well aware how a defiance of his authority would be viewed by the Court.

 

The five men, wrapped in cloaks but still shivering from the cold, were shown into Cisneros’ bed-chamber. The austerity of the living conditions surprised them. Looks were exchanged. For a prince of the Church to inhabit quarter more suited to a fanatical monk was unprecedented. They were not used to a prelate who lived as he preached. Ximenes looked up at them and smiled. The voice which gave them their instructions had no clang of command. The knights were taken aback. The men from Toledo whispered loudly to his companions: ‘Isabella has entrusted the keys of the pigeon-house to a cat.’

 

Cisneors choose to ignore this display of insolence. Instead, he raised his voice slightly.


‘I wish to make it clear that we are not interested in the pursuit of any personal vendettas. I speak to you with the authority of both Church and Crown.’
 

 

Tariq Ali

Tariq Ali (Lahore,  21 oktober 1943)

 

 

De Nederlandse schrijfster Doeschka Meijsing werd geboren in Eindhoven op 21 oktober 1947. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2007.

 

Uit: Robinson

 

“ ‘Bezoek? Wie?’
‘Daniël Bierwolf,’ zei haar moeder en toen Robinson snel uit bed gleed en in haar kleren schoot, besloot ze toch maar op de rand van het bed plaats te nemen.
‘Ik moet zeggen dat je smaak me meevalt, het is een heel aardige jongen en manieren heeft hij ook.’
‘Hm,’ zei Robinson en trok een knoop uit haar haren.
‘Ik heb me wel eens zorgen gemaakt dat je nooit een vriendje mee naar huis nam, Robinson, al zei je vader ook steeds dat dat z’n tijd nodig had. Hij zal ook heel tevreden zijn met deze jongen. Je moet hem de volgende week eens uitnodigen als je vader thuis is.’ Robinson dacht: hij komt er niet meer in, daar beginnen we niet aan.”

(…….)

 

“Toen ze de straat overstaken om aan te bellen, gaf Daniël haar een arm. De etalageruit van de boekwinkel waarboven ze woonde weerspiegelde hen, een aangenaam paar. Alles leek Robinson helder en vrolijk, de lucht tintelde van verwachting. Daniëls lichte stap naast haar getuigde van eenzelfde uitbundigheid. Hij keek haar aan met zijn lichte ogen en knipoogde. Ze knipoogde stralend terug. Misschien was ze wel verliefd.”

 

Meijsing

Doeschka Meijsing (Eindhoven, 21 oktober 1947)

 

 

De Nederlandse columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Na een studie filosofie in Groningen, waar hij schreef voor het GSb-blad Nait Soez’n, ging Bril naar de Nederlandse Filmacademie in Amsterdam. Bril schreef jarenlang columns in onder andere Het Parool. Sinds september 2001 schrijft hij dagelijks in De Volkskrant. Verder publiceert hij in Vrij Nederland het wekelijks feuilleton Evelien, waarvan onder regie van Rita Horst een televisieserie werd gemaakt. In 2006 schreef Martin Bril het Groot Dictee der Nederlandse Taal.

 

Uit: HET EINDE VAN DE ZOMER

 

„Het is bijna herfst. De kastanjebomen kleuren oranje. Het is zondagochtend en stil in de binnentuin. De stilte klinkt anders dan een maand geleden. Het is moeilijk om er de vinger op te leggen. Het is gewoon zo. De herfst brengt een nieuwe stilte met zich mee. Een bedrukte stilte, zou ik willen zeggen. Er zit vocht en kou in de lucht.

De tomatenplant heeft zich vergist. Hij staat in bloei. Een klein geel bloemetje heeft de kop opgestoken. Aan de plant hangen nog drie tomaten. Een is rood en dik, klaar om geplukt te worden. De andere twee zijn groen. Ze groeien nog iedere dag, maar het is duidelijk dat ze niet rood meer zullen worden. Ze vangen te weinig zonlicht. De zon verdomt het om nog hoog in de lucht te klimmen. Hij trekt een slome bocht door het zwerk, en gaat dan onder achter de huizen.

De hortensia heeft het ook gezien – de bloemen die er nog aan hangen hebben een grijzige kleur, paars en blauw schemeren er moeizaam doorheen. Ergens aan de binnentuin draait iemand Let’s Get It On van Marvin Gaye – geen nummer dat ik met de herfst associeer, maar dat geeft niet, een mooi nummer blijft het.

Wat nog meer?

Op het kleine balconnetje van de nieuwe achterbuurvrouw staat een bankstel, overtrokken met plastic. In haar keuken staan verhuisdozen hoog opgetast. Er is kennelijk iets met haar vloer aan de hand; verkeerd gelegd tapijt, bubbels in het zeil, planken die nog een keer in de lak moeten, zoiets. Twee weken geleden nam ze trots haar intrek in het appartement. Haar ouders waren op bezoek om te helpen; moeder sopte de keuken, vader hanteerde de boor om ingelijste posters op te hangen.“

 

Martin_Bril

Martin Bril (Utrecht, 21 oktober 1959)

 

 

De Frans-Algerijnse schrijver en regisseur Mehdi Charef werd geboren op 21 oktober 1952 in Maghnia in Algerije. Toen hij tien jaar was kwam hij in Frankrijk te wonen, waar hij in verschillende steden en ook in de voorsteden van Parijs woonde. Van 1970 tot 1983 werkte hij als scharenslijper in een fabriek. Costa- Gavraz raadde hem aan om zijn roman Le Thé au harem d’Archi Ahmed te verfilmen. In 2005 schreef hij zijn eerste stuk voor het theater met de titel „1962“, dat handelt over het einde van de Algerijnse oorlog.

 

Uit: Entretien avec Mehdi Charef

 

« Pour moi, l’Algérie, c’est l’enfance. Quand j’y retourne, je ne vois pas l’Algérie, je la revois. Ce que je ressens le plus, c’est la Guerre d’Algérie. Je suis né en 1954, juste avant le début des combats. Et j’ai quitté ce pays pour la France en 1962. Je n’ai donc pas eu de chance, car je n’y ai vécu que la guerre. Pour moi, ce pays, c’est la peur. On avait peur tout le temps. Mon père n’était pas là. Il était dans l’immigration. Il revenait tous les deux ans. Avec ma mère et mon frère, nous avions peur en permanence. Des cousins ont été tués par l’armée française. Je suis un enfant qui a grandi dans la guerre. C’est pourquoi j’ai mis un temps fou pour y retourner de moi-même. J’avais alors 38 ans. J’avais l’impression qu’il y avait encore la guerre, que les mêmes craintes resurgiraient. C’était ancré en moi. J’y suis revenu à la fin des années 90, en plein intégrisme, et la peur est revenue très vite. Il y avait des barrages partout. On ne savait jamais s’ils étaient vrai ou faux. Je n’y suis pas retourné depuis. J’avais fait le déplacement parce que je voulais faire un film sur mon enfance, sur un gamin au milieu de la guerre. Je voulais donc voir si l’Algérie de mes souvenirs existait encore, si mon école, le terrain de foot étaient encore là. J’ai alors revu une tante avec qui j’avais grandi et qui venait de se faire répudier par son mari. Une très belle femme. Je me suis mis à regarder les autres femmes et j’ai alors changé de scénario. Cela a donné La Fille de Keltoum. Initialement je voulais faire un film plutôt drôle sur un enfant. Pendant la guerre, vers 1961, je vendais des journaux. J’allais chez les gens, je voyais plein de monde. Je les vendais dans les camps militaires, chez les flics, le coiffeur, aux bourgeois, aux pauvres. J’ai donc beaucoup d’anecdotes. Je ferai ce film. J’en ai toujours envie. Je désire montrer mes amis, des juifs, des arabes, des français. J’étais assez privilégié, car dans mon quartier cohabitaient les trois communautés, d’habitude isolées les unes des autres. On jouait ensemble. Après je les ai vus partir un par un. Je souhaite raconter ça, l’horreur du retour en France. »

 

Charef

Mehdi Charef (Maghnia, 21 oktober 1952)

 

 

De Duitse schrijver en criticus Martin Roda Becher werd geboren in New York op 21 oktober 1944. Hij is een zoon van de schrijver Ulrich Becher en een kleinzoon van de Oostenrijkse schrijver Alexander Roda Roda. Toen hij vier jaar was kwamen zijn ouders naar Europa n Roda Becher groeide op in Wenen, Berlijn en München. In 1955 verstigde de familie zich in Basel.  Van 1965 tot 1968 volgde Becher een opleiding tot acteur en regisseur in Zürich. Daarna werkte hij als regie-assistent en als draaiboekschrijver. Tegenwoordig leeft hij als zelfstandig schrijver in Basel.

 

Werk: o.a: Saison für Helden, 1970, Die rosa Ziege, 1975, Der rauschende Garten, 1983, Spiel mit Scheinen, 2006

 

Uit: Dauergäste (2000)

 

„Meine Mutter war bei ihren Eltern, den Rodas, untergekommen, diein einem Apartmenthaus an Manhattans endlos langer WestendAvenue wohnten. Sie führt auf der Westseite des Central Park, vonder Höhe des Broadway bis nach Harlem; auf der Höhe der 88.Straße, wo das Apartmenthaus lag, war die Gegend nicht mehrbesonders vornehm. Hauptsächlich jüdische Emigranten wohnten indem Haus. Mein Vater Uli lebte in Yorkville, dem deutschen Viertelauf der gegenüberliegenden Seite des Central Park. Er wohnte dort ineiner winzigen Mansarde in Untermiete, während seine Eltern feudalin einem Hotel an der Parc Avenue residierten. Die Geburtsklinikenwaren in diesen Jahren überfüllt, deshalb kam ich in einem Spital inHarlem zur Welt. Hitlerdeutschland lag zwar zur Zeit meiner Geburtschon in den letzten Zügen, das hinderte Uli nicht daran, mir in derStunde der Entbindung vor einem Spiegel mit einem Glas Weinzuzuprosten, auf daß ich ein guter Kämpfer gegen den Faschismuswerde.Mein Großvater Roda hatte weiterreichende Pläne: als gebürtigemAmerikaner stünde meiner künftigen Bewerbung um dieUS-Präsidentschaft nichts im Weg, wie er gelegentlich, halb imScherz, bemerkte. Doch die Vorstellung einer erfolgreichen Laufbahnseines Enkels wird ihn ernsthaft beschäftigt haben. Er war einversierter Stratege. Mit seiner Schwester Mi hatte er ein Autorenduogebildet, unzählige Geschichten, Anekdoten, Novellen kamen ausihrer Werkstatt. Die Geschwister Roda hatten sich den AutorennamenRoda Roda gegeben, und nach der Heirat von Mi, die von ihremMann Schreibverbot erhielt, blieb Alexander Roda bei demAutorendoppelnamen, der seinen Ruhm als scharfzüngigen Satirikerbegründet hatte.Den Grundstein für eine solide amerikanische Karriere legte er,indem er dafür sorgte, daß ich protestantisch getauft wurde. ZurPatenschaft hatte sich George Grosz bereit erklärt, Ulis langjährigerFreund und Saufkumpan, in dessen Berliner Atelier erVorzugsschüler gewesen war und der, bereits in den frühenDreißigern in die USA ausgewandert, zurückgezogen auf Long Islandlebte.“

 

rodabecher

Martin Roda Becher (New York, 21 oktober 1944)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en criticus Allen Hoey werd geboren op 21 oktober 1952 in Kingston, New York. Hij studeerde o.a. aam de Syracuse University in New York Engels en creatief schrijven. In 1985 werd hij docent aan het Ithaca College, in 1990 aan het Bucks County Community College in Pennsylvania, in de buurt van Philadelphia. Daar doceert hij literatuur, schrijven en boeddhisme.

 

 

Four AM

I might’ve listened to music, but then
the sound would’ve woken her, though I
could’ve used the ear buds, but they make me
feel too deeply packed inside my head,
the entire world reduced to whatever
lies within the tunnel of my immediate
focus. I might’ve listened to music, but
then I’d have had to have chosen whether
country or jazz, or maybe Domenico
Zipoli’s “Adagio for oboe, cello, organ,
and stringed orchestra” in which the plaintive
tones of the oboe chase the bowed
dolor of the cello all the way to God
in their amazing bliss. I might’ve listened
to music, but then I would’ve missed
the notes of the day’s first bird sliding
easily through the opened window
moments before the first light made
its display in the east, above the new-leafed
trees, and another, then another join.

allen_hoey

Allen Hoey (Kingston,  21 oktober 1952)

 

 

De Griekse dichter en schilder Nikos Engonopoulos werd geboren op 21 oktober 1907 in Athene. In 1932 begon hij te studeren aan School voor Schone Kunsten in Athene bij Konstantinos Parthenis en in de studio van Photios Kontoglou. In die tijd ontmoette hij kunstenaars als de dichter Andreas Embirikos en de schilders Giorgio de Chirico en Yannis Moralis. Zijn eerste expositie kwam in 1938. Kort daarna publiceerde hij vertalingen van de dichter Tristan Zara, een paar maanden later weer gevolgd door zijn eerste eigen bundel (Engelse titel Do Not Distract the Driver). In 1939 verscheen zijn tweede bundel The Clavicembalos of Silence. Engonopoulos wordt beschouwd als een van de belangrijkste surrealistische dichters van Griekenland.

 

 

THE LIFE AND DEATH OF POETS

 

Sinope

is the name

? the official one ?

of the “Cloud-City”

also called “City of Fires”

which

lies somewhere over

in

South America

this watery

and most likely Hellenistic

city

hangs in the skies

like a baton

and is placed with certainty

by the experts

at times exactly in the middle

of a straight line

drawn between Maracaibo

and Valparaíso

in Chile

and at others

between Maracaibo again

and

Elbassan

there

as the houses are all made of fires

the inhabitants live in the flames

are burned constantly

and reborn constantly

from their ashes

unaltered like

the phoenix

bird

there in this very place

was born ? as is well-known ?

the great Greek poet of

antiquity

Alector

during the course of excavations

there was found among the ruins

a strange poem

? from that time ?

written on ordinary paper

with alternate

iron and bronze joints

and ink from tears

the said poem was as follows:

“follow the firs of Fatius

to see the swimmer?s swirl”

because of the presence of the word

“swimmer”

the poem was attributed

? initially ?

to the great

Isidore Ducasse*

who happened to originate from

those

parts

after ? however ? due consideration

it was attributed finally

? and now

irrevocably ?

to some woman called

Fair Lady

probably better known by

her foreign

name

Bella donna

 

Nikos_Engonopoulos

Nikos Engonopoulos (21 oktober 1907 – 31 oktober 1985)

 

 

De Ierse dichter Patrick Kavanagh werd geboren op 21 oktober 1904 in County Monaghan. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006.

 

Memory of My Father

 

Every old man I see

Reminds me of my father

When he had fallen in love with death

One time when sheaves were gathered.

 

That man I saw in Gardiner Street

Stumble on the kerb was one,

He stared at me half-eyed,

I might have been his son.

 

And I remember the musician

Faltering over his fiddle

In Bayswater, London.

He too set me the riddle.

 

Every old man I see

In October-coloured weather

Seems to say to me

“I was once your father.”

 

 

 

Lines Written on a Seat on the Grand Canal, Dublin

 

‘Erected to the memory of Mrs. Dermot O’Brien’

 

O commemorate me where there is water,

Canal water, preferably, so stilly

Greeny at the heart of summer. Brother

Commemorate me thus beautifully

Where by a lock niagarously roars

The falls for those who sit in the tremendous silence

Of mid-July.  No one will speak in prose

Who finds his way to these Parnassian islands.

A swan goes by head low with many apologies,

Fantastic light looks through the eyes of bridges –

And look! a barge comes bringing from Athy

And other far-flung towns mythologies.

O commemorate me with no hero-courageous

Tomb – just a canal-bank seat for the passer-by.

 

kavanagh

Patrick Kavanagh (21 oktober 1904 – 30 november 1967)

 

 

De Franse dichter en schrijver Alphonse de Lamartine werd geboren op 21 oktober 1790 in Mâcon. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006.

 

 

Chant d’amour (I)

Naples, 1822.

Si tu pouvais jamais égaler, ô ma lyre,
Le doux frémissement des ailes du zéphyre
À travers les rameaux,
Ou l’onde qui murmure en caressant ces rives,
Ou le roucoulement des colombes plaintives,
Jouant aux bords des eaux ;

Si, comme ce roseau qu’un souffle heureux anime,
Tes cordes exhalaient ce langage sublime,
Divin secret des cieux,
Que, dans le pur séjour où l’esprit seul s’envole,
Les anges amoureux se parlent sans parole,
Comme les yeux aux yeux ;

Si de ta douce voix la flexible harmonie,
Caressant doucement une âme épanouie
Au souffle de l’amour,
La berçait mollement sur de vagues images,
Comme le vent du ciel fait flotter les nuages
Dans la pourpre du jour :

Tandis que sur les fleurs mon amante sommeille,
Ma voix murmurerait tout bas à son oreille
Des soupirs, des accords,
Aussi purs que l’extase où son regard me plonge,
Aussi doux que le son que nous apporte un songe
Des ineffables bords !

Ouvre les yeux, dirais-je, ô ma seule lumière !
Laisse-moi, laisse-moi lire dans ta paupière
Ma vie et ton amour !
Ton regard languissant est plus cher à mon âme
Que le premier rayon de la céleste flamme
Aux yeux privés du jour.

lamartine

Alphonse de Lamartine (21 oktober 1790 – 28 februari 1869)

 

 

De Engels dichter en criticus Samuel Taylor Coleridge werd geboren op 21 oktober 1772 in Ottery St. Mary, Devonshire. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006.

 

Youth and Age

Verse, a breeze ‘mid blossoms straying,
Where Hope clung feeding, like a bee –
Both were mine! Life went a-maying
With Nature, Hope, and Poesy,
When I was young!
When I was young? -Ah, woeful When!
Ah! for the change ’twixt Now and Then!
This breathing house not built with hands,
This body that does me grievous wrong,
O’er aery cliffs and glittering sands
How lightly then it flashed along,
Like those trim skiffs, unknown of yore,
On winding lakes and rivers wide,
That ask no aid of sail or oar,
That fear no spite of wind or tide!
Nought cared this body for wind or weather
When Youth and I lived in’t together.

Flowers are lovely; Love is flower-like;
Friendship is a sheltering tree;
O the joys! that came down shower-like,
Of Friendship, Love, and Liberty,
Ere I was old!
Ere I was old? Ah woeful Ere,
Which tells me, Youth’s no longer here!
O Youth! for years so many and sweet
‘Tis known that Thou and I were one,
I’ll think it but a fond conceit –
It cannot be that Thou art gone!
Thy vesper-bell hath not yet tolled –
And thou wert aye a masker bold!
What strange disguise hast now put on,
To make believe that thou art gone?
I see these locks in silvery slips,
This drooping gait, this altered size:
But Springtide blossoms on thy lips,
And tears take sunshine from thine eyes:
Life is but Thought: so think I will
That Youth and I are housemates still.

Dew-drops are the gems of morning,
But the tears of mournful eve!
Where no hope is, life’s a warning
That only serves to make us grieve
When we are old:
That only serves to make us grieve
With oft and tedious taking-leave,
Like some poor nigh-related guest
That may not rudely be dismist;
Yet hath out-stayed his welcome while,
And tells the jest without the smil

Coleridge

Samuel T. Coleridge (21 oktober 1772 – 25 juli 1834)

Hans Warren, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek, Theresia Walser, John von Düffel, O. P. Zier, Robert Pinsky, Lewis Grizzard, Belle van Zuylen

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2006 en ook mijn blog van 20 oktober 2007.

Uit: Geheim Dagboek

“2 okt. 1967  – In januari van dit jaar – ik logeerde een paar dagen bij Frank Allard op het Bezuidenhout in Den Haag – ontmoette ik een jongen uit Tunis, TaÏch GhaÏeb geheten, die helemaal aan mijn ideaal beantwoordde. Hij wilde bij mij blijven, niet meer en niet minder. Ik had onvoldoende vertrouwen in hem, laf liet ik hem schieten. Waarom had ik argwaan? Omdat hij te mooi en al te spontaan was?

Ik zag hem in de bus, het gag me een schok, we keken elkaar aan, glimlachten, wisselden een paar woorden.

“Waar moet U er uit?”, vroeg hij bij de eerstvolgende stopplaats.

“Hier”, zei ik, verschrikt en verward.

“Dan stap ik ook uit”, en daar stonden we, een paar haltes te vroeg.

“Ik heb me vergist, het is nog een heel eind.”Hij lachte:”Het is fijn, even te lopen.”

Ik nam hem nauwkeurig op. Hij was niet alleen buitengewoon knap, zo’n gazelleprofiel, gebogen neus met fijne vleugels, lange smeltende ogen met krulwimpers, zeemkleurige soepele huid, forse gestalte. Maar hij was ook heel goed gekleed, hij had verzorgde handen en hij sprak een genuanceerd Frans. Eeen student kunstgeschiedenis, iemand van een ambassade, schatte ik. Daar was dit merkwaardige gedrag echter niet mee te rijmen, en mijn instinct waarschuwde me. De slechte ervaringen van het verleden, een leven dat ik afgezworen had. De prijs daarvoor betaald. Maar ook: Mabel, de kinderen, ons wankele evenwicht, het bestaan van nu, moest ik dat opgeven? Voor dit avontuur, al was het een godsgeschenk?

“Woont U hier?”, vroeg hij.

“Ik logeer bij een vriend”.

We stonden even stil onder de bommen. Zijn ogen en zijn lippen trokken tot een toneelachtige verleidersglimlach.

Hij tutoyeerde voor het eerst:”Tu sais, je suis très gentil”, en dat had hij niet moeten zeggen want toen trok ik hem naar me toe, kusten we elkaar fel en rook ik die heerlijke lichte Afrikaanse zweetgeur, was verloren. Wat te doen? Hier stond de gestalte van mijn dromen, jarenlang had ik naar hem gehunkerd, mijn leven liep fout en nu hij zich aanbood, nu ik hem voelde en rook en wist dat hij helemaal voor mij kon zijn, moest ik mijn verstand inschakelen, een uitvlucht verzinnen, blijk geven van argwaan.

 Bij Allards huis gekomen had ik iets bedacht: we zouden gedrieën ergens gaan eten, dat bood de gelegenheid tot nadere kennismaking. Frank, ook om te zien een deftig meester in de rechten, maar die wanneer hijzelf hitsig is er geen bezwaar in ziet een urinoir in het nabije bos te bezoeken, was uiteraard verrukt van mijn exotische gezelschap. Wij dronken iets bij hem en gingen toen eten in Tjandi Baru in de Van Swietenstraat. Hadden lange gesprekken, vooral over Perzische literatuur, waarin Taïeb goed thuis was. We citeerden Omar Khayyam, Hafiz, hij kende ook Buf-e Kur van Hedâyat.”

 

Zes elegische gedichten
– 1

Wanneer men twee uur van het hele leven
samen is, en de stem wordt dieper;
alles versnelt, seizoenen vlagen over ons,
voorbije eeuwen leven op in flitsend licht.
Er waren, als altijd, woestijnen
vol goud en woeste donkerte, en dan het gloren
ex oriente lux – er waren verzen,
Perzische strofen, die we zegden, en de verzen
nog ongezongen speelden onderhuids
in de beweging van je levendig gelaat,
over het zachte zeemleer van je leden.

Wie zich hervindt vergaat, en wie vergaat die leeft
tot eeuwigheid. Als ik mij nu laat gaan
is het niet enkel maar om jou, die ik
uit vrees voor groter leed niet eens vaarwel zei;
is het ook om de eeuwen door verspeelde kansen
verklankt in lied, geschilderd op paneel,
gedanst met lichamen, brekend over de grens.
Hoe vaak herkennen wij: hier, hier is het gebeurd.

Er is geen antwoord. Waarom kruiste ik je pad
twee uren, waarom overschatte ik mezelf,
wees ik af wat je gaf: mijn ideaal
gegroeid tot mensenkind, een kruidig lijf,
een hoofd van schaduw en van pracht, en een lief hart
vol vrolijkheid en speelse poëzie.

Waar boet ik voor, nu ik, volkomen leeg
en waardeloos onder de sterren sta
en niets zie en niets weet, en enkel honger,
alleen maar luister of er is een stap,
een groet die iets verraadt van je bestaan
nu ik je gaan liet, naamloos niet, maar toch
voorgoed verloren in het brandende geweld
van wereld en van tijd.

Warren

Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)

 

De Franse dichter Arthur Rimbaud werd geboren op 20 oktober 1854 in Charleville. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2006 en ook mijn blog van 20 oktober 2007.

 

Bonne pensée du matin

 

A quatre heures du matin, l’été,
Le sommeil d’amour dure encore.
Sous les bosquets l’aube évapore
L’odeur du soir fêté.

Mais là-bas dans l’immense chantier
Vers le soleil des Hespérides,
En bras de chemise, les charpentiers
Déjà s’agitent.

Dans leur désert de mousse, tranquilles,
Ils préparent les lambris précieux
Où la richesse de la ville
Rira sous de faux cieux.

Ah ! pour ces Ouvriers charmants
Sujets d’un roi de Babylone,
Vénus ! laisse un peu les Amants,
Dont l’âme est en couronne.

Ô Reine des Bergers !
Porte aux travailleurs l’eau-de-vie,
Pour que leurs forces soient en paix
En attendant le bain dans la mer, à midi.

 

 

Honte

 

Tant que la lame n’aura
Pas coupé cette cervelle,
Ce paquet blanc, vert et gras,
A vapeur jamais nouvelle,

(Ah ! Lui, devrait couper son
Nez, sa lèvre, ses oreilles,
Son ventre ! et faire abandon
De ses jambes ! ô merveille !)

Mais non ; vrai, je crois que tant
Que pour sa tête la lame,
Que les cailloux pour son flanc,
Que pour ses boyaux la flamme,

N’auront pas agi, l’enfant
Gêneur, la si sotte bête,
Ne doit cesser un instant
De ruser et d’être traître,

Comme un chat des Monts-Rocheux,
D’empuantir toutes sphères !
Qu’à sa mort pourtant, ô mon Dieu !
S’élève quelque prière !

 

 

Morts de Quatre-vingt-douze

 

Morts de Quatre-vingt-douze et de Quatre-vingt-treize,
Qui, pâles du baiser fort de la liberté,
Calmes, sous vos sabots, brisiez le joug qui pèse
Sur l’âme et sur le front de toute humanité ;

Hommes extasiés et grands dans la tourmente,
Vous dont les coeurs sautaient d’amour sous les haillons,
Ô Soldats que la Mort a semés, noble Amante,
Pour les régénérer, dans tous les vieux sillons ;

Vous dont le sang lavait toute grandeur salie,
Morts de Valmy, Morts de Fleurus, Morts d’Italie,
Ô million de Christs aux yeux sombres et doux ;

Nous vous laissions dormir avec la République,
Nous, courbés sous les rois comme sous une trique.
– Messieurs de Cassagnac nous reparlent de vous !

 

Rimbaud_Pignon-Ernest

Arthur Rimbaud (20 oktober 1854 – 10 november 1891)
Door Ernest Pigon-Ernest

 

De Vlaamse dichter en schrijver Marnix Gijsen werd geboren op 20 oktober 1899 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2006.

 

Uit: Klaaglied om Agnes

 

Toen ik zestien jaar oud was bedroeg mijn wekelijks zakgeld anderhalve mark. Dit schamel bedrag werd mij door mijn zuinige moeder in bezettingsgeld op zondagmorgen overhandigd. Veelal legde zij het eenvoudig op een hoek der keukenkast, waar ik verondersteld was het te vinden. Zodat geen enkel woord gewisseld behoefde te worden over een handeling welke haar mishaagde. Zij gaf mij deze kleine toelage enkel omdat andere ouders van onze kleinburgerlijke stand dat gewoon waren te doen en omdat een algeheel gebrek aan geldmiddelen mij wellicht in verlegenheid kon brengen ten koste van het prestige van ons gezin. Zo begreep ik het toen althans. Maar misschien was het eenvoudig een oefening in zuinigheid, die zij mij oplegde voor mijn eigen welzijn. Was dat inderdaad haar bedoeling, dan heeft haar pedagogie jammerlijk gefaald, want zodra ik later enig geld in handen heb gekregen, heb ik het roekeloos door deuren en vensters gesmeten.

 

Pedagogie is ook niet alles.

Zoals de meeste middenstanders van haar tijd geloofde mijn moeder in het sparen en in de soliditeit van staatsfondsen. Dat geld door toedoen van de staat aan koopkracht kon inboeten, was haar onbekend. IJverig droeg zij haar spaarpenningen naar de staatskas en met verbazing vernam zij jaren nadien, dat zij haar spaargeld evengoed in het water had kunnen werpen of, zoals zij zelf, in een zeldzame bevlieging van scepticisme, zei: ‘In een offerblok der parochiekerk had kunnen steken, want dan kon het nog iets opbrengen, hier of hiernamaals’. Terwijl de kleine luiden in de Middeleeuwen ten minste nog de troost hadden de muntschrooiende vorsten in de ban te horen slaan, konden de lotgenoten van mijn moeder in hun kranten lezen dat de Minister van Geldwezen het land van de ondergang had gered door de frank op de helling vast te spijkeren. Dat er van de vastgespijkerde frank slechts eentiende overbleef, werd niet verklaard. Moeder, die een drietal keren een dergelijk
avontuur meemaakte, heeft later dikwijls betoogd dat zij in feite twintig jaar van haar leven vergeefs had gespaard. Tijdens de bezetting had zij reeds de wisselvalligheid van de koopkracht van het geld vastgesteld en wanneer de uitbetaling van die armzalige anderhalve mark haar bijzonder zwaar viel, gaf zij mij een korte, bittere verklaring van haar bevindingen op financieel gebied. Voor haar redeneringen was ik weinig vatbaar, want mij scheen het toe dat geld gemaakt was om uitgegeven te worden.“

 

gijssen

Marnix Gijsen (20 oktober 1899 – 29 september 1984)
Gijsen in 1927

 

De Duits-Roemeense schrijver Oskar Pastior werd in 1927 in Hermannstadt (Transsylvanië, Roemenië) geboren. Zie ook mijn blog van 5 oktober 2006 en ook mijn blog van 20 oktober 2006.

 

Uit: “…sage, du habest es rauschen gehört”

 

Der Biserbricht Der Biserbricht war ein Brunnen. Den schönen Namen Biserbricht hatte er, aber wo war er zu suchen? Oder gar zu finden? So richtig durstig war niemand, neugierig aber waren alle.

Wie schmeckt denn das Biserbrichtwasser? Ja, also, wo liegt dieser Brunnen? Haha, wie kann man so fragen! Ein Brunnen liegt doch nicht, sonst schläft er ein und schnarcht. Natürlich, unser

Pumpbrunnen schnarcht und quietscht – und trotzdem liegt er nicht.

Verwirrung, Verwirrung! Ist Biserbricht ein Pumpbrunnen mit rostigem Schwengel? Ist er ein Ziehbrunnen? Hat er ein Rad und eine Kette? Sitzt er unter einem Holzhäuschen – also kann er auch sitzen? – oder ist er ganz einfach aus Betonröhren? Oder gar gemauert, aus grünen Steinen? O, Biserbricht, jetzt müssen wir dich finden! Zuerst schicken wir die blinde Henne. Auch die findet manchmal ein Korn.

Biserbricht ist aber kein Korn, und wir sind die Blamierten. Schicken wir also die Blamierten auf die Suche. Na ja, aber wo ist die Suche? Das wissen auch die Blamierten nicht. Schicken wir also die

Turmuhr, die geht genau, und wer so genau geht, muß auch Biserbricht finden. Die Turmuhr geht aber nicht genau, so sagt der Autobus. Die Turmuhr geht in Wirklichkeit nach, nie wird sie Biserbricht finden. Warum nur soll Biserbricht eigentlich gefunden werden? Verschnaufen wir und denken wir ein wenig nach. Die Uhr geht nach, wir denken nach, wir knacken eine Nuß und sehen nach: Da liegt der Hund begraben! Wieso, welcher Hund? Und dazu in einer Nuß! Wir denken wieder nach und sehn genauer nach, ach so, das ist des Pudels Kern: ein Nußkern. Ein Nußkern also im Pudel, und ein Pudel begraben in einer Nuß – wir haben die Lösung, wir haben das Nachsehn. Was fängt man nun damit an? Man fängt es an den Ohren, hast du nicht gesehn. Nein, ich habe nicht gesehn. Genug der Scherze, genug der Spitzfindigkeiten. Wo ist, liegt, steht oder schläft Biserbricht? Versuchen wir es also mit der Spitzfindigkeit. Die soll ihn finden. Sie hüpft herum, im Kreis, im Haus, im ganzen Brockhaus. Unter der Pappel findet sie eine spitze Nadel und ruft, sie hat ihn. Sie hat ihn natürlich nicht, was kann man von einer Spitzfindigkeit verlangen. Nun schicken wir den hoch- und weitberühmten Wersuchet, man sagt, der findet. Zehntausend Brunnen, Ziehbrunnen und Drehbrunnen, Pumpbrunnen und Schnarchbrunnen hat Wersuchet gefunden. Biserbricht nicht.”

 

Pastior

Oskar Pastior (20 oktober 1927 – 4 oktober 2006)

 

 

De een Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jelinek werd geboren op 20 oktober 1946 in Mürzzuschlag, een kleine stad in de deelstaat Stiermarken. Jelinek schrijft voornamelijk romans en toneelstukken. Zij wordt gerekend tot de belangrijkste moderne Oostenrijkse schrijvers. Haar meer bekende werken zijn de romans Die Liebhaberinnen (1975), Die Klavierspielerin (1983), Lust (1989). Zij ontving verschillende literaire prijzen, zoals de Georg-Büchner-Preis in 1998. In 2004 werd haar de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend,

 

Uit: In den Alpen

 

„Helfer: Bitte, bewahren Sie Ruhe.

Kind: Was bleibt mir übrig, da die Ruhe ja nicht mich bewahrt hat. Der Fahrer hat die Antwort erhalten, daß alles getan werde, aber das war nur ein letzter Versuch mit der armen kleinen Ruhe, mit dem Erfolg, daß wir derzeit noch immer bewahren, was uns ohnedies keiner nehmen will. Aber wer will schon Ruhe in Kitz, am Hahnenkamm, oder am Kitz droben? Na ja. Passen wir halt weiter auf. Doch es kommt nichts mehr. Wir passen auf, doch es geschieht nichts. Mir kommt es ja jetzt schon wie eine Ewigkeit vor, daß zuletzt etwas passiert ist. Ruhe im Grab. Haar, das auf Abgründen wächst. Abbildungen von Männern, die grölen, Figur A. Ich komme mir ja schon selbst vor wie eine mit Abziehbildern vollgepickte Seele. Sie schaut aus wie einer von diesen hohen Filzhüten, die die Besoffenen immer tragen, damit man sie von anderen Besoffenen unterscheiden kann. Kurz nach dem Ereignis hatte der Ewige sich auch schon mit einem schönen Abzeichen an mir verewigt, das Abzeichen ist nur eins von vielen, ich habe auch schönere, eins sogar aus Neuseeland, das hab ich eingetauscht. Bald werden sie mit mir Werbung betreiben, die Pensions- und Hotelbesitzer hier. Zahlen Sie gleich, sterben Sie später, aber dafür in neuer Strecken-Rekordzeit! Ja, die Chance zu sterben hat jeder! Vielleicht sind das nächste Mal Sie dabei! Diesmal sind aber schon wir die Strecke. Hier liegen Sie richtig. Wir liegen gut im Rennen. Wir geben Ihnen 155 Opfer auf einmal! Bei dem, was Sie gezahlt haben, hätten Sie eh nicht über 200 Stück erwarten können. Ich glaube jedoch, das, was wir wissen, ist nur die Spitze des Eisbergs. Das meiste wurde verschwiegen. Neulich ist einer hier spazierengegangen, der hat den Totenschädel eines seit Jahrzehnten vermißten Wanderers auf einen Wegweiser gespießt gefunden. Etliche hat damals auch die Betonspinne erwischt, droben, auf der Dammkrone. Wutsch, weg waren sie, im Guß des Damms verschwunden, gleich eingemauert, das Einmauern haben wir damals ja noch gekonnt, egal, was die Heimat von uns dachte. Egal, was die Heimat andrer von uns dachte. Die Spinne ist halt ausgerutscht an ihrem Laufdraht. Opa hat es mir oft vor dem Einschlafen erzählt. Damit ich nicht vorzeitig vor Schreck wieder aufwache.“

 

elfriede_jelinek

Elfriede Jelinek (Mürzzuschlag, 20 oktober 1946)

 

 

De Duitse schrijfster Theresia Walser werd geboren op 20 oktober 1967 in Friedrichshafen. Zij is een dochter van de schrijver Martin Walser. Na een jaar in de bejaardenzorg gewerkt te hebben bezocht zij van 1990 tot 1994 de Hochschule für Musik und Theater Bern, waar zij een acteursopleiding voltooide. Twee jaar lang speelde zij bij het Junge Theater in Göttingen. Tegenwoordig leeft zij als schrijfster in Berlijn, Mannheim en Freiburg im Breisgau.  Zij schrijft voornamelijk voor het toneel. In 1998 ontving zij de Förderpreis des Schiller-Gedächtnispreises des Landes Baden-Württemberg.

 

 

Uit: KING KONGS TÖCHTER

 

Szene 1

Balkon, King Kongs Töchter, Berta und Carla, ______ dazu Meggie. Berta und

Carla haben sich mit Partyplunder drapiert, essen aus einem Glas Oliven oder

etwas Ähnliches, eine Flasche zu trinken haben sie auch…

BERTA Das musst du schon zugeben, was Carla?

CARLA Unglaublich.

BERTA War nicht leicht.

CARLA Das ist jetzt schon das siebte Nachttischchen!

BERTA Das richtige zu finden.

CARLA In einer Straße sieben Nachttischchen.

BERTA Was meinst du erst, wieviel Sofas da rumstehen.

CARLA Frag nicht nach Sonnenschein.

BERTA Alle zwei Meter ein Sofa.

CARLA Und genau sieben Nachttischchen.

BERTA Da habe ich erstmal suchen müssen, Zufall gib dir Mühe, dachte ich,

wollte ja was Besonderes, für sowas will man ja nicht grade die letzte

Fettpolsterschlampe, da braucht es schon ein ganz besonderes Sofa.

CARLA Unglaublich.

BERTA Und dann, bitteschön…..das musst du schon zugeben, Carla.

CARLA Hat was Liebloses.

Berta Was?

CARLA Soviel weggeworfene Nachttischchen auf einem Haufen.

BERTA Kannst du mal aufhören mit diesem Nachttischchenmitleid.

CARLA So ein Nachttischchen ist aber eine herzige Angelegenheit.

BERTA Ich weiß nicht, aus welchem Bilderbuch du kommst, Carla, was meinst

du, was sich in einem Nachttischchen mit den Jahren alles für böse

Gedanken ansammeln.

CARLA Frag nicht nach Sonnenschein.

BERTA Nach 10…20ig Jahren ist das der reinste Waffenschrank.

CARLA Stell dir mal vor, auf all diesen Möbeln da unten säßen noch die

Zugehörigen.

BERTA Das wäre der wahre Sperrmüll, man bräuchte kein Altersheim mehr.

CARLA Wer hat die lauteste Krankheit!

 

Theresa_Walser

Theresia Walser (Friedrichshafen, 20 oktober 1967)

 

De Duitse schrijver John von Düffel werd geboren op 20 oktober 1966 in Göttingen. Hij woont en werkt in Bremen. In zijn jeugdjaren verbleef hij langere tijd in Derry, Noord Ierland en in de VS. Hij volgde het gymnasium in Oldenburg en studeerde vervolgens filosofie, germanistiek en economie in Strirling in Schotland en in Freiburg im Breisgau. Vervolgens werkte hij als filmjournalist en als theatercriticus. Hij was verbonden aan diverse theaters in Duitsland. Zo was hij verantwoordelijk v
oor de toneeluitvoering van de roman Buddenbrooks van Thomas Mann bij het Thalia theater in Hamburg in 2005. In 2004 draaide hij samen met Jörg Adolph de documentaire film Houwelandt – Ein Roman entsteht, die in 2005 werd uitgezonden op 3Sat.

 

Uit: Houwelandt

 

„Die Insel vor ihm hatte die Farbe des Sandsteins, den man hier brach. Das Land in seinem Rücken entließ seine Hügel ins Licht. Es war eine buckelnde Herde, die vor der aufsteigenden Sonne davonkroch, spärliche Haine, gewundene Terrassen, Gärten aus Geröll. Auf den Spuren der Dämmerung wanderten Schatten wie dunkle Wolken über das Land. Doch der Morgen im Sommer war kurz, und sobald die Sonne steil stand, würde sich nichts mehr rühren. Jorge de Houwelandt watete bis zu den Hüften in den Uferwellen und rieb sich eine Handvoll Wasser ins Gesicht. Das Meer schmeckte nach Schlaf. Ohne die Augen zu öffnen, legte er das Kinn auf die Brust, streckte die Arme aus und tauchte ein. Mit angehaltenem Atem schwamm er ein paar Züge unter Wasser, in seinen Ohren das Rollen der Kiesel und Steine in der sanften Dünung. Er wußte, daß Esther ihm vom Strand aus zusah, daß sie die schiefergraue Oberfläche nach seinem Kopf absuchte und darauf wartete, ihn zwischen den Wellen wiederauftauchen zu sehen, die sich zu dieser frühen Stunde noch nicht brachen, sondern an Land huschten wie Tiere unter einem Tuch. Er brauchte nicht zu atmen. Er verspürte keinen Drang nach Luft. Was er brauchte, war das Meer. Er konnte die Feier noch immer absagen. Er war das Familienoberhaupt. Wenn er nicht wollte, würde sein Geburtstag nicht stattfinden, alle würden bleiben, wo sie waren. Er, Jorge, brauchte kein Fest. Die kleine Bucht warf einen Schattensaum über das allmählich erwachende Meer. Nur auf der Insel lag schon Licht. Es fing sich in den Klippen und verlieh dem Sandstein für Augenblicke die Farbe von gebrannten Ziegeln. Jorge glitt schwerelos durch die anschmiegsame, zudringliche Frische der flüssigen Welt und betrachtete die rundgewaschenen Steine und Muscheln unter sich. Ein, zwei Züge noch, dann erreichte er die Felder von Seegras und totem Tang. Danach kam nur noch Tiefe und sich selbst überschattendes Blau. Jorge dachte nicht daran aufzutauchen. Er wußte, daß Esther ihn beobachtete. Für einen Moment war es, als könnte er hören, wie sie von einem Fuß auf den anderen trat und der Steinstrand unter ihren Sandalen knirschte. Er sah ihr zum Meer gewandtes Gesicht und die Strähnen ihres noch immer dichten Haars im auflandigen Wind. Sie würde nicht nach ihm rufen, obwohl ihr sein Name auf den Lippen lag, Esther würde die Luft anhalten, als wären ihre und seine Lungen eins. Doch er vermißte nichts.“

 

dueffel

John von Düffel (Göttingen, 20 oktober 1966)

 

 

De Oostenrijkse schrijver O. P. Zier werd geboren in Schwarzach im Pongau op 20 oktober 1954 en groeide op in Lend. Hij schreef veel voor de radio en televisie, publiceerde in kranten en tijdschriften. Lend, de plaats uit zijn jeugd is telkens weer het decor in zijn verhalen en romans, zoals in Sturmfrei en Himmelfahrt.

 

Uit: Sturmfrei

 

„Der ansonsten passionierte Gleitzeitjäger und -sammler Werner Turger kam erst kurz nach halb neun zerknittert ins Einkaufsbüro der MAG. Für Hans Helger, der gerade eine bis an die Grenze der Erträglichkeit langweilige Materialanforderung aus dem Technischen Zeichenbüro bearbeitete, war natürlich sofort alles klar.
Er konnte sich getrost in seinen Sessel zurücklehnen und alles, was Turger jetzt zu dem Zweck unternehmen würde, sich um Himmels willen nur ja nichts anmerken zu lassen, als Beweis dafür betrachten, daß ihn sein erster Eindruck nicht getäuscht hatte Turger stand mit dem Rücken gegen seinen Schreibtisch gewandt und sah aus dem Fenster. Zumindest tat er so, als sähe er hinaus. (…)
Turger hatte bis jetzt – wegen Bergers Weigerung – für sich, seine Lebensgefährtin und ihren gemeinsamen Sohn keine der zahlreichen leerstehenden Betriebswohungen zugeteilt erhalten. Dier Berger gedachte von seinem Standpunkt nicht abzugehen, daß Turger, Kind hin, Kind her, so lange ledig sei, als er keinen Trauschein vorweisen könne. Aus moralischen Gründen sei es vollkommen undenkbar, an Ledige Dienstwohnungen zu vergeben. Nicht einmal den leerstehenden, an die beiden Turger-Zimmer angrenzenden Raum wollte der geradezu besessene Menger Kirchenchorsänger Berger Turger zugestehen, obwohl eine endgültige Entscheidung bezüglich dieses Kompromißvorschlags noch ausstand. Noch dazu, wo die nie verheiratet gewesene und immer allein lebende Direktionssekretärin Dr. Mayr sehr wohl schon jahrelang in einer – sogar einhundertzwanzig Quadratmeter großen! – Werkswohnung lebte.“

 

Zier

O. P. Zier (Schwarzach im Pongau, 20 oktober 1954)

 

De Amerikaanse dichter, vertaler en essayist Robert Pinsky werd geboren op 20 oktober 1940 in Long Branch, New Jersey. Hij publiceerde 19 bundels, meestal verzamelingen van zijn eigen gedichten. Daarnaast is hij een gewaardeerd vertaler van o.a. Czeslaw Milosz en Dante Alighieri. Hij doceert aan de universiteit van Boston.

 

 

First Things to Hand    

 

In the skull kept on the desk.

In the spider-pod in the dust.

 

Or nowhere. In milkmaids, in loaves,

Or nowhere. And if Socrates leaves

 

His house in the morning,

When he returns in the evening

 

He will find Socrates waiting

On the doorstep. Buddha the stick

 

You use to clear the path,

And Buddha the dog-doo you flick

 

Away with it, nowhere or in each

Several thing you touch:

 

The dollar bill, the button

That works the television.

 

Even in the joke, the three

Words American men say

 

After making love. Where’s

The remote? In the tears

 

In things, proximate, intimate.

In the wired stem with root

 

And leaf nowhere of this lamp:

Brass base, aura of illumination,

 

Enlightenment, shade of grief.

Odor of the lamp, brazen.

 

The mind waiting in the mind

As in the first thing to hand.

 

 

 

To Television

  

Not a “window on the world”

But as we call you,

A box a tube

 

Terrarium of dreams and wonders.

Coffer of shades, ordained

Cotillion of phosphors

Or liquid crystal

 

Homey miracle, tub

Of acquiescence, vein of defiance.

Your patron in the pantheon would be Hermes

 

Raster dance,

Quick one, little thief, escort

Of the dying and comfort of the sick,

 

In a blue glow my father and little sister sat

Snuggled in one chair watching you

Their wife and mother was sick in the head

I scorned you and them as I scorned so much

 

Now I like you best in a hotel room,

Maybe minutes

Before I have to face an audience: behind

The doors of the armoire, box

Within a box–Tom & Jerry, or also brilliant

And reassuring, Oprah Winfrey.

 

Thank you, for I watched, I watched

Sid Caesar speaking French and Japanese not

Through knowledge but imagination,

His quickness, and Thank You, I watched live

Jackie Robinson stealing

 

Home, the image–O strung shell–enduring

Fleeter than light like these words we

Remember in, they too winged

At the helmet and ankles.

 

pinsky

Robert Pinsky (Long Branch, 20 oktober 1940)

 

De Amerikaanse (humoristische) schrijver en columnist Lewis McDonald Grizzard Jr. werd geboren op 20 oktober 1946 in Columbus, Georgia. Hij was ook een populaire stand-up comedian. Hij publiceerde 25 boeken, waaronder verzamelingen van zijn columns als Chili Dawgs Always Bark at Night en het autobiografische If I Ever Get Back to Georgia, I’m Gonna Nail My Feet to the Ground.

 

Uit: Abstinence The Key To Safe Computing

“People look at me like I’m crazy when they say, “I suppose you work on a laptop computer,” and I reply, “These fingertips have never, and will never, touch one key on any sort of computer.” 

“You don’t mean to say you write it out longhand, do you?” 

Is there a next question? 

I reply to that this way: “Listen, you imbecile, there is only one way anybody should compose and that is upon a manual typewriter.” 

I then tell them that statement is in the Bible somewhere and they ask me, “Oh, yeah?” 

And I reply, “Verily.” 

Then they ask, “Where in the Bible?” 

And I say, “The book of Royal,” and they say there is no book of Royal in the Bible, and by that time I’m halfway down the street and the conversation is over. 

I abhor computers. And I don’t know how they work, and I don’t intend to find out. I believe computers are responsible for a great number of ills in this society. 

For one thing, when people screw up today, all they have to do is blame it on the computer. If you screwed up before computers, you had to be clever and imaginative in coming up with a means of covering your tail. 

You had to say, “The dog did it,” or “You might not believe this, sir, but I was just sitting here at my desk when a large goat walked in and ate the report you wanted right off my desk.” 

Ronald Reagan, who was our president, never blamed anything on a computer. When he screwed up, he actually told the truth and said, “I forgot.” 

Besides all that, since I don’t know how computers work and refuse to find out, it could mean computers are magic. That could also mean they are the work of evil spirits, the kind that made Jimmy Swaggart go out and look for hookers. 

You get evil spirits involved in anything and pretty soon the economy fails, crime rates go up, politicians begin writing bad checks, and all presidential candidates go around blithering like idiots.“ 

 

grizzard

Lewis Grizzard  (20 oktober 1946 – 20 maart 1994)

 

De Nederlandse schrijfster Belle van Zuylen werd op 20 oktober 1740 geboren in slot Zuylen, gemeente Maarssen bij Utrecht. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2006.

Uit: Rebels en beminnelijk

 

„Aan Benjamin Constant, 29 mei 1790

 

Hoe kan iemand zijn kennissenkring en zijn relaties wensen uit te breiden. Je ziet alleen maar laagheid! Mijn lust om mijn kring te verkleinen, mij op te sluiten en, als ik niet in het gezelschap kan zijn van iemand op wie ik gesteld ben, alleen maar wat groen en een beetje hemel te zien, groeit met de dag. De berichten uit Frankrijk beginnen mij veel meer te vervelen dan dat ze mij nog interesseren. Societynieuwtjes amuseren mij evenmin. Ik zie graag de grote Chaillet aankomen, die planten van zijn wandelingen meebrengt, Jaman over zijn kop strijkt, een spelletje komeet met mij speelt, dat ik hem geleerd heb en zich gek lacht als hij ten slotte de komeet heeft en die voor een negen op tafel legt. Geen venijnigheid, geen eerzucht, geen pogingen om geestig te zijn. De volgende dag gaat hij weer terug naar zijn moeder en naar zijn herbarium. Ik vind het heel naar dat hij over acht dagen weer naar zijn garnizoen moet. […]

Ik verwacht Zingarelli en ik hoop dat de muziek bij mij de plaats zal innemen van alles wat ik mis. Ik heb een uitstekende Engelse piano die ik in de winter-eetkamer heb gezet. Mijn oude staat nog steeds in mijn zijkamer. We zullen muziek componeren op Olympiade. Dat is ook het gedicht dat Pergolesi had gekozen. Zijn opera sloeg niet aan door de jaloezie van zijn rivalen die woedend waren over zijn beroemdheid; de onze zal wel niet aanslaan bij gebrek aan beroemdheid. Tegenovergestelde oorzaken kunnen hetzelfde gevolg hebben.

Als je op een dag de nieuwe editie van de Confessions in handen krijgt, moet je weten dat het voorwoord van de uitgever van mij is. De brief aan de heer DuPeyrou is ook van mij (maar het idee van die brief is niet van mij afkomstig, maar van Louis Fauche-Borel) verder zul je hier en daar nog wel een paar woorden, een paar zinnen herkennen, maar bewaar die herkenning voor jezelf, en laat er geen woord over los.“

 

belle

Belle van Zuylen (20 oktober 1740 – 27 december 1805)

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2008 voor Anselm Kiefer

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2008 voor Anselm Kiefer

Aan de Duitse schilder en beeldhouwer Anselm Kiefer werd gisteren in de Frankfurter Paulskerk de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels uitgereikt. Anselm Kiefer werd geboren in Donaueschingen op 8 maart 1945. In zijn werk gebruikt hij naast verf ook materialen als stro, zand, glas, as, beton, roestig ijzer, klei, haar en lood. Het werk zit vol verwijzingen naar historische gebeurtenissen en figuren, filosofie, en wetenschappelijke theorieën. Oorlog, vernietiging, verval en destructie zijn belangrijke thema’s. Kiefer groeide vanaf 1951 op in Ottersdorf en hij ging naar school in Rastatt. Hij studeerde rechten, literatuur en Romaanse taalwetenschappen aan de Universiteit van Freiburg. Vanaf 1966 studeerde hij aan kunstacademies in Freiburg, Karlsruhe en Düsseldorf, en in 1969 werd hij in de kunstwereld bekend door de fotoreeks “Besetzungen”, een serie zelfportretten, gemaakt op beladen locaties in Frankrijk, Zwitserland en Italië, waarop hij de Hitlergroet bracht. Dit als commentaar op de situatie in het naoorlogse Duitsland, waar over het fascisme voornamelijk werd gezwegen. Ook op zijn schilderijen toonde hij betrokkenheid bij de Duitse problematiek, door bijvoorbeeld de verschrikkingen van WO II tot onderwerp te nemen. Tussen 1970 en 1972 studeerde Kiefer bij Joseph Beuys aan de kunstacademie in Düsseldorf. In 1976 verbleef hij in de Villa Massimo in Rome. Vanaf 1993 woont en werkt hij in het Franse Barjac waar hij een verlaten industrieterrein heeft omgetoverd tot een 35 hectare groot atelier dat hij La Ribaute heeft gedoopt. In 2008 verhuisde hij naar Croissy-Beaubourg bij Parijs.

 
Anselm Kiefer, Die Buchstaben, 2012

 

Uit: Die Buchstaben

„In der jüdischen Vorstellung sind die Buchstaben des Alphabets heilig. Wie auch immer man sie anordnet, sie ergeben einen Sinn, selbst wenn sie zufällig zusammengestellt werden.
Man kann sie auf den Boden fallen lassen und die so erreichte, uns absurd erscheinende Konstellation wird später einmal ihren Sinn offenbaren. Vielleicht wird es unendlich lange dauern, bis einmal Menschen geboren werden, die fähig sind, diesen zu erschließen – so wie auch die Zahl der möglichen Kombinationen der Buchstaben eine Unendliche ist.
Es ist ein Zwang zum Sinn, der mich an eine Gedichtzeile von Paul Celan denken lässt: »Wir wollten zu dir hin dunkeln, aber es herrschte Lichtzwang.«
Das erinnert in ganz anderer, umgekehrter Weise an die Verzweiflung der Mathematiker, die die Zahl Pi (mit der man die Fläche eines Kreises errechnen kann) darstellen wollten. Diese ist, wie viele Stellen hinter dem Komma man auch errechnet, nie eine Genaue; sie ist eine bis ins Unendliche Ausdehnbare und wird nie genau sein. Es gibt Mathematiker, die darüber den Verstand verloren und Selbstmord begangen haben.
In einem alten Buch heißt es, dass ein Buchstabe aus dem Alphabet verloren gegangen sei und wenn er wiedergefunden würde, würde sich alles Leid in Freude, alles Böse in Gutes verwandeln. Wir, die Künstler, suchen diesen Buchstaben, ohne ihn je finden zu können, denn es heißt auch: »Wer findet, hat nicht gesucht.« Bei jedem Bild, das ich anfange, das ich weitertreibe, gibt es so viele Bilder, die auf dem Weg zum fertigen Werk – aber wann ist es je fertig? – verlorengehen. Es ist dieselbe Verzweiflung wie die des Mathematikers bei der genauen Erstellung der Zahl Pi oder wie die eines Künstlers, der nie sein Bild vollenden kann, der nie den verlorenen Buchstaben findet.
Bei den alten Setzmaschinen gibt es einen Container mit flüssigem Blei, dem Material, aus dem die Buchstaben geformt werden, die zuvor der Setzer in die Tastatur getippt hat. Es sind die drei Schritte der Alchemie: Dissolutio, Pureficatio, Coagulatio. Auf den Seiten der Bücher konnte man dann mit dem Finger die Buchstaben erfühlen. Diese sensuelle, diese erotische Erfahrung ist heute verlorengegangen. Es ist nur noch der Sehsinn geblieben, die Augen, die – im Unterschied zum Ohr – eine aggressive Komponente enthalten.
Auf dem Boden der Ausstellungshalle sind die Buchstaben verstreut, und man kann sehen, wenn man sich darauf einlässt, dass einer fehlt. So wie immerzu etwas fehlt, wie nur der, der den Mangel spürt, schaffen kann.“

 
Anselm Kiefer (Donaueschingen, 8 maart 1945)

Leigh Hunt, Adam Lindsay Gordon, Miguel Ángel Asturias, Nardo Aluman, Philip Pullman, Andrew Vachss, Fannie Hurst, John le Carré

De Engelse dichter, schrijver en essayist James Leigh Hunt werd geboren op 19 oktober 1784 in Southgate, Middlesex. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2006 en ook mijn blog van 19 oktober 2007.

 

 

Robin Hood, An Outlaw

 

Robin Hood is an outlaw bold
Under the greenwood tree;
Bird, nor stag, nor morning air
Is more at large than he.

They sent against him twenty men,
Who joined him laughing-eyed;
They sent against him thirty more,
And they remained beside.

All the stoutest of the train,
That grew in Gamelyn wood,
Whether they came with these or not,
Are now with Robin Hood.

And not a soul in Locksley town
Would speak him an ill word;
The friars raged; but no man’s tongue,
Nor even feature stirred;

Except among a very few
Who dined in the Abbey halls;
And then with a sigh bold Robin knew
His true friends from his false.

There was Roger the monk, that used to make
All monkery his glee;
And Midge, on whom Robin had never turned
His face but tenderly;

With one or two, they say, besides,
Lord! that in this life’s dream
Men should abandon one true thing,
That would abide with them.

We cannot bid our strength remain,
Our cheeks continue round;
We cannot say to an aged back,
Stoop not towards the ground;

We cannot bid our dim eyes see
Things as bright as ever;
Nor tell our friends, though friends from youth,
That they’ll forsake us never:

But we can say, I never will,
Friendship, fall off from thee;
And, oh sound truth and old regard,
Nothing shall part us three.

 

Hunt

Leigh Hunt (19 oktober 178428 augustus 1859)

 

 

De Australische dichter Adam Lindsay Gordon werd geboren op 19 oktober 1833 op de Azoren. Hij stamde uit een oude Schotse familie. Zijn vader was kapitein in het lerger. Nog tijdens zijn kinderjaren trok de familie naar Madeira en in 1840 naar het Engelse Cheltenham, waar Gordons vader leraar oriëntaalse talen werd. Gordon bezocht de school vanaf 1841, maar werd er wegens slecht gedrag vanaf gestuurd. Zijn vader stuurde hem toen hij zijn leven niet beterde naar Australië. In 1864 erfde hij na de dood van zijn vader 7000 pond. Hij kocht enkele renpaarden en werd de beste hindernisspringer van Australië. In 1865 werd hij ook lid van het parlement van Zuid Australië in Victoria, maar verliet het ambt al weer een jaar later. In 1867 trok hij naar Mount Gambier om zich te wijden aan het schrijven en het trainen van paarden. Gokken, alcoholisme en proceskosten in rechtszaken over het familiebezit in Schotland leverden hem talrijke schulden op. In 1870 verloor hij dat proces ook nog. Een dag na het verschijnen van zijn laatste dichtbundel schoot hij zich zelf dood.Tegenwoordig wordt hij als de nationale dichter van Australië beschouwd.

 

 

A Song of Autumn

 

WHERE shall we go for our garlands glad
At the falling of the year,
When the burnt-up banks are yellow and sad,
When the boughs are yellow and sere?
Where are the old ones that once we had,
And when are the new ones near?
What shall we do for our garlands glad
At the falling of the year?’
‘Child! can I tell where the garlands go?
Can I say where the lost leaves veer
On the brown-burnt banks, when the wild winds blow,
When they drift through the dead-wood drear?
Girl! when the garlands of next year glow,
You may gather again, my dear—
But I go where the last year’s lost leaves go
At the falling of the year.’

 

 

For the great things of life are small things

 

For the great things of life are small things,

The longest life is a span,

And there is an end to all things,

A season to every man,

Whose glory is dust and ashes,

Whose spirit is but a spark,

That out from the darkness flashes,

And flickers out in the dark.

 

We remember the pangs that wrung us

When some went down to the pit,

Who faded as leaves among us,

Who flitted as shadows flit;

What visions under the stone lie?

What dreams in the shroud sleep dwell,

For we saw the earth pit only,

And we heard only the knell.

 

Gordon

Adam Lindsay Gordon (19 oktober 1833 – 24 juni 1870)

 

De Guatemalteekse schrijver Miguel Ángel Asturias werd geboren op 19 oktober 1899 in Guatemala-Stad. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2006.

 

 

Hidden Crafts (fragment)


The poets, anonymous amanuenses, the heels
of the Magician of Song in the house of the North,
carried their complaint to the petaled flower
of the ear of the Celestial Hunters:

“The motionless flight of poetry and its unfoldings
in ritual song, warrior dance, word play,
conversation of deified hearts, this is our secret.
To hear seedbeds of syllables sprout and transplant them
with salivations of the golden strophe,
this is our role as thinkers with music.
We know the pulse of the lashing rains
in the calendrical drawing and the colored, polychrome calligraphy
of symbols and astrological prophecies;
but, passed over by the Magician of Song,
we can’t be more than wordcadavers,
our tongues perforated with metaphor arrows.”

Onto what liana of silence do they fasten bells,
drops of water, fish scales, fragments of glass,
pieces of wood, fingernails of metal,
in tests of new resounding rains,
those who are the Invisible Back of the Visible Magician,
he of the Copal of Music, in his house of the South?
What canes, toasted over low flame, do they pierce
in search of the pathetic trill?
What stones polished with tobacco
do they use to iron the drum skins?
In what millennial liquor do they soak the ocarina,
the tortoise, the snail, the stone
for the keys of the marimbas?
Silent is the lament of anonymous musicians in the questions
that fly to the ear of the Celestial Hunters.

They walked in the house of the luminous cactus,
the painters, statues without feet,
only eyes, like the Magician of Color
in his house of the East… Anonymous and absent
they are, and this their lament at the ear of the Hunters,
those who entered and exited from the blues
of wood dye, from the bleeding achiotes ,
from the divine purples robbed from crustaceans
of the Southern Sea, from the oily blacks,
the limestone whites, the ochres of mud,
the yellows, pollen or gold dust,
the greens of ground emeralds,
the ruddy lands,
the tawny guapinoles …
Theirs is the secret of the porous woods,
of the tablets of hairless surface,
treated with honey, wax or serum,
and theirs is the secret of the flexible skins
and the terror-struck skins that stretched death…
Silent, anonymous, absent,
the luminous cactus in their pupils,
the lament in their painting…

 

asturias

Miguel Ángel Asturias (19 oktober 1899 – 9 juni 1974)

 

De Surinaamse schrijver Nardo Aluman (eig. Ronald Renardo Aloema werd geboren in Christiaankondre op 19 oktober 1946. Christiaankondre is een van de twee dorpen die samen Galibi vormen aan de monding van de Marowijnerivier (de grensrivier met Frans-Guyana). Aluman is een zoon van de bekende vertelster Kamala’imïn. Hij is werkzaam als medewerker voor inheemse culturen bij de Afdeling Cultuurstudies van het Ministerie van Onderwijs en Cultuur in Paramaribo. In 1985 vertaalde hij een bundeltje pyjai-liederen (een pyjai is een genezer of sjamaan): Atamygano Warery, letterlijk vertaald: Liederen om in zichzelf te keren.In 1988 bracht hij het avondvullende toneelstuk Julawai, gebaseerd op Caraïbische mythen, culturele gebruiken en geschiedopvattingen. Het werd gevolgd door Epakano jakonombo/Opstanding in de Amazone (1989), Parana Agyry/De Geest van de Zee (1990), Epakadono Auran/De Stem van Epakadono (1991), Kawa’i/Oorlog (1992) en Auran mero (Talen, stemmen of woorden) (1994). Aluman bestudeert de taal, de tulala (magische planten) en de rituelen van zijn volk en publiceert daarover (o.m. in De Gids, De Ware Tijd Literair en de bundels Verhalen van Surinaamse schrijvers (1989) en Sirito (1990)). Hij vertaalde Karaïbse legenden, mythen en sagen in de Nederlandse taal en schrijft ook poëzie

 

Uit: Ombadapo, het gezicht

 

„Ombadapo betekent ‘gezicht’, maar het is tevens een andere naam voor het sterrenbeeld Ulayumaka waarvan de verschijning het begin van de droge tijd aankondigt. Het verhaal van Ombadapo kan gelezen worden als een oorsprongsmythe, maar het laat tevens de spanningen zien in de Karaïbische samenleving tussen aanverwanten, in dit geval tussen een man en zijn schoonmoeder. De nu volgende versie werd mij verteld door een Karaïbische vrouw, Kamala’imïn, in 1926 geboren aan de Mana, Frans Guyana.

 

… ombadapo torirï … ombadapo ga’u nan? Tïpa-rimï … mohko nopokombo waitobombo man. Inorombo, mohko iparimï ‘wa masiwa tïye tïwaiye amïn iporirï da, amïn itupo da, itupo daka …

 

Het verhaal van Ombadapo… Ombadapo is het [dat je wil horen]? Die oude vrouw had een schoonzoon. Deze schoonzoon had een visval geplaatst in een tak van de rivier, in een kreek. Vervolgens ging die oude vrouw, zijn schoonmoeder, de visval leeghalen, zij had hem leeggehaald. Vaak ging haar schoonzoon kijken. De kreek heeft alweer geen vis, zijn visval. Dan gaat hij op een dag, hij gaat haar opwachten. Hij ziet haar. Ja, door zijn schoonmoeder is de visval leeggehaald, zij heeft het gedaan. Dan zegt hij, het is goed zegt hij. Ik zal je krijgen, zegt hij. Vervolgens overlegt haar schoonzoon met de geest van de Anyumara, opdat zij door hem opgegeten wordt.

De oude vrouw had huisdieren, een paar vogels. Ze worden Koweyupa [een klein soort grietjebie] genoemd. Haar huisdieren heetten Koweyupa, het waren er veel. Ze had ze naar de poel gebracht om er te eten. Vervolgens is de oude vrouw er weer heen gegaan. Ze weet niet wat er in de visval is gedaan. De oude vrouw gaat er weer heen, haar huisdieren voedsel verschaffen, heel vroeg in de ochtend gaat zij er weer heen. E, de oude vrouw nu is door de Anyumara, door de geest onthoofd. Ze is opgegeten door hem. Alleen het hoofd dat van haar was, is overgebleven.“

 

Aluman

Nardo Aluman (Christiaankondre, 19 oktober 1946)

 

 

De Britse schrijver Philip Pullman werd geboren op 19 oktober 1946 in Norwich als zoon van een luchtmachtofficier. Door het beroep van zijn vader en later zijn stiefvader, die ook in het leger diende, reisde hij in zijn vroege jeugd de hele wereld over. Vanaf zijn elfde keerde hij terug naar het Verenigd Koninkrijk en woonde in Noord-Wales. Na de middelbare school ging Pullman Engels studeren aan het Exeter College in Oxford. Na zijn afstuderen heeft hij vanaf zijn 25e twaalf jaar lang les gegeven aan middelbare scholen in Oxford. Hier begon hij met het schrijven van kinderboeken.

In 1986 ging hij parttime college geven aan het Westminster College over de Victoriaanse roman en volksverhalen. Na acht jaar is hij uiteindelijk met doceren gestopt om zich volledig op het schrijven te richten. schreef tot op heden meer dan twintig jeugdromans en korte verhalen, maar brak internationaal door met de bestsellerserie His Dark Materials (vert. Het Gouden Kompas). De trilogie werd in meer dan twintig talen uitgebracht en leverde Pullman verschillende prijzen op. Voor het laatste deel, The Amber Spyglass (vert. De Amberkleurige Kijker), ontving hij in 2000 de Whitbread Prize voor het beste boek van het jaar, die nog nooit eerder aan een kinderboekenauteur werd uitgereikt.

Uit: His Dark Materials, Book III: The Amber Spyglass

 

In a valley shaded with rhododendrons, close to the snow line, where a stream milky with meltwater splashed and where doves and linnets flew among the immense pines, lay a cave, half, hidden by the crag above and the stiff heavy leaves that clustered below.

The woods were full of sound: the stream between the rocks, the wind among the needles of the pine branches, the chitter of insects and the cries of small arboreal mammals, as well as the birdsong; and from time to time a stronger gust of wind would make one of the branches of a cedar or a fir move against another and groan like a cello.

It was a place of brilliant sunlight, never undappled. Shafts of lemon-gold brilliance lanced down to the forest floor between bars and pools of brown-green shade; and the light was never st
ill, never constant, because drifting mist would often float among the treetops, filtering all the sunlight to a pearly sheen and brushing every pine cone with moisture that glistened when the mist lifted. Sometimes the wetness in the clouds condensed into tiny drops half mist and half rain, which floated downward rather than fell, making a soft rustling patter among the millions of needles.

There was a narrow path beside the stream, which led from a village-little more than a cluster of herdsmen’s dwellings – at the foot of the valley to a half-ruined shrine near the glacier at its head, a place where faded silken flags streamed out in the Perpetual winds from the high mountains, and offerings of barley cakes and dried tea were placed by pious villagers. An odd effect of the light, the ice, and the vapor enveloped the head of the valley in perpetual rainbows.

The cave lay some way above the path. Many years before, a holy man had lived there, meditating and fasting and praying, and the place was venerated for the sake of his memory. It was thirty feet or so deep, with a dry floor: an ideal den for a bear or a wolf, but the only creatures living in it for years had been birds and bats.

But the form that was crouching inside the entrance, his black eyes watching this way and that, his sharp ears pricked, was neither bird nor bat. The sunlight lay heavy and rich on his lustrous golden fur, and his monkey hands turned a pine cone this way and that, snapping off the scales with sharp fingers and scratching out the sweet nuts.“

 

Philip_Pullman

Philip Pullman (Norwich, 19 oktober 1946)

 

 

De Amerikaanse schrijver Andrew Vachss werd geboren op 19 oktober 1942 in New York. In 1975 voltooide hij zijn studie rechten in Boston magna cum laude. Hij werkt hoofdzakelijk als advocaat voor kinderen en jeugdigen. Vachss schrijft grotendeels hardboiled detectives, maar heeft ook twee bundels korte verhalen gepubliceerd. Verder schrijft hij songteksten, strips, essays, twee zakelijke boeken over jeugdcriminaliteit en kindermisbruik en talrijke artikelen.

 

Uit: The Getaway Man

“Every outfit needs a getaway man. It doesn’t matter how smooth the job goes; if you don’t get away with the money, it’s all for nothing.
I learned that when I was just a kid, when I first started getting locked up. Once that happens the first time, it’s like that’s your destiny. They let you out, but they know you’re coming back, and you do, too.
Inside, some guys get tattoos, so that when they get out, other guys will know where they’ve been. I never wanted one. I figured people can always tell, anyway.
Every time they sent me to the kiddie camps, it was for stealing cars. I never stole cars to keep; I just wanted to drive them. I wanted to learn how to do that more than anything. The reason I took the cars was so I could practice.
When you’re in one of those places for kids, guys always ask you what you’re in for. The first time I went in, before I learned, I told them the truth.
I found out quick how dumb that was. When I told other guys, that first time, why I took the cars, they said that wasn’t even stealing, it was just joyriding. That’s what a kid does with a car, joyriding. A man wouldn’t do that.
It sounds weird, but the worst thing you can be in the kiddie camps is what they call a “kid.” The word means something different in there. Something very bad.
Right after I told the truth that first time, I had to fight a lot. So I wouldn’t get taken for a kid.
By the next time I went in, I was smarter. I knew nobody would understand if I told them I took the cars so I could practice my driving. So, after that, when they asked me, I always said, “Grand Theft Auto.” I wasn’t some little joyrider; I was a thief.
A thief steals cars to keep. To sell, I mean. The really good thieves, they get a reputation, and people hire them to steal certain cars. Like ordering food in a restaurant, and the parking lot is the menu.
It’s good to be known as a thief when you go Inside. It’s even better to be known as a killer, but only a certain kind. Like if you killed someone in a fight, that would be good. Or if someone paid you to do it.
It’s pretty unusual, to be in one of the kiddie places for a killing like that, but I know one guy, Tyree, who was. A drug dealer paid Tyree to shoot someone, and he did it. Everyone respected him for doing that. It was something a big-time criminal would do.
But not every killing got you respect. The sick-in-the-head kids, they were nothings. Nobody was afraid of them. Like the one who chopped up his mother with an ax. Or the one who went to school with a rifle and shot a bunch of other kids who were bullying him.
After that one got locked up, he still got bullied, only much worse. The kind of bullying they do in here.
Sometimes, a killing happens right
where they have us locked up. The one I most remember, it was a little kid who did it. Devon, his name was. A bigger kid, Rock, had done something to him.“

 

Vachss

Andrew Vachss (New York, 19 oktober 1942)

 

De Amerikaanse schrijfster Fannie Hurst werd geboren op 19 oktober 1889 in Hamilton, Ohio. Haar ouders waakten streng over haar opvoeding. Zij gold als vroegrijp en uiterst intelligent. Al op de middelbare school begon Hurst met schrijven en bood zij haar verhalen aan verschillende kranten aan, waaronder The Saturday Evening Post en bij Reedy’s Mirror. In 1909 promoveerde zij aan de Washington University in St. Louis en een jaar later vierde zij haar eertse literaire succes met het verhaal It`s not Wonderful Life. Tegen de wil van haar ouders trok zij naar New York om aan de Columbia University te studeren. Zonder steun van haar ouders werkte Hurst als kindermeisje, als kelnster en door korte verhalen aan tijdschriften te verkopen. Hurst was ook in verschillende maatschappelijke organisaties actief, zoals National Urban League en het National Advisory Committee,

 

Uit: HUMORESQUE

 

On either side of the Bowery, which cuts through like a drain to catch its sewage, Every Man’s Land, a reeking march of humanity and humidity, steams with the excrement of seventeen languages, flung in _patois_ from tenement windows, fire escapes, curbs, stoops, and cellars whose walls are terrible and spongy with fungi.

 

By that impregnable chemistry of race whereby the red blood of the Mongolian and the red blood of the Caucasian become as oil and water in the mingling, Mulberry Street, bounded by sixteen languages, runs its intact Latin length of pushcarts, clotheslines, naked babies, drying vermicelli; black-eyed women in rhinestone combs and perennially big with child; whole families of buttonhole-makers, who first saw the blue-and-gold light of Sorrento, bent at home work round a single gas flare; pomaded barbers of a thousand Neapolitan amours. And then, just as suddenly, almost without osmosis and by the mere stepping down from the curb, Mulberry becomes Mott Street, hung in grillwork balconies, the moldy smell of poverty touched up with incense. Orientals whose feet shuffle and whose faces are carved out of satinwood. Forbidden women, their white, drugged faces behind upper windows. Yellow children, incongruous enough in Western clothing. A draughty areaway with an oblique of gaslight and a black well of descending staircase. Show-windows of jade and tea and Chinese porcelains.

 

More streets emanating out from Mott like a handful of crooked rheumatic fingers, then suddenly the Bowery again, cowering beneath Elevated trains, where men burned down to the butt end of soiled lives pass in and out and out and in of the knee-high swinging doors, a veiny-nosed, acid-eaten race in themselves.”

 

hurst_fannie

Fannie Hurst (19 oktober 1889 – 23 februari 1968)

 

De Britse schrijver John le Carré werd geboren op 19 oktober 1931 in Poole, Dorset, Engeland.

Jan Erik Vold, Raymond Brulez, Rick Moody, Terry McMillan, Wendy Wasserstein, Ntozake Shange, Heinrich von Kleist, François Choderlos de Laclos

De Noorse dichter, vertaler en musicus Jan Erik Vold werd geboren op 18 oktober 1939 in Oslo. Sinds 1977 woont hij overwegend in Stockholm. Na zijn debuut in 1965 publiceerde hij niet alleen meer dan twintig dichtbundels, maar ook talloze boeken en essays over binnen –en buitenlandse collega’s. Vold heeft ook verschillende cd’s met poëzie opgenomen in samenwerking met jazzmusici als Chat Baker en Jan Garbarek. Van de universiteit van Oslo kreeg hij een eredoctoraat.

 

 

THIS BODY

has not been drugged. This

blood is not

blue. This flesh

 

is invisible. The autumn sky

tips over

into the scarlet

of afternoon. A silver plane

 

is drawing a strip

from the east

to the west. The few mackerel clouds

shiver.

 

 

the world

turns a blank page. Golden leaves

in

the parks, a fresh dash

 

down the

gravel walk – out of breath

you stop

behind the next corner, to watch

 

the policeman

rush

in the

wrong direction.

 

 

Vertaald door Jan Erik Vold

 

 

Toernes sang

 

Will you hark to the song of those who came second?
those who died always in the third round.
Those who opened briskly, but then started getting that old arching of their back.
Those who knew the meaning of hitting the wall.
Those with too slow 500 meters to rank in the final standings.
Those who struck top form at Fagernes in March.

Those who missed the start and lost a sure medal.
If they hadn’t hiccups at the start, they’d have hiccups at the changeover.

Those who fell at the crucial occasion.
Those who had eaten something that wasn’t good for them.
Those who fell out with their federation.
Those who didn’t have their papers in order.
Those who drew last outer at the fifteen.
The eternal number two, whose name rarely is quoted.
The perpetual second, in whose lustre the victor always reflects his image.
The ever-needed number two,who tells us something about life.

 

 

Engelse vertaling door Lars E. Finsen and Stein Ohr

 

voldjane

Jan Erik Vold (Oslo,18 oktober 1939)

 

De Belgische schrijver Raymond Brulez werd geboren te Blankenberge op 18 oktober 1895. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2006.

 

Uit: Mémoires van een Borgenaar

 

„Vóór den oorlog (van 1914-1918), hielden mijn ouders een hotel te Borgen, een badstadje der Vlaamsche kust. Nu nog schemeren enkele letters van onzen naam ‘Van den Brande’ doorheen het dun geschilderde en banale ‘Hôtel Central’ waarin de nieuwe eigenaar het omdoopte.

Het meervoud ‘ouders’ geeft de werkelijkheid niet nauwkeurig weer. Vader bleek steeds uithuizig, ergens op het strand of in herbergen. Niet uit vadsigheid of drankzucht. Hij was de ideale politieker: trok zich de belangen der badkarhouders en visschers inniger ter harte dan de profijtelijke uitbating van zijn eigen onderneming. Hierover ergerde moeder zich niet. Zij was ‘mans’ genoeg om de zaak alleen te beheeren en vaders altruïstische bedrijvigheid had hem de waardigheid van schepen en provincieraadslid bezorgd. Ook mijn opvoeding was moeders monopolie. Zij omringde mij met de gestadige zorg van verbod en bevel; achtte mijn gezondheid maar volkomen gevrijwaard wanneer ik in onze duistere keuken zat, warmpjes beschut tegen de vochtigheid van het strand en de tochtgaten der dijktrappen. Moeder had een hekel aan de school: van daar bracht ik roodvonk mee alsook kameraadjes die op vrije namiddagen ongenood kwamen spelen. Niet dat zij mij wat pret zou misgund hebben. Maar die jongens bleven tot na koffietijd en aten lijk dijkdelvers, alhoewel hun boterhammen met een affronteerende zuinigheid gespreid werden. Tegenover hen die deze symbolische betuiging van ongastvrijheid nog niet voldoende afschrikte, trad moeder nog kordater op. Zij vatte post achter de getraliede voordeur. Zoodra het schuchter schellen van den argeloozen bezoeker bibberde, snauwde haar barsche stem door het kijkraampje: ‘Roger is op ’t strand…’ Ik leed zeer hieronder, maar uit kinderlijke solidariteit bevestigde ik moeders uitvlucht ’s anderendaags op de speelplaats.

In werkelijkheid zat ik eenzaam op de derde verdieping van ons huis. Daar troostte de kamer nr. 43 mij voor de verbanning mijner schoolmakkers. Van hier uit ontwaarde ik een stukje zeeëinder tusschen den flank van den ‘Bazar de Leipzig’ en de schuine vorst van het oude stadhuis. Langs dezen doorkijk op de woelige of serene zeebaan toog mijn verlangen naar de droomenrijke oneindigheid. Ter torenspits blonk een vergulde goelette, de windwijzer. Op de uitnoodiging der meermin die met wenkenden arm vóór haar dartelde, wendde zij ter plaatse den steven naar alle horizonnen. Een echt stoomschip verscheen van achter den Bazar, gleed op de horizontspoor als een circusdanser op de gespannen koord, confronteerde even ironisch zijn grauwe voortvarendheid met de op de torenklip gestrande goelette en verdween…

Deze droomerijen op kamer nr. 43 leken mijn moeder verdacht. Ten onrechte. Mijn eenzaamheid bleef kuisch. Wel hadden schoolmakkers mij gefluisterd over selfmade heerlijkheden waarvoor afzondering en de durf om een Goddelijk gebod te braveeren de eenige vereischten waren.”

 

brulez

Raymond Brulez (18 oktober 1895 – 17 augustus 1972)

 

De Amerikaanse schrijver Rick Moody werd geboren op 18 oktober 1961 in New York en groeide op in verschillende voorsteden van Connecticut. Moody behaalde een graad als Master of Fine Arts aan de Columbia University in 1986. Kort na zijn afstuderen liet hij zich opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis om van zijn problemen met alcohol af te komen. Weer nuchter schreef hij zijn eerste roman Garden State, een geschiedenis over jonge mensen die opgroeien in een industrieel niemandsland in het noorden van New Jersey. In 2005 verscheen The Diviners, gevolgd door Right Livelihoods in 2007. Moody doceerde ook aan de State University of New York at Purchase en aan Bennington College. Zijn grootste bekendheid ontleent Moody aan zijn roman The Ice Storm uit 1994, een verhaal over twee families uit Connecticut die in 1973 Thanksgiving vieren. Het boek werd een bestseller en werd onder dezelfde titel in 1997 verfilmd door regisseur Ang Lee

 

Uit: The Diviners

 

„Rosa Elisabetta Meandro, in insubstantial light, entrails in flames. Rosa Elisabetta of the hammertoe, Rosa Elisabetta of the corns. Rosa Elisabetta of the afflictions. She has hinted about the nature of her sufferings to certain persons up the block, certain persons on Eleventh Street, Brooklyn. Emilia, whose son sells the raviolis, for example. She has whispered to Emilia about the colitis. She has indicated problems relating to her gallbladder. Stones. Also headaches. These headaches begin with visitations, with rainbows, celestial light, an inability to remember numbers. Rosa Elisabetta might smell the overpowering perfume of cocktail onions, after which there is Technicolor. Two or three days sick in bed, lower than a dog is low. If she’s enumerating the complaints for Emilia, there is the colitis, there are the corns, there is the pancreas, there are the headaches. At least four things. Gas, though it’s not proper to talk about it. On nights when the garlic has not been properly saut?ed according to the cuisine of her ancestral homeland,Tuscany, then there is also the gas. Perhaps it is correct to include this in the list of complaints, assembled at 6:13AM, as she burrows down further into bedcovers, into the folds of her four-poster. She doesn’t know how much longer she can resist the cramps, the pressurized evacuation of her last meal and everything else eaten in the past twenty-four hours, everything, at least, that has not already been evacuated. Best to be pleasant about it; this is what Emilia said when Rosa Elisabetta Meandro was telling her about the scabs. There are these scabs that don’t heal; when she gets a cut, saws into herself accidentally in the kitchen, dicing vegetables, there is the mineralization of the cut. The cut doesn’t heal, not as it should. What’s that all about? She was also going to tell Emilia about the halitosis, that day, which she can smell by cupping her hands and attempting to exhale and inhale quickly, while lying in the four-poster. It is no longer the smell of the garlic saut?ed, nor is it the smell of the cocktail onions, nor is it the smell of port wine, nor is it stewed peppers. It’s some new smell, and this is what Rosa was trying to tell Emilia the other day, no doubt about it. The look in the eyes of Emilia was a look of pity, which is a look that makes Rosa Elisabetta Meandro irritable, though she tries to be pleasant, and this righteous anger, even in the dawn light ebbing into the garden apartment through the windows facing the street, is a refreshing sentiment, a motivator, as she breathes out cupping her hands.“

 

Rick_Moody

Rick Moody (New York, 18 oktober 1961)

 

De Afrikaans – Amerikaanse schrijfster Terry McMillan werd geboren op 18 oktober 1951 in Port Huron, Michigan. Zij studeerde in 1986 af in journalistiek aan de University of California, Berkeley. Haar eerste boek, Mama, gaf ze uit in eigen beheer. Met haar derde boek Waiting to Exhale brak zij in 1992 landelijk door.Het stond maandenlang in de bestsellerslijst van The New York Times. In 1995 werd het door Forest Whitaker verfilmd. Een tweede boek van haar dat verfilmd werd was How Stella Got Her Groove Back. In 2005 verscheen The Interruption of Everything en in 2007 A Day Late and A Dollar Short.

 

Uit: A Day Late and A Dollar Short

 

”Can’t nobody tell me nothing I don’t already know. At least not when it comes to my kids. They all grown, but in a whole lotta ways they still act like children. I know I get on their nerves-but they get on mine, too – and they always accusing me of meddling in their business, but, hell, I’m their mother. It’s my job to meddle.

What I really do is worry. About all four of ‘em. Out loud. If I didn’t love ‘em, I wouldn’t care two cents about what they did or be the least bit concerned about what happens to ‘em. But I do. Most of the time they can’t see what they doing, so I just tell ‘em what I see. They don’t listen to me half the time no way, but as their mother, I’ve always felt that if I don’t point out the things they doing that seem to be causing ‘em problems and pain, who will? Which is exactly how I ended up in this damn hospital: worrying about kids.

I don’t even want to think about Cecil right now, because it might just bring on another at
tack. He’s a bad habit I’ve had for thirty-eight years, which would mak  e him my husband. Between him and these kids, I’m worn out. It’s a miracle I can breathe at all. I had ‘em so fast they felt more like a litter, except each one turned out to be a different animal. Paris is a female lion who don’t roar loud enough. Lewis is a horse who don’t pull his own weight. Charlotte is definitely a bull, and Janelle would have to be a sheep – a lamb is closer to it – ‘cause she always being led out to some pasture and don’t know how she got there.

As a mother, you have high hopes for your kids. Big dreams. You want the best for them. Want ‘em to get the rewards from life that you didn’t get for one reason or another. You want them to be smarter than you. Make better choices. Wiser moves. You don’t want them to be foolish or act like fools. Which is why I could strangle Lewis my damnself. He is one big ball of confusion. Always has had an excuse for everything, and in thirty-six years, he ain’t changed a lick.”

mcmillan

Terry McMillan (Port Huron, 18 oktober 1951)

 

De Amerikaanse schrijfster Wendy Wasserstein werd geboren op 18 oktober 1950 in New York. Wasserstein haalde een B.A. in geschiedenis aan het Mount Holyoke College in 1971, een M.A. in creatief schrijven aan het  City College of New York, en een M.F.A. in 1976 aan de Yale School of Drama. In 1989 kreeg zij zowel een Tony als de Pulitzer Prize voor haar stuk The Heidi Chronicles. Wasserstein schreef in totaal 11 stukken over onderwerpen als familie, feminisme, ethniciteit en pop cultuur. Toen zij 48 was werd zij nog moeder van een dochter. Over de gecompliceerde bevalling schreef zij een bundel essays Shiksa Goddess. Zij stier al op 55-jarige leeftijd aan kanker.

 

Uit: Shiksa Goddess

 

„I cannot tell a lie. I feel compelled to bite the bullet and publicly reveal that I’ve just discovered my own denominational truth. I am Episcopalian.

I should have guessed a long time ago, because my parents never mentioned it. In fact, they hid it. They sent me to primary school at the Yeshiva Flatbush. It never crossed my mind that I was deliberately being isolated. On our classroom walls were portraits of Chaim Weizmann and Golda Meir in place of Dwight and Mamie Eisenhower. Our horror stories were not of being buried by Communists, but of being suffocated by nomad ham sandwiches.

We lived in a Jewish neighborhood in Flatbush. Our shopping strip included kosher butchers and Hymie’s Highway Appetizers. For Sunday brunch, my mother produced bagels, belly lox, and cream cheese with scallions. Nobody told me that lox lived a double life as smoked salmon, or that herring could ever be kippered.

Even the Christmas holidays were a setup. Every year on Christmas Eve, we were on a jet to Miami Beach. There wasn’t even a chance for us to watch the VUPIX Channel r i Yule log burning as the Mormon Tabernacle Choir sang “Silent Night.” We celebrated the holidays front-row center at the Versailles Room, with Myron Cohen warming up our crowd for Sammy Davis, Jr. Even our African-Americans were Jewish!

Until now, I’ve had a happy life thinking of myself as a Jewish writer. I came to accept that when my work was described as being “too New York” it was really a euphemism for something else. I belonged to a temple, and on my opening nights, my mother invariably told friends that she’d be much happier if it was my wedding. In other words, I had a solid sense of self. I knew exactly who I was.“

 

wasserstein

Wendy Wasserstein (18 oktober 1950 – 30 januari 2006)

 

 De Amerikaanse schrijfster Ntozake Shange werd geboren als Paulette Williams op 18 oktober 1948 in Trenton, New Jersey. Ze haalde een graad aan de University of Southern California in Los Angeles in American Studies. In 1975 verhuisde zij naar New York, waar haar eerste en meest beroemde stuk for colored girls who have considered suicide/when the rainbow is enuf werd opgevoerd. Het stuk won verschillende prijzen waaronder de Obie Award, Outer Critics Circle Award, en de AUDELCO Award.

Het bestaat uit een lang gedicht in twintig delen en beschrijft de levens van zwarte vrouwen in de VS.

 

 

My Father Is a Retired Magician

 

(for ifa, p.t., & bisa)

my father is a retired magician
which accounts for my irregular behavior
everythin comes outta magic hats
or bottles wit no bottoms & parakeets
are as easy to get as a couple a rabbits
or 3 fifty cent pieces/ 1958

my daddy retired from magic & took
up another trade cuz this friend of mine
from the 3rd grade asked to be made white
on the spot

what cd any self-respectin colored american magician
do wit such a outlandish request/ cept
put all them razzamatazz hocus pocus zippity-do-dah
thingamajigs away cuz
colored chirren believin in magic
waz becomin politically dangerous for the race
& waznt nobody gonna be made white
on the spotjust
from a clap of my daddy’s hands

& the reason i’m so peculiar’s
cuz i been studyin up on my daddy’s technique
& everythin i do is magic these days
& it’s very colored
very now you see it/ now you
dont mess wit me
i come from a family of retired
sorcerers/ active houngans & pennyante fortune tellers
wit 41 million spirits critturs & celestial bodies
on our side
i’ll listen to yr problems
help wit yr career yr lover yr wanderin spouse
make yr grandma’s stay in heaven more gratifyin
ease yr mother thru menopause & show yr son
how to clean his room

YES YES YES 3 wishes is all you get
scarlet ribbons for yr hair
benwa balls via hong kong
a miniature of machu picchu

all things are possible
but aint no colored magician in her right mind
gonna make you white
i mean
this is blk magic
you lookin at
& i’m fixin you up good/ fixin you up good n colored
& you gonna be colored all yr life
& you gonna love it

bein colored

all yr life

colored & love it
love it

bein colored

 

Ntozake

Ntozake Shange (Trenton,  18 oktober 1948)

 

 

De Duitse schrijver Heinrich von Kleist werd geboren op 18 oktober 1777 in Frankfurt an der Oder. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2006 en ook mijn blog van 18 oktober 2007.

 

Uit: Amphitryon

 

Es ist Nacht.

 

ERSTE SZENE

 

SOSIAStritt mit einer Laterne auf:
Heda! Wer schleicht da? Holla! – Wenn der Tag
Anbräche, wär mirs lieb; die Nacht ist – Was?
Gut Freund, ihr Herrn! Wir gehen eine Straße –
Ihr habt den ehrlichsten Gesell’n getroffen,
Bei meiner Treu, auf den die Sonne scheint –
Vielmehr der Mond jetzt, wollt ich sagen –
Spitzbuben sinds entweder, feige Schufte,
Die nicht das Herz, mich anzugreifen, haben:
Oder der Wind hat durch das Laub gerasselt.
Jedweder Schall hier heult in dem Gebirge. –
Vorsichtig! Langsam! – Aber wenn ich jetzt
Nicht bald mit meinem Hut an Theben stoße,
So will ich in den finstern Orkus fahren.
Ei, hols der Henker! ob ich mutig bin,
Ein Mann von Herz; das hätte mein Gebieter
Auf anderm Wege auch erproben können.
Ruhm krönt ihn, spricht die ganze Welt, und Ehre,
Doch in der Mitternacht mich fortzuschicken,
Ist nicht viel besser, als ein schlechter Streich.
Ein wenig Rücksicht wär, und Nächstenliebe,
So lieb mir, als der Keil von Tugenden,
Mit welchem er des Feindes Reihen sprengt.
Sosias, sprach er, rüste dich mein Diener,
Du sollst in Theben meinen Sieg verkünden
Und meine zärtliche Gebieterin
Von meiner nahen Ankunft unterrichten.
Doch hätte das nicht Zeit gehabt bis morgen,
Will ich ein Pferd sein, ein gesatteltes!
Doch sieh! Da zeigt sich, denk ich, unser Haus!
Triumph, du bist nunmehr am Ziel, Sosias,
Und allen Feinden soll vergeben sein.
Jetzt, Freund, mußt du an deinen Auftrag denken;
Man wird dich feierlich zur Fürstin führen,
Alkmen’, und den Bericht bist du ihr dann,
Vollständig und mit Rednerkunst gesetzt
Des Treffens schuldig, das Amphitryon
Siegreich fürs Vaterland geschlagen hat.
– Doch wie zum Teufel mach ich das, da ich
Dabei nicht war? Verwünscht. Ich wollt: ich hätte
Zuweilen aus dem Zelt geguckt,
Als beide Heer im Handgemenge waren.

kleist

Heinrich von Kleist (18 oktober 1777 – 21 november 1811)

 

De Franse schrijver Pierre Ambroise François Choderlos de Laclos werd geboren in Amiens op 18 oktober 1741. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 18 oktober 2006.

 

Uit: Alfred Mac Adam’s Introduction to Les Liaisons Dangereuses

 

“The French of the eighteenth century took themselves to be the paragons of intellect, art, fashion, and manners. Their language was the equivalent of what English is today, a language spoken around the world. We see French pride in the novel when Valmont expresses contempt for his mistress Émilie’s newest lover, who speaks “the French of Holland.” In this sense, it is no wonder Merteuil and Valmont behave as they do: They could feel superior to anyone in the world.

But it is this belief in their superiority that precipitates their catastrophe in Les Liaisons Dangereuses. They misdirect their energies in order to gratify their egos: Instead of seeking glory on the battlefield or in politics, Valmont and Merteuil use their powers to turn sensuality into a game. And like all games, the sport of seduction as conceived by Valmont and Merteuil has its own rules, even its own playing fields. Laclos, not a sportsman, was a military man, so his use of military metaphors throughout his novel reflects his professional training. But even in this there is irony or at least ambiguity: Why would a serious soldier, the inventor of a hollow projectile for the cannon, the author of treatises on strategy and critiques of fortification systems, seemingly demean his calling by having his villains speak the language of military strategy? He seems to mock himself.

Perhaps the military man, who must play to win in order to survive, influenced the literary man coordinating his characters. That Laclos himself was something of an opportunist is alsothe case, so the moral ambiguity in his novel may also reflect his ability to see what was ethically “right” and realize at the same time that contingency might foist uncomfortable or morally compromising decisions on an individual at any given moment. For example, Laclos was a member of the lesser nobility (only nobles could be officers in the pre-revolutionary French army), but with the Revolution of 1789, he became secretary to the slippery Philippe Égalité (1747–1793), who sided with the revolutionaries while apparently scheming to have himself named constitutional monarch. Philippe Ègalité was guillotined during the Reign of Terror, but by then Laclos had already established ties with the Jacobin Club, the most radical revolutionaries. He somehow survived the Reign of Terror to become an important supporter of Napoléon’s coup against the Directory on 18 Brumaire (November 9, 1799). Napoléon rewarded him with a generalship in 1800. Laclos survived the Revolution and the Terror, and triumphed with the rise of Napoléon. But what was the moral cost?”

 

laclos

François Choderlos de Laclos (18 oktober 1741 – 5 september 1803)

Simon Vestdijk, Georg Büchner, Emanuel Geibel, Arthur Miller, Anatoli Pristavkin, Ernst Hinterberger, Nathanael West, Alfred Polgar, Jupiter Hammon

De Nederlandse schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2006 en ook mijn blog van 17 oktober 2007.

 Uit: Bericht uit het hiernamaals

 

 Mijn situatie is hoogst zonderling, en met niets te vergelijken, dat wil zeggen: met niets op aarde te vergelijken. Toch, luisteraars, – of laat mij u luistervrienden noemen, zoals sommige radiosprekers hun gehoor schijnen te betitelen, – toch zie ik geen kans u enige notie van mijn, van onze zozeer onvergelijkelijke toestand bij te brengen zonder de steun juist van vergelijkingen, al houdt de zindelijke denker zich daar gewoonlijk verre van. Wellicht omdat men door vergelijkingen zijn persoonlijkheid verraadt? Hiervan enkele voorbeelden.

Ik voor mij, op aarde een simpel bioloog, zou geneigd kunnen zijn om de toespraak of lezing, waar ik zo juist aan begonnen ben, in verband te brengen met het geheimzinnige vermogen van vogels en vleermuizen om zich in de ruimte te oriënteren, zonder gebruik te maken van de hogere zintuigen (gezicht, gehoor).

Een psychiater, met mijn taak belast, zou waarschuwen tegen een voor de hand liggend – in zijn ogen voor de hand liggend – misverstand. Iedere keer, dat hij zijn lezing ten gehore bracht, zou hij, de onzichtbare en in geen enkel opzicht existerende wijsvinger opgeheven, u de half sinistere, half potsierlijke overeenkomst voorhouden tussen zijn pogingen u te bereiken en de bemoeiingen van schizofrenen, die hun omgeving menen te kunnen beïnvloeden door middel van een elektrisch apparaatje.

Daarentegen heeft Theo de Vije – Ukkie, zoals hij op aarde werd genoemd, een naam waartegen hij ook hier geen overwegende bezwaren heeft – ons vaak genoeg vermoeid met de parallel tussen onze bestaansvorm en de zogeheten fenomenologische reductie. Met deze monsterterm schrik ik u af; maar ik kom er zo aanstonds op terug, en de filosofisch geschoolden onder u zullen het halve woord reeds begrepen hebben, beter dan De Vije zelf, die op aarde alles eerder dan een filosoof was. Veeleer was hij een eerzaam aardrijkskundige, een leraar voor God en de mensen en in het zweet zijns aanschijns.

Was hij, deze zelfde Ukkie, in overeenstemming met zijn ongedurige aard onderzoekingsreiziger geworden, en had hij bijgeval Tibet doorkruist, – de laatste twintig jaar kan dat weer, – wij hadden op heel andere dingen verdacht moeten zijn. De telepathische vermogens van eerbiedwaardige kluizenaars, hoog in het gebergte zetelend, zouden hem een geschikte inleiding tot zijn toespraak hebben geleken, want wat doe ik op het ogenblik anders dan de telepathie beoefenen?

Dat ik u op aarde met mijn gedachten bereiken zal, luistervrienden, staat intussen allerminst vast. Het is een illusie van ons, en wij hopen onze gedachten tegen de uwe te kunnen uitwisselen. Doch laat ik mij eerst bekend maken. Ik ben Dr. G.H. Hildevoort, bioloog zoals ik al zei, gestorven in 1910, en evenals Ukkie gewezen leraar bij het middelbaar onderwijs. Nooit getrouwd geweest. Ook Minderbragt en Drakestein waren leraren, en academisch gevormd. Met ons vieren hebben wij ons een jaar geleden in onderzoekingen gestort, die ten slotte geleid hebben tot het project A, dat wil zeggen tot de gedenkwaardige onderneming seinen naar de aarde te zenden, in de vorm van deze zorgvuldig samengestelde lezing, die telkens opnieuw herhaald zal worden. Mij, G.H. Hildevoort, heeft men als zender aangewezen. De tekst, waarvan het opzeggen ongeveer zeven uur kost, is bij mij niet in slechte handen.”

 

vestdijk

Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)

 

De Duitse schrijver Georg Büchner werd geboren op 17 oktober 1813 in Goddelau. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2006.

Uit: Lenz

Den 20.Jänner ging Lenz durchs Gebirg. Die Gipfel und hohen Bergflächen im Schnee, die Täler hinunter graues Gestein, grüne Flächen, Felsen und Tannen.
Es war naßkalt; das Wasser rieselte die Felsen hinunter und sprang über den Weg. Die Äste der Tannen hingen schwer herab in die feuchte Luft. Am Himmel zogen graue Wolken, aber alles so dicht – und dann dampfte der Nebel herauf und strich schwer und feucht durch das Gesträuch, so träg, so plump.
Er ging gleichgültig weiter, es lag ihm nichts am Weg, bald auf-, bald abwärts. Müdigkeit spürte er keine, nur war es ihm manchmal unangenehm, daß er nicht auf dem Kopf gehn konnte.
Anfangs drängte es ihm in der Brust, wenn das Gestein so wegsprang, der graue Wald sich unter ihm schüttelte und der Nebel die Formen bald verschlang bald die gewaltigen Glieder halb enthüllte; es drängte in ihm, er suchte nach etwas, wie nach verlornen Träumen, aber er fand nichts. Es war ihm alles so klein, so nahe, so naß; er hätte die Erde hinter den Ofen setzen mögen. Er begriff nicht, daß er so viel Zeit brauchte, um einen Abhang hinunterzuklimmen, einen fernen Punkt zu erreichen; er meinte, er müsse alles mit ein paar Schritten ausmessen können. Nur manchmal, wenn der Sturm das Gewölk in die Täler warf und es den Wald herauf dampfte, und die Stimmen an den Felsen wach wurden, bald wie fern verhallende Donner und dann gewaltig heranbrausten, in Tönen, als wollten sie in ihrem wilden Jubel die Erde besinnen, und die Wolken wie wilde, wiehernde Rosse heransprengten, und der Sonnenschein dazwischen durchging und kam und sein blitzendes Schwert an den Schneeflächen zog, so daß ein helles, blendendes Licht über die Gipfel in die Täler schnitt; oder wenn der Sturm das Gewölk abwärts trieb und einen lichtblauen See hineinriß und dann der Wind verhallte und tief unten aus den Schluchten, aus den Wipfeln der Tannen wie ein Wiegenlied und Glockengeläute heraufsummte, und am tiefen Blau ein leises Rot hinaufklomm und kleine Wölkchen auf silbernen Flügeln durchzogen, und alle Berggipfel, scharf und fest, weit über das Land hin glänzten und blitzten riß es ihm in der Brust, er stand, keuchend, den Leib vorwärts geboren, Augen und Mund weit offen, er meinte, er müsse den Sturm in sich ziehen, alles in sich fassen, er dehnte sich aus und lag über der Erde, er wühlte sich in das All hinein, es war eine Lust, die ihm wehe tat; oder er stand still und legte das Haupt ins Moos und schloß die Augen halb, und dann zog es weit von ihm, die Erde wich unter ihm, sie wurde klein wie ein wandelnder Stern und tauchte sich in einen brausenden Strom, der seine klare Flut unter ihm zog. Aber es waren nur Augenblicke; und dann erhob er sich nüchtern, fest, ruhig, als wäre ein Schattenspiel vor ihm vorübergezogen – er wußte von nichts mehr.
Gegen Abend kam er auf die Höhe des Gebirgs, auf das Schneefeld, von wo man wieder hinabstieg in die Ebene nach Westen. Er setzte sich oben nieder. Es war gegen Abend ruhiger geworden; das Gewölk lag fest und unbeweglich am Himmel; soweit der Blick reichte, nichts als Gipfel, von denen sich breite Flächen hinabzogen, und alles so still, grau, dämmernd. Es wurde ihm entsetzlich einsam; er war allein, ganz allein.“

Buechner

Georg Büchner (17 oktober 1813 – 19 februari 1837)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Emanuel Geibel werd geboren op 17 oktober 1815 in Lübeck. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2006.

 

 

Melancholie

 

Wann, wann erscheint der Morgen,
Wann denn, wann denn!
Der mein Leben löst aus diesen Banden?
Ihr Augen, vom Leide so trübe,
Saht nur Qual für Liebe,
Saht nicht eine Freude,
Saht nur Wunde auf Wunde,
Schmerz auf Schmerz mir geben,
Und im langen Leben
Keine frohe Stunde.
Wenn es endlich doch geschähe,
Daß ich säh’ die Stunde,
Wo ich nimmer sähe!
Wann erscheint der Morgen,
Der mein Leben löst aus diesen Banden?

 

 

 

 

Nachts

 

Dem Mondesaufgang wandl’ ich gern entgegen,
Wenn alles schlummert, durch die stillen Gassen;
Des Marktes Brunnen rauschet noch verlassen,
Sonst tiefes Schweigen rings auf allen Wegen.

 

Da spricht die Nacht auch über mich den Segen,
In sanfte Wehmut schmilzt das trotz’ge Hassen,
Die Liebe naht, mich gläubig zu umfassen,
Und will das Haupt an meine Schulter legen.

 

Mir ist’s, als käme mir die Jugend wieder,
Und wieder streben in sehnsücht’ger Weise
Aus dieser Brust zur Heimat meine Lieder.

 

So schwingt von Schwänen eine Schar sich leise
Aus dunklem See auf wallendem Gefieder,
Wenn sie beginnt nach Süden ihre Reise.

 

emanuel_geibel

Emanuel Geibel (17 oktober 1815 – 6 april 1884)

 

 

De Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller werd geboren in New York op 17 oktober 1915. Miller verwierf faam met het toneelstuk Dood van een Handelsreiziger. Hij won daarmee in 1949 de Pulitzer-prijs. Het stuk verhaalt van Willy Loman, een vertegenwoordiger in schrijfwaren, die zijn werk verliest. Het stuk is grotendeels realistisch maar Miller maakt gebruik van een aantal theatrale effecten, zoals flashbacks en locaties die in elkaar overlopen. Het toneelstuk The Crucible uit 1952 handelt over de heksenprocessen van Salem. Miller schreef het stuk naar aanleiding van de communistenjacht door het House Committee on Un-American Activities onder leiding van de Amerikaanse senator Joseph McCarthy. Miller zag een sterke analogie
tussen de bijna middeleeuwse heksenjacht en de jacht op communisten. Andere bekende werken van Miller zijn A View from the Bridge, All My Sons en Homely Girl, dat in 2001 werd verfilmd onder de titel Eden.

 

Uit: Death of a Salesman

 

WILLY, desperately: Just let me tell you a story, Howard—

HOWARD: ’Cause you gotta admit, business is business.

WILLY, angrily: Business is definitely business, but just listen for a minute. You don’t understand this. When I was a boy—eighteen, nineteen— I was already on the road. And there was a question in my mind as to whether selling had a future for me. Because in those days I had a yearning to go to Alaska. See, there were three gold strikes in one month in Alaska, and I felt like going out. Just for the ride, you might say.

HOWARD, barely interested: Don’t say.’

WILLY: Oh, yeah, my father lived many years in Alaska. He was an adventurous man. We’ve got quite a little streak of self-reliance in our family. I thought I’d go out with my older brother and try to locate him, and maybe settle in the North with the old man. And I was almost decided to go, when I met a salesman in the Parker House. His name was Dave Singleman. And he was eighty-four years old, and he’d drummed merchandise in thirty-one states. And old Dave, he’d go up to his room, y’understand, put on his green velvet slippers—I’ll never forget—and pick up his phone and call the buyers, and without ever leaving is room, at the age of eighty-four, he made his living. And when I saw that, I realized that selling was the greatest career a man could want. ’Cause what could be more satisfying than to be able to go, at the age of eighty-four, into twenty or thirty different cities, and pick up a phone, and be remembered and loved and helped by so many different people? Do you know? When he died—and by the way he died the death of a salesman, in his green velvet slippers in the smoker of the New York, New Haven and Hartford, going into Boston—when he died, hundreds of salesmen and buyers were at his funeral. Things were sad on a lotta trains for months after that. He stands up. Howard has not looked at him. In those days there was personality in it, Howard. There was respect, and comradeship, and gratitude in it. Today, it’s all cut and dried, and there’s no chance for bringing friendship to bear—or personality. You see what I mean? They don’t know me anymore. “

 

ArthurMiller

Arthur Miller (17 oktober 1915 – 10 februari 2005)

 

De Russische dichter en schrijver Anatoli Pristavkin werd geboren op 17 oktober 1931 in Ljuberzy. Zijn literaire carrière startte in de Sovjet-Unie onder Chroesjtsjov. Een belangrijk boek over zijn dramatische kindertijd in de Kaukasus, in het geheim geschreven in 1982, kon pas vijf jaar later in de perestrojka verschijnen. Het boek werd door Gerard Rasch in het Nederlands vertaald als Kaukasus! Kaukasus! (1989). Pristavkin beschreef erin onder meer hoe hij in 1944 als weeskind naar Tsjetsjenië werd “overgeplaatst” en er maar ternauwernood kon overleven – in de orthodoxe Sovjet-Unie een verhaal dat niet verteld mocht worden. In 1994 verscheen ook in het Nederlands van Rasch het jeugdboek Koekoeksjongen, of Treurlied tot troost van het hart (1994), dat de Deutscher Jugendliteraturpreis won. In 1981 werd Pristavkin leraar aan het Maxim-Gorki-Instituut, later ook decaan. Hij was erelid van de Russische PEN-club.
Van 1992 tot 2001 leidde Pristavkin de onder Boris Jeltsin werkzame presidentiële commissie die amnestieaanvragen van veroordeelden moest overwegen. Ook onder Poetin bleef hij tot aan zijn dood presidentiële raadgever voor deze kwesties. Hij was een felle tegenstander van de doodstraf. Dat Rusland een moratorium daarop invoerde, wordt als zijn grote verdienste gezien. Pristavkin ontving voor zijn literaire en humanitaire werk verschillende belangrijke onderscheidingen.

 

Uit: Ich flehe um Hinrichtung (Vertaald door Thomas Reschke)

 

»In der Nacht vom 30. Juni zum 1. Juli fuhren Noskow und Orlow in betrunkenem Zustand zu der Kreuzung der Autostraße Perm-Kudymkar und der Straße in die Siedlung Mendelejewo. Dort trafen sie die Jugendlichen Bogdanow, Korjakin, Filimonow und die Geschädigte Lichatschowa, die mit der Vorortbahn von Perm zur Station Mendelejewo gefahren und zu dieser Kreuzung gegangen war, um von hier per Anhalter zu ihrer Mutter im Kreis Kudymkar zu fahren.« Ich bitte den Leser, den Protokollstil zu entschuldigen, aber so sind die Gerichtsakten nun einmal abgefaßt. Also: »Mit dem Ziel, Lichatschowa zu vergewaltigen, bedrängten Noskow und Orlow sie hartnäckig, mit ihnen irgendwohin zu gehen, und Noskow riß ihr die Reisetasche von der Schulter und entfernte sich mit Orlow in der Annahme, daß Lichatschowa ihnen wegen ihrer Sachen schon folgen würde. Bogdanow und Korjakin wollten Lichatschowa gegen die Nachstellungen der ersten beiden in Schutz nehmen und boten ihr an, sie zu einer Hütte unweit der Station Mendelejewo zu bringen, und sie stimmte zu. Orlow und Noskow konnten sich denken, wo Lichatschowa war, sie fuhren zu der Hütte, jagten Bogdanow und Korjakin davon und versuchten, Lichatschowa zu vergewaltigen, doch sie leistete heftigen Widerstand, riß sich los und lief weg, aber Noskow holte sie ein und warf sie zu Boden. Um weiteren Mißhandlungen zu entgehen, riß Lichatschowa Noskow das Messer aus der Tasche und versuchte sich umzubringen, sie fiel auf die Klinge und verlor das Bewußtsein. Noskow und Orlow faßten die Geschädigte unter den Armen und schleiften sie zurück in die Hütte, wo sich auch Olschewski befand, der die beiden zu der Hütte gefahren hatte. Im Beisein von Olschewski schlug Noskow vor, Lichatschowa tiefer in den Wald zu bringen, zu vergewaltigen, sie dann umzubringen und zu vergraben, und Orlow stimmte zu. Sie boten dem minderjährigen Olschewski an, ihnen zu helfen, er fand sich bereit und blieb mit Orlow bei der Geschädigten. Noskow ging in die Siedlung, um einen Spaten zu holen, fand jedoch keinen und kam mit zwei Hacken zurück. Als Lichatschowa zu sich kam, wollte Orlow erst gar keinen Widerstand aufkommen lassen und schlug sie ein paarmal ins Gesicht, dann führten die drei sie tiefer in den Wald und begannen vor ihren Augen, das Grab für sie auszuheben.“

 

pristavkin

Anatoli Pristavkin  (17 oktober 1931 – 11 juli 2008)

 

De Oostenrijkse schrijver Ernst Hinterberger werd geboren op 17 oktober 1931 in Wenen. Hij volgde een opleiding tot electicien en politieagent, maar werkte als bibliothecaris en als procurator in een fabriek. De held uit zijn roman Das Salz der Erde  „Mundl“ Edmund Sackbauer werd via de op het boek gebaseerde televisieserie Ein echter Wiener geht nicht unter  tot inbegrip van de Weense huurkazernebewoner.

 

Uit: Ein Abschied. Lebenserinnerungen

 

„Nach dieser Nacht des Abschiednehmens von Greti und meiner Vergangenheit sind für mich all diese Fotos und Erinnerungen wie meine Frau gestorben, wie auch die Welt für mich gestorben ist, obgleich sie objektiv und für andere nach wie vor weiterbesteht und eine entweder schöne oder hässliche ist.
Ich bin dabei, mich von allem zu lösen – nicht zu entsagen, der Begriff schließt ja etwas Wehmütiges und Verzichtendes ein, sondern die Welt als etwas, das für mich jede tiefere Bedeutung verloren hat, abzustreifen und sie, was auch den vielen Fotos bevorsteht, wegzugeben und als etwas zu vergessen, das einen wie Träume irritiert und über kürzere oder längere Strecken, aber nicht lebenslang beeinflusst, weil es ein komplexes Geflecht von nicht leicht zu durchschauenden Phantomen ist.
Was zu tun war, ist, meine ich, getan und kann abgehakt werden. Ich brauche keine Fotos mehr und muss zu einem Ende kommen. Irgendwann habe ich den Satz geschrieben: Vergangenheit steht auf und öffnet alle Türen. Was war, wird immer und immer wieder sein.
Aber jetzt erkenne ich, dass er nur teilweise stimmt. Denn für mich ist zwar in dieser Nacht die Vergangenheit aufgestanden und hat nicht alle, aber viele Türen geöffnet. Aber diese werden nun von mir geschlossen werden um nie mehr aufzugehen.
Meine Greti ist nicht mehr, ich habe vor einigen Tagen, was an ihr sterblich war, in die Erde gelegt und gehe daran, jetzt, nach einer langen Nacht, auch ihr Bild und alles, was diese Frau für mich bedeutete, selbst die Erinnerungen an 44 unwiederbringliche Jahre, zu begraben“

 

Hinterberger

Ernst Hinterberger (Wenen, 17 oktober 1931)

 

De Amerikaanse schrijver Nathanael West werd geboren  op 17 oktober 1903 in New York als Nathan Wallenstein Weinstein. Hij was in 1933 van de Oostkust naar Los Angeles vertrokken om als scenarist te werken aan een verfilming van zijn succesroman Miss Lonelyhearts, over een mannelijke Lieve Lita die het leed van al zijn correspondenten op zijn schouders neemt. Het leidde tot niets, maar twee jaar later keerde West toch terug naar Hollywood, waar hij in een goedkoop hotelletje dito scripts afleverde en voortschreef aan zijn magnum opus The Cheated. De roman, over een viertal sappelaars in de marge van de filmindustrie, zou onder de titel The Day of the Locust verschijnen – een jaar voordat West bij een auto-ongeluk om het leven kwam.

 

Uit: The Day of the Locust

 

„Around quitting time, Tod Hackett heard a great din on the road outside his office. The groan of leather mingled with the jangle of iron and over all beat the tattoo of a thousand hooves. He hurried to the window.

An army of cavalry and foot was passing. It moved like a mob; its lines broken, as though fleeing from some terrible defeat. The dolmans of the hussars, the heavy shakos of the guards, Hanoverian light horse, with their flat leather caps and flowing red plumes, were all jumbled together in bobbing disorder. Behind the cavalry came the infantry, a wild sea of waving sabretaches, sloped muskets, crossed shoulder belts and swinging cartridge boxes. Tod recognized the scarlet infantry of England with their white shoulder pads, the black infantry of the Duke of Brunswick, the French grenadiers with their enormous white gaiters, the Scotch with bare knees under plaid skirts.

While he watched, a little fat man, wearing a cork sun-helmet, polo shirt and knickers, darted around the corner of the building in pursuit of the army.

“Stage Nine—you bastards—Stage Nine!” he screamed through a small megaphone.

The cavalry put spur to their horses and the infantry broke into a dogtrot. The little man in the cork hat ran after them, shaking his fist and cursing.

Tod watched until they had disappeared behind half a Mississippi steamboat, then put away his pencils and drawing board, and left the office. On the sidewalk outside the studio he stood for a moment trying to decide whether to walk home or take a streetcar. He had been in Hollywood less than three months and still found it a very exciting place, but he was lazy and didn’t like to walk. He decided to take the streetcar as far as Vine Street and walk the rest of the way.

A talent scout for National Films had brought Tod to the Coast after seeing some of his drawings in an exhibit of undergraduate work at the Yale School of Fine Arts. He had been hired by telegram. If the scout had met Tod, he probably wouldn’t have sent him to Hollywood to learn set and costume designing. His large, sprawling body, his slow blue eyes and sloppy grin made him seem completely without talent, almost doltish in fact.“

 

nathanael_west

Nathanael West (17 oktober 1903 – 22 december 1940)

 

De Oostenrijkse schrijver, vertaler en criticus Alfred Polgar werd geboren op 17 oktober 1873 in Wenen. Na het gymnasium en de handelsschool werd hij in 1895 redacteur bij de Wiener Allgemeine Zeitung. Vanaf 1905 begon hij regelmatig te schrijven voor Die Schaubühne. Zijn eerste boek Der Quell des Übels verscheen in 1908. In deze jaren was Polgar vaak aan te treffen in Café Central, waar hij verkeerde in het gezelschap van  Peter Altenberg, Anton Kuh en Egon Friedell. Tijdens WO I werkte Polgar voor het oorlogsarchief, maar bleef ook voor kranten schrijven. In de jaren 1920 leefde hij overwegend in Berlijn. In 1933 emigreerde hij via een omweg naar de VS. Hij werkte er o.a als draaiboekschrijver voor Metro-Goldwyn-Mayer. In 1943 werd hij Amerikaans staatsburger en woonde hij in N
ew York. In 1949 keerde hij terug naar Europa en vestigde zich in Zürich.

 

Uit: Der Dienstmann

“Mein Dienstmann ist alt und bucklig. Er trägt große Röhrenstiefel, einen dicken grauen Schal und Wollhandschuhe, die durch eine um den Nacken gelegte Schnur miteinander verbunden sind. Sozusagen: kommunizierende Handschuhe. Er hat eine rote, aufgequollene Nase und einen schwarzen Schnurrbart, dessen struppige Bürste die Oberlippe ganz verdeckt. In seinen wässerigen, runden Augen spiegelt sich unbedingte Treuherzigkeit.

Sein Standplatz ist an der Straßenecke. Vor der Apotheke. An den drei andern, durch die Straßenkreuzung gebildeten Ecken stehen auch Dienstmänner. Ein glattrasierter, ein langer, ein rotblonder Durchschnittsdienstmann. Die drei sind miteinander gut Freund, meinen Buckligen mögen sie nicht. Er hat ihnen kaum was

 

Böses getan, aber er ist billig. Er drückt die Preise. Nicht um den Kollegen schäbige Konkurrenz zu machen, sondern aus kaufmännischem Zartgefühl. Niemals wird er auf die Frage: »Was bekommen Sie?« anders antworten als: »Was der Herr meinen.«

Mein Dienstmann ist ein Muster an Takt. Kürzlich holte er mir die Uhr aus dem Versatzamt. Ich wartete beim Friseur. Er kam mit der Uhr und sagte laut: »So, da ist sie. Der Uhrmacher meint, jetzt wird sie schon richtig gehen.« Ich fragte: »Was haben Sie dafür gezahlt?«

Er, vor Verlegenheit und so leise wie möglich: »61 Schilling.« Der Friseur empörte sich: »Na, so was! Jetzt kost’ eine Uhr reparieren so viel wie früher a neue. Gauner, miserablige.« Der Dienstmann stimmte lebhaft zu, und die beiden sangen ein Klagelied auf die schlechten Zeiten. »Was bekommen Sie?« . . . »Was der Herr meinen.«

Er hatte ein hölzernes, schwarz und hohl gesessenes Bänkchen. Das stand tagsüber vor der Apotheke, nachts genoß es Gastfreundschaft in ihr. Es ereignete sich, daß dieses Bankdepot meines Dienstmanns abhanden kam.“

 

Polgar

Alfred Polgar (17 oktober 1873 – 24 april 1955)

 

 

De dichter Jupiter Hammon werd geboren op 17 oktober 1711. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2006.

Günter Grass, Oscar Wilde, Dimitri Verhulst, Gerold Späth, Guðbergur Bergsson, Dino Buzzati, Albrecht von Haller

De Duitse schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk, Polen) op 16 oktober 1927. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2006 en ook mijn blog van 16 oktober 2007.

 

Uit: Mein Jahrhundert

“Beinhart sei ich, heißt es. Was soll’s! Hätte ich etwa, nur weil ich eine Frau bin, Schwäche zeigen sollen? Der mich hier niederschreibt und meint, mir ein Zeugnis ausstellen zu dürfen – »Sozialverhalten mangelhaft!« –, wird, bevor er meine unterm Strich stets erfolgreichen Tätigkeiten als Pleiten auspinselt, zur Kenntnis nehmen müssen, daß ich alle, aber auch alle Untersuchungsausschüsse bei bester Gesundheit, das heißt unbeschadet überstanden habe und auch im Jahr 2000, wenn dann die Expo läuft, allen Korinthenkackern und Fliegenbeinzählern gewachsen sein werde. Sollte ich aber fallen, weil plötzlich diese Sozialromantiker das Sagen haben, werde ich weich fallen und mich auf unseren Familiensitz mit Elbblick zurückziehen, der mir blieb, als Papa, einer der letzten großen Privatbankiers, in den Bankrott getrieben wurde. Dann werde ich »Was soll’s« sagen und den Schiffen, besonders den Containerschiffen mein Augenmerk schenken: wie sie stromaufwärts nach Hamburg ziehen oder von dort tiefliegend, weil schwer beladen, Richtung Elbmündung ins Meer, den vielen Meeren entgegen Kurs halten. Und wenn dann bei Sonnuntergang Stimmung aufkommt, der Fluß alle Farben durchspielt, werde ich nachgeben, mich den schnell zerfließenden Bildern hingeben, nur noch Gefühl sein, ganz weich…

Aber ja! Ich liebe die Poesie, doch auch das monetäre Wagnis, gleichfalls das Nichtkalkulierbare, wie einst die »Treuhand«, die unter meiner, schließlich nur unter meiner Aufsicht Milliarden bewegt, vieltausend Betriebsruinen in Rekordzeit abgewickelt und Leerraum fürs Neue geschaffen hat, weshalb dieser Herr, der offenbar vorhat, die von mir für erbrachte Leistung gewährten Spitzengehälter mit unvermeidbaren Sanierungsschäden zu verrechnen, einen – wie gehabt – übergewichtigen Roman plant, in dessen Verlauf er mich mit einer Figur aus dem Werk des Dichters Fontane in Vergleich bringen will, nur weil eine gewisse »Frau Jenny Treibel« es genau wie ich verstanden hat, das Geschäftliche mit der Poesie zu verbinden…

Warum nicht? Werde fortan nicht nur die beinharte »Frau Treuhand« sein – auch »Eiserne Lady« genannt –, sondern obendrein zum Bestand der Literaturgeschichte gezählt werden. Dieser Sozialneid und Haß auf uns Besserverdienende! Als hätte ich mir den einen, den anderen Job ausgesucht. Jedesmal rief die Pflicht. Berufen wurde ich jedesmal, ob nach Hannover als Minister für Wirtschaft oder später ins große Haus in der Wilhelmstraße, als dort mein Vorgänger – von wem wohl? – einfach weggeschossen wurde, worauf bei der Treuhand Not am Mann war. So auch die Expo 2000. Hat man mir aufgedrängt, und zwar, weil ich Wagnisse nicht scheue, weil ich niemandem, allenfalls dem Markt hörig bin und Verluste wegstecken kann, weil ich Schulden mache, die sich lohnen, und weil ich jedes Ding beinhart durchstehe, koste es, was es wolle…

 

 

Guenter_Grass

Günter Grass (Danzig, 16 oktober 1927)

 

 

De Iers-Engelse schrijver Oscar Wilde werd geboren op 16 oktober 1854 in Dublin. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2006  en ook mijn blog van 16 oktober 2007.

 

Uit: The Picture of Dorian Gray by Oscar Wilde

 

The studio was filled with the rich odor of roses, and when the light summer wind stirred amidst the trees of the garden there came through the open door the heavy scent of the lilac, or the more delicate perfume of the pink-flowering thorn.

From the corner of the divan of Persian saddle-bags on which he was lying, smoking, as usual, innumerable cigarettes, Lord Henry Wotton could just catch the gleam of the honey-sweet and honey-colored blossoms of the laburnum, whose tremulous branches seemed hardly able to bear the burden of a beauty so flame-like as theirs; and now and then the fantastic shadows of birds in flight flitted across the long tussore-silk curtains that were stretched in front of the huge window, producing a kind of momentary Japanese effect, and making him think of those pallid jade-faced painters who, in an art that is necessarily immobile, seek to convey the sense of swiftness and motion. The sullen murmur of the bees shouldering their way through the long unmown grass, or circling with monotonous insistence round the black-crocketed spires of the early June hollyhocks, seemed to make the stillness more oppressive, and the dim roar of London was like the bourdon note of a distant organ.

In the centre of the room, clamped to an upright easel, stood the full-length portrait of a young man of extraordinary personal beauty, and in front of it, some little distance away, was sitting the artist himself, Basil Hallward, whose sudden disappearance some years ago caused, at the time, such public excitement, and gave rise to so many strange conjectures.

As he looked at the gracious and comely form he had so skilfully mirrored in his art, a smile of pleasure passed across his face, and seemed about to linger there. But he suddenly started up, and, closing his eyes, placed his fingers upon the lids, as though he sought to imprison within his brain some curious dream from which he
feared he might awake.

“It is your best work, Basil, the best thing you have ever done,” said Lord Henry, languidly. “You must certainly send it next year to the Grosvenor. The Academy is too large and too vulgar. The Grosvenor is the only place.”

 

oscar-wilde

Oscar Wilde (16 oktober 1854 – 30 november 1900)

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Dimitri Verhulst werd op 2 oktober 1972 geboren in Aalst. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2006 en ook mijn blog van 16 oktober 2007 en eveneens mijn blog van 2 oktober 2008. (Zijn geboortedatum werd mij pas nu bekend: daarom staat hij er hier nog een maal bij.)

 

 

Liefde over duizend jaar

 

Liefde over duizend jaar
dat zijn jij en ik vandaag
maar dan op betere matrassen

Misschien de mannen
iets of wat langere kalebassen
in retromodieuze kamerjassen.
Misschien de vrouwen
nog meer nachtcrème in hun vouwen
en de stiltes tussen hen
al te danig draaglijk

Men tost of men de cd van de specht
of die van een kwakend beest opzet
als men geniepig gaat vossen
in de plastic bossen
van Barvaux of daaromtrent.

Liefde over duizend jaar;
die helse hemel en evenzeer onzeker
als jij en ik vandaag.

 

 

 

Opdracht

 

De vensters behangen met langdurige landschappen,
een zak met slanke handen aan een meisje voeren
van achter de tralies die mijn vingers zijn.

Een ooggetuige van het zwart uithoren
op de hoek van twee nachten
en geduldig wachten
tot de schaduw uit de bomen valt.

Mijn ogen wegens verbouwing sluiten
en haarfijn dromen
dat ik een ver verwant werd van mijzelf.

Van mijn verveling grote vliegers vouwen,
van de vissen de schaliedekker zijn
en van de mens de mens.

Een steentje in de diepte van mijn droefheid gooien
en tellen tot ik de tel kwijt ben.
En herbeginnen.

 

Verhulst_16

Dimitri Verhulst (Aalst, 2 oktober 1972)

 

De Zwitserse schrijver Gerold Späth werd geboren op 16 oktober 1939 in Rapperswil. Hij stamt uit een familie van orgelbouwers. Hij volgde een opleiding tot exporteur en verbleef langere tijd in Vevey, Londen en Freiburg im Üchtland.  In 1968 begon hij met schrijven, maar tot 1975 bleef hij ook nog werken in het orgelbouwbedrijf van zijn vader. Tegenwoordig woont hij met zijn gezin In Ierland en Italië. Späth schrijft romans, toneelstukken en hoorspelen.

Werk o.a:  Heißer Sonntag, 1971, Phönix, die Reise in den Tag, 1978, Verschwinden in Venedig, 1985, Eis und Wasser, 1999, Familienpapiere, 2003, Aufzeichnungen eines Fischers (das erste Jahr), 2006

Uit: Stilles Gelände am See

 

Nie stiller der See als in den letzten Tagen des März. Dicht. Reglos. Ganz versammelt und aus schwerem Glanzmetall, silberdunkel verbleit. In dieser Zeit, die stillestand, kippte der mürbe Winter und zerfiel und versickerte. Ein allererster warmer Hauch hing als ein unsichtbarer Schwebevorhang in der Luft und machte die Vögel pfeifen von den Wipfeln und Türmen herab, und aus Ritzen und
Spalten in Mauern und unter der Täfelung hervor kamen die Winterfliegen lahm ans Licht gekrochen in eine neue Welt, und über den feuchten Klafterbeigen am Waldrand, wo die Holzer die Buchen umgelegt und zersägt hatten im Schnee, tanzten die ersten Eintagsfliegen, fragiler als das zerbrechlichst hingehauchte Seidenglasgespinst.

 

spaeth2

Gerold Späth (Rapperswil, 16 oktober 1939)

 

De IJslandse schrijver Guðbergur Bergsson werd geboren op 16 oktober 1932 in Grindavik. In 1955 studeerde hij af aan de Pedagogische Hogeschool. Voor verdere studie ging hij naar Spanje, een land waarmee hij zich altijd verbonden zou blijven voelen. In Barcelona studeerde hij Spaans, literatuur en kunstgeschiedenis. Zijn eerste roman Músin sem læðist (Duits Die Maus auf der Lauer) en de gedichtenbundel Endurtekin orð verschenen in 1961. Daarna heeft hij talrijke werken geschreven, waaronder 20 romans. Bergssons verbondenheid met Spanje blijkt uit de vele vertalingen van schrijvers als Cervantes, Gabriel García Marquez en Federico García Lorca.

 

Uit: Blue Eyes in a Pool of Sharks

 

Jesus, a leader of an upcoming universal power knew that he would soon be physically destroyed when he heard women cry over his condition. He then turned to them and said: “Daughters of Jerusalem don’t cry over me, cry rather over you and your children.”
At that time the Roman Empire dominated the world and the lesson Jesus gave reminded people that destruction was not something that would only happen to him but also to future generations. He seems to have already known that in spite of being the Saviour of the world, his death, uprising and the ethics of his learning, destruction as such would go on having future and be constant in acting of Christian nations, at least the European.
Devastation was obviously the nature of great powers.
Till our days they succeed one after another and nothing has changed, people live in constant fear the land and they themselves would be destroyed. So daughters and sons of Iceland will still have to cry over their land which is only a small part of the world at this moment due to globalisation of economical growth which has in stead of promised glory brought widespread hate in form of terror, hate as ethics and revenge, a claim for justice. In our time hate has become a sense of justice.
Because of globalisation there is no reason why we in this country should only cry over our condition. Of course to everyone the nature of a homeland is dearer than the one of others. The world is too big for an individual to have true feelings for it, at least not in details. Feelings for faraway nations with strange sounding names tend to be abstract rather than real, more intellectual than emotional.
This is at least so in my case. I have sailed up the Yangtze River through the impressive XiLing Gorges before that beautiful phenomena of nature was going to disappear for ever in name of Chinas giant progress. I saw cities along the riverbanks, empty houses without dwellers; citizens had been chased away and the rivers turbulent brown water to supply power stations for heavy industry was to take their place.“

 

bergsson

Guðbergur Bergsson (Grindavik, 16 oktober 1932)

 

De Italiaanse schrijver Dino Buzzati werd geboren op 16 oktober 1906 in San Pellegrino. Hij studeerde op wens van zijn vader rechten en en werd tijdens zijn militaire dienst opgeleid tot officier. In 1928 werd hij medewerker van de
Corriere della Sera, een krant waaraan hij, alleen onderbroken door WO II, tot aan zijn dood verbonden bleef. Behalve schrijver was hij ook schulder en tekenaar. Zijn werk wordt tot het surrealisme gerekend. Zijn roman Il deserto dei Tartari uit 1940 draagt sporen van het existentialisme.

 

Uit: The Bewitched Businessman (Vertaald door Sarah Gibbs)

 

„”Here we are,” whispered Gaspari. “Now I go forward with the plank.”
Whereupon, holding the board in his hands, he let himself fall slowly into the middle of the bushes, closely followed by the boys. Without the enemy being aware of them, they succeeded in reaching the desired point.
But here Gaspari stopped short, as if absorbed in thought (the cloud still hung over them and from afar came a plaintive cry like a wail). What a queer turn of events, he thought — only two hours ago I was in the inn, with my wife and the children, seated at table; and now I am in this unexplored land, thousands of miles away, fighting with savages.
Gaspari looked around him. No longer was there a little valley suitable for boys’ games, nor were there ordinary hills like cakes, nor was there the road that led up the valley, or the inn, or the red tennis court. He saw below him huge cliffs, different from any he remembered, that fell away endlessly toward waves of forests; he saw beyond that the quaking reflection of deserts; and still farther on he perceived other lights, confused signs indicating the mystery of the world. And here in front of him, on top of the cliff, was a sinister fortified town; gloomy walls supported it crookedly and the flat roofs were crowned with skulls, gleaming in the sunlight, skulls that seemed to be laughing. The country of curses and myths, of intact solitudes, the ultimate truth granted in our dreams!
A wooden door (which did not exist) stood ajar; it was covered with mysterious signs, and groaned at every puff of wind. Gaspari was the closest to it, perhaps two feet away. He began to raise the plank slowly, so as to let one end of it drop on the opposite bank.
“Treachery!” shouted Sisto at that very moment, perceiving the attack, and jumped to his feet, laughing, armed with a great bow. When he spied Gaspari he stopped for a moment, surprised. Then he drew a wooden arrow out of his pocket, a harmless shaft; he fitted it into the cord of his bow and took aim.
But meanwhile from the half-open door covered with obscure signs (which did not exist) Gaspari saw a wizard come out, all scaly with leprosy and hell. He saw him draw himself up to a great height, his eyes gazing with a soulless stare, a bow in his hand, drawn back with infernal force. Gaspari let go of the plank then, and drew back in alarm. But the other had already shot his arrow.
Struck in the chest, Gaspari fell among the bushes.“

 

buzzati3

Dino Buzzati (16 oktober 1906 – 28 januari 1972)

 

De Zwitserse dichter, arts, en natuurwetenschapper Albrecht von Haller werd geboren in Bern op 16 oktober 1708.  Hij studeerde medicijnen onder Boerhaave en Willem Jacob ’s Gravesande in Leiden, waar hij in 1727 zijn doctorstitel behaalde. In Leiden sloot hij vriendschap met Johannes Gessner, met wie hij zijn studie in Parijs voortzette en aansluitend een rondreis door Zwitserland maakte. Met Gessner studeerde Haller in 1728 ook wiskunde in Bazel.

Hij keerde in 1729 naar Bern terug en gaf de dichtbundel Versuch Schweizerischer Gedichte uit. Hij werd later vooral bekend door zijn gedicht Die Alpen. In 1735 werd op zijn advies een anatomisch theater geopend in Bern en werd Haller stadsbibliothecaris. Van 1736 tot 1753 werkte Haller aan de nieuwe universiteit van Göttingen als professor in de anatomie, botanica en chemie. Daarnaast kwamen er monografieën van zijn hand uit op het gebied van anatomie en de fysiologie. In 1749 werd hij door keizer Frans I Stefan in de adelstand verheven. Na 1753 keerde hij naar Bern terug en aanvaardde een bescheiden post: het beheer van de zoutwerken in Bex en la Roche. Von Haller werd lijfarts van de koning van Engeland en kreeg aanbiedingen uit Utrecht, Oxford, Halle en Berlijn. In 1764 trok hij zich terug.

 

 

Die Alpen (fragment)

 

Versuchts, ihr Sterbliche, macht euren Zustand besser,
Braucht, was die Kunst erfand und die Natur euch gab;
Belebt die Blumen-Flur mit steigendem Gewässer,
Teilt nach Korinths Gesetz gehaune Felsen ab;
Umhängt die Marmor-Wand mit persischen Tapeten,
Speist Tunkins Nest aus Gold, trinkt Perlen aus Smaragd,

Schlaft ein beim Saitenspiel, erwachet bei Trompeten,
Räumt Klippen aus der Bahn, schließt Länder ein zur Jagd;
Wird schon, was ihr gewünscht, das Sc
hicksal unterschreiben,
Ihr werdet arm im Glück, im Reichtum elend bleiben!

 

Wann Gold und Ehre sich zu Clives Dienst verbinden,
Keimt doch kein Funken Freud in dem verstörten Sinn.
Der Dinge Wert ist das, was wir davon empfinden;
Vor seiner teuren Last flieht er zum Tode hin.
Was hat ein Fürst bevor, das einem Schäfer fehlet?
Der Zepter ekelt ihm, wie dem sein Hirten-Stab.
Weh ihm, wann ihn der Geiz, wann ihn die Ehrsucht quälet,
Die Schar, die um ihn wacht, hält den Verdruß nicht ab.
Wann aber seinen Sinn gesetzte Stille wieget,
Entschläft der minder sanft, der nicht auf Federn lieget?

haller

Albrecht von Haller (16 oktober 1708 – 12 december 1777)

A. F.Th. van der Heijden, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse, Italo Calvino, Tessa de Loo, Mario Puzo, Friedrich Nietzsche, Vergilius

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2007.

 

Uit: Het schervengericht

 

‘Hoe heet jij?’
‘Ik blijf me niet voorstellen.’
‘Je naam.’
‘Scott Maddox.’
‘Hoe heet je echt?’
‘Maddox, Scott. Vraag het Carhartt. Vraag het
De Griek.’
‘Die weten niet beter.’
‘Als jij het beter weet, zeg het dan.’
‘Scott, wie ben jij?’
‘Een heel andere vraag.’
‘Zeg me wie je bent. Ik heb er recht op.’
‘Wil je me leren kennen?’ schreeuwde hij opeens.
Hij begon aan de kram te rukken waarmee het uiteinde van het verband in zijn nek vastzat. Doordat hij van zijn ingezwachtelde handen alleen de ontvelde vingertoppen
kon gebruiken, kwam het stukje metaal met z’n weerhaakjes steeds dieper in het gaas vast te zitten.
‘Doe geen moeite,’ zei Remo. ‘Ik weet wie je bent.’
‘Ik weet wie jij bent. Daarom doe ik die moeite juist.’
‘Jij was het.’
‘Ik was wat?’
‘Jij hebt het gedaan.’
‘Wat?’
‘Mijn vrouw.’
‘Die is in het kraambed gestorven.’
‘Nog voor de kleine er was, ja.’
‘Ik heb niets gedaan. Ik ben geen verloskundige.’
‘Je personeel.’
‘Ik zie het nu,’ zei Maddox.
‘De regisseur.’
‘De regisseur, Scott, dat ben jij.’
‘Twee regisseurs, voor anker aan hun dekzwabber.’
‘Ze hebben allebei hun dromen geregisseerd.’
‘Bij jou was het kunstlicht en namaakbloed. Ik ben je de baas.’
Remo liet de steel van zijn trekker los, en klauwde met tien vingers tegelijk in de verbandkluwen rond Maddox’ hoofd. ‘Jij bent…’ Met zulke hevig trillende handen was het niet gemakkelijk een begin te maken met het afwikkelen van de windsels. En dan waren er
nog de krammen, waarvan er een op het achterhoofd zat. Remo haakte twee vingers achter een strook verband, en trok. Maddox steunde van de pijn, en duwde zijn omzwachtelde handen tegen Remo’s borst, maar zonder veel kracht.
‘Ik ben het,’ klonk het dof uit een mond die nu achter het verschoven verband schuilging. ‘Ik ben die ik ben. Ik ben die ben.’
Remo bleef trekken. De windsels kwamen in lussen los. Er hing een hele wolk van tussen hun hoofden. De onderste laag, die vastgeplakt zat in de brandwonden, moest met nog meer geweld losgetrokken worden.
Maddox hield zijn pijnkreten gedempt, misschien om de bewakers niet te alarmeren.
Naar onderen toe werden de zwachtels smeriger. Groenig van pus en zalf, en bevlekt met bijna zwartgeworden bloed. Remo trok, en Maddox draaide rond zijn as, zichzelf los windend van het verband.
‘Wie ben jij?’
Nog steeds geen gezicht. Het ging schuil achter een samenstel van zachte, bruine wondkorsten, waartussen stippellijnen van opkomend bloed liepen, dat spoedig rijkelijk begon te lekken.
‘Je ziet toch wie ik ben.’

 

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

 

 

 

De Russische dichter en schrijver Michail Joerjevitsj Lermontov werd geboren op 15 oktober 1814 in Moskou. Zie ookmijn blog van 15 oktober 2006.

 

 

Ich möchte leben! Möchte leiden

Ich möchte leben! Möchte leiden,
Als gäb es Liebe nicht noch Glück;
Verzärtelt ward mein Geist von beiden
Und allzu sorglos mein Geschick.

Mag nur der Hohn der Welt verjagen
Der Ruhe trügerischen Wahn;
Was ist ein Dichter ohne Plagen?
Was ohne Sturm der Ozean?

 

Er lebt nur um den Preis von Qualen,
Den Preis von Kummer ganz allein,
Und Ruhm möcht ehrlich er bezahlen,
Des Himmels Töne kauft er ein.

 

 

 

Wir trennten uns, doch dein Porträt

 

Wir trennten uns, doch dein Porträt
Bewahr am Busen ich bis heut.
Erfreut’s mir doch das Herz wie eh
Als blasses Abbild schönrer Zeit.

 

Da schon in andrer Liebe Joch
Ich ging, vergessen konnt ich’s nicht.
Verlaßner Dom bleibt Kirche noch,
Gott bleibt, wenn auch sein Bild zerbricht.

 

 

Vertaald door Barbara Heitkam

 

 

Das Blatt

 

Es ward einst ein Blatt von der heimischen Eiche geschlagen
Und ward von dem Sturme zur baumleeren Steppe getragen;
Es welkte vor Gram und vor Hitze und Kälte geschwind,
Da trug es endlich zum Schwarzen Meere der Wind.

 

Hier sieht es am Meer eine junge Platane aufsteigen –
Sanft säuselt der Wind durch die Blätter und spielt mit den Zweigen;
Es wiegen Paradiesvögel sich auf den Ästen und singen,
Der Meeresprinzessin zum Ruhm ihre Lieder erklingen.

 

Schüchtern naht sich das wandernde Blättchen
dem blühenden Baume
Und fleht um Obdach und Schutz in dem schattigen Raume,
So spricht es: »Ich bin das verwaiste Blatt einer Eiche,
Vom Sturme entrissen der Heimat rauhem Bereiche;

 

Ganz einsam und ziellos, so flog ich im endlosen Kummer,
Nicht Obdach konnte ich finden, nicht Nahrung noch
Schlummer –
In deinen smaragdenen Blättern erlös mich der Plagen,
Ich will dir’s vergelten; kenn viele Geschichten und Sagen…«

 

»Du, heb dich hinweg!« sprach der Baum – »du bist
von den Wettern
Vergilbt und verdorrt und gleichst nicht meinen
übrigen Blättern.
Hast vieles gesehn, doch was soll ich mit deinem Erzählen?
Ich muß mich genug mit dem Singsang der Vögel schon quälen.

 

Nein, geh deinen Weg – bei mir wirst du umsonst dich bemühen!
Mich liebt die Sonne – und ihr nur gehört mein Blühen;
Stolz sind meine Zweige empor zum Himmel gebogen,
Die Wurzeln mir waschen des Meeres dienstbare Wogen.«

 

 

Vertaald door Friedrich Bodenstedt

Michail Lermontov (15 oktober 1814 –  27 juli 1841)

Portret door Pyotr Zabolotsky,1837

 

De Brits-Amerikaanse schrijver Grenville Wodehouse werd geboren op 15 oktober 1881 in Guildford. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006.

Uit: The Code of the Woosters

„I reached out a hand from under the blankets, and rang the bell for Jeeves.
‘Good evening, Jeeves.’
‘Good morning, sir.’
This surprised me.
‘Is it morning?’
‘Yes, sir.’
‘Are you sure? It seems very dark outside.’
‘There is a fog, sir. If you will recollect, we are now in Autumn — season of mists and mellow fruitfulness.’
‘Season of what?’
‘Mists, sir, and mellow fruitfulness.’
‘Oh? Yes. Yes, I see. Well, be that as it may, get me one of those bracers of yours, will you?’
‘I have one in readiness, sir, in the ice-box.’
He shimmered out, and I sat up in bed with that rather unpleasant feeling you get sometimes that you’re going to die in about five minutes. On the previous night, I had given a little dinner at the Drones to Gussie Fink-Nottle as a friendly send-off before his approaching nuptials with Madeline, only daughter of Sir Watkyn Bassett, CBE, and these things take their toll. Indeed, just before Jeeves came in, I had been dreaming that some bounder was driving spikes through my head — not just ordinary spikes, as used by Jael the wife of Heber, but red-hot ones.
He returned with the tissue-restorer. I loosed it down the hatch, and after undergoing the passing discomfort, unavoidable when you drink Jeeves’s patent morning revivers, of having the top of the skull fly up to the ceiling and the eyes shoot out of their sockets and rebound from the opposite wall like racquet balls, felt better. It would have been overstating it to say that even now Bertram was back again in mid-season form, but I had at least slid into the convalescent class and was equal to a spot of conversation.
‘Ha!’ I said, retrieving the eyeballs and replacing them in position. ‘Well, Jeeves, what goes on in the great world? Is that the paper you have there?’
‘No, sir. It is some literature from the Travel Bureau. I thought that you might care to glance at it.’
‘Oh?’ I said. ‘You did, did you?’
And there was a brief and — if that’s the word I want — pregnant silence.
I suppose that when two men of iron will live in close association with one another, there are bound to be occasional clashes, and one of these had recently popped up in the Wooster home. Jeeves was trying to get me to go on a Round-The-World cruise, and I would have none of it. But in spite of my firm statements to this effect, scarcely a day passed without him bringing me a sheaf or nosegay of those illustrated folders which the Ho-for-the-open-spaces birds send out in the hope of drumming up custom. His whole attitude recalled irresistibly to the mind that of some assiduous hound who will persist in laying a dead rat on the drawing-room carpet, though repeatedly apprised by word and gesture that the market for same is sluggish or even non-existent.“


P.G. Wodehouse (15 oktober 1881 – 14 februari 1975)

 

De Italiaanse schrijver Italo Calvino werd geboren in Santiago de las Vegas op Cuba op 15 oktober 1923. In 1925 keert de familie terug naar Italië, San Remo, de geboorteplaats van zijn vader, die landbouwkundig ingenieur was. Zijn moeder was biologe en afkomstig uit Sardinië. Na zijn gymnasiumopleiding, schreef hij zich in aan de universiteit van Turijn om, in de voetsporen van zijn vader, landbouwkunde te gaan studeren. In 1943 gaf hij zijn studie op om zich bij de partizanen aan te sluiten tijdens het verzet in de Alpes Maritimes. In 1945 keerde hij terug naar de universiteit van Turijn maar dan als student aan de Letterenfaculteit, waar hij in 1947 afstudeerde met een scriptie over Joseph Conrad. Na de bevrijding werd hij actief lid van de Communistische Partij van Italië (PCI) en werkte hij mee aan communistische dagbladen en tijdschriften. In Turijn kwam hij al snel in contact met de intellectuelen die verbonden waren aan de uitgeverij Einaudi, zoals Cesare Pavese en Elio Vittorini en wordt hij medewerker van het tijdschrift ‘Il Politecnico’. In 1947 werd, door Einaudi, de korte roman Il sentiero dei nidi di ragno gepubliceerd en bleek Calvino een veelbelovend schrijver van de nieuwe neorealistische literatuur te zijn. Vanaf 1950 is hij werkzaam op de redactie van Einaudi, de uitgeverij waarvan hij van 1955 tot 1961 directeur werd. Gedurende deze periode publiceerde hij een verhalenbundel Racconti (1958) en drie romans gebundeld in I nostri antenati (1960). Na onenigheid over de te volgen politieke lijn zegde hij in 1957 zijn lidmaatschap van de PCI op en samen met Elio Vittorini richtte hij in 1959 het tijdschrift ‘Il Menabò’ op. In 1960 verbleef hij zes maanden in de Verenigde Staten en daarna woonde hij een tijd in Rome terwijl hij, door een steeds groeiende interesse voor de Franse cultuur, lange periodes in Parijs doorbracht. Hij had aandacht voor de ontwikkelingen die zich begin jaren zestig voordeden, zowel aan het nieuw linkse front als aan het front van de neo avant-garde (Gruppo ’63) maar hield er afstand van. In La giornata di uno scrutatore (1963) geeft hij zijn visie op de crisis van links. Hij volgde de eerste uitingen van de studentenopstand in Italië en in Frankrijk aandachtig en ook al was hij het eens met de kritische en anti- autoritaire houding van de studenten, dit kwam niet tot uiting in zijn werk, zoals blijkt uit Le città invisibili (1972) en Il castello dei destini incrociati (1973). Zijn internationale faam breidde zich snel uit door de vertalingen van zijn werken.

Uit: If  on a winter’s night a traveller (Se una notte d’inverno un viaggiatore)

“… I’m speaking to you two, a fairly unrecognisable tangle under the rumpled sheet. Maybe afterward you will go your separate ways and the story will again have to shift gears painfully, to alternate between the feminine tu and the masculine; but now, since your bodies are trying to find, skin to skin, the adhesion most generous in sensations, to transmit and receive vibrations and waves, to compenetrate the fullnesses and the voids, since in mental activity you have also agreed on teh maximum agreement, you can be addressed with an articulated speech that includes you both in a sole, two-headed person. First of all the field of action, or of existence, must be established for this double entity you form. Where is the reciprocal indentification leading? What is the central theme that recurs in your variations and modulations? A tension concentrated on not losing anything of its own potential, on prolonging a state of reactivity, on exploiting the accumullation of the other’s desire in order to multiply one’s own charge? Or is it the most submissive abandonment, the exploration of the immensity of strokable and reciprocally stroking spaces, the dissolving of one’s being in a lake whose surface is infinitely tactile? In both situations you certainly do not exist except in relation to each other, but, to make those situations possible, your respective egos have not so much to erase themselves as to occupy, without reserve, all the void of the mental space, invest in itself at the maximum interest or spend itself to the last penny. In short, what you are doing is very beautiful but grammatically it doesn’t change a thing. At the moment when you most appear to be a united voi, a second person plural, you are two tus, more separate and circumscribed than before.

(This is already true now, when you are still occupied, each with the other’s presence, in an exclusive fashion. Imagine how it will be in a little while, when ghosts that do not meet will frequent your minds, accompanying the encounters of your bodies tested by habit.)

Ludmilla, now you are being read. Your body is being subjected to a systematic reading, through channels of tactile information, visual, olfactory, and not without some intervention of the taste buds. Hearing also has its role, alert to your gasps and your trills. It is not only the body that is, in you, the object of raeding: the body matters insofar as it is part of a complex of elaborate elements, not all visible and not all present, but manifested in visible and present events: the clouding of your eyes, your laughing, the words you speak, your way of gathering and spreading your hair, your initiatives and your reticences, and all the signs that are on the frontier between you and usage and habits and memory and prehistory and fashion, all codes, all the poor alphabets by which one human being believes at certain moments that he is reading another human being.”


Italo Calvino (15 oktober 1923 – 19 november 1985)

 

De Nederlandse schrijfster Tessa de Loo (pseudoniem van Tineke Duyvené de Wit) werd op 15 oktober 1946 in Bussum geboren als oudste van het gezin. Ze bracht haar jeugd door in Amsterdam en Oss. Op de MSS ontdekte ze haar liefde voor literatuur en ontwikkelde ze haar passie voor het schrijven. Na de middelbare school wilde ze het liefst naar de kunstacademie, maar op advies van haar ouders ging ze de MO-opleiding Nederlands in Utrecht volgen. Ze trouwde op twintigjarige leeftijd en vier jaar later werd zoon Joris geboren. Ze brak toen haar studie af en staakte ook haar schrijfpogingen. Ze is een paar jaar lerares in de Achterhoek, waar het gezin intussen heen is verhuisd. Begin 1973 verhuisden ze opnieuw, dit maal naar Texel, waar De Loo ook les gaf. Op Texel ontdekte ze dat ze nog steeds de ambitie had om schrijver te worden. In 1975 stuurde ze voor een wedstrijd in Vrij Nederland een verhaal in dat enthousiast werd ontvangen. Na de scheiding van haar man ontstonden de verhalen ‘De muziekles’ en ‘De meisjes van de suikerwerkfabriek’, die in 1983 gepubliceerd werden in het tijdschrift Maatstaf. Ze gebruikte toen voor het eerst haar pseudoniem. Nog in 1983 verscheen de verhalenbundel De meisjes van de suikerwerkfabriek. Ze ontving daarvoor het Gouden Ezelsoor voor het best verkochte debuut en het werd ook bekroond met de Anton Wachterprijs voor het beste debuut.

Uit: De Tweeling

 

„Vanuit een veenturfbad staarde Anna haar met glazen ogen aan – het leek of ze onthoofd was, of haar lichaam voor altijd diep in het bruine moeras was gezonken terwijl haar hoofd op de turfmassa was blijven drijven. Ze staarde Lotte aan met een blik waarin alle emoties ontbraken: opwinding, ergernis, spot, woede, verdriet… een totale afwezigheid van al die stemmingen die elkaar twee weken lang caleidoscopisch hadden afgewisseld en samen de complexiteit die Anna heette hadden gevormd. Het beklemmendste was dat ze zo overduidelijk zweeg…dat ze niet gewoontegetrouw druk pratend en gebarend uitlegde wat haar was overkomen. Lotte keek verweesd om zich heen. Het was een badkamer zoals alle andere, warm en vochtig, had ze het benauwd gekregen? De lichtblauwe tegels eindigden aan de bovenkant in een rand met schelpmotieven – dit was het laatste dat Anna had gezien, had het haar doen denken aan de Oostzee waarin ze bijna verdronken was, samen met haar man… waarin ze, achteraf, liever verdronken was geweest… Dit was het laatste wat Anna had gezien – daarnet leefde ze nog en was ze vitaal als altijd in bad gestapt.“

Tessa de Loo (Bussum, 15 oktober 1946)

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Mario Puzo werd geboren in New York op 15 oktober 1920. Hij is de schrijver van de beroemde Godfather-serie en andere boeken over de maffia. Puzo studeerde, na zijn diensttijd in de Tweede Wereldoorlog in New York. In 1969 publiceerde Puzo The Godfather (De peetvader). Later werd dit boek uitgebreid (nadat het zeer succesvol was verfilmd door Francis Ford Coppola) tot The Godfather filmtrilogie.

 

Uit: Omerta

„Don Zeno was the last of the true Mafia chiefs, having all his life observed the old traditions. He extracted a tariff on all business, but never on drugs, prostitution, or other crime of any kind. And never did a poor man come to his house for money and go away empty-handed. He corrected the injustices of the law-the highest judge in Sicily could make his ruling, but if you had right on your side, Don Zeno would veto that judgment with his own force of will, and arms.

No philandering youth could leave the daughter of a poor peasant without Don Zeno persuading him into holy matrimony. No bank could foreclose on a helpless farmer without Don Zeno interfering to put things right. No young lad who hungered for a university education could be denied it for lack of money or qualification. If they were related to his cosca, his clan, their dreams were fulfilled. The laws from Rome could never justify the traditions of Sicily and had no authority; Don Zeno would overrule them, no matter what the cost.

But the Don was now in his eighties, and over the last few years his power had begun to wane. He’d had the weakness to marry a very beautiful young girl, who had produced a fine male child. She had died in childbirth, and the boy was now two years old. The old man, knowing that the end was near and that without him his cosca would be pulverized by the more powerful coscas of Corleone and Clericuzio, pondered the future of his son.“

 

Mario Puzo 15 oktober 1920 – 2 juli 1999)

 

 

 

De Duitse dichter, filosoof, filoloog en schrijver Friedrich Nietzsche werd geboren op 15 oktober 1844 in Röcken ten zuidwesten van Leipzig. Hij was de zoon van Karl Ludwig Nietzsche, een dominee die op 30 juli1849 overleed. In 1850 verhuisde de familie naar Naumburg. Nietzsches zus Elisabeth, die na zijn dood een belangrijke rol speelde bij de receptie van zijn werk, was twee jaar jonger. Hij bracht het grootste deel van zijn vroege jeugd door tussen vijf vrouwen: zijn moeder Franziska, zijn jongere zus Elisabeth, zijn grootmoeder langs moeders kant, en twee ongetrouwde tantes.

Nietzsche studeerde korte tijd theologie aan de universiteit van Bonn, maar stapte over op filologie en raakte vertrouwd met de klassieke literatuur en filosofie. Hij vervolgde die studie aan de universiteit van Leipzig. In 1869 werd hij hoogleraar te Bazel.

De meeste deskundigen gingen er tot voor kort van uit dat de geestelijke aftakeling die hem de laatste tien jaar van zijn leven onproductief maakte, het gevolg was van syfilis. Recente wetenschappelijke inzichten hebben hieraan evenwel twijfel gezaaid, aangezien bij syfilitische dementie de dood doorgaans intreedt tussen de 3 en 4 jaar nadat de bacterie de hersenen heeft aangetast, terwijl Nietzsche vanaf de eerste symptomen van zijn waanzin nog elf jaar te leven had. Na een jarenlang ziekbed overleed Friedrich Nietzsche op 55-jarige leeftijd.

 

Uit: Der Fall Wagner

 

„Was mich am tiefsten beschäftigt hat, das ist in der That das Problem der décadence, – ich habe Gründe dazu gehabt. “Gut und Böse” ist nur eine Spielart jenes Problems. Hat man sich für die Abzeichen des Niedergangs ein Auge gemacht, so versteht man auch die Moral, – man versteht, was sich unter ihren heiligsten Namen und Werthformeln versteckt: das verarmte Leben, der Wille zum Ende, die grosse Müdigkeit. Moral verneint das Leben … Zu einer solchen Aufgabe war mir eine Selbstdisciplin von Nöthen: – Partei zu nehmen gegen alles Kranke an mir, eingerechnet Wagner, eingerechnet Schopenhauer, eingerechnet die ganze moderne “Menschlichkeit”. – Eine tiefe Entfremdung, Erkältung, Ernüchterung gegen alles Zeitliche, Zeitgemässe: und als höchsten Wunsch das Auge Zarathustra’s, ein Auge, das die ganze Thatsache Mensch aus ungeheurer Ferne übersieht, – unter sich sieht … Einem solchen Ziele – welches Opfer wäre ihm nicht gemäss? welche “Selbst-Überwindung”! welche “Selbst-Verleugnung”!

Mein grösstes Erlebniss war eine Genesung. Wagner gehört bloss zu meinen Krankheiten.

Nicht dass ich gegen diese Krankheit undankbar sein möchte. Wenn ich mit dieser Schrift den Satz aufrecht halte, dass Wagner schädlich ist, so will ich nicht weniger aufrecht halten, wem er trotzdem unentbehrlich ist – dem Philosophen. Sonst kann man vielleicht ohne Wagner auskommen: dem Philosophen aber steht es nicht frei, Wagner’s zu entrathen. Er hat das schlechte Gewissen seiner Zeit zu sein, – dazu muss er deren bestes Wissen haben. Aber wo fände er für das Labyrinth der modernen Seele einen eingeweihteren Führer, einen beredteren Seelenkündiger als Wagner? Durch Wagner redet die Modernität ihre intimste Sprache: sie verbirgt weder ihr Gutes, noch ihr Böses, sie hat alle Scham vor sich verlernt. Und umgekehrt: man hat beinahe eine Abrechnung über den Werth des Modernen gemacht, wenn man über Gut und Böse bei Wagner mit sich im Klaren ist. – Ich verstehe es vollkommen, wenn heut ein Musiker sagt “ich hasse Wagner, aber ich halte keine andre Musik mehr aus”. Ich würde aber auch einen Philosophen verstehn, der erklärte: “Wagner resümirt die Modernität. Es hilft nichts, man muss erst Wagnerianer sein … “

 

 

 Friedrich Nietzsche (15 oktober 1844 – 25 augustus 1900)

 

 

 

De biografische data zijn onzeker en berusten op verhalen en legenden, maar de internationale internet encyclopedie Wikipedia geeft 15 oktober 70 v. Chr. als geboortedatum van Publius Vergilius Maro. Zie ookmijn blog van 15 oktober 2006.

 

De vierde Ecloga (fragment)

 

Sicilische Muzen, laten wij nu een wat grootser gebeuren bezingen!
Niet valt bij ieder struweel in de smaak en simpele tamarisk;
als we bossen bezingen, laten die dan een consul waardig zijn.
– Nu breekt de slot-eeuw aan uit de voorspelling van Cumae:
de grote reeks tijdperken gaat opnieuw van start.

Nu keert ook de Maagd terug, en het rijk van Saturnus:
nu daalt een nieuw nageslacht neer uit de hoge hemel.
Gij, kuise Lucina, als het kind geboren wordt, waardoor eerst
het ijzeren geslacht van de aarde verdwijnt en overal een gouden volk komt,
begunstig dat dan: nu heerst al uw broeder Apollo.

– Onder uw, ja uw consulaat zal dit prachtige tijdperk beginnen,
Pollio, en zullen die grootse maanden verstrijken;
als bij zijn geboorte nog sporen resten van ons stuitend gedrag:
onder uw leiding wordt de aarde bevrijd van voortdurende vrees.
Dat kind zal het leven van goden ontvangen en helden zien omgaan

met goden, ook zelf onder hen geteld worden en heersen
over een aarde, die tot vrede gebracht is door de prestatie van zijn vader.
– Als eerste geschenken, mijn kind, zal de aarde, zonder bewerking,
overal wilde klimop, met valeriaan eromheen, laten groeien
en Indische waterroos gemengd met acanthus.

 

 

Vergilius (15 oktober 70 v. Chr. – 21 september 19 voor Chr.)

Vergilius tussen Clio en Melpomene. Tunis, Nationaal Museum Bardo

E. E. Cummings, Péter Nádas, Katha Pollitt, Katherine Mansfield, Stefan Żeromski

De Amerikaanse dichter en schrijver Edward Estlin Cummings werd geboren in Cambridge, Massachusetts op 14 oktober 1894. E.E. Cummings studeerde af aan de universiteit van Harvard, en ging als vrijwilliger naar Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog. Na de oorlog bleef hij in Parijs, maar keerde later terug naar de VS. Al vanaf jonge leeftijd hield hij zich bezig met het schrijven van gedichten. Zijn eerste gepubliceerde collectie gedichten kwam van zijn manuscript uit 1922 met de titel Tulips & Chimneys (Tulpen & Schoorstenen). In zijn gedichten verwerpt hij de formele dichtvormen zoals stanza’s en het gebruik van metrum. Zijn stijl wordt verder gekenmerkt door typografische innovaties, zoals afwijkend hoofdlettergebruik (echter niet een volledig ontbreken van hoofdlettergebruik) en interpunctie, en door woorden of delen van woorden die weloverwogen over de pagina verspreid staan. Zijn gedichten komen hierdoor op het eerste gezicht vaak onsamenhangend over, totdat ze hardop gelezen worden. Naast gedichten heeft Cummings ook kinderboeken en korte verhalen geschreven. Ook was hij een verdienstelijk kunstschilder. Naast de snel in het oog springende typografische innovaties zijn de levensvreugde, de humor en soms het sarcasme, die uit de gedichten spreken, kenmerkend voor zijn werk. Zijn naam wordt, in navolging van zijn gedichten waarin Cummings met typografie experimenteerde, vaak zonder hoofdletters geschreven, e.e. cummings. Volgens Norman Friedman in Journal of the E. E. Cummings Society, (Voorjaar 1, 1992), zou zijn naam echter gewoon gespeld moeten worden — als E. E. Cummings dus. De schrijfwijze van zijn naam met kleine letters was een typografisch concept van een uitgever voor de omslag van één van zijn bundels, maar werd nooit gebruikt door Cummings zelf.

 

 

if i love You

if i love You

(thickness means

worlds inhabited by roamingly

stern bright faeries

 

if you love

me) distance is mind carefully

luminous with innumerable gnomes

Of complete dream

 

if we love each (shyly)

other, what clouds do or Silently

Flowers resembles beauty

less than our breathing

 

 

 

it is at moments after i have dreamed

 

it is at moments after i have dreamed

of the rare entertainment of your eyes,

when (being fool to fancy) i have deemed

 

with your peculiar mouth my heart made wise;

at moments when the glassy darkness holds

 

the genuine apparition of your smile

(it was through tears always)and silence moulds

such strangeness as was mine a little while;

 

moments when my once more illustrious arms

are filled with fascination, when my breast

wears the intolerant brightness of your charms:

 

one pierced moment whiter than the rest

 

-turning from the tremendous lie of sleep

i watch the roses
of the day grow deep.

 

 

you shall above all things be glad and young

you shall above all things be glad and young
For if you’re young,whatever life you wear

it will become you;and if you are glad
whatever’s living will yourself become.
Girlboys may nothing more than boygirls need:
i can entirely her only love

whose any mystery makes every man’s
flesh put space on;and his mind take off time

that you should ever think,may god forbid
and (in his mercy) your true lover spare:
for that way knowledge lies,the foetal grave
called progress,and negation’s dead undoom.

I’d rather learn from one bird how to sing
than teach ten thousand stars how not to dance

 

cummings

E. E. Cummings (14 oktober 1894 – 3 september 1962)

 

 

De Hongaarse schrijver Péter Nádas werd geboren op 14 oktober 1942 in Boedapest. Nádas studeerde eerst scheikunde en werkte jaren lang als fotograaf. Na de eerste publicatie van zijn verhalen in een tijdschrift in 1965 werd hij zelfstandig schrijver. In 1981 en 1982 verbleef hij op uitnodiging van de DAAD in West-Berlijn. Het verschijnen van zijn eerste roman The End of a Family Story werd lang door de censuur tegengehouden. Het boek verscheen pas in 1977. In 1985 verscheen het 1.300 bladzijden tellende A Book of Memories. De handeling hierin bestaat uit drie met elkaar verweven verhaallijnen. Eeen speelt in de DDR in de jaren zeventig, een rond de eeuwwisseling in Heilgendamm aan de Oostzee en een in Hongarije zelf tijdens de volksopstand van 1956. In 2005 verscheen de uit drie delen bestaande roman Parallel Stories.

 

Uit: SPURENSICHERUNG (2007)

 

Liegengebliebene Aufzeichnungen

eines Provinzjournalisten

 

Im Jahr nach der Kollektivierung

–Von Haus zu Haus ist er gezogen,Guten Tag bei den Lutheranern, Grüß Gott bei den Katholiken.

– Sie wollten um keinen Preis mit der Maschine melken.

– Auch Kálmán Perlaki wollte das nicht.

– Da kommt nichts dabei rum,wir werden alle verhungern, hat man gesagt.

– Und wenn der Apparat jetzt mal nicht geht,wollen sie nicht mit der Hand melken.

– Kuh mit drei Zitzen sagen die Leute dazu.

– Ehrlich gesagt, so geht das, auch Kálmán Perlaki war ja Kleinbauer.

Warum trittst du nicht in die Genossenschaft ein, hab ich ihn gefragt. Er hat mich genervt. Ehrlich gesagt war mir klar, daß man nichts dabei gewinnt. Aber was das betrifft, hab ich nie Anlaß zur Beschwerde gegeben. Ich kann zuhören. Wir sind sechs in der Familie. Ich habe ja schließlich auch Augen im Kopf, kann weitersehen! Mein Ältester ist bereits einundzwanzig.

Dem wird’s beim Militär besser gehen. Soll er dabei bleiben,

wenn er will.

– Da ist er richtig. Dieser Józsika wußte schon immer, wo’s langgeht.

– Also berichten Sie bitte über mich, daß ich kein so übler Schweinehund bin.

 

– So was kann man gar nicht berichten, denn wenn es so wäre, dann wäre er ja gar nicht hier.

 

Am 7.Februar abends hat der Vorsitzende durch seinen Sohn den Beschluß der Leitung überbringen lassen:

 

»Hiermit meldet der LPG-Vorsitzende, daß der Melker Kálmán Perlaki am 3. dieses Monats versucht hat, 8 kg von dem in Kollektiveigentum der LPG befindlichen Futterschrot zu entwenden. Außerdem fand ich 2 l Milch in seiner Aktentasche,die er sich gleichfalls ohne Erlaubnis und ohne Entgelt aneignen wollte. Es ist anzunehmen, aber nicht nachweisbar, daß es sich bei dem Mitglied Perlaki nicht um den ersten Fall dieser Art handelt. Der Leitung ist bekannt, daß er davon abgesehen auch gegen seine Mitarbeiter ein unverträgliches Benehmen zeigt, zum Beispiel, daß er im Affekt mit einer Heugabel auf den für das Futter zuständigen István Oroszi einstach,was einen Prozeß zur Folge hatte undwofür er auch bestraftworden ist.Mehrmals ist es vorgekommen, daß er sich sowohl dem Brigadier als auch dem Agronomen gegenüber arrogant und provokativ benommen hat.Dieser Mensch glaubt,wenn er nichtwäre,müßten wir den Viehbestand abgeben,was genug zeigt, wie eingenommen er von sich ist.Bei seinem kleinbäuerlichenDenken liegt ihm am Schicksal der Molkerei gerade soviel, daß er das Futtermittel plündert,damit wir nicht unerwartet bessere Ergebnisse auf dem Gebiet der Milch- und Fleischproduktion erzielen. Daher müssen wir davon ausgehen, daß seine jetzige Tat nur den Höhepunkt schon früher begangener Taten darstellt, welche für die Demokratie in der LPG und die Idee des großbetrieblichen Schutzes vonKollektiveigentum außerordentlich schädlich sind.

Deshalb wird das LPG-Mitglied Kálmán Perlaki gemäß Leitungsbeschluß mit sofortigerWirkung von seiner bisherigenArbeitstätigkeit als Melker abgesetzt und verpflichtet, am 8. Februar morgens um 6 Uhr im Leitungsbüro zu erscheinen.«

 

Nadas1_body

Péter Nádas (Boedapest,14 oktober 1942)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Het bekendst is Polett door haar column “Subject to Debate” in The Nation, maar zij publiceerde ook in diverse andere bladen als The New Yorker, Harper’s Magazine, Ms. magazine en The New York Times. In 1994 publiceerde zij Reasonable Creatures: Essays on Women and Feminism, een verzameling van negentien essays. In 1983 had zij een National Book Critics Circle Award ontvangen voor haar dichtbundel Antarctic Traveller. In 2006 verscheen Virginity or Death!: And Other Social and Political Issues of Our Time.

 

 

Small Comfort

 

Coffee and cigarettes in a clean cafe,
forsythia lit like a damp match against
a thundery sky drunk on its own ozone,

the laundry cool and crisp and folded away
again in the lavender closet-too late to find
comfort enough in such small daily moments

of beauty, renewal, calm, too late to imagine
people would rather be happy than suffering
and inflicting suffering. We’re near the end,

but O before the end, as the sparrows wing
each night to their secret nests in the elm’s green dome
O let the last bus bring

love to lover, let the starveling
dog turn the corner and lope suddenly
miraculously, down its own street, home.

 

 

 

Lilacs in September

Shocked to the root
like the lilac bush
in the vacant lot
by the hurricane–

whose black branch split
by wind or rain
has broken out
unseasonably

into these scant ash-
colored blossoms
lifted high
as if to say

to passersby
What will unleash
itself in you
when your storm comes?

 

Katha-Pollitt

Katha Pollitt (New York,14 oktober 1949)

 

De Nieuw-Zeelandse schrijfster Katherine Mansfield werd geboren op 14 oktober 1888 in Wellington. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2006 en ook mijn blog van 14 oktober 2007.

Uit: Prelude

 

“1

THERE was not an inch of room for Lottie and Kezia in the buggy. When Pat swung them on top of the luggage they wobbled; the grandmother’s lap was full and Linda Burnell could not possibly have held a lump of a child on hers for any distance. Isabel, very superior, was perched beside the new handy-man on the driver’s seat. Hold-alls, bags and boxes were piled upon the floor. “These are absolute necessities that I will not let out of my sight for one instant,” said Linda Burnell, her voice tremb­ ling with fatigue and excitement.

Lottie and Kezia stood on the patch of lawn just inside the gate all ready for the fray in their coats
with brass anchor buttons and little round caps with battleship ribbons. Hand in hand, they stared with round solemn eyes first at the absolute necessities and then at their mother.

“We shall simply have to leave them. That is all. We shall simply have to cast them off,” said Linda Burnell. A strange little laugh flew from her lips; she leaned back against the buttoned leather cushions and shut her eyes, her lips tremb­ling with laughter. Happily at that moment Mrs. Samuel Josephs, who had been watching the scene from behind her drawing-room blind, waddled down the garden path.

“Why nod leave the chudren with be for the afterdoon, Brs. Burnell? They could go on the dray with the storeban when he comes in the eveding. Those thigs on the path have to go, dod’t they?”

“Yes, everything outside the house is supposed to go,” said Linda Burnell, and she waved a white
hand at the tables and chairs standing on their heads on the front lawn. How absurd they looked!
Either they ought to be the other way up, or Lottie and Kezia ought to stand on their heads, too. And she longed to say: “Stand on your heads, children, and wait for the store-man.” It seemed to her that would be so exquisitely funny that she could not attend to Mrs. Samuel Josephs.

The fat creaking body leaned across the gate, and the big jelly of a face smiled. “Dod’t you worry, Brs. Burnell. Loddie and Kezia can have tea with by chudren in the dursery, and I’ll see theb on the dray afterwards.”

The grandmother considered. “Yes, it really is quite the best plan. We are very obliged to you, Mrs. Samuel Josephs. Children, say ’thank you’ to Mrs. Samuel Josephs.”

Two subdued chirrups: “Thank you, Mrs. Samuel Josephs,”

 

Mansfield

Katherine Mansfield (14 oktober 1888 – 9 januari 1923)

 

De Poolse schrijver Stefan Żeromski werd geboren op 14 oktober 1864 in Strawczyn in de buurt van Kielce. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2006.

 

Uit: Forebodings (Vertaald door Marie Busch)

 

„I had spent an hour at the railway station, waiting for the train to come in. I had stared indifferently at several ladies in turn who were yawning in the corners of the waiting-room. Then I had tried the effect of making eyes at a fair-haired young girl with a small white nose, rosy cheeks, and eyes like forget-me-nots; she had stuck out her tongue (red as a field-poppy) at me, and I was now at a loss to know what to do next to kill time.

 

Fortunately for me two young students entered the waiting-room. They looked dirty from head to foot, mud-bespattered, untidy, and exhausted with travelling. One of them, a fair boy with a charming profile, seemed absent-minded or depressed. He sat down in a corner, took off his cap, and hid his face in his hands. His companion bought his ticket for him, sat down beside him, and grasped his hand from time to time.

 

‘Why should you despair? All may yet be well. Listen, Anton.’

 

‘No, it’s no good, he is dying, I know it…. I know… perhaps he is dead already.’

 

‘Don’t believe it! Has your father ever had this kind of attack before?’

 

‘He has; he has suffered from his heart for three years. He used to drink at times. Think of it, there are eight of us, some are young children, and my mother is delicate. In another six months his pension would have been due. Terribly hard luck!’

 

‘You are meeting trouble half-way, Anton.’

 

The bell sounded, and the waiting-room became a scene of confusion. People seized their luggage and trampled on each other’s toes; the porter who stood at the entrance-door was stormed with questions. There was bustle and noise everywhere. I entered the third-class carriage in which the fair-haired student was sitting. His friend had put him into it, settling him in the corner-seat beside the window, as if he were an invalid, and urging him to take comfort. It did not come easy to him, the words seemed to stick in his throat. The fair-haired boy’s face twitched convulsively, and his eyelids closed over his moist eyes.

 

‘Anton, my dear fellow,’ the other said, ‘well, you understand what I mean; God knows. You may be sure… confound it all!’

 

The second bell sounded, and then the third. The sympathizing friend stepped out of the carriage, and, as the train started, he waved an odd kind of farewell greeting, as if he were threatening him with his fists.“

 

Stefan_Zeromski

Stefan Żeromski (14 oktober 1864 – 20 november 1925)

Deutscher Buchpreis 2008 voor Uwe Tellkamp

De Duitse schrijver Uwe Tellkamp heeft voor zijn dit jaar verschenen roman Der Turm de Deutsche Buchpreis 2008 gewonnen voor de beste roman in de Duitse taal, een prijs die te vergelijken is met de Prix Goncourt of de Man Booker Prize. Uwe Tellkamp werd geboren op 28 oktober 1968 in Dresden. Zijn eerste satirische tekst verscheen al in in 1987 in het blad Eulenspiegel, dus nog in de tijd van de DDR. Na zijn gymnasiumopleiding diende Tellkamp in het leger van de DDR. Daarin bleef hij tot 1989 ook als onderofficier werkzaam tot hij het bevel kreeg uit te rukken tegen „de oppositie“, waaronder ook een broer van de schrijver. Dat weigerde hij. Hij verloor zijn studieplaats medicijnen en moest twee weken de gevangenis in. Zijn studie medicijnen voltooide hij later in Dresden, Leipzig en New York. Na zijn afstuderen werkte hij een tijd in een kliniek München, maar in 2004 gaf hij dit beroep op ten gunste van zijn schrijverschap. Bij een breder publiek bekend werd Tellkamp door een lezing uit zijn roman Der Schlaf in den Uhren in 2004 in Klagenfurt, waarvoor hij de  Ingeborg-Bachmann-Preis won. Ook opzien baarde zijn roman Der Eisvogel uit 2005.

 

Uit: Der Turm

“1. Auffahrt

Die elektrischen Zitronen aus dem VEB »Narva«, mit denen der Baum dekoriert war, hatten einen Defekt, flackerten ackerten hin und wieder auf und löschten die elbabwärts liegende Silhouette Dres­dens. Christian zog die feucht gewordenen, an den wollenen In­nenseiten mit Eiskügelchen bedeckten Fäustlinge aus und rieb die vor Kälte fast taub gewordenen Finger rasch gegeneinander, hauchte sie an – der Atem verging als Nebelstreif vor dem finster liegenden, in den Fels gehauenen Eingang des Buchensteigs, der hinauf zu Arbogasts Instituten führte. Die Häuser der Schiller­straße verloren sich im Dunkel; vom nächstgelegenen, einem Fachwerkhaus mit verriegelten Fensterläden, lief eine Stromlei­tung ins Geäst einer der Buchen über dem Felsdurchgang, ein Ad­ventsstern brannte dort, hell und reglos. Christian, der über das Blaue Wunder und den Körnerplatz gekommen war, ging weiter stadtauswärts, in Richtung Grundstraße, und erreichte bald die Standseilbahn. Vor den Schaufenstern der Geschäfte, an denen er vorüberging – ein Bäcker, Molkereiwaren, ein Fischladen –, waren die Rolläden herabgelassen; düster und mit aschigen Kon­turen, halb schon in Schatten, lagen die Häuser. Es schien ihm, als ob sie sich aneinanderdrängten, Schutz beieinander suchten vor etwas Unbestimmtem, noch nicht Ergründbarem, das vielleicht aufgleiten würde aus der Dunkelheit – wie der Eismond aufge­glitten war über der Elbe vorhin, als Christian auf der menschen­leeren Brücke stehengeblieben war und auf den Fluß geblickt hatte, den dicken, von seiner Mutter gestrickten Wollschal über Ohren und Wangen gezogen gegen den frostscharfen Wind. Der Mond war langsam gestiegen und hatte sich von der kaltträgen, wie flüssige Erde wirkenden Masse des Stroms gelöst, um allein über den Wiesen mit ihren in Nebelgespinste gehüllten Weiden, dem Bootshaus auf der Altstädter Elbseite zu stehen, den gegen Pillnitz zu sich verlierenden Höhenzügen. Von einem Kirchturm in der Ferne schlug es vier, was Christian wunderte.

Er ging den Weg zur Standseilbahn hinauf, stellte seine Reise­tasche auf die verwitterte Bank vor dem Gatter, das den Bahn­steig abschloß, und wartete, die Hände samt Handschuhen in die Taschen seiner militärgrünen Parka gesteckt. Die Zeiger der Bahnhofsuhr über dem Schaffnerhäuschen schienen sehr lang­sam vorzurücken. Außer ihm wartete niemand auf die Stand­seilbahn, und um sich die Zeit zu vertreiben, musterte er die Anzeigentafeln. Lange waren sie nicht mehr gesäubert worden. Eine warb für das Café Toscana auf der Altstädter Elbseite, eine für das weiter in Richtung Schillerplatz liegende Geschäft Näh­ter, eine andere für das Restaurant Sibyllenhof an der Bergstati­on. In Gedanken begann Christian Fingersatz und Melodiefolge des italienischen Stücks zu wiederholen, das auf der Geburts­tagsfeier für den Vater gespielt werden sollte. Dann sah er in die Dunkelheit des Tunnels. Ein schwacher Schein wuchs, füllte all­mählich die Tunnelhöhlung wie steigendes Wasser einen Brun­nen; zugleich wuchs das Geräusch: ein schieferiges Knarren und Ächzen, das Führungsseil aus Stahldrähten knackte unter der Last, ruckend näherte sich die Bahn, eine mit Meereslicht gefüll­te Kapsel; zwei Scheinwerferaugen beleuchteten die Strecke. Im Wagenquader waren die unscharf umrissenen Körper einzelner Fahrgäste zu sehen; in der Mitte der verfließende Schatten des graubärtigen Schaffners, der seit Jahren auf dieser Strecke fuhr: hinauf und hinab, hinab und hinauf immer im Wechsel, viel­leicht schloß er die Augen dabei, um dem Anblick des allzu Ver­trauten zu entgehen oder um es innerlich zu sehen und es dann zu verdrängen, um Geister zu bannen. Wahrscheinlich aber sah er schon mit dem Gehör, jeder Ruck während der Fahrt mußte ihm bekannt sein.

 

Tellkamp

Uwe Tellkamp (Dresden, 28 oktober 1968)