In memoriam Norman Mailer

Hedenmorgen is de Amerikaanse schrijver Norman Mailer op 84-jarige leeftijd overleden. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007.

Uit: The Time of Our Time

“In America, the mood is almost gay. A trifle nauseated, but gay, like a rough trip on an amusement ride. Once again, the American spirit is investing in a matter about which few knew anything, yet the ignorant were certain they would keep being rewarded. . .

Yes, Hillary has suffered humiliations on a scale few women in history can match. Yet, there it is. She comes out early on the morning of Bill’s State of the Union speech and defends her man with fury, conviction, and purpose. He–like O. J. Simpson–is “100 percent not guilty.” Her man is not guilty. Hillary is on the way to becoming a legend. How many millions of wives in America are now obliged to say to themselves: Could I ever defend my guy like that? Hillary is wonderful.

Hillary is wonderful. She not only defends, she attacks. She speaks of a right-wing conspiracy to destroy her husband. It satisfies our deep need in America to find a new conspiracy every year.

What powerful instincts are in Hillary. The first lady’s features, when studied, are remarkable. On the brow and mouth of very few women is written so vast and huge a desire for power. Of course, she is loyal to her Bill, loyal certainly by her good side, but even more loyal out of darker and more powerful urges. For if she remains loyal to him she will yet become a legend in America, and that is necessary to satisfy what may be her true aim–to become the first woman elected president of the United States.

If Al Gore should win and have two terms, then the year is 2008. Should Gore not win in the year 2000, then 2004 is her moment. The price is to be loyal to a man she might prefer to brain with a brick. She must know the old Italian saying: “Revenge is a dish that people of taste eat cold.” How much better to wait and put him in a position of being First Man. Bill will not feel comfortable to find himself in Denis Thatcher’s old slot. . .

Under Clinton, the rich got vastly richer. All the while, on his spiritual saxophone, Clinton played tender resonant ballads for blacks and women. Some of them even got high-end jobs. It was gilt-edged tokenism. Measured as a Democrat, however, who might retain some real social purpose, he was a dork and a nerd.

On the other hand, but for the possible exception of Hillary, he was the most powerful Clintonite in the country; he was, indeed, a mighty lion of a Clintonite–he was his own most important and powerful project. That is true of more than a few of us. The crucial difference here is that Clinton is most mighty as a lion when his favorite project, himself, is threatened. He is at his best when wounded. How many can say that? Yes, he certainly comes through when it is a matter of projecting for one dramatic night what a wonderful all-seeing, all-doing American president he is. . .

Does it matter that now it is a younger woman under the media gun and he is now commander in chief? The great question merely deepens: How can he, Bill Clinton, endanger his presidency so? Of course, men take weird chances when the navigator at the center of oneself whispers in the dream: Kid, your cancer is near.

For some, the cure for cancer is to visit the moon of moral peril. If the cause of cancer is undissolved shame, and cancer is a revolt of the cells against the hegemony of the CEO (that mysterious Chief Ego Officer who runs the body), then it may be that Clinton is full of undissolved shame. Let us warrant that it is not because of oral sex.

His shame, if he has any, is that he has never been able to stand up to the big money. He is powerless before men of huge financial size. Face to face with such buckos, the wind dies and the proud flag on the flagship commences to droop. As Monica Lewinsky is to Bill Clinton, so is Clinton to the big money–just a kid trying to earn his presidential knee-pads. 

norman_l

Norman Mailer (31 januari 1923 – 10 november 2007) 

In memoriam Jan Wolkers

De Nederlandse schrijver en beeldhouwer Jan Wolkers is vrijdagmorgen, 19 oktober 2007, om 1.30 uur, overleden. Hij was 81 jaar

Uit: Terug naar Oegstgeest

“Toen ik een halfjaar was kreeg ik bronchitis. ‘De wieg schudde van het hoesten’, zei mijn moeder. ‘Je werd er angstig van. Het was net of er een oude man in lag te kuchen.’ Naast mijn wieg werd een koperen kroepketel gezet. Als hij aangestoken was en het water ging koken, werd de lange gebogen tuit door een spleet in de gordijnen naar binnen gestoken en stroomde de stoom mijn wieg in. Ik heb nu nog angstige dromen dat ik drijfnat van het zweet wakker word uit een tropisch oerwoud waar de verstikkende waterdamp door het dichte bladerdak wordt tegengehouden. En altijd krijsen er die waanzinnige vogels. ‘Je vader en ik waren al bang dat er iets niet in orde was met dat ding, want als het water hard kookte maakte hij een piepend geluid’, zei mijn moeder later. ‘Net of er iets in die tuit zat.’ Toen hij een paar keer gebruikt was spoot het soldeerlood met het hete water tegen mijn linkerslaap. Het was tot vlak bij mijn oog gekomen, dat maanden erna nog dichtzat en waarvan ze in het begin niet wisten of het blind was. Mijn ouders hebben mij verteld dat de apotheker die de ketel had verhuurd hem niet goed gerepareerd had. Dat hij na het ongeluk nog schadevergoeding heeft willen betalen. ‘Lichamelijk letsel toegebracht aan mijn kind, dat is met geld niet goed te maken’, moet mijn vader gezegd hebben. Maar kan het ook te wijten zijn geweest aan nalatigheid van mijn vader en moeder? Het blijft mij bezighouden, vooral omdat een buurvrouw mij verleden jaar zei toen ik haar er naar vroeg: ‘Dat zal ik nooit vergeten. Ik zie je moeder nog zo met jou in een dekentje de taxi ingaan. Later hoorde ik dat je op haar schoot zat en de theepot omgetrokken had.’ ‘De theepot. Was ik dan niet ziek?’, vroeg ik verwonderd. ‘Jij ziek’, zei ze lachend. ‘Je zag wel altijd lijkwit en je kuchte zo hard dat we het soms door de muren heen hoorden, maar je was zo gezond als een vis. Nee, je moeder heeft het mij zelf verteld, je trok de theepot om.’

 

Jan Wolkers 75

Al bijna losgezongen van zijn werk
Zijn boeken zweven ergens aan de top
Werd Wolkers een begrip, een handelsmerk.
De recensenten kregen lelijk klop.

Er groeide uit de pesterige vlerk
Een ideale vader, grijs van kop,
Zonder verraad aan Gorter en Jacques Perk,
Zonder vermindering van harteklop.

Vier zonen en een vrouw, het kan niet op,
En tóch liefst voor het zingen uit de kerk.
Zijn boeken schiep hij, leek het, met miljoenen.

Hij gaf ons lachend allemaal een schop.
Nu is ook Jan een man van vier seizoenen.
In winters laaien vuren extra sterk.

 

© Gerrit Komrij

 

wolkers

Jan Wolkers (26 oktober 1925 – 19 oktober 2007)

Günter Grass tachtig jaar! Oscar Wilde, Dimitri Verhulst

De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk) op 16 oktober 1927. Zie ook alle tags voor Günter Grass op dit blog.

 

Uit: Im Krebsgang

 

»Warum erst jetzt?« sagte jemand, der nicht ich bin. Weil Mutter mir immer wieder … Weil ich wie damals, als der Schrei überm Wasser lag, schreien wollte, aber nicht konnte … Weil die Wahrheit kaum mehr als drei Zeilen … Weil jetzt erst …
Noch haben die Wörter Schwierigkeiten mit mir. Jemand, der keine Ausreden mag, nagelt mich auf meinen Beruf fest. Schon als junger Spund hätte ich, fix mit Worten, bei einer Springer-Zeitung volontiert, bald gekonnt die Kurve gekriegt, später für die »taz« Zeilen gegen Springer geschunden, mich dann als Söldner von Nachrichtenagenturen kurz gefaßt und lange Zeit freiberuflich all das zu Artikeln verknappt, was frisch vom Messer gesprungen sei: Täglich Neues. Neues vom Tage.
Mag schon sein, sagte ich. Aber nichts anderes hat unsereins gelernt. Wenn ich jetzt beginnen muß, mich selber abzuwickeln, wird alles, was mir schiefgegangen ist, dem Untergang eines Schiffes eingeschrieben sein, weil nämlich, weil Mutter damals hochschwanger, weil ich überhaupt nur zufällig lebe.
Und schon bin ich abermals jemand zu Diensten, darf aber vorerst von meinem bißchen Ich absehen, denn diese Geschichte fing lange vor mir, vor mehr als hundert Jahren an, und zwar in der mecklenburgischen Residenzstadt Schwerin, die sich zwischen sieben Seen erstreckt, mit der Schelfstadt und einem vieltürmigen Schloß auf Postkarten ausgewiesen ist und über die Kriege hinweg äußerlich heil blieb.
Anfangs glaubte ich nicht, daß ein von der Geschichte längst abgehaktes Provinznest irgendwen, außer Touristen, anlocken könnte, doch dann wurde der Ausgangsort meiner Story plötzlich im Internet aktuell. Ein Namenloser gab mit Daten, Straßennamen und Schulzeugnissen personenbezogene Auskunft, wollte für einen Vergangenheitskrämer wie mich unbedingt eine Fundgrube aufdecken.
Bereits als die Dinger auf den Markt kamen, habe ich mir einen Mac mit Modem angeschafft. Mein Beruf verlangt diesen Abruf weltweit vagabundierender Informationen. Lernte leidlich, mit meinem Computer umzugehen. Bald waren mir Wörter wie Browser und Hyperlink nicht mehr böhmisch. Holte Infos für den Gebrauch oder zum Wegschmeißen per Mausklick rein, begann aus Laune oder Langeweile von einem Chatroom zum anderen zu hüpfen und auf die blödeste Junk-Mail zu reagieren, war auch kurz auf zwei, drei Pornosites und stieß nach ziellosem Surfen schließlich auf Homepages, in denen sogenannte Vorgestrige, aber auch frischgebackene Jungnazis ihren Stumpfsinn auf Haßseiten abließen. Und plötzlich – mit einem Schiffsnamen als Suchwort – hatte ich die richtige Adresse angeklickt: »www.blutzeuge.de«. In gotischen Lettern klopfte eine »Kameradschaft Schwerin« markige Sprüche. Lauter nachträgliches Zeug. Mehr zum Lachen als zum Kotzen.
Seitdem steht fest, wessen Blut zeugen soll. Aber noch weiß ich nicht, ob, wie gelernt, erst das eine, dann das andere und danach dieser oder jener Lebenslauf abgespult werden soll oder ob ich der Zeit eher schrägläufig in die Quere kommen muß, etwa nach Art der Krebse, die den Rückwärtsgang seitlich ausscherend vortäuschen, doch ziemlich schnell vorankommen. Nur soviel ist sicher: Die Natur oder genauer gesagt die Ostsee hat zu all dem, was hier zu berichten sein wird, schon vor länger als einem halben Jahrhundert ihr Ja und Amen gesagt.

 

 

Grass

Günter Grass (Danzig, 16 okober 1927)

 

De Iers-Engelse schrijver Oscar Wilde werd geboren op 16 oktober 1854 in Dublin. Zie ook alle tags voor Oscar Wilde op dit blog.

 

Sonnet to Liberty

 

Not that I love thy children, whose dull eyes
See nothing save their own unlovely woe,
Whose minds know nothing, nothing care to know, –
But that the roar of thy Democracies,
Thy reigns of Terror, thy great Anarchies,
Mirror my wildest passions like the sea
And give my rage a brother -! Liberty!
For this sake only do thy dissonant cries
Delight my discreet soul, else might all kings
By bloody knout or treacherous cannonades
Rob nations of their rights inviolate
And I remain unmoved – and yet, and yet,
These Christs that die upon the barricades,
God knows it I am with them, in some things.

 

&nbsp
;

 

Holy Week At Genoa

 

I wandered through Scoglietto’s far retreat,
The oranges on each o’erhanging spray
Burned as bright lamps of gold to shame the day;
Some startled bird with fluttering wings and fleet
Made snow of all the blossoms; at my feet
Like silver moons the pale narcissi lay:
And the curved waves that streaked the great green bay
Laughed i’ the sun, and life seemed very sweet.
Outside the young boy-priest passed singing clear,
‘Jesus the son of Mary has been slain,
O come and fill His sepulchre with flowers.’
Ah, God! Ah, God! those dear Hellenic hours
Had drowned all memory of Thy bitter pain,
The Cross, the Crown, the Soldiers and the Spear.

 

 

wilde

Oscar Wilde (16 oktober 1854 – 30 november 1900)

 

De Vlaamse dichter en schrijver Dimitri Verhulst werd op 2 oktober 1972 geboren in Aalst. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2006. 

 

Kroniek van een zwangerschap

Wij zijn met elkaar gaan leven, in elkaar gaan beven.
We trekken elk ons eigen voordeel uit de twijfel en blijven
namen op dezelfde bel, bedriegers langs dezelfde brievenbus.

Ondanks mijn kortademige vreugde en mijn wreedste vrede,
mijn synoniemen die elkander trachten schoon te spreken
en mijn luidste leugens die ik molenwiekend heb geluid,
ondanks mijn ondanksen, hoop ik dat jij me goed verteert.

Je leert me af nog terwijl je mij ontmantelt,
mijn vragen bekampt met jouw Kempische stiltes.

We zijn begonnen ons verlangen te verlappen aan een ander.
Wie is hij dat jij hem plechtig medeplichtig maakte

aan je nagemaakte overgave in onze laatste lakens?
Ik weet het, hij woont in Zemst, zwemt Olympische lengten in zijn geld
en belt voortdurend op jouw gsm.
Maar dat kind, is dat ook van hem?

 

Verhulst_Koppe

Dimitri Verhulst (Aalst, 1972)

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels voor Saul Friedländer

De Israelische historicus Saul Friedländer ontving vandaag de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels. Saul Friedländer schreef vele boeken over nazi-Duitsland en de jodenvervolging en geldt als een grote deskundige op dit gebied. Hij ontving talrijke prijzen en onderscheidingen. Friedländer is hoogleraar geschiedenis aan de University of California en emeritus hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Tel Aviv. Hij werd op 11 oktober 1932 geboren in de Tsjechische hoofdstad Praag. Zijn ouders waren Duitstalige Joden, die later in Auschwitz om het leven zijn gebracht. Hij overleefde de Tweede Wereldoorlog onder een valse naam in Frankrijk.Begin 1939, toen duidelijk werd dat Hitler Tsjechoslowakije zou bezetten, vertrok het gezin naar Frankrijk. De negenjarige Friedländer werd op een streng katholieke kostschool geplaatst. Gescheiden van zijn ouders gaf hij zich geheel over aan het katholicisme. Pas nadat duidelijk was geworden dat zijn ouders in Auschwitz vermoord waren, zocht hij toenadering tot het zionisme.In het boek Herinneringen schetste hij zijn jeugd onder de dreiging van het nazisme.

 

Uit het dankwoord bij het ontvangen van de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels

 

‘Madame’, schrieb mein Vater auf Französisch, ‘ich schreibe Ihnen dies aus dem Zug, der uns nach Deutschland bringt. Im letzten Moment habe ich einem Vertreter der Quäker 6000 Francs und ein Armband mit Anhängern sowie einer Dame ein Briefmarkenalbum zur Weitersendung an Sie übergeben. Heben Sie alles für den Kleinen auf und nehmen Sie zum letzten Mal unseren unendlichen Dank und die herzlichen Wünsche für Sie und die ganze Familie entgegen. Verlassen Sie nicht den Kleinen! Gott möge Ihnen alles vergelten und Sie und Ihre ganze Familie segnen! Elli und Jan Friedländer.’ (…)

Sechzig Jahre sind vergangen, seit diese und zahllose andere Stimmen zu vernehmen waren. Und doch berühren sie uns, mag auch noch so lange Zeit verstrichen sein, mit einer ungewöhnlichen Stärke und Unmittelbarkeit, die weit über die Grenzen der jüdischen Gemeinschaft hinaus fortwirkt und die große Teile und mehrere Generationen der abendländischen Gesellschaft bewegt hat. Wenn wir diesen Schreien lauschen, dann haben wir es nicht mit einem ritualisierten Gedenken zu tun, und wir werden auch nicht durch kommerzielle Darstellungen des Geschehens manipuliert.

Vielmehr erschüttern uns diese individuellen Stimmen infolge der Arglosigkeit der Opfer, die nichts von ihrem Schicksal ahnten, während viele rings um sie das Ergebnis kannten und manchmal an seiner Herbeiführung beteiligt waren. Vor allem jedoch bewegen uns die Stimmen der Menschen, deren Vernichtung bevorstand, bis auf den heutigen Tag gerade wegen ihrer völligen Hilflosigkeit, ihrer Unschuld und der Einsamkeit ihrer Verzweiflung. Diese Stimmen bewegen uns unabhängig von aller rationalen Argumentation, da sie den Glauben an die Existenz einer menschlichen Solidarität stets von neuem einer Zerreißprobe aussetzen und in Frage stellen.”

 

friedlaender
Saul Friedländer (Praag, 11 oktober 1932)

Nobelprijs voor Doris Lessing

De Engelse schrijfster Doris Lessing heeft de 104de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen. Dit heeft de Zweedse Academie van Wetenschappen vanmiddag bekendgemaakt. De auteur van romans als The Grass Is Singing (1950), The Golden Notebook (1962) en The Good Terrorist (1985) is de elfde vrouw en de negende Brit die de prijs ontvangt.

Lessing krijgt de prijs voor haar met “scepsis, vuur en visionaire kracht geschreven heldenverhalen over de ervaringen van vrouwen, waarmee zij een verdeelde beschaving tegen het licht houdt”.  Zie ook mijn blog van 22 oktober 2006.

 

Uit: The Grandmothers

 

“On either side of a little promontory loaded with cafés and restaurants was a frisky but decorous sea, nothing like the real ocean that roared and rumbled outside the gape of the enclosing bay and barrier rocks known by everyone — and it was even on the charts — as Baxter’s Teeth. Who was Baxter? A good question, often asked, and answered by a framed sheet of skilfully antiqued paper on the wall of the restaurant at the end of the promontory, the one in the best, highest and most prestigious position. Baxter’s, it was called, claiming that the inner room of thin brick and reed had been Bill Baxter’s shack, built by his own hands. He had been a restless voyager, a seaman who had chanced on this paradise of a bay with its little tongue of rocky land. Earlier versions of the tale hinted at pacific and welcoming natives. Where did the Teeth come into it? Baxter remained an inveterate explorer of nearby shores and islands, and then, having entrusted himself to a little leaf of a boat built out of driftwood and expertise, he was wrecked one moony night on those seven black rocks, well within the sight of his little house where a storm lantern, as reliable as a lighthouse, welcomed in ships small enough to get into the bay, having negotiated the reef.

Baxter’s was now well planted with big trees that sheltered tables and attendant chairs, and on three sides below was the friendly sea.

A path wandered up through shrubs, coming to a stop in Baxter’s Gardens, and one afternoon six people were making the gentle ascent, four adults and two little girls, whose shrieks of pleasure echoed the noises of the gulls.

Two handsome men came first, not young, but only malice could call them middle-aged. One limped. Then two as handsome women of about sixty — but no one would dream of calling them elderly. At a table evidently well-known to them, they deposited bags and wraps and toys, sleek and shining people, as they are who know how to use the sun. They arranged themselves, the women’s brown and silky legs ending in negligent sandals, their competent hands temporarily at rest. Women on one side, men on the other, the little girls fidgeting: six fair heads? Surely they were related? Those had to be the mothers of the men; they had to be their sons. The little girls, clamouring for the beach, which was down a rocky path, were told by their grandmothers, and then their fathers, to behave and play nicely. They squatted and made patterns with fingers and little sticks in the dust. Pretty little girls: so they should be with such good-looking progenitors.

From a window of Baxter’s a girl called to them, ‘The usual? Shall I bring your usual?’ One of the women waved to her, meaning yes. Soon appeared a tray where fresh fruit juices and wholemeal sandwiches asserted that these were people careful of their health.

Theresa, who had just taken her school-leaving exams, was on her year away from England, where she would be returning to university. This information had been offered months ago, and in return she was kept up to date with the progress of the little girls at their first school. Now she enquired how school was going along, and first one child and then the other piped up to say their school was cool. The pretty waitress ran back to her station inside Baxter’s with a smile at the two men which made the women smile at each other and then at their sons, one of whom, Tom, remarked, ‘But she’ll never make it back to Britain, all the boys are after her to stay.’

‘More fool her if she marries and throws all that away,’ said one of the women, Roz — in fact Rozeanne, the mother of Tom. But the other woman, Lil (or Liliane), the mother of Ian, said, ‘Oh, I don’t know,’ and she was smiling at Tom. This concession, or compliment, to their, after all, claim to existence, made the men nod to each other, lips compressed, humorously, as at an often-heard exchange, or one like it.”

Lessing

Doris Lessing (Kermanshah, Perzië, 22 oktober 1919)

Libris Literatuur Prijs 2007 voor Arnon Grunberg

De Nederlandse schrijver Arnon Grunberg heeft met de roman Tirza de Libris Literatuur Prijs in de wacht gesleept. De winnaar krijgt 50.000 euro. Jury-voorzitter Cox Habbema maakte dat maandag bekend in het Amstel Hotel in Amsterdam. Ze sprak van ‘een indrukwekkende, verontrustende roman die laat zien wat literatuur vermag in het blootleggen van de tijdgeest en het menselijk tekort’. ,,De overtuiging dat beschaving niet meer is dan een flinterdun vernis, loopt als een rode draad door het werk van Arnon Grunberg. In Tirza is het niet anders”, aldus de jury. ,,In deze verbluffende roman schetst hij vlijmscherp het demasqué van een angstvallige burgerman, wiens leven achter een façade van succes langzaam maar zeker voor onze ogen uit elkaar valt.”Eind maart kreeg Grunberg in Antwerpen al de Gouden Uil voor het boek. Het is de eerste keer dat een roman met beide prijzen is bekroond. Grunberg won ook al twee keer de AKO Literatuurprijs, voor De Asielzoeker enFantoompijn.

 

Zie ook mijn blog van 3 april 2007.

Grunberg weet zich te verkopen als Gerard Reve in zijn beste tijden. Toen Tirza eenmaal in de winkel lag bleek dat Nijgh & Van Ditmar virale marketing hadden gebruikt door een fictief weblog van de 18 jarige cellobabe Tirza op te zetten.

Uit: Tirza

“Gestolen leven
20 september
Aan het eind van de middag vlieg ik naar Parijs en dan door naar Afrika. Eindelijk.
Gisteren vertelde mama me nog dat die vriend van haar die zo geïnteresseerd was in mij en mijn leven en alles over haar wilde weten een boek heeft geschreven.
Niet alleen heet het Tirza, maar mama’s vriend schijnt gewoon letterlijk dingen uit mijn leven te hebben overgenomen. Hij heeft zich gewoon mijn leven toegeëigend.
Ze zei dat ik het maar moest begrijpen. Mama zei dat dus. Maar ik begrijp het helemaal niet.
We waren aan het kaasfonduen. Maar ik ben naar boven gegaan en ben daar tot nu gebleven.
Mag dat zomaar? Ik bedoel mag je gewoon iemands leven stelen? Is er dan niemand die dat abnormaal vindt? Is het leven niet van degene die het leeft?”

grunberg
Arnon Grunberg (Amsterdan, 22 februari 1971)

 

VSB Poëzieprijs 2007 voor Tomas Lieske

De Nederlandse dichter en schrijver Tomas Lieske heeft de veertiende VSB Poëzieprijs gewonnen met de bundel Hoe je geliefde te herkennen. De prijs bestaat uit een bedrag van 25.000 euro en een sculptuur. De jury zegt ‘met enthousiasme en overtuiging’ te hebben gekozen voor de bundel waar ‘het taalplezier van afdruipt, waarin het ene na het andere register met het grootste gemak wordt opengetrokken.’ Ook genomineerd waren de bundels van Al Galidi, Dirk van Bastelaere, Anneke Brassinga en Joke van Leeuwen. Tomas Lieske, pseudoniem van Ton van Drunen, groeide op in de Haagse wijk Bezuidenhout en studeerde Nederlands en Theaterwetenschappen. Lieskes literaire debuut vond vrij laat plaats. Hij was 38 toen zijn gedichten voor het eerst in de literaire tijdschriften Tirade en Revisor verschenen. In die periode werd hij ook benaderd om voor Tirade een poëziekroniek te schrijven. Deze essays kwamen terecht in de bundel Een hoofd in de toendra. Lieske had toen al twee dichtbundels op zijn naam staan. Met zijn prozadebuut Oorlogstuinen (1992) verdiende hij de Geertjan Lubberhuizen-prijs. Zijn daarop volgende roman Nachtkwartier werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 1996, maar het is de roman Franklin waarmee Lieske in 2001 de Libris Literatuur Prijs won. Ook zijn roman Gran Café Boulevard (2003) werd zeer enthousiast ontvangen.

 

Neem de segrijnslak.

Is hij dan eetbaar, zoals zijn voldane familie?
Wordt ook hij gedood door het zout, voor de boter met kruiden?

Slakken zijn reizigers, hun zak met organen
op de rug gebonden. Zo rijk gevuld dat mantel en zak
precies in het huis passen. Tussen de wanden
kalken pijlen en kristallen stelen om het eten te roeren.
Zij zijn op pad, zij bestaan slechts uit huis,
ogen en voet. Pelgrims met een vergeten doel.

Wat moet ik je vertellen om je op te vrolijken?
Zij, de wandelaars weten wat winst en verlies is.
Hun huizen zijn verkocht als sieraad om de hals
van smalle, slagvaardige vrouwen. Betaalmiddel
zijn ze geworden en symbool voor de dood
en het overleven. Zelf gegeten en in hun huis
is olie opgeslagen. Ze dienden
in vreemde muziekkorpsen. Hun geheimste
missie is het leveren van purper aan
de Romeinse keizers. Hun kleinsten
tonen een grote doorzichtigheid:
parelmoeren miniatuurpaleizen
trillen bij de eerste wandelpas. Lijfje
van gelatine, huis van glas.
Met slijm lijmen ze onderweg hun liefdes
en ze schieten hun pijlen gevoelig
in de ander. Jij zwicht, jij
bent mijn segrijnslak. Ik proef je en richt
mijn pijl in je zoetste delen. Geen zout,
geen puntje. Met het voorste lik ik je.


Uit “Grondheer”, Querido 1993

 

 

Lieske_Keuris

Tomas Lieske (Den Haag, 8 juni 1943)

In memoriam Kurt Vonnegut

In zijn woonplaats New York is woensdag, 11 april 2007,  de befaamde Amerikaanse schrijver Kurt Vonnegut overleden. De auteur van de bestseller Slaughterhouse-Five over de absurditeiten van oorlog, werd 84 jaar. Dat heeft The New York Times gemeld. Vonnegut overleed aan de gevolgen van ernstig hersenletsel. Hij liep dat op tijdens een val, enkele weken geleden. Zijn vrouw Jill Krementz maakte het overlijden bekend. De auteur schreef toneelstukken, essays en korte fictie maar werd vooral bekend om zijn romans die gerekend worden tot de klassieken van de tegencultuur van de jaren zestig en begin jaren zeventig. Naast Slaughterhouse-Five verwierf Vonnegut faam met boekens als Cat’s Cradle, Breakfast of Champions en God Bless You, Mr. Rosewater.

Uit: Man Without a Country: A Memoir of Life in George W Bush’s America

“For some reason, the most vocal Christians among us never mention the Beatitudes. But, often with tears in their eyes, they demand that the Ten Commandments be posted in public buildings. And of course that’s Moses, not Jesus. I haven’t heard one of them demand that the Sermon on the Mount, the Beatitudes, be posted anywhere.

“Blessed are the merciful” in a courtroom? “Blessed are the peacemakers” in the Pentagon? Give me a break!

It so happens that idealism enough for anyone is not made of perfumed pink clouds. It is the law! It is the US Constitution.

But I myself feel that our country, for whose Constitution I fought in a just war, might as well have been invaded by Martians and body snatchers. Sometimes I wish it had been. What has happened instead is that it was taken over by means of the sleaziest, low-comedy, Keystone Cops-style coup d’état imaginable.

I was once asked if I had any ideas for a really scary reality TV show. I have one reality show that would really make your hair stand on end: “C-Students from Yale”.

George W Bush has gathered around him upper-crust C-students who know no history or geography, plus not-so-closeted white supremacists, aka Christians, and plus, most frighteningly, psychopathic personalities, or PPs, the medical term for smart, personable people who have no consciences.

To say somebody is a PP is to make a perfectly respectable diagnosis, like saying he or she has appendicitis or athlete’s foot. The classic medical text on PPs is The Mask of Sanity by Dr Hervey Cleckley, a clinical professor of psychiatry at the Medical College of Georgia, published in 1941. Read it!

Some people are born deaf, some are born blind or whatever, and this book is about congenitally defective human beings of a sort that is making this whole country and many other parts of the planet go completely haywire nowadays. These were people born without consciences, and suddenly they are taking charge of everything.

PPs are presentable, they know full well the suffering their actions may cause others, but they do not care. They cannot care because they are nuts. They have a screw loose!

And what syndrome better describes so ma

ny executives at Enron and WorldCom and on and on, who have enriched themselves while ruining their employees and investors and country and who still feel as pure as the driven snow, no matter what anybody may say to or about them? And they are waging a war that is making billionaires out of millionaires, and trillionaires out of billionaires, and they own television, and they bankroll George Bush, and not because he’s against gay marriage.

So many of these heartless PPs now hold big jobs in our federal government, as though they were leaders instead of sick. They have taken charge. They have taken charge of communications and the schools, so we might as well be Poland under occupation.”

 

 

Zie ook mijn blog van 11 november 2006

 

Vonnegut

Kurt Vonnegut (11 november 1922 – 11 april 2007)

 

Gouden Uil Literatuurprijs 2007

De Vlaamse Gouden Uil Literatuurprijs 2007 gaat naar de Nederlander Arnon Grunberg voor zijn boek Tirza. Het werk gaat over een man die zijn kind wil beschermen. Het boek werd zaterdagavond, 31 maart 2007, in Antwerpen door de jury omschreven als een indringend psychologisch portret, verbonden met de alomtegenwoordige paranoia.  Grunberg versloeg de Vlaamse genomineerden Tom Lanoye (Het derde huwelijk) en Dimitri Verhulst (De helaasheid der dingen) en de Nederlanders Remco Campert (Het satijnen hart) en Christiaan Weijts (ART.285b).

Uit: Tirza

“Hij drukt haar tegen zich aan en hij begrijpt, niet eerder heeft hij dat zo duidelijk begrepen, zo overweldigd, zo compromisloos, dat hij geen reden wil hebben zonder Tirza te leven. Zonder haar is leven niet meer denkbaar, en wat niet denkbaar is, is ongewenst. Zij is zijn bestaansrecht. Wat hij tegen zich aandrukt geeft hem tegelijkertijd het voorrecht en de plicht te leven. Zonder haar vervalt de plicht, maar ook het recht. Hij kan zich nauwelijks meer voorstellen hoe hij geleefd heeft toen ze er nog niet was. Wachtend, dat was het. Zo heeft hij al die jaren geleefd, wachten op Tirza. Al wist hij natuurlijk niet dat het Tirza was op wie hij wachtte.”

 

GRUNBERG

Arnon Grunberg (Amsterdam, 22 februari 1971)

J.C. Bloem-poëzieprijs 2007 voor Hanz Mirck

De Nederlandse dichter Hanz Mirck heeft de J.C. Bloem-poëzieprijs 2007 gewonnen met zijn bundel Wegsleepregeling van kracht. Dat maakte de jury maandag bekend. De tweejaarlijkse prijs voor de beste tweede bundel levert Mirck 2500 euro op. In de jury zaten Jeltje van Nieuwenhoven, Ruben van Gogh en Jean Pierre Rawie. Winnaar Mirck krijgt de prijs tijdens een feestelijke bijeenkomst op 21 april in Steenwijk overhandigd. Het is voor de derde keer dat de onderscheiding wordt uitgereikt.

Ik mag ook eens wat

Een nieuwe, oude tafel heeft ze
zegt ze. Wil ik niet komen kijken?
Vanwaar en sinds wanneer dit idee
dat ik me zozeer voor tafels interesseer?
Sinds ze het vroeg gaan mijn gedachten
er wel vaker naar uit. Is de hare rond
of juist vierkant, ovaal, ingelegd,
gepolitoerd? Met vier of zes poten,
lange elegante, met een knikje halfweg?
Met ballen? Eén heel dikke poot?
En: wat wil ze van dergelijke poten,
zo’n tafel van mij? Zou mooi vinden
voldoende zijn? Zou de tafel het houden?

Mirck

Hanz Mirck (Zutphen, 8 april 1970)