Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2022 voor Serhiy Zhadan

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels voor Serhiy Zhadan

De Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2022 is toegekend aan se Oekraïense dichter, romanschrijver, essayist en vertaler Serhiy Viktorovych Zhadan.  Serhiy Zhadan werd geboren op 23 augustus 1974 in in Starobilsk, in het gebied Loehansk.  De prijsuitreiking vindt plaats op zondag 23 oktober 2022 in de Paulskirche in Frankfurt. De jury eert Zhadan voor zijn uitstekende artistieke werk en voor zijn humanitaire houding, waarmee hij zich tot de mensen in oorlog wendt en hen helpt met gevaar voor eigen leven: “In zijn romans, essays, gedichten en songteksten neemt Serhiy Zhadan ons mee in een wereld die grote omwentelingen heeft ondergaan en tegelijkertijd leeft van traditie. Zijn teksten vertellen hoe oorlog en vernietiging deze wereld binnenkomen en mensen door elkaar schudden. Daarbij vindt de schrijver zijn eigen taal, die ons op een krachtige en gedifferentieerde manier laat zien wat velen lange tijd niet wilden zien.” Zie ook alle tags voor Serhiy Zhadan op dit blog.

Uit: The Orphanage (Vertaald doorReilly Costigan-Humes en Isaac Stackhouse Wheeler)

“The place is packed with soldiers. They’re standing behind some cinder blocks, underneath some frayed national flags, wordlessly looking toward the city. Just how many times has he driven through this area over the past six months, since the government returned after brief, intense fighting? When he was heading into the city or coming back home to the Station, he had to wait for them to check his papers—wait for trouble, that is. But they always let Pasha through, without saying a word—he was a local, with the papers to prove it. The government didn’t have a bone to pick with him. Pasha had gotten used to the soldiers’ apathetic eyes, smooth, mechanical movements, and black fingernails, and to the fact that you had to hand over your papers and wait for your own country to verify your standing as a law-abiding citizen. The soldiers would give Pasha his papers back, and he’d stuff them in his pocket, trying not to make eye contact with anyone. Rain had washed the color out of the national flags. It dissolved in the gray autumn air like snow in warm water.
Pasha looks out the window and sees a jeep wrapped in dark metal armor streaking past them. Three men with assault rifles hop out of the jeep and run toward the pack of people clumped together up ahead, paying no mind to the express hearse. The soldiers are standing there, yelling back and forth, grabbing binoculars out of each other’s hands, scanning the highway, straining their eyes, red from smoke and sleepless nights, framed by deep wrinkles. But the highway is empty, so empty it’s unsettling. There’s generally always somebody driving through, even though the city’s been completely surrounded for a long period of time and the ring is tightening, someone or other is always making a run for the city or coming back along the only road. Mostly soldiers transporting ammunition or volunteers taking all sorts of useless crap like winter clothes or cold medicine from here, the north, where there isn’t any fighting, to the besieged city. Who needs cold medicine in a city getting pounded by heavy artillery, a city that’s going to fall any day now? But that wasn’t stopping anyone; every once in a while, a whole convoy would leave the mainland and make a run for the besieged area. Sometimes they’d come under fire, which was to be expected. It was obvious that the city would fall, the government troops would be forced to retreat and take the flags of Pasha’s country with them, and the front line would shift to the north, toward the station, and death would come a few miles closer. But did anyone actually care? Even civilians mustered up the courage to make a run for the city over the crumbling asphalt of the highway. The soldiers tried to talk them out of it, but nobody around here really trusted the soldiers. You just couldn’t tell people anything, they all thought they knew best. You’d see some old-timer hiking all the way into town in the middle of a mortar attack to file some paperwork for his pension. Well, if it comes down to death or bureaucracy, sometimes death is the right call. Sometimes the soldiers would get irritated enough to block off the crossings, but long lines would form at the checkpoints as soon as the shelling abated. Then they’d have to let people through.”

 

Serhiy Zhadan (Starobilsk, 23 augustus 1974)

Martin Bril, Alphonse de Lamartine

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook alle tags voor Martin Bril op dit blog.

Uit: Time fades away

“13 januari 2009
In een lege fles tegenover me staat een tak van de hazelaar. Aan de tak zitten kleine, gele bloempjes – als zonnestralen ontspruiten ze aan een kleine, bruine kern. Buiten is de zon niet te zien, maar vanochtend vroeg zag ik wel de maan.
Ik kijk naar de tak.
In de loop der jaren heb ik een zwak ontwikkeld voor takken en mijn absolute voorkeur heeft de kastanjetak. Maar voor kastanjes is het nog lang de tijd niet. Dat is jammer, maar je moet de dingen op hun beloop laten en de natuur niet verstoren, anders loopt op den duur alles in het honderd.
Het is 14.52.
Tegen de kou ben ik gekleed in diverse lagen: lange, hoge sokken, kniekousen, een lange onderbroek, jeans, een hemd, een thermisch Tshirt, een fleece-trui en een colbertje. En nog heb ik het koud en als ik het even niet koud heb, stroomt het zweet langs mijn rug. Angstzweet noem ik dat maar.
Angst.

Een echte held ben ik nooit geweest, en zal ik ook niet meer worden. Nooit een oorlog meegemaakt, nooit met gevaar voor eigen leven een kind uit een wak gered, nooit een burgemeester op bezoek gehad die me een lintje op kwam spelden. Goed beschouwd ben ik daar wel blij mee – nimmer heeft een gezagdrager een stap over mijn drempel gezet. En dat wil ik zo houden.
Intussen is het ijs op het dak van de schuur ontdooid. Daarmee is ook de laatste tomaat die we nog hadden aan gort. Er stond namelijk op dat dak maandenlang een pot met daarin een tomatenplant. Via lange stokken was de plant omhooggeklommen en in augustus begon hij daadwerkelijk tomaten te vertonen; eerst waren ze groen, toen oranje, maar ten slotte rood en eetbaar. Op één na plukten we de tomaten; de laatste, daar konden we net niet bij.
Het werd oktober.
En november.
De tomaat hield stand. De plant verloor al zijn bladeren, de tak waaraan de tomaat hing begon steeds meer om te buigen, en hoewel we hem nu makkelijk hadden kunnen plukken, lieten we hem hangen. Knalrood en eenzaam hing hij daar een herinnering aan de zomer te zijn, totdat het begon te vriezen; toen kreeg ook de tomaat een opdonder. En nu het dooit hangen er alleen nog maar een paar oranje velletjes aan de dorre tak. Het is een triest gezicht, maar daar staat tegenover dat ik er maandenlang plezier van heb gehad en liefst zou ik onmiddellijk nieuwe tomatenplanten in de grond zetten, maar daar is het de tijd nog lang niet voor.”

 

Martin Bril (21 oktober 1959 – 22 april 2009)

 

De Franse dichter en schrijver Alphonse de Lamartine werd geboren op 21 oktober 1790 in Mâcon. Zie ook alle tags voor Alphonse de Lamartine op dit blog.

 

De stervende christen

Wat hoor ik? – ’t Klokgebrom spreidt dof zijn galm in ’t ronde:
Wat kring van dierbren schaart zich weenende om mijn sponde!
Voor wien die fakkelglans, dat sleepend klaaggeluid?
O dood! – Is dat uw stem, die doordringt tot mijne ooren
Voor ’t laatst? En hoe, mijn geest – mijn denkkracht wordt herboren,
Nu zich het graf ontsluit?

O sprank van godlijk vuur, die vrij zijt en onsterflijk,
Maar in een lichaam woont, dat broos is en verderflijk,
Drijft gij dat schrikbeeld weg! – De dood verkort u ’t leed!
Schiet vleug’len aan, mijn ziel, en laat uw kluisters vallen!
’t Afwerpen van den last, die neerdrukt op ons allen….
Is dit wat sterven heet?

Gewis, de tijd houdt op mij de uren toe te tellen;
Wat nieuw, betoov’rend oord doet gij mij tegensnellen?
Gij, boden uit dat rijk, gekleed in stralengloed!
‘k Drijf reeds op ’t golven voort van ’t licht, dat gij doet blinken;
’t Verschiet wordt wijd en grootsch, en de aarde zie ik zinken
En krimpen aan mijn voet.

Maar hoe? Nu zich mijn geest vol aandrift op wil geven,
Wordt, ballingbroeders! mij uw klacht in ’t oor gedreven?
Hoe, gij beweent mijn dood? – en ik, die overwin,
Heb reeds in d’ etherstroom ’t herdenken afgedronken
Des jammers; en mijn ziel, in weelde weggezonken,
Snelt d’ open Hemel in.

 

Vertaald door Bernard ter Haar

 

Alphonse de Lamartine (21 oktober 1790 – 28 februari 1869)
Portret door François Gérard, 1831

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e oktober ook mijn blog van 21 oktober 2020 en eveneens mijn blog van 21 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Hans Warren, Arthur Rimbaud

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek 1949 – 1951 (Deel 3)

“26 juni (1950) 14.15
Gisteravond erotische spelen met Sebastiaan. We waren ’s middags naar een film geweest in Goes, Sebastiaan dacht dat die leuk zou zijn, ik weet al niet meer precies hoe hij heette, Africa screams of iets dergelijks, met twee zogenaamde komieken, Abott en Costello, summum van slechte smaak. Plat, zouteloos, we verveelden ons stierlijk, liepen lang voor het einde weg en kwamen uit de donkere zaal in het heerlijke gedempte zonlicht. We reden naar het Goese Sas om daar te zwemmen, maar men had daar het kanaal leeg laten lopen, en aan het Sas was het laag water. Ik stelde voor naar Borssele terug te rijden, bij ons te eten en dan nog naar de Kaloot te gaan. Het werd bij Sebastiaan eten, kersen kopen en naar het strand.
We kwamen terecht in een zandkuil tussen de lage duinen waarin nog wat laat, rood zonlicht viel. We gingen dicht naast elkaar liggen. Sebastiaan was al mooi mat bruin geworden. Er hing direct een erotische sfeer tussen ons, iets prikkelends, pervers, maar ook iets als van kinderspel. Eerst lag Sebastiaan op zijn rug en ik begroef hem onder vochtig zand. Ik maakte een fraaie gladde zandtaart van hem, met een paar aangespoelde hazelnoten midden op de heuvel. Hij wilde ook mij begraven, maar ik vind dat onaangenaam, gaf half toe, omdat ik het zand toch al tussen mijn kiezen voelde knarsen. Ik zag duidelijk dat Sebastiaan een stijve had in zijn lichtblauw spannende badbroekje. Dat maakte me driester. Er was immers nog nooit iets tussen ons geweest.
Ik veegde het zand met lange, liefkozende halen van zijn lichaam. Het was zo glad, gaaf, lichtbruin. Hij had drie haartjes midden op zijn borst. Ook langs zijn benen ging ik, en met spuug op m’n vinger veegde ik zijn vuile knieschijven schoon. Ik streelde telkens de stijve topjes van zijn tepels, en ik betastte de vastheid van zijn lid door de bádbroek heen, durfde nog niet verder gaan. Hij weerde niets af. Ik prikte met een stokje tegen zijn zak en zei dat die heel klein was.
We begonnen te stoeien en ik trok zijn broek naar beneden, keek naar zijn geslacht. ‘Je mag er niet aan trekken,’ zei hij. ‘Waarom niet?’ ‘Dat weet je wel. ’t Is een kleintje hè?’ vroeg hij, zijn extatische glimlach naar de wijde hemel. ‘Ja,’ zei ik, er mee spelend, ‘maar een liefje’. Het was inderdaad een kleintje, een Grieks penisje, donker, dun, met een dikke, geheel ontblote eikel waarin een kristalheldere druppel blonk. En het scrotum was al even klein, ook als op een Griekse tekening. Wat was die jongen mooi, zoals hij daar lag in het zomeravondlicht, naakt, zijn gezicht glimlachend, zijn spieren verschuivend toen hij de armen achter het hoofd rekte, gelukkig.
Ik blies het zand van tussen het zwarte, kroezende haar boven zijn geslacht, kuste het, likte het, strekte me langs hem neer, kuste zijn lippen. ‘Ik ben slecht’ fluisterde hij. ‘Nu moet jij er ook aan geloven’. Hij trok mijn zwembroek uit, was verbaasd over de omvang van mijn roede, kreeg er niet genoeg van die te betasten. We noemden elkaar ‘rabbitt’ en ‘bull’ (Kamasutra) en zoenden, zoenden.”

 

De wulp

Voor ik ooit van Ikaros gehoord had
voegde ik wulpenveren samen tot vleugels
en vloog langs de zeedijk van Borssele.
Nog steeds, een leven later,
kan ik de wulp zo goed nafluiten
dat hij antwoordt, van over het wad.

 

Opstekende wind

Heel wat dagen hebben we verdaan
aan de Schelde, ik leerde je
al de vogels, al de bloemen,
de geur van regen op Vilvoordse steen
en jij leerde me aan je wennen,
ook aan vreemde dingen als een ‘later’
elk voor zich – zoals het ook zou komen.
‘Zie je ons dan niet samen?’ vroeg ik,
en jij zweeg, lachend. Wind stak op,
je werd een uitdagend boegbeeld,
je kleren strak, je haar slaand, je borsten
ver vooruit, en je profiel
zuiverder dan ooit in het stuifwater
van de golven over het basalt.
Ik kon de avond zo over je laten vallen
zonder je te grijpen, je was al weg.

 

Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)

 

De Franse dichter Arthur Rimbaud werd geboren op 20 oktober 1854 in Charleville. Zie ook alle tags voor Arthur Rimbaud op dit blog.

 

Beweging

Het schommelen van de trein langs de rivier met zijn stroomversnellingen,
De afgrond achter de laatste wagen,
De snelheid van de helling
En de geweldige bevlieging van het water
Voeren de reizigers langs de ongehoor de paden van het licht
En volgens de nieuwe scheikundige methode
Tot in het hart van de wervelwind
En de maalstroom.

Het zijn de veroveraars van de wereld
Die een persoonlijk scheikundig fortuin najagen;
Sport en comfort zijn hun medereizigers;
Zij brengen de opvoeding
Van de rassen, klassen en dieren, op dit vaartuig
Rust en duizeling
In het voorhistorische licht,
Naar de verschrikkelijke studie-avonden.

Want hun voorraad gesprekken temidden van toestellen, bloed, bloemen, vuur en juwelen,
En haastige berekeningen aan deze voortvluchtige oever,
Wordt als een rollende dijk achter de motorische waterweg zichtbaar,
Monsterlijk, in een licht zonder einde;
Zijzelf verjaagd naar de harmonische vervoering
En het heldhaftige gevoel van de ontdekker.
Een jongen en een meisje, blind voor de verbluffendste atmosferische wonderen,
Hebben zich op de brug afgezonderd,
-Herinnering aan een barbaars verleden die men hun vergeeft? –
Zingen en houden voet bij stuk.

 

Vertaald door Adriaan Morriën

 

Arthur Rimbaud (20 oktober 1854 – 10 november 1891)
Portret van Arthur Rimbaud, verwond door Paul Verlaine door de Belgische amateurschilder Jef Rosman, bewaard in het Rimbaud Museum in Charleville.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e oktober ook mijn blog van 20 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Otfried Preußler

De Duitse schrijver Otfried Preußler werd geboren op 20 oktober 1923 in Reichenberg, Bohemen. Preußler werd beschouwd als een van de meest vooraanstaande Duitstalige auteurs van kinder- en jeugdliteratuur. Romans als “Der Räuber Hotzenplotz” en het vervolg “Neues vom Räuber Hotzenplotz” (meerdere keren verfilmd, rond 1974 met Gert Fröbe en 2006 met Armin Rohde), “Die kleine Hexe” (animatiefilm, 1983), “Das kleine Gespenst” (1992 door Curt Linda als animatiefilm en in 2013 aangekondigd als een echte film met Uwe Ochsenknecht) en “Krabat” (huidige verfilming door Marco Kreuzpaintner) zijn al lang klassiekers. Na de oorlog en vijf jaar in een Sovjet-gevangenkamp kwam Preußler naar Opper-Beieren, waar hij tot aan zijn dood woonde. Hij werkte tot 1970 als leraar in het basisonderwijs, waarna hij zich uitsluitend wijdde aan zijn werk als schrijver – of ‘verhalenverteller’, zoals hij zichzelf liever noemde. Preußler’s kinder- en jeugdboeken hebben een wereldwijde oplage van meer dan 45 miljoen exemplaren bereikt en zijn beschikbaar in ongeveer 260 vertalingen in vreemde talen. Zijn toneelstukken behoren tot de meest opgevoerde werken van het hedendaagse kindertheater.

Uit: Die Flucht nach Ägypten

“Der. Weg von Bethlehem nach Ägypten muß damals, in jenen heiligen Zeiten, durchs Königreich Böhmen geführt haben, quer durch den nördlichen Teil des Landes, bei Schluckenau etwa herein in das böhmische Niederland, dann nicht ganz bis zum Jeschken hinum, dann weiter im Vorland des Iser-und Riesengebirges, durch vorwiegend ärmliche, meist von Glasmachern, Leinewebern und kleinen Häuselleuten bevölkerte Gegenden bis in die Nähe von Trautenau — und zuletzt auf der Alten Zollstraße über Schatzlar hinaus ins Schlesische, wo es dann nach Ägypten hinüber nicht allzu weit mehr gewesen ist.
Das wird zwar geschätzter Leser schwerlich sich vorstellen können, wenn man die heutigen Landkarten sich vor Augen hält: nur — die heutigen Landkarten sind eben damals noch nicht im Gebrauch gewesen, das ist das eine; auch möchte es immerhin ja der Fall sein können, daß sich die Straßen und Reisewege zwischen den biblischen Örtlichkeiten seither verschoben haben, das ist das andere; drittens jedoch und hauptsächlich wird man sich aber fragen müssen, wie denn der heilige Josef seinerzeit, auf der Flucht vor dem König Herodes, überhaupt mit dem lieben Jesulein und der Muttergottes hätte im Königreich Böhmen durchkommen können, wenn vormals der Weg von Bethlehem nach Ägypten nicht in der oben beschriebenen Weise verlaufen wäre. Und durchgekommen im Königreich Böhmen, das sind sie ganz ohne Zweifel, nämlich es fehlt nicht an Zeugen, die das bekundet haben, darunter auch meine beiden Großmütter, und es fehlt nicht an Amtspersonen, welche mit der zeitweiligen Anwesenheit der Heiligen Familie auf königlich böhmischem Territorium sogar dienstlicherweise befaßt gewesen sind, wie zum Beispiel der Herr k.k. Gendarmeriepostenkommandant Leopold Hawlitschek aus der Gemeinde
Hühnerwasser, von dem noch die Rede sein wird.
Zunächst aber, mit Erlaubnis geschätzten Lesers, wollen wir die Geschichte dort anfangen lassen, wo sie begonnen hat: nämlich im Stall von Bethlehem, und zwar in der Nacht, die dem Tag gefolgt ist, an welchem die Heiligen Drei Könige aus dem Morgenland bei der Krippe sich eingestellt und dem lieben Jesulein ihre Gaben dargebracht haben, einer Gold, einer Weihrauch und einer Myrrhen.“

 

Otfried Preußler (20 oktober 1923 – 18 februari 2013)

David Vann, Jan Wagner

De Amerikaanse schrijver David Vann werd geboren op 19 oktober 1966 op Adak Island, Alaska. Zie ook alle tags voor David Vann op dit blog.

Uit: Aquarium (Vertaald door Arjaan en Thijs van Nimwegen)

“De vis was zo lelijk dat hij niet eens op een vis leek. Een steen gemaakt van koud vlees, mossig begroeid, groen en wit gevlekt. Ik had hem eerst niet gezien, maar toen drukte ik mijn gezicht tegen het glas en probeerde ik er dichterbij te komen. Verborgen in dat onmogelijke groeisel, de neerwaartse boog van dikke lippen, een grimas als mond. Zwart kraaltje als oog. Dikke staart met banden van zwarte stippen. Maar verder niets herkenbaar als vis.
Dat is een lelijkerd.
Een oude man naast me, onverwacht, zijn stem een onwelkome verrassing. Hier zei nooit iemand iets tegen mij. Donkere ruimte, vochtig en warm, een schuilplaats tegen de sneeuw buiten.
Dacht ik ook, zei ik.
Die eieren. Die houdt hij allemaal onder zijn hoede.
En toen zag ik de eieren. Ik had gedacht dat de vis gedeeltelijk verscholen zat achter een witte zeeanemoon, een klomp zachte witte bolletjes, maar ik zag nu dat er geen steeltjes waren, elk bolletje afzonderlijk, de eieren hingen op een of andere manier aan elkaar aan de flank van de vis.
Lophiocharon trisignatus, zei de man. Drievlekkige voelsprietvis. Ze weten niet waarom het mannetje de eieren bij zich houdt. Misschien tegen gevaar. Of misschien om andere vissen te lokken.
Waar zitten die drie vlekken?
De oude man gniffelde. Dat is een goeie. Hij heeft meer vlekken dan een oudemannenhand.
Ik keek niet. Ik wilde zijn hand niet zien. Hij was heel oud, bijna dood leek het wel. Minstens zeventig of zoiets, maar hij stond er nog goed bij. De adem van een oud mens. Ik legde mijn handen om mijn gezicht tegen het glas en schoof wat weg, alsof ik een beter gezichtspunt zocht.
Hoe oud ben jij? vroeg hij.
Twaalf.
Je bent een mooi kind. Waarom ben je niet met je vriendinnetjes of je moeder?
Mijn moeder werkt, ik wacht hier op haar. Ze haalt me op om halfvijf of vijf uur, dat ligt aan het verkeer.
Op dat moment lichtte de vis een vin een stukje op, net als tenen die zich losmaakten van steen, een zachte, bleke onderkant.
Onze benen en armen zijn vinnen, zei ik. Kijk die van hem maar. Haast als tenen die de steen vastpakken.
Wauw, zei de oude man. We zijn zo erg veranderd dat we onszelf niet eens meer herkennen.”

 

David Vann (Adak Island, 19 oktober 1966)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

theezakje

I
slechts in zaklinnen
gehuld. kleine heremiet
diep in zijn spelonk.

II
niet meer dan een draad
leidt naar boven. we geven
hem vijf minuten.

 

Vertaald door Monique de Waal

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e oktober ook mijn blog van 19 oktober 2018 en ook mijn blog van 19 oktober 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Booker Prize 2022 voor Shehan Karunatilaka

Booker Prize 2022 voor Shehan Karunatilaka

De Sri Lankaanse schrijver Shehan Karunatilaka krijgt de Booker Prize 2022 voor zijn roman “The Seven Moons of Maali Almeida”. Shehan Karunatilaka werd geboren in 1975 inGalle in Zuid-Sri Lanka. Zie ook alle tags voor Shehan Karunatilaka op dit blog.

Uit: The Seven Moons of Maali Almeida

 “The memories come to you with pain. The pain has many shades. Sometimes, it arrives with sweat and itches and rashes. At other times, it comes with nausea and headaches. Perhaps like amputees feeling absent limbs, you still hold the illusion of your decaying corpse. One minute you are retching, the next you are reeling, the next you are remembering.
You met Jaki five years ago in the Casino at Hotel Leo. She was twenty, just out of school, and losing pathetically at baccarat. You were back from a torrid tour of the Wanni, unhinged by the slaughter, breaking bread with shady people, seeing the bad wherever you looked, and wearing your notorious red bandanna. You had sold the photos to Jonny at the Associated Press and cashed a welcome six-figure cheque. Even in Lankan rupees, six figures are better than five.
You had outplayed the house at blackjack, whacked the crab at the buffet and washed it down with some free gin. A regular day at the office.
‘Don’t bet on ties, sister,’ you said to the strange girl with frizzy hair and black make-up. She looked at you and rolled her eyes, which you found strange. Women usually like the look of you, not knowing that you prefer cock to cooch. A trimmed beard, an ironed shirt and a bit of deodorant will elevate you above a herd of sweaty Lankan hetero males.
‘I just won twenty thousand rupees,’ she said.
You noticed she was alone and that no one was hitting on her, both unusual for women in casinos in Colombo.
‘And the chances of you winning that again are nine per cent. And this house only pays out seven-to-one, minus commission. Which means, follow that strategy a hundred times and you will lose, even when you win.’
‘A man who knows everything. What a surprise.’
The croupier stared you down. You shrugged and placed her chips on the banker. She half smiled and half frowned, but let you commandeer her bet.
‘You better pay if I lose that.’
‘If you can’t think in numbers, this place will eat you up, sweetheart. The universe is all mathematics and probabilities.’
‘I come to get mellow. Not to do sums,’ she said.
When the bet came in, she let you place another, and then another.”

 

Shehan Karunatilaka (Galle, 1975)

Kees Fens, Jan Wagner

De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook alle tags voor Kees Fens op dit blog.

Uit: De hemel is naar beneden gekomen (Straat op maat)

“Vanaf Piccadilly Circus doet Regent Street zich voor als een visioen: vanuit de absolute lelijkheid ontwaar je het allermooiste stuk winkelstraat: de westelijke bocht, die naar later blijkt, zijn echo heeft in de overzijde. Vanuit een allegaartje zie je de harmonie zelf, zodat je eerst je ogen echt niet gelooft: de bocht van Regent Street, waarin de gebouwen zich terugbuigen om de straat zo breed mogelijk te maken, is haast te mooi om waar te zijn. Eenmaal de bocht voorbij ligt een haast eindeloze straat voor je, zeer fraai maar vooral lang genoeg om van de aanblik van de bocht bij te komen.
Regent Street mag een van de beroemdste winkelstraten van Europa zijn, de eerste keer dien je de straat alleen als monument te ervaren. Pas de tweede maal mag je etalages kijken en je laten meevoeren door de onrust die ontstaat als begeerte je aangeraakt heeft.
Regent Street is genoemd naar koning George iv, die van 1810 tot 1820 als prins-regent voor zijn krankzinnig geworden vader waarnam. Priestly gaf hem in zijn biografie de titel ‘Prince of Pleasure’ — hij heeft in elk geval de mensheid een blijvend plezier bezorgd door een straat op zijn maat te laten maken. Als prins-regent woonde hij in Carlton House op Waterloo Place. Hij was nog maar net regent, of wat toen Marylebone Park heette en nu ook al naar hem genoemd is, kwam aan de kroon terug. De verbinding tussen huis en nieuw bezit was ongelukkig en zo kreeg Georges gunsteling, de architect John Nash — gezegend zij zijn vrouw, want zij gaf haar gunsten aan de regent en zo kan de straat wel eens uit die verhouding ontstaan zijn — de opdracht tussen huis en hofpark een verbindingsweg te maken.
Nash was zowel de planoloog als van veel huizen de architect. In het midden van de jaren twintig was Regent Street voltooid, zodat de straat nu anderhalve eeuw bestaat, daarmee een van de weinige oude straten in wereldsteden die niet gegroeid is maar in heel korte tijd in zijn geheel is uitgezet en neergezet. Ook in ander opzicht is Regent Street dus een maat-straat.
Uit de historie van een belangrijke straat kunnen vele geschiedenissen geschreven worden: economische, maatschappelijke, architectonische, culturele, politieke, soms. Je moet dan wel tot op de bodem van het onderzoek gaan. Hermione Hobhouse kon niet anders dan aan de oppervlakte blijven in haar net verschenen A History of Regent Street, want zij doet zo van alles wat: wat begint als een situatieschets van het oude Londen eindigt als een geschiedenis van de neringdoenden in de beschreven straat. En daartussen wordt van alles verteld.
Hoofdaandacht krijgt wel de architectonische opzet van de straat en uiteraard ook van de omliggende buurt, want je bouwt geen straat zonder consequenties voor de omringende straten. Zo krijg je een boeiend soort historie van Haymarket, van Regent Park en van de architectonische wanhoop die Piccadilly Circus heet.”

 

Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

haute coiffure

de gouden bankschroef van de spiegel hield het zicht:
zij met rode nagels, ik met witte
doek als een museumstuk bedekt.

vlak boven mijn oren tjilpte
de schaar. o geurende dienarengarde
van crèmes en flacons! water kabbelde mild,

maar onder schoolden op gladde tegels
de pluizen samen tegen ons,
een stille meute die wist van verleden.

buiten huilden honden, fris geknipt
richtte zich mijn nekhaar op,
en in mij rukte de wolf aan zijn ketting.

 

Vertaald door Monique de Waal

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e oktober ook mijn blog van 18 oktober 2020 en ook mijn blog van 18 oktober 2018 en ook mijn blog van 18 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 18 oktober 2015 deel 2.

Simon Vestdijk, Uwe Kolbe, Jan Wagner

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

 

Amsterdam

Gevoegd tot wallen steen, en krom verdronken,
Staan de kantoren in hun lang plantsoen.
Te lang, te smal… Op bruggeranden ronken
Tramwagens dwars door ’t stoffig dubbelgroen.

Nog stroomt een rest van ’t kruislingsch labyrinth
Waar men ’t verleden moeizaam in kan halen
Als spook’ge achterstevens, vluchtend bint
Van schepen die de reeders lieten dwalen.

Maar in die duizeldun vertakte haven
Zijn zelfs de geesten zoo misteekend, dat
Het laatste toplicht, wezenloos hoogdravend,
Zweeft als een lichtreclame op de binnenstad.

 

Het lied der sirenen

Men heeft ons vaak belasterd, maar wij zijn
’t Binnenste lied van uzelf, o zeeman.
Doe ons maar op uw vloten in de ban:
Uw angst is schijn en uw vloeken is schijn.

Vergeefs bondt gij uw grootste kapitein
Die, de ooren toe, ons niet vergeten kan.
Wanneer wij zingen weet gij ervan,
Wanneer wij zwijgen zal uw hart het zijn

Dat verderzingt: en wilt gij het niet hooren,
Dan vallen wij in wéer met ’t zelfde lied,
Niet met een gebaar van: versmaad ons niet,

Maar uit speelsch en moederlijk medelijden
Met elk die zijn eigen ziel wil bestrijden,
En zich miskent, en dom blijft als tevoren.

 

Vleermuis

Ik ben heel zwart, ik ben de bange held
Van zoveel mug-doorgonsde schemeruren.
Maar overdag dan hang ik aan de schuren,
Lijkbleek, in al mijn lijkkleren gespeld.

Lang slaap ik zo, tegen de kilste muren,
de kop omlaag, de tenen kromgekneld;
Door alles, zelfs door het bazuingeweld
Van ’t laatste oordeel zal mijn slaap heenduren.

Toch, ’s avonds weer, met klapperde huid,
dans ik de kringen van een duivelbanner,
ik dans de polka en de wals van Lanner,

Inktvlekken dans ik, heel een schoolschrift uit,-
En alles onder ’t treurige gepiep
Dat hij verstaat die kleumend naast mij sliep.

 

Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)
Beeld van Simon Vestdijk voor de hervormde kerk van Doorn

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Uwe Kolbe werd geboren op 17 oktober 1957 in Oost-Berlijn. Zie ook alle tags voor Uwe Kolbe op dit blog.

 

Nirgendwo mehr hin

Werden auf der Brücke bleiben,
eines in des andern Armen,
küssen sich, weit offne Augen
werden in den Mond sehn.

Haben Vater, Mutter wohl,
haben sie vergessen.
Sind so jung und schon so schwer,
wenn sie sich im Kreis drehn.

Werden Himmeln und Laternen
Liebe und den Ausbruch schwören.
Doch die Lichter, Straßen bleiben
stumm, es wird nur Wind wehn.

Werden von der Brücke nicht mehr,
nicht für Eltern, für die Katz,
nur noch sich und sich gehören,
nirgendwo mehr hin gehn.

 

Sailor’s Missing

Ich habe ihn Jahre gesucht.
Ich wusste, er wohnt in der Flasche,
das war leicht festzustellen,
doch wo beginnen zu suchen?
Die Welt eine Flasche, die Flasche die Welt,
bauchig, schön, und innen drinnen,
da hat sie sich gewaschen.
Lübecker Rotspon
oder schwerer Argentinier?
Sherry vom Schwarzen Mann
oder Chardonnay vom Tafelberg?
Ich wusste etwas über sein Aussehen,
den Bauch.
Ich wusste um seine Meinung:
Prost auf die Welt!
Und ich wusste, ich halte zu ihm.
In Casablanca verlor sich die Spur,
dann auf dem blauen Nil,
in Schanghai,
in den Tränen des Mädchens,
dem er die Raddampferfahrt
von Dresden nach Pirna versprochen hatte,
der Luftikus, der gottverdammte
Luftikus,
da tauchte er wieder auf,
sein Buddelschiff Made in China.

 

Uwe Kolbe (Oost-Berlijn, 17 oktober 1957)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

het westen

de rivier denkt in vissen. wat was het dus
wat sergeant henley hem als eerste
ontnam, de ogen geel en star, de baarddraden
twee porijzers rondom de asgrauwe bek
die zelfs de honden deed janken?

de stroomversnellingen en hun kolkende
grammatica, die wij richting bron volgen.
de nevelgebergtes in de verte,
de vlaktes van gras en af en toe
een inboorling die vermaakt
naar ons kijkt en daarna
het bos in verdwijnt: dat alles noteren we
op adams oude kaart, benoemen
soorten en oorden. koorts in de spieren
en wekenlang het dieet van wortels
en godsvertrouwen. onder het hemd de teken
als spelden op de huid: zo neemt
de wildernis ons de maat.

vreemd gevoel: de grens
te zijn, het punt waar het eindigt en
begint. bij het vuur `s nachts cirkelt ons bloed
in wolken van muskieten boven ons,
terwijl wij met harde graten
de vachten aan elkaar naaien, schoenen
voor ons doel en dekens voor onze dromen.
vóór het ongerepte, achter ons
de zwermende kolonisten, hun handvest
van hekken en rasters; achter ons
de huifkarren van de handelaars,
de grote steden, vol lawaai en toekomst.

 

Vertaald door Monique de Waal

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e oktober ook mijn blog van 17 oktober 2018 en ook mijn blog van 17 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 17 oktober 2015 deel 2.

Alan Garner

De Engelse schrijver Alan Garner werd geboren op 17 oktober 1934 in Congleton, Cheshire. Garner ging naar lokale scholen voordat hij twee jaar bij de Royal Artillery doorbracht en studeerde aan Magdalen College, Oxford. Zijn eerste boek, “The Weirdstone of Brisingamen: A Tale of Alderley” (1960), is een fantasieverhaal waarin de tweeling Colin en Susan te maken krijgen met bovennatuurlijke krachten nadat ze hebben ontdekt dat ze een magisch juweel bezitten. Het speelt zich af in Alderley Edge in de geboorteplaats van Garner, Cheshire. Hij bracht een vervolg uit, “The Moon of Gomrath” (1963), waarin de kinderen opnieuw duistere magische bedreigingen onder ogen moeten zien. In 2012 bracht hij het laatste deel van de trilogie uit, “Boneland”, waarin de zoektocht van de volwassen Colin naar zijn zus wordt beschreven. De boeken zijn gebaseerd op mythologische motieven als de ‘slapende koning’, een legendarische held die wacht om gewekt te worden in een tijd van crisis, en de ‘wilde jacht’, een groep gruwelijke ruiters die veroordeeld is om voor eeuwig te jagen. Andere romans waren “Elidor” (1965) en “The Owl Service” (1967; televisiefilm 1969), “Red Shift” (1973) “Strandloper” (1996), “Thursbitch” (2003), “Treacle Walker” (2021). “The Stone Book Quartet” – bestaande uit “The Stone Book” (1976), “Granny Reardun” (1977), “Tom Fobble’s Day” (1977) en “The Aimer Gate” (1978) – is een reeks fictieve afleveringen uit het leven van Garners voorouders. Garner vertelde legendes en volksverhalen in de collecties “Alan Garner’s Fairy Tales of Gold” (1979), “The Lad of the Gad” (1980), “A Bag of Moonshine” (1986), “Once upon a Time” (1993), en “Collected Folk Tales” (2011) . Andere werken waren “The Voice That Thunders: Essays and Lectures” (1997) en “The Well of the Wind” (1998). In 2021 publiceerde hij “Treacle Walker”. Garner schreef ook voor radio en televisie en toneelstukken. Het operalibretto “Potter Thompson” (1975), een andere variant op de legende van de ‘slapende held’, werd gemaakt in opdracht van een kinderkoorgroep. Garner werd in 2001 benoemd tot Officier in de Orde van het Britse Rijk (OBE).

Uit: Treacle Walker

“Ragbone! Ragbone! Any rags! Pots for rags! Donkey stone!”
Joe looked up from his comic and lifted his eye patch. Noony rattled past the house and the smoke from her engine blew across the yard. It was midday. The sky shone.
‘Ragbone! Ragbone! Any rags! Pots for rags! Donkey stone!’
Quick, Joe. Now, Joe.
Joe pulled the patch down, got off his mattress on the top of the chimney cupboard and stood at the big window.
The last of Noony’s smoke curled through the valley and along the brook. He could see no one in Barn Croft or Pool Field or Big Meadow or on the track between the top and bottom gates; and trees hid the way up from there to the heath. He went back to bed.
‘Ragbone! Ragbone! Any rags! Pots for rags! Donkey stone!’
The voice was below the window. He climbed down again.
There was a white pony in the yard. It was harnessed to a cart, a flat cart, with a wooden chest on it. A man was sitting at a front corner of the cart, holding the reins. His face was creased. He wore a long coat and a floppy high-crowned hat, with hair straggling beneath, and a leather bag was slung from his shoulder across his hip.
‘Ragbone! Ragbone! Any rags! Pots for rags! Donkey stone!’ He looked up at Joe. Joe opened the window. Even from there he saw the eyes. They were green violet.
‘What do you want?’ he said.
‘Rag and bone,’ said the man. ‘And you shall have pot and stone. That’s fair. Or isn’t it?’
‘Wait on,’ said Joe. ‘I’m coming.’ He rummaged in the cupboard and found an old pair of pyjamas. He ran downstairs to his museum and raised the glass lid. There was his collection of birds’ eggs and a lamb’s shoulder blade he had picked from a mole hill by the railway embankment. He took the shoulder blade, opened the door and went into the yard.
‘I’ve got these.’
‘Come aboard, buccaneer,’ said the man.
Joe put his foot on a wheel spoke and climbed onto the cart. The man made room for him at the corner, and Joe sat down. He turned his face away.”

 

Alan Garner (Congleton, 17 oktober 1934)

Deutscher Buchpreis 2022 voor Kim de l’Horizon

Deutscher Buchpreis 2022 voor Kim de l’Horizon

De Zwitserse, genderfluïde niet-binaire dichter en schrijver Kim de l’Horizon is de winnaar van de Deutscher Buchpreis. Hij ontvangt de prijs voor zijn debuutroman “Blutbuch”. De jury van de boekenprijs oordeelde: «Met enorme creatieve energie zoekt het non-binaire verhalende personage uit Kim de l’Horizons roman Book of Blood naar zijn eigen taal. […] Welke verhalen zijn er voor een lichaam dat conventionele ideeën over gender tart? […] Elke poging tot taal, van de sculpturale scène tot de essay-achtige memoires, ontwikkelt een urgentie en literaire vernieuwing die de jury provoceerde en inspireerde.» Zie ook alle tags voor Kim de l’Horizon op dit blog.

Uit: Blutbuch

„Wir sprachen nie darüber, ob es für andere Familien auch so anstrengend ist, so zu tun, als wären sie wie die anderen Familien, wir sprachen nie über Normalität, nie über Heteronormativität, Queemess, wir sprachen nie über Klasse, die sogenannte »Dritte« Welt und die geheimen Geflechte der Pilze, die viel grösser und feiner sind als in unserer Vorstellung, wir sprachen nie über all die Wege, die diese Welt bereithält, die sie uns bereithält, um vor uns selbst davonzulaufen, die gewundenen Wege, die im Schatten grosser Pappeln liegenden Wege, die öden, endlosen Wege, die diese Welt umspinnen, wie ein Faden einen Fadenknäuel umspinnt, aber wir sprachen über die Wege, die alle zusammen »Jakobsweg« heissen.
Vor einigen Wochen sassen wir auf dem Sofa, du hast mir eines der Fotoalben gezeigt. Ich habe mich gezwungen, dasselbe Interesse vorzutäuschen wie die letzten zehn Male, als du mir dieselben Fotos mit denselben Kommentaren erläutert hast. Wir schauten uns ein Foto deiner Mutter an, auf dem sie schwanger mit dir ist, ein Foto, das mich die ersten Male überrascht hat, weil da einfach eine nackte Frau zu sehen ist, in einem kleinbürgerlichen Familienalbum von 1935. Plötzlich hast du deinen Redefluss unterbrochen, mich angeschaut und gefragt: »Warum bist du eigentlich nie da?«
Ich sitze hier an meinem Schreibtisch in Zürich, ich bin sechsundzwanzig, es wird langsam dunkel, es ist einer dieser Abende, die noch Winterabende sind, während mensch schon eine Vorahnung von Frühling riecht, ein samtiger Geruch: von Bodnant-Schneeballblüten, übertrieben süss und weissrosa; von Menschen, die wieder beginnen zu joggen und ihren Schweiss durch die viel zu sauberen Strassen tragen. Ich jogge nicht. Ich sitze hier und kaue meine Fingernägel, trotz des Ecrinal-Bitternagellacks, ich kaue, bis der weisse Rand abgekaut ist und noch weiter, ich dränge den weissen Rand beständig nach hinten. Vor einem halben Jahr habe ich diesen ultralangweiligen Job im Staatsarchiv angenommen, ich stecke den ganzen Tag zwischen Regalen tief unter der Erde, katalogisiere Krankenakten längst verstorbener Patientinnen, ich spreche mit niemenschem, bin zufrieden, bin unsichtbar, lasse meine Haare wachsen, gehe nach Hause und setze mich hierhin, an meinen Schreibtisch, von wo aus ich die Buche im Nachbargarten sehen kann, von wo aus mir die Erinnerungen an die Blutbuche kommen, unsere Blutbuche, die grosse, rotlaubige Buche in der Mitte unseres Gartens. Ich schreibe. Wenn meine Freundinnen Dina und Mo, die auch irgendwo sitzen und schreiben, mir schreiben: »Kommst du was trinken?«, dann schreibe ich nicht zurück. Ich versuche zu schreiben, und wenn ich nicht schreiben kann, wenn ich im Wattenmeer der Vergangenheit versinke, dann rasiere ich mich, dusche und fahre mit dem Fahrrad in die Aussenbereiche der Stadt, in die Aussenröcke, wie die Engländerinnen sagen, ich suche die Tankstellen und Fussballplätze ab, ich tigere vor den Gyms auf und ab, die Grindr-App ist meine bleiche Fackel in der Nacht der Agglomeration, sie weist mir den Weg zu den Männern, die ich suche, die ich brauche, die ich mich brauchen lasse, von denen ich mir hinter dem Fahrradhäuschen den Rock hochschieben lasse und die ich sich in mich hineinschieben lasse, schnell und gefühllos, ich habe ja genug Gefühle, ich brauche nicht noch mehr davon, ich brauche endlich mal einen harten cut von ihnen.“

 

Kim de l’Horizon (Ostermundigen, 9 mei 1992)