`Dit is een Adidasbal,’ zei de jongen. Hij legde hem in zijn nek. ‘En niet een uit Turkije.’ ‘Dan zal het wel aan mij liggen.’ Pitu aaide de jongen over zijn hoofd. Het haar bleef in een onverwoestbaar model omhoogsteken. De zijkanten waren weggeschoren, zoals bij de voetballers op tv. Mama Iliç wist wat ze deed. Ze knipte half het dorp. De andere helft knipte zichzelf. Pitu herinnerde zich de woorden van zijn overleden echtgenote: om haren te knippen heb je geen diploma nodig, maar een schaar. `Ik ben echt goed!’ riep het kind nog. Hij wreef over zijn bovenarm, waar hij met blauwe ballpoint zelf tatoeages op had getekend. Het leek op een vlammenzee met daar middenin een wolvenkop. “Je bent de beste,” beaamde Pitu. Met recht een Iliç dacht hij. De jongen schoot de bal meters de lucht in en legde hem vervolgens stil onder zijn tenen. Na Messi misschien,’ zei hij, de bescheidenheid bijna teruggevonden. Daarna danste hij weer over het plein. De bal aan zijn voet draaide zo snel dat deze oranje werd. Pitu bewoog zich in tegengestelde richting, weg van het plein, weg van de jeugd die hij definitief was ontgroeid. Met zijn zakdoek depte hij zijn voorhoofd. Hij kon de hitte zelfs ruiken. Zijn vrouw Melina had de zakdoeken altijd gestreken, zelf had hij dat onzin gevonden. ‘Mijn burgemeester moet onkreukbaar zijn,’ zei ze dan. Ze vouwde een doek in vijven en drukte deze in zijn borstzak, waarna ze de boel nog namodelleerde. Inmiddels snoot hij alweer tien jaar zijn neus in de kreukels. Hij propte de zakdoek in zijn binnenzak en aanschouwde zijn dorp, zijn Crushuva. De huizen waren licht, het merendeel wit, de rest beige of geel, en allemaal telden ze rode dakpannen. Althans, bijna allemaal. Het huis direct voor Pitu droeg nauwelijks meer een dak. Houten steunbalken onthulden de manier waarop de huizen al generaties lang werden gebouwd: steen voor steen. Door een bres onder de schoorsteen ontsnapten twee kitten, een gestreepte en een gevlekte. Een moeder, zo zwart als de dood, sprong hen achterna. Ze pakte de gestreepte bij zijn nekvel en tilde hem terug naar binnen. De gevlekte bleef diezelfde behandeling voor door de twee zo snel als hij kon te volgen. Pitu nam zich voor om de volgende keer een plak worst mee te brengen. Hij haalde de pijp uit zijn borstzak en probeerde er de smaak van tabak uit te lurken. Het smaakte naar niets, hoogstens naar gedroogd speeksel. Toen zijn dochter zeven was, had ze hem gevraagd te stoppen. Grote ogen, hoog stemmetje. Hoe had hij daarna ooit nog zijn pijp kunnen opsteken? Vlak voor de kruidenierszaak zei hij mama We – wat een toeval! -goedemorgen in het Macedonisch – ‘dobro utro!’ – en Maria, die zoals elke dag achter de kassa stond, in het Aroemeens –“buna dzuá!” Hij vroeg aan de caissière hoe het met haar ging, en met de kinderen, en zij vertelde dat ze opnieuw een baby verwachtten, waarop Pitu zijn droge lippen op haar handrug drukte. Hij kocht een fles rode wijn uit Povardarië en een baksteen aan halva. `Iets te vieren?’ vroeg Maria.”
Je zit bij een klein erkerraam in een leeg café aan zee. Het is avond, en de eigenaar sluit af, hoewel je je nog steeds over de radiator buigt, die langzaam warmte verliest.
Nu daal je af naar de kust om het laatste blauw op de golven te zien vervagen. Je hebt in kleine huizen, krappe ruimtes gewoond… de muren om je heen kwamen steeds dichterbij – maar de zee en de lucht waren ook van jou.
Er is niemand anders in de buurt om met je te drinken uit de waterige mist, schimmige diepten. Je bent alleen met de wervelende kosmos. Vaarwel, lief, ver weg, op een warme plek. De nacht is eindeloos hier, de stilte oneindig.
De Nederlandse schrijver, uitgever en journalist Bert Natter werd geboren in Baarn op 19 januari 1968. Zie ook alle tags voor Bert Natter op dit blog.
Uit: Ze zullen denken dat we engelen zijn
“De laatste mooie dag van het jaar. ‘Daar moeten we van genieten.’ Ze zet haar spullen bij een tafeltje naast dat van mij. Om ruimte te maken schuif ik mijn tas een stukje opzij. ‘Jammer genoeg is hier alleen plek in de schaduw.’ Op een stoel zakkend wijst de vrouw naar een terras vol loungebanken aan de overkant van het plein. ‘Daar zitten ze lekker in de zon.’ En in het lawaai. Ik knik vriendelijk en kijk de andere kant op, naar een ober en een serveerster die aan het klieren zijn bij een hoge kast waarin menukaarten, servetten, bestek en servies worden bewaard. Ik wenk. De vrouw wijst op de revers van mijn jasje en zegt: ‘Beeldig.’ Het meisje komt en gaat tussen onze tafeltjes in staan. Uit haar schort pakt ze een apparaat. Op haar borst draagt ze een button met haar naam. Ze wil weten of we bij elkaar horen. ‘Nee,’ zeg ik. De vrouw legt haar telefoon weg en zegt: ‘We kennen elkaar net.’ Ze stelt zich voor als Prunella. Ik weet niet of ik het goed versta. Ik neem haar hand aan. Liever houd ik mensen op afstand, minstens een armlengte. In de verte starend vraagt het meisje waar we zin in hebben. ‘Voor mij graag een…’ Wat ze wil ontgaat mij, want terwijl het meisje zich vooroverbuigt om de vrouw beter te kunnen verstaan, verandert het kabbelende gedruis van de grote stad in een verschrikkelijk kabaal. Een geldwagen raast over het plein, alles wat hem in de weg staat verpletterend of omverkegelend: prullenbakken, parasols, stoelen, tafels, mensen – om zich een ogenblik later met gierende banden in de gevel van het café aan de overkant te boren. Met mijn ogen volg ik het spoor van lichamen naar de straat waar de wagen vandaan kwam, tussen de bioscoop en het stadhuis in. De tijd wordt in fracties van seconden gemeten: een vuurbal slaat uit het café, op hetzelfde moment klinkt er een explosie, een donkere rookwolk wordt over de loungebanken geblazen, spullen worden weggeslingerd, mensen rennen door elkaar, kinderen gillen, glas versplintert, brokstukken vliegen door de lucht, papier dwarrelt omlaag en gruis daalt neer, een muur stort in, sirenes loeien, in een vleugelslag is niets meer zoals het was.”
Leg deze woorden in het graf van de dode naast de amandelen en zwarte kersen— schedeltjes en bloeiende druppels bloed, ogen, en Gij, o bitterheid die zijn hoofd torst.
Leg deze woorden op de oogleden van de dode als ogentroost, als middeleeuwse trompetbloemen die zullen bloeien, deze keer in de schaduw. Laat de onthoofde tulpen glinsteren van de regen.
Leg deze woorden op zijn verdronken oogleden zoals munten of sterren, troostogen. Bedek de gezwollen lucht met zonnevlekken, terwijl de donder de grond aanspreekt.
Syllabe na syllabe, gegrepen en bewerkt, hebben de woorden zich verenigd in verdriet. Het is het fantoom-uur van de klaagzang, de leegte is aan zet, treurig en absoluut.
Leg deze woorden op de lippen van de dode als een brandende tang, een tong van vlammen. Een spiedende adelaar cirkelt en krijst. Laat God tot ons bidden voor deze man.
„Früher am Tag hat es ein wenig geregnet, jetzt ist der Himmel nur noch teilweise bewölkt mit kleinen, kräftigen Wolken, deren Ränder weiß leuchten im Sonnenlicht. Von hier aus ist die Sonne schon nicht mehr zu sehen, sie ist hinter der bewaldeten Hügelkette verschwunden, und es ist spürbar kühler geworden. Der Fluss führt viel Wasser, an den Schwellen bildet sich weißer Schaum, es ist mir, als könne ich die Energie spüren, die im bewegten Wasser steckt, als fließe sie durch mich hindurch, ein kräftiger, belebender Strom. Hundert Meter flussaufwärts, wo das Wasser über das Wehr stürzt, weicht das gurgelnde Geräusch einem lauten, vollen Rauschen. Das Wort Rauschen trifft es nicht, es ist viel zu ungenau in seinen vielen Bedeutungen und Anwendungen, alles rauscht, der Fluss, der Regen, der Wind. Der Äther rauscht. Ich muss eine Akte zum Thema Geräusche des Wassers anlegen, ich frage mich, wo in der Systematik sie hingehört, Natur, Physik, vielleicht sogar Musik? Geräusche, Gerüche, Lichtphänomene, Farben, so vieles fehlt noch in meinem Archiv, so viel Unbeschriebenes, Unerfasstes, Unerfassbares. Ich bin den Pfad entlanggegangen, der den Fluss hochführt ins Tal hinein. Franziska hat sich zu mir gesellt, ich weiß nicht, woher sie gekommen ist, vielleicht wurde sie vom Wasser angezogen, wie es uns beide immer schon angezogen hat. Plötzlich geht sie neben mir. Sie sagt nichts, lächelt mich nur an, als ich zu ihr hinüberschaue, dieses verschmitzte Lächeln, das ich nie ganz deuten konnte und vielleicht deshalb so sehr liebe an ihr. Sie nickt mir zu, als wolle sie mich ermuntern, irgendetwas zu tun, zu sagen. Das Haar ist ihr dabei ins Gesicht gefallen, sie streicht es zurück. Ich möchte meine Hand auf ihren Nacken legen, ihren Nacken küssen. Ich liebe dich, sage ich. Ich will ihre Hand fassen, aber ich greife ins Leere. Manchmal taucht sie so unvermittelt auf, ohne dass ich an sie gedacht habe, leistet mir ein wenig Gesellschaft und verschwindet dann, wie sie gekommen ist, und ich bin wieder allein. Wie lange bin ich schon gegangen? Eine halbe Stunde, eine Stunde? Vor mir läuft ein schwarzer Käfer über den Weg, und ich stehe still und beobachte ihn. Was für ein Käfer ist das? Es gibt Hunderttausende von Insektenarten, und ich kenne kein Dutzend davon, Marienkäfer, Mai- und Junikäfer, Wanzen, Asseln, Tausendfüßler, Heuschrecken, Bienen und Hummeln, Ameisen, was weiß ich.“
dit meer wordt vandaag ook drooggemaakt met zijn ondiepten in dichte begroeiing de zwemmers hebben geen tijd voor het oversteken van het water hun bewegingen grijpen in de leegte de kieuwen verliezen hun vorm verre boeien kletteren hol op de grond ergens daartussen happen de zeilen naar wind het strand wordt zienderogen een strop die snel sluit gevolgd door de bewoners met handdoeken en parasols ze vinden niets meer om aan te leggen Ik heb deze zomer geroepen om op vijfenvijftig meter diepte op de laatste laag te staan
Alles is verschrikkelijk. Het is veel te warm. En ik ben ongesteld. Daarnet liep er een heel eng beest met veel te veel pootjes door mijn kamer. Ik moet zo helemaal naar Amsterdam. En jij bent denk ik inmiddels opgeheven. Ik hoor niets meer van je. En dat terwijl je anders altijd zulke gezellige, lange faxen stuurt! Ger! Doe iets! Treed handelend op! Begin ermee te bestaan en zorg ook verder dat alles weer in orde komt!
Haarlem, maandag 14 juli 1997
Beste Ger,
Het sloeg toe nadat ik je die laatste (langere) fax gestuurd had. Want nu heb ik alles gezegd wat ik al een half leven lang eens hardop had willen zeggen en nu is die eeuwige monoloog in mijn hoofd stilgevallen. In de rust die daarop volgde, overzag ik de toekomst, zoals iemand die uitstapt in Zandvoort omdat de treinrails daar ophouden, ineens uitkijkt over de zee. Het punt is, ik denk dat ik nooit kinderen zal krijgen. De omstandigheden zijn er niet naar. Ik praat er met niemand over, zelfs niet met Louise, want dan krijg ik van die opbeurende praatjes en ze snappen het toch niet. Het is als met die relaties, die banen, die levens om me heen: ik sta erbij en ik kijk ernaar en ik weet dat het niet voor mij is weggelegd. Ik weet niet waarom, maar zo is het nu eenmaal. God behoedt ons over het algemeen voor een werkelijk besef van een gemis, zodat het na al die jaren nog altijd beter voorstelbaar is dat mijn broer elk moment aan mijn tafel zou kunnen aanschuiven dan dat ik hem nooit meer zal zien. Maar toch. Het enige wat overblijft is de wetenschap dat alles comedy is. Uiteindelijk zal de eerste sitcom over Auschwitz gemaakt worden. Alles is een kwestie van tijd.
Haarlem, 15 juli 1997
De bloedzuigers van de depressie komen maar met moeite door het schild van Seroxat heen – geen somberheid maar onverschilligheid. Ik heb vooral last van de fysieke verschijnselen: een grote vermoeidheid die als lood door de aderen vloeit.
In deze doolhof van letters zoek ik naar een gaatje om u een stukje buitenlucht te tonen of een kinderhandje dat hoepelt. ik kan wel schrijven akst mik strlos en bedoelen dat ik niet te spreken ben maar men zal toch binnenkomen ik moet verstaanbaar uw werkelijkheid ontvreemden als een zakkenroller.
oh ik geniet als ik u wanhopig naar het oude evenwicht zie grijpen apodictisch conferencier is de dichter een mol die ’s nachts uw land openwroet en ’s morgens staat u veranderd en bevreemd naar zijn nagelaten werk te staren
het is geen kunst als stilstaand water diepe gronden te hebben de dode speelgoedpop met de gebarsten kop te strelen maar onder de oppervlakte stromend steeds weer nieuwe huid te voelen dit gevecht is eindeloos en zonder uitzicht daarom verlaat de dichter zijn vers als een bedelaar.
Vanwege
‘En het geschiedde in die dagen dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus…’ Je las het ons strak en plechtig voor.
Weg moesten ze uit hun huizen dagreizen ver om ergens geteld. Waarom? Vanwege. Dat woord kende ik niet.
Maar wel dat het bevel ook hier kon gelden, aan deze feestelijke dis en wij vertrekken moesten, plotseling
Om geteld of erger. Het kind, de kribbe de wijzen uit het Oosten vielen in het niet.
Ik keek naar buiten. Nergens scheen de ster. Je stem leek ver, je las de oude woorden.
En ik vreesde met grote vreze. Vanwege.
Een chirurg weet van geen pijn
Stuurloos staart hij naar de patient hoe de pijn vrij te krijgen los te maken in heldere cesuren wat voor hem onzichtbaar blijft
Hij snijdt in wat zeer zichtbaar is een bloederige troep: de mens in zijn algemeenheid beent hij zorgvuldig uit.
Gaaf en glanzend onder de operatielamp restanten van actie: de patiënt is bevrijd van zijn pijn maar hij, het heft in handen hem is zij opnieuw ontsnapt.
hier moet de winter voorbij zijn geweest zo uitgedund de takkennesten handhaaft er zich geen wind meer in opgedeeld glinsteren de appartementen erachter zelfs als er niemand te zien is weet ik dat jij daar bent jouw geloof in een behuizing jouw getreuzel in de uren waarin de verlichting uitvalt en je lichaam de laatste plaats is die de warmte zal verlaten voordat de stilte zich verzamelt of een verwarmingsketel opnieuw aanspringt
De Nederlandse dichter en schrijver Donald B. Niedekker in Amsterdam op 14 januari 1963. Hij publiceerde met fotograaf Harold Naaijer een aantal reisboeken. Hierna publiceerde hij romans, novellen en dichtbundels. Zijn romandebuut is “Hier ben ik” uit 2002. Hoofdonderwerpen zijn de familie Bruynzeel en liefdevolle herinneringen aan zijn grootvader. In 2008 schreef Niedekker onder het pseudoniem Ellen Wenkelbach het boek “Het moet wel beschaafd blijven” waarin hij het leven van de hoofdpersoon Carla beschrijft. Deze roman gaat over eenzaamheid en over de onbelangrijkheid van luxe. De roman “Oksana” werd in 2017 genomineerd voor de Fintro literatuurprijs. Niedekker ontving in 2021 de Brusselse VUB Luc Bucquoye Prijs voor eigenzinnige literatuur, en kreeg de 2022 F. Bordewijk-prijs voor “Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost”.
Uit: Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost
“Wat je ook zoekt, de specerijen van Indië, de ochtend, Ithaka, de liefde van je vader, liefde überhaupt, gerechtigheid, dode zielen, ridderschap, een tijdgenoot, iemand om mee te praten, de troost van een zigeunermeisje, de eenhoorn, ga, mijn vriend, ik geef je mijn stem, hoe je het ook zoekt, met duizend listen of met je pen, met een zwart schip, met pijnstillers op het nachtkastje, met je pistool op het nachtkastje, met een bordkartonnen helm, een paard en een knecht, met een thermometer, met opgerolde broekspijpen, met schaamte en tranen, met gegrom tussen prikkeldraad, door schaduw te lopen, papier te pletten, dauw van april te oogsten, je lippen te bewegen, ga mijn vriend, versaag niet, ik geef je mijn stem, met wie je ook zoekt, met Gerrit de Veer, Jan Hillebrantsz, Jacob van Heemskerck, Lenaert Heyndricksz en hoe ze ook mogen heten, met een schildknaap, met een puist op je neus, al heb je geen neus, met een bloedhond of met Rocinant, met een grauwtje of met dertig witgekielde Egyptische matrozen, met de drie Maria’s, met een jezuïet en een humanist, met het kwaad in eigen persoon, met een teek uit het linkeroor van een hond, ga, mijn vriend, ga, ik geef je mijn stem, waar je ook bent gekluisterd, in de hel, in een Pruisische vallei, in zoals ik de poolnacht, in een kelder, in een sanatorium op een Zwitserse berg, in een met wijnranken en kamperfoelie overwoekerd tuinhuis, in de maalstroom van je hersenspinsels, in je verloren kinderjaren, die nooit kinderjaren waren, in een Russische of Zweedse zomer, op een landtong tussen robben, in een dorpshotel, ga, ga, mijn vriend, ik geef je mijn stem, via welke weg dan ook, benoorden om, door een woud van sparren, rechtstandig de lucht in, over bergpassen, door een beschaduwd dal, over zeven zeeën, in het spoor van karavanen, door moerassen je vastklampend aan ranke berken, ga, wie je ook bent, ik geef je mijn naam, jij bent de eeuwig zoekende, maar wat je ook zoekt, wat ook, een scheepsvracht, de lichtende morgen, een ver eiland, een doortocht, een witte walvis, rijkdom, een rustige oude dag, thee met jam op een schoteltje, het oor van Van Gogh, het zwaard van Durandarte, een kus van Lancelot en Guinevere, een teennagel van Mohammed, geef ik één naam, de naam Nova Zembla, dat is Novaja Zemlja, dat is Nieuw Land, dat is Nieuwe Aarde, dat is Nieuwe Wereld, dat is… Ga, ga, mijn vriend. Ga.”
Donald B. Niedekker (Amsterdam, 14 januari 1963)
Onafhankelijk van geboortedata
De Nederlandse schrijfster en scenariste Anjet Daanje (pseudoniem van Anjet den Boer) werd geboren in Wijster in 1965. Anjet Daanje studeerde wiskunde aan de Universiteit Utrecht. Zij behaalde in 1991 haar doctoraal. Tijdens haar studie, toen zij 21 jaar was, schreef zij de eerste versie van “Pianomuziek in de regen”, haar eerste roman, die in 1993 werd gepubliceerd. Bij haar volgende roman, “De blinde fotograaf”, nam zij als schrijversnaam Daanje aan, de achternaam van haar moeder, waaronder zij sindsdien publiceert. In 2002 benaderde regisseur Hanro Smitsman haar en vroeg haar om vijf pagina’s van haar roman “Suikerbeest” tot een scenario voor een korte film om te werken. Dat werd de korte film Dajo. Sindsdien schrijft Anjet Daanje naast proza ook professioneel filmscenario’s. Daanjes zesde roman, “Gezel in marmer”, die in 2006 verscheen kreeg zeer lovende recensies. In 2004 won Daanje het Belcampo Stipendium van de Provincie Groningen, daarvoor schreef zij de novelle “De Mei-jaren”. In 2012 werd haar roman “Delle Weel” genomineerd voor de Halewijnprijs. Daanjes roman “De herinnerde soldaat” werd na de publicatie in november 2019 in eerste instantie over het hoofd gezien, totdat hij op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2020 belandde. De roman won de prijs voor het Beste Groninger Boek 2020 (categorie fictie) en werd bekroond met de F. Bordewijk-prijs 2020. Met de in 2022 verschenen roman “Het lied van ooievaar en dromedaris” won Daanje datzelfde jaar de Boekenbon Literatuurprijs en een geldbedrag van €50.000,-. De jury sprak van “een literaire tour de force”. Het was haar eerste grote literaire prijs die ze ontving. Daanje schreef de scenario’s voor vijf korte films, waaronder de korte film “Raak” (onder regie van Hanro Smitsman) die in 2007 een Gouden Beer op het Internationaal filmfestival van Berlijn won. Zij schreef tevens het scenario voor de speelfilm “Schemer” (onder regie van Hanro Smitsman) die in 2010 de Prijs van de Nederlandse Filmkritiek won op het Nederlands Film Festival. Ook schreef zij het scenario voor de zevendelige dramaserie “De geheimen van Barslet” (onder regie van Boris Paval Conen) die in 2012 door NTR en NCRV werd uitgezonden. De serie werd o.a. bekend door de vissenregen die in elk van de zeven afleveringen terugkeert en waarvan de special effects in De Wereld Draait Door werden besproken. De serie kreeg in 2012 drie nominaties voor een Gouden Kalf, waaronder een nominatie voor het Gouden Kalf voor Beste Televisiedrama.
Uit: Het lied van ooievaar en dromedaris
“Susan Knowles-Chester (1788-1851) 12 december 1847 is de dag die Susan Knowles’ leven bepaalt, ze is dan al tegen de zestig, en vier jaar later sterft ze. In de loop van haar leven zijn er vele dagen waarnaar ze uitkijkt, die zich van tevoren, en ook terwijl ze zich voordoen, met betekenis vullen, en die achteraf hun belofte niet waar blijken te kunnen maken. Maar toen nu die genoemde twaalfde december aanbrak, in het jaar onzes Heren 1847, scheen hij als alle andere winterse dagen te zijn, beginnend in duisternis, eindigend in duisternis, en koud, er staat een noordenwind die korrelige sneeuw op zijn adem meevoert, de straten van Bridge Fowling kleuren huiverig wit in de schemering. Slechts kort verraden Susans voetafdrukken waar ze is gegaan, rechtsaf Church Street in, steil omhoog langs het kerkhof, en tegen de tijd dat ze stilletjes achterom het plaatsje van de pastorie op loopt, kan niemand meer uit haar sporen opmaken naar welke arme ziel de afgezant van de Dood zich heeft gehaast. De dorpelingen verafschuwen haar werk, waar ze gaat drijft verdriet als wrakhout in haar kielzog, toch als het zover is, roepen velen haar hulp in, het is een publiek geheim. Zoals ze allemaal weten dat de meesten, zelfs de gelovigsten onder hen, niet heengaan zonder angst of lichamelijke vernederingen, maar ieder de mond vol heeft van hoe kalm de gestorvene zich bij Gods wil heeft neergelegd, hoe vredig, hoe troostend het was, zo weet iedereen in het dorp dat vele vrouwen na weken, soms zelfs jaren, een familielid te hebben verpleegd die allerlaatste plicht niet meer kunnen opbrengen, uit verdriet, of ze durven niet, willen niet, weten niet wat te doen. Susan leert hen de eerbiedige rituelen, de praktische handelingen, en dan nog, als ze na die eerste keer de gebruiken kennen, laten ze de uitvoering ervan toch liever aan haar over. Ze komt in het geniep, gaat in het geniep, bij de achterdeur drukken de welgestelden haar een paar shillings in de hand, de armen een paar penny’s, niemand hoeft ervan te weten, soms zelfs de familie, hun eigen man niet. Haar moeder heeft het haar geleerd, bij de dood van haar lieve, kleine Susey, vier jaar was ze nog maar toen ze aan roodvonk bezweek. Het afschuwelijkste van het ritueel vond Susan de natte watten die ze op haar dochtertjes oogleden moest leggen, want uren nadat Susey haar ogen voor de laatste maal had gesloten, meende Susan nog dat ze ze weer zou willen openen om haar mama met haar hulpeloze, zachtbruine blik te zoeken. En ook de doek waarmee Susan haar kaken op elkaar moest klemmen, om de lijkstijfheid voor te zijn, was vreselijk, alsof ze haar voorgoed de mond snoerde.”
“When I was seventeen I started planning my debut. Bobbie Jean hadn’t met a lot of “the good people,” as she called them, and I think she was planning to social climb through me. She hired Honey Mellen, a “party planner,” as she called herself, although we called her our “society coach.” The fiction was that Bobbie Jean and I were too busy to look after the million and one details involved in coining out, though the truth was we didn’t have Honey’s little green alligator-skin book of names and numbers, we didn’t know who to invite or the right florist or photographers or musicians or caterers. But Honey knew, she knew all about that—she also did weddings. It’s funny, weddings and debuts are all about getting a girl hitched to a man or at least in the right marriage sweepstakes, but both events involve women alone. Whoever heard of asking a man his opinion? At least in Texas, if not in France, women decided the kind of lace, the length of the train, the tiny buds in the tightly bound bouquet, the church, the preacher, the bridesmaids’ dresses, the reception and its hors d’oeuvres, hiring Lester Lanin’s real orchestra and some rinky-dink local band to fill in during the breaks, even if they knew how to play only “Tenderly” and Johnny Mathis’s “It’s Not for Me to Say.” We all liked Mathis. He was Texan. Sort of. Bobbie Jean told Honey the sky was the limit price-wise. She wanted her Yvonne to be properly launched in society. She and Bobbie Jean decided on the theme for my dance, “Venetian Night,” at the Brook Hollow Golf Club, complete with gondolas and men dressed in tights and straw boaters singing “0 Sole Mio,” and a Bridge of Sighs, two-thirds as large as the original, and a campanile-shaped pizza oven. Honey must have been in her forties, but energy! And she wore the trapeze look from Neiman’s, natch. Her hair was thick and wild, turbulent actually, and peroxided a platinum blonde. She wore nearly black lipstick and matching nail polish (she called it aubergine, though at that time I didn’t know that meant “eggplant”). She drove a red Cadillac convertible with fins out to here and she always kept the roof down. When it was raining she drove faster, honking all the slowpokes out of the way. She played loud colored music on the radio, music from Memphis, she called it race music. She wore a very strong perfume, dizzying really; I think it was an attar of roses, meant to be diluted to eau de cologne, but she used it full-strength and old ladies at concerts complained about it (“a real invasion of our privacy,” they muttered). She was always laughing loudly and jangling her costume jewelry bracelets, a dozen of them, bangles like a slave girl’s, as if she were on Benzedrine. She never finished a sentence but constantly interrupted herself with some new extravagance. She was never catty and never bad-mouthed her other clients, much as I tried to lure her into a good chin-wag. She was as discreet as an agent or a psychiatrist, which she was for all of us, I suppose. She always started out brimming over with excited enthusiasm for my ideas, no matter how dumb, but the way she shepherded you back to a more original concept—and the way she made you think it was your own—was truly astonishing.’
Geen kind, maar in zijn houding wel een jongen Die trots en weerloos voor zichzelf bezwijkt (Niet hemels, eerder mannelijk en aards) Met pijlen in zijn hart en in zijn longen
Een jonge man die op een jongen lijkt – Zo op zichzelf verliefd, zo binnenwaarts Gericht de geile blik – die noodgedwongen Nog doet alsof hij naar zijn vrienden kijkt
Hij weet dat hij de pijlen richting geeft (Nu spannen zij voor ’t laatst de zware bogen) Dat hij door eigen daadkracht verder leeft
Hij ziet zichzelf in hun doorlopen ogen Hij proeft zijn bloed dat aan hun handen kleeft En voelt dat hij zijn beulen heeft bedrogen
Twee seizoenen voor Bert
I. De lente komt. Een wereld van clichés Gaat zelfgenoegzaam ronkend voor ons open Een jonge liefde bloeit – het oude liedje – En zet zijn nagels vrolijk in je vlees
Je zou wel willen jubelen en hopen Dat alles goed blijft, maar je hoofd verbiedt je Hartstochtelijk te zijn en zonder vrees Je moest het vroeger vaak genoeg bekopen
De angst van wie verliefd is voor verlies Maakt alles broos en breekbaar als een vlies Van ijs na nauw een enkel nachtje vorst
De angst die ik verafschuw en verkies Omdat hij de ontroering met zicht torst Van liefde en een niet te lessen dorst
II. Nu legt het licht zich met een gouden glans Als zacht fluweel op ’t felgekleurde blad De milde middagzon krijgt nog een kans Haar toverspel te doen met laan en pad
Straks zal de storm de kale takken deren En breken wat de stoere drager was Van bloem en vrucht. Wie zou het kunnen keren? De winter komt. Wij gaan op Gods kompas
Zo zou de echter dichter vroeger dichten En in ’t sextet bleek ook zijn herte moe Zijn ogen dof als uitgedoofde lichten
Hij schreef vol romantiek zijn woordenspel Van liefde die vergaat, met tranen toe Maar wij, wij doen dat niet, mijn vriend. Of wel?
Cees van der Pluijm (12 januari 1954 – 14 december 2014)
over de muur hangen de takken van de wilg kaarsrecht groeit de stam van de ginkgo op de binnenplaats van het feest bleven tussen de kasseien witte zoutkorrels van de pretzels geraspt terwijl de kruimels al lang vogels hebben opgepikt dit is het begin denk ik bij mezelf waar ik dagen al de herfst in tel de winter in de lente in tot in de zomer de volgende als tussen de stenen weer zoutkorrels liggen
Vertaald door Frans Roumen
Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)
„Ich heiße Skip Landau, meine Mutter stammt aus Eng-land, mein Vater aus Paris, seine Eltern sind aus Ungarn nach Frankreich ausgewandert, weil sie als Juden in Ungarn nicht Medizin studieren durften. Den Krieg haben sie, so wie mein Vater auch, knapp überlebt, in irgendeinem Dorf in Süd-frankreich. Warum meine Mutter 1946 nach Paris gegangen ist, hat sie nie erklärt, vermutlich wollte sie weg von zu Hause, weit weg und schnell, und sie behauptete, Französisch lernen zu wollen und Malerin zu werden. Sie hat wirklich gemalt, nicht schlechter als andere, denke ich, und warum sie es am Ende aufgegeben hat, weiß ich nicht, oder vielleicht hat sie es auch nicht aufgegeben, sondern nur noch in kleine Hefte gezeichnet, sie hatte kleine Hefte, vielleicht finde ich sie in ihrem Nachlass, wenn ich mich endlich aufraffe, die letzte Kiste zu öffnen und zu sichten, was ich brauche, was ich behalte, eine Vorstellung, die ich nicht gut ertrage. Die Kiste steht mittler-weile in meiner Wohnung in Berlin. Von ihren Gemälden habe ich nichts behalten, ich dachte, ich würde sie nie los, an die hundert, um genau zu sein siebenundachtzig, doch a tauchten immer mehr Freunde und Bekannte meiner Eltern auf, die danach fragten, und plötzlich stand ich da, hatte nichts außer einem kleinen, quadratischen Bild. Es hing immer in meinem Büro, in dem Zimmer mit Blick auf den Hof in Newe Zedek, das heißt Oase des Friedens. Ich habe lange in Israel gelebt, jetzt wohne ich in Berlin. In Paris lernte meine Mutter in der zweiten Nacht meinen Vater kennen. So erzählte mein Vater. Meine Mutter erzählte, sie habe ihn in einem Café gesehen und sich verliebt, bevor sie nur ein Wort mit ihm gewechselt habe. Mein Vater sagte, sie sei mit ihm ins Bett gegangen, in dieser zweiten Nacht, in ihrer zweiten Nacht in Frankreich, und in der Nacht ihrer Begegnung. Er harte eine eigene Wohnung, eine winzige Wohnung im jüdischen Viertel. Seine Eltern wohnten damals etwas außerhalb, in Neuilly. Meine Großeltern waren fromm, auf ihre Weise, meine Groß-mutter sogar vermutlich ganz und gar gläubig, und vielleicht hätte sie besser einen Orthodoxen geheiratet. Alles hat sich verflüchtigt wie sie selbst, ihr Glaube, ihre Gewohnheiten, und ich bin nicht einmal Jude nach dem strengen Gesetz, denn meine Mutter war keine Jüdin, obwohl eine ihrer Tanten irgendwann schnaubte, etwas derart Albernes habe sie noch nie gehört, bei einer Familie, die Blomfield heiße, das war der Mädchenname meiner Mutter. Was ist, was nicht ist, ich habe einigermaßen so gelebt, als wäre das klar, mich hat das Sichtbare interessiert. Immer das Sichtbare und was man anfassen kann, wie Menschen sich bewegen zwischen Wänden, umgeben von Möbeln. Also bin ich Architekt geworden. Ich wollte Häuser bauen. Wohnungen. Höfe auch, Höfe, in denen Kinder spielen, ihre Mütter könnten sie dann aus großen Küchenfenstern schon, in den Höfen stünden Bänke, unter Bäumen, blühenden Bäumen.“
twee handen bootsen het projectiel na dat in de lucht staat opvliegt van boven af vanuit het perspectief van de stilstaande vogel fotografeerde ik deze weg de scherpgekante zwarte stenen van de oude Messeweg naar Leipzig een gedrongen vogel is het die in zijn vlucht op geen roofvogel lijkt eerder op het woord kwartel ja het lijkt op een woord van de naam van een trekvogel die bijna uitgeroeid is
Vertaald door Frans Roumen
Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)
zonder ons geen eten op hun bord zonder ons een stap terug
hemel ver weg aarde bijna op
Instrument
de boom zit in de vogel zit in de darmen van de vis voelt zich niet thuis
mist het water in zijn dienende staat mist het verlangen naar water zoals de koe haar melk mist wanneer die nog te zien is de vorm van de melk in de emmer is niet de vorm van de melk in de koe
de speler groen alsof de lente uit zijn huid groeit lianen speuren naar een gastheer die hun een ongestoord verblijf garandeert
de speler zit in de vogels die hun vleugels samenknijpen om er een toon uit te persen
die hun muziek doorkrijgen van de takken van de boom die in de vis zit en zich niet thuis voelt
De as van IJsland boven onze hoofden en in onze motoren ik heb al langer het gevoel dat er zand in mijn gedachten zit, het inschakelen van de computer, het nieuws lezen het pop-uppen van berichten zachtjes druppelt naar beneden de fijne asregen op de ramen van de auto’s die met altijd hetzelfde lawaai tegen de muur donderen in mijn dromen hou ik je stevig vast en bevoel je als de wikkel van een chocoladereep het knettert boven onze hoofden wanneer de motoren uitvallen en de onhandige machines het zweefvliegen oefenen ik heb al langer het gevoel dat we niet alleen zijn, maar dat iemand achter de camera onvermoeibaar naar ons zwaait hoe echter kan ik hem antwoorden?