Remco Campert, Claudia Gabler

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

Uit: Tjeempie of liesje in luiletterland

“Jofel stasjon wel, dat haagse stasjon, dacht Cees Bakels. einde-ouwerwets weet je wel, maar dat maakte het juist zo tof. Hij vroeg zich af of al die mafketels en zakkewassers, die de trein in wilden stappen of er juist uit wilden stappen of zomaar wat op het perron stonden te lummelen, al of niet voorzien van koffers en kinderen, kortom het klootjesvolk, of die dat nou ook zagen net als hij: hadden ze wel eerst allemaal wat wiet moeten roken. Stel je voor, het hele perron hai, al die hagenezen met een stikkie in durlui hand verborgen, en maar vanderpaf gemaakt. Cees giegulde hardop en verscheidene duffe vogels keken bevreemd naar hem. Zagen hem natuurlijk aan voor een staatsgevaarluk individu, weet je wel-alleen langharige lanterfanters giegullen hardop in treinen, hebben niets beters te doen, opsluiten in werkkampen moest je ze, dan zou het lachen ze wel vergaan. Jesus, hij was stoont als de pest. Echte kongostuf was het geweest en het mooie was dat niemand iets aan hem kon zien, zelfs zijn eigen moeder niet, stel dat ze in de trein had gezeten. Ja, had ze natuurluk wel in de trein moeten zitten. Of niet, want ze had toch niks gezien. Inturrezzant probleempjun eigunluk: zat z’n moeder niet in de trein, zag ze niks, zat ze er wel, zag ze ook niks. Toch was ze niet blind. Jesus, wat wassie stoont! Die trein stond hier nou al uren of leek dat maar zo? Kon ook de wietkik wel wezen- sekonden leken eeuwigheden en eeuwigheden vlogen als een schaduw heen of hoe was het ook alweer. Zo’n trein was aan tijd gebonden, maar hij die erin zat niet. Rara-hoe kan dat? Zo was maar weer eens bewezen dat met wiet alles mogeluk was, ra-ra-zó kan dat. Vooral met wiet in rotterdam gekocht. Jofele stad. rotterdam, zeker als je wat gerookt had. een hele kliene sien met al dat glas en steen, net of je in een ander land was. Ja hoor, ze reden weer. Geweldig zoals ze dat stasjon uitschoven, als een aal uit de modder, weet je wel. Kijk nou toggus, al die maffe lage huizen. wat een dorp. Maar het dorpsleven had z’n aantrekkelijke kanten, zoals elke avond je pijpjun smoren aan de voordeur. En de gesprekken met de andere dorpsbewoners: Goejenavond buurman, schiet het gewas al flink op? Zeker buurman, ik verwacht dat de hennepoogst dit jaar niet gering zal wezen. De planten staan er knap bij. Dat doet deugd om te vernemen buurman, ons volk zal dus aan pot geen gebrek lijden als de lange winteravonden daar zijn. Zeker niet buurman, met spekulaas, ganzebord en hasj zal het waarachtig wel gaan. Wij vervullen met vreugde onze prachtige taak. Voor koningin en vaderland, weet je wel. In Leiden stopte de trein weer en de meeste mensen stapten uit. Als het nou zo leeg bleef kon hij straks op z’n gemak nog een stikkie roken en met volle teugen van de landschappelijke sien genieten. De knolle- en de bollevelden en de wentelende wieken en wat dies meer zij. Maar het geluk van een lege koepee was hem, Cees, natuurlijk niet beschoren, hoewel het een zeer toffe tsjik was die er tegenover hem kwam zitten, dat moest gezegd, een biezonder toffe tsjik zelfs, van het soort dat niet elke dag tegenover je in de trein kwam zitten. Maar dat wist hij niet zeker, want hij zat zelden of nooit in de trein, alleen zo nou en dan erris als in amsterdam de wiet op was. Waarom ging zo’n tsjik nou net tegenover hem zitten? “

 

Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

OVER HORST JANSSEN / Tegen vervloekte chaos heilige orde

Tegen vervloekte chaos heilige orde
geile gezondheid – alles werkt anders.
Werkt eigenlijk helemaal niet –

––––
met zoveel Dante / met zoveel tante –
(dat begrijpt nu weer niemand)
maar niet iedereen heeft ouders

–––
Die iemand van de drank afhouden.
Van de ziekte kunst, waarvan men op jonge leeftijd
mogelijk nog genezen had kunnen worden.

–––
Maar wanneer de elite zich solo
voor de spiegel staat op te blazen,
verwacht alleen de custos
–––
veiligheid van het marcheren

en een blauwe weergave
van veronderstelde koninkrijken des hemels.

–––
De neef verdrinkt echter zijn verraderlijke intelligentie
en zijn willekeurige talent
in 300 blikjes goedkoop bier.

–––

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2020 en eveneens mijn blog van 28 juli 2019 en ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Michael Longley

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

The Boxers

We were combatants from the start. Our dad
Bought us boxing gloves when we were ten —
Champions like Euryalus, say, or Epeius
Of wooden-horse fame: ‘I am the greatest!’
‘Nobody’s going to knock me down!’ Listen,
Peter, to the commentary — gruesome teeth-­
Grinding, sweat splattering their arms and legs,
Huge fists in ox-­hide thongs slugging it out,
Then the knock-­out blow to Euryalus’s chin —
Hoisting him with an uppercut — like a fish

That arches out of weed-­tangled shallows
And collapses back into hazy water,
Sea wind sending shock-­waves up the beach —
The winner gives the loser a helping hand
And his seconds support him across the ring
On dragging feet, head lolling to one side,
Blood clots et cetera et cetera…
I’ll tie your gloves. Shall we fight again?

 

The Linen Industry

Pulling up flax after the blue flowers have fallen
And laying our handfuls in the peaty water
To rot those grasses to the bone, or building stooks
That recall the skirts of an invisible dancer,

We become a part of the linen industry
And follow its processes to the grubby town
Where fields are compacted into window-boxes
And there is little room among the big machines.

But even in our attic under the skylight
We make love on a bleach green, the whole meadow
Draped with material turning white in the sun
As though snow reluctant to melt were our attire.

What’s passion but a battering of stubborn stalks,
Then a gentle combing out of fibres like hair
And a weaving of these into christening robes,
Into garments for a marriage or funeral?

Since it’s like a bereavement once the labour’s done
To find ourselves last workers in a dying trade,
Let flax be our matchmaker, our undertaker,
The provider of sheets for whatever the bed –

And be shy of your breasts in the presence of death,
Say that you look more beautiful in linen
Wearing white petticoats, the bow on your bodice
A butterfly attending the embroidered flowers.

 

The Feet

You showed me my twin’s feet when he was dead,
Your sailor-husband’s feet, your engineer’s – how
Cold they felt, how handsome ankle and toe,
Bone-shapes out of our gloomy womb-tangle –
A god’s immortal feet, I’ll dare to think,
When we scatter his ashes in the North Sea
Off the windy pier at Whitburn Village –
Poseidon, say, who drives his chariot’s bronze-
Hoofed horses so headlong over the waves
All the sea-creatures know who it must be

And the sea parts with a kind of happiness
And the axle doesn’t even get wet.

 

Tuinieren in Cardoso

Wilde bloemen worden onkruid
In deze kleine driehoekige
Garfagnana-tuin
Waar ik robertskruid uittrek,
Wolfsmelk, muur-verslindende
Valeriaan, knoflookachtige
Daslook, dode netels.
Hoe zit het met oregano?
Niet hoger dan hondenpis,
Die de waternavel beschermt.

De schuilplaats van de hagedis?
Ik heb de wilde vijgenboom teruggesnoeid,
Zijn wortels onder de casa
Die tegen onze waterleidingen drukken,
Met slaperige slakken als enige vrucht.
Van acacia – zonder bijen,
Onverlicht – verbindt zich een seksuele
Zwaarmoedigheid met mij
En vijf oude vrouwen – de laatste
In het dorp die de

Pinksterrozenkrans zingen hier
Naast bij het heiligdom van San Rocco.
Ik laat herderstasje voor ze achter
Zaaddozen – kleine hartjes –
Lepelvormige bloemblaadjes op stekels.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Portret door Colin Davidson, 2011-2012


Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juli ook mijn blog van 27 juli 2020 en eveneens mijn blog van 27 juli 2018 en ook mijn blog van 27 juli 2017 en ook mijn blog van 27 juli 2011 deel 2.

Arthur Japin, Philip Gross

De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook alle tags voor Arthur Japin op dit blog.

Uit: De overgave

‘Dus jij wist dat hij zou komen?’ vroeg Croney. Die had zich natuurlijk van de nieuwsgierigen losgescheurd in de hoop dat mijn reactie nog groter vuurwerk zou opleveren, en nu klonk ze beteuterd. ‘En dat het om jou is, dat weet je ook?’
‘Er komen hier zo veel mensen om mij een keer te zien.’
‘Maar hij! Kom nou, ik bedoel… uitgerekend hij!’
Ik had zelf niet kunnen denken dat een dag als deze ooit zou aanbreken, dus waarom zou een ander het begrijpen? Granny Parker ontvangt de aanvoerder van de Comanche! Ze denken dat het een vergissing is. Dat ik krankzinnig ben geworden, of erger: week. Dat de regering erachter zit. Dat de politiek mij tot een gebaar wil dwingen. Niemand dwingt mij nog. Al heel erg lang laat ik mij nergens meer toe dwingen. Ik heb gezegd dat hij kan komen. Ik heb er zelfs om gevraagd. Ik wil hem zien, ja. Ik wil hem in zijn ogen kijken. Kijken of het waar is wat ze zeggen, dat het mijn eigen ogen zijn.
Zo komen dit soort dagen nou eenmaal. Wen d’r maar aan. Ze naderen, onvermijdelijk en onherroepelijk, als de ochtend waarop een kind voor het eerst zijn eigen schaduw ontdekt. Het draait zich om en wil het niet geloven.
Eerst trekt het één been op en dan het andere, het steekt zijn armen in de lucht, springt in de rondte en zet het op een rennen, maar het is te laat. Die lange zwarte lijs volgt hem voortaan overal en laat in dit leven niet meer los.
Laat het verleden rusten, van alle slechte raad moet deze wel de meest nutteloze zijn. En degene die ik het vaakst heb gehoord: ‘Wat gebeurd is, is gebeurd, Granny Parker, laat toch!’ Niet dat ik niet zou willen, geloof me, maar het heeft geen zin. Iets wordt in gang gezet en het leidt ergens toe. Al dat afscheid dat ik indertijd heb moeten nemen leidt me vandaag naar een ontmoeting. Een dasspeld met de ster van Texas! Zo gaat dat dus. Die dag heeft geleid tot deze, meer is het niet. De eerste heb ik overleefd. Hoe zou deze zwaarder kunnen zijn?
‘Die ouwe is keihard,’ zeggen ze. Ze bedoelen het als compliment. Taai zijn is hier een verdienste. Ze prijzen mij gelukkig, alleen omdat ik er nog ben. Volhouden wekt ontzag. Overleven dwingt respect af. Ze benijden me omdat ik nooit klaag. Als je zo oud bent als ik kun je met twee dingen nog bewondering oogsten: niet zeuren en doorademen. Ondertussen prijzen de mensen vooral zichzelf gelukkig dat ze mij niet zijn; dat hun nog een toekomst wacht en iemand om lief te hebben. Op zondag bidden ze dat het ze bespaard blijft ooit te moeten worden zoals ik. Voor de kerkgangers ben ik als een van die voorstellingen van de hel waarmee katholieken hun tempels behangen om gelovigen godsvrucht aan te jagen. Na de dienst knikken ze me allemaal vriendelijk toe. ‘Hoe gaat het vandaag, Granny Parker?’ Ik grom iets met mijn lippen stijf opeen. Ik doe geen moeite om te
lachen. Dat heb ik wel geleerd. Als je één keer naar ze lacht willen ze je naar huis rijden, en onderweg proberen ze het verleden op te rakelen.”

 

Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)

 

De Engelse dichter, schrijver en academicus Philip Gross werd op 27 februari 1952 geboren in Delabole in het noorden van Cornwall. Zie ook alle tags voor Philip Gross op dit blog.

 

De boot gemaakt van gedichten

zingt en neuriet en praat en fluistert in zichzelf.
Hij slaapt nooit.
Hij kreunt, hij siddert op het ritme van de golven.
Het hout kraakt
in de taal van elke haven waar hij heeft aangelegd –
de grote mond, het patois,
het gebabbel, het Babel, het gesmokkelde rijke Bargoens
van elke havenbar.
Maar stil: vertel het niet aan de kapitein of de bootsman
of de losjes rijmende bemanning:

er is echt niets aan, poëzie,
gewoon lucht, hete lucht en papier, oh, en vakmanschap
en liefde en hoop, tussen hen
en de diepe donkere stille zee.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Philip Gross (Delabole, 27 februari 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn blog van 26 juli 2020 en eveneens mijn blog van 26 juli 2018 en ook mijn blog van 26 juli 2017 en eveneens mijn blog van 26 juli 2015 deel 2.

Lieke Marsman, Philip Gross

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

 

Nederland

Je nostalgie is oprecht, maar je rookworst is nep
Je boodschap is groen, maar aan je platform kleeft bloed
Je algoritme sadistisch, je vangnet een hoepel
Je bijstand gekort, terwijl optimisme een plicht is

Je plan radicaal, wanneer de camera draait
Je vaccinatiegraad hoog, als je managers telt
Je vrijheid een waakvlam, democratie polyester
En niemand die weet wat je ware gezicht is

Je geweten, verleden, je opinies, experts
Je consultants, commissies, obsessies, je taal
Je vergeten kwitanties met het hele verhaal
En je schoorvoetende sorry, dat aan niemand gericht is

Je hoort ‘het begin van het einde’, denkt: einde
steeds vaker. Aan deze maskerade van nevenschade
met op de achtergrond het gerinkel van centen
Je bent een winkel, zegt men — die dicht is

Bij gebrek aan natuurijs ben je een schaatser die zwemt
en je zwemt langzaam omhoog naar een boei, waar het licht is
Wee wat zich wreekt, je bent een burger die stemt
Het is bijna lente. Je bent moe, maar je bent er nog

Vraag niet hoe, maar je bent er

 

De onttovering van de wereld

regen en ruzie
maar we worden beschermd
door de plastic blokken
van de McDonald’s speelplaats
in mijn broekzak heb ik
mijn meest kostbare bezit
tot nu toe: een miniatuur Katrien Duck
die uit een roze doosje springt
zodra je het opent
twintig jaar later raak ik verstrikt
in de wachtwoorden
en patiëntnummers
die ik nodig heb
om toegang te krijgen tot mijzelf
en ik voel mij onttoverd
er is niets magisch aan dit leven
waarin een balie een schavot is
waarin de snelle achteruitgang
aan het eind een angst is
‘Ze voelde zich goed. Toen was ze dood.’
als een nieuwe fleece trui die een keer gewassen werd
zeg me dat de mensheid
haar geloof verliest en ik antwoord
we waren altijd al achterdochtig
we knepen alleen nog een oogje dicht
hadden in een ver verleden ergens gelezen:

het is beter met één oog
het eeuwige leven binnen te gaan
dan met twee ogen
in het eeuwige vuur te worden gegooid

 

Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

De Engelse dichter, schrijver en academicus Philip Gross werd op 27 februari 1952 geboren in Delabole in het noorden van Cornwall. Zie ook alle tags voor Philip Gross op dit blog.

 

De sleutel tot het koninkrijk

Het is geen ballingschap, huizen en families achter
ons, waar we elkaar ontmoeten. Het gebeurt overal,
nu: een staatloze
staat zonder naam, zich stilletjes afscheidend
van de afbrokkelende rijken om ons heen,

zonder postzegels of Eurovisie-inzendingen.
Niemand doet hem met een ruwe gids binnen een week.
Je woont er
of niet. Zo: op een terrasje
knipper je met je ogen en lijk je ze te verrassen,

de menigte, al zijn afzonderlijke gezichten tegelijk,
als kristallen die uit een oplossing opduiken,
als een stormloop van spreeuwen
of de bries die de canvas luifel optilt
nu en een deukje maakt in je cappuccinoschuim

met een knapperig geluid. En dat is het:
tussen ademhalingen, gewoon tussen jou en mij
alsof; Ja,
Q.E.D. Je wordt ontvangen. Dit is
de vrijheid van de stad, en de sleutel

tot het koninkrijk, en zijn grenzen rimpelen
naar buiten als de ruche van een brekende golf
op vlak zand,
een wijkende lijn die al aan het vervagen is
en schuimvlekken hoog en droog achterlaat,

een prikkeling op je handpalm; je bent vijf
jaar oud, kijkend naar de hele zee,
onzeker:
ga je lachen of huilen?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Philip Gross (Delabole, 27 februari 1952)  

 

Zie voor de schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2020 en eveneens mijn blog van 25 juli 2018 en eveneens mijn blog van 25 juli 2017.

Robert Graves, Philip Gross

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

 

A Lover Since Childhood

Tangled in thought am I,
Stumble in speech do I?
Do I blunder and blush for the reason why?
Wander aloof do I,
Lean over gates and sigh,
Making friends with the bee and the butterfly?
If thus and thus I do,
Dazed by the thought of you,
Walking my sorrowful way in the early dew,
My heart cut through and through
In this despair of you,
Starved for a word or a look will my hope renew:
give then a thought for me
Walking so miserably,
Wanting relief in the friendship of flower or tree;
Do but remember, we
Once could in love agree,
Swallow your pride, let us be as we used to be.

 

Double Red Daisies

Double red daisies, they’re my flowers,
Which nobody else may grow.
In a big quarrelsome house like ours
They try it sometimes—but no,
I root them up because they’re my flowers,
Which nobody else may grow.

Claire has a tea-rose, but she didn’t plant it;
Ben has an iris, but I don’t want it.
Daisies, double red daisies for me,
The beautifulest flowers in the garden.

Double red daisy, that’s my mark:
I paint it in all my books!
It’s carved high up on the beech-tree bark,
How neat and lovely it looks!
So don’t forget that it’s my trade mark;
Don’t copy it in your books.

Claire has a tea-rose, but she didn’t plant it;
Ben has an iris, but I don’t want it.
Daisies, double red daisies for me,
The beautifulest flowers in the garden.

 

The Beach

Louder than gulls the little children scream
Whom fathers haul into the jovial foam;
But others fearlessly rush in, breast high,
Laughing the salty water from their mouthes–
Heroes of the nursery.

The horny boatman, who has seen whales
And flying fishes, who has sailed as far
As Demerara and the Ivory Coast,
Will warn them, when they crowd to hear his tales,
That every ocean smells of tar.

 

Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)

 

De Engelse dichter, schrijver en academicus Philip Gross werd op 27 februari 1952 geboren in Delabole in het noorden van Cornwall. Zie ook alle tags voor Philip Gross op dit blog.

 

Brandoffer

Beste Ivor,
………………..Het gedicht dat je voor me hebt verbrand
steeg op, zoals het Geestenfeest in de straten van Singapore,
die lik-mij-schoon trottoirs, vroom bezaaid:
speelgoedgeld voor de doden, echte snoepjes en kartonnen

iPhones… Zulke wereldse geesten, even hebzuchtig
als wij. En waarom ook niet? We houden leven over
en dingen. Ik heb je soepblik bewaard, en de laatste onverbrande
kronkel. Wat as. Het moment echter, is… waar?

De zon kwam op. De verkolende rand tornde zich
niet zelf los; de vlam was niets dat we konden zien.
De woorden omgekruld, vertaald in lucht

zoals dit: een sonnet, ontbinding in een strikte
vorm, gebonden materie die welwillend ongedaan
wordt gemaakt. Zo reguleren we de adem. Hou je haaks.

 

Philip Gross (Delabole, 27 februari 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2019 en ook mijn blog van 24 juli 2018 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Lauren Groff, Michael Longley

De Amerikaanse schrijfster Lauren Groff werd geboren op 23 juli 1978 in Cooperstown, New York. Zie ook alle tags voor Lauren Groff op dit blog.

Uit: Matrix

“The abbess turns and through the dark she walks sure, while the other two take tentative steps, touching the wall. Into the night, through the cloister. The abbess goes back again up her stairwell, and calls down to Marie to sleep well, new prioress, for Marie will begin her good work sorting through the parchments and account books tomorrow.
Marie follows Wevua into the chapel where one beeswax taper is left burning. The abbey in its distress has sold all its ornaments, and only a wood carving remains: skinny shanks and wounds and thorns and blood and rib‑bones, that ancient story she knows by heart. Up the black night stairs to the dortoir, where a single lantern burns over the rows of twenty nuns already asleep in their narrow beds, wearing their full habits, for perhaps it is tonight that the Angels of the Resurrection will blow their horns and they must be prepared to fly into the arms of heaven. There is a sense that eyes are watching Marie but what faces she sees are smooth with sleep, feigned or real. There are whispers down the line, a rattling cough. Wind blows through the gaps in the window shutters, there are flakes in the dortoir’s air that melt before they touch the ground. Marie lies down on the bed that Wevua gestures toward. She is too tall for these bedframes and has no comfort until she slides down to bend her knees and put her feet on the floor, which meets her heel flesh with its implacable cold.

Oh for her mother’s large goodness, the rumbling laugh that made everything better, the verbena of her neck; but her mother has been dead these five years. Or for Cecily to warm her body, to speak rough sense, to share in Marie’s hatred of this frigid and awful place so she does not have to bear it alone. What Cecily would think of this place, who, as a child in the dust and stink of the chicken coop where thick light poured sideways from the chinks, reached under the hens for an egg, her filthy kitchen smock as her vestment, and, wearing her sternest face, swinging a bucket of ash for her censer, intoned gibberish in the girls’ play of Mass while cracking into Marie’s open mouth the egg still warm from inside its mother, the body and the blood mixed as one, and Marie crossed herself and could barely swallow the overrich viscous warm egg down. Then Cecily’s breath in Marie’s face, she’d been chewing the peels of the carrots she’d been paring, and her hard small tongue licking the spilled yolk on Marie’s chin. Second heresy, mouth on mouth. Her frank and knowing body; there was no privacy among the servants, where she learned such arts. The heat, the discovery within this stout dimpled girl with straw in her hair. The pulse of her body on top of Marie’s.
Marie clutches her own hands, but they are cold and bony, they are not Cecily’s.
Slowly, the dortoir warms with the breath and body heat of the nuns. The wind howls lonely outside. Marie stops shivering. She will never sleep again, she thinks; then she sleeps.”

 

Lauren Groff (Cooperstown, 23 juli 1978)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

CARRIGSKEEWAUN
Voor Penny & David Cabot

De berg

Dit is het territorium van de raven, schedels, botten,
Het merg van deze rotsblokken onder toezicht
Vanuit de lucht: ik sta hier alleen
En lijk kinderen om me heen te verzamelen,
Een aantal picknickspullen, mijn stem
Vult de omgeving als ik hun namen noem.

Het pad

Met mijn eerste stap verjaag ik de wilde eenden
Die hun nek spannen over het moeras naar waar
Drieteenmeeuwen de golven schrapen: dan, de cirkel
Groter makend, kieviten, wulpen, watersnip tot
Ik nog maar één zwaan overhoud om een duwtje te geven
Naar de andere kant van zijn geleidelijke minachting.

Het strand

Ik ontdek, een overblijfsel van gisteren,
Dierensporen, het kleine spoor van een strandloper,
De voetafdrukken van de kinderen en die van mij
Die de duinen verbinden met de waterkant,
De droge schelpen reducerend tot zand, de teen-
En vingernagelsnippers van de zee.

De muur

Ik sluit me aan bij alle mannen die hier hebben gehurkt
Aan deze met korstmos bedekte kant van de droge stenen muur
En merk op hoe rook van ons turfvuur
In de koele lucht boven het meer doet denken aan
Stoom uit een fluitketel, een tafelkleed en
Een tafel die ze misschien al heeft gedekt.

Het meer

Hoewel het ieder moment de schapen en runderen
Die daar ronddwalen, zal verdubbelen,
Lijkt zijn oppervlak elke avond gekanteld,
Een paar minuten lang, om de zon,
De merrie en haar veulen perfect te ontvangen,
De reiger, al die bijzondere bezoekers.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juli ook mijn blog van 23 juli 2020 en eveneens mijn blog van 23 juli 2019 en ook mijn blog van 23 juli 2018 en ook mijn blog van 23 juli 2017 deel 2.

Arno Geiger, Michael Longley

De Oostenrijkse schrijver Arno Geiger werd geboren op 22 juli 1968 in Bregenz, Vorarlberg. Zie ook alle tags voor Arno Geiger op dit blog.

Uit: Kleine Schule des Karussellfahrens

„Aber dort steht sie einmal, mit dem Rücken zu dir, und wirft mit wenig Glück einen faustgroßen Stein nach der offensichtlich letzten Fensterscheibe, die an dem auf Abbruch stehenden Hauptgebäude ganz geblieben ist. Argwöhnend schaust du in die Runde, ob alles mit rechten Dingen zugeht, ob nirgends ein Haken ist. Aber trotz deines redlichen Bemühens kannst du keine diesbezüglichen Anzeichen ausmachen. Alles wirkt sehr überzeugend. Du schaust wieder das Mädchen an, das barfuß ist, das ist dir zuvor nicht aufgefallen, die Schuhe hält sie in der Linken, schaust vielleicht zwei oder nur eine lange Sekunde, spürst sogar nichts Außergewöhnliches, nur dieses Kribbeln von DANTONS TOD in der Magengrube, ein wenig verstärkt, obwohl damit zu rechnen ist, daß der kurze Blick schon bald von einer neuen Wahrnehmung überlagert sein wird. Du gehst vorbei, geschenkt, sagst du mit einer großzügigen Geste und hast den Eindruck von dem, was nicht sein wird, bis auf periphere Reste, die in einem nächtlichen Traum wiederzukehren geeignet gewesen wären, mit bewundernswertem Gleichmut weggesteckt, als dich das Mädchen auffordert, ihr den Gefallen zu tun, die Scheibe einzuschmeißen: Schau, dort oben ist noch eine ganz. Zwar stimmt, was sie sagt, dessen hast du dich bereits versichert, an den Falschen ist sie trotzdem geraten, denn in solchen Dingen drängst du dich nicht vor. Du drängst dich überhaupt nie und nirgends vor, das gehört zu deiner Strategie, weil du der Auffassung bist, überall in der ersten Reihe zu stehen, trage einem nichts als Ärger ein. Zu versäumen gebe es nichts (für dich der älteste Hut, der einem bei diesem Wetter vom Kopf fliegt), keinen Kometen, der nur alle hundert Jahre für drei Sekunden mit einem glühenden Schweif im Schlepptau auftaucht, keine Sprengung eines Tresors, ob von der Titanic oder aus den unterirdischen Schlupfwinkeln des Al Capone. Ganz zu schweigen von dem faulen Zauber, über den man an jeder Straßenecke stolpern kann. So sieht sie aus, deine Welt. Besondere Absichten verfolgst du keine, erwartest weder vom Leben viel und schon gar nicht, daß es etwas von dir erwartet. Acht Stunden Schlaf, zum Frühstück eine Tasse Kaffee, und bis zum Abend fällst du nicht aus der Rolle. Da müßte dir, das wäre das mindeste, schon einer dieser Kometen durchs Dach schlagen. Nach deinen Berechnungen nähert sich der Halleysche der Erde wieder um das Jahr 2060, das wäre DIE Gelegenheit, für die berüchtigten  fünfzehn Minuten ein Star zu sein, die jedem, gefällt er sich in seiner Bedeutungslosigkeit auch noch so sehr, wärmstens anempfohlen sind. Immerhin, dies nur, um etwaigen Zweiflern an der bloßen Möglichkeit eines solchen Zwischenfalls von vornherein das Wasser abzugraben, ein italienischer Mönch des 17. Jahrhunderts wurde von einem herabstürzenden Meteor glattweg erschlagen.“

 

Arno Geiger (Bregenz, 22 juli 1968)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Moeraskatoen

Laat me plaats maken voor moeraskatoen, een woestijnbloem –
Keith Douglas, ik herhaal bijna wat je zei…
Toen je de klaprozen van Vlaanderen apostrofiseerde
En de dood van de poëzie daar: dat was in Egypte
Tussen de zanderige soldaten van een andere oorlog.

(Hij hangt aan een draad, dichter dan disteldons,
Onwillig om te vliegen, een windvaan die
De stroom van wolkenschaduw over eentonig moeras volgt –
En net zo nutteloos, hoewel hij doet denken aan

De molligheid van kussens, het stelpen van wonden,

Lappen, van een petticoat gescheurd en in water gedrenkt
En vastgebonden aan de struiken rond een heilige bron
Als om van het landschap een ziekenhuis te maken –
Geneeswijzen en medicijnen tot aan de horizon
Die niemand oogst behalve met het oog.)

Je zag dat er voorbij de dorstiger woestijnbloemen
honderdduizenden papaverblaadjes vielen,

Uitvergroot tot bloedvlekken op halve afstand
Of door het nog ongerichte vizier van een geweer –
En Isaac Rosenberg droeg er een achter zijn oor.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor de schrijvers van de 22 juli ook mijn blog van 22 juli 2020 en eveneens mijn blog van 22 juli 2019 en ook mijn blog van 22 juli 2018 deel 2.

Leo Herberghs, Paul Violi, Claire Keegan

De Nederlandse dichter en schrijver Leo Herberghs werd geboren in Heerlen op 21 juli 1924. Zie ook alle tags voor Leo Herberghs op dit blog.

 

Laatste zomerdag

Nog is de dag van melk en bloed
en klinkt muziek op alle winden,
nog stijgt het leven als een vloed
en schrijden zalig de beminden,
nog is het leven groot en goed.

Dra keren nachten, de ontzinde
uit de holen in een duistre spoed
en stijgen kreten in den blinde,
angst en verwarring in ’t gemoed.
Dra zal geen lief zijn lief nog vinden
en walmt de lucht van dood en bloed.

 

Park

Gij zegt mij na dat wij hier willen wezen
Een kleine tijd, de spanne van een waan
Om dan, genezen of ook niet genezen
De oude wegen verder te begaan.

Misschien zult gij de dagen nog wel vrezen
En weinig weten van het aards bestaan,
Maar van de bloemen, langs het pad gerezen
Zult gij de zin welhaast voorgoed verstaan.

Zij zijn zo stil, zij willen nauw bewegen,
Zij suizlen even in de oude regen
En sluimren in. Bezijden de fontein;

En als nog eens ik hier met u verschijn
Zal er nog meer zo maatloos zijn verzwegen:
Ik heb u lief. Maar laat mij eenzaam zijn.

 

Hij 1

hij verheft zich. verheft hij zich?
blijft zitten en nestelt zich
waar hij niet woont

komt naderbij waar hij staat,
roerloos vertrekt hij en wordt
zichtbaar waar hij verdwijnt

verzaakt aan wat hij niet heeft
haakt naar dat wat hij bezit
lacht als hij tranen heeft

 

Leo Herberghs (Heerlen, 21 juli 1924 – 11 mei 2019)

 

De Amerikaanse dichter Paul Randolph Violi werd geboren op 20 juli 1944 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Paul Violi op dit blog.

 

In het huisje van Messer Violi

De brievenbus, donkerblauw geverfd,
zit bovenop een gekantelde cederpaal.
Hij heeft een kleine rode vlag aan één kant
en hij is in elk opzicht opmerkelijk.

De Toyota op de oprit
is erg oud en ze zeggen
dat hij uit Japan komt.

In de gang staat
een immense hondenvoerbak.
Hij is gemaakt van iriserend roze plastic.
Hij is, zoals ik al zei, immens
en hij is afschuwelijk.

In de kitchenette staat een beeldje
van Ceres, godin van ontbijtgranen.

De vaatwasser is een Kenmore
en alle lof waard.

In de foyer biedt het oversized schilderij
van een karbonade
bezoekers veel mogelijkheden
voor een gesprek.

In de bediendenverblijf
hangen veel indrukwekkende werken
die de naderende dood benadrukken
en de kans op hellevuur.

Geplaatst op de brede esdoornhouten tafel
naast flessen cognac
staat een opnameapparaat
met een zilveren megafoon,
waar autochtonen vaak op uitnodiging
de mondelinge geschiedenis van hun volk
in schreeuwen.

Wij van wie de harten zijn gegrepen
door het leven, spotten met het idee van kunst
als loutere versiering: Zo
lijken zij te verkondigen,
de drie beelden die
het gazon van de buren sieren, gipsen herten
met echte kogelgaten erin.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Violi (20 juli 1944 – 2 april 2011)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De een Ierse schrijfster Claire Keegan werd in 1968 in County Wicklow geboren en is de jongste telg uit een groot rooms-katholiek gezin. Keegan reisde op haar zeventiende naar New Orleans, Louisiana en studeerde Engels en politicologie aan de Loyola University. Ze keerde in 1992 terug naar Ierland en woonde later een jaar in Cardiff, Wales, waar ze een MA in creatief schrijven volgde en lesgaf aan studenten aan de Universiteit van Wales. Vervolgens ontving ze een Master in filsofie aan het Trinity College Dublin. Keegans eerste verhalenbundel, “Antarctica” (1999), won vele prijzen, waaronder de Rooney Prize for Irish Literature en de William Trevor Prize, en was een van de “Best Books of 2001” van de Los Angeles Times. Haar tweede verzameling van veelbekroonde korte verhalen, “Walk the Blue Fields”, werd gepubliceerd in 2007. Keegans veelgeprezen ‘lange, korte verhaal’ ‘Foster’ won in 2009 de Davy Byrnes Short Story Award,  “Foster” verscheen in het nummer van 15 februari 2010 van de New Yorker en werd vermeld in de lijst “Best of the Year” van dat tijdschrift; het werd later in een langere vorm gepubliceerd door Faber en Faber. “Foster” werd in 2021 verfilmd en in mei 2022 uitgebracht als het veelgeprezen An Cailín Ciúin (The Quiet Girl). Eind 2021 publiceerde Keegan nog een novelle, “Small Things Like These”, dat zich halverwege de jaren tachtig in Ierland afspeelt.

Uit: Foster

“Early on a Sunday, after first Mass in Clonegal, my father, instead of taking me home, drives deep into Wexford toward the coast, where my mother’s people came from. It is a hot August day, bright, with patches of shade and greenish sudden light along the road. We pass through the village of Shillelagh, where my father lost our red shorthorn in a game of forty-five, and on past the mart in Carnew, where the man who won her sold her not long afterward. My father throws his hat on the passenger seat, winds down the window, and smokes. I shake the plaits out of my hair and lie flat on the back seat, looking up through the rear window. I wonder what it will be like, this place belonging to the Kinsellas. I see a tall woman standing over me, making me drink milk still hot from the cow. I see another, less likely version of her, in an apron, pouring pancake batter into a frying pan, asking would I like another, the way my mother sometimes does when she is in good humor. The man will be her size. He will take me to town on the tractor and buy me red lemonade and crisps. Or he’ll make me clean out sheds and pick stones and pull ragweed and docks out of the fields. I wonder if they live in an old farmhouse or a new bungalow, whether they will have an outhouse or an indoor bathroom, with a toilet and running water.
An age, it seems, passes before the car slows and turns in to a tarred, narrow lane, then slams over the metal bars of a cattle grid. On either side, thick hedges are trimmed square. At the end of the lane, there’s a white house with trees whose limbs are trailing the ground.
“Da,” I say. “The trees.”
“What about them?”
“They’re sick,” I say.

“They’re weeping willows,” he says, and clears his throat.
On the housefront, tall, shiny windowpanes reflect our coming. I see myself looking out from the back seat, as wild as a tinker’s child, with my hair all undone, but my father, at the wheel, looks just like my father. A big, loose hound lets out a few rough, halfhearted barks, then sits on the step and looks back at the doorway, where the man has come out to stand. He has a square body like the men my sisters sometimes draw, but his eyebrows are white, to match his hair. He looks nothing like my mother’s people, who are all tall, with long arms, and I wonder if we have not come to the wrong house.”

 

Claire Keegan (County Wicklow, 1968)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juli ook mijn blog van 21 juli 2020 en eveneens mijn blog van 21 juli 2019 en ook mijn blog van 21 juli 2018 deel 2.

Arie Storm, Paul Violi

De Nederlandse schrijver en literatuurcriticus Arie Storm werd geboren in Den Haag op 20 juli 1963. Zie ook alle tags voor Arie Storm op dit blog.

Uit: Schoonheidsdrift

“Alles was achter de rug. Het gevaar was geweken en iedereen was blij. Mijn vriendin en ik zaten in de trein op weg naar huis, naar de metropool Amsterdam, en keken door het raam in de coupé naar buiten naar al het heerlijke groen dat daar aan ons voorbijtrok, en we floten opgelucht een zachte melodie voor ons uit. Het zand van het Waddeneiland hadden we van ons afgeschud – we hadden het van tussen onze huidplooien verwijderd en van onder onze nagels vandaan gekrabd – en ik zei tegen mijn vriendin dat ik moest bekennen dat er de afgelopen tijd ogenblikken waren geweest waarop ik, Tom van Santen, hoewel ik beslist geen pessimistisch karakter heb, de wanhoop nabij was. ‘Het was kantje boord, Fiona,’ zei ik terwijl ik door het raam naar de voorbijglijdende weilanden staarde.
‘Het staat buiten kijf dat de zaken een nogal grimmige aanblik boden, Tom.’
‘Ik zag geen uitweg meer. Op een gegeven moment wilde ik het bijltje erbij neerleggen en de handdoek in de ring gooien en de zee in lopen om nooit meer terug te keren. En toch, nu zitten we in de trein, op weg naar huis, en alles is tiptop, in kannen en kruiken, en kijk eens naar het uitzicht: de wereld is er nog. Maar zoiets zet je wel aan het denken.’
‘Ja, Tom.’
Ik wendde mijn gezicht naar het hare. ‘Er is een uitdrukking waar ik niet op kan komen maar die wel precies alles samenvat. Ik bedoel eigenlijk een gezegde. Een cliché. Iets wat mensen dan altijd zeggen. Een spreuk. Iets over dat alles naar ieders volledige genoegen is afgerond, hoewel het er aanvankelijk misschien niet op leek dat het in orde zou komen. Dat de lucht aanvankelijk bewolkt is, donkere wolken pakken zich samen en zo, maar dat die enkele uren later stralend blauw zal zijn.’
‘Eind goed, al goed, Tom?’
‘Ja, lieverd, dat zocht ik. Is dat niet door Shakespeare bedacht?’ ‘Dat weet ik niet precies. Hij heeft natuurlijk wel een stuk geschreven met de titel All’s Well That Ends Well. Maar hij, Shakespeare dus, liet zich voor het schrijven van dat stuk inspireren door Boccaccio. Dus die is er misschien al eerder over begonnen. Hoe dan ook, “eind goed, al goed” is een inkorting, een ellips, van: als het einde goed is, is alles goed. Meestal wordt de uitdrukking, want dat is het, gebruikt met betrekking tot een film of een boek.’
Daar kon je bij Fiona wel van op aan: die had haar dramatische, cinematografische en literaire verwijzingen op orde. En eerlijk gezegd was dat precies de reden waarom we zo in de problemen waren gekomen. Zonder haar was er niets gebeurd.”

 

Arie Storm (Den Haag, 20 juli 1963)

 

De Amerikaanse dichter Paul Randolph Violi werd geboren op 20 juli 1944 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Paul Violi op dit blog.

 

Nachtdienst

Ik luister naar de krekels en hoor
de machines op de bodem van de nacht.

Ze zijn allemaal gemaakt in Hong Kong
uit verwisselbare onderdelen.

Ze stijgen en dalen allemaal op dezelfde golf,
de krakende, onveranderlijke zee
die ze maakten uit geluid en de nachtlucht.

……………..Ik verbaas mezelf niet meer:
een gevoel van beweging maar geen vooruitgang, geen kust
in zicht anders dan slaap; en de gebruikelijke
onderweg gekrabbelde regels, de notities
die een alchemist hoort op drift in het alledaagse
zonder symbool voor het verrassingselement.

Maar om dan in plaats daarvan je hand te voelen, handpalm omhoog
op het bed als een bootje in het donker,

met alles een moment in rust
voordat alles van jou uit het niets
op mij landt met een prachtige lach, een toefje haar.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Violi (20 juli 1944 – 2 april 2011)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juli ook mijn blog van 20 juli 2020 en eveneens mijn blog van 20 juli 2019 en ook mijn blog van 20 juli 2013 deel 2 en eveneens deel 3.

Anna Enquist, Ghayath Almadhoun

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook alle tags voor Anna Enquist op dit blog.

Typologie van de drenkeling

Ze klimmen aan de uitgestoken hand de kant
op, kijken langs je heen; op weg weer, als zij
waren toen ze in dit nat abuis verzeilden. Dank-
bare schimmen die zich sluiten als het water zelf.

Soms brengt de dreg sereen en willoos materiaal
in vreemd geplooide stof. De dood als regisseur
van stilstaand beeld drapeert het water dat
vibreert boven die onbekend werd in elk element.

Dan nog: die schopt en spuugt en slaat en diep
gekrenkt zijn redding tegengaat. Die onvermoeibaar
stinkend water door de kamer waaiert: nee, niet
zo, niet met zo’n pijn wil hij gered zijn, nee.

Langs muren van vuur gaan wij op huis aan.

 

Binnen

Straathoek waar zij niet staat,
fietser die haar rug leent, ademloze
stilte van haar telefoon. Zij verschijnt
mij in het missen. Zoeklichten
richt ik op de buitenkant.

Geef op. Laat gaan.

Binnen hangt zij met heel haar gewicht
in mijn voeten, klauwen haar vingers
om mijn slokdarm. Strak
achter mijn wangen spant zij
een breiwerkje van ijzerdraad.

 

Klein duet

De warme herfstzon in het park
kleurt stof en blaren donkergoud.
Terwijl wij gaan over oud gras langs
grind langs vijver langs plataan
slingert het lied achter ons aan.

Wat zwaarte heeft zakt weg: boom,
steen en aarde. Over twintig jaar
maakt dat wat niet in licht, niet
in gewicht te vangen is de tranen
los over oud vel, doet stijve
schouders schokken: teder spel
van stem om stem in stem.

 

Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

 

De Zweeds – Palestijnse dichter, toneelschrijver, journalist en literair criticus Ghayath Almadhoun werd geboren op 19 juli 1979 in Damascus. Zie ook alle tags voor Ghayath Almadhoun op dit blog.

 

Vrouwen

De vrouwen die sinds het begin van de geschiedenis de druiven met hun voeten stampten.
De vrouwen in Europa die
met kuisheidsgordels werden vergrendeld.
De tovenaressen die in de Middeleeuwen werden verbrand.
De schrijfsters van de negentiende eeuw, die schreven
onder mannelijk pseudoniem, zodat ze konden publiceren.
De theepluksters in Ceylon.
De vrouwen van Berlijn, die na de oorlog hun stad weer hebben opgebouwd.
De katoenboerinnen in Egypte.
De Algerijnse vrouwen, die hun lichaam insmeerden met uitwerpselen, zodat de Franse soldaten
hen niet zouden verkrachten.
De sigarenmaagden in Cuba.
De bende van de zwarte diamanten in Liberia.
De sambadanseressen in Brazilië.
De vrouwen in Afghanistan die hun gezicht door zoutzuur hebben verloren.
Mijn moeder.
Het spijt me.

 

Vertaald door Djûke Poppinga

 

Ghayath Almadhoun (Damascus, 19 juli 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e juli ook mijn blog van 19 juli 2020 en eveneens mijn blog van 19 juli 2019 en mijn blog van 19 juli 2017 en ook mijn blog van 19 juli 2015 deel 1 en eveneens deel 2.