Arthur Japin, Michael Longley

De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook alle tags voor Arthur Japin op dit blog.

Uit: Vaslav

“Vanochtend, al voor dag en dauw, begint voor ons de waanzin. Het hele huis in rep en roer. Opgewonden stemmen in het trappenhuis. Geroep in de tuin. Voeten die de trap op rennen.
Lise hoort het in haar slaap. Ze kreunt even, haalt een keer diep adem alsof ze zich wil omdraaien. Ik heb mijn armen om haar heen geslagen en druk haar nog eens tegen me aan, waarop ze weer ontspant. Zo lig ik het liefst, mijn hoofd tussen haar schouders, mijn onderlijf stijf tegen het hare, knieën samen opgetrokken, alsof zij mij op haar rug draagt en me veilig over donzen bergen gidst. Even nog, denk ik, in godsnaam, en zak weer weg. Het volgende moment zie ik onze lijven als de wanden van een dal. Ik zeil erlangs, rakelings, een adelaar die afdalend vanuit de hoge wind de luwte zoekt. Dan wordt er op mijn deur geklopt. Vier korte doffe slagen, die ik in mijn halfslaap als schoten hoor. Ze weerkaatsen in de kloof van Lises dijen waar ik tussendoor zweef. Onder me zie ik de zon in de Inn weerkaatst, een zilveren lint dat de meren van Sankt Moritz, Sils en Silvaplana doorrijgt, maar het volgende salvo schiet me wakker.
Marie is aan de deur, helemaal hysterisch. Ik roep dat ik eraan kom, maak licht en zoek mijn kleren bij elkaar. Lise zucht. Door samengeknepen wimpers kijkt ze hoe ik vechtend met mijn onderbroek op één been door de kamer spring. De lange pijpen, gisteravond laat te gretig uitgetrapt, zitten helemaal verknoopt. Als ik struikel, schiet ze in de lach. Ik leg mijn vinger tegen mijn lippen en geef haar haar kleren aan.
‘Het kleintje,’ snikt Marie, ‘ze is weg.’
Ik knoop mijn hemd dicht terwijl we naar beneden rennen.
‘Haar bed is leeg, de voordeur staat open. Kyra, o God, onze lieve kleine Kyra.’
‘En mevrouw?’
‘Weet nog van niks. Dit mag Miss Grant haar zelf vertellen. Mooie gouvernante is me dat. Die heeft een deken omgeslagen en is zo de tuin in gehold op zoek naar voetstappen, maar het is pikdonker. Jij moet mee om bij te lichten.’
De kou van de nacht hangt in de hal. Ik ga de achtertrap af naar het stookhok, drenk een rag in de petroleum, wind hem om een teerfakkel en wil die aansteken als ik me ineens bedenk. Ik hol terug naar boven, neem de gang op de eerste, stilletjes om mevrouw niet te alarmeren, en steek de overloop over naar de kamer van mijnheer. Ik klop niet aan omdat ik wel weet hoe laat het is, maar open direct de deur en kijk naar binnen.”

 

Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

OORLOG & VREDE

Achilles jaagt achter Hector aan als een sperwer
Krijsend naar een doodsbange kraagduif
Die fladdert in het aangezicht van haar beul, dus
Hector doet onder de muren van Troje moeite om in leven te blijven.
Voorbij de verweerde wilde vijgenboom en de uitkijk-
Post versnellen ze allebei hun pas, weg van de stad
Langs een karrenspoor tot aan dubbele springbronnen
Die uitstromen in de wervelende Skamandros, één met
Warm water dat stoomt als rook van een vreugdevuur,
De andere koud als hagelstenen, sneeuwwater,
Handig voor de uit steen gehouwen wasbakken
Waarin Trojaanse huisvrouwen en hun mooie dochters
In de goede oude tijd te hun glanzende kleding uitspoelden,
Op wasdagen, voordat de Griekse soldaten naar Troje kwamen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn blog van 26 juli 2018 en ook mijn blog van 26 juli 2017 en eveneens mijn blog van 26 juli 2015 deel 2.

Lieke Marsman, Michael Longley

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

Man met hoed I

Ik volgde een nacht lang de rook
van de stad, ik zei tegen een man
die me naliep: probeer mij eens te volgen
terwijl ik achter jou aanloop, kun je dan nog raden
waar ik heenga?

Ik las in een boek dat je, als je steeds
rechtsaf slaat, altijd weer thuis komt.
Maar ik dacht: wat als je begint bij een plaats
die niet je huis is, waar kom je in dat geval
terecht? En als je linksaf slaat – werkt het nog?

Ik begon in een huis op een land
dat plat was. Daar stond in een boek
dat het aan de binnenkant van ons lichaam
helemaal donker is. Pikzwart. Ik dacht:
hoe kun je het weten als je er niet kunt kijken?

Ik zei tegen de man die ik volgde
dat ik naar huis moest, een licht
in mijn longen aandoen. Ik kon hem zeggen
wat ik dacht omdat ik iets schreef
in mijn hoofd. Het was dit.

Iemand gaf me een boek dat vertelde
over een parallel universum dat zich op één
millimeter van onze huid bevindt.
Huid: de vitrage die ervoor zorgt dat
onze organen geen schaduwen hebben.

De man liep rechtsaf mijn straat in. Vanuit een
bovenraam op de hoek klonk een feest. Hij kwam
bij mijn voordeur en draaide zich om.
Hij zei: laat me met rust
en lees niet zoveel boeken.

Ik schreef: als ik in een parallel universum geloofde,
zou het zijn waar ik mijn huis liet bouwen.
Als ik in mezelf geloofde, zou ik er lachend
op de bank zitten wachten
totdat ik thuiskwam.

 

Man met hoed II

Ik zal terugkeren en ik zal haast
geen huid meer hebben, mijn vlees
zal mijn kieuwen moeten overnemen

Ik kom uit het water
Hoewel ik niet uit de regen zal komen,
zal ik hopen dat je me een handdoek aangeeft

Ik zal geen oevers meer hebben als ik terug ben gekeerd
Dag na dag stroom ik de richting van mijn gezicht achterna
Met de armen gestrekt beperk ik waar ik naar kijken kan

Ik zal wel moe zijn, denk ik

Ik kom verwilderd terug, ik leg
mijn handen op het enige stukje huid
van je rug dat nog vrij is
en bloot.

Boven het hart
dat je onder je riem draagt, naast
de dolk.

 

Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Gaspeldoorn vuurtjes

Het vee uit hun stal ruikt nog naar mest, lammetjes
zijn vanaf vorig jaar als uit een omheining gestapt.
Vijf of zes mannen staren naar een roestige tractor
Voordat ze werktuigen naar afzonderlijke velden vervoeren.

Ik reis van de ene april naar de andere.
Het is dezelfde trein tussen dezelfde dijken.
Gaspeldoorn vuurtjes roken, maar sleutelbloemen branden
En speenkruid en witte meidoorn en gaspeldoornbloemen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Portret door Jeffrey Morgan

 

Zie voor de schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2018 en eveneens mijn blog van 25 juli 2017.

Robert Graves, Michael Longley

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Give Us Rain

“Give us Rain, Rain,” said the bean and the pea,
“Not so much Sun,
Not so much Sun.”
But the Sun smiles bravely and encouragingly,
And no rain falls and no waters run.

“Give us Peace, Peace,” said the peoples oppressed,
“Not so many Flags,
Not so many Flags.”
But the Flags fly and the Drums beat, denying rest,
And the children starve, they shiver in rags.

 

A Boy In Church

“Gabble-gabble,… brethren,… gabble-gabble!”
My window frames forest and heather.

I hardly hear the tuneful babble,
Not knowing nor much caring whether
The text is praise or exhortation,
Prayer or thanksgiving, or damnation.

Outside it blows wetter and wetter,
The tossing trees never stay still.
I shift my elbows to catch better
The full round sweep of heathered hill.
The tortured copse bends to and fro
In silence like a shadow-show.

The parson’s voice runs like a river
Over smooth rocks. I like this church:
The pews are staid, they never shiver,
They never bend or sway or lurch.
“Prayer,” says the kind voice, “is a chain
That draws down Grace from Heaven again.”

I add the hymns up, over and over,
Until there’s not the least mistake.
Seven-seventy-one. (Look! there’s a plover!
It’s gone!) Who’s that Saint by the lake?
The red light from his mantle passes
Across the broad memorial brasses.

It’s pleasant here for dreams and thinking,
Lolling and letting reason nod,
With ugly serious people linking
Sad prayers to a forgiving God….
But a dumb blast sets the trees swaying
With furious zeal like madmen praying.

 

She Tells Her Love

She tells her love while half asleep,
In the dark hours,
With half-words whispered low:
As Earth stirs in her winter sleep
And put out grass and flowers
Despite the snow,
Despite the falling snow.

 

Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Vijftig jaar

Je hebt keer op keer met me gewandeld
Over het stenige pad naar Carrigskeewaun
En halt gehouden tussen de heksenringen om
Champignons te plukken voor het ontbijt en voor poëzie.

Je hebt erop gewezen, zoals op een slakkenhuis
Of een wulpveer of rogge-eieren,
Op het juiste woord, stiltes en lettergrepen
Hoorbaar aan de winderige rand van het water.

We hebben otterafdrukken gevolgd naar Allaran
En  uren op onze kille troon gewacht,
Vijftig jaar lang, man en vrouw, met zachte stem,
Scholeksters en kleine zandlopers geteld.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Hier met zijn echtgenote

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2019 en ook mijn blog van 24 juli 2018 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Lauren Groff, Michael Longley

De Amerikaanse schrijfster Lauren Groff werd geboren op 23 juli 1978 in Cooperstown, New York. Zie ook alle tags voor Lauren Groff op dit blog.

Uit: Fates and Furies

“A QUESTION OF VISION. From the sun’s seat, after all, humanity is an abstraction. Earth a mere spinning blip. Closer, the city a knot of light between other knots; even closer, and buildings gleamed, slowly separating. Dawn in the windows revealed bodies, all the same. Only with focus came specifics, mole by nostril, tooth stuck to a dry bot-tom lip in sleep, the papery skin of an armpit. Lotto poured cream into coffee and woke his wife. A song played on the tape deck, eggs were fried, dishes washed, floors swept. Beer and ice carried in, snacks prepared. By midafternoon, all was shining, ready. “Nobody’s here yet. We could—” Lotto said into Mathilde’s ear. He pulled her long hair away from her nape, kissed the knob of bone there. The neck was his, belonging to the wife who was his, shining, under his hands. Love that had begun so powerfully in the body had spread luxuriantly into everything. They had been together for five weeks. The first, there had been no sex, Mathilde a tease. Then came the week-end camping trip and the besotted first time and the morning piss where he found his junk bloodied stem to stern and he knew she’d been a virgin, that she hadn’t wanted to sleep with him because of it. He turned to her in the new light, dipping her face in the frigid stream to wash it, coming up cheeks flushed and glazed with water, and he knew her to be the purest person he’d ever met, he, who had been primed for purity. He knew then they would elope, they would graduate, they would go to live in the city and be happy together there. And they were happy, if still strange to each other. Yesterday, he’d found she was allergic to sushi. This morning, when he was talking to his aunt on the telephone, he’d watched Mathilde toweling off out of the shower and it struck him hard that she had no family at all. The little she spoke of childhood was shadowed with abuse. He’d imagined it vividly: poverty, beat-up trailer, spiteful—she implied worse—uncle. Her most vivid memories of her childhood were of the television that was never turned off. Salvation of school, scholarship, modeling for spare change. They had begun to accrete stories between them. How, when she was small, isolated in the country, she’d been so lonely that she let a leech live on her inner thigh for a week. How she’d been discovered for modeling by a gargoyle of a man on a train. It must have taken an immense  force of will for Mathilde to turn her past, so sad and dark, blank behind her. Now she had only him. It moved him to know that for her he was everything. He wouldn’t ask for more than she’d willingly give. Outside, a New York June day steamed. Soon there’d be the party, dozens of college friends descending on them for the housewarming, though the house was already sizzling with summer.”

 

Lauren Groff (Cooperstown, 23 juli 1978)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

HET WESTEN

Onder een gloeikousje dat de motten bestoken,
Licht dat verpulvert bij aanraking, stoffige vleugels,
Ik luister naar nieuws door het ruisen heen,
Een geknetter van zeegras, wervelend drijfhout,
Golven als ver verkeer, nieuws van thuis,

Of kijk naar mezelf, als door een zanderige lens,
Hoe ik verschijn uit de hitte-glinstering
En voor altijd mijn weg vind langs
Het pad naar dit huisje, de ramen,
Muren, zon- en maanwijzers, thuis-van-huis.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juli ook mijn blog van 23 juli 2019 en ook mijn blog van 23 juli 2018 en ook mijn blog van 23 juli 2017 deel 2.

Arno Geiger, Michael Longley

De Oostenrijkse schrijver Arno Geiger werd geboren op 22 juli 1968 in Bregenz, Vorarlberg. Zie ook alle tags voor Arno Geiger op dit blog.

Uit: Unter der Drachenwand

„Noch am Tag der Verwundung wurde ich mit dem Krankenwagen weggebracht. Wenn nicht ein großer LKW zur Begleitung abgestellt worden wäre, wären wir im Schlamm steckengeblieben, gleich draußen vor dem Dorf. So ging’s bis zum Hauptverbandplatz, wo ich einige grobe nähte bekam. ich schaute beim Vernähen zu, erneut mit größter Verwunderung. / Die Wäsche, die ich Ende Oktober angezogen hatte, hatte ich fast einen Monat am Leib gehabt, das Hemd war buchstäblich schwarz, als es mir ausgezogen wurde.
9ich sah einen Arzt, der beim Versuch, sich eine Zigarette anzuzünden, fünf Streichhölzer abbrach. Mit hängendem Kopf stand er da, bis eine Rot-Kreuz-Schwester kam und ihm die Streichhölzer aus der Hand nahm. nach zwei Zügen, die er lange mit geschlossenen Augen in der Lunge gehalten hatte, stieß der Arzt ein paar Wortfetzen aus und taumelte zwischen den blutigen Liegen davon. Zwei Tage später fuhren wir weiter. einmal wären wir bald umgekippt mit unserer Karre, wir waren in einen zuvor nicht sichtbaren Graben gerutscht. Als die andern den Wagen wie-der heraus hatten, war vor und hinter uns der Weg zu, denn es hatte starker Schneefall eingesetzt. Für neun Kilometer brauchten wir den ganzen Vormittag, weil der Weg freigeschaufelt werden musste, hinter uns war der Weg dann besser. Aber ich spürte jede rippe im Leib. / Auch auf der Haupt-straße war es schrecklich, sechsmal mussten wir Deckung suchen gegen Flugzeuge, die uns mit Bordwaffen angriffen. Bei einer hastigen Bewegung ging die Wunde am Oberschenkel auf. / Am Bahnhof von Dolinskaja wurden wir dreimal in einer Stunde von Bombern angegriffen, ich war froh, als ich von dort wegkam.in Dolinskaja warfen sie uns schachtelweise Drops und Schokolade in den Waggon. Das ist immer so: Wenn’s zurück geht, werden die Lager geräumt, bevor sie zuletzt den Sowjets in die Hände fallen. Drops und Schokolade sind das einzige, was uns Soldaten zugutekommt, sonst erleben wir nur Schreckliches. Frisch verbunden lag ich in einem Lazarettzug. Der Zug stand meistens auf freier Strecke wegen des starken Verkehrs. Fünf Tage brauchten wir bis Prag, und von Prag zwei Tage bis ins Saargebiet. / Man sollte es nicht für möglich halten, dass man vom Osten nach dem äußersten Westen verlegt wird, aber das beweist wieder, wie klein das sogenannte Großdeutschland ist.“

 

Arno Geiger (Bregenz, 22 juli 1968)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

De waterval

Als je mijn gedichten zou lezen, allemaal, ik bedoel,
Mijn levenswerk, in één keer, op die ene plek,
Laat het hier zijn bij deze halfslachtige waterval
Die elk kiezelbekken zijn eigen zegje laat doen,
Vochtige stenen en lettergrepen, dan, als het donker wordt
En je naar huis gaat langs overwoekerde wijngaarden en
Kastanjebomen, ooit leverancier van dwarsbalken, maan-
Gevormde noten, meel en krakende vulling voor matrassen,
Laat ze hier, op de pagina, voor mijn geestesoog, verlicht
Als de vuurvliegjes bij de waterval, een muur van sterren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor de schrijvers van de 22 juli ook mijn blog van 22 juli 2019 en ook mijn blog van 22 juli 2018 deel 2.

Hans van de Waarsenburg

De Nederlandse dichter en literatuurcriticus Johannes (Hans) Paul Richard Theodorus van de Waarsenburg werd geboren in Helmond op 21 juli 1943. Hij debuteerde in 1965 met de bundel “Gedichten”. Voor zijn poëziebundel “De Vergrijzing” ontving hij in 1973 de Jan Campert-prijs. Naast poëzie schreef hij diverse kinderboeken. Ook maakte hij radioprogramma’s over literatuur en beeldende kunst en werkte hij als literair recensent. Van 1988 tot 1994 maakte Van de Waarsenburg als kroonlid deel uit van de Raad voor de Kunst, afdeling Letteren. Later werd hij voorzitter van het PEN-Centrum voor Nederland (1995-2000), een afdeling van de internationale schrijversorganisatie PEN. Tussen 2007 en 2015 was hij voorzitter van de Stichting Eva Tas, een organisatie met als hoofddoel ondersteuning en verspreiding van zowel geschreven teksten als documentaires die zijn getroffen door censuur. Van de Waarsenburg werd in 1997 mede-oprichter en voorzitter van The Maastricht International Poetry Nights, een grote tweejaarlijkse, internationale poëziemanifestatie die in oktober 2014 voor de tiende keer plaatsvond. Tijdens die officieel laatste editie in dat jaar kreeg hij voor zijn festivalwerk de Hans Berghuisstok voor poëzie, geïnitieerd door de Gemeente Maastricht en de Maastricht International Poetry Nights. Zijn geboortestad eerde de dichter in 2004 met de (eerste) Oeuvreprijs van de gemeente Helmond. Voor zijn organisatorische en letterkundige verdiensten ontving hij in 2008 een koninklijke onderscheiding: Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Poëzie van Hans van de Waarsenburg is vertaald in onder andere het Duits, Engels, Spaans/Mexicaans en een aantal Slavische talen.

 

Winter 1

Het bleke gezicht van deze maanden
waar vorst ooit heerser en blauw
van kilte het licht onderhuids deed stralen

Ach, hoe zeer hangt nu het natte grijs
over de dagen en hoe bitter smaken deze
uren in hun wetmatige grauwheid

Hoe somber spreekt de stem, geteisterd
door de maanden, neergeslagen als een
kettinghond richt hij zich niet op, blijft liggen

Men houdt hem voor:
Het snotterige schijnsel van kleuren
Het suiker van gewetenloze confectiemuziek

Maar niets raakt dit lijf. Het valt in stilte
uit elkaar: Voorwaar, voorwaar.

 

De dameskapper II

De watergolfslag van ambities
liet hem niet onberoerd

In de weekenden reisde hij
met modellen door het land

Nog geen veertig kilo woog hij,
altijd met vrouwen bezig

Verzilverd, gediplomeerd, gefotografeerd
keerde hij terug en liet dit andere
gewicht inlijsten

Uit al deze lijsten, verkreukeld & vernietigd,
herken ik nog altijd mijn moeder en andere vrouwen.

 

Het niemandsland van de slaap

Een spiegel die niet schrikt
van ademen, niet het hart lam
legt, of weerbarstig van kou
een mond opent, winters lispelt.

Ach ja, koude. Ach ja, winter.
Ver beneden de evenaar zeilt
er zon zonder masker, legt
het lichaam zich in licht en water
lost het zout de tijd langzaam op.

Slijp mijn lenzen nog eens, wil je?
En hijs de zeilen rondom het niemands-
land van de slaap, ontkurk de fles,
zet koers, maak vaart,
de dood wordt voor de dag bewaard.

 

Hans van de Waarsenburg (21 juli 1943 – 15 juni 2015)

Leo Herberghs, Paul Violi

De Nederlandse dichter en schrijver Leo Herberghs werd geboren in Heerlen op 21 juli 1924. Zie ook alle tags voor Leo Herberghs op dit blog.

Bloem

Ik heb vanmorgen vroeg een bloem ontmoet,
een haastige ontmoeting in de tuin;
zij keek mij aan met allebei haar ogen.
Ik heb haar toegeknikt en lang geaarzeld
en langzaam groeide ik tot bloem van binnen,
een blauwe hemel sloop over mijn zinnen,
mijn handen werden kelken van gebaren,
mijn mond werd rond, mijn lichaam lang en tenger:
ik boog mij neer in het verbaasde gras
en voelde aan mijn haar de ochtendwind.

 

kerk

kromgetrokken de kerk, de oever
slikkend van gier
geen landschap. of onvoorstelbaar
vol boeren, gedrochten, slaapschuwe
martelaren. de lucht is van onder
aangebrand. de luwte
was verleden jaar in de takken
nog helder

steekspel uit schaakspelen, de vlinders
vallend om paarden
de aarde wordt weggebracht naar het westen
geen sterveling in het zwerk
zelfs geen geblaf
van mensen

 

De stillen

Gewisser dan het donkere leven
is de gewisheid der doden,
de stillen met stomme monden.

Zij hebben een morgen tevoren
de bloeiende vruchten gegeten,
zij hebben hun armen geopend.

Hun voeten bewogen zich langzaam
over het pad van de liefde,
zij waren nog nauwlijks begonnen

en plotseling waren zij doden.
Zij voegden zich blij bij de anderen
die onder de aarde leven.

Soms hoor ik nog van hen spreken.

 

Leo Herberghs (Heerlen, 21 juli 1924 – 11 mei 2019)

 

De Amerikaanse dichter Paul Randolph Violi werd geboren op 20 juli 1944 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Paul Violi op dit blog.

 

Appel aan de grammatici

Wij, van nature hoopvol,
Hebben een eenvoudig teken nodig
Voor de talloze manieren waarop we zijn gekapseisd.
Wij die van precieze taal houden
Hebben een fijnere manier nodig om
Teleurstelling en verbijstering over te brengen.
Voor sprakeloosheid en al zijn verbuigingen,
Voor gefrustreerde verwachtingen,
Voor elke keer dat we in een hinderlaag lopen
Door triviale of verbluffende ironie,
Voor puur ongeloof hebben we
Het omgekeerde uitroepteken nodig.
Voor de verloren glimlach, de slappe handdruk,
Voor wie net een stom cadeau heeft uitgepakt
Of de eerste slok nam van verschaald bier,
Of liefde voelde of vijverijs
Dat onder je voeten bezwijkt, we verdienen het.
We hebben het nodig voor het luchtzakje, het schampschot,
Het kind wiens bal niet terug stuitert,
De lekke band aan het begin van de reis,
De odyssee die in Weehawken eindigt.
Maar vooral omdat ik het nodig heb – hier en nu
Terwijl ik bij Caffe Reggio buiten zit
En naar mijn espresso en cannoli staar
Nadat dit echtpaar van middelbare leeftijd
Langs kwam wandelen en hij zich plotseling
Omdraaide en over mijn hele tafel niesde
En zij tegen hem zei: “Zie je, daarom
Eet ik niet graag buiten.”

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Violi (20 juli 1944 – 2 april 2011)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juli ook mijn blog van 21 juli 2019 en ook mijn blog van 21 juli 2018 deel 2.

Arie Storm, Paul Violi

De Nederlandse schrijver en literatuurcriticus Arie Storm werd geboren in Den Haag op 20 juli 1963. Zie ook alle tags voor Arie Storm op dit blog.

Uit: De nieuwe Vestdijk. Over intertekstualiteit en het werk van Joost Zwagerman

“Ter toelichting van deze stelling zal ik nog wat draden tonen. Om te beginnen zijn er meer overeenkomsten, naast die waar ik al op heb gewezen, tussen Zwagermans Vals licht en Vestdijks De schandalen. Zo is nota bene Zwagermans titel in het hoofdstuk ‘Flirt met de vuist’ terug te vinden. Vestdijk schrijft, voordat hij het heeft over de vrijage van Emy en Leslie, het volgende: ‘Door de gaten in het riet drong het valse licht […].’ Maar ook het motto van Vestdijks roman dringt door tot in Zwagermans boek: ‘Good name in man and woman, dear my lord / Is the immediate jewel of their soul’. (‘Een goede naam, bij man en vrouw, télt, heer; / ’t Is onmiskenbaar het juweel van onze ziel’.) Deze regels werpen niet alleen een verhelderend licht op het gedrag van Vestdijks helden, maar ook op dat van Lizzie Rosenfeld, die inderdaad als de dood is dat er tegenover derden over haar hoerenbestaan wordt gesproken: ‘Alles moest geheim blijven.’
Vestdijks motto is overigens afkomstig uit Shakespeares Othello (door Komrij vertaald), waarvan de héle tekst op allerlei manieren met Vals licht in verband kan worden gebracht. Zo wordt in beide werken een van de klassieke zwakten van de mens behandeld, namelijk de jaloezie. Bovendien verwerkt zowel Shakespeare als Zwagerman het ‘madonna is hoer’-motief. Othello ziet zichzelf onder meer voor het volgende dilemma geplaatst: om in Desdemona’s liefde te kunnen geloven, moet hij haar lust ontkennen. Want als zij voor hem geen madonna is, kan zij eigenlijk alleen nog maar een hoer zijn. Dit is tevens één van de problemen waar Simon Prins mee worstelt.
Het is ook een vraagstuk waar de hoofdfiguur uit Le diable au corps (1923) van Raymond Radiguet zich mee geconfronteerd ziet. In deze roman, die al op de flaptekst van De houdgreep met Zwagerman in verband wordt gebracht, moet de ik-figuur constateren dat zijn liefde ‘alles in een vals licht’ stelt. In zijn geliefde Marthe probeert hij hardnekkig een heilige te zien, waar ze even goed met een hoer kan worden vergeleken.
Ik zal nog één lijntje trekken, namelijk die tussen De schandalen en Gimmick!. Welnu: beide romans bieden een beschrijving van een kunstenaarsmilieu; in beide wordt lucht gegeven aan gedachten over plagiaat; er wordt in de twee boeken veel Engels gesproken; én beide boeken gaven stof tot schandaal door de sleutelroman-aspecten ervan.”

 

Arie Storm (Den Haag, 20 juli 1963)

 

De Amerikaanse dichter Paul Randolph Violi werd geboren op 20 juli 1944 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Paul Violi op dit blog.

Op een Acura Integra

Beschouw dit alstublieft niet als een stuk
tekst dat iedereen volledig zou weten te
waarderen, maar als duidelijke en eenvoudige
woorden die alles proberen op te wekken
wat jij ook maar begeert, vooral, afhankelijk
van de taal, te verwezenlijken; die je doordrenken
met verschillende betekenisniveaus tegelijk,
en mijn aanwezigheid overbodig maken.
Met andere woorden, verwelkom dit als een gedicht,
niet slechts als bericht dat ik langzaam heb opgesteld
en onder je ruitenwisser gestopt
zodat deze getuigen die zagen hoe ik
je spatbord ramde zullen denken dat ik
de gebruikelijke informatie neerpen en weg ga.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Violi (20 juli 1944 – 2 april 2011)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juli ook mijn blog van 20 juli 2019 en ook mijn blog van 20 juli 2013 deel 2 en eveneens deel 3.

75 Jaar Anna Enquist, Dom Moraes

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook alle tags voor Anna Enquist op dit blog. Anna Enquist viert vandaag haar 75e verjaardag.

Fantoom

Het is een woord voor pijn die geen
bestaansrecht heeft; je lijdt aan
een afwezigheid, je snakt met hart
en huid naar wat er eerst nog was.

Wat afgesneden is dringt zich bedrieglijk
op, je strekt je armen blind naar
de verzaagde voet, een leegte,
het verdwenen kind. Het is een naam

voor wat zich voordoet in de zestien
meter van de ziel: een spookbeeld snelt
de doelmond in en doet alle verlies
teniet, maakt alles goed.

 

Andante

Als de tocht niet meer voert naar de
plaats waar alles weer goed komt,
wat houdt haar gaande? Rood zand
op het fresco verbleekt, troost verkleint
tot een blik, tot een handpalm.
Als niet wanhoop met windkracht tien
in haar rug staat, wat houdt haar in gang?

De straatstenen houden haar gaande,
ogen likken de gevels, de keel
is gulzig naar lucht. Haar houdt
in gang het plezierpaard lijf dat
geen halt verstaat. Haar hakken
slaan vuur uit de tegels. Dat zij gaat
houdt haar gaande. Zij gaat.

(Brahms, Sextet opus 18, deel 11)

 

Voorjaarsrief

Gerrit ik schrijf je het wordt lente,
er ligt bros ijs op de tafel – gaan we

dit jaar weer van rotsblokken springen,
vrolijke rookvanen wegblazen, verdwenen

dichters bezingen? Nu, het wordt lente,
het schrijnt waar zij weggescheurd werden,

de onzen, we staan nog te trillen; veel
vocht verloren, pijn onder de kleren.

Het verborgene vlijtig meten in regels,
met timmermansoog, daarover spreken.

Jij woont in je tachtigste lente, we zwijgen.
Ik schrijf je. Het laatste adres is bekend,

onze postnummers staan al gekerfd
in de steen. De woorden steeds dunner,

de rook op z’n ijlst, op z’n best.
Ik schrijf je. Daar gaan we heen.

Voor Gerrit K.

 

Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

 

De Indiase dichter en schrijver Dominic Francis Moraes werd geboren op 19 juli 1938 in Bandra. Zie ook alle tags voor Dom Moreas op dit blog.

Sleutel

Zand in het Victoriaanse slot, stroef,
Moeilijk open te schroeven,
Om mij toe te laten tot de zeven bemoste trappen
En de slecht onderhouden tuin.

Wie anders rent in mijn herinnering op me af
Door bloemen die geen liefde heeft vertrapt
Dan het kind met bruin haar en ogen,
Dat helemaal onder de toffee zit?

Ik lik zijn wangen. Ik stuiter hem in de lucht.
Twee stuiteringen, hij verdwijnt.

Vijftien jaar later komt hij weer omlaag,,
Niet als verlaat kind, maar als brief
Die mij naar zijn vader vraagt die nu niets bezit:
Geen tuin, geen huis, zelfs geen sleutel.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Dom Moraes (19 juli 1938 – 2 juni 2004)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e juli ook mijn blog van 19 juli 2019 en mijn blog van 19 juli 2017 en ook mijn blog van 19 juli 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Simon Vinkenoog, Steffen Popp

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vinkenoog werd op 18 juli 1928 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Simon Vinkenoog op dit blog.

Einde

wat ik aan wind en regen vraag
zal altijd zonder antwoord blijven
en wat de nacht voor mij verborgen houdt
is weerlicht voor de blinden
in mijn ogen
wartaal voor de stomme in mijn stem
straatgeluiden voor de beethoven
in mijn oren
een late straatlantaarn voor de dronkaard
in mij die naar houvast zoekt

anemonen voor de man zonder reukorganen
vrouw als tastplaats
voor de kinderloze zonder zinnen

(voor de tandeloze meeuwen in mijn tong
een valkuil lichtschip regenwolken)

ik drijf altijd naar mijzelf terug
ik kom altijd in mijzelf naar boven
ik vecht altijd met mijn ogen open

plat met de handen gespreid vallend
schaafwonden aan de ellebogen

 

Vis

Ik heb je ogen
in het zand gevonden
tussen de schelpen van Miro

ik ben de droom
van het blinde kind
waarvan het licht
te vroeg is gestorven

om kleuren
te kunnen herkennen
als kleuren

tastend dans ik
om de zwaarte van mijn lichaam
niet te voelen

rond aan de lange lijn

uitgeslagen
om in het vergeten
beschutting te zoeken

aas voor de meeuwen
die als wekkers
om mijn oren krijsen

 

Koopman

Ik vent een vracht
vol woorden voor mij uit
door lege zonbedoelde straten

ik heb een schorre stem:

wie koopt van de koude grond?
wie denkt aan een arme blinde?

het is niet zoveel waard
roep ik over de huizen
het kost maar zoveel meer

dan bij ieder ander

ik roep en roep
van vergeefs
de liefde

 

Simon Vinkenoog (18 juli 1928 – 12 juli 2009)

 

De Duitse dichter en schrijver Steffen Popp werd geboren op 18 juli 1978 in Greifswald. Zie ook alle tags voor Steffen Popp op dit blog.

 

Betontreden, zeeën

Beweging (lucht), zeekleur (groen), een egel (de kunst van een prairiewolf
hem op de rug te draaien) – jouw hart, de nabije haven
breidt zich uit aan de zijden van zijn slaap. Voer in zakken, munitiekisten
de gespleten hoef van een ezel in brak water –

de zee toont je oevers (de grenzen), je slaapt in je rijk
er zijn geheime tekens, torens (uitkijkend over zee), luchtafweer
ingenieurs met vliegenierskap – aan de stranden tel je ze, het zijn gewrichten
en ze verbinden je (als een handschrift) met alle dingen.

 

Gibraltar

daarheen (Goethe)


Ken je, liefste, de haat,
bomen, de Spaanse muur,
ken je de eilanden, de kruisvaarders
in hun eenmanstorpedo’s –

liefste, vergeef me, ik wilde naar Golgotha
maar in de linnenkast
lag alleen een gele revolver (dus ik ging niet).

Ken je de zee, sporen van vrijpostigheid
in schuim, liefste, in schuim
ken je dat land, zijn verwrongen arm
ligt zwaar in de rondte, onder de hongerige lucht
doelloze wind
sporen van wol, daarin warmte en stof.

Hoe graag zou ik met je vertrekken
met jou, liefste, willen wonen onder citroenen:
als niet Gibraltars elementen
heftig door mijn tragische aderen  
vloeiden, en die van iedere spoorloze kaap
manische ogen, zonder oogleden –

mijn hart is een gravin omringd door verplegers
aan de rand van de stad, liefste
                        blèren de huurpiano’s!

 

Vertaald door Alfred Schaffer / Gregor Seferens

 

O olifanten Pan in de porseleinkast van de muzen

O olifanten Pan in de porseleinkast van de muzen
achter de sluiers zoek je naar gezang, oefen je
in gedachten: “We zijn
een gesprek”, zeg je, “we zijn
olifanten ”

en je bent helemaal alleen met deze zinnen
eenzamer dan dialogen, dikhuiden
eenzamer dan de elektrische apparaten van het universum

spaarlampen, warmtepompen
verwaarloosd en hongerig naar liefde duiken ze
aarzelend op uit de oneindige duisternis

tegen je ruimtecapsule, tegen de verborgen tralies
tegen je deskundige handen en knieën
je slapende voeten, je denkbeeldige vleugels
wrijven ze hun huiden uit chroom en plastic…

De aangeleerde hulpeloosheid van objecten
onmogelijkheid van een aanraking

het lied, onder zijn slaapmuts uit sterren
beweegt het de eenzame boiler, de dwalende
ventilator
je dwalende oog
ook

in een nestgemeenschap zonder stroom
zonder gedachten
alleen zwaartekrachtlichamen, hun bijna
staatsvormende paniek voor de winter.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Steffen Popp (Greifswald, 18 juli 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juli ook mijn blog van 18 juli 2019.