Golgotha (Theo Thijssen)

 

Bij Goede Vrijdag

 

 
Golgotha door Mihály Munkácsy, 1884

 

Golgotha

De Man der Smarte
Hangt aan het hout,
Geschuwd door allen
En uitgejouwd.

De middagzonne
Straalt brandend heet
Zij schroeit de Heiland:
Hem schut geen kleed.

Het volk verguist Hem,
Bespot Hem luid:
‘Gij, valse Godsman,
Uw spel is uit!’

Hij hoort zijn stemme
Zo vlijmend koud:
‘Kom nu, Verlosser,
Kom af van ’t hout!’

De overpriestren
Aanschouwen ’t blij:
De Waarheid zieltoogt,
Zij zijn nu vrij!

Daar hangt Hij bloedend
Aan ’t merk der schand;
Hij, d’eeuwge Koning
Van ’t Godlijk Land.

Zijn wonden schrijnen
En ’t drupplend bloed
Vergaart zich samen
Aan ’s kruises voet.

Maar ’t Hart des Heilands
Het bloedt nog meer,
Zijn ziele buigt zich
Bedroefd terneer.

Maar van Zijn lippen
Ruist ’t warm gebed:
‘Vergeef ’t hun, Vader!
O! Red hun! Red!…’

De Man der Smarte
Hangt aan het kruis;
Zijn ziele smacht naar
Het Vaderhuis.

Voor het brekend oge
Wordt ’t donkre nacht.
Zijn lippen staamlen:
‘Het is volbracht!’.

Het hoofd nu buigend,
Geeft Hij de geest,
De grote Christus!…
Hij is geweest!…

Maar Englenreien
Verkonden ’t lied:
‘De eeuw’ge Christus,
Hij sterreft niet!

Zij Geest blijft leven,
Trotseert de dood,
Na zwarte nacht groet
Hij ’t morgenrood!

Zijn Geest van Liefde
Wordt niet geblust;
In Zijn naam vindt eerst
De Sterv’ling rust!’

En Englenkoren,
Zij heffen aan:
‘Wat eeuwig goed is
KAN niet vergaan!’

 

 
Theo Thijssen (16 juni 1879 – 23 december 1943)
De Vondelkerk in Amsterdam, de geboorteplaats van Theo Thijssen

 

Zie voor de schrijvers van de 30e maart ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Gerrit Komrij, Paul Verlaine, Milton Acorn, Erika Mitterer, Uwe Timm, Tom Sharpe, Gert Heidenreich, Theo Breuer, Luise Hensel

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus, polemist en toneelschrijver Gerrit Komrij werd geboren op 30 maart 1944 in Winterswijk. Zie ook alle tags voor Gerrit Komrij op dit blog.

 

Praagse Mist

De Karlsbrücke. Een decembermorgen.
Een klok. Het is op slag van tienen.
Ik voel zijn jas van gaberdine,
Zijn dunne lijf daarin verborgen.

Ik denk aan sinaasappelbomen.
Zijn bed vannacht rook naar seringen.
Hij rilt. Hoort hij de krekels zingen?
We zien de zwarte Moldau stromen.

Ik weet maar weinig van zijn dromen.
Zal straks zo tegen vieren, vijven,
Een mantel op het water drijven?
Hij had hem pas nog laten stomen.

 

Zomaar wat woorden

Zomaar wat woorden bij een open vuur.
Ze haken niet naar eeuwigheid noch malen
Ze om iets hoogs en schimmigs als cultuur.
Men doodt de tijd met oeroude verhalen.

Niet kunst schept vorm, de vormen scheppen kunst.
Men luistert hoffelijk hoe zich uit wind,
Gebaar en ritme -woorden zijn een gunst-
Opnieuw het al zo vaak gehoorde ontspint.

Niets slijt waar alles steeds opnieuw begint.
De woorden vliegen uit en hangen even
Als in het vlindernet van een broos kind
Dat ze snel vrijlaat. Het wil zelf ook leven.

 

Het stervensuur van een veertigjarige tot zijn verzamelde vrienden:

Wacht u voor een natuurlijke dood; het bot
Draagt haast zijn starheid over; ik ervaar
Een kwalijk gevoel. Mij wacht eenzelfde lot
Als de pier, de kemel en de ooijevaar.

‘Je zal de stem des drijvers niet meer horen,
Het kwaad zal je niet naken’ – ach wat, besproei
Mijn as met tranen, als ik zielsverloren
Door Charon naar de schimmen word geroeid.

Een zelfde lot als de wurm, de pimpel en de
Kneu… Ik ga, maar weet, ik ga in wrok.
Immers, waarom moet ik naar onbekende
Oevers, met niet één mazel, niet één pok?

 

 
Gerrit Komrij (30 maart 1944 – 5 juli 2012)
Hier met zijn partner Charles Hofman (rechts) in 2000

Lees verder “Gerrit Komrij, Paul Verlaine, Milton Acorn, Erika Mitterer, Uwe Timm, Tom Sharpe, Gert Heidenreich, Theo Breuer, Luise Hensel”

Gethsemane (Jacqueline van der Waals)

 

Bij Witte Donderdag

 


Gethsemane door Carl Bloch, 1875

 

Gethsemane

Jezus, de laatste der nachten,
Ging naar de hof der olijven,
Liet zijn discipelen blijven
Buiten de duistere gaard;
Toen koos Hij drie uit hun midden,
Met Hem te waken, te bidden,
Maar door het bidden en wachten
Werden hun ogen bezwaard.

Kon dan niet één met Hem waken ?
Eén in die smartelijke uren
Met Hem de droefheid verduren
Van Zijn verwerping, Zijn smaad ?
Moest Hij, die zwartste der nachten,
Eenzaam de kruisdood verwachten,
Eenzaam de bitterheid smaken
Van de triomf van het kwaad?

‘k Wil bij Uw droefheid verwijlen,
In Uwe smarten verzinken,
Gij, die de beker moest drinken,
Die de verzoening ons bracht,
Wie zal de angsten doorgronden
Van deze nachtelijke stonden ?
Wie zal de duisternis peilen
Van deze duistere nacht ?

 

 
Jacqueline van der Waals (26 juni 1868 – 29 april 1922)
De Elandkerk (O.L.V. Onbevlekt Ontvangen) in Den Haag, de geboorteplaats van Jacqueline van der Waals

 

Zie voor de schrijvers van de 29e maart ook mijn vorige blog van vandaag.

Geert van Istendael, Wim Brands, Eric Walz, Georg Klein, Ernst Jünger, Yvan Goll, R. S. Thomas, Jacques Brault, Denton Welch

De Vlaamse schrijver, dichter en essayist Geert van Istendael werd geboren in Ukkel op 29 maart 1947. Zie ook alle tags voor Geert van Istendael op dit blog.

 

Brievenweger

Jij kunt niets anders dan geheimen wegen,
één per keer, verzegeld in papier.
De benen open, even. Overwegen.
De prijs bepalen. Dun, metalig dier,
wie meet exacter, wie heeft meer verzwegen?

Jij weet van niets. Jij bent getal van alles.
Een kleine sprong en het gewicht kan gaan.
Jij wacht, onaangedaan, op nieuw bericht.

 

Rachida

De was is stijf bevrozen.
’t Is zeker weer min tien.
‘k Moet zien da’k er geen stukken afbreek.
Da’s hier zijn schoonste hemd.
Ik was er nog zo fier op
toen ik het gekocht heb in de solden.
Min zeventig procent, ’t is gene prijs,
dan kan ‘ne mens
zich een folieke permitteren.
Amai, het is hier koud,
koud in dat windgat hier.

Die handdoeken,
dat zijn juist plankskes.
Maar droog, dat wel,
de zon staat er vlak op.
in de zomer
hangt uwe was nog niet goed op of
ge kunt de lakens er al af pakken.
Ze zijn dan nog niet helegans droog,
maar ‘k heb dat feitelijk liever,
zo’n beetje vochtig,
dat strijkt veel beter.
Vooruit, Rachida,
een beetje rapper, maske,
ge krijgt hier anders nog
een dubbel fleurus seffens.

 

Wie schrijft vergeet

Dit zal ik van de steden ’s zomers leren.
Op lanen stoeten auto’s in de zon
en, met dik potlood ver geschetst,
flanerend, opgetogen, meisjes, heren.

Wat willen steden ’s zomers aan mij kwijt?
Van zenuwknoop tot zenuwknoop verdwalen
en telkens het verschil: lijdzame straten,
terrassen, schelle pleinen, vuiligheid.

Maar tussen wat daar is en mij staat glas. Ik weet
dat wat ik zie, ruik, hoor, hermetisch is.
Een stad blijft onvoltooid. Op dit papier
staat orde, dus bedrog. Wie schrijft vergeet.

 

 
Geert van Istendael (Ukkel, 29 maart 1947)

Lees verder “Geert van Istendael, Wim Brands, Eric Walz, Georg Klein, Ernst Jünger, Yvan Goll, R. S. Thomas, Jacques Brault, Denton Welch”

Walter van den Broeck, Joost de Vries, Mario Vargas Llosa, Chrétien Breukers, Steye Raviez, Nelson Algren, Marianne Fredriksson, Russell Banks, Léon-Gontran Damas

De Vlaamse roman- en toneelschrijver Walter van den Broeck werd geboren in Olen op 28 maart 1941. Zie ook alle tags voor Walter van den Broeck op dit blog.

Uit: Lang weekend

“– Joepiehajeejoepiehaho, dacht Hector de Waegenmaeckere. Joepiehajeejoepiehaho, drie dagen vakantie voor de boeg! Hij frunnikte de kraag van zijn regenjas in de vouw, knelde zijn zwartglimmende aktetas met de elleboog tegen zijn zij, en schreed met lange passen door de luchtgetemperde hal. Drie dagen vakantie. De klok boven de glazen deur wees 17u aan. Hector keek instinctmatig op zijn polshorloge, en zong zachtjes de dertien eerste noten van de Brabançonne. (TarAra BOEM tAra rAra rAra BOEM tara.)
In een der zijkantoren kreeg een nijdige schrijfmachine nog vlug een kortstondige zenuwcrisis, en daarna was er nog slechts het steriel gemompel en gehoest van enkele bejaarde bedienden hoorbaar. Hector luisterde naar de forse klank van zijn leren schoenzolen op het beslagen marmer, en stak zijn vrije hand uit naar de ingewikkelde, keramieken deurknop. De deurdrang bood slechts één ogenblik weerstand.
– Elke dag tweemaal indiaans worstelen, dacht hij. Zijn wagentje stond naast de slee van een der molochen, die op de bovenverdieping hun dagelijkse roes uitsliepen in kunstleren fauteuils en af en toe aan gloeiende filters nipten. Hector trok iets te ruw aan zijn linker oorlel, zei: au verdomme! en graaide toen in zijn zak naar zijn contactsleutel. De tijger onder de motorkap begon bij de eerste aanslag luidkeels te brullen. Bescheiden rolde het wagentje het parkeerterrein af. Vinnig drukte Hector op het gaspedaal.
– Drie dagen vakantie. Joepiehajee, dacht hij.
In vierde versnelling raasde hij over het beton. Aan het kruispunt genoot een Amerikaan zo uitvoerig van zijn voorrang dat Hector met een ruk zijn voertuig tot stilstand moest brengen. Hij draaide nerveus het raampje open en riep onvriendelijk:
– Enorm rotkreng van een zondagsrijder! Kan je verdomme niet uitkijken waar je met die afgrijselijke circuskar rijdt, of zijn je poten al zo erg verkalkt dat je niet eens meer behoorlijk met je stuurwiel kan manoeuvreren? Zijn laatste woorden rafelden uit in de wind, want de Amerikaan was reeds uit het gezicht verdwenen. Een voorbijganger keek Hector verbaasd aan en zei:
– Hier mag je niet blijven staan, je moet aan de oneven kant gaan staan.
– Krijg jij maar scheurbuik! gilde Hector, en nijdig rukte hij aan zijn contactsleutel. De motor weigerde. Hector vloog naar buiten en gooide de motorkap open. De tijger was door het bruuske stoppen met zijn staart tussen de schroefbladen klem geraakt. Tranen vloeiden hem uit de ogen.”

 

 
Walter van den Broeck (Olen, 28 maart 1941)
Cover

Lees verder “Walter van den Broeck, Joost de Vries, Mario Vargas Llosa, Chrétien Breukers, Steye Raviez, Nelson Algren, Marianne Fredriksson, Russell Banks, Léon-Gontran Damas”

Ada Limón

De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zij studeerde theater aan de University of Washington School of Drama.. Na het volgen van schrijfcursussen behaalde zij in 2001 haar Master of Fine Arts aan de New York University. Haar afstudeergroep op NYU omvatte de bekende dichters Jennifer L. Knox, Gregory Pardlo, Jason Schneiderman, Kazim Ali en Kathleen Graber. Na haar afstuderen ontving ze een fellowship om te wonen en te schrijven in het Fine Arts Work Centre van Provincetown. In 2003 ontving zij een subsidie ​​van de New York Foundation for the Arts, en won in hetzelfde jaar ontving zij de Chicago Literary Award voor poëzie. Na 12 jaar in New York City, waar ze voor verschillende tijdschriften werkte, zoals Martha Stewart Living, GQ en Travel + Leisure, woont zij nu in Lexington, Kentucky en Sonoma, Californië, waar ze schrijft en doceert. Limón’s eerste boek, “Lucky Wreck”, werd door Jean Valentine verkozen tot de winnaar van de Autumn House Poetry Prize in 2005, terwijl zij met haar tweede boek, “This Big Fake World”, in 2006 de Pearl Poetry Prize won. De twee boeken kwamen uit binnen minder dan een jaar na elkaar. Limón is verbonden aan de faculteit van de Queens University of Charlotte Low Residency (MFA programma) en aan het online-programma “24 Pearl Street” voor het Fine Arts Work Centre Provincetown. Haar derde boek, “Sharks in the Rivers”, werd in 2010 uitgegeven door Milkweed Editions. Limón’s vierde boek, “Bright Dead Things”, werd uitgebracht in 2015. Ze was finaliste voor de 2015 National Book Award for Poetry.

The Noisiness of Sleep

Careful of what I carry
in my head and in my hollow,
I’ve been a long time worried
about grasping infinity
and coaxing some calm
out of the softest part
of the pins and needles
of me. I’d like to take a nap.
But not a nap that’s eternal,
a nap where you wake up
having dreamt of falling, but
you’ve only fallen into
an ease so unknown to you
it looks like a new country.
Let me slip into a life less messy.
Let me slip into your sleeve.
Be very brave about my
trespass, the plan is simple—
the plan is the clock tower
and the lost crow. It’ll be rich.
We’ll live forever. Every moon
will be a moon of surrender
and lemon seeds. You there,
standing up in the crowd,
I’m not proud. The stove
can’t boast of the meal.
All this to say—consider this,
with your combination of firefly
and train whistle, consider this,
with your maze and steel,
I want to be the rough clothes
you can’t sleep in.

 

The Saving Tree

This is the cooling part of the fever,
when everything: the jumping girder
of the Golden Gate’s red limb, the tall
metal tree house of the Empire State,
the black rock cliff on the Sonoma Coast,
the drawer’s leftover pills, the careless
cut, the careening car, the cross walk,
the stop/go, the give up, give up, done,
all of it, slows to a real nice drive by. A view
of some tree breathing and the mind’s wheels
ease up on the pavement’s tug. That tree,
that one willowy thing over there,
can save a life, you know? It saves
by not trying, a leaf like some note
slipped under the locked blue door
(bathtub full, despair’s drunk), a small
live letter that says only, Stay.


Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976)

Heinrich Mann, Shusaku Endo, Golo Mann, Carolina Trujillo, Patrick McCabe, Bob den Uyl, Dubravka Ugresić,, Francis Ponge, Alfred de Vigny

De Duitse schrijver Heinrich Mann werd geboren op 27 maart 1871 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Heinrich Mann op dit blog.

Uit: Die große Sache

„August Schattich nur einen einzigen Anlas besonderen Stolzes, seine Frau. Sie kam aus einer Familie von alten Reichen und brachte ihm 100 000 Mark Mitgift im Jahre 1911. Es blieb das einzige, was sie ihm jemals bringen sollte, denn der allzu gewohnte Reichtum der Ihren hielt den Gefahren der Zeit nicht stand. Sie verloren fast alles.
Nora Schattich, ursprunglich die Gebende, sah sich seitdem in die Lage der unterhaltenen Frau versetzt. Die unvergleichliche wirtschaftliche Uberlegenheit ihres Gatten nagte an ihr noch mehr, weil sie uberzeugt war, sie stehe als Geist und Mensch turmhoch uber Schattich. Tatsachlich durchschaute sie seine personliche Politik und wuste, was von ihm ubrigblieb, wenn man einige
Geschicklichkeit abzog. Je mehr sie ihn verachtete, um so mehr bestaunte sie sein unmasiges Gluck. Einmal muste es sich doch aber wenden, wenn es nicht geradezu ein Gluck aus dem Marchen war. Mit groser Neugier wartete Nora Schattich darauf, das es mit ihrem Gatten anders kame.
Er fuhlte ihre Uberlegenheit und leugnete sie nicht. Er wuste, das er seinerzeit nur genehmigt worden war, um hinter die Liebe Noras zu einem hochadligen Offizier den Punkt zu setzen. Schon diese Erinnerung ordnete ihn ihr dauernd unter. Ferner bedruckten auch noch den Erfolgreichen ihre asthetische Bildung, ihre gesellschaftliche Glatte und ihr damenhaftes Selbstbewustsein. Sie vertrat die Dame von fruher, die jede Tatigkeit, auch die nachstliegende, ablehnt. Sie hatten keine Kinder. Was ihn aber endgultig verhinderte, gegen sie aufzukommen, waren ihre korperlichen Mase, das ausgedehnte und grobe Knochengerust, ein Eigentum ihrer ganzen Familie. Das feste und weishautige Fleisch, das die Knochen der hubschen Person bedeckte, hatte im Lauf der Zeit aufgehort, ihm viel zu sagen; er betrog sie mit anderen. Aber die Achtung vor ihrem Gerust verlies den mittleren Dickwanst nie. Er blieb ihr gegenuber, wie hoch er auch stieg, der kleine Mann – korperlich, in seiner Rede und nach seiner Herkunft. Nie vergas er in ihrer Gegenwart, das sein eigener Vater nur Unteroffizier und Schreiber beim Magistrat gewesen war. In allen anderen Verhaltnissen bemuhte er sich mit wechselndem Erfolg, an seine Vergangenheit nicht zu erinnern. Am schwersten ward es ihm, wenn er gut gelaunt war; man fand ihn dann leicht gewohnlich. Dabei belustigte er sich so gern.“

 

 
Heinrich Mann (27 maart 1871 – 12 maart 1950)

Lees verder “Heinrich Mann, Shusaku Endo, Golo Mann, Carolina Trujillo, Patrick McCabe, Bob den Uyl, Dubravka Ugresić,, Francis Ponge, Alfred de Vigny”

Tennessee Williams, Gregory Corso, Hwang Sun-won, Martin McDonagh, Robert Frost, Patrick Süskind, A. E. Housman, Bettina Galvagni, Erica Jong

De Amerikaanse dichter en schrijver Tennessee Williams (eigenlijk Thomas Lanier Williams) werd geboren in Columbus, Mississippi, op 26 maart 1911. Zie ook alle tags voor Tennessee Williams op dit blog.

 

We have not long to love

We have not long to love.
Light does not stay.
The tender things are those
we fold away.
Coarse fabrics are the ones
for common wear.
In silence I have watched you
comb your hair.
Intimate the silence,
dim and warm.
I could but did not, reach
to touch your arm.
I could, but do not, break
that which is still.
(Almost the faintest whisper
would be shrill.)
So moments pass as though
they wished to stay.
We have not long to love.
A night. A day….

 

The Soft City

I
Eastward the city with scarcely even a murmur
turns in the soft dusk,
the lights of it blur,
the delicate spires are unequal
as though the emollient dusk had begun to dissolve them…

And the soft air-breathers,
their soft bosoms rising and falling as ferns under water
responding to some impalpably soft pressure,
turn with the city, too.

The petals of tenderness in them,
their tentative ways of feeling, not quite reaching out
but ever so gently half reaching out and withdrawing,

withdrawing to where their feminine star is withdrawing,
the planet that turns with them,
faithfully always and softly…

 

 
Tennessee Williams (26 maart 1911 – 25 februari 1983)
Cover biografie

Lees verder “Tennessee Williams, Gregory Corso, Hwang Sun-won, Martin McDonagh, Robert Frost, Patrick Süskind, A. E. Housman, Bettina Galvagni, Erica Jong”

Jezus intrede in Jeruzalem (Nicolaas Beets)

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Jezus in Jeruzalem door Anthony van Dyck, 1617

 

Jezus intrede in Jeruzalem
Matth. XXI. v. 1-9.

Wat feestelijk hozannagalmen,
Wat luid gewoel in Davids stad,
Gezwier van schaduwende palmen
En kleederspreiding over ’t pad!
Wien groeten de opgetogen scharen?
Wiens statig’ intocht viert haar drom?
Wien spreidt men bloem en groene blaren,
En voert Hem zegevierende om?

Een Zegepraler, wien, na ’t strijden,
Een juichend volk met drift begroet?
Maar hij zou ’t oorlogsros beschrijden,
Nog kleurig van vergoten bloed.
Een lijfwacht zou zijn zij’ bekleeden,
De bloem van ’t overwonnen heir
Zou in zijns kleppers voetspoor treden,
Een keten slepend, Hem ter eer.

Of is ’t een uitgeroepen Koning,
Die ’t rijk aanvaard heeft door zijn recht,
Ten dage, die met praalvertooning
De kroon Hem op den tulband legt?
Maar neen, geen stoet van vorstenmagen,
Die voor zijn schreden zich verdringt;
Geen schepter wordt vooruitgedragen;
Geen schelle feestbazuin weerklinkt.

En toch een Vorst, maar niet van de aarde,
Is Hij wien ’t ezelveulen draagt;
Een prins, dien Davids dochter baarde,
Maar die geen zetel Davids vraagt,
Daar Hij zijn afkomst hooger rekent,
En hooger troon bestijgen zal;
Wiens naam Gezalfde Gods beteekent,
Wiens staf trekt over ’t wijd heelal.

Wie kent, van die zijn intocht vieren,
In Davids zegenrijke stad,
Wier handen hem de meien zwieren,
En kleedren spreiden op zijn pad;
Schoon zij den grooten Meester eeren,
Den Wonderdoener en Profeet,
Wie kent in Hem den Heer der Heeren,
Die Satan op den gorgel treedt?

Die d’ ijselijken strijd beginnen,
De schrikbre worstling aan zal gaan,
Waarin Hij Dood en Hel verwinnen,
En, zegevierder, op zal staan?
En hoe? Door lijden boven maten,
Door sterven, ’t menschdom ten rantsoen, –
Die nu Hem toejuicht op de straten,
Een lot, dat gij Hem aan zult doen!

Wij weten van uw zegepralen,
O Heer, in wien ons hart gelooft!
Wij koestren ons in ’t licht der stralen,
Die schittren om uw zeegrijk hoofd.
Wij heffen oog en hand en harte
Tot U, die op de wolken troont;
Gij waart op aarde een man van smarte,
Maar nu met hemelsche eer gekroond.

Hozanna! Koning, dien wij groeten;
Hozanna! Heer en Hoofd der Kerk!
Wij vallen needrig aan uw voeten,
Alleen door uw genade sterk.
Bekrachtig ons, gij Heer der Heeren,
Opdat wij, in uw naam gegord,
Verwinnaars, uit het strijdperk keeren,
Waarin ons zonde en dwaasheid stort.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
De Nieuwe Kerk in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 25e maart ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Pol Hoste, Menno Van der Beek, Jung Chang, Paul Meeuws, Flannery O’Connor, Jaime Sabines, Peter Van Straaten, Toni Cade Bambara

De Vlaamse schrijver Pol Hoste werd geboren in Lokeren op 25 maart 1947. Zie ook alle tags voor Pol Hoste op dit blog.

Uit: Thee

“Aan mijn broer heb ik een foto gestuurd van het huis. Ik heb hem geschreven dat ik kunstgeschiedenis studeer. Hij kan de keuken zien en de ramen van de kamers en mijn vrienden lachen hem toe. Het is zomer en in de achtertuin eten we gebraden vlees met look en veel ajuin zodat we gespaard blijven van wormen. Ik lust geen rauw vlees. Men zal geen bloed drinken. Maar als er bloedworst wordt opgediend, eet ik en klaag niet.
Of de brief zijn bestemming zal bereiken, weet ik niet. Waar mijn familie leeft is het oorlog. Mijn grootvader werd vervolgd en gedood. Wij waren prinsen. Nu woon ik hier. Zal mijn broer ooit zien hoe mijn vrienden en ik kefir drinken en tomaten eten met brood? Dit hier zijn de stallen van de buren.
– Ga verder.
– Als het zondag was zette ik thee voor mijn vrienden. Maar ik kwam er niet achter waarom ze niet graag thee dronken. Kan men vragen waarom? Ik dacht dat het aan het water lag. Hier is er veel kalk in het water.
Op de markt kocht ik een nieuw kannetje. Ik vertelde de handelaar dat het water veel kalk bevatte.
‘Waarom keert u niet terug naar uw land?’ zei hij. ‘Als het water hier niet deugt?’ Ik verzweeg voor hem dat mijn familie in de woestijn woonde.
‘In mijn land, meneer,’ zei ik, ‘kookt het water als men er vuur onder maakt. En daarom heb ik een kannetje nodig.’ Dit vond ik een goed antwoord.
Het kostte me moeite om op de oude markt een waterdicht kannetje te vinden. Hoe kon ik weten dat men zich alles in winkels aanschaft? Ik zag geen winkels waar men kannetjes verkoopt.
‘Wat u zoekt,’ zei de handelaar die zich warmde aan een flesje cognac, ‘vindt men enkel bij oude boeren op het platteland.’ Later heb ik begrepen dat hij de warenhuizen bedoelde die buiten de stad zijn gevestigd. Dat begreep ik niet.
Maar ook nadat ik het water in een nieuw kannetje had gekookt leken mijn vrienden niet graag thee met mij te drinken. Daarom kocht ik wijn voor hen, kefir of verse geitemelk, kaas, vijgen en tomaten. En als ze op bezoek kwamen begon ik zelf smakelijk te eten om te tonen dat alles lekker was en net van de markt kwam en dat er voor iedereen voldoende was.”

 

 
Pol Hoste (Lokeren, 25 maart 1947)

Lees verder “Pol Hoste, Menno Van der Beek, Jung Chang, Paul Meeuws, Flannery O’Connor, Jaime Sabines, Peter Van Straaten, Toni Cade Bambara”