Taha Adnan

De Belgisch-Marokkaanse dichter en schrijver Taha Adnan werd geboren op 2 augustus 1970 in Assfi, Marokko. Hij groeide op in Marrakesh en woont sinds 1996 in Brussel, waar hij werkt bij het Ministerie voor Franstalig Onderwijs. Hij publiceerde drie dichtbundels in het Arabisch en een in het Frans getiteld “Transparences” (2006). Hij organiseert een jaarlijks Arabisch literair festival, Al-Salon al-Adabi in Brussel. Adnan runt de Brusselse Arabische literaire salon. Zijn gedichten zijn vertaald in het Frans en het Spaans. Hij won de tweede prijs op het Internationaal Arabisch Festival van Monodrama in de Verenigde Arabische Emiraten 2011.

Exil du sable

Comme si du sable
Nous commencions ces lignes
Comme si du sable
Nous commencions ces pas
Comme si le chemin qui nous sépare
Et les steppes de la tranquillité
Ne sont que pièges
Tissés par les araignées
A travers nos chemins
Pour chasser les gelinottes
Comme si du sable
Nous commencions ces lignes
Comme si, aux ténèbres des déserts
Nous accompagnons la flamme de ce bois
Toi l’oiseau ignoré par les hauteurs
Tu ne t’es pas encore aperçu
Par quelle plaine
Le sable du désert change ses apparences
Pour dessiner l’architecture de l’égarement
Tu ne t’es pas encore aperçu
Quel papillon est papillon
Et quel papillon est allusion?
Et te voilà
Continuant à boire la route d’un trait
Jusqu’à ce que la neige de tes défaites
Devienne entre tes compassions répétées
Une flamme brûlante
Je t’ai déjà averti
(T’en souviens-tu maintenant?)
De ne pas abandonner tes souliers
Dans les chemins en friche
Dans les parcours qui,
Bien avant que tes pieds ne s’habillent de doigts,
Les pas de ceux qui t’ont précédé
L’ont déjà essayé
Et ont traversé ses déserts et ses steppes
– Oh mon cœur –
Dès l’aube de l’insouciance
Au crépuscule de la fatigue
Comme si du sable
Nous commencions ces lignes
Comme si vers l’exil du sable
Nous rampions
Nous rampions
Tout chemin
N’est pas un chemin
Voilà pourquoi c’est ici,
Dans la tourmente des vents errants,
Que tu as retrouvé
La mort
Et tu demeureras
Nostalgique d’un rêve lointain
Qui a tant désiré ton exaltation
Il a retiré de ton cœur sa lumière
Et il t’a jeté là où
Il n’y a point de lumière
Et te voilà maintenant
T’éteindre
Exil.

Vertaald door Monia Boulila

 
Taha Adnan (Assfi, 2 augustus 1970)

Gerrit Krol, Frans Pointl, Mehis Heinsaar, Ko Un, Edward van de Vendel, Jim Carroll, Juan Filloy, Anne Hébert, Herman Melville

De Nederlandse dichter en schrijver Gerrit Krol werd geboren op 1 augustus 1943 in Groningen. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Gerrit Krol op dit blog.

 

Zomer

Het land is warm.
De weg is wit.

Het duin is leeg.
De zee is stil.

De zon is grijs.
De dag is heel.

 

Terwijl je loopt

Komt er in de natuur een rechte lijn voor
denk je;
de horizon is er een
en de zgn. pijpestelen als het giet,
spiegelbeelden in een waterplas,
de lijn die ze van de wereld scheidt – alleen
met je oog half
in het water zie je dat precies;
evenwicht is ook zoiets, een vrouw
als ze, de handen gevouwen
om haar knie, met je praat, het tere
streepje dat ze heeft, een paar
stralen van de zon, perspectief geeft dat
aan een wolk, de lijnen die van sterren
beelden maken of van sommige
bloemen vijfhoeken, daarmee bedoel je
dan jezelf, een mol
ben je op de grens van aarde en lucht.

 

God

Het laatste nieuws van de theologie
wat niet zo wetenschappelijk is,
tenminste wel leuk, is het geloof
dat op een middag in het verleden
op een bergwei die er niet meer is
een man is neergestreken,
zijn plaid heeft uitgelegd
en daarop heeft gegeten, dat deze man
niemand anders was dan God –
te weten dat aldus uit Zijn Picknick,
nadat hij weer was opgestegen,
uit wat hij achterliet onverhoeds
of verhoeds, dat is ons niet gegeven,
dat uit Zijn Schillen en Zijn Dozen
na eeuwen en eeuwen regen
de eerste Paddestoel, de eerste mens,
en daaruit ons geslacht is voortgekomen.

En daarom zet Hij op ons Zijn claim,
omdat Hij de eerste was, en nu alleen.
Wij groeien op met dovemansoren.

 

 
Gerrit Krol (1 augustus 1934 – 24 november 2013)

Lees verder “Gerrit Krol, Frans Pointl, Mehis Heinsaar, Ko Un, Edward van de Vendel, Jim Carroll, Juan Filloy, Anne Hébert, Herman Melville”

Francis Scott Key

De Amerikaanse dichter en advocaat Francis Scott Key werd geboren op de plantage Terra Rubra bij Frederick (Maryland) op 1 augustus 1779. Hij was getuige van het bombardement van Fort McHenry in Baltimore tijdens de Oorlog van 1812. Key was aan boord van een Brits oorlogsschip om een vriend te bevrijden die was beschuldigd van het beschermen van Britse deserteurs. De Britse commandanten kwamen overeen beide mannen vrij te laten, maar om veiligheidsredenen werden ze nog een nacht vastgehouden terwijl de Britse vloot het fort bestormde. De volgende dag schreef Key een gedicht met de titel The Defense of Fort McHenry, beter bekend als „The Star-Spangled Banner”. De muziek waarop het werd gezet was van een populair lied uit die tijd (to Anacreon in Heaven), geschreven rond 1800 door John Stafford Smith. Het werd aangenomen als het volkslied van de Verenigde Staten op 3 maart 1931. In de meeste gevallen wordt alleen het eerste couplet gezongen.

 

The Star-Spangled Banner (fragment)

O! say can you see by the dawn’s early light,
What so proudly we hailed at the twilight’s last gleaming,
Whose broad stripes and bright stars through the perilous fight,
O’er the ramparts we watched, were so gallantly streaming.
And the rockets’ red glare, the bombs bursting in air,
Gave proof through the night that our flag was still there;
O! say does that star-spangled banner yet wave,
O’er the land of the free and the home of the brave?

On the shore, dimly seen through the mists of the deep,
Where the foe’s haughty host in dread silence reposes,
What is that which the breeze, o’er the towering steep,
As it fitfully blows, half conceals, half discloses?
Now it catches the gleam of the morning’s first beam,
In full glory reflected now shines in the stream:
‘Tis the star-spangled banner, O! long may it wave
O’er the land of the free and the home of the brave.

 

Francis Scott Key, Romenu
Francis Scott Key (1 augustus 1779 – 11 januari 1843)
Monument in Frederick

 

Cees Nooteboom, Wouter Godijn, Grand Corps Malade, Joanne Rowling, Alain Nadaud, Daniel Bielenstein, Hans-Eckardt Wenzel, Ahmed Zitouni, Munshi Premchand

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

 

Bashio III

Nergens in dit helaal heb ik een vaste woonplaats
Schreef hij op zijn hoed van cypressen. De dood nam zijn hoed af,
Dat hoort zo. De zin is gebleven.
Alleen in zijn gedichten kon hij wonen.
Nog even en je ziet de kersenbloesem van Yoshino.
Zet je sandalen maar onder de boom, leg je penselen te rusten.
Berg je stok in je hoed, vervaardig het water in regels.
Het licht is van jou, de nacht ook.
Nog even, cypressehoed, en ook jij zult ze zien,
De sneeuw van Yoshino, de ijsmuts van Sado,
Het eiland dat scheepgaat naar Sorén over grafstenen golven.

 

En vannacht in de stenen stilte

En vannacht, in de stenen stilte
van mijn kamer, het huis op het eiland,
onder het web van sterren, de palmen roerloos,
kwamen die andere stemmen, Auden en Frost
en Elisabeth Bishop, Pound en Cummings
en Sylvia Plath, woorden op mijn schouders,
in mijn haren, tegen de ramen,
dichters, gedichten,
droombeeld, verhaal, getijden
van toen, ooit, nu,
naast me, achter me, op de maat
van de mot tegen het licht, zinnen,
ooit hardop gesproken in een andere ruimte,
nu bij mij binnengelopen
als de omarming van vrienden, de monden
van al deze doden in het middelste
nachtuur,
de adem waarvan ik leef,
en jij.

 

Latijn

In een duister woud, zeker,
en het midden al jaren voorbij,
hoefde ik geen volkstaal
meer uit te vinden.

Niets wat ik had te zeggen
kon daarin nog klinken,
mijn woorden waren weer
latijn geworden, onleesbaar, gesloten.

Dichter, klerk, geheime diaken
van de kleinste gemeente,
de afkerige sekte van verhulde beduiding,
gewend naar zichzelf,

een gnosis van gemaskerde zinnen
in een steeds onherkenbaarder schrift.

 

 
Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

Lees verder “Cees Nooteboom, Wouter Godijn, Grand Corps Malade, Joanne Rowling, Alain Nadaud, Daniel Bielenstein, Hans-Eckardt Wenzel, Ahmed Zitouni, Munshi Premchand”

Frans Budé, Patrick Modiano, Maja Lunde, Emily Brontë, Cherie Priest, Pauline van der Lans

Dolce far niente

 

 
De brug over de Maas bij Wessem

 

Het oversteken van de Maas

Bij elke stap bezig met de overkant.
Vraag het de Maas onder mijn voeten, de meeuw,
onbevreesd dansend boven de stenen brug.

De overkant is een belofte, komt huizenhoog
me tegemoet, flonkert en lonkt, geeft zich halverwege over.

Wyck of Maastricht, beide badend in de roem van eeuwigheid,
keer ik terug of loop ik heen? Steeds dezelfde gedachte
van afscheid en aankomst, terwijl ik mij met kloppend hart
voorwaarts spoed, naamloos opga in de drukte.

Almaar dichter op de andere oever aan, vergezicht
dat eindeloos zich ontvouwt, stadsgrond wordt, waterloop.
Droom die ik bewaar, ik draag hem met mij mee.

 
Frans Budé (Maastricht, 28 december 1945)
De Sint Servaasbrug in Maastricht

Lees verder “Frans Budé, Patrick Modiano, Maja Lunde, Emily Brontë, Cherie Priest, Pauline van der Lans”

Aly Freije

De Nederlandse dichteres Aly Freije werd geboren in Veelerveen op 30 juli 1944. Freije groeide op in Oost-Groningen. Zij studeerde sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij werkte als docent en later als leerplanontwikkelaar en vakdidacticus in het tweedekansonderwijs. Daarna was zij een aantal jaren werkzaam bij een landelijk informatiecentrum voor schrijvers in Amsterdam (1993-2000). Voor “Schrijven Magazine” schreef ze artikelen over schrijfprocessen en schrijfdidactiek. Freije gaf jarenlang schrijfcursussen aan groepen van beginnende tot meer ervaren schrijvers en ontwikkelde, in samenwerking met beeldende kunstenaars, creatieve projecten en schrijfworkshops. Ze schrijft in het Nederlands en in het Gronings. Ze won de Freudenthal-prijs voor Nedersaksische literatuur 2008. Werk van haar verscheen ook in diverse bloemlezingen en verzamelbundels. Gedichten verschenen op internet tijdschriften als ‘De Contrabas’, ‘De Brakke Hond’, ‘Tzum’ , ‘Krakatau’ en Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift. Freije werkt tegenwoordig als docente schrijven aan de Schrijversvakschool Groningen. In 2008 ontving zij de Duitse Freudenthal-prijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur en in 2009 de Provinciale Literaire Prijs van Stichting ’t Grunneger Bouk.

 

Hokkelingen

Een hoopje nattig bont leert te beginnen
op hoge poten, de vastberadenheid
om steeds weer struikelend op te krabbelen

ik kruip in het kalverhok tegen haar krullerig lijf
in vers stro, roestig bloed en moederkoek
van nageboorte, gespeend van melk en tepels
dromen we elkaars adem weg

straks dansen we de wankelbenen los
in klavervelden, reikhalzen aan de waterkant
al weten we van kuddegeest, wetten
van ruilverkaveling, prikkeldraad, we leggen ons
in de avond neer, herkauwen, leren bivakkeren in onszelf

en in alle weiden bij tegenwind, gesloten hekken
de plek die we verlaten hebben, de warmte
blijven voelen, waar de moeder lag.

 

Zij vervoegt de klei

Scheuren trekt ze in de klei, demonteert haar meisjesjaren
onderzoekt gedachtekieren, kneedt woorden, bergt
geheimen op, kan er zomaar tussen vallen

– diep zijn de sporen die de vader met rechte hand
haar jeugd in ploegt, hij wijst haar het eerste groen
van wintertarwe, bij God, over de dijk komen alle lijnen samen

hij legt haar languit in de voren, van dichtbij ziet ze
barsten, lieveheersbeestjes ontvouwen vleugeltjes
van glas, zij wil op blote voeten over stoppelvelden rennen

bij schemer is zij soms te zien met wilde eenden, ze glijden
samen door de klei, glippen sloten in, zoeken bodems af in kopstand

waar de boer onafgebroken zijn lijnen trekt, waggelt
ze achter hem aan, vindt koppig zijn grote hand terug
kneedt de klei in nieuwe vormen.

 
Aly Freije (Veelerveen, 30 juli 1944)

Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Thomas Rosenlöcher, Guillermo Martínez, Marja Brouwers, Wolfgang Bittner

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

Uit: De ontdekking van de hemel

“Nooit gaf Onno antwoord op belangstellende vragen naar zijn ontdekking. ‘Lees dat maar na,’ placht hij te zeggen, ‘in de Journal of Near Eastern Studies. Ik maak geen overuren.’ Maar nu, op Max’ vraag hoe hij dat schrift ontcijferd had, legde hij geduldig uit dat er geen sprake was van ontcijferen, aangezien het sinds jaar en dag leesbaar was. Het bestond in grote trekken uit het griekse alfabet, maar het was geen grieks, het was onbegrijpelijk. Het was zoals wanneer iemand die geen grieks kende, het griekse alfabet leerde en dan zou proberen de Ilias te lezen. De etrusken waren een italisch volk, doceerde hij, dat in het huidige Toscane leefde: Tusci noemden de romeinse veroveraars hen. Het latijn zat vol etruskische leenwoorden, zoals persona voor ‘masker’, maar verder was alleen van een paar woorden de betekenis bekend, zoals van die voor ‘god’, ‘vrouw’, ‘zoon’. Het probleem was, dat een lange bilingue ontbrak, zoals Champollions Steen van Rosette, met eenzelfde tekst in het etruskisch en in een bekende taal. Zij hadden dus iets met de grieken te maken, en tegelijk had hun taal niets te maken met het grieks. Zij schreven hun taal fonetisch met griekse letters, zoals gymnasiasten uit de eerste klas met hun naam deden, en zoals nederlanders deden met latijnse letters. Het volk kwam omstreeks de negende eeuw voor Christus dus ergens vandaan, waar ook grieken waren. Maar — en dat was de beslissende inval — het was natuurlijk ook mogelijk, dat de grieken ooit hun alfabet van de etrusken hadden overgenomen, om daarmee fonetisch hun eigen taal te schrijven: grieks dus. Dat was natuurlijk te gek om los te lopen; maar langs die weg, gesteund door allerlei archaeologische overwegingen, kwam hij terecht bij de kretische talen: lineair-B uit de vijftiende eeuw voor Christus, vijftien jaar geleden door wijlen zijn collega Michael Ventris ontcijferd, en lineair-A uit de achttiende eeuw, —waarachter weer semitische oorsprongen schuilgingen… ‘Kortom, mijn beste Watson,’ zei hij, toen zij Schiphol passeerden, ‘door combineren en deduceren en een hoop geluk en wijsheid kwam ik er achter. De hooggeleerde Pellegrini beschouwt mij weliswaar nog steeds als een fantast en een charlatan, maar dat wijst voornamelijk op zijn autistische aard.’ Wat heb je gestudeerd?’ `Rechten.’ `Rechten?’ ‘Dat is een familiekwaal.’ ‘Maar al die talen…’ ‘Liefhebberij. Ik ben een amateur, net als de grote Ventris, die was architect van huis uit. Als het moet, leer ik een taal in een maand. Ik kon al lezen toen ik drie was.’ ‘Hoeveel talen beheers je dan?’ ‘In tellen ben ik slecht. Dat lijkt mij meer iets voor jou. Hoeveel sterren zijn er?’ ‘We hebben ze nog niet allemaal geteld. Het aantal is trouwens niet constant.“

 

 
Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)
Affiche voor de film

Lees verder “Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Thomas Rosenlöcher, Guillermo Martínez, Marja Brouwers, Wolfgang Bittner”

Stanley Kunitz, Sten Nadolny, Eyvind Johnson, Michail Zostsjenko, August Stramm, Walter van den Berg

De Amerikaanse dichter en vertaler Stanley Jasspon Kunitz werd geboren in Worcester, Massachusetts, op 29 juli 1905. Zie ook alle tags voor Stanley Kunitz op dit blog en ook mijn blog van 29 juli 2010.

 

The Layers

I have walked through many lives,
some of them my own,
and I am not who I was,
though some principle of being
abides, from which I struggle
not to stray.
When I look behind,
as I am compelled to look
before I can gather strength
to proceed on my journey,
I see the milestones dwindling
toward the horizon
and the slow fires trailing
from the abandoned camp-sites,
over which scavenger angels
wheel on heavy wings.
Oh, I have made myself a tribe
out of my true affections,
and my tribe is scattered!
How shall the heart be reconciled
to its feast of losses?
In a rising wind
the manic dust of my friends,
those who fell along the way,
bitterly stings my face.
Yet I turn, I turn,
exulting somewhat,
with my will intact to go
wherever I need to go,
and every stone on the road
precious to me.
In my darkest night,
when the moon was covered
and I roamed through wreckage,
a nimbus-clouded voice
directed me:
“Live in the layers,
not on the litter.”
Though I lack the art
to decipher it,
no doubt the next chapter
in my book of transformations
is already written.
I am not done with my changes.

 

 
Stanley Kunitz (29 juli 1905 – 14 mei 2006)

Lees verder “Stanley Kunitz, Sten Nadolny, Eyvind Johnson, Michail Zostsjenko, August Stramm, Walter van den Berg”

Remco Campert, Malcolm Lowry, Herman Stevens, Gerard Manley Hopkins, Stephan Sanders, Angélica Gorodischer, Shahyar Ghanbari, John Ashbery, Drew Karpyshyn

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

 

Den Haag

Overal bevuilde daken
groen koper van kerken
brakke lucht uitgebeten huizen
afgegraasd grasland verwaarloosde zee.
O en de trieste trage gele trams
en het kippevel van de verwaaide straten.
Heel Den Haag was één Panorama Mesdag
elke dag een verregende koninginnedag.

Mijn grootvader ongeschoren
dwaalde als Strindberg door het huis
gevangen in zijn eigen kamerjas.

En zo speelziek en verlegen als ik was
met mijn kleine rubberdolk
beheerste dolleman
pleegde ik sluipmoord op een schemerlamp
of op zolder het oude lila kussen.

 

Bandrecorder, eenvoudig

Je hoeft niet te praten
ook geknisper van kranten komt duidelijk over
of als je slikt keelschraapt
een schoen uitschopt

het suizen van het gas
de tik van het licht uit
de telefoon buiten de auto’s
mijn korte adem

maar als je toch iets zegt
zeg dan liever iets aardigs
iets dat i nog eens af kan draaien
als je weg bent.

 

Zo lag ik wel

(Zo lag ik wel
en lig ik nog: liefde
vernieuwt en en verdiept zich.

Steeds meer huiden wierp ik af-
nu eindelijk in mijn eigen
laatste vel,

ben ik kwetsbaarder dan ooit)

 

Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)
Lees verder “Remco Campert, Malcolm Lowry, Herman Stevens, Gerard Manley Hopkins, Stephan Sanders, Angélica Gorodischer, Shahyar Ghanbari, John Ashbery, Drew Karpyshyn”

Sarah Schulman

De Amerikaanse schrijfster, historica en activiste Sarah Miriam Schulman werd geboren op 28 juli 1958 in New York City. Zij bezocht de Hunter College High Schoolen studeerde aan de Universiteit van Chicago van 1976 tot 1978, maar studeerde niet af. Zij heeft een Bachelor of Arts graad van het Empire State College. Schulman’s derde roman, “After Delores” uit 1988 kreeg een positieve recensie in de New York Times, en werd vertaald in acht talen, en werd in 1989 bekroond met een American Library Association Stonewall Book Award. Haar roman “Rat Bohemia” (1995) werd door Publishing Triangle uitgeroepen tot een van de 100 beste LGBT boeken. Voor “Stagestruck: Theatre, AIDS, en de Marketing of Gay America (1998) ontving Schulman de Stonewall Book Award. In 2009 publiceerde zij ”Ties That Bind: Familial Homophobia and Its Consequences”. In 2013 volgde “The Gentrification of the Mind: Witness to a Lost Imagination”, dat werd genomineerd voor een Lambda Literary Award. Schulman werd door Publisher Weekly uitgeroepen tot een van de 60 meest onderschatte schrijvers. Schulman was onder meer actief in de Women’s Union en The Committee for Abortion Rights and Against Sterilization Abuse (CARASA) In 1987 richtte Schulman en filmmaker Jim Hubbard het New York Lesbian en Gay Experimental Film Festival op, tegenwoordig MIX geheten. In 2001 richtten Schulman en Hubbard ook nog het ACT UP Oral History Project op. In de periode 1979-1994 werden 15 toneelstukken van haar geproduceerd in het kader van de avant garde “Downtown Arts Movement”, gevestigd in de East Village van New York. In 2009 schreven Schulman en Cheryl Dunye het script voor Dunye’s film “The Owls”. De film beleefde zijn wereldpremière op het internationale filmfestival van Berlijn in januari 2010. Daarna schreef het duo een X-rated film “Mommy Is Coming”, die in Duitsland werd geproduceerd door Jürgen Brüning en geselecteerd werd voor het Berlijnse Internationale Filmfestival van 2012. Schulman werkt tevens als Distinguished Professor of Humanities aan het College of Staten Island (CSI) en als Fellow aan het New York Institute for the Humanities.

Uit: The Gentrification of the Mind: Witness to a Lost Imagination

“The first gay book I ever saw was called Cylce Suck. It was on a shelf at The Oscar Wilde Bookstore on Christopher Street in 1975, next to some mimeographed pamphlets with titles like “The Woman-Identified Woman.”  From the beginning, I have always known that this is as it should be. Separating distinctions between the sexually explicit and the politically necessary would never made sense. Yet, as I am writing this in 2009, a scandal erupts- first on-line, and then in the mainstream print media.  Amazon.com, the mail order bookseller mega-monster, got caught in what they called a “glitch.”  In response to right-wing and Christian readers, they removed books with sexual content from their ranking system, thereby ensuring that erotic and pornographic books would not be able to get on best-seller lists. Either deliberately or inadvertently, gay and lesbian books were included in the ban, and so were automatically removed from the Amazon ranking system. This included some editions of all of my books.  The response of the gay community was tepid at best.  A number of spokespeople called upon by the mainstream media, or speaking out on Facebook and various blogs were “shocked” and “outraged” (see above responses to the passing of Proposition 8.) They couldn’t believe this was happening to them. The event was treated as an anomaly, irregular and extreme.  When it was made clear that these exclusions included James Baldwin novels, the outrage grew. How could “literature” be confused with pornography?
For me, Amazon’s actions were consistent with the way gay and lesbian literature has been contextualized in the United States. It is the surprise of some gay people, and the pretend “mistake” of a media/industry that consistently marginalizes our work as a matter of course, that constitutes the gentrified approach. As disenfranchised people often do the dirty work of the culture, we – gay, lesbian, bisexual (not yet transgendered- but that phenomena is inevitable) writers- gentrify ourselves. In the past, power brokers would not pretend that gay books were included when they are in fact excluded, and therefore susceptible gay people would not think that their work was included when it was in fact demeaned. The public explanation has changed, but the reality remains the same. The truth – that queer sexually truthful literature is seen as pornographic, and is systematically kept out of the hands and minds of most Americans, gay and straight- has been replaced with a false story of a non-existent integration and a fantasized equality, with no basis in lived fact.”

Sarah Schulman (New York, 28 juli 1958)