Nes Tergast

 

De Nederlandse dichter en kunstcriticus Nes Tergast (eigenlijk Albert Ernest Bruno Johannes) werd geboren in Salatiga, Java, op 2 oktober 1896. Na zijn jeugdjaren in Indonesië studeerde hij scheikunde in Delft en bezocht hij de hogere handelsschool in Rotterdam. Uiteindelijk vestigde hij zich als makelaar in Den Haag. Onder het pseudoniem Bruno van Nes werkte hij aanvankelijk met poëzie mee aan Werk (1939). In 1940 verscheen de bundel Glas en schaduw, samengesteld uit de poëzie voor Werk en het tijdschrift Criterium. Pas geruime tijd na WO II verscheen opnieuw poëzie in de bundel Het moederland (1949), waarin zijn geboorteland Indonesië een belangrijke evocatieve rol speelt. Daarna volgden nog twee bundels gedichten: Deliria (1951) en Werelden (1953). De hem voor deze poëzie toegekende Jan Campertprijs 1955 weigerde hij. Tergasts poëzie is in hoge mate modern te noemen, zowel wat betreft vormgeving als inhoud. Hij sluit aan bij Franse en Amerikaanse dichters als René Char, Prévert en Cummings. Behalve poëzie publiceerde Tergast artikelen over kunstpolitiek, moderne kunst en moderne poëzie. Hij schreef een monografie over de schilder Hendrik Chabot (1946). Ook was hij een bekend verzamelaar van moderne kunst.

 

De nacht brak. Bandoeng sliep. Een fluit

De nacht brak. Bandoeng sliep. Een fluit.
De hemel zocht naar zijn glazuren.
de bergen lagen in de rui
Van paars naar blauw, en met de uren
Zagen zij er weer anders uit.
De rode zon, naar Allah’s kuren,
Smolt tot een blank metaal, waaruit
De dag de gladde schubben schuurde
Van sawah’s in het ochtendlicht.
Een glans van oude porceleinen
Betoverde het vergezicht
Nog even.
                  Over fantastische ravijnen
Zwevende cirkelsegmenten, van rug
Naar rug gesponnen als baleinen
Wondren: krijtlijnen aan de lucht,
Waarover klein de treinen schuiven
Met ingehouden razernij.
En watervallen die verstuiven
Tot een witkanten mijmerij
Waarin soms speelse regenbogen
Verrafeld dansen op den wind,
En ‘s nachts de maan met blauwe ogen
Lichtblauwe vlinders slapen vindt.
Een theeplantage hier en daar,
Wat rubbertuinen, een fabriek,
Wat schots en scheve dorpen waar
Halfdomlend en voor drie kwart ziek
De krotten leunen op elkaar.
Dan dalen wij het laagland binnen
Wat doezelig van lijf en zinnen.

 

 
Nes Tergast (2 oktober 1896 – 12 december 1974)
De Toetangsche weg te Salatiga, Midden-Java (Geen portret beschikbaar)

Khalid Boudou, Günter Wallraff, P. N. van Eyck, Israël Querido, Charles Cros, John Hegley, Tim O’Brien

De Nederlands – Marokkaanse schrijver Khalid Boudou werd geboren in Tamsamane, Marokko op 1 oktober 1974. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Khalid Boudou op dit blog.

Uit: Pizzamafia

“Zijn vragende ogen vraten mij zowat op. Het is niet eerlijk, dacht ik. Dat hij zo naar me kijkt en dat hij allemaal van die rare dingen zegt. Ik wil tijd hebben om te voetballen, om te pokeren, om met Alice te eten en romantisch naar Texel te gaan. O, wat hadden we het op haar verjaardag toch leuk gehad. Ze was echt trots op die gare rap van me. En ik wil zoveel mogelijk leren, om uiteindelijk op de beurs van Amsterdam te werken.”
(…)

 
 Scene uit de film Pizza Maffia uit 2011 

Ik pakte een sigaret. ‘Ja,’ zei ik. ‘De situatie is echt klote.’ ‘Ja, de situatie is verdomd klote.’ ‘Ja, de situatie is echt shit.’ ‘Ja, de situatie is echt fokking shit.’ En daar bleef het dan bij: we hadden duidelijk allebei niet echt zin om erover te praten.
Wallah, ik moest toch wat zeggen, dus vroeg ik tussen het snikken door: ‘Het komt toch wel goed, Haas?’ Haas sprong op. ‘Wat doe je, jankerd. Je bent toch geen homo?’
(…)

– “Hij”, snauwde hij. “Hij hier ….deze slaapmuts. Deze schetenkweker. Deze ballenpoetser. Deze kontenkrabber…”. Het was alsof hij het woordenboek voor scheldnamen uit zijn hoofd aan het leren was. Hij ging maar door en door. “Deze tenenkaasvreter had allang in de zaak van zijn vader moeten staan.”

 
Khalid Boudou (Tamsamane, 1 oktober 1974)

Lees verder “Khalid Boudou, Günter Wallraff, P. N. van Eyck, Israël Querido, Charles Cros, John Hegley, Tim O’Brien”

Willem G. van Maanen, Truman Capote, Hendrik Marsman, Eli Wiesel, Roemi, Henk Spaan

De Nederlandse schrijver Willem Gustaaf (Willem G.) van Maanen werd geboren in Kampen op 30 september 1920. Zie ook alle tags voor Willem G. van Maanen op dit blog.

Uit:Een nieuw monument

“Vondel verloor er vijf en dichtte door, of zijn poëzie erdoor gewonnen heeft, is de vraag. Bij het graf van mijn leeftijdgenoten onderga ik schaamteloos een gevoel van triomf dat, wonderlijk genoeg, niet wordt getemperd of bedorven door het vooruitzicht eenmaal zelf tot die doden te zullen behoren, en weerloos als ik dan ben het bezoek te moeten gedogen van onbekenden met eenzelfde morbide nieuwsgierigheid als de mijne.
(…)
Ik gedachten liep ik naar de uitgang waar het hek werd opengehouden door iemand die ik pas op het laatst opmerkte, een nog jonge man, mager als de dood, een hark als een zeis over de schouder. Hij stelde zich na zijn groet voor als degene die met het onderhoud van de begraafplaats was belast. Zijn opgewekte toon en vrijmoedige oogopslag maakten duidelijk dat hij geenszins onder zijn taak gebukt ging, en waarom zou hij ook, nergens was het leven zo’n voorrecht als onder de rook van de doden. Na die welhaast wijsgerige opmerking die mij overigens eerder deed denken aan cremeren dan aan begraven, durfde ik hem wel naar het lot van John Mount in zijn lege graf te vragen.” 

 
Willem G. van Maanen (30 september 1920 – 17 augustus 2012)

Lees verder “Willem G. van Maanen, Truman Capote, Hendrik Marsman, Eli Wiesel, Roemi, Henk Spaan”

Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes, Akram Assem

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter en vertaler Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Zie ook mijn blog van 29 september 2010 en eveneens alle tags voor Pé Hawinkels op dit blog.

Uit: Autobiografische flitsen en fratsen

“Van zijn plaats aan het hoofd van de eikehouten tafel, aan weerszijden waarvan hij persoonlijk twee banken had getimmerd, die trapsgewijs van zijn kant opliep tot het tafeleinde waar mijn moeder placht te zitten als zij niet in het kraambed lag, waar ik, op de hoogste, dus laagste bank van die trap, en de trap van die bank, was komen te zitten tegenover mijn zusje Roosje, dat reeds negen en een halve maand oud was, riep mijn vader, met stentorstem, dat spreekt, mijn moeder, die tussen de geurige lakens nog wat van de schrik lag te bekomen – ze zeggen dat ik als dreumes niet al te florissant geoogd heb – een ‘Goed werk!’ toe, een ‘Kranig gedaan!’, en tot slot nog een ‘Een wolk van een jongen!’ al heeft hij volgens ooggetuigen bij het laatste compliment nogal peinzend gekeken. De vroedvrouw en de dokter, die in een antiseptische pas-dedeux rond de sponde dribbelden, waarop mijn moeder lag uitgestrekt, elkaar onderwijl meer dan eens snaaks in de billen knijpend, wat door mijn zusjes afkeurend werd geregistreerd voor de toekomst, deden toen van ‘Ssssssssssssst…’, de lippen getuit alsof ze aan het wedstrijdspuwen waren en nu ieder de eigen fluim stonden na te ogen, zoals een dominee, die een stichtende volzin het kerkgebouw in geaardappelpureed heeft en nu met welgevallen de uitwerking in ogenschouw neemt, zoals William H. Masters m.d. en Virginia E. Johnson, die net een in een prikkelende vloeistof gedompeld staafvormig object in een proefpersoon gedompeld hebben en nu attent de instrumenten en tintveranderingen opnemen die van het effect getuigenis afleggen, zoals Loumeisjes, die gevieren gearmd & zingend over het trottoir lopen, – ook tegen ons, zingende kleuters en andere minderjarigen, en er trad een periode van welverdiende rust in.
Voor mij op tafel werd een nap met pap neergeplant, waar ik goedgemutst & bibeleboms uit begon te bunkeren, met een zekere gejaagdheid ook, alsof ik mij reeds duidelijk realiseerde dat een moment later de Tweede Wereldoorlog rustig eten onmogelijk zou maken, dat ik nachten lang, door mijn moeder, een sterke vrouw, in een trappelzak gepropt en zonder veel omslag tussen nederfluitende bommen & granaten door de kelder ingesjord, waar mijn ouders en het bijbehorend grut schuilplaats zochten tegen de bombardementen, die in die tijd aan de orde van de dag & nacht waren, zou moeten verblijven. (En dan hebben ze wat te zeggen als ik nu een stroeve knaap ben!).”

 
Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)

Lees verder “Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes, Akram Assem”

Herinnering aan Hella Haasse

Herinnering aan Hella Haasse

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hella Haasse is vandaag precies drie jaar geleden overleden. Hélène Serafia Haasse werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Hellas Haasse op dit blog .

 

In deze zeeën die ik mij verkoos

In deze zeeën die ik mij verkoos,
lig ik verdronken, eindeloos
diep op den bodem, zonder wil.
Het water boven mij staat stil.

Zo ben ik in een transparanten doos
geklonken, ver van storm en hoos
stortzee en vloed – mijn hart doet pijn,
het wil een snelle zeemeeuw zijn,

een zil’vren vis, beweeg’lijk in den stroom.
Maar als een anemoon, die loom
om donker water wiegt en deint
en aan het eigen spel verkwijnt,

sta ik geworteld in vervloekte rust,
van tij noch keertij mij bewust,
diep op den bodem zonder wil.
Het water boven mij staat stil.

 

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

Philip Huff, Ellis Peters, Ben Greenman, Thijs Zonneveld, Prosper Mérimée

De Nederlandse dichter en schrijver Philip Huff werd geboren op 28 september 1984 in Zwolle. Zie ook alle tags voor Philip Huff op dit blog.

Uit: Boek van de doden

“De pijn van mijn bovenarm straalt nu ook uit naar mijn schouder. De huizen van de Vijzelgracht trekken aan ons voorbij. Hier en daar zijn nog lampen aan.
Mijn neus is een schoorsteen voor hete lucht, mijn borstkas de korf waarin de kolen gloeien. En mijn hart bonkt hoog en hard en hevig in mijn hals, op de vlucht voor de hitte.
De drugs zijn als een druppel inkt in een glas water en geven nu kleur aan mijn gedachten.
Op de Stadhouderskade zeg ik tegen de taxichauffeur: ‘Kunt u hier rechtsaf gaan?’
De lobby van het hotel op de Prinsengracht is hoog en groot en licht. Het is een van de weinige hotels waar ik niet met Victoria ben geweest. De liftschachten zijn van glas gemaakt; een zwart, metalen mechaniek schuift langzaam omhoog. In de stoelen van de lounge zitten vier mensen. Amerikanen, zo te horen. Ik heb moeite met de twintig stappen naar de receptie. Het is heel licht in mijn hoofd en ik heb het warm, mijn hart slaat zo snel dat het amper bloed rondpompt.
‘Goedenavond,’ zeg ik tegen de vrouw achter de balie. ‘Vannacht wilden wij de romantiek hoogtij laten vieren.’ Ik ben blij dat ik iets heb om tegenaan te leunen, want ik klink bijna buiten adem. Ik kijk kort over mijn schouder, naar Hannah, die nog bij de schuifdeuren naar een of andere foto staat te kijken. ‘Wat wij ons afvroegen,’ zeg ik, ‘is of u nog kamers heeft.’
De vrouw knikt. Ze draagt een zwart mantelpak. ‘Wilt u uitzicht op de binnentuin of op het water?’
Hannah komt naast mij staan.
‘Zeg het maar,’ zeg ik. ‘De tuin of het water?’
‘Het water,’ zegt ze, en ze lacht.”

 
Philip Huff (Zwolle, 28 september 1984)

Lees verder “Philip Huff, Ellis Peters, Ben Greenman, Thijs Zonneveld, Prosper Mérimée”

Albert Vigoleis Thelen, Francis Turner Palgrave, Rudolf Baumbach, Noël Laflamme, Agnolo Firenzuola, Waclaw Berent

De Duitse schrijver en criticus Albert Vigoleis Thelen werd geboren in Süchteln op 28 september 1903. Zie ook mijn blog van 28 september 2010 en eveneens alle tags voorAlbert Vigoleis Thelen op dit blog.

Uit: Die Insel des zweiten Gesichts

„Vor einer anderen Fonda stand händeringend der Wirt und wehrte sich zweier Gäste, die ihm, wie es schien, zu Leibe gehen wollten. Ich trat als Führer dazwischen. Also endlich lasse ein Führer sich sehen! und was das wieder für eine namenlose Schweinerei sei – “bitte, kommen Sie mit!”
Die Fonda war nicht so hochromantisch wie die Taberne zum Schreibenden Cervantes, aber doch auch typisch spanisch, sogar echt mallorquinisch. Drei Dutzend Menschen blickten mir finster entgegen. Raubmord? Vergewaltigung?
“Herr Führer, sind Sie Deutscher?”
“Spanier, aber in Deutschland aufgewachsen.” “Dann sind Sie ja mit unserer Sprache genügend vertraut, um zu wissen, was ein Saufraß ist. Das hier ist ein Saufraß, das gehört in den Trog.”
Der Sprecher der Rotte zeigte auf seinen Teller, auf dem ein gerösteter Fisch lag, der sich vor Verzweiflung in den Schwanz biss, in der Sprache der feinen Küche: er war gekrollt. Ich kannte die Art, ein fades Essen, nur mit viel Zitrone zu genießen, freilich sehr nahrhaft, hochprozentiger Eiweißträger. Wenn in einer so kleinen Stadt und noch ohne rechtzeitige Anmeldung die Touristen zu Tausenden abgespeist werden mussten, griffen die Köche zu diesem Fisch, der sich in großen Mengen rasch und billig fangen lässt. Der Wirt konnte sich nicht verständlich machen, die Kellner blickten voll Verachtung auf die schimpfenden Fremden, die wie Sträflinge in den Hungerstreik getreten waren. Zu Hause fraß das Hering mit Sauerkraut. Ich musste handeln, heiliger Petrus, stehe deinem Vigoleis bei! Ich klopfte ans Glas und bat um Gehör:
Die Deutschen seien ein großes Volk, ein begabtes Volk, ein kluges Volk.“

 
Albert Vigoleis Thelen (28 september 1903 – 9 april 1989)

Lees verder “Albert Vigoleis Thelen, Francis Turner Palgrave, Rudolf Baumbach, Noël Laflamme, Agnolo Firenzuola, Waclaw Berent”

Robert Thomas

 

De Franse schrijver, regisseur en acteur Robert Thomas werd geboren op 28 september 1927 in Gap. Thomas ontdekte op de leeftijd van 14 jaar zijn passie voor het moderne theater. Op zijn 18e verliet hij zijn familie en ging naar Parijs, waar hij als telegrafist en als figurant in meer dan 50 films in zijn levensonderhoud voorzag, maar daarnaast schreef hij ook toneelstukken, die echter niet uitgevoerd werden. Na zijn militaire dienst werkte hij in Rouen in het theater. Met zijn achtste stuk kwam het grote succes en de Prix du Quai des Orfèvres. Het was het detectivespel “Piège pour un homme seul” (1960), dat in hetTheater Bouffes-Parisiens furore maakte. Thomas is ook de auteur van het spel “Huit Femmes”, dat in 2002 door François Ozon als “8 femmes” voor de film werd bewerkt. De theaterman Robert Thomas was van 1970 tot zijn dood in 1989 tevens directeur van “Theater Eduard VII” in Parijs en hij regisseerde de films “La Bonne Soupe” (1963) en “Patate” (1964). In Nederland werd in het seizoen 1961/62.zijn stuk ”De duivel hale ze !” (Que le diable l’emporte!),vertaald door Paul Rodenko gespeeld.

Uit:Piège pour un homme seul

La salle de séjour dans un chalet aux environs de Chamonix. Ameublement. rustique, etc. Une porte conduit à l’office, un petit escalier aux chambres. Au fond, grande baie avec terrasse et panorama alpestre. Un bel automne.
Fin d’après-midi. Soleil pourpre.
Un certain désordre règne dans la pièce. Daniel, enveloppé dans une robe de chambre, est allongé sur le grand divan et lit un magazine. Il se sert copieusement du whisky et boit entre les bouffées de sa cigarette.
Un bruit de voiture qui s’arrête et une portière qui claque.
Daniel se dresse d’un bond et va à la baie.
Apparaît le commissaire de police.
Daniel : Bonjour, monsieur le Commissaire… Entrez…
Le Commissaire : Je ne fais que passer, monsieur Corban.
Daniel : Alors ? Alors ?
Le Commissaire : Alors… rien !
Daniel : Comment rien ?
Le Commissaire : Aucune nouvelle.
Daniel : Vous faites 5 kilomètres de Chamonix à ici pour m’annoncer que vous n’avez pas fait d’enquête ?
Le Commissaire : J’ai fait un rapport. Il suit son cours.
Daniel : Il suit son cours. Je n’en ai rien à faire. Ce que je veux, ce sont des résultats. Avez-vous des nouvelles de ma femme ? Oui ou non ?
Le Commissaire : Je vous en prie, ne criez pas, Monsieur, ou je repars!”

 

 
Robert Thomas (28 september 1927 – 3 januari 1989)

Dolce far niente, Hans van Weely, Ignace Schretlen, Ko de Laat

Dolce far niente

 

 
Oude ansichtkaart van Ponypark Slagharen

 

Ponypark Slagharen

Het is niet erg
dat het leven geen zin heeft

er is voedsel genoeg
en huilen mag om illusies
die verdwijnen –

ik ben een kind
uit de tijd van wederopbouw

en weet verdriet
bestaat sinds heugenis, dus lang
voordat de Duitsers kwamen.

Alles is gezegd,

maar ga nooit
naar Ponypark Slagharen,

verwek geen kinderen op
een zinkend schip.

 

 
Hans van Weely (1945)*
Slagharen (geen portret beschikbaar)

 

* De Nederlandse dichter Hans van Weely publiceerde o.a. de bundels ‘Verzuim aan dode dingen’ (1969) en ‘De ideale lijn’ (1980)

Lees verder “Dolce far niente, Hans van Weely, Ignace Schretlen, Ko de Laat”

60 Jaar Bart Chabot, T. S. Eliot, Thomas van Aalten, Christoph W. Bauer. Luís Fernando Veríssimo, Mark Haddon, William Self

60 Jaar Bart Chabot

De Nederlandse dichter en schrijver Bart Chabot werd geboren in Den Haag op 26 september 1954. Bart Chabot viert vandaag zijn 60e verjaardag. Zie ook alle tags voor Bart Chabot op dit blog.

 

IJstijd

Die avond vertrok een auto
richting snelweg
en de honden blaften niet

het dashbordvak was leeg
op een kaart van west-europa na
een pak tissues
een aangebroken rol pepermunt
er woedde koude
oorlog in mijn hoofd

we reden zwaar weer tegemoet
tegenliggers voerden groot
licht in de verte

wij naderden
de interzone
niemandsland

het grensgebied

 

Uit: Diepere Lagen

“Het goeie nieuws, Bart, dat is… Je gaat er niet dood aan.”
“Nou,” antwoordde ik, “is me dat even een meevaller.”
“Daar heb je het goeie nieuws,” zei Gerard, “dan ook meteen mee gehad.”
Gerard ging zitten.
“Wat is het?” vroeg ik. “Wat mankeer ik?”
“Je hebt een brughoektumor.”
Ik keek naar mijn lief en zij keek naar mij.

(…)

‘Jezus, pap!’ zei Storm toen hij de volgende dag uit school kwam. ‘Dit kan écht niet hoor!’
‘Zo erg is het toch niet, jong?’
‘Dacht ’t wel, pap!’ Hij keek me met afgrijzen aan. Was ik zijn papa wel?
Toen klaarde zijn gezicht op. ‘Pap, haal jij Halloween?’
‘Hoezo, Storm?’
‘Nou, dan kun je met ons mee, een hele stoet buurtkinderen, gaan we met jou de deuren langs, jij als zombie.”

 
Bart Chabot (Den Haag, 26 september 1954)

Lees verder “60 Jaar Bart Chabot, T. S. Eliot, Thomas van Aalten, Christoph W. Bauer. Luís Fernando Veríssimo, Mark Haddon, William Self”