De Nederlandse schrijfster, dichter en beeldend kunstenaar Maria Barnas werd geboren in Hoorn op 28 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Maria Barnas op dit blog.
Nachtboot
I Ik zag een schip dat het diepste zwart vervoert waarin iets opflakkert
als een gezicht in een herinnering. Het is het donker van verblinden
die zo lang blind zwemmen in een cel dat zij kleuren zien of vinden.
Met vliezen tasten ze de wand af op zoek naar substantie in licht.
Ik maak van tijd momenten door mijn ogen dicht te doen en open.
De vracht die door het water sleept bewaakt wat nog moet komen. Altijd
eerder dan ik dacht en later vaart de boot die niets vervoert dan nacht.
Momenten
Dat iemand bij het ontwaken vraagt: Kun jij het begin vinden? Dat iemand je zoon is. Zijn hand nog warm van slaap.
Dat de tijd zich stervormig uitstrekt naar alle keren dat de dingen zich moeilijk lieten hechten of niet. De momentenlijn scheurt uit elkaar. Kermend het plastic en van walvis of was het konijn de lijm. Laat los!
Dat iemand een man is die lacht als je vraagt waarom lach je. Zich omrolt.
De deken spreekt: Ik lach niet.
De werkelijkheid is een rolletje plakband hoor je.
Ik kan het begin niet vinden.
Istanbul
De stromende mannen de meanderende vrouwen en de opspattende kinderen zijn als in een droom verzonken.
De plenzende regen heeft geen vat op de lichamen die zich al wadend wanen in de zon. Ik volg het water
dat door de straten gutst tot aan een flakkerend hotel waar mijn koffer open in een rivierkamer drijft.
Terwijl iemand een variatie vormt op een melodie in de mond van iemand die van geen ophouden weet
ijlt het verraad van levens die ik liefhad als een schip waarvan het zeil de wind vangt bij me vandaan.
De vensters rijzen. Iemand bonst op de wand van de kamer waarin ik heel mijn leven bundel. Of het niet wat stiller kan.
Dit alleen wens ik je toe: kennis. Begrijpen dat elk verlangen een grens heeft, weten dat we verantwoordelijk zijn voor de levens die we veranderen. Alle geloof heeft zijn prijs, niemand gelooft zonder te sterven. Nu zie ik voor het eerst helder het spoor dat je plantte, de grond die zich opende voor verspilling, hoewel je droomde van een rijkdom aan bloemen.
Er zijn geen vervloekingen – alleen spiegels
die de zielen van goden en stervelingen worden voorgehouden. en dus geef ook ik dit lot op. Geloof in jezelf, ga door – zie waar het je brengt.
De Belgische dichter, schrijver en vertaler Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.
Uit: De draaischijf
“Tot mijn voldoening hebben opvallend veel vrouwen zich de moeite getroost om afscheid van mij te komen nemen. Ze zijn van alle leeftijden en posturen, gaan gekleed in stijlvol zwart en zijn bescheiden gemaquilleerd. Hun handtas bevat, uit voorzorg, meer papieren zakdoekjes dan anders. Er is zowaar ook een forse Haagse delegatie afgezakt, met een touringcar, en verrassend veel van mijn lokale vakbroeders geven eveneens acte de présence. Jong en oud, vriend en vijand. Dat is geen traditie in wat men ‘ons theaterlandschap’ noemt. Elke generatie rekent genadeloos af met de vorige, met vervangingen op ieder echelon. Thans is zelfs een van mijn vaste critici opgedoemd. Hij houdt zich wel enigszins afzijdig. Een paria op het huwelijksfeest van een maharadja. Mijn trouwste kompanen — kameraden van het eerste uur, leden van het gezelschap dat ooit mijn naam droeg — hebben de zwaarste wallen onder hun ogen. Ze geven besmuikt heupflesjes door, ik vermoed met citroenjenever, te mijner ere. Een van hen — jarenlang mijn favoriete jeune premier, tot hij te dik en te kaal werd voor andere rollen dan die van Falstaff of De Ingebeelde Zieke — snottert als enige nu al in een geruite zakdoek. Voorzichtig en toch opzichtig. Gezien worden is bestaan. Het zij hem vergeven. Zoals de Fransen zeggen: Un acteur est aussi une actrice. De grootste diva’s die ik heb geregisseerd waren allemaal mannen, ook als ze niet op mannen vielen. Het wachten duurt. Zo zijn onze begrafenissen. Wie zijn handschoenen vergeten is, blaast geregeld in de handen. Anderen kuchen de kou van zich af. De wolkige adem van alle afscheidnemenden is goed zichtbaar, als om te bewijzen dat zij wel nog in leven verkeren. In tegenstelling tot de stakker die nu eindelijk toch naar zijn laatste rustplaats wordt gedragen door vier geüniformeerde en niettemin boers ogende begrafenishelpers. Behalve mijn stoffelijke resten torsen ze alle vier een te grote kepie. Hollanders, Hagenaren op kop, spreken verkeerdelijk van een sjako. De sjako is Hongaars van oorsprong, kokervormig en bezet met tressen van goud- of zilverdraad. Perfect voor operettes. Deze petten lijken op afdragertjes van een Sovjetleger. Het viertal stapt plechtstatiger dan nodig. De ernst van de amateur is altijd aandoenlijk. Eentje is volgens mij een Turk, een andere heeft Indonesische trekken. Door hun ongelijke lengte slingert mijn kist — van zwart gepolitoerd luxehout — als een sloep in de branding vóór een waterval. De vier blijven desondanks als gehypnotiseerd voor zich uit kijken.” Achter hun ruggen hinniken, zachtjes, de paarden van de open lijkwagen. Ze stampvoeten behoedzaam en gooien hun hoofd achterover, waardoor de belletjes van hun bepluimde tooi rinkelen. De gelegenheidsfanfare — bestaand uit alleen blazers, een paar trommelaars en een sukkelaar die zeult met een draagbare xylofoon — ziet er een sein in en begint nu pas, en sourdine, een dodenmars te spelen. Niet de afgezaagde van Frédéric Chopin. De stijve van Ludwig van Beethoven.”
Nu ik de theepot –hoe vaak gebruikt, vervolgens weggezet – weer uit de kast pak, bekijk ik hem opeens -verbonden met onze jaren- met tederheid, zie ik de met sneeuwvlokken gestippelde dag, waarop je hem meegebracht en op tafel hebt gezet.
Vertaald door Frans Roumen
Walter Helmut Fritz (26 augustus 1929 – 20 november 2010)
De Britse schrijfster Paula Hawkins werd geboren op 26 augustus 1972 en groeide op in Salisbury (het huidige Harare in Zimbabwe) in Rhodesië. Zie ook alle tags voor Paula Hawkins op dit blog.
Uit: Confessions of a Reluctant Recessionista
“Cassie Cavanagh loves her Louboutins God, they’re beautiful. They are quite possibly the most beautiful shoes I have ever seen in my entire life. Last night, after I’d come home and tried them on with just about everything in my entire wardrobe (there is nothing they don’t look good with), I put them on the coffee table in the middle of the living room and just sat there, looking at them. They were still sitting there when Ali arrived. Tad luck,’ was the first thing she said when she came into the room. ‘Bad luck?’ ‘Shoes on the table,’ she said, knocking them to the floor. ‘You’re just jealous.’ ‘Jealous, my arse. You won’t be able to walk fifty yards in those things. They’ll cripple you.’ ‘They’re taxi shoes, Al. I don’t intend to walk fifty yards in them. It’s just taxi to bar, bar to taxi, taxi to front door. That’s about thirty yards max over the course of an entire evening. Anyway, Dan can always carry me …’ All slumped down onto the sofa, stretching out her legs and kicking off her own rather elegant heels. ‘You’re right, you cow. You are lucky, having someone to spoil you, even if he is constantly admiring his own assets. I am jealous. Some days I feel like no one would notice if I turned up at the pub barefoot.’ This is not true. At five nine with a pair of legs to make Gwyneth Paltrow turn green with envy, All never passes unnoticed. She’s just so used to being one of the boys, which is virtually a job requirement when you do what she does, that she sometimes forgets the impact she makes on the opposite sex. ‘You had a long day?’ I asked, handing her a glass of champagne. ‘The longest. Had to get up at quarter to five in order to get a decent run in before I left for work, got stuck on the Northern Line for twenty minutes on the way in, which meant I missed half the morning meeting, got bollocked by Nicholas, had endless calls with impossible-to-please clients, no time for lunch, no time to pee …’ Ali and I met at Hamilton Churchill, the investment bank where we work. She’s the high-powered one —she’s a trader — and I’m just a lowly PA, but I know whose job I’d rather have. My boss might be a complete pain in the arse, but I don’t have to be at work at six thirty every morning, I don’t have to spend all day yelling into a phone, I don’t have the responsibility of buying and selling millions of pounds’ worth of stock, of trying to call the market, to sort the good tips from the bad, trying to please my clients while also pleasing my bosses. Granted, I don’t earn a six-figure bonus either, but I get by. Plus, I am fortunate to have a boyfriend, Dan, who is also a trader – and in addition to being extremely attractive he’s also very generous, hence the Louboutins. Generous as he is, I have to admit that the shoes came as a bit of a surprise. It wasn’t as if it was my birthday, or an anniversary or even Valentine’s Day –just a plain old Wednesday in October. We went out to dinner and when we got back to his flat, there they were, all wrapped up with a crimson bow, sitting in the middle of the bed. My friends won’t believe it, but he can be very romantic.”
Het venster wordt geopend naar de nieuwe dag waarop er veel dagen zijn; naar een man en vrouw die langs de kust lopen; naar de Rijn, die zelfs bevaarbaar bleef als het land onder ijs en sneeuw lag. Stroomopwaarts en stroomafwaarts ademende nabijheid en weids uitzicht, dat eraan herinnert dromen en verdwijnpunten serieus te nemen. Het water draagt zijn zand, zijn duisternissen en lichten met zich mee. De ogen volgen een van de schepen, van waaraf iemand zwaait. Met duizelingwekkend leven beweegt de rivier zich voort als de moorddadige eeuw die zich uit de voeten maakt. Geluid van golven. Golftoppen die glinsteren en breken. Ervoor staat nu een roedel woedende honden.
Vertaald door Frans Roumen
Walter Helmut Fritz (26 augustus 1929 – 20 november 2010)
De Engelse schrijver Martin Amis werd geboren op 25 augustus 1949 in Cardiff, South Wales. Zie ook alle tags voor Martin Amis op dit blog. Martin Amis overleed op 19 mei van dit jaar op 73-jarige leeftijd.
Uit: De gele hond (Vertaald door Gert Jan de Vries)
“Maar ik ga naar Hollywood maar ik ga naar het ziekenhuis, maar jij bent de eerste maar jij bent de laatste, maar hij is groot maar hij is klein, maar jij blijft boven maar jij gaat omlaag, maar wij zijn rijk maar wij zijn arm, maar zij vinden rust maar zij vinden… Xan Meo ging naar Hollywood. En met haastige spoed en begeleid door een koor van wanhoopskreten ging Xan Meo enkele minuten later naar het ziekenhuis. !let kwam door geweld van mannen. ‘Ik ben foetsie weg, ik,’ zei hij tegen zijn Amerikaanse vrouw Russia. ‘0,’ zei ze, het uitsprekend als het Franse woord voor waar. ‘ Ben zo terug. Ik doe ze wel in bad. En lees ze ook wel voor. Daarna kook ik. Daarna vul ik de vaatwasser. Daarna krijg je een lange rugmassage van me. Oké?’ ‘Mag ik mee?’ vroeg Russia. ‘Ik wilde eigenlijk alleen zijn.’ ‘Je bedoelt dat je eigenlijk alleen wilt zijn met je vriendin.’ Xan begreep dat dit geen echt verwijt was. Maar hij gebruikte een weinig gangbare gelaatsuitdrukking (fronsen) en zei, niet voor de eerste keer en voor zover hij wist naar waarheid: ‘Ik hou niks voor jou verborgen, meid.’ ‘Hmm’, zei ze en keerde hem haar wang toe. ‘Weet je niet welke dag het is?’ ‘O. Natuurlijk.’ Het stel omhelsde elkaar in een gang met een hoog plafond. Nu liet de man door een armbeweging de sleutels in zijn broekzak rammelen. Dit half opzettelijke gebaar gaf aan dat hij de deur uit wilde. Xan zou het in het openbaar niet toegeven, maar vrouwen hadden van nature de neiging het te rekken als mannen gewoon vertrokken. liet vormt de keerzijde van hun plezier om mensen te laten wachten. Daar zouden mannen zich niets van moeten aantrekken. Afwachten is een bescheiden genoegdoening voor vijf miljoen jaar overheersing… Xan liet zachtjes een zucht ontsnappen toen de trap boven hem zachtjes kraakte. Er kwam een complexe gestalte naar beneden, tot aan het middel normaal, maar tweehoofdige en vierarmig: Meo’s baby’tje Sophie, verkleefd met de heup van haar Braziliaanse au-pair Imaculada. Achter hen, op een afstand die zowel dromerig als onafhankelijk was, doemde hun kleuter op: Blik. Russia pakte de baby aan en zei: ‘Wil jij wel heerlijke yoghurt bij het eten?’ ‘Nee!’ zei de baby. ‘Wil je lekker badderen met al je badspeeltjes?’ ‘Nee!’ zei de baby en geeuwde: de eerste ondertandjes als twee rijstkorrels. ‘Doe de aapjes eens voor papa.’ ‘De aapjes op het bed sprongen door elkaar heen. D’r viel er een, die brak zijn been. Ze gingen naar de dokter en die zei meteen: Vanaf nu is Je bed voor slapen alleen.”
De generator zoemt als een ding an sich in de verte. Het is vroeg in de avond, en tijd, als de hond die hij is, snakt naar voedsel, En zal gevoed worden, twijfel er niet aan, zal gevoed worden, mijn kleintje. Het bos begint zijn stiltes te verzamelen. De weide hergroepeert zich en hurkt neer vanwege zijn gespleten hoeven.
Iets wringt het lapje zonlicht onverbiddelijk naar buiten en hangt het op. Iets zorgt ervoor dat het riet buigt en zijn hoofd bedekt. Iets likt de schaduwen op, En rijgt de lege ruimtes aan elkaar en vult ze in. Iets dringt ons hart binnen, krabt daar zijn blauwe spijkers tegen de muur.
Moeten we het binnenlaten? Moeten we het begroeten zoals het verdient, Handen op onze oren, mond open? Of moeten we het een stoel geven om op te zitten, en het vlees aanbieden? Moeten we de radio aanzetten, moeten we in onze handen klappen en dansen, De Zoiets Dans, de gastvrije Zoiets Dans? Ik denk van wel, liefje, ik denk van wel.
Uit: Het nijlpaard (Vertaald door Harmien L. Robroch)
“Je kunt van zo’n klootzak als ik niet verwachten dat hij een goed verhaal kan vertellen. Het kost me goddomme al moeite genoeg om met dit kloteapparaat om te gaan. Ik heb de woorden geteld – dat doe ik elk uur – en als je de techniek moet vertrouwen, dan ziet het ernaar uit dat je er zo’n 97.776 te verstouwen krijgt. Succes. Je hebt erom gevraagd, je hebt me ervoor betaald, je houdt het maar uit. Zoals de man zei: ‘Ik heb geleden voor mijn kunst, nu is het jouw beurt.’ Niet dat dit nou zo’n beroerde ervaring is geweest. Ik drink tussen de middag geen alcohol meer bij het eten, loop niet kwijlend achter onbereikbare vrouwen aan en maak geen ruzie met die vreselijke mensen van hiernaast. En dat allemaal door Het Project, zoals jij het hardnekkig blijft noemen. Ik heb, op jouw voorstel, de afgelopen zeven maanden een min of meer regelmatig leven geleid, en ik heb me laten vertellen dat de positieve uitwerkingen me duidelijk zijn aan te zien in het gelaat, aan mijn taille en aan het wit van mijn ogen. De routine was constant en ziekelijk aangenaam. Elke morgen, op een tijdstip waarop de meeste mensen nog aan een laatste borreltje denken voordat ze naar bed gaan, stond ik op, douchte ik, liep met lichte tred naar beneden, smakte een bord Kellogg’s naar binnen en leidde mijn onwillige slippers richting studeerkamer. Ik zet de computer aan – een handeling die mijn zoon Roman ‘in de matrix pluggen’ noemt – staar met walgende ogen naar de bagger die ik de vorige avond heb opgesteld, luister nog maar weer eens naar die godvergeten interviewbandjes met Logan, steek een Rothman op, en ga goddomme gewoon aan het werk. Als het een goede dag is geweest, verdwijn ik naar boven voor een feestelijk nummertje masturberen – wat Roman ongetwijfeld ‘in de matras pluggen’ zou noemen – en tot een uur of zeven denk ik niet eens aan drank. Al met al een waardig en rein leven. Een huis huren op het platteland creëert het probleem dat iedereen opeens je beste vriend is. Ik moet voortdurend Oliver, Patricia en Rebecca en alle anderen van me afslaan die schijnen te denken dat mijn tijd onbeperkt is en mijn kelder bodemloos. Zo nu en dan dumpt het Rotwijf hier een zoon of dochter voor een weekendje, maar die zijn allebei groot en lelijk genoeg om voor zichzelf te zorgen, en hebben van mij geen hulp nodig om hun jointje te draaien of hun spiraaltje in te brengen. Volgende week trekt Leonora in het huis dat ik haar heb gegeven en dan ben ik voorgoed van haar af. Ze is veel te oud om zo aan me te hangen. Nee, over het geheel genomen zou ik willen zeggen dat het een groot succes is geweest. Als proces gezien, tenminste, als proces. Of het product iets is om over naar huis te schrijven is natuurlijk aan jou.”
De structuur van het landschap is oneindig klein, Net als de structuur van muziek, naadloos, onzichtbaar. Zelfs de regen heeft grotere naden. Wat het landschap bij elkaar houdt, en wat de muziek bij elkaar houdt, Is geloof, lijkt het, geloof van het oog, geloof van het oor. Niets van dat alles in de taal, Echter, wolken die echter als bloesems van west naar oost sjouwen Geblazen door de wind. April, en alles is mogelijk.
Dit is het verhaal van Hsuan Tsang. Als boeddhistische monnik ging hij van Xian naar Zuid-India En terug- op de rug van een paard, van een kameel, van een olifant, en te voet. Het kostte hem tienduizend mijl, van 629 tot 645, Bergen en woestijnen, Op zoek naar de Waarheid, het hart van het hart van de Werkelijkheid, De Wet die hem zou helpen eraan te ontsnappen, En al het daarmee gepaard gaande en onontkoombare lijden. En hij vond het.
Tegenwoordig kijk ik naar de dingen, niet door ze heen, En ga laag zitten, zo ver weg van de hemel als ik kan komen. Het rif van de huilende kers bloeit koraal, De lampen van de achterveranda van de buren gloeien als anemonen. Venus met inktvisogen zweeft erboven. Dit is het half uur, half licht, half donker, als alles begint te schijnen, En aforismen sluipen in de bomen, Hun vleugels gevouwen, hun hoofden gebogen.
Elk waar gedicht is een vonk, en streeft naar de toestand van het oorspronkelijke vuur, Ontstaan uit de leegte. Het is diezelfde leegte die het opnieuw wil aanwakkeren. Het is diezelfde voortbrenging waardoor het opnieuw wil worden voortgebracht. Vallende sterren. April is identiek, hemels, woordeloos, brandt af. Het licht ervan is het licht waarmee we communiceren. De bestemming is onze eigen bestemming, de hoop is de hoop waarmee we leven.
Wang Wei daarentegen Kocht, voordat hij 30 jaar oud was, zijn beroemde landgoed aan de rivier de Wang Net ten oosten van de oostkant van de Zuidelijke Bergen, en woonde daar, Af en toe, voor de rest van zijn leven. Hij reisde nooit door het landschap, maar bleef erin, Zelf een onderdeel van de natuur, dacht hij. En wie zou nee zeggen Tegen iemand die zo verwikkeld is in eenzaamheid, in mislukking, dacht hij, en in lijden.
Middaghemel, de kleur Crème van Tarwe, een kleine Klodder boter vaag aan de westelijke rand. Te oud en lui geworden om gedichten te schrijven, Kijk ik naar de sneeuwval Van de appelbomen. Landschap verzacht, zoals Wang Wei zegt, de scherpe randen van isolatie.
Wanneer Pasen eraan komt en de hemel ons meer welwillendheid toont en iedereen zich inspant – want, wat wil je, zeggen ze, het is Pasen, beginnen de doden in de aarde zich om te keren, en duwen ze met hun ellebogen de koude klei opzij. Ik heb al vrienden ten grave gedragen, ik weet wat het is, je vrienden begraven, zoals een hond een bot begraaft, wachtend tot de hemel je meer welwillendheid toont.
Er zijn van die sociale groepen waarvoor dergelijke rituelen van bijzonder belang zijn, ik bedoel vooral de middelgrote business. Iedereen heeft wel eens gezien wat een droefheid hen treft, de regionale vertegenwoordigers van Russische petroleumbedrijven, wanneer ze samenkomen op het grenzeloze kerkhofveld, om daar de zoveelste broeder met weggeschoten longen te begraven;
iedereen heeft wel eens hun harde hartenklop gehoord wanneer ze bij de doodskist staan en hun schaarse tranen en snot afvegen aan hun dolce en gabbana en ze hennessy achteroverslaan uit een wegwerpbeker.
“Kijk eens Kolja”, zeggen ze, “daar heb je dan je aftocht. Op grenzeloze offshore-velden vallen wij, als wilde ganzen in de herfst, in de koude rakken van de vergetelheid, met hagel in onze lever.”
“Waar”, zo overleggen ze, “zullen we onze broeder van voorzien voor zijn lange tocht naar het stralende Walhalla van Lukoil? Wie zal hem begeleiden in de donkere grotten van het vagevuur?”
“Grieten, zeggen ze allemaal, “grieten, hij heeft grieten nodig, goede grieten, duur en zonder slechte gewoonten, ze zullen hem opwarmen in de winter ze zullen zijn bloed doen afkoelen in de lente, aan zijn linkerkant moet een platinablondine liggen, en aan zijn rechterkant moet een platinablondine liggen, ja, zodanig dat hij zelfs niet merkt dat hij al dood is.”
“Och, die dood is een territorium waar onze creditkaarten weinig vermogen. De dood is het territorium van de olie, moge die dus zijn zonden wegwassen. Aan zijn voeten zullen we wapens en goud leggen, bont en fijngemalen peper. In zijn linkerhand leggen we zijn laatste nokia, in zijn rechterhand een amulet uit Jeruzalem. Maar het belangrijkste zijn de grieten, twee grieten, het belangrijkste, twee platinablonde grieten.” “Ja, dat is het belangrijkste”, zegt iedereen instemmend. “Het belangrijkste”, zeggen de grieten instemmend. “Het aller-allerbelangrijkste”, beaamt Kolja vanuit zijn kist.
Met Pasen zijn we allemaal zo sentimenteel. We staan te wachten totdat de doden opstaan en naar ons toe komen vanuit het hiernamaals. Nooit interesseer je je meer voor de dood dan wanneer je vrienden begraaft.
Terwijl ze de derde dag de wacht houden bij de deur van het lijkhuis, overwint hij ten slotte de dood door de dood, tijdens de ochtend van de derde dag, en hij loopt naar hen toe vanuit het crematorium, hij ziet dat ze allemaal in diepe slaap liggen na drie dagen drinken, ze liggen gewoon in het gras, in ondergekotste dolce en gabbana’s.
En dan neemt hij stil, om niemand te wekken, bij één van hen wat stroom voor zijn nokia, en hij keert naar de hel terug naar zijn blondines.
Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedichten en zit in ’t binnenst van mijn rijm ten troon maar soms roert zich in mij een woordenkloon en moet ik wel voor regeldiefstal zwichten.
Maar als een ander mij wil beentje lichten en mij beschuldigt op zo’n boventoon; ik hef mijn hand en hak: zijn Judasloon! Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedichten.
Toch: soms als ik klassieke regels vond, dan was ’t of ik ze zelf had opgeschreven en warmde mij die echte scheppersgloed…
En daarom moet men mij het wel vergeven als Kloos doorschemert in mijn woordenvloed hij haalt mij zelf die woorden uit de mond!
Werklui
Ze vragen me de werkploeg te versterken tot dusver doe ik aan geen opdracht mee ik zap de hele dag door mijn tv en heb geen fut en zin om te gaan werken
Toch stap ik maar eens naar die werklui toe ik ben nou eenmaal liever lui dan moe
Wentelteefje
Een loopse jachthond paart gedwee met tegelijk een reu of twee ‘Ik ben’, verklaart de teef terloops, ‘allicht als jachthond dubbelloops.’
Uit: Bij de bron van leven en zien, deel II, sectie 1: ‘Op zondag het strand verlaten in een tram’
Ze verlaten het strand op zondag in een tram, een gezin van drie: moeder, zoon en dochter: de moeder, ver in de dertig, blond haar, bezorgd gezicht; de zoon, ongeveer twaalf jaar oud, tegenover haar gezeten, en de dochter, ongeveer acht of negen, naast haar. De jongen was ook blond; een knappe kleine kerel met dromerige ogen. Het kleine meisje was heel gewoontjes; mond naar beneden getrokken bij de hoeken, scherpe boze ogen achter een bril.
Nauwelijks waren ze gaan zitten of de jongen zei zachtjes: “Vandaag was een van de mooiste dagen die ik ooit heb meegemaakt.” Het meisje zei schril: ‘Ik wou dat we in een van die huizen konden wonen’ – kijkend naar de bungalows langs de kust – “dan konden we elke dag naar het strand.” De moeder antwoordde geen van twee. Het strand waar ze vandaan kwamen was vol met arme mensen; en de familie was goedkoop gekleed, maar netjes en brandschoon, zelfs na een dagje uit. Ik vroeg me zinloos af waar de vader was: aan het werk? dood? gescheiden?
Na een tijdje zei de moeder, haar woorden afwegend: “Weet je meneer. . .” Ik heb de naam niet verstaan: hij werd zo zacht uitgesproken. Ze was met de jongen aan het praten. “Elke woensdag gaat hij vissen. Ik denk dat ik hem wel kan overhalen om je mee te nemen.’ De jongen antwoordde een minuut of twee niet en zei toen met zijn zachte stem: “Dat zou ik heel leuk vinden.” “Kan ik ook mee?” vroeg het kleine meisje schril, maar niemand antwoordde haar.
Moeder en zoon hadden alleen oog voor elkaar. Ze pakte haar zakdoek en veegde zijn gezicht af. Hij klaagde over iets in zijn oog… zeker niet genoeg om het te laten knipperen… en ze tilde het bovenste ooglid op en liet het onderste ooglid zakken om ernaar te zoeken.
Het kleine meisje stond op en keek uit het raam en de jongen zei tegen zijn moeder: ‘Ze trad op mijn tenen en zei niet eens: Excuseer mij alstublieft. De moeder wendde zich tot het kleine meisje en zei scherp: ‘Waarom zei je niet: Pardon? Je had moeten zeggen: Excuseer mij, broer.’ Het kleine meisje zei niets, gezicht naar het raam gekeerd, met haar mondhoeken ver naar beneden en haar ogen, helder en droog, scherp kijkend door haar bril.
Vertaald door Frans Roumen
Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)
“Hoeveel senioren hij al tot in de groezelige details hun moeizame stoelgang had horen toelichten, of de complicaties na hun prostaatoperatie, hij werd er wee van in zijn maag als hij eraan terugdacht. Alsof op een bepaalde leeftijd samen met vlotte erecties, haar en wat centimeters ook alle schaamte zomaar verdwijnt. Toegegeven, objectief hadden zij ook hun leeftijd, maar zij waren in hun hoofd nooit ouder geworden dan een jaar of vijfendertig, en dat merkte je in alles, vond hij. Hij deed nog elke dag zijn yogaoefeningen en als het weer een beetje meezat, ging hij joggen. Respect voor de tempel, noemde hij dat lacherig als hij dan bezweet en edelmoedig naar adem happend thuiskwam, in de stiekeme hoop dat zijn elf jaar jongere vrouw zijn inspanningen zou waarderen. De ober schoof een stoel naar achter, uit beleefdheid moest Colette wel plaatsnemen, al had zij vast liever mogen kiezen naast wie ze ging zitten. De ober stelde de drie andere echtparen voor alsof het vrienden van jaren waren: Arie en Jacobien, Thijmen en Nelleke, Gilbert en Simonne. De ober sprak de namen verontschuldigend uit, omdat hij wist dat het vast niet helemaal juist klonk zo, waarop Arie wat pedant zei: ‘Much better already, much better.’ Marcel en Colette schudden handen, forceerden wat ogenschijnlijke vreugde bij het treffen van dit gezelschap, en daar zaten ze dan: vier Nederlanders en vier Belgen, verenigd op de Nijl. ‘Naar ik hoor is het eten op cruises van deze maatschappij voortreffelijk,’ zei Nelleke, die vast iemand was die maar moeilijk de stilte kon verdragen. Al van bij het eerste woord zat Jacobien instemmend te knikken, en ze begon toen kirrend een verhaal over hun reis naar Toscane, en wat zij toch allemaal aan gastronomisch genot… Marcel stopte met luisteren. Nog los van het verhaal dat hem al op voorhand geen lor interesseerde, bleek Jacobien op haar kin en wangen haar te hebben staan, een wirwarretje van haren van pakweg een centimeter, beetje slordig ingeplant, zoals een man zou hebben met zielig weinig baardgroei die zich een week of drie niet had geschoren. En de haren waren ook nog donker, in tegenstelling tot die op haar hoofd. Sommige mensen hebben dubbel pech. Hoe minder hij ernaar wou kijken, hoe meer zijn blik ernaartoe werd gezogen, en net zij zat pal tegenover hem, tijdens de maaltijd. Terwijl Marcel manieren zocht om zijn appetijt niet helemaal te verliezen, vroeg Gilbert hem of zij ook van plan waren om naar de muzikale revue te gaan, straks.”
Ik zag in de schaduw van de tuin de schuur en zag de sneeuw op het dak – een langwerpige gloed in de maanverlichte nacht.
Ik kon niet rusten of mijn ogen sluiten, hoewel ik wist dat ik vroeg moest opstaan de volgende ochtend en weer aan het werk gaan, en weer aan het werk gaan.
Die dag ging verloren – die maand ook; en jaar na jaar voor zover ik weet.
Vertaald door Frans Roumen
Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)
Wat doen we hier eigenlijk, vragen we ons niet af zolang het huppelen van wijsjes uit de luidsprekerboxen voortgaat, in de bomen hangen ze onzichtbaar, en wij maar denken dat het vogels zijn die kwinkeleren –
wat doen we hier? Eerst eens voelen of de voeten warm genoeg en niet al te pijnlijk verknobbeld zijn, dan even goed luisteren naar het lichte geborrel in de diepte van ons ingewand, oude waarzegster die laat weten
of we alweer verrekken van honger zo niet dorst, je komt er immers niet achter anders en het moet niet in het honderd lopen in het hier, het verzandende, de bossige verstuiving waar de limonadekraampjes de een na de ander
luchtspiegeling blijken als je hijgend dacht er te zijn – in het hier waar je wandelt en, door steeds het niet te kunnen laten nog weer om te kijken naar waar je vandaan kwam, niet ophoudt te struikelen over stronken,
schrammen op te lopen van ruwe eikenschors en roest- of bloedrood prikkeldraad, resten van beschaving. En hoe vaker je terug- blikt, voortzwoegende, op de wonderschone zonsopgang roerloos in je rug boven het verre
geboomte dat onhoorbaar ruist, hoe beter je weet: dat ontwaken van de frisheid van limoenen, die paradijselijke eerste hap van de tropische verrassing in een jasje van melkchocolade – het verblindend prille komt niet weerom.
Wat doen we hier? Wat we niet doen is opletten. Of is de afgrond onzichtbaar, of bestaat er geen afgrond voordat je erin valt, langs gladde steenwand suist? Het gaat gezwind. In het gras naast de beek op de bodem
wacht God, zo blij als een moeder die al die tijd thuis is gebleven, met ’n schaaltje pinda’s, sherry in het glas. En vanachter de bloeiende bomen, eindelijk daar komen ze, de vermisten voor wie je onmisbaar, die jij niet missen kon.
Alle dagen
De oorlog wordt niet meer verklaard, maar voortgezet. Het ongehoorde is alledaags geworden. De held blijft uit de gevechten weg. De zwakke is naar de vuurlinies opgerukt. Het uniform van de dag is het geduld, het ereteken de armzalige ster van de hoop boven het hart.
Het wordt verleend als er niets meer gebeurt, als het trommelvuur verstomt, als de vijand onzichtbaar is geworden en de schaduw van eeuwige bewapening de hemel bedekt.
Het wordt verleend voor de desertie, voor de dapperheid tegenover de vriend, voor het verraden van onwaardige geheimen en het in de wind slaan van om het even welk bevel.
Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948)
Ik begroef mijn vader in mijn hart. Nu groeit hij in mij, mijn vreemde zoon, Mijn kleine wortel die geen melk drinkt, Kleine bleke voet verzonken in ongekende nacht, Kleine klokveer net nat In het vuur, kleine druif, ouder van de toekomst Wijn, een zoon de vrucht van zijn eigen zoon, Kleine vader die ik loskoop met mijn leven.
Uit: Klein Engeland (Vertaald door Otto Biersma en Petra van der Eerden)
“Het was druk op de weg, en de rit naar Benjamins huis duurde bijna anderhalf uur. Ze reden door het hart van Midden-Engeland, waarbij ze min of meer de loop van de rivier de Severn volgden, door de plaatsjes Bridgnorth, Alveley, Quatt, Much Wenlock en Cressick. Een kalme, weinig memorabele reis met als enige uitschieters tankstations, pubs en tuincentra, en hier en daar de bruine borden van de National Trust die de verveelde reiziger verwezen naar verder afgelegen attracties zoals natuurparken, landgoederen en arboretums. De bebouwde kom van elk plaatsje werd niet alleen aangegeven door een plaatsnaambord, maar ook met een snelheidspaal die aangaf hoe snel Benjamin reed en de waarschuwing dat hij gas moest terugnemen. ‘Doodziek word je van die snelheidscontroles,’ zei Colin. ‘Ze proberen je alleen maar geld uit je zak te kloppen.’ ‘Misschien helpt het om ongelukken te voorkomen,’ zei Benjamin. Zijn vader gromde sceptisch. Benjamin zette de radio aan, die zoals gebruikelijk op Radio 3 stond. Hij had geluk: het langzame deel van het pianotrio van Fauré. De melancholieke, pretentieloze melodie vormde vandaag niet alleen een toepasselijke begeleiding voor de herinner ingen aan zijn moeder die voortdurend door zijn hoofd gingen (en vermoedelijk ook door dat van Colin), maar ook een muzikale weerspiegeling van de flauwe bochten in de weg en zelfs het gedempte groen van het landschap waar die doorheen voerde. Het feit dat de muziek onmiskenbaar van Franse herkomst was, maakte geen verschil: er was overeenkomst, een gedeelde geest. Benjamin voelde zich helemaal thuis bij deze muziek. ‘Zet die herrie alsjeblieft uit,’ zei Colin. ‘Kunnen we niet naar het nieuws luisteren?’ Benjamin liet de laatste dertig of veertig seconden van het stuk uitspelen en schakelde toen over naar Radio 4. Het actuele nieuwsuurtje was aan de gang en ze werden meteen overstelpt met de zoveelste woordenstrijd tussen de presentator en een politicus. Over een week waren er verkiezingen. Colin zou op de Conservatieven stemmen, zoals hij al bij alle verkiezingen sinds 1950 had gedaan, en Benjamin wist zoals gebruikelijk niet op wie hij moest stemmen, hij wist alleen dat hij deze keer niet zou stemmen. Geen enkel argument dat ze de komende week op de radio zouden horen, zou daarin verschil maken. Het grote nieuws van vandaag leek eruit te bestaan dat de premier, Gordon Brown, die er alles aan deed om herkozen te worden, er door een toevallig aanwezige microfoon op was betrapt dat hij een potentiële kiezer omschreven had als een ‘bekrompen mens’, en daar waren de media meteen bovenop gedoken. ‘De premier heeft zijn ware gezicht laten zien,’ zei een Conservatief parlementslid triomfantelijk. ‘Iedereen die met terechte zorgen komt, noemt hij bekrompen. En daarom zullen we in dit land nooit een constructief debat kunnen voeren over het immigratieprobleem.’
Omdat dit kerkhof een heuvel is, moet ik omhoog klimmen om mijn doden te zien, halverwege een keer stoppen om uit te rusten naast deze boom.
Het was hier, tussen de verwachting van uitputting en uitputting, tussen dal en piek, dat mijn vader naar me toe kwam
en we arm in arm naar de top klommen . Hij wiegde het boeket dat ik had meegebracht, en ik, als goede zoon, sprak nooit over zijn graf, rechtopstaand als een deur achter hem.
En het was hier, op een zomerdag, dat ik ging zitten om een oud boek te lezen. Toen ik opkeek vanaf de middagverlichte pagina zag ik een visioen van een wereld die haast kwam en een wereld die haast ging.
De waarheid is dat ik mijn vader niet heb gezien sinds hij stierf, en nee, de doden lopen niet arm in arm met mij.
Als ik ze bloemen breng, doe ik dat zonder hun hulp, de bloesems niet altijd helder, fakkelachtig, maar vaak zo zwaar als een doorweekte krant.
De waarheid is dat ik hier op een dag met mijn zoon kwam, en we tegen deze boom rustten, en ik in slaap viel en droomde,
een droom die ik, toen mijn jongen me wakker maakte, vertelde. Geen van ons begreep hem. Toen gingen we naar boven.
Zelfs dit is niet nauwkeurig. Laat ik opnieuw beginnen:
Tussen twee smarten, een boom. Tussen mijn handen, witte chrysanten, gele chrysanten.
Het oude boek dat ik uitgelezen heb heb ik sindsdien keer op keer opnieuw gelezen.
En wat ver was, wordt dichtbij, en wat dichtbij is, wordt dierbaarder,
en al mijn visioenen en interpretaties hangen af van wat ik zie,
en tussen mijn ogen is er altijd de regen, de migrerende regen.
„Um neunzehn Uhr sind Herr Rutschky und ich in der »Bar Centrale« in der Yorckstraße in Berlin verabredet. Ich bin schon ein paar Minuten früher am verabredeten Ort, vor der Bierkneipe nebenan sitzt mein früherer Agenturkollege Kristof Magnusson an einem Tisch vor einem Haufen Notizen und schreibt. Wir unterhalten uns kurz, dann sehe ich auch schon Herrn Rutschky um die Ecke kommen und verabschiede mich von Kristof. Ich begrüße Herrn Rutschky, und wir beide setzen uns in das vornehme italienische Restaurant, in dem wir uns schon Ende der neunziger Jahre, noch bevor ich nach Berlin gezogen war, regelmäßig getroffen hatten. Das Treffen ist sehr schön. Er trinkt Weißwein, ich Bier. Wir unterhalten uns über Toronto und das Leben in Kanada, dann endlich kommen wir auch auf seine Krebserkrankung zu sprechen. Herr Rutschky hat keine Haare mehr auf dem Kopf und bereits sechs Chemotherapien hinter sich. Seine prognostizierte Lebenserwartung betrage noch vier Jahre. Dann sei er fast achtzig, erzählt er mir, das reiche, irgendwann müsse auch mal Schluss sein. Ich nicke stumm. Anschließend sprechen wir über unsere Arbeit. Ich erzähle ihm von meinem neuen Romanprojekt, er wiederum berichtet von seinem nächsten Tagebuchband, der die Wendejahre bis 1992 darstellt. Ich frage ihn, ob er es jemals bereut habe, dass er keine Kinder hat. Herr Rutschky schüttelt den Kopf und sagt, er habe ja mich und die anderen jungen Menschen, zu denen er immer den Kontakt gesucht habe. Ich freue mich über diese Antwort. Zum Schluss lädt er mich ein, wie früher so oft, und sagt, wie charmant er den Abend fand. Wir sehen uns wieder, erklärt er zum Abschied zweimal. Ich hoffe, dass das stimmt, und freue mich bereits auf das Wiedersehen. Drei Tage später fliege ich zurück nach Kanada. Im September bestelle ich mir sein gerade erschienenes zweites Tagebuch In die neue Zeit und lasse es mir nach Toronto schicken. Ein halbes Jahr später, als ich gerade dabei bin, eine E-Mail an Kathrin Passig zu schreiben, erhalte ich die Nachricht, dass Herr Rutschky in der Nacht gestorben sei. Ich fange an zu weinen. Dann ziehe ich seine Bücher aus dem Regal, breite sie auf dem Boden aus, fotografiere sie und veröffentliche das Foto auf Instagram, Twitter und Facebook. Den Post verknüpfe ich mit einem Link zu einem Text von mir, den ich vor ein paar Jahren für ein Radiofeature geschrieben hatte: »Einen Meister habe ich nicht gehabt, aber einen Mentor: Michael Rutschky. Ich kenne einige Autoren, die durch die sogenannte ›Rutschky-Schule‹ gegangen sind – ich glaube, dieses Wort ist tatsächlich angebracht. Ich habe Michael Rutschkys Bücher bewundert, so traurig, so dankbar #MichaelRutschky ihn angeschrieben, damals war ich noch Student. Michael Rutschky wohnte in Berlin, ich im Ruhrgebiet, auf dem Germanistentag 1997 in Bonn haben wir uns das erste Mal getroffen.“
Marc Degens (Essen, 18 augustus 1971)
De Engelse dichter en schrijver Ted Hughes werd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Ted Hughes op dit blog.
Kraai en de zee
Hij probeerde de zee te negeren Maar die was groter dan de dood, zoals ze groter was dan het leven.
Hij probeerde met de zee te praten Maar zijn brein sluiterde en zijn ogen vertrokken ervan als van open vuur.
Hij probeerde de zee te mogen Maar die schudde hem af – zoals een dood ding je afschudt.
Hij probeerde de zee te haten Maar voelde zich meteen een gore droge konijnenkeutel op de winderige klif.
Hij probeerde gewoon met de zee in de wereld te zijn Maar zijn longen waren niet diep genoeg
En zijn opgewekte bloed sloeg eraf Als een waterdruppel van een heet fornuis.