De Nederlandse dichter en schrijver Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 in Keulen. Zie ook Zie ook alle tags voor Joost van den Vondel op dit blog.
Uit: Lucifer
Het Tweede Bedryf
LUCIFER.
Ghy, snelle Geesten, houdt nu stant met onzen wagen:
Al hoogh genoegh in top Godts Morgenstar gedragen;
Al hoogh genoegh gevoert: ’t is tijt, dat Lucifer
Nu duicke, voor de komst van deze dubble star,
Die van beneden rijst, en zoeckt den weg naer boven,
Om met een’ aertschen glans den hemel te verdooven.
Borduurt geen kroonen meet in Lucifers gewaet;
Vergult zijn voorhooft niet met eenen dageraet
Van morgenstarre en strael, waer voor d’ Aertsenglen nijgen;
Een andre klaerheit komt in ’t licht der Godtheit stijgen,
En schijnt ons glansen doot; gelijck de zon by daegh
De starren dooft, voor ’t oogh der schepselen, om laegh.
’t Is nacht met Engelen en alle hemelzonnen:
De menschen hebben ’t hart des Oppersten gewonnen,
In ’t nieuwe Paradijs: de mensch is ’s hemels vrient:
Ons slaverny gaet in. Gaet heene, viert en dient
En eert dit nieuw geslacht, als onderdane knapen:
De menschen zijn om Godt, en wy om hen geschapen.
’t Is tijt, dat ’s Engels neck hun voeten onderschraegh’,
Dat ieder op hun passe, en op de handen draegh’,
Of op de vleugels voere, in d’ allerhooghste troonen:
Onze erfenis komt hun, als uitverkore zoonen.
Ons eerstgeboorte leit nu achter, in dit Rijck.
De zoon des zesten daghs, den Vader zoo gelijck
Geschapen, strijckt de kroon. Met recht is hem gegeven
De groote staf, waer voor alle eerstgeboornen beven
En sidderen. Hier gelt geen tegenspraeck: ghy hoort
Wat Gabriël bazuint voor ’s hemels goude poort.

Standbeeld in het Vondelpark, Amsterdam
Lees verder “Joost van den Vondel, Christopher Paolini, Pierre Véry, Max Barthel”






