In Memoriam Milan Kundera

In Memoriam Milan Kundera

De Tsjechisch-Franse schrijver Milan Kundera is op 94-jarige leeftijd overleden. Milan Kundera werd geboren in Brno op 1 april 1929. Zie ook alle tags voor Milan Kundera op dit blog.

Uit: De ondraaglijke lichtheid van het bestaan (Vertaald door Jana Beranová)

“Honden hebben niet veel voordelen boven mensen, maar een ervan is de moeite waard: euthanasie is in hun geval niet door de wet verboden; een dier heeft recht op een zachte dood. Karenin hinkte op drie pootjes en bracht hoe langer hoe meer tijd liggend in een hoekje door. Hij jankte. Beide echtelieden waren het er over eens dat hij niet onnodig moest lijden. Maar hun principiële eensgezindheid bevrijdde ze nog niet van de beangstigende onzekerheid, namelijk: hoe te weten op welk ogenblik het lijden werkelijk onnodig was; hoe het moment vast te stellen waarop het niet meer de moeite waard was te leven.
Was Tomáš maar geen arts! Dan zouden ze het op een ander kunnen afschuiven. Dan zouden ze naar een dierenarts kunnen gaan en de hond een spuitje laten geven.
Wat is het verschrikkelijk de rol van de dood op je te nemen! Tomáš hield lange tijd vol dat hij hem niet zelf een spuitje zou geven, maar dat hij een dierenarts zou roepen. Maar later begreep hij dat hij Karenin het voorrecht kon geven dat geen enkel mens krijgt: de dood zal hem halen in de gedaante van hen die hij liefheeft.
Karenin had de hele nacht gejankt. Toen Tomáš ’s morgens zijn pootje bekeek, zei hij tegen Tereza: ‘We moeten niet langer wachten.’
Het was ochtend, ze zouden beiden gauw naar hun werk gaan. Tereza liep naar Karenin toe. Tot dan lag hij daar apatisch (zelfs toen Tomáš hem daarnet onderzocht bleef hij onverschillig liggen), maar toen hij deze keer de deur hoorde gaan, hief hij zijn kop en keek naar Tereza.
Ze kon zijn blik niet verdragen, ze schrok er bijna van. Zo keek hij nooit naar Tomáš, zo keek hij alleen maar haar aan. Maar nog nooit eerder zo intens. Het was geen wanhopige en ook geen verdrietige blik, wel nee. Het was een blik vol afschuwelijk, ondraaglijk vertrouwen. Die blik was een gretige vraag. Zijn leven lang wachtte Karenin steeds op Tereza’s antwoord en nu liet hij haar weten (nog veel dwingender dan anders) dat hij nog altijd bereid was van haar de waarheid te horen. (Alles dat van Tereza komt is voor hem de waarheid: ook al zegt ze ‘zitten!’ of ‘liggen!’, het zijn waarheden waarmee hij zich identificeert en die zin geven aan zijn leven.)
De blik vol afschuwelijk vertrouwen duurde maar kort. Even later legde hij zijn kop weer op zijn poten. Tereza wist dat hij op die manier nooit meer naar haar zou kijken.
Snoepgoed gaven ze hem nooit, maar een paar dagen geleden kocht ze voor hem enkele repen chocola. Ze haalde die uit het zilverpapier en brak ze in stukjes die ze om hem heen legde. Daarnaast zette ze nog een bakje met water, zodat hem niets zou ontbreken voor de tijd dat hij alleen thuis was. De blik waarmee hij haar daarnet bekeek leek hem te hebben uitgeput. Zelfs te midden van de chocola hief hij zijn kop niet meer op.
Ze ging naast hem op de grond liggen en legde haar arm om hem heen. Heel langzaam en moe snuffelde hij aan haar en hij gaf haar een of twee likken. Zijn gelik onderging ze met gesloten ogen, alsof ze het zich voor altijd wilde he
rinneren. Ze draaide ook haar andere wang naar hem toe voor een likje.”

 

Milan Kundera (1 april 1929 – 11 juli 2023)

Amitav Ghosh, Jürgen Becker

De Indiase schrijver Amitav Ghosh werd geboren in Calcutta op 11 juli 1956. Zie ook alle tags voor Amitav Ghosh op dit blog.

Uit: Gun Island

“Calcutta The strangest thing about this strange journey was that it was launched by a word — and not an unusually resonant one either but a banal, commonplace coinage that is in wide circulation, from Cairo to Calcutta. That word is bundook, which means ‘gun’ in many languages, including my own mother tongue, Bengali (or Bangla). Nor is the word a stranger to English: by way of British colonial usages it found its way into the Oxford English Dictionary, where it is glossed as ‘rifle’. But there was no rifle or gun in sight the day the journey began; nor indeed was the word intended to refer to a weapon. And that, precisely, was why it caught my attention: because the gun in question was a part of a name — ‘Bonduki Sadagar’, which could be translated as ’the Gun Merchant’. The Gun Merchant entered my life not in Brooklyn, where I live and work, but in the city where I was born and raised —Calcutta (or Kolkata, as it is now formally known). That year, as on many others, I was in Kolkata through much of the winter, ostensibly for business. My work, as a dealer in rare books and Asian antiquities, requires me to do a good deal of on-site scouting and since I happen to possess a small apartment in Kolkata (carved out of the house that my sisters and I inherited from our parents) the city has become a second base of operations for me. But it wasn’t just work that brought me back every year: Kolkata was also sometimes a refuge, not only from the bitter cold of a Brooklyn winter, but from the solitude of a personal  life that had become increasingly desolate over time, even as my professional fortunes prospered. And the desolation was never greater than it was that year, when a very promising relationship came to a shockingly abrupt end: a woman I had been seeing for a long time had cut me off without explanation, blocking me on every channel that we had ever used to communicate. It was my first brush with ‘ghosting’, an experience that is as humiliating as it is painful. Suddenly, with my sixties looming in the not-too-distant future, I found myself more alone than ever. So, I went to Calcutta earlier than usual that year, timing my arrival to coincide with the annual migration that occurs when the weather turns cold in northern climes and great flocks of `foreign-settled’ Calcuttans, like myself; take wing and fly back to overwinter in the city. I knew that I could count on catching up with a multitude of friends and relatives; that the weeks would slip by in a whirl of lunches, dinner parties and wedding receptions. And the thought that I might, in the midst of this, meet a woman with whom I might be able to share my life was not, I suppose, entirely absent from my mind (for this has indeed happened to many men of my vintage). But of course nothing like that came to pass even though I lost no opportunity to circulate and was introduced to a good number of divorcees, widows and other single women of an appropriate age.”

 

Amitav Ghosh (Calcutta, 11 juli 1956)

 

De Duitse dichter en schrijver Jürgen Becker werd op 10 juli 1932 in Keulen geboren. Zie ook alle tags voor Jürgen Becker op dit blog.

 

Wat er te bereiken valt

Het volgende uur. Alsof men zit te wachten. Maar
er is altijd iets te doen, over de vervuilde terreinen hoeven we
niet eens te praten.

Het is licht genoeg buiten. Het behoeft geen
verzoek, geen motief voor het hoofdartikel; ik vertel je
alles vroeg genoeg.

Het is werkelijk heel simpel. Met de rug tegen de muur,
naar het raam, naar het beeldscherm, naar de deur. Niets meebrengen,
de tafel blijft nu leeg.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jürgen Becker (Keulen, 10 juli 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e juli ook mijn blog van 11 juli 2020 en eveneens mijn blog van 11 juli 2019 en ook mijn blog van 11 juli 2016 en ook mijn blog van 11 juli 2015 deel 1 en ook deel 2.

Erik Jan Harmens, Jürgen Becker

De Nederlandse dichter Erik Jan Harmens werd op 10 juli 1970 geboren in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Erik Jan Harmens op dit blog.

 

Slotgebed

wat ik eigenlijk wilde zeggen is ik wil niet dat deze dagdromer gekooid
en geboeid wordt afgevoerd en sukadelappen moet vreten hij heeft
liever nuggets maar hij kan dat niet zeggen als-ie sukadelappen op zijn
bord zal hij zijn lippen op elkaar drukken en wegkijken en leg je dan
alsnog nuggets dan weigert hij ze niet uit halsstarigheid

hij bout zijn broek vol maar als je dan vraagt of-ie gebout
zegt-ie niet gebout niet gebout en hou dan je wijsvinger in
als het regent zegt hij regent

en als de auto rijdt zegt-ie gaat maar rijden
heb ‘m lief als hij dat blijft volhouden tot je band zegt klap
dan zegt-ie gaat maar stoppen en dat zolang en zolang
tot je weer gas
wat-ie dan zegt is ingemaakt in pekel

nu iedereen dood merk ik dat ik met de dag meer autist
en hij wat weg krijgt van een mediator
zo legt hij een extra punt appelkruimeltaart op mijn bord
zo knijpt hij een bij in tweeën
die daar ben ik van overtuigd het op mijn nektattoo voorzien had
zo slaat hij me in het gezicht omdat daar ben ik van overtuigd
een kutopmerking in de weg van mijn hart naar mijn huig
besloten ligt

wat ik eigenlijk wilde zeggen is kit je lippen dicht
wat ik niet had moeten zeggen is dat soms alles in mijn handen
verschrompelt het dienblad met shooters mijn lege portefeuille mijn zoon
die wegkijkt mijn aangevreten vader en de warmebroodjesnonfictie
de formats de achterflapteksten de leesclubjes de googleturfers
de dichtbundelinmekaarnieters de bangomteduikers de
bangomtereizers de bangomdoordemandtevallers de schijnophouders
de schouderophalers en de documentairemakers die het scrotum
niet hebben om een aangereden zwaan de nek om te draaien die
het scrotum niet hebben om een wangdoorregen baars op het dek
te klappen maar wel een item zien in jouw schoorvoeten jouw dralen
jouw flikkergeween jouw uitdekastkomen waar ik op kots maar ik
applaudisseer ervoor zoals ik voor alles klap mijn eelten handen
mijn moegecheerde keel mijn slapgezwaaide armen

voor de uitvallers de opvangers van die uitvallers
de bewonderaars van de opvangers de plakplaatjesverzamelaars

voor de nuggetvreter de nuggetindemayonaisedipper
de kipcornindemayonaisedipper de kipkluifindemayonaisedipper

ik heb de beul lief en zijn bijl
ik heb de beul lief en zijn bijl

er is een schromelijk gebrek aan content
en een bizar overschot aan potgrond

we komen om in de begonia’s
maar niemand om ze te bezingen

 

Erik Jan Harmens (Harderwijk, 10 juli 1970)

 

De Duitse dichter en schrijver Jürgen Becker werd op 10 juli 1932 in Keulen geboren. Zie ook alle tags voor Jürgen Becker op dit blog.

 

Bijvoorbeeld aan de Wannsee

Natuurlijk, die waterlelies, altijd
een aanhaalbare sfeer; mijn opvoeding was dat
niet, maar ook later hebben we
erover kunnen praten, denk aan aardbeienvelden,
later lukte veel meer.

Plots heeft ook een bundeltje riet betekenis,,
een plukje aan de oever van het meer waarover we
(ondanks alle belang) niet willen spreken. Neutraal
blijft geen foto; een foto is wat
elke spion doorgeeft, dus heeft ons zwijgen geen zin.

Daarbij komt een toeval. In het voorbijgaan
een telefooncel waarin iemand munten
blijft werpen zolang er munten zijn. Wie
wilde je, er buiten, spreken; of heb je
gewacht, geteld, gefantaseerd?

Nogmaals, meeroever beneden, en daar tussenin
wind, beweging in het riet, konden we zien
en voelden niets, een paar meter verderop
en zichtbaar voor iedereen. Voor wie, iedereen was er natuurlijk
niet; wie schildert immers waterlelies vandaag?

Vroeger, verstrikt in een of ander
systeem zouden we niet meer hebben geleefd;
begrijp dat bijvoorbeeld aan de Wannsee. Maar
zo makkelijk is dat ook niet, simpel
in de stijl van de geschiedenis, achteraf gemaakt.

Achteraf, of ik zeg: allereerst: dat wordt
geen toekomst, zijn waterleliefoto’s; beter
het wisselgeld, erin blijven werpen, wie praat er ook
met wie, we zijn allemaal in de buurt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jürgen Becker (Keulen, 10 juli 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e juli ook mijn blog van 10 juli 2020 en eveneens mijn blog van 10 juli 2019 en ook mijn blog van 10 juli 2011 deel 2 en eveneens deel 3.

John Heath-Stubbs, Hans Arnfrid Astel

De Engelse dichter John Heath-Stubbs werd geboren op 9 juli 1918 in Londen. Zie ook alle tags voor John Heath-Stubbs op dit blog.

 

Watching Tennis

Light, in light breezes and a favouring sun,
You moved, like a dancer, to the glancing ball,
And the dance and the game seemed one
To me, unmarked spectator by the wall –

Always spectator – inapt at any sport –
And you free burgess of the summer air:
Embraced within the Iron Maiden, Thought,
I of my body’s poverty am aware.

How could I guess that all-consoling night,
Confider and concealer of secrets, should conduct
You home to port within my clumsy arms?

Yet, by the chances of the game betrayed,
Your mouth on mine made known its silent need,
And all my sense found peace among your limbs.

 

Purkis

The red king lay in the black grove:
The red blood dribbled on moss and beech-mast.

With reversed horseshoes, Tyrrel has gone
Across the ford, scuds on the tossing channel.

Call the birds to their dinner. ‘Not I,’ said the hoarse crow.
‘Not I,’ whistled the red kite
‘Will peck from their sockets those glazing eyes.’

Who will give him to his grave? ‘Not I,’ said the beetle
‘Will shift one gram of ground under his corpse,
Nor plant in his putrid flank my progeny.

Robin, red robin, will you in charity
Strew red Will with the fallen leaves?

‘I cover the bodies of Christian men:
He lies unhouseled in the wilderness,
The desolation that his father made.’

Purkis came by in his charcoal-cart:
‘He should lie in Winchester. I will tug him there –
Canons and courtiers perhaps will tip me,
A shilling or two for the charcoal-burner.’

Purkis trundled through the town gates,
And ‘Coals!’ he cried, ‘coals, coals, coals,
Coals, charcoal, dry sticks for the burning!’

 

John Heath-Stubbs (9 juli 1918 – 26 december 2006)
John Heath-Stubbs in 1965

 

De Duitse dichter Hans Arnfrid Astel werd geboren in München op 9 juli 1933. Zie ook alle tags voor Hans Arnfrid Astel op dit blog.

 

Claustrum

Ik zou graag de monnik in uw klooster willen zijn.
Ik zou dag en nacht bij de poort zitten,
en de goed afgesloten tuin bewaken.
Ik zou niemand binnenlaten in het paradijs
alleen Gabriël op zijn eenhoornjacht
met de drie honden: geloof, liefde, hoop.
Ik hoor de jachthoorn al vanaf de kantelen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Hans Arnfrid Astel (9 juli 1933 – 12 maart 2018)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juli ook mijn blog van 9 juli 2021 en ook mijn blog van 9 juli 2020 en eveneens mijn blog van 9 juli 2019 en ook mijn blog van 9 juli 2018 en ook mijn blog van 9 juli 2017 deel 2.

Janet Malcolm

De Amerikaanse schrijfster, journaliste, biografe en essayiste Janet Malcolm werd geboren als Jana Klara Wienerová op 8 juli 1934 in Praag. Jana Wiener was een dochter van de Praagse arts Joseph Wiener (later Joseph A. Winn) en de advocaat Hanna Taussigová; haar jongere zus is de Amerikaanse journaliste Marie Winn (Marie Krajbich). Haar familie vluchtte na de Duitse bezetting van Tsjechoslowakije in 1939 naar de VS. Janet Wiener bezocht de High School of Music and Art in New York en studeerde aan de Universiteit van Michigan. Sindsdien werkt Wiener als redacteur bij het tijdschrift The New Yorker. In haar artistieke werk hield ze zich bezig met collaga’s. Tot aan zijn dood in 1975 was ze getrouwd met de literair criticus Donald Malcolm, die net als zij bij het tijdschrift The New Yorker werkte. Vanaf 1975 was ze getrouwd met Gardner Botsford, redacteur van de New Yorker, die in 2004 op 87-jarige leeftijd overleed. Malcolm was betrokken bij de controverse die in 1981 uitbrak over het werk van psychoanalyticus Jeffrey Masson in de Freud-archieven in New York en in Freuds appartement in Londen en bekritiseerde Massons stellingen over Sigmund Freuds veranderde houding ten opzichte van de verleidingstheorie en zijn benadering van het archiefmateriaal. Malcolm schreef erover in de New Yorker en publiceerde in 1984 het boek “In the Freud Archives”. Masson spande vervolgens een rechtszaak wegens smaad aan tegen de New Yorker en tegen Malcolm voor $ 10 miljoen, die de New Yorker uiteindelijk won. Malcolm ontving in 2008 de PEN/Jacqueline Bograd Weld Award for Biography voor het boek over Gertrude Stein en Alice B. Toklas, evenals de Judy Grahn Award en een Lambda Literary Award. Ze stond in 2013 op de shortlist voor de National Book Critics Circle Award met “Forty-One False Starts”. Haar essay “The Journalist and the Murderer” (1989) begon met de stelling: “Elke journalist die niet te dom of te vol van zichzelf is om op te merken wat er aan de hand is, weet dat wat hij doet moreel onverdedigbaar is.”

Uit: Forty-One False Starts. Essays on Artists and Writers

“3
All during my encounter with the artist David Salle—he and I met for interviews in his studio, on White Street, over a period of two years—I was acutely conscious of his money. Even when I got to know him and like him, I couldn’t dispel the disapproving, lefty, puritanical feeling that would somehow be triggered each time we met, whether it was by the sight of the assistant sitting at a sort of hair-salon receptionist’s station outside the studio door; or by the expensive furniture of a fifties corporate style in the upstairs loft, where he lives; or by the mineral water he would bring out during our talks and pour into white paper cups, which promptly lost their takeout-counter humbleness and assumed the hauteur of the objects in the Design Collection of the Museum of Modern Art.
Salle was one of the fortunate art stars of the eighties—young men and women plucked from semi-poverty and transformed into millionaires by genies disguised as art dealers. The idea of a rich avant-garde has never sat well with members of my generation. Serious artists, as we know them or like to think of them, are people who get by but do not have a lot of money. They live with second or third wives or husbands and with children from the various marriages, and they go to Cape Cod in the summer. Their apartments are filled with faded Persian carpets and cat-clawed sofas and beautiful and odd objects bought before anyone else saw their beauty. Salle’s loft was designed by an architect. Everything in it is sleek, cold, expensive, unused. A slight sense of quotation mark hovers in the air, but it is very slight—it may not even be there—and it doesn’t dispel the atmosphere of dead-serious connoisseurship by which the room is dominated.

4
During one of my visits to the studio of the artist David Salle, he told me that he never revises. Every brushstroke is irrevocable. He doesn’t correct or repaint, ever. He works under the dire conditions of performance. Everything counts, nothing may be taken back, everything must always go relentlessly forward, and a mistake may be fatal. One day, he showed me a sort of murdered painting. He had worked on it a little too long, taken a misstep, killed it.”

 

Janet Malcolm (8 juli 1934 – 16 juni 2021)

Micha Hamel, Hans Arnfrid Astel

De Nederlandse dichter, componist en dirigent Micha Hamel werd geboren in Amsterdam op 8 juli 1970. Zie ook alle tags voor Micha Hamel op dit blog.

 

Stranden

Wat voor kleur heeft zand? Zonder zon
gaat het niet: in het zand met zand spelen. Niet honderd procent
hemelsblauw de lucht: wolkplukken zijn er door aanlandige winden
amorf gestompte hompen luchtkasteel in. Maar dan meneer homo sapiens:
die bolleboos schept uit de muil van de gretige zee zijn gezinsformaat verschansing,
-Daar maar?

Ook in geval van een aangekondigde overstroming: zand in zakken
doen: zand tegen water, water tegen zand, het water altijd ijskoud
van het smelten of de harde wind.

een solide zomerhuis met een vlaggenmast van een ijslollystokje waaraan fier het lila papiertje
wappert. Navelstaren, smakeloos, maar mag. Menig kwal wordt door fluorgroene schepjes
begraven in een terp. Gejoel. – Hé mam, kek hesje! – Even omkijken! (…even kijk ik om:
aarde plus hemel zijn alwéér nieuw gemaakt; en door wie anders dan door de elementen
die gedurig & plichtmatig onder steeds wisselende belichting aan de planeet knabbelen.)
-Mag ik?

Lillende billen showen spookachtige onderdelen van het blanke ras. Toch
is er ook reden tot lachen: eten genoeg, en de gehuurde stoel blijft even staan
in je rooie dijen. (Als je opstaat om mij in te smeren.)

Zeegeur kleeft met zonnebrand tussen drooggezouten kwabben. Taart na taart na taart
moet ik smikkelen – hier twee oliebollen – dank je, héérlijk. Soepel door de vingers vallend
tussen tenen kruipend vanavond in bed nog schurend – Die kleur is in de mode deze zomer
-Wat voor kleur, papa? Schijnbaar op commando antwoordt het streeploze zonlicht royaal
met grijs wit beige khaki oker geel rood bruin roze groen zwart doorzichtig zandkleur-zand.
-Kom je?

Een zeilende meeuw, met zijn schuwe, haast schuldbewuste koppie muurvast tussen de hoge
schouders ingeklemd imiteert serieus een cello. Ik wil hem/haar even aaien, geruststellen,
want zo slecht klonk het niet, maar argwaan of eerdere ervaringen maakten de oogjes reeds
droef: hij/zij weigert voor mij te landen. Zou dit muzikale exemplaar, geklommen op de
ladder van de evolutie, óók hier komen om patat te eten, of is hij/zij gewoon een dagje uit
van de vuilnisbelt.

Na de zoveelste maal uit zee te zijn gekropen – Wél warm genoeg – tracht het gezinshoofd zichzelf
op een luwte – om te zwemmen, hoor! – te trakteren. Maar een dansant beletterde pagina flappert
weerbarstig en prikt wit de ogen in, omdat – nee niet in m’n ogen, niet doen, níet in mijn ogen
strooien! – vaders zonnebril in etui verdomme nog op het gangtafeltje ligt.

Bij ijzel, op het tuinpad, ja, bij ijzel op het tuinpad wél zand
strooien, zand tegen het wegglijden. De mens, als kerstboom
behangen met allerlei hulpmiddelen, horloge balpen sleutels
telefoon, stort rinkelend ter aarde, want op die runder-, varkens-of
kangaroe-leren zolen glijdt hij weg, zelfs op die zorgvuldig
bewerkte andermanspoten glijdt hij knullig weg, dagelijks
node missend de praktische duimteen, en véél, véél onnozeler
dan dat hertje, wiens vacht hij ook nog stelen moest. Eindelijk
in bed, ligt hij nóg met zijn slaapbril op, tegen het ochtendlicht.

Kort daarop lopen er drie schoenen
onder, kalft de burcht af, en zakt hopeloos onze kuil in als er een langharige
zee-hond overheen roetsjt.

Van schrik laat ik mijn appel vallen.
-Zullen we?

Douchend, stofzuigerend neurie
ik rozig een requiemmetje voor
die parelmoeren fledders die
na te zijn gestrand, ook nog
gedood werden, vermoord
door kinderen, mijn kinderen, zo
uitgelaten en zonder schaamte, spijt

Op stranden spoelen soms bootresten aan, jerrycans, vodden, plastic-tas-flarden, lege
sardineblikjes. Vandaag werd dat ons bespaard, waren dat onze stranden gelukkig
niet, functioneerden de verdedigingswerken naar behoren. Architect en ingenieur krijgen
hiervoor een pluim, worden aanstonds geridderd op grond van hun verdienste voor hun
mooie land.

 

Micha Hamel (Amsterdam, 8 juli 1970)

 

De Duitse dichter Hans Arnfrid Astel werd geboren in München op 9 juli 1933. Zie ook alle tags voor Hans Arnfrid Astel op dit blog.

 

Vlinders

Franciscus van Assisi preekte tot de dieren.
Hij leerde hen met zijn wijsvinger
de vroomheid van mannen van zijn eigen soort,
zoals Orpheus ooit de dieren had voorgezongen.
Toen vloog er een vlinder op zijn vinger.
Zo, mijn ziel, zing ik over de bloemen,
praat ik tegen de mensen over de dieren.
Als ik al lang weer zwijg vliegt voor mijn mond
jouw vlinder op het puntje van mijn tong.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Hans Arnfrid Astel (9 juli 1933 – 12 maart 2018)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e juli ook mijn blog van 8 juli 2020 en eveneens mijn blog van 8 juli 2019 en ook mijn blog van 8 juli 2017 deel 2.

Ivo Victoria, John Heath-Stubbs

De Vlaamse schrijver Ivo Victoria (pseudoniem van Hans van Rompaey) werd op 7 juli 1971 geboren in Edegem (Antwerpen). Zie ook alle tags voor Ivo Victoria op dit blog.

Uit: Dieven van vuur

“O ja’, zei hij. ‘Die koningin gaat keikapot.’
We keken omhoog, naar die sleuven in de buitenbetimmering, alsof het jazzplaten waren. Een vervelende kleine worm vrat zich een weg door de achterkant van mijn hoofd (waarvan ik me voorstel dat het de locatie van ons geweten is, ik weet ook niet waarom ik dat denk.) Het was niet meer dan een lichte, irritante kriebel – die zijn het ergst.
Nadat ik de verdelger had uitgelaten, liep ik de woonkamer in en ging voor de platenkast staan. Ik herkende een rijtje identieke platenruggen, de bovenste helft oranje, de onderste zwart. Blind trok ik een elpee uit het vak en ik liep naar de platenspeler. Een album van Archie Shepp: On This Night.
Ik lichtte het deksel van de pick-up. Het vinyl gleed soepel uit de hoes. En hoewel het schoon leek en glansde, liet ik de arm er even boven zweven terwijl ik een antistatisch borsteltje tegen de ronddraaiende plaat aan hield. Daarna draaide ik het volume van de stereo open en duwde de hendel naar beneden. Een droge klik. De naald zakte, raakte het vinyl, wipte weer op en koos een groef. Voor even genoot ik van de krakende ruis uit de speakers en de holle tik die weerklonk toen ik het deksel weer sloot. Daarna: een springerige, atonale pianoriedel, dwarrelend door de kamer. Een ijle vrouwenstem begon te zingen. Op de achtergrond rommelde een drummer. Even later viel de bassist in. Ze speelden alsof ze niks met elkaar te maken wilden hebben. Slechts heel af en toe kwamen ze samen in een simpele melodielijn, die ze enkele keren herhaalden, om meteen daarna te her- vallen in de chaos van het begin. Een plagerig spel dat minutenlang aanhield tot de muziek eindelijk in een herkenbaar blues- ritme viel en Archie Shepp zijn saxofoon aan de lippen zette. Ik sloot de ogen en dacht terug aan de eerste van die nachten, zoveel jaren geleden. Het was een snelle opeenvolging van messcherpe beelden. Een trailer van het verleden.
Hoe wij door de duisternis snijden. Bennie achter het stuur. Rokend. Korte giftige trekken, gulzig inhalerend terwijl hij met de toppen van zijn vingers op de versnellingspook trommelt. Onregelmatig. Nijdig. Hij heeft gedronken, maar hij zegt dat het gaat. Jelle zegt niks. Hij staart voor zich uit en ik, op de achterbank, kan dwars door zijn schedel heen de triomf zien die in zijn glimlach speelt, de voorpret om de verhalen die we straks in het café zullen vertellen.
Hoe wij het gebouw binnendringen, gedreven door onnadenkendheid, vrij van welk besef dan ook. Jelle, de gids. Zijn witte gympen dansen geruisloos een ladder op en ik volg, de idioot die niet weet waar we heen gaan, stram en stijf, bevangen door het soort koude dat alleen in lege, kale gebouwen hangt. Hoe we juichen om dingen waar wij niks van af weten. Jazzelpees. Een opgezette vis. Brieven. Vanaf het begin, de ontdekking, de drieste strooptochten die volgen, tot en met de angst en onrust die ons zullen overvallen.
Ik kon het allemaal zien. Die ochtend, de ochtend van de verdelger. Buiten droegen de wespen nietsvermoedend het gif hun nest in. Binnen nam de muziek van On This Night bezit van de kamer, gleed door de gang de keuken in, stak door naar de trappenhal, en verspreidde zich zo trede voor trede verder omhoog en omlaag totdat het hele huis leek te zingen.”

 

Ivo Victoria (Edegem, 7 juli 1971)

 

De Engelse dichter John Heath-Stubbs werd geboren op 9 juli 1918 in Londen. Zie ook alle tags voor John Heath-Stubbs op dit blog.

 

De gekko

‘k Weet niet hoeveel duizenden jaren van evolutie
Hebben de gekko nog niet geleerd
Dat je niet onderste boven omhoog kunt springen.

Blauw gespikkeld, roze gespikkeld, half-doorzichtig,
Kruipt hij, op zuignap-pootjes
Over de zoldering, Met
Zijn bizar uitpuilende ogen
Ziet hij een vlieg vlak onder hem schuifelen. Hij
springt
en
Klets!
Smakt op de grond.
Arm half verdoofd hagedisje!

Hoe werd dit dwaas-komische, dit onschuldige wezentje
Ooit tot symbool van het kwaad?

De Kopten zeggen:
‘Sint Sjenoeda heeft ons bevolen je te vernietigen!’
Waarna de stakker zich
Ineen hoort te rollen en dood te gaan,
Of, op z’n minst, diep-bedremmeld de aftocht te blazen.

En elk, Moslim of Christen, is het erover eens
Dat hij stiekem huizen insluipt, dat hij spuwt
In de zoutpot, tabernakel des levens,
Zo melaatsheid overbrengt,
In hetzelfde wit waartoe ook hij in het duister vervaagt.

Sjenoeda, onvermurwbaar heilige vader,
Die de woestijn uit komt stappen met zand in je baard,
Houd jij je dan met zulke
Beuzelarijen bezig?

Het is heel goed mogelijk. In jouw tijd,
In die van Pachomius, Marais Antonius,
Krioelde het in de dorre vlakten van draken.
Dit is een parodie, een draak in het heel klein.

Er is zoveel kwaad op de wereld
Dat alles er wel het symbool van kan zijn.

 

Vertaald door C. Buddingh’

 

John Heath-Stubbs (9 juli 1918 – 26 december 2006)
John Heath-Stubbs door Patrick Swift, 1961

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e juli ook mijn blog van 7 juli 2021 en ook mijn blog van 7 juli 2020 en eveneens mijn blog van 7 juli 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Miquel Bulnes, Marius Hulpe

De Nederlandse schrijver Miquel Bart Ekkelenkamp Bulnes werd geboren op 6 juli 1976 in Bloomington, Indiana (Verenigde Staten van Amerika). Zie ook alle tags voor Miquel Bulnes op dit blog.

Uit: Reconquista

“Links en rechts wordt Eloy ingehaald door andere ruiters, die hun aanvoerder trachten bij te houden. Hij mag niet achteropraken, het zou een schande zijn als ze op hem moesten wachten. De jongen zet zijn hakken in de zij van zijn paard en slaat hem met de hand tegen het achterwerk. Aitur versnelt zijn galop en Eloy moet zich vastgrijpen om in het zadel te blijven. De riem van zijn schild schuurt pijnlijk langs zijn nek. Hij kijkt een moment naar de grond, die verworden is tot een flikkerende, groenbruine waas. De jongen wordt er misselijk van en richt zijn blik daarom weer op de ridders voor hem. Eloy dreigt de aansluiting met zijn dorpsgenoten te verliezen en hij geeft Aitur nogmaals de sporen; in elk geval moet hij zijn neef Carmelo kunnen bijhouden. Carmelo heeft een oud, mak en vooral ook lui paard, een grijswitte schimmel die hij veel te zachtaardig behandelt.
De galopperende ruiters passeren aan de linkerkant een gehucht van lemen hutten en Ordoño wijkt uit om de pas ingezaaide graanvelden niet te vertrappen. De hond van een groep schapen hoedende kinderen rent hun blaffend tegemoet, terwijl de kinderen zelf hun toevlucht zoeken achter een van de hutten. Castilië is een land van oorlog. Het eerste wat je leert is op je hoede te zijn voor vreemdelingen.
Pas mijlen verderop, als het open veld is overgegaan in bos, gunt Ordoño de paarden weer rust – de arme dieren briesen en puffen. De spanning en het krampachtig vasthouden aan zijn zadel hebben Eloy echter nog meer uitgeput dan zijn paard, lijkt het. Zes dagen zijn ze nu onderweg, en het is de eerste keer dat ze zo op de proef zijn gesteld.
Hopelijk is het voorlopig ook de laatste.
’s Avonds zitten veertig ruiters rond een kampvuur in het open veld. De veertien mannen uit Aguilar hebben zich aangesloten bij een grotere groep Castilianen. Morgen zullen ze gezamenlijk verder rijden om zo mogelijk nog voor het duister Burgos te bereiken. Terwijl de zon ondergaat, beginnen de oudere ridders elkaar af te troeven met verhalen over de campagnes van de voorgaande jaren, over de veldtocht door Galicië, de slag bij Graus, het beleg van Zamora, de verovering van Cordoba. Ze drinken en ze schreeuwen en ze vloeken en ze lachen en ze zuchten, en ze drinken nog meer, tot ze uiteindelijk in slaap vallen.
Eloy zit tussen zijn neef Carmelo en Froilán Díaz, de zoon van don Diego, de belangrijkste edele in het dorp. Wanneer Eloy in het najaar terugkeert naar het dorp om zijn eigen verhalen te vertellen zal hij trouwen met Jimena, een dochter van don Diego. Eloy zal land krijgen van zijn moeder en Jimena zal land krijgen van haar vader. Ze zullen varkens, schapen en kippen houden, ze zullen druiven en gerst verbouwen, appelbomen en kersenbomen zullen groeien rond hun huis.”

 

Miquel Bulnes (Bloomington, 6 juli 1976)

 

De Duitse dichter en schrijver Marius Hulpe werd geboren op 6 juli 1982 in Soest, Nordrhein-Westfalen. Zie ook alle tags voor Marius Hulpe op dit blog.

 

melkhart

waar, in dit turbulente uur,
hier, op moeiteloos verrottend land,
waar de gerst geen gerst meer is, hier,
in de broedplaats van beschimmelde kantoren,
een zacht kalmerende petrischaal,
waar, op dit uur, de enige vraag:
ben ik terechtgekomen?, hier, waar je luchtgaten slaat
in elke geheime gedachte &
waar de gebalde frustratie dient, uiterst nuttig,
tot de manifeste afleiding, tot het asbest van het hart,
in droevige uren wordt daarom gezwegen,
jullie melkachtige harten, ik melkachtig hart:
waar zijn we gebleven, waar zijn we terechtgekomen
als verzamelaars van saaie seconden, van haken & haar
in onze soepen, de dagelijkse geforceerde gang van zaken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Marius Hulpe (Soest, 6 juli 1982

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e juli ook mijn blog van 6 juli 2020 en eveneens mijn blog van 6 juli 2019.

Jacob Groot, Marius Hulpe

De Nederlandse dichter en schrijver Jacob Groot werd geboren op 5 juli 1947 in Venhuizen (West-Friesland). Zie ook alle tags voor Jacob Groot op dit blog.

 

Dit kind

Zoveel jaren in de wind
sinds ik mijzelf ging toebehoren –
zoveel jaar vergeefs bemind
en de gewonnen of verloren
liefde toch niet aangewend
om aan een ander te behoren.
Mijzelf nog niet genaderd
en mijzelf nog niet ontwend:
er komt geen einde aan dit kind
en geen eind aan wie het verhoren.

 

CAST

Ik film achtereenvolgens de namen en de films
geven dan een beeld van mij. Maar een beeld
is pas een beeld als ik het losweek van mezelf. Ook
een foto maak je niet alleen. En aan een leven kan je
wennen zonder iemand

te hoeven kennen. Waarom begeef ik me dan niet meteen
naar de plek waar ik gelukkig ben?
Omdat ik nog niet gelukkig wil zijn op de plek die ik niet
ken? Het is behalve

degene die ik ben die me tegenhoudt degene
die ik nog niet kan zijn maar wel wil
betekenen. Wie zal mij wezen als ik hem
niet blijf?
Een ander? En die ander, vraag ik ook, onevenaarbare,
sinds wij

vroeger zeiden dat ik buiten mezelf trad als ik ons
verliet, heb ik je verlaten voor ik het kon weten en kom
ik nu nooit meer bij je, al ben ik het
zelf?

 

Wat op een dag gedaan moet worden

Huiswerk maak je op school en thuis school je je in de toren
van het hoofd die het denken is, terwijl je onderweg, langs
de heggen in de wind, uitslaapt van deze indeling. En onbezoedeld
wil je zijn als je de zinnen hoort, met het doel de bron

van je rijkdom nooit prijs te geven: de onuitputtelijke
onwetendheid. Twaalf uur duurt de dag: zonder onderbreking
dien je te denken aan een absolute zuiverheid, een laken
van water waarop een brood groeit, en van adem vervuld raakt

de kamer van je lichaam dat opent de ramen op de melkweg
van het boomsterke daglicht. Maar het ruisen vloeit voort
uit je hielen, hoe het muisstil in je mond wordt spreekt

je aan: je komt niet langer uit je woorden; wat je hoort
is een krijs die van schoonheid snijdt als een mes van jade
door je tijdstip, en voortaan scheid je je doen van het laten

 

Jacob Groot (Venhuizen, 5 juli 1947)

 

De Duitse dichter en schrijver Marius Hulpe werd geboren op 6 juli 1982 in Soest, Nordrhein-Westfalen. Zie ook alle tags voor Marius Hulpe op dit blog.

 

kronkelend areaal

kronkelend areaal de
puinhoop van mijn innerlijke uitstraling
aangelegd met witte rozen hun doornen
zijn bot geworden in de loop der jaren daarentegen
de kleur van de bloem nauwelijks vergaan
lijkt een dag een uur
sinds ik ze plantte zonder wortel bovenop
gezet neergelegd ingebed hun
bladeren lijken langzamerhand nog groener
te worden mijn plexiglas
filtert licht schaduw biedt
toereikende condities overleven
is in ieder geval verzekerd alleen hoe daar
blijft nu eenmaal een leemte

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Marius Hulpe (Soest, 6 juli 1982)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e juli ook mijn blog van 5 juli 2019 en eveneens mijn blog van 5 juli 2018 en ook mijn blog van 5 juli 2017 en mijn blog van 5 juli 2013 en mijn blog van 5 juli 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Ricardo Domeneck

De Braziliaanse dichter, beeldend kunstenaar en criticus Ricardo Domeneck werd geboren op 4 juli 1977 in São Paulo. Zie ook alle tags voor Ricardo Domeneck op dit blog.

 

LETTER TO THE FATHER

Now that my lord
more closely resembles a hunk
of meat with two eyes
turned toward the dark ceiling
from the gurney where likely
you will not die alone
only because not even able
to swallow your saliva
yourself in the company
of this tube alone
that feeds you
I ask myself
if mother’s ban
against confessing
to my lord the amorous habits
of my mucous membranes
is still in place
and if indeed you would love me
the less you knew about
how much rubbing they’d already had
that did not befit them
biological or religious
-ly and also if
you would want for your boyess
the death you wished
on so many of my kind
when they appeared on screen
on Globo Record
Manchete or SBT
which always constituted
your umbilical connection
to tradition
and if indeed you would
make come upon them
great destruction
by the violence
of your raging slurs
typical of a macho man
born in a remote town
in this country of machos
remote and broken
in their false pride
believing that a father
is he who crams
refrigerators full and does
not let the table want for
food to nourish
the same mucous membranes
in which your blood
but not your God
runs thick
and now in this broken gurney
your brain all veins
like rivulets bent on
running
outside the lines
if my lord
knew how
I’d stained the patriarchs’
table with deceit
I still ask myself
if you would welcome
me as meekly
as you accept a kiss
on the forehead from
your boyess
who is nothing more
than your own image
and likeness inverted
a mirror such
as reflects opposites
of gender and religion
or the cartoon
from my childhood
of a Hall of Justice
where on a screen
you could watch a world gone wrong
and if the Father and father
indeed scorn
one created by the norms
of Biology and Religion
yet later corrected
after flaunting the laws
the Father and the father
impose on us in the science
of being all of us flawed
on this Earth where procreating
is so common
it brings pleasure
not at all and I look at
my lord
with these pupils
that maybe never
reflect the Father
but now see the father
I
also a hunk
of meat
with two eyes
ask forgiveness
in silence
for at least I can
say there is no more time
and nevertheless
and even still
and although
and yet
for conflicted fear
of possibly shaking
a rudimentary system
of foundation
holding up this house
holding up this room
holding up this borrowed
hospital
bed
I once again
choose
silence

 

DE DOOD OP TERMIJN
voor Francis Bley

De eerste keer dat ik doodging
vroeg ik mijn vriend stamelend of
je die dood op termijn overleeft
en mijn vriend, al geschoold
in doodgaan, antwoordde: ja,
die overleef je, je loopt brandend
door de slaapkamer en duikt verkoold
op in de tuin, de mousseline plakt
aan je huid, de huid zelf net mousseline,
maar je leeft nog, je bent nog meer hier
dan aan gene zijde, als je het vocabulaire
van dat als schulden toenemende verlies
niet alleen hebt leren lezen
maar ook psychisch verwerken.

Precies, dat zou als troost moeten dienen,
zoals Persephone’s lente terugkeert
uit de onderwereld, en vissen terugkeren
naar vervuilde rivieren en walvissen naar zeeën
vol plastic, en zelfs de zon naar de Noordpool
na een nacht die maanden duurt.
Zelfs al voelt dit aan als een straf.

De meest excentrieke beeldspraak
werd reeds gebruikt voor die koppigheid.
Het meest freakerige vermaak.
Almodóvar en zijn coma tussen de stieren,
Duras en de loten in de bodem van Hiroshima.
Wat een lef! Of je overleeft?

Ja, je overleeft.
De Zonnegod stapt weer in zijn wagen.
Christus verrijst, Dom Sebastião keert
weer. De zeekomkommer, de staart van de
hagedis, de arm van de zeester, enz. enz.

En Hiroshima werd daadwerkelijk herbouwd.
De bomkraters in Berlijn werden gedicht.
Afzonderlijke levens, collectieve levens
die opstaan uit de puinhopen
van zowel liefde als oorlog.
Zelfs als zeebevingen de aarde verzilten.
Wat een lef hebben wij toch, wat een lef.
De stugheid van onze longen. Van ons hart.

 

Vertaald door Harrie Lemmens

 

Ricardo Domeneck (São Paulo, 4 juli 1977)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e juli ook mijn blog van 4 juli 2020 en eveneens mijn blog van 4 juli 2019 en ook mijn blog van 4 juli 2017 en ook mijn blog van 4 juli 2014 en ook mijn blog van 4 juli 2011 deel 2.