Marcel Möring, Herman Koch, Rachid Boudjedra, Christoph Wieland

De Nederlandse dichter en schrijver Marcel Möring werd geboren in Enschede op 5 september 1957.

Laat-Puberale Gedichten I

 

Ik heb mij willen bewegen van de leugens

van haar oog, waar het leven op de grond

uitbrandt, naar haar hoofd, de wond

van haar slaap, heb ik mij van het einde

zonder kracht willen bewegen, van de zee,

 

van haren om de schouders van mijn page.

Ik heb mij van de pijn, ik heb mij van

de pijn willen bewegen en de afgunst

daarvoor verlamd, de schaduw van de haat

 

in het vuur van het oog opnieuw gewarmd.

Herkenning, – en iedereen zou

willen verdrinken.

 

 

 

Jonas         

 

In de koepel van de slaap draaien ze woorden om

die niet zo lang geleden gisteren één kant hadden.

Zij ligt in een bed dat kleiner wordt nu ze

het groter wenst. Hij kijkt naar de ribben

van het dak en vraagt zich af waar

hij straks stranden zal.

Terwijl de duisternis een traag tij

af en aan spoelt (de branding van het laken)

drijven ze uit elkaar tot ze niets meer

horen van de dingen die ze zeggen.

Hij wacht op het eerste licht

dat door het deurgat kiert

zij op het hoesten van het beest.

 

Moring

Marcel Möring (Enschede, 5 september 1957)

 

 

De Nederlandse schrijver en acteur Herman Koch werd geboren in Arnhem op 5 september 1953.

 

Uit: Het Diner

 

We gingen eten in het restaurant. Ik ga niet zeggen welk restaurant, want dan zit het er de volgende keer waarschijnlijk vol met mensen die komen kijken ofwij er ook weer zitten. Serge had gereserveerd.
Dat doet híj altijd, reserveren. Het restaurant is er zo een van het soort waar je drie maanden van tevoren moet bellen – of zes, of acht, ik ben inmiddels de tel kwijt. Zelf wil ik nooit drie maanden van tevoren weten waar ik op een bepaalde avond ga eten, maar kennelijk zijn er mensen die daar totaal geen moeite mee hebben. Als de historici over een paar eeuwen willen weten hoe achterlijk de mensheid was aan het begin van de eenentwintigste eeuw hoeven ze alleen maar een kijkje in de computers van de zogenoemde toprestaurants te nemen, want al die gegevens worden bewaard, dat weet ik toevallig. Wanneer meneer L. de vorige keer bereid was om drie maanden op een raamtafeltje te wachten dan wacht hij nu ook wel vijf maanden op een tafeltje naast de deur van het toilet – dat noemen ze in die restaurants ‘het bijhouden van de klantgegevens’.
Serge reserveert nooit drie maanden van tevoren. Serge reserveert op de dag zelf, dat vindt hij een sport, zegt hij. Er zijn restaurants die altijd een tafeltje vrijhouden voor mensen als Serge Lohman, en dit restaurant is er een van. Een van de vele moet ik eigenlijk zeggen. Je kunt je afvragen of er in het hele land nog een restaurant te vinden is waar ze niet in een stuip schieten wanneer ze de naam Lohman door de telefoon horen. Hij belt natuurlijk niet zelf, dat laat hij zijn secretaresse of een van zijn
naaste medewerkers doen. ‘Maak je geen zorgen,’ zei hij toen ik hem een paar dagen geleden aan de lijn had.‘ Ze kennen me daar, ik regel wel een tafeltje.’ Ik had alleen maar gevraagd ofwe elkaar nog zouden bellen voor het geval er geen plaats was, en waar we dan naartoe zouden kunnen gaan. Er klonk iets meewarigs door in zijn stem aan de andere kant van de lijn, ik kon bijna zíén hoe hij zijn hoofd schudde. Een sport.“

 

Koch

Herman Koch (Arnhem, 5 september 1953)

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 5 september 2008.

 

 

De Algerijnse dichter, schrijver en draaiboekauteur Rachid Boudjedra werd geboren op 5 september 1941 in Aïn Beïda. Boudjedra kreeg een tradionele moslimopvoeding in Algerije en Tunesië. In 1960 nam hij deel aan de Algerijne bevrijdingsstrijd. Zijn studie wiskunde en filosofie zette hij voort in Algiers en in Fankrijk, waar hij zijn filosofiestudie voltooide aan de Sorbonne. Daarna kreeg hij leeropdrachten aan verschillende universiteiten. Aanvankelijk schreef Boudjedra in het Frans, vanaf 1981 in het Arabisch, waarna hij het werk in het Frans vertaalt. Hij schrijft romans, gedichten, essays en draaiboeken.

 

Uit: La répudiation

 

„Hôpital. Bégonias dans le jardin. Fenêtres ouvertes. Les infirmières à varices déambulent, se méfient des malades qui gloussent et des scorpions qui grouillent sous les lits. Elles ont peur, mais elles auraient mieux fait d’être apodes plutôt que d’énerver les patients avec le glissement furtif de leurs pas. A quoi rime ce va-et-vient doucereux ? L’agitation est d’autant plus vaine qu’elles ne craignent rien : au moindre incident, des hommes dissimulés derrière les portes interviendront et juguleront toute tentative de sédition. Titubation : un malade entre, il a l’air d’un anachorète qui a perdu sa transe; une fois couché, le nouveau venu perd de son intérêt et il ne nous reste plus qu’à chercher un nouveau pôle d’attraction. Les bégonias ? Ils ont l’air passif. Les scorpions ? Ils ne cessent de tourner en rond et le bruit qu’ils font en s’entrechoquant ne peut parvenir qu’à une oreille initée. Un plateau plein de fruits trône sur la petite table vissée à mon lit; elle est donc venue. Préciser l’heure de son arrivée ou de son départ est au-dessus de mes forces ; me souvenir de ce qu’elle m’a dit exige un effort qui me laissera fourbu toute la semaine, la peau moite ; impression d’avoir mué en utilisant un émollient que le médecin m’aurait donné en cachette car le règlement interdit de telles pratiques : changer de peau. Inutile de me rappeler l’heure de son arrivée, ni la couleur de sa robe ; je connais seulement son prénom : Céline, et le numéro très spécial de sa voiture. Elle vient me voir souvent et le médecin m’autorise à partir avec elle pendant le week-end ; nous retrouvons alors la chambre hideuse et la couverture effilochée et j’ai hâte de revenir à l’asile, bien que j’aie passé toute la nuit à répéter que je ne voulais pas y retourner. Dans le service où je suis, il n’y a pas de camisole de force et personne ne hurle ; seules les infirmières nous gâchent notre plaisir et notre bien-être ; elles sont laides et ont la manie de faire sécher leurs mouchoirs sur les rebords des fenêtres de la grande salle commune ; elles arborent aussi une nodosité qui donne à leurs viages un caractère inexpugnable et définitif. Effrayantes, bigles, simiesques haridelles ; elles se prennent pour des martyres parce qu’elles soignent des fous. L’une d’entre elles ressemble étrangement à Lella Aïcha, la belle-mère de ma défunte soeur ; elle évite de me regarder et j’en fais autant ; son fils s’est remarié depuis quelques temps (comment l’ai-je appris ? Je n’en sais rien ! ). Tremblements. Vibrations… Sueur, ma mère ! La ville nous parvenait comme une rumeur impalpable et démesurée ; l’été s’éternisait et venait de la mer ; nous ne savions plus que faire. Dis-moi, Céline, lentement, le nom de la ville où je suis et le nom de la mer qui la baigne… Les médecins refusent de me le dire, sous prétexte que je simule.“

 

RachidBoudjedra

Rachid Boudjedra (Aïn Beïda,  5 september 1941)

 

De Duitse dichter en schrijver Christoph Martin Wieland werd geboren in Oberholzheim op 5 september 1733. Zie ook mijn blog van 5 september 2007 en ook mijn blog van 5 september 2008.

 

 Uit: Göttergespräche

 

Herkules. Ist es erlaubt, Herr Vater, weil wir hier unter vier Augen sind, eine etwas freie Frage zu tun?

Jupiter. Frage was du willst, mein Sohn.

Herkules. Ich hätte schon lange gern gewußt, ob es denn auch wirklich wahr ist, daß du, wie die guten Menschlein da unten sich schmeicheln, so gar großen Anteil an ihrem Befinden nimmst, dich in alle ihre Händel mengest, über alle ihre Wünsche und Bitten ein Register hältst, und kurz, die Welt bloß um ihrentwillen regierest?

Jupiter. Da fragst du mich viel auf einmal, mein Sohn! und ich würde nicht einem jeden so offenherzig antworten wie dir. Allein vor dir, der mir immer unter meinen Söhnen der liebste war, vor dir hab ich kein Geheimnis. Also, was die Weltregierung anbelangt, die, indem er den Kopf gegen das Ohr des Herkules neigt, leise, die – ist meine Sache nie gewesen.

Herkules macht ein Paar große Augen an ihn. Das wäre! Und wer regiert sie denn wenn Du sie nicht regierst?

Jupiter. Höre, lieber Herkules, mehr als ich selbst weiß, mußt du mich nicht fragen! Ich habe mich nie viel mit Metaphysik abgegeben; auch wäre wenig Gewinn für mich dabei. Jeder hat nun einmal seinen Wirkungskreis; ich habe den meinigen; und es ist schon etwas lange her, daß ich mich gewöhnt habe, was über mir ist als etwas, das nicht in mein Fach gehört, zu betrachten. Die Welt, mein guter Schlangenwürger, ist um ein namhaftes Teil größer als du dir einzubilden scheinest. Mir ist noch nie eingefallen, sie ausmessen zu wollen: aber das kannst du mir sicher nachsagen, daß der Distrikt, der mir und meiner Familie zu besorgen zugefallen ist, im Ganzen noch lange nicht so viel Raum einnimmt, als das kleine Königreich Thespia, wo du an dem Löwen von Cithäron und an den funfzig Töchtern des Thespius deine erste Heldenprobe abgelegt hast.

Herkules. Was die letztern betrifft, Herr Vater, damit ging es so natürlich zu, daß es sich nicht der Mühe verlohnte, mir ein Kompliment darüber zu machen, wenn die närrischen Kerle, die Poeten, eine Sache lassen könnten wie sie ist. – Doch, ich bitte um Verzeihung, daß ich dir in die Rede gefallen bin.“

 

Wieland

Christoph Wieland (5 september 1733 – 20 januari 1813)
Monument in Weimar

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Jos Vandeloo, Peter Winnen, Heimito von Doderer, Margaretha Ferguson, Goffredo Mameli

De Belgische schrijver Jos Vandeloo werd geboren op 5 september 1925 in Zonhoven, Belgisch-Limburg. Zie ook mijn blog van 5 september 2006

Uit: De Engelse les

 

„Hij stond op en deed een paar stappen naar een openstaande dubbele zijdeur, die toegang verleende tot een tweede, veel bredere gang. Midden inde ruimte stond een knalgele eend geparkeerd. Een lelijke deuk in het linkerspatbord, Aan de straatkant was er een zware deur, eensoort poort, die als inrit voor de geïmproviseerde garage fungeerde. Buiten de onopvallende kleine auto was er werkelijk niet veel te zien in deze hoge, holle ruimte, ja, een paar oude olievlekken van de auto op de plavuizen, dat was alles. Wel kon je helemaal achteraan iets waarnemen van een totaal verwilderde tuin. Een Eden vol riet en varens, afgezoomd door een brokkelige muur, die iets weg had van een stoer overblijfsel van een Romeinse vesting. Al jarenlang had stellig geen mens meer een voet gezet in dit oerwoud. Alles was overwoekerd door brandnetels, takken en bloemrijk onkruid, een overdadige jungleachtige flora, zo maar midden inde stad.“

 

Vandeloo

Jos Vandeloo (Zonhoven, 5 september 1925)

 

De Nederlandse schrijver Peter Winnen werd geboren op 5 september 1957 in Ysselsteyn. Zie ook mijn blog van 5 september 2006.

  

Uit:  Cultural Club (Column)

“Ik schrijf dit stukje op een hotelkamer van het Ethio Star hotel in Bahir Dar (spreek uit: Bai’dar). De zon schijnt, als ik over de rand van de laptop loer zie ik het bruine Tana meer. Op verzoek van mijn gastheer, de directeur van de Ethiopische wielerbond, heb ik de kamer vooraf geïnspecteerd en goed bevonden. Wat kan mij het nou schelen dat de gordijnen er telkens afvallen, dat het muskietennet gaten vertoont, het toilet spaarzaam spoelt en het afvoerputje van de douche verstopt zit. Ik heb andere dingen aan mijn hoofd. Als ik over een week terug vlieg naar Addis Abeba hoop ik de 25 wielrenners van dit land achter te laten met juist voldoende vaardigheden- tools worden ze in bepaalde kringen genoemd- om zichzelf naar een iets hoger plan te tillen.
.Er is een enorme behoefte aan kennis hier, zoveel is me intussen duidelijk. Net als aan geld, een geoliede infrastructuur en deugdelijk materiaal. De nationale wielerbond heeft een soort Rabo- wielerplan in gedachten, dat de sport vanaf dikke banden- tot Olympisch niveau bedient. Heeft het al jaren geduurd voordat er in Nederland een dergelijk plan tot uitvoer kwam, in Ethiopië zal men nog meer geduld moeten hebben. Hier zijn grote banken noch grote ondernemingen. Maar iets zal hier van grond komen, ik voel het aan mijn water. De grote lange afstand atleten hebben de vluchtroute uit perspectiefloosheid gebaand. Sport als methode tot zelfverheffing, het is een bekend verhaal, zelfs Europees verhaal.“

 

Peter_Winnen

Peter Winnen (Ysselsteyn, 5 september 1957)

 

De Oostenrijkse schrijver Franz Carl Heimito von Doderer werd geboren op 5 september 1896 in Weidlingau, Oostenrijk. Zie ook mijn blog van 5 september 2006.

  

Uit: Das Geheimnis des Reichs

 

„Dort außen Sonne und das Hinausgewürfel der Massen, die, mit zahllosen Geräuschen menschlicher Verrichtungen vermischt, gegen den Horizont regellos enteilen – nach herinnen zu aber, von irgendwo an beginnend, bin es dann ich selbst mit der Verschlossenheit und dem Purpur meines Innern.

Du schaust; was soll das alles. Ich lebe körperlich seit zweiunddreißig Jahren. Alles ist in mir eine einzige Qual und war nie anders. Sie leben. Er schaut. Du bist müde. In Ruhe betrachtet ist es – nichts.

Du gehst, und wir treffen uns. Dein Gesicht steht heran gegen mich, ein Jahr, einen Tag. Jeder Tag zerfällt in die Teile, die er gewinnt. Der Wind geht, man sieht ihn nicht, jetzt trifft er auf meine Wange, die ihn fühlt, oder auf Gebüsch, das rauscht. Einmal in diesem, einmal in jenem Zustande – und jeder ist stärker als die Übersicht über beide. – Süß, im Grauen des sinkenden Abends, vom äußersten Ende der Landschaft her, wo die Lichter zucken, die Flötenstimmen aufziehender Träume. Da setzt das Gras der Steppe an, läuft aus bis zu fernen Rändern mit dunklen Waldstreifen; gehäufelt drüben das Dorf mit Herden. Der braune Boden dürr, die Kuppen der Hügel spitz und fremd.

Die Waldberge heben sich. Der Himmel ist blau. Pferde werden an die Karren gespannt, der Stamm will mit all seinen Herden wieder wandern. Sprache mit trocken klappernden Lauten des fernen, gedehnten Ostens. In die strähnigen Mähnen der kleinen, zähen Pferde greift der Wind, der vom andern Himmelsrand her kommt, wo die Steppe mit ihren braunen Hügeln zu wandern beginnt, weit und tief in sich selbst hinein, von wo aus man auch keine Waldberge mehr sieht: da ist dieses Volk erst recht heimisch.

Die hölzerne Pflugschar in der Hand östlicher Völker, vom in die Fremde verschlagenen deutschen Bauer heimatstolz und mitleidig belächelt – und die Nöte der Schulzeit, denen das spätere

Leben so ähnlich ist; jene war in ein oder zwei Zimmern gefangen und dann weiterhin kreiselt das in Zimmern, Gassen, Menschenkreisen: nah steht ein Park, nah hängt mein Rock über der Stuhllehne.

Der Jüngling erzittert, denn die Geliebte ist ihm schon in den innersten Ring der Nähe getreten, so daß sie, riesengroß für das Auge, als Winziges doch den Horizont deckt: so auch Zorn oder Angst, als Winziges, oder die Kohlenrechnung, als Winziges.“

 

VonDoderer

Heimito von Doderer (5 september 1896 – 23 december 1966)

 

De Nederlandse schrijfster Margaretha Ferguson wered geboren op 5 september 1920 in Arnhem. Zie ook mijn blog van 5 september 2006.  

 

Uit: Angst op Java

 

“Aan mijn tafeltje voel ik mij niet alleen zoals ik mij in een nederlands restaurant alleen voel, uitgestoten, buitengehouden door onbarmhartig gladgeschuurd en van ondoordringbare lagen voorzien hout, of plastic, of formica. Hier is alles toegankelijk, het laat zich strelen, dat rotan, af en toe kronkelt een losgeraakt krulletje tegen je huid op. – In Indonesie raakt alles je aan. Geuren, geluiden, smaken – het komt op je af, soms ondraaglijk.”

 

Feruson

Margaretha Ferguson (5 september 1920 –  8 mei 1992)

 

 

De Italiaanse dichter en patriot Goffredo Mameli werd geboren op 5 september 1827 in Genua.

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 5 september 2008.

Antonin Artaud, René de Chateaubriand, Mary Renault, Constantijn Huygens, Helga Ruebsamen, Richard Wright

De Franse schrijver Antonin Artaud werd geboren op 4 september 1896 in Marseille.

Uit: Le Pèse-Nerfs

 

Et n’espérez pas que je vous nomme ce tout, en combien de parties il se divise, que je vous dise son poids, que je marche, que je me mette à discuter sur ce tout, et que, disuctant, je me perde et que je me mette ainsi sans le savoir à PENSER, – et qu’il s’éclaire, qu’il vive, qu’il se pare d’une multitude de mots, tous bien frottés de sens, tous divers, et capables de bien mettre au jour toutes les attitudes, toutes le nuances d’une très sensible et pénétrante pensée.

Ah ces états qu’on ne nomme jamais, ces situations éminentes d’âme, ah ces intervalles d’esprit, ah ces minuscules ratées qui sont le pain quotidien de mes heures, ah ce peuple fourmillant de données, – ce sont toujours les même mots qui me servent et vraiment je n’ai pas l’air de beaucoup bouger dans ma pensée, mais j’y bouge plus que vous en réalité, barbes d’ânes, cochons pertinents, maîtres du faux verbe, trousseurs de portraits, feuilletonistes, rez-de-chaussée, herbagistes, entomologistes, plaie de ma langue.

Je vous l’ai dit, que je n’ai plus ma langue, ce n’est pas une raison pour que vous persistiez, pour que vous vous obstiniez dans la langue. Allons, je serai compris dans dix ans par les gens qui feront aujourd’hui ce que vous faites.

Alors on connaîtra mes geysers, on verra mes glaces, on aura appris à dénaturer mes poisons, on décèlera mes jeux d’âmes. Alors tous mes cheveux seront coulés dans la chaux, toutes mes veines mentales, alors on percevra mon bestiaire, et ma mystique sera devenue un chapeau. Alors on verra fumer les jointures des pierres, et d’arborescents bouquets d’yeux mentaux se cristalliseront en glossaires, alors on vera choir des aérolithes de pierre, alors on verra des cordes, alors on comprendra la géométrie sans espaces, et on apprendra ce que c’est que la configuration de l’esprit, et on comprendra comment j’ai perdu l’esprit.“

 

 

Artaud

Antonin Artaud (4 september 1896 – 4 maart 1948)

 

De Franse schrijver François René de Chateaubriand werd geboren op 4 september 1768 in Saint Malo.

 

Uit: Mémoires d’outre-tombe

 

A peine étais-je revenu de Brest à Combourg, qu’il se fit dans mon existence une révolution; l’enfant disparut et l’homme se montra avec ses joies qui passent et ses chagrins qui restent. D’abord tout devint passion chez moi, en attendant les passions mêmes. Lorsque, après un dîner silencieux où je n’avais osé ni parler ni manger, je parvenais à m’échapper, mes transports étaient incroyables; je ne pouvais descendre le perron d’une seule traite : je me serais précipité. J’étais obligé de m’asseoir sur une marche pour laisser se calmer mon agitation ; mais aussitôt que j’avais atteint la Cour Verte et les bois, je me mettais à courir, à sauter, à bondir, à fringuer’, à m’éjouir jusqu’à ce que je tombasse épuisé de forces, palpitant, enivré de folâtreries et de liberté. Mon père me menait quant et lui à la chasse. Le goût de la chasse me saisit et je le portai jusqu’à la fureur; je vois encore le champ où j’ai tué mon premier lièvre. Il m’est souvent arrivé en automne de demeurer quatre ou cinq heures dans l’eau jusqu’à la ceinture, pour attendre au bord d’un étang des canards sauvages; même aujourd’hui, je ne suis pas de sang-froid lorsqu’un chien tombe en arrêt. Toutefois, dans ma première ardeur pour la chasse, il entrait un fond d’indépendance; franchir les fossés,
arpenter les champs, les marais, les bruyères, me trouver avec un fusil dans un lieu désert, ayant puissance et solitude, c’était ma façon d’être naturel. Dans mes courses, je pointais si loin que, ne pouvant plus marcher, les gardes étaient obligés de me rapporter sur des branches entrelacées. Cependant le plaisir de la chasse ne me suffisait plus; j’étais agité d’un désir de bonheur que je ne pouvais ni régler, ni comprendre; mon esprit et mon coeur s’achevaient de former comme deux temples vides, sans autels et sans sacrifices; on ne savait encore quel Dieu y serait adoré. »

 

francois-rene-de-chateaubriand-combourg

René de Chateaubriand (4 september 1768 – 4 juli 1848)
Beeld door Alphonse Terroir in Combourg

 

De Nederlandse dichter en schrijver Constantijn Huygens werd geboren op 4 september 1596 in Den Haag.

 

 

ROTTERDAM


’Tzij Wael, off Rhijn, off Maes, off alle drij te saem,
’Tzij Yssel, Merw, off Leck, off drij in eenen naem,
Off zess in eenen buyck; sij moeten t’mijnent buren,
En willen niet in Zee off kussen eerst mijn’ muren;
Mijn’ muren soo gereckt, mijn’ soo gerijckten grond,
Dat die mij nu besiet kan vragen waer ick stond.
O muren, en ô grond, ô welgevoegde Stroomen,
Wijckt voorde Wilderniss der averechte Boomen,
Maer wijckt voor haer geluck: En, Vreemdeling, segt ghij,
Hoe verr en wint het niet mijn’ Mase van haer IJ?

 

 

 

Aen Heere P. C. Hooft


Ick byden Helt gestelt, die uijt de Leeuweschoncken
Den oorloghijver soogh, en ’tleeuwelycke rap,
Die Troyen holpe’ in d’asch, en stelden Hector schrap?
Zoo diep en legg’ ick niet in eyghen-waen versoncken,
Zoo veel en hebb’ ick niet uyt Lethe opgedroncken,
Dat ick ’s mij weerdigh kenn’, al paert het streelend’ sap
Van uwe hoofsche pen ’tonnoosel vrijerschap
Van een rondt Batavier, bij d’edel’ Griecksche voncken.
Wat can hy weerdigh zyn die op stem noch op Dicht
Ervaren, noch op luyt mach heeten afgericht,
Veel minder op het puyck van wtgeleesen zeden?
Dies vinde’ ick in u Dicht (Puyckdichter van ons landt)
Const, jonst, geneghentheyt, maet, rijm en reghel-trant,
(Vergeeft mij ’tredelyck ontkennen) maer gheen reden.

 

 

huygens

Constantijn Huygens (4 september 1596 — 28 maart 1687)
Portret door Michiel van Miereveld

 

De Nederlandse schrijfster Helga Ruebsamen is op 4 september 1934 geboren in Batavia, in Nederlands lndië.

Uit: Het viswijf (of: als er toch niets anders meer komt dan dronkemanstaal)

 

„Dora had weer een scène gemaakt, met alles erop en eraan, zoals dronkenschap, onwelvoeglijke taal, beledigingen en handtastelijkheden. Pieter had haar met de grootste moeite naar boven gekregen, naar hun slaapkamer, die hij achter haar op slot had gedraaid.

Ze stond onvast ter been voor het raam, op de eerste etage en zag hoe haar man, beneden op de stoep, probeerde om de geshockeerde gasten begrip bij te brengen voor wat zich had afgespeeld. Dat zou best lukken, daar kende ze haar Pieter voor. Welke excuses en verklaringen zou hij deze keer verzinnen? De wreedheid van haar jagende vader werd in deze kringen gerespecteerd, daar kon Pieter dus niet mee aankomen. Hij zou er wel iets op vinden. Hij wist altijd raad.

Hij hoefde niet briljant te zijn en niet vindingrijk, hij sprak gewoon zijn belangrijkste goede eigenschappen aan; hij kwam betrouwbaar en rechtvaardig over. Haar man stond alom bekend als onkreukbaar. Niet voor niets vertrouwden die gewichtige gasten aan hem al hun geheimen toe, lieten ze hem hun kastanjes uit het vuur slepen, die valse maar hooggeplaatste etterbuilen en galbakken, die op dit ogenblik hoofdschuddend op hun limousines met chauffeur stonden te wachten en van wie de echtgenotes af en toe een bemoedigende hand op Pieters arm legden.

Die fijn geschoeide handjes, die strelende en knijpende vingers van de doortrapte kakmadammen en graftakken, zoals Dora ze nog geen half uur eerder uit de grond van haar hart had genoemd, hun aanblik bracht opnieuw de nodige beroering in haar teweeg.

Good riddance at bad rubbish! Laat ze opsodemieteren, die golddiggers en cockteasers. Ze deugden niet, het enige wat ze in hun hele leven hadden gepresteerd was dat ze op het juiste moment hun dameshuid duur hadden verkocht. Nu kochten die salonhoeren op hun beurt andermans huid.

Dora had het met eigen ogen gezien toen ze mee was gegaan met Pieter naar een juristencongres, ze had gezien hoe die keurige kapsoneswijven, op wie ogenschijnlijk niet je dat viel aan te merken, na de landing in Berlijn direct uit hun correcte tweedjassen waren gekropen. Ze konden niet wachten, de lefmutsen, tot hun koffers van de lopende band waren gerold, ‘maak open, maak open’ gniffelden de secreten, om zich vervolgens triomfantelijk te omgorden met bont! Om zich te hullen in de wederrechtelijk afgestroopte vellen van naamloze dieren.“

ruebsamen

Helga Ruebsamen (Batavia, 4 september 1934)

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 4 september 2006 en ook mijn blog van 4 september 2008.

 

 

De Engelse schrijfster Mary Renault werd op 4 september 1905 geboren als Mary Challans in Forest Gate in Essex.

 

Uit: The Friendly Young Ladies

 

„Very quietly and carefully, hardly moving her thin young neck and round shoulders, Elsie looked round the room, first at the french windows into the garden, then at the door, measuring distances. Her calculations were instinctive, like those of a mouse; she had been making them since she could crawl. There was hardly any need to look this time; the way to the door lay flat across her father’s line of vision. He was saying, “I should have supposed it was obvious to the meanest intelligence–almost anywhere, in fact, outside this household—-“

Her parents’ chairs were drawn up to the fire, for it was a chilly evening in March, and the Lane family always observed, punctiliously, the routine of domestic comfort. Elsie had begun her reputation for eccentricity at school by remarking suddenly, “I do think radiators are nice.” She thought of radiators as she edged the pouffe on which she was sitting slowly backward, ready for a traverse behind her mother’s chair to the french window.

As she moved, she remembered that her sister Leonora, in the dimly-remembered days when she lived at home, used to cross the room on occasions like this with three flying strides, slam the door, and be half-way down to the beach before there was time to say anything. Elsie had been, and still was, as incapable of following her example as she would have been of soaring through the air. She had always found herself left behind, to hear the comments and the retorts, while Leo had already joined Ted and Albert from the coastguard cottages, and would be looking for jetsam in the caves. Elsie had not envied her Ted and Albert–she agreed with her mother in thinking them very rough and unsuitable–and she rarely remembered now to envy her her technique, it was so long ago. She was free to use her own methods; and Leo, once so terrifyingly apt to heap a family fracas with fresh fuel, was never mentioned at all. Elsie herself hardly ever thought of her.“

 

Renault

Mary Renault (4 september 1905 – 13 december 1983)

 

 

De Amerikaanse schrijver Richard Nathaniel Wright werd geboren in Roxie, Mississippi op 4 september 1908. Zie ook mijn blog van 4 september 2007.  

 

Uit: A Father’s Law

 

„He saw the dim image of the traffic cop make a right-face turn and fling out a white-gloved arm, signaling that the flow of cars from the east should stop and that those toward the south now had the right of way, and at the same instant he heard the cop’s shrill whistle: Wrrrriiiiiieee . . .

Yes, that was a good rookie. He had made change-over in traffic smartly, the exact manner in which the Metropolitan Handbook for Traffic Policemen had directed. The footwork had been perfect and that impersonal look on his face certainly inspired confidence and respect. That’s the way a policeman should work. Well done, Officer, he mumbled in his sleep as the officer now did a left-face turn, again flinging out his flashing white-gloved hand and sounding his whistle: Whreeeeeiiiiiee . . .

“Ruddy!”

“Hunh!”

“Ruddy! Wake up!”

Wrrrriiiiiieeeeee . . .

“Hunh? Hunh?”

“Ruddy, it’s the telephone, darling!”

Wreeeiiieeeeee . . .

“Oh!”

“It’s the telephone, Ruddy!”

“I’ll get it, I’ll get it,” he mumbled, blinking his sleep-drugged eyes in the dark and fumbling with the bedcovers. He sat half up and sleep rushed over him in a wave, seeking to reclaim him. “This rush-hour traffic . . .” He sighed, his voice trailing off.

“Hunh? Ruddy, are you awake?”

“Hunh?”

“Darling, the telephone!”

Wreeeeeiiiiiii . . .

In one stride of consciousness, he conquered his sleep and pushed his feet to the floor, reached out to the bedside table and lifted the receiver. He cleared his throat and spoke professionally: “Captain Rudolph Turner, speaking.”

A woman’s sharp, crisp voice sang over the wire: “Ruddy, Mary Jane . . . Mary Jane Woodford.”

“Yeah, Mary Jane. What is it? What’s up?”

“Who is that, Ruddy?”

“Wait, Agnes. I’m trying to talk. Switch on the light.”

 

RichardWright

Richard Wright  (4 september 1908 – 28 november 1960)

 

Zie voor de twee bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 4 september 2008.

 

Kiran Desai, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Lino Wirag

De Indische schrijfster Kiran Desai werd geboren op 3 september 1971 in New Dehli. Zie ook mijn blog van 3 september 2008.

Uit: Hullabaloo In The Guava Orchard

 

„That summer the heat had enveloped the whole of Shahkot in a murky yellow haze. The clutter of rooftops and washing lines that usually stretched all the way to the foothills at the horizon grew blurred and merged with the dust-filled sky.

‘Problems have been located in the cumulus that have become overly heated,’ read Mr. Chawla from the newspaper. ‘It is all a result of volcanic ash thrown up in the latest spurt of activity in Tierra del Fuego.’

And a little later he reported to whomever might be listening: ‘The problem lies in the currents off the West African coastline and the unexplained molecular movement observed in the polar ice-caps.’

And: ‘Irag attempts to steal monsoon by deliberately creating low pressure over desert provinces and deflecting winds from India.’

And even: ‘Hungarian musician offers to draw rain clouds from Europe to India via the music of his flute.’

‘Why can’t they think of serious solutions?’ asked Mr. Chawla. ‘It is too hot to fool about with Hungarian musicians.’

Shahkot boasted some of the highest temperatures in the country and here there were dozens of monsoon-inducing proposals. Mr. Chawla himself submitted a proposal to the forestry department for the cutting and growing of vegetation in elaborate patterns; the army proposed the scattering and driving of clouds by jet planes flying in a special geometric formation; the police a frog wedding to be performed by temple priests.

Vermaji of the university invented a giant fan which he hoped would attract the southern monsoon clouds by creating a wind tunnel moving north toward the Himalayas, and he petitioned the Electricity Supply Board for enough power to test it. Amateur scientists from Mr. Barnala of Tailor Gully to Miss Raina from Sainik Farms area attended trade fairs where they displayed instruments that emitted magnetic rays and loud buzzing sounds. Everyone in the town was worried. The mercury in the police station thermometer exceeded the gradations Kapoor & Sons Happy Weather Company had seen fit to establish, leaping beyond memory and imagination, and outdoing the predictions of even Mr Chawla’s mother, Ammaji, who liked to think she knew exactly what the future would bring.

It was a summer that sent the dizzy pulse of fever into the sky, in which even rules and laws that usually stood straight and purposeful grew limp, like plants exposed to the afternoon sun, and weak. The heat softened and spread the roads into sticky pools of pitch and melted the grease in the Brigadier’s mustache so that it drooped and uncurled, casting shadows on his fine, crisp presence.

 

 

Desai

Kiran Desai (New Dehli, 3 september 1971)

 

De Uruguayaanse schrijver, essayist en journalist Eduardo Hughes Galeano werd geboren op 3 september 1940 in Montevideo. Zie ook alle tags voor Eduardo Galeano op dit blog.

 Uit: Mirrors

 

MEXICANS

 

Tlazoltéotl, Mexico’s moon, goddess of the Huasteca night, managed to elbow her way into the macho pantheon of the Aztecs.

She was the most mothering of mothers, who protected women in labor and their midwives, and guided seeds on their voyage to becoming plants. Goddess of love and also of garbage, condemned to eat shit, she embodied fertility and lust.

Like Eve, like Pandora, Tlazoltéotl bore the guilt for men’s perdition; women born in her times lived condemned to pleasure.

And when the earth trembled, in soft vibrations or devastating earthquakes, no one doubted: “It is she.”

 

***

 

DJANGO

 

Born in a gypsy caravan, he spent his early years on the road in Belgium, playing the banjo for a dancing bear and a goat.

He was eighteen when his wagon caught fire and he was left for dead. He lost a leg, a hand. Goodbye road, goodbye music.

But when they were about to amputate, he regained the use of his leg. And from his lost hand he managed to save two fingers and become one of the best jazz guitarists in history.

There was a secret pact between Django Reinhardt and his guitar. If he would play her, she would lend him the fingers he was missing.“

 

 

Eduardo Galeano 2

Eduardo Galeano (Montevideo, 3 september 1940)

 

Zie voor de twee bovenstaande schrijvers ook ook mijn blog van 3 september 2008.

 

De Amerikaanse schrijfster en literatuurwetenschapster Alison Lurie werd geboren op 3 september 1926 in Chicago, Illinois. Zie ook mijn blog van 3 september 2007 en ook mijn blog van 3 september 2008.

 

Uit: Familiar Spirits

 

When James Merrill and I first met we didn’t take to each other. If someone had told me that day that we would be friends for forty years, I would have thought they were joking.
It was the hot summer of 1950; I and my first husband, Jonathan Bishop, were in Europe on a postponed honeymoon. We had come to Austria to stay with Lynn and Ted Hoffman, who were working at the Salzburg Seminar. An acquaintance from Harvard, Claude Fredericks, was in town, too, and they arranged for all of us to have lunch and go for a swim in a nearby lake. Both Lynn and I were fond of Claude, and hoped to find the friend he was traveling with, another young poet, equally likable.
But Jimmy Merrill was a disappointment. Compared to Claude he seemed both coolly detached and awkwardly self-conscious. He was thin and pale and shortsighted, with thick black-rimmed spectacles (later he would wear contact lenses). Though only twenty-four, he was clearly already an intellectual and an aesthete. He appeared to have read everything and, worse, to be surprised at our ignorance.
The lake turned out to be a large light-struck shiny pond, mainly surrounded by woods. Fallen tree trunks littered the steep, sandy margin, and more floated offshore. The water was a clear, dark brown, and very deep; a top layer had been warmed by the sun, but below it was icy, and choked with the rubbery yellow and green straps of water weeds.
Most of us splashed about briefly and then waded out, but Jimmy stayed longer; and in spite of his weedy appearance he turned out to be a skilled swimmer. Unlike professional athletes, who often seem to be fighting the water, attacking it with violent slapping assaults and throwing off sprays of liquid shrapnel, Jimmy hardly broke the surface as he swam. The dark wet element parted smoothly for him as it might have for some long, elegant pale fish. When he finally waded out, however, he again seemed chilly and ill at ease.
As his memoir of those years declares in its title, Jimmy was A Different Person then, in both senses of the phrase. He was different from most other persons, and he was different from the person he would become. Most of us change as we age, but Jimmy changed more than most. He not only became more confident and better-looking—eventually elegantly handsome—he also became kinder, more generous, and more sympathetic. He never quite became an ordinary person, but his instinctive scorn of fools, once only half-concealed by good manners, relaxed and gave way to a detached, affectionate amusement, such as a highly civilized visitor from another planet might feel. Perhaps that is why he eventually seemed so much at home with the otherworldly beings he and David Jackson contacted through the Ouija board.”

 

Lurie

Alison Lurie (Chigaco, 3 september 1926)

 

De Russische schrijver Sergej Dovlatov werd geboren op 3 september 1941 in Ufa, in het zuiden van Rusland. Zie ook alle tags voor Sergej Dovlatov op dit blog.

 

Uit: Kurz ist das Leben (Vertaald door Eric Boemer)

 

„Levickij öffnete die Augen und versuchte sich sofort wieder an eine Metapher zu erinnern, die er gestern vergessen hatte … »Des Vollmonds Pfefferminztablette …«? »Die krumme Banane des Halbmonds …«? Irgendwas in dieser Art, wenn auch bedeutender im Geist.

Die Metaphern kamen nachts, wenn er schon im Bett lag. Der Maestro bummelte mit den Notizen. Früher konnte er sie bis zum Morgen im Gedächtnis halten. Heute war es zur Regel geworden, dass er sie, nicht ohne ein Gefühl der Befriedigung, wieder vergaß. Die vergebene Chance eines kleinen sprachlichen Abenteuers.

Levickij richtete seinen Blick auf ein weißes, der Farbe einer Ambulanz nachgestaltetes Tischchen. Er bemerkte die gewaltige, mit dorischen Figurationen geschmückte Torte. Er begann, die dünnen, gewundenen Kerzen zu zählen.

Mein Gott, dachte Levickij, noch ein Geburtstag.

Diese Phrase war es wert, sie für die Reporter aufzusparen:

»Mein Gott! Noch ein Geburtstag! Was für eine angenehme Überraschung

– siebzig Jahre!«

Er stellte sich die Schlagzeilen vor:

»Russischer Schriftsteller feiert seinen Siebzigsten in der Fremde«. »Die Bücher des Jubilars erscheinen überall, mit Ausnahme von Moskau«. Und schließlich: »O mein Gott, ein weiterer Geburtstag!« …

Levickij duschte, zog sich an. Griff nach der Post. Die Gattin war offensichtlich in Sachen Geschenke unterwegs. Gerlinda – ein Geschöpf zwischen Verwandter und Dienstbotin – umarmte ihn. Der Maestro unterbrach sie mit den Worten:

»Du bist im Testament berücksichtigt.«

Das war ein alter Scherz zwischen ihnen.

Sie fragte:

»Tee oder Kaffee?«

»Kaffee bitte.«

»Welchen möchten sie?«

»Den braunen, wahrscheinlich.«

Dann hörte er:

»Sie werden von einer Dame erwartet.«

Schnell fragte er:

»Aber nicht die mit dem Zopf?«

»Sie hat irgendeine Rarität mitgebracht. Ich glaube – ein Buch. Sie sagte – eine Inkunabel.«

Levickij zitierte lächelnd:

»De ses mains tombe le livre,

Dans leguel elle n’avait rien lu.

(Aus ihrer Hand fiel ein ungelesenes Buch …)«

Regina Gasparjan saß seit mehr als einer Stunde in der Halle. Zum Ausgleich reichte man ihr Kaffee mit Brötchen. Nichtsdestoweniger war das ziemlich erniedrigend. Man hätte sie in den Salon bitten können. Ihre Ehrfurcht mischte sich mit beleidigtem Unbehagen.“

 

Dovlatov

Sergej Dovlatov (3 september 1941 – 24 augustus 1990)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

De Duitse dichter, schrijver en striptekenaar Lino Wirag werd geboren in 1983 in Pforzheim. Wirag studeerde literatuurwetenschappen en kunstgeschiedenis in Freiburg, creatief schrijven en cultuurjournalistiek in Hildesheim en kunst in het Finse Uusikaarlepyy. Hij publiceerde in tijdschrijften, magazines en kranten. In 2005 ontwikkelde hij het format „Live.Poetry“. Bij deze combinatie van Poetry Slam en theatersport laten schrijvers in interactie met het publiek teksten ontstaan.

 

 

Vereinstreffen

 

Heute traf sich in der Kneipe

Unser Murmeltier-Verein

Durch die schmutzbedeckte Scheibe

Sah man Murmeltiere schrein

»Gebt das Land den Murmeltieren!«

»Murmeltiere einig Reich!«

»Nie mehr sollen Murmeln frieren,

Macht den Murmeln, und das gleich!«

Lange konnte man sie hören,

Wie sie Murmelverse schrien

Und dabei den Staat der gröbsten

Murmelrechtsverletzung ziehn

Gegen fünf Uhr in der Frühe

Legte dann ihr Eifer sich.

Bis das ganze Murmelschreien

Nur noch einem Murmeln glich.

 

Wirag

Lino Wirag (Pforzheim, 1983)

Willem de Mérode, Chris Kuzneski, Johann Georg Jacobi, Manfred Böckl

De Nederlandse dichter en schrijver Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) werd op 2 september 1887 geboren in Spijk. Zie ook mijn blogs van mijn blog van 21 maart 2006, en ook mijn blog van 2 september 2006, eveeens mijn blog van 21 maart 2007 en mijn blog van 2 september 2007 en eveneens mijn blog van 21 maart 2008. en ook mijn blog van 2 september 2008.

Wachten

 

Nu komt het donker met zijn zoet
Berouw en met zijn week verdriet.
Nu stijgt verlangens lauwe vloed
Ter lippen… en gij zijt er niet.

Gij zijt hier niet… ik luister stil
Naar ’t suien van de wind der nacht,
Die stadig uit het duister wil
Verschijnen… waar ik op u wacht.

Maar ’t ondoorgrondelijke zwart
Kiert nimmer open voor uw voet.
En ’t jagend bonzen van mijn hart
Draagt niet tot u, die kòmen moet,

Die mòet en die niet komen zult,
Niet komen zult, hòe lang ik wacht.
En mijn wanhopig ongeduld
Verschrei ‘k ellendig in de nacht.

 

 

 

Geluk

 

Toen zagen wij de wolken kruien
En wachtten door de zwoele dag
Het breken van de donderbuien
In regenvlaag en hagelslag.

En de avond daalde en geen vertroosten
Van koelte en geen verkwikken kwam.
Toen barstte ’s nachts het grommend oosten
In blauwe gloed en rode vlam.

Wij haalden onze adem ruimer
En zonken uit de lauwe druk
Tot Uwe grondeloze sluimer
En waakten klaar – is dát geluk?

 

 

 

Erkenning

 

Er is geen leed, er zijn geen tranen meer.
’t Is al door Uwe liefdebrand verslonden..
De dood is als een schaûw voor u verzwonden.
Wij zien slechts licht, wij zien alleen de Heer!

 

 

Merode

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Portret door oor Alfred Löb, 1936

 

 

De Amerikaanse schrijver Chris Kuzneski werd geboren op 2 september 1969 in Indiana, Pennsylvania en verhuisde later naar Pittsburg, waar hij literatuur studeerde en op hoog niveau American football speelde. Na zijn studie doceerde hij Engels en coachte een aantal footballteams. In 2002 debuteerde hij met The Plantation, dat zeer positief werd ontvangen.

 

Uit: Sign Of The Cross

 

„Erik Jansen was about to die. He just didn’t know how. Or why.
After saying a short prayer, he lifted his head and tried to regain his bearings but couldn’t see a thing. Saltwater burned his eyes and blurred his vision. He tried to wipe his face, but his hands were bound behind him, wrapped in thick layers of rope and attached to the frame of the boat. His legs were secured as well, tied even tighter than his arms, which meant there was no hope for escape. He was at their mercy. Whoever they were.
They had grabbed him as he left his apartment and forced him into the back of a van. Very quiet, very professional. No time for him to make a scene. Within seconds they had knocked him out with a narcotic. He awakened hours later, no longer in the bustling city but on the open sea. Day was now night. His freedom was now gone. His life was nearly over.
Jansen was tempted to scream but knew that would only make things worse. These weren’t the type of men who made mistakes. He could tell. If help was nearby, they would’ve gagged him. Or cut out his tongue. Or both. No way they would’ve risked getting caught. He had known them for less than a day but knew that much. These men were professionals, hired to kill him for some ungodly reason. Now it was just a matter of time.“

 

 

Chris_Kuzneski

Chris Kuzneski (Indiana, 2 september 1969)

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Georg Jacobi werd geboren op 2 september 1740 op Gut Pempelfort bij Düsseldorf. Tegenwoordig is hij minder bekend dan zijn broer, de filosoof Friedrich Heinrich Jacobi, maar in zijn eigen tijd was hij een beroemd en zeer succesvol schrijver. Samen met  Christoph Martin Wieland gaf hij in 1773 de „Teutsche Merkur“ en later met Johann Jacob Wilhelm Heinse „Iris“, een literair blad voor „Frauenzimmer.“ Dit bood ook een podium voor de jeugdgedichten van Goethe, die later overigens niet veel op had met de lyriek van Jacobi zelf. Jacobi bekleedde als eerste protestant aan de universiteiot van het katholieke bolwerk Freiburg.

 

 

Trauer der Liebe

Wo die Taub’ in stillen Buchen
Ihren Tauber sich erwählt,
Wo sich Nachtigallen suchen,
Und die Rebe sich vermählt;
Wo die Bäche sich vereinen,
Ging ich oft mit leichtem Scherz,
Ging ich oft mit bangem Weinen,
Suchte mir ein liebend Herz.

O, da gab die finstre Laube
Leisen Trost im Abendschein;
O, da kam ein süßer Glaube
Mit dem Morgenglanz im Hain;
Da vernahm ich’s in dem Winden,
Ihr Geflüster lehrte mich:
Daß ich suchen sollt und finden,
Finden, holde Liebe, dich!

Aber ach! wo blieb auf Erden,
Holde Liebe, deine Spur?
Lieben, um geliebt zu werden,
Ist das Los der Engel nur.
Statt der Wonne fand ich Schmerzen,
Hing an dem, was mich verließ;
Frieden gibt den treuen Herzen
Nur ein künftig Paradies.

 

 

jacobi

Johann Georg Jacobi (2 september 1740- 4 januari 1814)
Karl Wingender maakte deze kopie naar een portret van een onbekende schilder

 

 

De Duitse schrijver Manfred Böckl werd geboren op 2 september 1948 in Landau an der Isar. Na zijn studie aan de universiteit van Regensburg was hij van 1973 tot 1976 redacteur bij de Passauer Neuen Presse. Sinds 1976 werkt hij als zelfstandig schrijver. Böckl begon met het schrijven van jeigdboeken. Sinds 1986 volgde een hele serie over de geschiedenis van Beieren, daarna ook historische romans en non-fictie boeken over de Duitse en Europese geschiedenis.

 

Uit : Šumava – Die Saga des Böhmerwaldes


“Der Aufstieg hatte sie erschöpft, hatte ihnen die letzten Kräfte abverlangt. Dennoch hatte der Berg sie wie mit magischer Gewalt angezogen, hatte sie durch Filze und Urwald, über vereiste Hochmoore hinweg
immer weiter nach oben gesaugt. Gelullt hatte sie sein Rauschen, während das Blut ihnen in den Ohren brauste. An eiszapfenüberkrusteten Granit- und Gneisschrunden waren sie vorübergezogen, hatten von Kristallwülsten überwucherte Bäche im Sprung überwunden. Bis zu den Gürteln waren sie in Schneefelder eingebrochen, dann wieder auf Händen und Füßen vom Wind abgefegte Hänge empor gekrochen. Jetzt, gegen Mittag des zweiten Wandertages, war ihnen der Gipfel greifbar nahe. Der immer noch weich von Süden einstreichende Föhnwind schien aufzufrischen; dann, nach den letzten Tannen-, Ahorn- und Fichten- Stämmen schweiften ihre Blicke plötzlich frei. Boleslav und Birg verharrten, als hätte ein Traumbild sie jäh in seinen Bann geschlagen.
Unendlich, grenzenlos breitete sich nach allen Seiten das Meer der Šumava aus. Ein pelziger, schneebepuderter Bergrücken reihte sich an den nächsten, weiter und weiter, bis die Konturen in der Ferne im weichen Wabern des Horizonts verschwammen. Braun- und dunkelgrünfleckig war dieses Meer an manchen Stellen; an anderen wiederum schien sich Himmelslicht auf gleißenden Flächen zu spiegeln. Wipfelbärte von Nadelbäumen stachen da und dort wie erstarrte Spritzer aus dieser fast bewegungslosen ozeanischen Landschaft heraus; manchmal aber waren Einbrüche und Windwüstungen zu erkennen, und dort lag dann grau und schrundig das Gerippe des traumgebannten Meeres bloß; das Gestein, welches all dies aus seinem eigenen Zerfall hervorgebracht hatte. Licht- und Schattenbahnen zogen über die wie Walbuckel aufgleitenden und wieder abstreichenden Hügelflanken hin; während da beklemmende Schwärze aufzubrodeln schien, verflossen die Wogen dort zu pastellfarbener Weichheit. Unaufhaltsam, den ureigenen Gesetzen der Natur folgend, irrlichterte es über die verzauberte Šumava hin, und lange, sehr lange dauerte es, bis die beiden Waldläufer wieder Worte fanden.”

 

Manfred-Boeckl

Manfred Böckl (Landau an der Isar, 2 september 1948)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e september ook mijn vorige blog van vandaag en eveneens mijn eerste blog van vandaag.

 

 

 

Giovanni Verga, Paul Déroulède, Johan Daisne

De Italiaanse schrijver Giovanni Verga werd op 2 september 1840 geboren als oudste zoon in een welgestelde liberale Siciliaanse familie in Catania op Sicilië. Hij studeerde enige tijd rechten in Catania, maar brak die studie al snel af om zich aan de journalistiek en de literatuur te wijden. Zijn eerste roman (I carbonari della montagna) publiceerde hij in 1861 dankzij financiële steun van zijn vader. Eind jaren zestig verhuisde hij naar Florence, in 1872 streek hij neer in Milaan.

Daar publiceerde hij ook zijn belangrijkste boeken: de verhalenbundel Vita dei campi en de romans I Malavoglia en Mastro Don Gesualdo (1889). De boeken waren bedoeld als eerste delen in een cyclus van vijf romans, die Verga echter niet voltooide. In 1894 keerde hij terug naar zijn geboortehuis, dat nu in gebruik is als museum. Verga was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het Verisme, de Italiaanse variant van het naturalisme.

 

Uit: Het huis bij de mispelboom(I Malavoglia, vertaald door André M. Pols)

 

Voor Ntoni was het stellig geen pretje meer wanneer hij elke lieve dag op zee moest en zijn ruggegraat kraakte van het roeien. Maar als de zee woest was en ze allen meteen wou opzwelgen, vissers en Provvidenza en al de rest, dan toonde de jongen toch een groter hart dan de zee.
“Dat is het bloed van de Malavoglia,” zei grootvader Ntoni; en dan had je hem moeten zien aan de zeilboom, met zijn haar in de wind, terwijl de boot over de baren dobberde als een verliefde witvis.
De
Provvidenza, ofschoon oud en gerepareerd, waagde zich dikwijls op hoge zee ter wille van de vis, want uit het dorp waren er nu veel boten, die als het ware de zee met bezems uitveegden. Ook op dagen, wanneer de wolken laag hingen over Agnone en de horizon in het oosten somber was, zag men altijd de Provvidenza
als een klein zakdoekje heel, heel ver op de loodkleurige zee en iedereen zei dat meester Ntoni en zijn jongens hun ongeluk gingen zoeken met een kandelaar.
Maar meester Ntoni antwoordde daarop dat hij zijn brood ging zoeken, die groen zag als gras, en de huisjes van Trezza enkel nog witte vlekjes waren, zo ver lagen ze van de kust, en er rondom hen heen niets anders was dan water, dan begon hij van louter tevredenheid met zijn kleinzoons te praten. Wanneer ’s avonds de
Provvidenza zichtbaar werd achter de rotsen, ijlde la Longa naar het strand om te kijken naar de vis, die in de manden spartelde en de bodem van de boot als met zilver bedekte. En vóórdat iemand een mond had opengedaan, sprak meester Ntoni: “Een kwintaal, of een kwintaal vijfentwintig” – en je kon erop aan dat hij zich niet om één rotolo vergiste. En de hele avond door babbelde hij maar, terwijl de vrouwen het zout met keistenen fijnstampten; en dan telden ze de vaatjes één voor één en oompje Crocifisso kwam kijken en stelde met gesloten ogen zijn prijs en Piedipapera maakte kabaal met handen en voeten, totdat Crocifisso het eens was. Dat lawaai van Piedipapera hoorden ze graag, zo kwamen ze niet in onmin met de anderen; en achteraf bracht Piedipapera hun het geld in een zakdoek en la Longa telde het voor haar schoonvader uit en zei: “Dit is voor het huishouden en dat voor de huur.” –“.

 

 

 Verga

Giovanni Verga 2 september 1840 – 27 januari 1922)

 

 

 

De Franse dichter, schrijver en politicus Paul Déroulède werd op 2 september 1846 geboren in Parijs. Hij debuteerde als dichter onder het pseudoniem Jean Rebel in de Revue Nationale (Nationaal Tijdschrift). Hij maakte ook carrière als toneelschrijver. In 1869 verscheen het stuk Juan Strenner van zijn hand. Dit stuk werd opgevoerd in de Théâtre Français. Tijdens de Frans-Duitse Oorlog was hij militair. Hij raakte bij de Slag bij Sedan gewond en werd door de Duitsers gevangen genomen. Hij werd als krijgsgevange naar Breslau (Wrocław) gevoerd, maar wist te ontsnappen. Hij sloot zich weer aan bij het Franse leger en diende onder Antoine Chanzy en Charles Denis Bourbaki. Vervolgens maakte hij de desastreuze aftocht naar Zwitserland (februari 1871) mee. Déroulède nam deel aan de onderdrukking van de Commune van Parijs en nam, als luitenant, ontslag uit het leger.

Paul Déroulède legde zich na de Frans-Duitse oorlog aanvankelijk toe op het schrijven van patriottische gedichten. In 1872 verscheen de nationalistische dichtbundel Chants du Soldat. Deze dichtbundel genoot een enorme populariteit en Déroulède werd een beroemdheid. In 1875 verscheen het vervolg, Nouveaux Chants du Soldat. In 1877 legde Déroulède de laatste hand aan zijn toneelstuk L’Hetman. Ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1878, die in Parijs werd gehouden, de hymne Vive la France, die op muziek werd gezet door Charles Gounod. Zijn drama La Moabite, werd om religieuze grond gecensureerd. Paul Déroulède richtte in 1882 met historici Henri Martin en Félix Faure de Ligue des Patriotes (“Patriottische Liga”) op. Deze buitenparlementaire organisatie was voorstander van een nieuwe oorlog met Duitsland om de smadelijke nederlaag van 1871 te wreken. De Ligue des Patriotes, die al snel 182.000 leden telde, voedde de revanchegedachte. Aanvankelijk was Déroulède vicevoorzitter, en Faure voorzitter van de Ligue, maar in maart 1885 volgde Déroulède Faure op als voorzitter.

 

 

Monsieur le Hulan  (Fragment)
conte de Noël

 

I

Ceci, mes enfants, n’est pas une fable.
Ou le rossignol qui me l’a conté
Est bien le menteur le plus effroyable
Qui du ciel sur terre ait jamais chanté.
D’ailleurs, lorsque vous m’aurez écouté,
Vous verrez que rien n’est moins incroyable.

II

Voici donc, sauf l’air et sauf le refrain,
Ce que l’oiselet dit en son langage :
Ceci se passait dans un bon village
Peut-être alsacien, peut-être lorrain,
Tous les deux peut-être, en tout cas je gage,
Près de la Moselle et non loin du Rhin.

III

La nuit de Noël brillait radieuse,
Et sous tous les toits, dans tous les foyers,
Les petits enfants bénis et choyés
Dormaient le sommeil de l’enfance heureuse,
Non sans avoir mis d’une main pieuse
Près des gros chenets leurs petits souliers.

 

 

 deroulede_paul

Paul Déroulède (2 september 1846 – 30 januari 1914)

 

 

 

De Belgische schrijver Johan Daisne werd op 2 september 1912 in Gent geboren als Hermanus Thiery. Zie ook mijn blog van 2 september 2006 en ook mijn blog van 2 september 2007.en ook mijn blog van 2 september 2008.

 

Uit: De trap van steen en wolken

 

“Groote houtblokken brandden in den open haard. Er kropen lange, gele, gretig likkende vlammen over. Af en toe sloeg de wind in en dan veranderden ze van kleur, werden rood, en gingen even liggen. Het gebeurde ook dat wat regendruppels of zelfs wat sneeuw of een franje ijs van de boomen door den schoorsteen vielen; dan kregen de vlammen een blauwen en groenen schijn, sisten en verdwenen voor een langer tijdje tusschen de blokken. Daarna laaiden ze weer geel op, zoemden en knalden soms even en vulden de kamer met een zacht, beweeglijk schijnsel en een sterken harsgeur.

Gun Sedgwick lag in een zetel bij het vuur, met zijn laarzen op den rooster en het hoofd achterover tegen de leuning. Zijn oogleden waren dichtgevallen; een sigarettepeuk smeulde los tusschen zijn lippen. Ze waren naar hier gekomen uit beschavingsmoeheid, verveeld door de Oude Wereld, door een leven zonder horizon, door een werk zonder uitkomst; moede van de menschen en hun ideologieën, moede van zichzelf en hun vergeefsche pogingen om zich een leven mét zin in het warrelbedrijf van ginder op te bouwen. Een dag, voor het te laat was, had hij het besluit genomen. Hij had de gluiperige neurasthenie weggetrapt en met de nonchalance van den zieke, die zich tot elken prijs wil helpen, zonder gewetensstrubbeling het geld uit de hem toevertrouwde kas geleend. Hij kon het later nog teruggeven, dacht hij, en wat er ook mocht gebeuren: de maatschappij was hem dat wel verschuldigd, ze had hem ziek gemaakt, ze mocht hem nu ook genezen. Maar hij had niet alleen dat genomen. Hij was naar de vrouw toegegaan die hij in zijn jeugd had verafgood, die hij juist daardoor – doordat hij niet tijdig een compromis had weten te sluiten tusschen hemel en aarde – had verloren, maar die hij, ook juist daardoor – vanwege dat verlies – later, bij alle andere, nooit had kunnen vergeten. Hij wist dat ook zij hem nog liefhad, en eveneens in haar kring verkwijnde, verschrompelde met al haar schitterende ideeën van eertijds. En hij nam haar met dezelfde nonchalance als hij het geld uit de safe had gelicht. En samen waren ze naar de Nieuwe Wereld gevlucht, zonder iets van de Oude mede te nemen, zelfs hun oude kleeren niet, en zelfs het geld niet. In een filiaal van een overzeeschen outfitter hadden ze een paar gloednieuwe pakken gekocht, op een bank hadden ze al het geld voor vreemde munt gewisseld, deze in hun zakken laten glijden, en zoo waren ze scheep gegaan.”

 

 

 Daisne

Johan Daisne (2 september 1912 – 9 augustus 1978)

 

W. F. Hermans, Hubert Lampo, Blaise Cendrars, Peter Adolphsen

De Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans werd geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 1 september 2006.

 

Uit: Onder professoren

 

„De vaderlandse gewoonte getrouw, die een van de vele kleinigheden is, waarover we de buitenlander laten gapen van verbazing, bleven ook na zonsondergang alle gordijnen open. Van de straat af was zonder belemmering waar te nemen wat er in Kaeckebeke’s zitkamer plaatsgreep, evenals je dat bij zijn buren kon zien. Wij Nederlanders doen dit, zegt de Fransman Miraud in zijn boekje ‘La Hollande burlesque’ om bij onze medeburgers niet de vunze gedachte te doen opkomen dat we, zodra het lamplicht brandt en we ons achter gesloten gordijnen veilig wanen, gaan eten met open mond, smakken, op de grond spugen, onze echtgenoten uitkleden om lichaamsstraffen toe te dienen, of onze broeken naar beneden doen om met ieder die zich grijpbaar onder ons dak bevindt, ontuchtige handelingen te verrichten. En deze vrees voor andermans schunnige fantasieën, zegt de Fransman, komt voort uit het puritanisme waarin de Nederlander wordt opgevoed.

[….]

 

Emancipatie betekent assimilatie. Ik zal u een voorbeeld noemen. De Nederlandse katholieken zijn nooit zo katholiek geweest als toen ze door de protestanten onderdrukt werden. Maar na hun emancipatie, toen ze de gelijken van de protestanten waren geworden, hebben ze hun katholicisme als een handicap ervaren en ze wilden dus niet alleen maar de gelijken van de protestanten zijn, maar ook gelijk aan de protestanten. Wat gebeurde er? Het kerklatijn werd afgeschaft, priesters en zusters legden hun bijzondere kleding weg, het bestaan van de heiligen wordt met een korreltje zout genomen, aan het bestaan van de hel wordt getwijfeld. Steeds meer katholieken twijfelen aan de onfeilbaarheid van de Paus. Wat is er eigenlijk nog van het katholicisme overgebleven?“

 

 

Hermans

W. F. Hermans (1 september 1921 – 27 april 1995)

 

 

De Belgische schrijver Hubert Lampo werd geboren op 1 september 1920 geboren in Het Kiel, Antwerpen. Zie ook mijn blog van 1 september 2006.

 

Uit: De Komst van Joachim Stiller

 

„„Maar de goederentrein, die ik iedere avond om kwart voor negen in de bocht van de naburige spoorbaan hoorde voorbijstommelen, behoorde uitsluitend tot de materieloze verschijnselen van de nacht, evenals de sirenes van de schepen op de nabije rivier die, zwaar en breed op de resonantievlakken van het water en de laagdrijvende wolken, als de tragische noodseinen uit een vergeten wereld klonken en mij niet vreesachtig, doch weemoedig stemden, als waren zij de klaaglijke getuigen van een leed, waarvoor ik geen naam wist. Nooit heb ik mij afgevraagd, van waar deze trein wel komen mocht en waar hij heen reed, alsof het voor mij vast stond, dat hij tot een bovennatuurlijke werkelijkheid behoorde, waar onze vragen naar herkomst en bestemming van alle grond verstoken zijn. Ook thans nog, zovele jaren later, oefent het gedreun van nachtelijke treinen een onverklaarbare aantrekkingskracht op me uit, maar vruchteloos heb ik de betovering van weleer weergezocht.”

 

hubert_lampo

Hubert Lampo (1 september 1920 – 12 juli 2006)

 

De Franstalige, Zwitserse dichter en schrijver Blaise Cendrars werd geboren op 1 september 1887 in La Chaux-de-Fonds.

 

 

Paysage

 

La terre est rouge

Le ciel est bleu

La végétation est d’un vert foncé

Ce paysage est cruel dur triste malgré la variété infinie

des formes végétatives

Malgré la grâce penchée des palmiers et les bouquets

éclatants des grands arbres en fleurs fleurs de carême

 

 

Clair de Lune

 

On tangue on tangue sur le bateau

La lune la lune fait des cercles dans l’eau

Dans le ciel c’est le mât qui fait des cercles

Et désigne toutes les étoiles du doigt

Une jeune Argentine accoudée au bastingage

Rêve à Paris en contemplant les phares qui dessinent

la côte de France

Rêve à Paris qu’elle ne connaît qu’à peine et qu’elle

regrette déjà

Ces feux tournants fixes doubles colorés à éclipses lui

rappellent ceux qu’elle voyait de sa fenêtre d’hôtel sur

les Boulevards et lui promettent un prompt retour

Elle rêve de revenir bientôt en France et d’habiter Paris

Le bruit de ma machine à écrire l’empêche de mener son

rêve jusqu’au bout.

Ma belle machine à écrire qui sonne au bout de chaque

ligne et qui est aussi rapide qu’un jazz

Ma belle machine à écrire qui m’empêche de rêver à

bâbord comme à tribord

Et qui me fait suivre jusqu’au bout une idée

Mon idée

 

Cendrars

Blaise Cendrars (1 september 1887 – 21 januari 1961)
Portret door Amedeo Modigliani

 

De Deense schrijver Peter Adolphsen werd geboren op 1 september 1972 in Århus.

 

Uit: Das Herz des Urpferds (Vertaald door Hannes Grössel)

 

„Unglücklicherweise stützte Jimmy sich in ebender Sekunde, als der Zerreißprozess seinen Schlusspunkt erreichte, mit gestrecktem Arm an der Rohrleitung ab. Wenige Augenblicke davor

fielen ihm die harfenartigen kleinen Geräusche von den immer schneller zerspringenden Stahldrähten

auf; er richtete seinen Blick auf die Geräuschquelle und begriff genau einen Moment zu spät, was gerade geschah. Die Trosse schwippte durch die Luft und riss seinen Arm direkt überm Ellbogen mit solcher Kraft ab, dass der Armstummel schnurrend davonflog und kreisrunde Blutspuren hinterließ, dunkelrot auf der dürren Erde.

Jimmy, der Schwerkraft und einem hypovolämischen Schock preisgegeben, sackte gegen die

Rohrleitung zusammen. Gleichzeitig, wenige Millimeter von der Stelle, an der das Blut das sonnenwarme Metall färbte, im Innern des Rohres, raste unser Öltropfen vorbei, auf dem Weg zur Raffinerie in Salt Lake City, wo er nach einer Weile im Rohöltank erst die atmosphärische und danach die Vakuumdestillation durchlief. Bei 165° Celsius wurde der größte Teil dessen, was einmal Pferdeherz war, als schweres Naphtha von dem übrigen Rohöl geschieden und von sinnreichen Rohrsystemen zur Entschwefelungsanlage geführt, die via katalytischer Hydrogenerierung aus der jetzt helleren, aber noch immer undurchsichtigen Flüssigkeit Hydrogensulfid entfernte. Die nächste Stufe der Raffination war die Reformierung in einer erhitzten Hydrogenatmosphäre über einem Katalysator aus Platin und Rhenium, der die Naphthene in Aromate umwandelte sowie einen Teil der Paraffine in Isoparaffine, während die schwereren Paraffine in kleinere Moleküle zerschlagen wurden,

wodurch sich die Oktanzahl erhöhte. Und so wurde ein weiteres Glied zur Kette der Verwandlungen

des Pferdeherzens hinzugefügt: der Zustand Benzin.

Nach langer Zeit in 10 000-gallon-Lagertanks wurde das Benzin in einen Tanklaster gefüllt und

an verschiedene Tankstellen verteilt. Unser Tropfen landete über Umwege in einer Amoco-Tankstelle

in Austin, Texas, wo er in einem unterirdischen, betonummantelten Behälter ein paar Tage Ruhe fand, ehe er via Zapfsäule und Schlauch im Benzintank eines Ford Pinto landete.“

 

peter_adolphsen

Peter Adolphsen (Århus, 1 september 1972)

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 1 september 2007 en ook mijn blog van 1 september 2008.

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Kris Pint, Sabine Scho, Lenrie Peters, J. J. Cremer, Edgar Rice Burroughs

De Vlaamse dichter Kris Pint werd geboren in Halle op 1 september 1981. Zie ook mijn blog van 30 mei 2009.

 

Beatrice

Wat als het raam zich gesloten
opent voor de kamer, je ligt
in bed, de stad is in jou aan
het verdwalen, bang trek

je deze grens toe als een rits
tevergeefs: het onaardse zingen
van de trams voert je mee, licht
weerkaatst in de kanalen

en scheurt je als een brug
tussen twee oevers vandaan,
hier heb je me ontmoet

enkel om in jou te sterven:
als in een donker woud staat
een gids wakend in je bloed

Pint

Kris Pint (Halle, 1 september 1981)

 

De Duitse schrijfster Sabine Scho werd geboren op 1 september 1970 in Ochtrup. Van 1990 tot 1999 studeerde zij germanistiek en filosofie in Münster. Zij woont en werkt tegenwoordig in Hamburg. In 2001 verscheen van haar een bundel gedichten en foto’s onder de titel  Thomas Kling entdeckt Sabine Scho. Sinds 1999 heeft zij ook als performer naam gemaakt op internationale festivals in Amsterdam, Berlijn, Bremen, Graz, Sarajevo, Rotterdam, San Diego en Sydney.

 

Uit Dam Dog

 

„Nehmt euch in Acht, ganz Kalifornien ist durstig und die Hitze hat schon härtere Hunde umgebracht!“

„Den hier hat der Black Canyon geboren, die Hure hats doch mit jedem Tier gemacht,“ er lachte. „God damn the dog! Hell’s Hole schenkte dem schwarzen Bastard das Leben, hätt was drum gegeben, wenn er eines Tages an meinem Grab gewacht.“

„Trust Mr Hoover, er hat die schwärzesten Bugs in Umlauf gebracht.“ „And here’s one for the Ladies: Everybody ought to be rich – all time high Dow,“ mit seinem sardonischen Grinsen ging es das Stauwerk hinab.

„Ich habe mich immer gefragt, wie grün ist jetzt wohl das Gras bei Shiloh und schläft man im Weißen Haus in Damast?“

„Erst hebt man dich hoch, nur um dich dann zu werfen. Und wer kein Hirn besaß sich zu fürchten, den ließ man an seidenen Fäden herab. Chick war so eine Spinne der Furcht einflößenden Schlucht, lauerte im Schatten, holte sich nach der Sprengung die steinerne Beute, putzte die rauhen Schenkel glatt. Er war ihr bester Freier, nachts beim Feuer spann er Luftgespinste, träumte von noch größeren Dämmen, von einer wattstarken Stadt in der Wüste, der die Sterne ihr Funkeln abtraten – geistfreies leuchtendes Glück. Chick ließ eine schwarze Witwe von zweiunddreißig Jahren mit sechs Kindern zurück.“

Die Turbinen waren beflaggt. Mit Höllenatem und stechendem Blick fuhr er fort: „Wisst ihr, dies ist das Nest. Hier brüten sie Basiliskeneier, hier schlüpfen Amerikas Sterne. Auf dem Weg nach oben streifen die scharfen Klingen eines unsichtbaren Butchers den ein oder andren gemeinen Mann und lassen den Hundsfott dann aufgeschlitzt liegen. Ihr denkt als Blutzoll für die Geier? Nein, so denken wir nicht. Wir opfern uns, doch keinen fabelhaft großen Tieren. Kein Schicksal wird uns je richten, selbst die Sorgen, glaubt mir, sind noch handgemacht, und das Licht am Ende des Tunnels haben wir selbst entzündet, damit es Amerika besser hat. Amerikaner sein, das muss man sich leisten, vier Dollar am Tag, da überlegst du nicht lang.“

 

 

Scho2

Sabine Scho (Ochtrup, 1 september 1970)

 

 

De Gambiaanse schrijver en chirurg Lenrie Leopold Wilfred Peters werd geboren in Bathurst op 1 september 1932.  Peters studeerde aan het Trinity College in Cambridge, waar hij Bachelor of Science werd. Van 1956 tot 1959 werkte en studeerde hij aan het University College Hospital in Londen en behaalde in 1959 zijn diploma van chirurg in Cambridge. Tijdens zijn studieperiode in Cambridge werd hij verkozen tot voorzitter van de African Students Union en interesseerde hij zich voor het panafrikanisme. Hij schreef toen ook een aantal gedichten en zijn enige roman The Second Round, die gepubliceerd werd in 1965. Hij werd toen een van de beste dichters van Afrika genoemd. Bij zijn terugkeer in Gambia werd hij hoofdchirurg aan het Protectorate Hospital in Bansang. Later begon hij zijn eigen Westfield Clinic in Serekunda. Peters speelde ook een belangrijke rol in de overgang van een militaire naar een burgerlijke regering in 1995 -1996, toen hij in december 1995 voorzitter werd van de National Consultative Commission.

 

Parachute men say

 

Parachute men say
The first jump
Takes the breath away
Feet in the air disturb
Till you get used to it.

Solid ground
Is not where you left it
As you plunge down
Perhaps head first

As you listen to
Your arteries talking
You learn to sustain hope.

Suddenly you are only
Holding an umbrella
In a windy place
As the warm earth
Reaches out to you
Reassures you
The vibrating interim is over

You try to land
Where green grass yields
And carry your pack
Across the fields

The violent arrival
Puts out the joint
Earth has nowhere to go
You are at the staring point

Jumping across worlds
In condensed time
After the awkward fall
We are always at the starting point

 

peters

Lenrie Peters (1 september 1932 – 28 mei 2009)

 

 

 

De Nederlandse schrijver Jacob(us) Jan Cremer werd geboren op in Arnhem op 1 september 1827. Hij schreef naast de bestsellers “Over-Betuwsche novellen” en ” Nieuwe Over-Betuwsche novellen” ook enkele romans, gedichten en toneelstukken. De novellen spelen zich met name af in het Betuwse Driel, en zijn in het Betuws dialect geschreven. Zijn betrokkenheid bij het toneel was groot, waardoor in Haarlem er nog steeds een toneelgezelschap met zijn naam is. Zijn boek Fabriekskinderen, maar ook zijn persoonlijke bemoeiingen hebben een belangrijke invloed gehad bij de besluitvorming om kinderarbeid af te schaffen. Enkele andere werken zijn: Toneelspeelers, Anna Rooze en Hanna de Freule. In zijn jonge jaren was J. J. Cremer ook tekenaar en schilder.

 

Uit: Wiege – Mie

 

“Men bad – Peter bad ernstig met een dankbaar hart, Willem, zijn buurman, had zeker zulk
heerlijk avondeten niet voor zijn vrouw en kinders. Zijn gebed was reeds geëindigd, maar, toen hij over den rand van zijn pet de roode wangen van zijn goede vrouw en kinderen beschouwde, toen deed hij de oogen weder digt en zeide, zijn hart tot den Gever alles goeds verheffende: ‘Ik dank U goede en groote God! amen.’ – Vrouw Janssen had ook wel gebeden, maar, zij was wel een weinig afgedwaald: manke Heintje was toch gesturven: ze dacht er over, wanneer de begroafenis zou wêzen en of er op ’t arfhuus ook wat van hoar goajing zou zin, tot dat ze eindelijk bedacht, dat de goede God haar ook wel eens had kunnen oproepen en, hoe ellendig zou Peter dan met de kienders zin blieven zitten, en er kwam een traan in haar oog, en ze was innig dankbaar dat zij nog was gespaard gebleven, en ze zeide zacht tot den Vader in den Hemel: ‘Ik dank U goede en groote God! amen.’

De kinderen hadden hun: ‘Heere zêgen,’ enz. spoedig afgerammeld, en gluurden nu eens naar den dampenden schotel met pap, en dan weder naar hunne ouders, om te zien, of ze nog niet hoast gedoan hadden.

Vader zette de pet weder op het hoofd; moeder gaf het teeken om te beginnen, en, eer vijftien minuten waren verstreken, was de pap uit den schotel, naar de respectieve magen verhuisd.

Het gezin was verzadigd en de kinderen werden spoedig ter rust gelegd. Peter rakelde het vuur aan de haardstede nog eens op. Net bood haar jongste kind, dat in een kribje had liggen slapen, de moederlijke borst, en ’t kleintje weerde zich dapper. ‘Mins, mins,’ zeide vrouw Janssen, terwijl zij de oogen op het knaapje hield geslagen, ‘die jong is pas zeuven moanden oud, ’t is nou over drie dagen Alder Heiligen en tegen Maria Lichtmis is ’t alwêer zoo wiet.’

‘Kom da’s zoo’n spul niet,’ sprak Peter op geruststellenden toon, ‘we motten toch ’t half dozijntje vol hebben, hê Net?’

 

 

cremer

J. J. Cremer (1 september 1827 – 5 juni 1880)

 

 

De Amerikaanse schrijver Edgar Rice Burroughs werd geboren in Chicago op 1 september 1875 als de zoon van een zakenman. Zie ook mijn blog van 1 september 2008.

 

Uit: Tarzan of the Apes

 

From the records of the Colonial Office and from the dead man’s diary we learn that a certain young English nobleman, whom we shall call John Clayton, Lord Greystoke, was commissioned to make a peculiarly delicate investigation of conditions in a British West Coast African Colony from whose simple native inhabitants anotherEuropean power was known to be recruiting soldiers for its native army, which it used solely for the forcible collection of rubber and ivory from the savage tribes along the Congo and the Aruwimi.
The natives of the British Colony complained that many of their young men were enticed away through the medium of fair and glowing promises, but that few if any ever returned to their families.
The Englishmen in Africa went even further, saying that these poor blacks were held in virtual slavery, since after their terms of enlistment expired their ignorance was imposed upon by their white officers, and they were told that they had yet several years to serve.
And so the Colonial Office appointed John Clayton to a new post in British West Africa, but his confidential instructions centered on a thorough investigation of the unfair treatment of black British subjects by the officers of a friendly European power. Why he was sent, is, however, of little moment to this story, for he never made an investigation, nor, in fact, did he ever reach his destination.“

 

Edgar Rice Burroughs (1 september 1875 – 19 maart 1950)

Wolfgang Hilbig, Raymond P. Hammond, Elizabeth von Arnim, William Saroyan, Théophile Gautier

De Duitse dichter en schrijver Wolfgang Hilbig werd geboren in Meuselwitz op 31 augustus 1941. Zie ook alle tags voor Wolfgang Hilbich op dit blog.

 

Palimpsest     

 

Die Klage? – Sie liegt still über den Dächern im August –

wir haben sie nicht vernommen sie hat uns vernommen.

Lautlos haben sich die Tage geordnet: sie schwimmen

weit hinaus der Sommer ist entlassen aus der Macht.

Ein Sprung ein unsichtbarer Haarriss im Azur

hoch über uns: mißtönend Glas

                                           Ein Sicheln von Zikaden

hoch über uns im verschleuderten Licht …

vorbei das Jahrhundert mehr als hundert Jahre alt –

das Jahrhundert der Männer: am Ende verkommen

zu Neurasthenie. Der Rubikon ist überschritten!

 

Und bald gehört die Stadt den Stimmen unbekannter Sterne –

Der Hafen glimmt: ein Licht zur Ausfahrt angeschirrt …

Ausfahrt unentwegt wenn das Jahr zu enden anfängt

Bei Tag und Nacht herrscht aufgeräumte Fahrt von Farben

Ausfahrt von Sonnen still über den Dächern im August

Sommers Ausfahrt all jene erbleichenden Bläuen hinab

Und über die maßlosen Wasserfälle der Horizonte hinab –

o diese Gleitbahnen der Zeit diese unsichtbaren Ränder

hoch über uns in der großen Lichtvergeudung vor Abend –

und wir allein sind festgemacht in unentwegter Flaute:

wir haben die Klage den sterblichen Göttern überlassen.

 

 

 

Hier ist der Hafen ohne Hoffnung auf die Wiederkehr der Schiffe –

August vorbei

                      o noch ein letzter Tag vor dem September

der eintrifft wie ein Abend in wüster Verstimmung

dessen Sonne noch einmal die Zwietracht von Anfängen sät –

Anfänge die in schneller Flucht durch alle Flure eilen

ein Ende suchend in der Wirrsal von Treppenhäusern ohne Mitte

vor dem Rotbraun von Brandmauern aufgetakelt mit Schrott

wo wir entmannt sind festgemacht im Staub der Etagen

und es tritt der Mond auf oben am
Rand des Jahrhunderts

konturlos glimmend

                                 ein optischer Zufall vor Nachtbeginn –

und nun hebt ein toter Baum seine Kandelaber herauf

und zündet sich an: die schwarze Explosion des September

unaufhörlich in den Hinterhöfen tief wie Brunnen ohne Widerhall.

 

Ach welch düsteres Geäderzeichen für das Jahrhundert –

dieser Gespensterbaum dieser entgeisterte Illuminator

der jetzt die Lichter der Sterne anbrennt vielarmig verzweigt

dem Ende des Sommers zu leuchten dem Ende der mannhaften Fahrt.

Und er schreibt seine unlesbaren Runen in den leeren Azur …

Umschrift des Sommers

                                 Sie bedeckt den Kurs der Männer

Löst auf der Sonne Ausgeburt entmachtet Ziel und Klage …

Wir haben sie den Zikaden überlassen dem irren Abhub ihres Lieds –

Der Rubikon ist überschritten.

 

 

Dunstküste. Lautlos ziehn die Tage im Geleit.

Sie schwinden weit ins Offne mit dem Strom. Am Abend

Das flüchtige Gelichter der Wasser. Davor ein Baum im Rauch

Im kurzen Atem der Zikaden die sich widerrufen.

Und dann die Nacht in der wir nicht mehr sichtbar sind.

 

 

Hilbig

Wolfgang Hilbig (31 augustus 1941 – 2 juni 2007)

 

 

De Amerikaanse dichter, criticus en tijdschriftredacteur Raymond P. Hammond werd geboren op 31 augustus 1964 in Roanoke, Virginia. Zie ook alle tags voor Raymond P. Hammond op dit blog.

 

Uit: The New York Quarterly, Number 64

 

Poetry proved upon the pulses, the pulse of life, the pulse of the l
ife of the poet. How can one experience a poem if the poet has not experienced life? One of the greatest achievements of the last thirty some years of The New York Quarterly is the close association of its poets and poetry to the real world. The vast majority of the poems published in The New York Quarterly over those years were born in the dirt, grime or rainbow of reality. The poets have come from diverse backgrounds and experiences: from postal workers, like Bukowski, to lawyers, to cops, to factory workers, to strippers, to housewives; real people leading real lives.
In his Letters to a Young Poet, Rainer Maria Rilke admonishes: “Write about what your everyday life offers you,” but then he goes on to interject, “if your everyday life seems poor, don’t blame it; blame yourself.” We have as much responsibility to live a life to “the ripest, fullest experience that one is capable,” as John Keats said, as we do to writing the best poetry. In fact, the two are inseparable.
To be a poet like Archilochos who, as a mercenary, led troops into battle only to leave his shield behind and then write a poem about it:

Some Saian mountaineer
Struts today with my shield.
I threw it down by a bush and ran
When the fighting got hot.
Life seemed somehow more precious.
It was a beautiful shield.
I know where I can buy another
Exactly like it, just as round.

To know that life is precious, poetry is precious, and when to fight and when to run! To be the Renaissance of Renaissance. Not just to write a poem to be writing a poem, but to write the poetry of poetry, to be a man or woman among mankind. As William Packard always reminded us, Aeschylus’s epitaph only mentioned his bravery at the Battle of Marathon—not that he was a great playwright.
Keeping our poetry and ourselves real, having lives, living them, remembering that the sunset, sunrise, midday on a Manhattan sidewalk, the human touch of the one true lover, a major league baseball game, children, dogs barking in the alleyway, a dying father, scuba diving, working overtime, seafoam, moonbeams, dirty jobs, filthier sex, duty – are all poetry in and of themselves. It is up to us, the poets, to glean the beauty.
And then write.”

 

Hammond

Raymond P. Hammond (Roanoke, 31 augustus 1964)
Boekomslag (Geen porttret beschikbaar)

 

 

De Engelse schrijfster Elizabeth von Arnim werd op 31 augustus 1866 geboren in Kirribilli Point in de buurt van Sydney. Zie ook alle tags voor Elizabeth von Arnim op dit blog.

 

Uit: The Solitary Summer

 

„May 2nd.—Last night after dinner, when we were in the garden, I said, “I want to be alone for a whole summer, and get to the very dregs of life. I want to be as idle as I can, so that my soul may have time to grow. Nobody shall be invited to stay with me, and if any one calls they will be told that I am out, or away, or sick. I shall spend the months in the garden, and on the plain, and in the forests. I shall watch the things that happen in my garden, and see where I have made mistakes. On wet days I will go into the thickest parts of the forests, where the pine needles are everlastingly dry, and when the sun shines I’ll lie on the heath and see how the broom flares against the clouds. I shall be perpetually happy, because there will be no one to worry me. Out there on the plain there is silence, and where there is silence I have discovered there is peace.”

“Mind you do not get your feet damp,” said the Man of Wrath, removing his cigar.

It was the evening of May Day, and the spring had taken hold of me body and soul. The sky was full of stars, and the garden of scents, and the borders of wallflowers and sweet, sly pansies. All day there had been a breeze, and all day slow masses of white clouds had been sailing across the blue. Now it was so still, so motionless, so breathless, that it seemed as though a quiet hand had been laid on the garden, soothing and hushing it into silence.

The Man of Wrath sat at the foot of the verandah steps in that placid after-dinner mood which suffers fools, if not gladly, at least indulgently, and I stood in front of him, leaning against the sun-dial.

“Shall you take a book with you?” he asked.

“Yes, I shall,” I replied, slightly nettled by his tone. “I am quite ready to admit that though the fields and flowers are always ready to teach, I am not always in the mood to learn, and sometimes my eyes are incapable of seeing things that at other times are quite plain.”

“And then you read?”

“And then I read. Well, dear Sage, what of that?”

But he smoked in silence, and seemed suddenly absorbed by the stars.

“See,” he said, after a pause, during which I stood looking at him and wishing he would use longer sentences, and he looked at the sky and did not think about me at all, “see how bright the stars are to-night. Almost as though it might freeze.”

 

 

ElisabethVonArnim

Elizabeth von Arnim (31 augustus 1866 – 9 februari 1941)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Saroyan werd geboren op 31 augustus 1908 in Fresno, Californië. Zie ook alle tags voor William Saroyan op dit blog.
 

Uit: The Time Of Your Life

 

“In the time of your life, live — so that in good time there shall be no ugliness or death for yourself or for any life your life touches. Seek goodness everywhere, and when it is found, bring it out of its hiding-place and let it be free and unashamed. Place in matter and in flesh the least of the values, for these are things that hold death and must pass away. Discover in all things that which shines and is beyond corruption. Encourage virtue in whatever heart it may have been driven into secrecy and sorrow by the shame and terror of the world. Ignore the obvious, for it is unworthy of the clear eye and the kindly heart. Be the inferior of no man, nor of any man be the superior. Remember that every man is a variation of yourself. No man’s guilt is not yours, nor is any man’s innocence a thing apart. Despise evil and ungodliness, but not men of ungodliness or evil. These, understand. Have no shame in being kindly and gentle, but if the time comes in the time of your life to kill, kill and have no regret. In the time of your life, live — so that in that wondrous time you shall not add to the misery and sorrow of the world, but shall smile to the infinite delight and mystery of it.”

 

 

saroyan

William Saroyan (31 augustus 1908 – 18 mei 1981)

 

 

De Franse dichter en schrijver Théophile Gautier werd op 31 augustus 1811 geboren in Tarbes (departement Hautes-Pyrénées. Zie ook mijn blog van 31 augustus 2006 

 

 

A deux beaux yeux

 

Vous avez un regard singulier et charmant ;

Comme la lune au fond du lac qui la reflète,

Votre prunelle, où brille une humide paillette,

Au coin de vos doux yeux roule languissamment ;

 

Ils semblent avoir pris ses feux au diamant ;

Ils sont de plus belle eau qu’une perle parfaite,

Et vos grands cils émus, de leur aile inquiète,

Ne voilent qu’à demi leur vif rayonnement.

 

Mille petits amours, à leur miroir de flamme,

Se viennent regarder et s’y trouvent plus beaux,

Et les désirs y vont rallumer leurs flambeaux.

 

Ils sont si transparents, qu’ils laissent voir votre âme,

Comme une fleur céleste au calice idéal

Que l’on apercevrait à travers un cristal

 

 

La chimère

 

Une jeune chimère, aux lèvres de ma coupe,
Dans l’orgie, a donné le baiser le plus doux
Elle avait les yeux verts, et jusque sur sa croupe
Ondoyait en torrent l’or de ses cheveux roux.

Des ailes d’épervier tremblaient à son épaule
La voyant s’envoler je sautai sur ses reins ;
Et faisant jusqu’à moi ployer sou cou de saule,
J’enfonçai comme un peigne une main dans ses crins.

Elle se démenait, hurlante et furieuse,
Mais en vain. Je broyais ses flancs dans mes genoux ;
Alors elle me dit d’une voix gracieuse,
Plus claire que l’argent : Maître, où donc allons-nous ?

Par-delà le soleil et par-delà l’espace,
Où Dieu n’arriverait qu’après l’éternité ;
Mais avant d’être au but ton aile sera lasse :
Car je veux voir mon rêve en sa réalité.

 

gautier01

Théophile Gautier (31 augustus 1811 – 23 oktober 1872
Illustratie door Laurent Paturaud

 

 

Zie voor bovenstaande schrijversook mijn blog van 31 augustus 2007 en ook mijn blog van 31 augustus 2008.

Charles Reznikoff, Gisela von Arnim, François Cheng

De Amerikaanse dichter Charles Reznikoff werd geboren op 30 augustus 1894 in New York als zoon van Russische immigranten. Hij begon al op jeugdige leeftijd te schrijven, gedichten onder de invloed van het imagisme; zijn proza laat de invloed van James Joyce zien. Zijn studie geschiedenis ruilde hij al snel in voor rechten en hij werd advocaat. Na slechts enkele weken gaf hij ook dit beroep weer op. Zijn werk drukte hij zelf en gaf hij ook zelf uit. Alleen om de verspreiding ervan bekommerde hij zich niet. Het grootste deel van zijn leven genoot zijn werk geen grote bekendheid. De Black Sparrow Press gaf kort na zijn dood echter al het meeste van zijn werk (opnieuw) uit.

 

Romance    

 

The troopers are riding, are riding by

the troopers are riding to kill and die

that a clean flag may cleanly fly.

 

They touch the dust in their homes no more,

they are clean of the dirt of shop and store,

and they ride out clean to war.

 

 

 

Te Deum    

 

Not because of victories

I sing,

having none,

but for the common sunshine,

the breeze,

the largess of the spring.

 

Not for victory

but for the day’s work done

as well as I was able;

not for a seat upon the dais

but at the common table.

 

 

 

The Idiot    

 

With green stagnant eyes,

arms and legs

loose ends of string in a wind,

 

keep smiling at your father.

 

 

reznikoff

Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)

 

De Duitse schrijfster Gisela von Arnim werd geboren op 30 augustus 1827 in Berlijn geboren. Zij groeide op in de kring van en met de lactuur van de schrijvers en dichters uit de Romantiek. Zij volgde geen bepaalde opleiding, maar kreeg les van haar oudere zussen. Er werd veel gelezen, waarbij Gisela een speciaal interesse had voor Wilhelm Hauff. Zij begon ook zelf met het schrijven van sprookjes, een genre dat zij haar leven lang trouw bleef. In 1859 trouwde zij met Hermann Grimm, een zoon van Wilhelm Grimm. Met haar zussen verzorgde zij ook een literaire salon, waarvan  Hans Christian Andersen en Emmanuel Geibel ereleden waren.

 

Uit: Das Leben der Hochgräfin Gritta von Rattenzuhausbeiuns

 

Es war einmal ein altes Schloß, umfaßt von hohen Bergen, das selber auf einem hohen Berg lag, etwas niederer als die ihn umgebenden. Wie ein Ring umschloß das Tal den Berg, und in einem Ring umschlossen die dunklen felseckigen Berge das Tal. Aus ihren Moosrinden wuchs hie und da spärliches Binsengras hervor; unten im Tale lief hie und da ein Bächlein durchs Grün an hie und dort einem Gebüsch vorüber, die Wurzeln spülend. Oben im Gezweig guckten junge Vogelköpfchen aus den Halm- und Mutterfederflaum-Nestchen dem harmlosen Dahinrollen unten zu, und war der Bach artig, so erzählte er ihnen leise Märchen, und sie taten zuweilen einen Piep des Wohlgefallens dazwischen; kurz, es war ein schönes Leben in dem Gebüsch. – Bald flog eins in den Lüften oder sang lieblich; sie hatten sich hier ungestört und häuslich zufrieden niedergelassen. Es war ein Ausweg aus dem Tal, der ganz überbaut war von Felsen; manchmal sah man in Mitten der Berge in den Eingang einer engen dunklen Höhle, und an verschiednen Orten stürzten kleine Gießbäche heraus, grade hinab ins Tal, brausten dort heftig auf und verloren sich leise murmelnd. Die Grundmauern des Schlosses bauten sich dicht am Rande der Felskuppe schräg in die Höhe, in kahlen Wänden, zuweilen durch ein Fensterloch unterbrochen mit alten Eisenstäben verwahrt, mehr für Ratten als für ein Menschengesicht. So erschienen die Wände auch belebt, wenn in schönen Abendstunden die Welt hochrot gefärbt war und die dunkeln Berge von mattem Rosenschimmer bestrahlt; da regte sich die ganze Burg. Es war ein Getümmel von Begraurockten; da balanzierten die jungen Ratten auf der schrägen Wand, da kam eine Rattenmutter mit sieben Jungen, die sollten die Abendluft genießen, dort ein dicker Rattenklausner oder gar ein vielköpfiger Rattenkönig; bis zuletzt ein graues Gewimmel die alten Mauern deckte.“

 

Giselavonarnim

Gisela von Arnim 30 augustus 1827 – 4 april 1889)
Portret door Louise Caroline Seidler

 

De Chinees-Franse dichter, schrijver en vertaler François Cheng werd geboren op 30 augustus 1929 in Nanchang in China. Zie ook mijn blog van 30 augustus 2008.

 

 

QUE DIRA NOTRE NUIT

Car ce qui a été vécu

Sera rêvé

Et ce qui a été rêvé

Revécu

Nous n’aurons pas trop de nuits

 

Pour brûler les branches tombées

A notre insu

Pour engranger l’odeur durable

Des fumées

 

 

 

LE LIVRE DU VIDE MEDIAN

 

La beauté est une rencontre

 

Mais nous ramassons le caillou

Sur le chemin

Le tenant à peine dans la main

Puis sans y penser

Le jetons plus loin

 

Pendant que le couchant

Effleurant le mont

S’attarde un bref instant

Puis sans se retourner

Va son chemin

 

Francois_Cheng

François Cheng (Nanchang, 30 augustus 1929)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e augustus ook mijn vorige blog van vandaag.