De Italiaanse dichteres Laura Accerboni werd op 7 mei 1985 geboren in Genua, waar zij Moderne Letterkunde studeerde. Haar eerste bundel, “Attorno a ciò che non è stato”(Rondom dat wat niet was), verscheen in 2010. In 2015 volgde “La parte dell’annegato” (Het spel van het verdrinken). Accerboni is naast dichter en fotograaf redacteur van het literair tijdschrift Steve. Samen met Elio Grasso vertaalde ze werk van de Amerikaanse dichter Taje Silverman. Haar werk is gepubliceerd in een groot aantal tijdschriften, waaronder Italian Poetry Rewiew, Poesia, Specchio della Stampa, Gradiva, Steve en Loch Raven Review.
The lights
The lights. You have to turn out the lights. Otherwise the veins show up too much, they throb from the heat they no longer flower. But don’t you see the exact point where the wire germinates? It’s only a bare wire . . . You blame the outlet that’s always on your wrist but it’s not beating it’s blue deep down it’s always blue but it’s not beating.
Vertaald door George Tatge
Gisteren stopte de grootste jongen
Gisteren stopte de grootste jongen een steen tussen zijn tanden en begon te kauwen. Hij toonde zijn moeder wat een mond vermag die tot het uiterste gedreven wordt en dat een vernield huis niet méér is dan een vernield huis. Gisteren hebben alle grotere jongens hun vijanden uitgehongerd en hun speelgoed haastig bij elkaar gezocht. Ze hebben hun moeder de orde en de tucht van de doden getoond en zijn daarna snel hun handen gaan wassen en gaan luisteren naar het nieuws in de vorm van wiegeliedjes.
ik wil beproeven naakt te zijn maar wacht moeials zwaaien met spandoeken: vel is kwetsbaar! vel moet geleidelijk wennen aan blootstelling! een halfuur blootstelling bij startkracht loom leidt bij ongehard vel al tot onherstelbare schade! ik neem heus veltype en startkracht in acht maar spandoekers versperren mij de weg roepen: bedek de blootgestelde delen! voorkom overmatige blootstelling! ik kies woorden met hoge beschermfactor spuug ze in alle richtingen (dat werkt vooral als je erg bibbert of sterk zweet ik zweet licht) niet langer wachten nu hup! mijn lijf maakt wel hulpstoffen aan
opstartmodes
gisteren zouden we bloot zijn en beginnen truien jurkjes t-shirts vlogen door de lucht sommigen vingen zoveel mogelijk slipjes een enkeling gaf zich werkelijk bloot de meesten keken op sokken toe hoe een van ons zelfs haar oude huid afstootte tot het doorschijnend en half in vorm oprimpelde er zachtglanzend rozerood vel tevoorschijn kwam en iedereen wegkeek zullen we haar vandaag nog terugzien? zal iemand haar nog herkennen? vandaag spelen we de eeuwige beginner
niet beginnen bij het hoofd
niet beginnen bij het hoofd niet bij de voet niet bij de hand niet bij de pink van de linkerhand van meneer herbert
beginnen bij vingertoppen niet bij de niet bij mijn – besmeurd met inkt beginnen bij toevallige: die virginale vingertoppen van een aangestaarde wier ogen en tong haar verraden: niet bijdehand niet bij de pinken
bij vingertoppen die glijden zoals ze zouden glijden en prikken zoals ze zouden en kittelen ze trekken een krullende lijn in de lucht haar blik kleft erachter erboven eronder beginnen bij haar zin in vingertoppen tintelt gemis
over naar mijn vingertoppen ze tintelen tot ik tast
Ik had een trui, blauw. Turqoise. Hemelsblauw. Het was mijn lievelingstrui, die ik het meest droeg. We hebben zoveel samen gezien en meegemaakt, van verre werd ik aan zijn kleur herkend.
Hij was een cadeau van Elsa. Hij werd oud.
Zijn ellebogen sleten, zijn mouwen lubberden. Hij hing als een zak om me heen, werd onhoudbaar. Zijn rafels vielen niet meer te repareren. Ten slotte stuurde mijn moeder hem op een dag samen met andere oude spullen naar het bejaardentehuis.
Die dag had ik trouwens Elsa al in geen jaren meer gezien.
In de straten van Istanbul zwerft nu een oude man met een blauwe trui. Hij gaat winkels in, kijkt uit over zee. Soms lijkt het alsof ik hem werkelijk zie. Dat bewijst dat Elsa ooit van mij hield.
Vreemde vrijheid, kun je zeggen, binnen zitten op verzoek zodat het morgen niet verplicht is, vrij
om te verwelken achter dubbel glas of te verrekken op ic’s en in verpleegtehuizen, spooksteden vol
geloken luiken, frisse lucht om naar te happen vanaf je Frans balkon, slapeloos kijken waar nog licht brandt.
Maar je kunt ook zeggen: vrijheid is meer dan doen wat je niet laten kunt, iets anders dan gratis geluk voor iedereen.
Vrijheid, vandaag, is geschiedenis schrijven door thuis te blijven, indrukwekkend afwezig zijn om redenen die ons bewegen. Vrijheid blijkt iets wat je weg kunt geven.
Ingmar Heytze (Utrecht, 16 februari 1970) De Bevrijdingsboom in Utrecht
Engels is simpel. Je plakt er een s aan. Turks is ook makkelijk: ler, lar. Maar dan de meervoudsuitgangen van het Grieks: die lijken absoluut niet te leren.
Haven is bijvoorbeeld limani. Bij meer dan een wordt het limania. Een brief is een gramma als ze zich vermenigvuldigen: grammata.
Volkomen onnodig zijn sommige weer anders. Sommige vrouwelijk, andere mannelijk. Uiteindelijk laat ik ze ook maar zitten, al die uitgangen.
Alleen herhaal ik soms, totaal onnodig, in mijn hoofd Het enige enkelvoud dat ik ken Elsa, Elsa, Elsa.
De Duitse schrijver, redacteur, lithograaf en schilder Otto Baisch werd op 4 mei 1840 in Dresden geboren als zoon van de lithograaf Wilhelm Gottlieb Baisch, die daar als artistiek directeur werkte bij de hofdrukkerij C.C. Meinhold. Baisch bezocht de Annenschule, een middelbare school in Dresden. In 1852 verhuisde het gezin naar Stuttgart. Zijn vader richtte een lithografisch bedrijf op in zijn eigen huis aan de Neckarstrasse 34b. Baisch ging naar de middelbare school in Stuttgart. Daarna voltooide hij een stage als lithograaf bij zijn vader en studeerde van het voorjaar van 1860 tot 1863 schilderkunst aan de kunstacademie van Stuttgart. Na de dood van zijn vader in 1864 nam Otto Baisch in naam en voor rekening van zijn moeder de leiding van het lithografische bedrijf over, terwijl zijn broer Hermann zijn leertijd nog aan het afronden was. Naast bloem- en fruitstukken leverde hij voor Amerika vooral genrestukken op groter formaat in kleurendruk. In zijn vrije tijd van 1865 tot 1868 volgde hij lezingen over literatuur- en kunstgeschiedenis van Friedrich Theodor Vischer en Wilhelm Lübke. In 1873 gaf hij het lithografische bedrijf op. Baisch besloot zich in de toekomst aan de schilderkunst te wijden en ging naar München, waar zijn jongere broer sinds 1870 woonde. Op 1 mei 1873 begon Baisch schilderkunst te studeren aan de Academie voor Schone Kunsten in München. In tegenstelling tot zijn succesvolle broer Hermann Baisch was hij echter niet succesvol als schilder. Baisch verhuisde naar Berlijn, waar hij redacteur werd van de “Tägliche Rundschau”, opgericht in 1881. Vanaf juni 1885 werkte Baisch als redacteur van het tijdschrift “Über Land und Meer” in Stuttgart. Tegelijkertijd werd hij redacteur van de tijdschriften “Illustrirte Welt” en “Deutsche Romanbibliothek”, eveneens uitgegeven door Deutsche Verlags-Anstalt. In 1886 trouwde hij met de schrijfster Amalie Baisch, geboren Marggraff. Het huwelijk resulteerde in hun zoon Hermann Baisch. Het gezin woonde in Stuttgart in een gehuurd appartement aan de Neckarstrasse 123 in het Deutsche Verlags-Anstalt-gebouw. Otto Baisch stierf op 18 oktober 1892 in Stuttgart op 52-jarige leeftijd als gevolg van pleuritis. Zijn broer Hermann vervulde de wens van zijn overleden broer en regelde een jaar voor zijn eigen dood de publicatie van een verzameling gedichten van Otto, die hij versierde met zijn eigen illustraties.
Schneeglöckchen
Sei gegrüßt, du zarte Blüte, Unter Schnee und Frost Mit prophetischem Gemüte Still hervorgesproßt! “Soll der Winter ewig dauern?” Fragt es hier und da; Sieh, da rufst du durch sein Schauern „Heil, der Lenz ist nah!”
Bald nun nehmt ihr an den Hagen Grüne Spitzen wahr, Hört die Nachtigallen schlagen Süß und wunderbar; Frischbelaubte Wipfel geben Dann den Ton zurück, Und es labt sich alles Leben An des Lenzes Glück.
Du jedoch, die ihn vor allen Ahnend vorempfand, Biegst dann welk dahingefallen Auf dem grünen Land. Rasch ist deine Zeit verronnen, Holdes Lenzgedicht: Künden darfst du Frühlingswonnen, Sie genießen nicht.
Gruß in die Ferne
Mag die Sonne heiter sehen, Mädchen, auf dein liebes Haupt, Wenn Orangenblüten wehen, Mädchen, auf dein liebes Haupt.
Fern von dir, wie sehnlich wünsch’ ich, Dass ich nah’ dem Himmel stände, Seinen Segen zu erstehen, Mädchen, auf dein liebes Haupt.
Meer dan vijftig jaar geleden in de dagen dat een nieuwe tijd begon schreef Hans Lodeizen, een dichter: ‘deze wereld is niet de echte’.
1. Denk je in: wij hier met tien miljoen vermenigvuldigd zouden zeker weten dat door met spandoeken te lopen op blote voeten en te zingen, wij een nieuwe oorlog konden voorkomen, wie zou niet –
Bereken of door prijs te geven de helft van onze kapitalen wij misschien doden zouden doen leven, breken de armoedespiraal.
Stel dat een oogopslag bestaat een handomdraai die wij door gestage oefening kunnen leren, en waarmee wij, in plaats van ons dood te vechten, het lot keren en deze wereld veranderen in de echte –
dan zou Afghanistan weldra een boomgaard zijn, en Irak het stromenland weer waar de mensheid begon en van Gaza
tot de ceders van de Libanon zouden vriend en vijand dansen tot diep in de nacht bij de bandoneon.
2. Sinds onheuglijke tijden staat de hoop geschreven dat ooit grote woorden als ‘verzoening – leed geleden – mensenrecht – schoon water – vrede’
tot een nieuwe wereld worden eindelijk de echte.
In naam van hen die vóór ons waren en omwille van wie na ons komen
blijf die grote woorden dromen – laat de hoop niet varen.
Huub Oosterhuis (1 november 1933 – 9 april 2023) Dodenherdenking op de Dam in Amsterdam, de geboorteplaats van Huub Oosterhuis
Sommige van die bomen zijn nu verdwenen en sommige zijn er nog. De molen, die verdween, heeft mos achtergelaten. Tussen de bramen ligt een kluwen kabels Bij de rivier – in de open plekken tussen dorens, In beslag genomen chokers, een in beslag genomen motor. Zelfs de zaagselberg is tot onkruid verwaaid, Waartussen brandnetels niet meer te ontwijken zijn. Ik herinner me de ochtend dat de kok Vertrok en zijn verfrommelde schort achterliet Onder de warme lampen terwijl plakken wentelteefjes Rookten op de grillplaat. Ik heb genoeg vijanden gemaakt Om de toekomst te kleuren. ik heb niets gedaan Om het heft uit handen te geven. Mijn vriend wilde Jack Daniel’s in het ziekenhuis en kreeg het. Iemand probeerde me met een hamer te slaan. We konden nergens naar toe en we gingen Er samen heen. Terugkomen is niet erger dan Een nare droom, denk ik, maar ik heb spijt, Nu, van die draaiende molen. Al die luidruchtig door de zaag gedreven bomen In de tijd dat ik koning was.
Lichtvlekken in het matglas beramen hoe lang stil te staan voor een deur
uit een boodschappentas steekt een wandelstok in de goot liggen in touw gebonden vloerkleden op de stoeptegels kleeft een panty
twee mannen maken twee gebalde vuisten en kussen de rug van elkaars handen terwijl de stad oogt
past het mesje halfweg in het sleutelgat.
III
Op de tramhalte tegenover het plantsoen staat een in haar jas verscholen meisje klaar om iemand bij de mouw te pakken iemand voor haar bij de revers te grijpen met een uitgestrekte hand hangend boven het handvat van een koffer hengsels van een tas naast haar duim droogt de kleine tatoeage van een ster.
IV
Het belletje van de winkeldeur gaat omhoog een jongen stapt naar voren en bestelt een brood een man leest in een schrift en noemt een naam op de televisie op de toonbank zingt een mevrouw die haar borst rondt tegen het blad van de gitaar rook draait voor het scherm en trekt naar het plafond de man legt de hoorn op de haak en het belletje klinkt.
Erik Lindner (Den Haag, 3 mei 1968)
De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.
Waar leren we
Waar leren we leven en waar leren we leren en waar vergeten om niet slechts het geleerde te leven?
Waar leren we slim genoeg te zijn om de vragen te vermijden die onze liefde niet harmonieus maken en waar leren we eerlijk genoeg te zijn en omwille van onze liefde de vragen niet te vermijden?
Waar leren we ons tegen de werkelijkheid te keren die ons van onze vrijheid wil beroven en waar leren we dromen en wakker zijn voor onze dromen zodat iets ervan onze werkelijkheid wordt?
“Dit is het tegenovergestelde van thuis. Dit land is in zichzelf gekeerd, de grond is uitgebeend en hard. De straten hebben geen namen, de huizen geen nummers. Vijf keer per dag galmt de luidspreker van de moskee de oproep om te bidden door heel Sarakina. Hier is het licht in de middag intens zoals jij het kende, de lucht droog zoals jij, denk ik, gewend was. De nacht is zwarter, het donker donkerder, de ruimte boven mijn hoofd overweldigend. Overdag zoek ik met Tarik naar de sporen van mensen die allang verdwenen zijn, een jongere versie van de aarde, een moment waarop alles nog openlag, ik verlies mezelf gretig in een zee van tijd. Niet ver van hier doen ze aan dagbouw, we reden er gister nog langs. Een van de bergen wordt door graafmachines systematisch ondermijnd zodat de flank ervan nu niet meer schuin en grillig afloopt, maar langzaam verandert in een ouderwets spelletje Tetris. Er zijn nette, rechte strepen uit de stenen gehakt; een keurige leegte bedreigt de berg, op een dag is er niets meer van over. Niet veel later zal niemand nog vermoeden dat die berg hier miljoenen jaren is geweest, binnen enkele decennia zal zelfs de herinnering aan de herinnering verdwenen zijn. Ik dacht dat we meer dagen zouden hebben, weken, maanden — misschien jaren. De avond voordat je vertrok leek er een als alle andere, pas achteraf werd het de avond voordat ik alles verloor. Dus verbaasde het me toen je zachtjes in mijn hand kneep alsof ik een kind was of een heel oude vrouw of getroffen door groot ongeluk. Ik probeerde de uitdrukking op je gezicht te lezen, maar je keek langs me heen naar het raam en naar het donker buiten. Nog eens kneep je in mijn hand en ik moest lachen om dat ouderwetse, troostende gebaar, wat ongemakkelijk omdat het me iemand maakte die niet voor zichzelf kon zorgen, iemand die troost nodig had. Wat?’ vroeg ik. Je glimlachte. Wanneer jij glimlacht deel je niets, integendeel. Je glimlacht als een kind dat een arm over zijn schoolwerk houdt om te voorkomen dat zijn buurman afkijkt. Je glimlachte alsof je aan een grap dacht die ik niet zou begrijpen. Wat?’ herhaalde ik. `Wat nou wat?’ zei je. Je liet mijn hand los, stond op en liep naar het raam, plukte een blaadje van de zieltogende basilicumplant die in de vensterbank stond en kauwde er nadenkend op. Nu zag ik alleen je rug nog, je smalle schouders onder je lievelingsshirt, zwart met daarop in witte letters FOR •HE LOVE OF BASS. (Die neiging van je om bij het raam te gaan staan als het buiten nog koud was maar de zon al scheen: je armen om jezelf heen geslagen en je hele bovenlichaam naar het glas gericht, hunkerend naar het kleinste beetje warmte.”
Op elke tafel twee. Mannen en wijven kruislings. Nabij, naakt, en toch zonder pijn. De schedel en de borst open. De lijven die nu voor het laatst aan het baren zijn.
Ieder drie kommen vol: van brein tot zak. En zie Gods tempel en des duivels stal nu borst aan borst beneden in een bak grijnzen naar Golgotha en zondenval.
De rest: wedergeborenen in kisten: mansbenen, kinderborst en vrouwenhaar. ‘k Zag het van twee die ooit naast de pot pisten, als uit één moederlichaam lag het daar.
Onder het juk (het kreupelhout verbranden) door de Finse schilder Eero Järnefelt, 1893
The Song of the Wage-slave
When the long, long day is over, and the Big Boss gives me my pay, I hope that it won’t be hell-fire, as some of the parsons say. And I hope that it won’t be heaven, with some of the parsons I’ve met — All I want is just quiet, just to rest and forget. Look at my face, toil-furrowed; look at my calloused hands; Master, I’ve done Thy bidding, wrought in Thy many lands — Wrought for the little masters, big-bellied they be, and rich; I’ve done their desire for a daily hire, and I die like a dog in a ditch. I have used the strength Thou hast given, Thou knowest I did not shirk; Threescore years of labor — Thine be the long day’s work. And now, Big Master, I’m broken and bent and twisted and scarred, But I’ve held my job, and Thou knowest, and Thou wilt not judge me hard. Thou knowest my sins are many, and often I’ve played the fool — Whiskey and cards and women, they made me the devil’s tool. I was just like a child with money; I flung it away with a curse, Feasting a fawning parasite, or glutting a harlot’s purse; Then back to the woods repentant, back to the mill or the mine, I, the worker of workers, everything in my line. Everything hard but headwork (I’d no more brains than a kid), A brute with brute strength to labor, doing as I was bid; Living in camps with men-folk, a lonely and loveless life; Never knew kiss of sweetheart, never caress of wife. A brute with brute strength to labor, and they were so far above — Yet I’d gladly have gone to the gallows for one little look of Love. I, with the strength of two men, savage and shy and wild — Yet how I’d ha’ treasured a woman, and the sweet, warm kiss of a child! Well, ’tis Thy world, and Thou knowest. I blaspheme and my ways be rude; But I’ve lived my life as I found it, and I’ve done my best to be good; I, the primitive toiler, half naked and grimed to the eyes, Sweating it deep in their ditches, swining it stark in their styes; Hurling down forests before me, spanning tumultuous streams; Down in the ditch building o’er me palaces fairer than dreams; Boring the rock to the ore-bed, driving the road through the fen, Resolute, dumb, uncomplaining, a man in a world of men. Master, I’ve filled my contract, wrought in Thy many lands; Not by my sins wilt Thou judge me, but by the work of my hands. Master, I’ve done Thy bidding, and the light is low in the west, And the long, long shift is over … Master, I’ve earned it — Rest.
Robert W. Service (16 januari 1874 – 11 september 1958) Harris Museum, kunstgalerie en bibliotheek in Preston, Lancashire, de geboorteplaats van Robert W. Service
De hand zegt de pees: Gehoorzaam mij. De pees antwoordt de hand: Tref zeker, jij. Tegen de pijl zegt de pees: Vlieg nu weg, pijl. De pijl antwoordt de pees: Maak dat ik ijl. De pijl zegt de schijf: licht mij bij. De schijf antwoordt de pijl: houd van mij.
2
De schijf zegt pijl pees hand oog: Tat swam Asi Wat in de heilige taal betekent: Ik ben Jou.
3
(Noot van een christen: Moeder Maria, waak over de schijf, de boog, de pijl en de schutter.)
Vertaald door Gerard Rasch
Aleksander Wat (1 mei 1900 – 29 juli 1967) Cover biografie
De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Jeroen Brouwers overleed vorig jaar op 11 mei op 82-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.
“In deze lente van 1980 stierf eerst Jean Paul Sartre, schrijver en filosoof, toen Alfred Hitchcock, filmer, toen Joszef Broz, alias Tito, beroepsrevolutionair en staatsman. Waar tegenover staat, dat wij in deze zelfde lente een nieuwe koningin hebben gekregen, alsof wij een bijenvolk zijn, Beatrix heet ze, wat ‘gelukbrengster’ betekent. Op de dag van haar inhuldiging werd ik veertig jaar, ik bracht deze dag gekluisterd aan de kleurentelevisie door: zo heb ik haar zien ‘schrijden’, die Beatrix, rechtop, haar neus in de wind, dat deed ze indrukwekkend, eerlijk waar, men kon zien dat ze er goed op had geoefend, – ik kreeg die dag nieuwe pantoffels, en achter de decors waarvoor deze nieuwe koningin langs schreed op weg naar de Nieuwe Kerk waar zij zou worden ingehuldigd vond een gigantisch oproer plaats, het grootste in Amsterdam ‘sedert mensenheugenis’. Daar wordt maar gestorven en daar wordt maar getroonopvolgd, dit zou het begin zijn van De Nieuwe Tijd. De oproermakers werden in de krant omschreven als ‘tuig’, ‘janhagel’, ‘schorriemorrie’, ‘uitvaagsel’ en ‘geteisem’. Er waren voorstanders van de electrische wapenstok om het rattige rapalje in het vervolg terug te drijven naar de stinkende rioolkrochten waaruit het tevoorschijn was gekropen. Weliswaar ruikt mijn tuin naar seringen, mij hangt de stank van het bederf tussen de neusvleugels. Wat mankeer ik? Ik ben onbeschrijflijk moe, ik ben verzeild in malaiserigheid en impasse. Deze gevoelens overvielen mij op het ogenblik dat de oude koningin, Juliana, op het balcon van het paleis op de Dam verscheen om het volk te verkonden dat zij zojuist had afstand gedaan van de troon. ‘Zojuist…’ riep ze, maar aangezien er niemand zijn mond hield om te luisteren naar wat ze te vertellen had, begon ze na een korte stilte opnieuw, met nog meer stemverheffing en gelijktijdig sissend om stilte: ‘Zojuissssst…’ Ik dacht toen ik dit zag en hoorde: mens, wat verbeeld je je nou toch, te verlangen dat de menigte zijn kop houdt voor jou? Terstond dat ik dit dacht, zag ik op het scherm van mijn televisie een rookbom tussen het geteisem onder het balcon ontploffen, dat deed mij deugd: ziet, mijn hier gedachte gedachte komt ginds als een bom tot ontploffing en waaiert als een wolk boven de hoofden uit, zo behoor ook ik tot het janhagel. Op de dag dat ik de klap met de electrische wapenstok op mijn schedel of in mijn nek krijg, zal ik weten dat De Nieuwe Tijd inderdaad is begonnen. Er is niets om ons op te verheugen. In je eentje ‘ssssst’ staan doen op een hoog balcon, ervan overtuigd dat je bent dat de tienduizenden beneden je ogenblikkelijk zouden moeten zwijgen, – het is goed, en hoog tijd ook, dat die overtuiging achter rookwolken tot verdwijning wordt gebracht.”
Jeroen Brouwers (30 april 1940 – 11 mei 2022)
De Duitse dichteres en schrijfster Ulla Hahn werd geboren op 30 april 1946 in Brachthausen. Zie ook alle tags voor Ulla Hahn op dit blog.
Hypothetisch sonnet
Naarmate we dieper ademhaalden, langzamer liepen rustiger richtten onze ogen van de een op de ander nog slechts zachtjes spraken en zelden: eeuwig leefden we
niet maar een beetje eeuwiger toch zoals de zee misschien of zelfs zoals woorden en zinnen over de zee of deze ene middag van vandaag
waarop we elkaar laten vergeten wat er ook elders gebeurt duurde zeg maar drie tot vier weken
die op hun beurt een paar dubbele drievoudige jaren of op zijn minst: Nu.
De kunstenaar Damon (een vaardiger is er op de Peloponnesos niet) legt de laatste hand aan de stoet van Dionysos in Parisch marmer. De god voorop in heerlijke glans, met kracht in zijn gang. Bandeloosheid na hem. Naast Bandeloosheid schenkt Dronkenschap uit een met klimopblad omrankte amfoor de Satyrs wijn in. Dichtbij hen is de verweekte Wijnzoet, met halfgeloken ogen, slaperig. En daarachter komen de zangers Melodiemaker en Zoetzanger, dan Pretmaker, die nooit de heilige fakkel die hij draagt laat doven, en, zeer kuis, Mysterie – Damon hakt ze allemaal uit. Ondertussen gaan zijn gedachten telkens naar zijn beloning van de koning van Syracuse, drie talenten, een groot bedrag. Als dat gevoegd wordt bij zijn andere geld dan zal hij, als vermogend man, eindelijk in grote stijl kunnen leven, en zal ook hij – wat een vreugde! – deel kunnen nemen aan de politiek in het parlement en op de agora.
Bestemd voor de winkel
Hij wikkelde ze behoedzaam, met zorg in kostbare groene zijde.
Rozen van robijnen, lelies van parels, violen van amethisten. Zoals hij ze zich voorstelt,
verlangt, mooi vindt; niet zoals hij ze zag in de natuur of ze bestudeerde. Hij zal ze laten
in de kluis als proeve van zijn gedurfde, knappe werk. Wanneer een klant de winkel binnenkomt neemt hij
wat anders uit de etuis en verkoopt – schitterende sieraden – armbanden, kettingen, halssnoeren en ringen.
Voordat de tijd hen verandert
Zij waren zeer bedroefd bij hun uiteengaan. Zij wilden het niet zelf; het waren de omstandigheden. De noodzaak om geld te verdienen maakte dat de een ver weg moest gaan – naar New York of naar Canada. Hun liefde was beslist niet dezelfde van voorheen: geleidelijk was de aantrekkingskracht verminderd, sterk verminderd was de aantrekkingskracht. Maar uiteengaan, dat wilden ze niet. Het waren de omstandigheden – Of is mogelijk het Lot nu een kunstenaar gebleken door hen te scheiden vóórdat hun gevoelens doven, voordat de Tijd hen verandert; de een zal voor de ander altijd zijn en blijven de mooie jongen van vierentwintig jaar.
Vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf
K. P. Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1923) Portret door Nikos Engonopoulos, 1948
Horen jullie dat? Zo honen honingprotocollen, roodgouden, fraai, pasteus: kleverigheden. Pluis. Wat de honing bindt: protocollen. Bevlokte unies op grijs- tot grijsblauwe tricotstof. Mensen. Zullen. Hangen. Blijven. Net als zaden en pollen. Zoetheid van de lucht. Gesuikerde haren. Wegen. Bruggen. Als ik ze uit mijn hoofd zet, blijven ze eeuwig bestaan. Elke maat is waar in welke betekenis ook. Maar met betrekking tot wat? Wat ’n sprongen! Barokke minimator van verlangen. Wild veelvoud, waar duizenderlei ingevouwen is, het wordt alleen niet omgezet. Het groeit nu door de huid heen naar buiten, niet meer eronder. Barok. In engte, angst, schrilheid, nee schelheid, zo veel sieraad dat je niet meer wilt en niets meer ziet: randverlangen. Duizend bogen. Met deuken en putto’s. Parels. En erboven. Allemaal vragen ze: en jij wilt nog willen? Nee. Dan zeg je: nee. Je indruk is niet op waarheid gebouwd, merkt het honingprotocol op, schier versierde zoetheid. Ging daar je tongetje overheen? Tongde de weegschaal? Neem opnieuw de maat, bij een minimaal teruggebracht verlangen. Je weet niets van barok. Pollen.
Vertaald door Miek Zwamborn
Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)
Zie voor nog meer schrijvers van de 29e april ook mijn blog van 29 april 2020 en eveneens mijn blog van 29 april 2019.