Yvonne Keuls, Frank Martinus Arion, Ronald Giphart, Ford Madox Ford, Jules de Goncourt, Hans Henny Jahnn

De Nederlandse schrijfster Yvonne Keuls werd geboren op 17 december 1931 in Batavia, toen nog een onderdeel van Nederlands-Indië. Zij is vandaag dus 75 jaar geworden. Yvonne Keuls kwam op zevenjarige leeftijd naar Nederland en al op jonge leeftijd begint zij te schrijven. Zij is één van de eerste Nederlandse schrijvers die sinds 1967 lezingen op scholen en in boekhandels en bibliotheken verzorgd. Daar groeide haar interesse voor de problemen van jongeren, die onderwerp van haar succesvolle boeken als in Het verrotte leven van Floortje Bloem en De moeder van David S. zouden worden.  Vanaf 1969 begint ze met het dramatiseren van beroemde boeken als Boek der kleine zielen en De koperen tuin. Ook speelde ze zelf in verschillende theatervoorstellingen. Al veertig jaar lang is Yvonne Keuls een veel gelezen en geprezen auteur. Van haar roman Mevrouw mijn moeder zijn meer dan 230.000 exemplaren verkocht. Het boek werd bekroond met de publieksprijs 1999. In 2001 verscheen haar levensverhaal Madame K. Van Indisch kind tot Haagse dame dat direct na verschijnen een bestseller werd.

Uit: Madame K – Van Indisch kind tot Haagsche dame

“De astrologie was er de oorzaak van dat mijn vader bij zijn laatste kind van dat plan afweek. Hij gaf mij bij de burgerlijke stand aan als Yvonne omdat hij, toen hij daar voor het loket van de ambtenaar stond, zich plotse ling herinnerde wat die naam betekende: ‘strijdster met de iepenhouten boog’.
Boogschutter dus. En ik wás een Boogschutter, een decemberkind, geboren op de zeventiende van die maand, ’s morgens om zeven minuten over vijf. Daar was niets tegen in te brengen. Maar van enig vooroverleg met mijn moeder was geen sprake geweest en dus was de verrassing voor haar groot. Zo groot, dat ze meteen haar twijfels bij mijn naamgeving had.
Zij wist namelijk dat de vrouw van mijn vaders chef een beeldschone blondine die bij officiële gebeurtenis sen nou niet direct onopvallend naar mijn vader lonkte – Yvonne heette en zij wist ook dat mijn vader op het morele vlak net zo betrouwbaar was als alle andere mannen. Hij deed het voorkomen alsof hij zich gewetensvol aan het negende gebod hield: Gij zult niet begeren Uws naasten huis, Uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets wat Uws naasten is, maar alleen wat betreft die knecht, die os en die ezel was mijn moeder er zeker van dat hij dat gebod ook werkelijk nakwam.
Toen mijn moeder van mijn naam hoorde, werd ze niet boos, ze ging niet tekeer, ze sprak zelfs haar twijfel niet uit. Ze zei geen woord. Ze had echter meteen haar tegenzet bij de hand. Ze besloot eenvoudigweg mij nimmer bij die naam te noemen.
Binnen tien minuten doopte ze mij om in Angin, wat in het Maleis ‘wind’ betekent, en zij verklaarde wijs en poëtisch: ‘Want de wind neemt de verhalen mee. Kabar angin betekent: “gerucht” – het kan waar zijn, het kan niet waar zijn – of: “verhaal dat op de wind wordt gedragen”.’

 

KEULS

Yvonne Keuls (Batavia, 17 december 1931)

 

De Antilliaanse dichter en schrijver Frank Martinus Arion werd geboren op 17 december 1936 op Curaçao. Hij kwam uit een gezin van drie kinderen. Op tweejarige leeftijd vertrok het gezin naar Aruba omdat Frank’s vader daar een baan kreeg bij de LAGO oliemaatschappij. Toen Frank vier was kwamen zijn zusje en moeder om bij een verkeersongeluk. Frank en zijn overgebleven zusje werden naar hun oma op Curaçao gestuurd. Die voedde hen verder op. Hij groeide op in het levendige Otrabanda, een stadsdeel dat veel beschreven is door andere auteurs. In 1955 vertrok Frank naar Nederland hij was toen 18 jaar oud. Hij studeerde Nederlandse taal en letterkunde in Leiden. Hij kon moeilijk aarden in Nederland en ging eigenlijk alleen om met andere Antillianen. Hij kwam in contact met Cola Debrot. Samen met hem gaf Frank Arion zijn eerste gedichtenbundel uit in 1957. Hierna richtte hij met nog twee andere een Antilliaans tijdschrift op, Encuentro Antilliano. In de jaren ’60 ging hij terug naar de Antillen waar hij voor de Wereldomroep lezingen hield over de Antillen. Tien jaar later besloot Frank Martinus zijn studie af te maken en ging weer terug naar Nederland. Na zijn studie besloot hij zich te gaan inzetten voor het samenbrengen van de Antillianen in Nederland. Hij richtte verschillende clubs en verenigen voor Antillianen op. Ook begon hij aan Dubbelspel, zijn eerste echte roman. Het boek was na uitgave in 1973 meteen een groot succes. Hij won er zelfs de Van der Hoogtprijs mee. Het daarmee gewonnen geld gaf hij aan een organisatie tegen de apartheid in Zuid-Afrika.

 

Uit: De deserteurs (2006)

“Op de hoek van Second Street en Market Street, schuin tegenover State House en de openbare markt, bevond zich het Great Meeting House, sinds 1695 het belangrijkste religieuze centrumvan de quakers. Een blok verder naar de Delaware, op de hoek van Front Street en Chestnut Street, stond het ruime, witte, houten huis van de familie Blincker. Het torende met zijn drie verdiepingen als een grote vogelkooi uit boven de lage stad.Deonderste verdieping was van rode baksteen, als ballast uit Europa ingevoerd, en de bovenste van hout. Het huis, gedeeltelijk nog een overblijfsel uitPenns tijd, was twintig jaar geleden in handen gekomen van de Blinckers.

James Blincker, geboren te Philadelphia, was begonnen als leerling-kabinetmaker, werd daarna leerlingsmid, en nu was hij eigenaar van een zaagmolen en een scheepswerf, gevestigd waar de Schuylkill uitmondt in de Delaware. Op zomerse dagen kon hij vanuit het dakraam met plezier kijken naar de platbodems met hun scherpe boeg en achtersteven die tonnen boomstammen naar zijn bedrijven vervoerden. Hij had altijd een droom gehad: als afstammeling van een familie die ooit in een grot aan de hoge kant van de Delaware had gewoond een hoekhuis aan de waterkant te bezitten. Nu, met zijn vierenveertig jaar, had hij al zo’n twintig schepen verkocht, van kleine, slanke sloepen tot twee indrukwekkende linieschepen.”

 

Arion

Frank Martinus Arion (Curaçao, 17 december 1936)

 

De Nederlandse schrijver Ronald Giphart werd geboren te Dordrecht op 17 december 1965, als zoon van een huisvestingsambtenaar en Wijnie Jabaaij die later kamerlid zou worden voor de PvdA. Zijn ouders scheidden toen Giphart 11 was. Hij ging met zijn vader in Soest wonen, en verhuisde in 1987 naar Utrecht waar hij Nederlands ging studeren. Na drie jaar brak hij zijn studie af. Tijdens zijn werk als nachtportier begon hij te schrijven. Giphart debuteerde in 1992 met Ik ook van jou. Hij schreef daarna nog diverse romans, en was redacteur van het literair tijdschrift Zoetermeer. Giphart publiceert in uiteenlopende tijdschriften, waaronder het NS-tijdschrift Rails. Hij schrijft ook onder het pseudoniem Arnold Hitgrap. In 1998 maakte hij samen met Joost Zwagerman de literaire theatershow ‘Hamerliefde’, die in 2000 wegens succes werd geprolongeerd. In 2003 was zijn novelle Gala boekenweekgeschenk. Sommige christelijke boekhandels weigerden het geschenk te verstrekken. Gedurende een zaterdag was Gala geldig als 2e-klastreinkaartje voor binnenlandse treinreizen per NS. Giphart is lid van het Republikeins Genootschap. Hij treedt ook op in het theater; in het seizoen 2005/2006 met Bart Chabot en Martin Bril in het programma Giphart en Chabot met Bril.

 

Uit: Troost

 

Lekker mag wat mij betreft zo snel mogelijk worden geschrapt uit de voedselencyclopedie. Lekker is een gemaksziekte. Vroeger betekende lekker ‘kieskeurig’ of ‘op goed eten gesteld’, en dat is een betekenis waarmee ik zou kunnen leven. Maar net als het woord ‘leuk’ is het hedendaagse ‘lekker’ afgekalfd en van zijn betekenis ontdaan, en het wordt voornamelijk misbruikt door fabrikanten van inspiratieloze massabagger, en obers van zoveelderangs smaakpapilverkrachters. ‘Was het lekker?’

 

 

giphart

Ronald Giphart (Dordrecht, 17 december 1965)

 

De Engelse dichter, schrijver en publicist Ford Madox Ford werd geboren op 17 december 1873 in Merton, Surrey. Met zijn beroemdste werk uit 1915 “The Good Soldier” verwierf hij grote bekendheid. De roman wordt geprezen om zijn subtiele beschrijving van de illusies en waarheden van het leven.Ford staat ook bekend om zijn voorliefde voor experimenten met fictie en zijn steun aan belangrijke beginnende schrijvers als D.H. Lawrence in het begin van hun carrière.Tussen 1924 en 1928 schreef hij ook de tetralogie “Parade’s End”.Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij officier bij de Royal Welch Fusiliers aan het Westelijk Front.

 Uit: The Good Soldier

“THIS is the saddest story I have ever heard. We had known the Ashburnhams  for nine seasons of the town of Nauheim with an extreme intimacy–or, rather  with an acquaintanceship as loose and easy and yet as close as a good  glove’s with your hand
. My
wife and I knew Captain and Mrs Ashburnham as  well as it was possible to know anybody, and yet, in another sense, we knew nothing at all about them. This is, I believe, a state of things only possible with English people of whom, till today, when I sit down to puzzle  out what I know of this sad affair, I knew nothing whatever. Six months ago  I had never been to England, and, certainly, I had never sounded the depths  of an English heart. I had known the shallows.

I don’t mean to say that we were not acquainted with many English people.  Living, as we perforce lived, in Europe, and being, as we perforce were,  leisured Americans, which is as much as to say that we were un-American, we  were thrown very much into the society of the nicer English. Paris, you see,  was our home. Somewhere between Nice and Bordighera provided yearly winter quarters for us, and Nauheim always received us from July to September. You  will gather from this statement that one of us had, as the saying is, a  “heart”, and, from the statement that my wife is dead, that she was the  sufferer.”

FORDMADDOX

Ford Madox Ford (17 december 1873 – 26 juni 1939)

 

De Franse schrijver Jules de Goncourt werd geboren op 17 december 1830 in Parijs. Belangrijke boeken van de broers De Goncourt zijn onder meer: “Histoire de la société française pendant la révolution” (1854), “Portraits intimes du XVIIIe siècle” (1857-1858, twee delen), “L’art du XVIIIe siècle” (1859-1875, drie delen), “Renée Mauperin” (1864), “Germinie Lacerteux” (1864), “Madame Gervaisais” (1869) en de dagboeken “Le journal des Goncourts” (1887-1896, negen delen).  (Zie ook mijn blog van 26 mei 2006)

Uit:  Le journal des Goncourts

 « Fin Février 1854_.–Tout cet hiver, travail enragé pour notre HISTOIRE DE LA SOCIÉTÉ PENDANT LA RÉVOLUTION. Le matin, nous emportons, d’un coup,

quatre à cinq cents brochures de chez M. Perrot, qui loge près de nous, rue des Martyrs. (Ce M. Perrot, un pauvre, tout pauvre collectionneur quia fait une collection de brochures introuvables, achetées deux sous surles quais, en mettant quelquefois sa montre en gage–une montre en argent.)

Toute la journée, nous dépouillons le papier révolutionnaire et, la nuit, nous écrivons notre livre. Point de femmes, point de monde, point de plaisirs, point d’amusements. Nous avons donné nos vieux habits noirs et n’en avons point fait refaire, pour être dans l’impossibilité d’allerquelque part. Une tension, un labeur continu de la cervelle et sans relâche. Afin de faire un peu d’exercice, de ne pas tomber malades, nous ne nous permettons qu’une promenade après dîner, une promenade dans les ténèbres des boulevards extérieurs, pour n’être point tirés, par la distraction des yeux, de notre travail, de notre enfoncement spirituel en notre oeuvre. »

 

JULESdeCONCOURT
Jules de Goncourt (17 december 1830 – 20 juni 1870)

 

De Duitse schrijver Hans Henny Jahnn werd geboren op 17 december 1894 in Hamburg. Jahnn was de zoon van een scheepsbouwer uit Hamburg. Hij was een overtuigd pacifist; na beëindiging van zijn school in 1915 trok hij naar Noorwegen, om aan WO I te ontkomen. Vrijwel onmiddellijk na de oorlog keerde hij terug; hij was zeer sterk geïnteresseerd in kunst, muziek en mythologie. Zijn eerste toneelstuk, Pastor Ephraim Magnus, lokte in 1919 een groot schandaal uit: het stuk gaat onder andere over incest, atheïsme en zelfmoord, en heeft een priester als hoofdpersonage. Jahnns stukken vormden de bouwstenen van zijn eigen mensheidsvisie; zijn personages zijn irrationeel, handelen uit driften en zijn onderhevig aan een mystieke wetmatigheid. Seksualiteit, al dan niet homoseksueel, speelt in zijn werk een cruciale rol: de dierlijke drift van de mens biedt een tegengewicht tegen de ontmenselijking van de beschaving. In 1933 werd Jahnn schrijfverbod opgelegd: voor de nazi’s was hij decadent en een prediker van ontucht. Anderzijds veroordeelden conservatieve kringen zijn ‘heidense’ invloeden: Jahnn had een grote belangstelling voor de Germaanse mythologie. Hij vluchtte eerst naar Zwitserland, maar in 1934 vestigde hij zich op het eiland Bornholm, waar hij o.a. paarden kweekte. Hij bleef er wonen tot 1950. Zijn grote romantrilogie Fluß ohne Ufer, die een homo-erotische relatie als thema heeft, geldt als zijn hoofdwerk: het is een anti-civiliserend epos over de eenheid van de mens met de natuur, de vriendschap en de geslachtsdrift, de zaken die het leven volgens Jahnn gestalte geven. Het werk heeft een warrige structuur, met muzikale inlassingen, woordspelingen en andere tekstvormen die traditioneel als non-literair worden beschouwd.

 

Uit: Aus dem norwegischen Tagebuch

„Ich schämte mich, als ich zum ersten Mal im Tierpark die großen Sibirischen Tiger eingesperrt sag, die über mich hinwegschauten. Mir stieg das Blut in den Kopf, dass ich vermeinte, er würde mir zerplatzen, und lief davon. Bald darauf aber kehrte ich zum Käfig zurück und bemühte mich, ihnen klar zu machen, dass ich an ihrer Gefangenschaft nicht schuld sei, aber sie glaubten mir nicht, sie wollten mich nicht hören, sie meinten, ich hätte wohl auch Eintrittsgeld bezahlt, den Zins, darum sie gefangen saßen. Da begann ich entsetzlich zu weinen und flehte, dass ich doch möchte die Tigersprache kennen; aber ich musste ihnen endlich auf Deutsch sagen, dass ich sie sehr, sehr liebte, dass ich zu ihnen wollte, um ihnen das Fell zu lecken, und dass sie mich auch fressen dürften – nur glauben sollten sie mir, dass ich sie lieb hätte und nicht schuld wäre an ihrer Gefangenschaft. Ich weinte so sehr vor ihnen und wollte sie befreien; aber ich sah wohl ein, dass es nicht anging, man würde sie erschießen. So bin ich dann noch zwei- oder dreimal an ihrem Käfig gewesen und habe ihnen meine ganze Traurigkeit angeboten, sie möchten fröhlich sein, aber sie lehnten es ab“.

H_Henny_Jahnn

Hans Henny Jahnn (17 december – 29 november 1959)

Adriaan van Dis, Jane Austen, Adriaan van der Veen, Noël Coward, Tip Marugg

De Nederlandse schrijver en televisiemaker Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zijn vader was een blanke Indiër en zijn moeder een boerenmeisje uit Breda dat hij in Indië had leren kennen. Zij had toen al drie dochters uit haar huwelijk met een KNIL-militair. Ook zijn vader was in Indië al eerder getrouwd geweest. De familie was door oorlog getekend. Als overlevende van het door de Britten getorpedeerde schip Junyo Maru werd zijn vader tewerkgesteld aan de Pakan Baroe spoorlijn op Sumatra. De echtgenoot van zijn moeder werd tijdens de Japanse bezetting (1942-1945) onthoofd en zij belandde met haar dochters in een interneringskamp. Adriaan, na de oorlog in Nederland geboren, was als het enige blanke kind en zonder eigen Indische geschiedenis in dit gezin een buitenstaander. Zijn woonomgeving droeg daar ook aan bij. In Bergen aan Zee woonden veel oud-Indiëgangers en Adriaan groeide op in een huis dat door vier repatriantenfamilies werd gedeeld. In 1983 debuteerde Van Dis ook als televisiepresentator en kreeg landelijke bekendheid door zijn literaire praatprogramma Hier is… Adriaan van Dis. Het werd uitgezonden door de VPRO en in 1986 bekroond met de Nipkowschijf. De laatste uitzending was op 3 mei 1992. Van 1999 tot 2002 keerde hij terug op televisie voor vier seizoenen Zomergasten en daarmee sloot hij, naar eigen zeggen, definitief zijn televisiecarrière af. Het oeuvre van Van Dis omvat romans, novelles, verhalen, poëzie en toneel. Zijn werk is in grofweg drie categorieën in te delen. Het eerste deel is geïnspireerd op de vele reizen die hij maakte naar onder andere China, Afrika, Japan, Marokko en Mozambique. Voorbeelden daarvan zijn Casablanca (1986) en In Afrika (1991). Het tweede deel van zijn oeuvre gaat terug op zijn Indische jeugd, zoals Nathan Sid (1983), Indische Duinen (1994) en Familieziek (2002). Tot slot zijn er nog de karakterromans over ontluikende homoseksualiteit, waartoe Zilver (1988) en Dubbelliefde (1999) gerekend kunnen worden.

Uit: Indische duinen

“Ik dacht dat ik hem goed in bedwang had, vastgestampt onder zoden van cynisme, en nu piepte hij plotseling uit zijn graf. Jaren was mijn haat een houvast, alles wat ik deed of naliet kwam voort uit verzet tegen mijn vader. Hij beroepsmilitair, ik lakte mijn nagels om aan de dienst te ontsnappen. Hij een man van de klok, ik zonder en als het even kon te laat. Kracht, spieren, zweet, hoe zwak hij zelf ook was, hij spelde de sportpagina’s; ik moest al kotsen bij het zien van een voetbalschoen. Mijn haat was een bron van energie. Nuances stond ik mij niet toe. Ik weigerde verder over hem na te denken, maar met de jaren merkte ik dat ik meer eigenschappen van hem had dan ik leuk vond, en als ik het zelf niet wist was mijn familie er wel om me erop te wijzen. Ook ik kon niet met geld omgaan, ook in mij woelden drift en wellust, ik had zijn charme, zijn praatlust en zijn neiging tot overdrijven. En hoeveel hekel ik ook aan die eigenschappen had, het lukte me niet ze allemaal te weren. Al scherend zag ik mijzelf meer en meer op hem gaan lijken. Langzaam drong het tot me door dat ik mijn vader slecht kende.”

VanDis

Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)

 

De Engelse schrijfster Jane Austen werd geboren op 16 december 1775 in Steventon, Hampshire. Haar vader was een geestelijke. Het grootste deel van haar leven bleef ze in haar geboortestreek. Austen had zes broers en een oudere zuster, Cassandra, waarmee zij zeer hecht was. Het enige onbetwiste portret van Jane Austen is een gekleurde schets die door Cassandra werd gemaakt en hangt in de National Portrait Gallery in Londen. In 1801 verhuisde de familie naar Bath. In 1802 werd Austen ten huwelijk gevraagd door de rijke Harris Bigg-Wither en zij stemde toe; de volgende dag zei zij dat zij haar woord niet kon houden en trok haar instemming in. De reden hiervoor is niet bekend, maar Austen is nooit getrouwd. Na de dood van haar vader in 1805 woonden Jane, haar zuster en haar moeder daar nog verscheidene jaren tot zij in 1809 naar Chawton verhuisden. Hier had haar rijke broer Edward een landgoed met een plattelandshuisje, dat hij aan zijn moeder en zusters schonk. (Hun huis is tegenwoordig open voor het publiek.) Zelfs nadat zij naam gemaakt had als romanschrijfster, bleef zij in relatieve stilte leven, en begon aan ziekten te lijden. Het wordt nu aangenomen dat zij aan de ziekte van Addison geleden heeft, waarvan toen de oorzaak nog onbekend was. Ze reisde naar Winchester om behandeling te zoeken, maar stierf daar en werd begraven in de kathedraal.

Uit: Pride And Prejudice

“IT is a truth universally acknowledged, that a single man in possession of a good fortune must be in want of a wife.
However little known the feelings or views of such a man may be on his first entering a neighbourhood, this truth is so well fixed in the minds of the surrounding families, that he is considered as the rightful property of some one or other of their daughters.
“My dear Mr. Bennet,” said his lady to him one day, “have you heard that Netherfield Park is let at last?”
Mr. Bennet replied that he had not.
“But it is,” returned she; “for Mrs. Long has just been here, and she told me all about it.”
Mr. Bennet made no answer.
“Do not you want to know who has taken it?” cried his wife impatiently.
“_You_ want to tell me, and I have no objection to hearing it.”
This was invitation enough.
“Why, my dear, you must know, Mrs. Long says that Netherfield is taken by a young man of large fortune from the north of England; that he came down on Monday in a chaise and four to see the place, and was so much delighted with it that he agreed with Mr. Morris immediately; that he is to take possession before Michaelmas, and some of his servants are to be in the house by the end of next week.”
“What is his name?”
“Bingley.”
“Is he married or single?”
“Oh! single, my dear, to be sure! A single man of large fortune; four or five thousand a year. What a fine thing for our girls!”
“How so? how can it affect them?”
“My dear Mr. Bennet,” replied his wife, “how can you be so tiresome! You must know that I am thinking of his marrying one of them.”
“Is that his design in settling here?”
“Design! nonsense, how can you talk so! But it is very likely that he _may_ fall in love with one of them, and therefore you must visit him as soon as he comes.”

JANE

Jane Austen (16 december 1775 – 18 juli 1817)

 

De Nederlandse schrijver Adriaan van der Veen werd geboren op 16 december 1916 in Schiedam. Van der Veen schreef zijn eerste proza voor het tijdschrift Groot Nederland. Jan Greshoff hielp hem aan een baan als journalist bij het tijdschrift Hollandsch Weekblad. In 1940 ging hij naar de Verenigde Staten als correspondent voor Het Vaderland. Na WO II kwam hij terug naar Nederland en ging werken als redacteur letteren bij het NRC. Ook werkte hij voor het blad Criterium. Zijn eerste roman, Wij hebben vleugels (1946), draagt een autobiografisch karakter. Dit geldt nog meer voor Kom mij niet te na (1968) en de vervolgdelen Vriendelijke vreemdeling (1969) en Blijf niet zitten waar je zit (1972); het daarin gegeven relaas van zijn vertrek naar, verblijf in en terugkomst uit Amerika en zijn talrijke ontmoetingen in de schrijverswereld is tevens dat van het zoeken naar vrijheid en zelfbevrijding – persoonlijke herinneringen waarin de lezer evenwel veel van zichzelf herkent. Van zijn latere romans maakte vooral het ontroerende In liefdesnaam (1975, Vijverbergprijs 1977) diepe indruk. Zijn beste liefdesverhalen verzamelde hij in de bundel Alibi voor het onvolkomen hart (1983), naar de eerder verschenen novelle onder die titel (1953). Het werk van Van der Veen draagt sterk het karakter van bekentenisliteratuur. Het ontwikkelde zich onder invloed van de Forum- en Criterium-generatie en van de moderne Amerikaanse schrijvers. De emotionaliteit gaat schuil achter een zakelijke stijl en een on-Hollandse lichtvoetigheid.

Uit: Het wilde feest.

Het was niet helemaal waar. Ik had aan boord wel degelijk onderscheid gevoeld. Onschuld is ook afwezigheid van elke richtlijn. Daardoor was ik heen en weer geslingerd, maar zonder te kiezen, boven de partijen uit, alleen waarnemend, aanvaardend wat ik kon gebruiken zonder ooit verband te leggen. Dat is mij nu pas duidelijk geworden. Ik hoor hen weer door de afstand van de tijd met zware brouwgeluiden elkaar in het Engels aanspreken, bewust hun moedertaal verloochenend om dan af en toe met gedempte stem toch in het Duits terug te vallen. Ik zie hen weer aan het begin van hun lange tocht naar de vrijheid, geduldig opschuivend naar hun beurt in de tochtige paspoortkantoren. Uren hadden zij gezeten in de koude gangen te Parijs, Londen, Luxemburg, Antwerpen, Rotterdam, de ogen gericht op het loket, glimlachend, buigend, dank mompelend als zij weg gingen. Er werd verteld over stadjes in neutrale landen waar zulke goede vluchtelingenkampen waren. Kleine kinderen spraken Duits, Engels, Frans door elkaar, zij hadden al met Duitsland afgerekend.

Een schip topzwaar van uitgestotenen, waar de vluchtelingen met alle neerbuigendheid van Hollanders die een rijk en onafhankelijk land achter zich wisten, door de stewards werden bediend. Zij stalden bij de maaltijden grote stukken vlees uit voor een oude vrouw met een haviksneus en verschrikt dichtgeknepen ogen. Velen liepen tijdens het eten weg, anderen bleven dagen in hun hut. De saus, het vet, de kip, het vlees, voor de welgedane Hollander een achtergrond voor zijn dikke sigaar, deden hen in elkaar krimpen. De schoolmeester met halve brillenglazen en een bescheiden kuif van gladgestreken dof haar, Duits gebleven tot in zijn bevelende kraakstem die men alleen per vergissing nog een enkele keer hoorde uitschieten, lachte schuldig tegen de bediende over zijn gebrek aan eetlust.”

VANDERVEEN

Adriaan van der Veen (16 december 1916 – 7 maart 2003)

 

De Engelse schrijver Noël Coward werd geboren op 16 december 1899 in Teddington, Londen. Hij kreeg al vroeg onderwijs in dansen en zingen en stond al op elfjarige leeftijd op het toneel. Nadat hij het eerst als schrijver van korte verhalen geprobeerd had legde hij zich vanaf 1925 toe op brutaal-frivole komedies, waarin hij meestal de hoofdrol speelde en deels ook zelf de regie voerde. Ook vierde Coward successen als filmacteur, operette- en musicalauteur, componist, zanger, schilder en zelfs alleen al met zijn persoonlijkheid. Zijn stukken zijn technisch perfecte komedies waarmee hij de Engelse traditie van de comedy of manners nieuw leven inblies. Hij bespotte daarin morele conventies en achterhaalde gedragswijzen, betrekt erotische thema’s erin die hij met briljante invallen, grappige dialogen en verrassende situaties tot een amusant, soms diepergaand, geheel samenvoegt. De laatste jaren van zijn leven woonde Coward op Jamaica, waar hij ook overleed.

 

Uit: Operette (1937)

 

The Stately Homes of England

 

“The stately homes of England we proudly represent,
We only keep them up for Americans to rent
.
Tho’ the pipes that supply the bathroom burst
And the lavat’ry makes you fear the worst
It was used by Charles the First (quite informally),
And later by George the Fourth on a journey north,
The state apartments keep their historical reknown,
It’s wiser not to sleep there in case they tumble down;
But still if they ever catch on fire
Which with any luck they might,
We’ll fight for the stately homes of England”.

 

coward

Noël Coward (16 december 1899 – 26 maart 1973)

 

De Antilliaanse schrijver Tip Marugg werd geboren op 16 december 1923 in Willemstad, Curaçao als vijfde van zeven kinderen. Zijn ouders waren beiden rooms-katholiek maar Marugg werd zowel katholiek als protestants opgevoed. Hij haalde zijn mulo-diploma in 1942 en moest daarna vijf jaar in militaire dienst. Vervolgens werkte hij enkele decennia bij Shell. Toen hij meewerkte aan het personeelsblad van Shell, ‘Passaat’, ontdekte hij het plezier van schrijven. Hij debuteerde in 1958 met de roman Weekendpelgrimage. In 1967 volgde In de straten van Tepalka. Pas in 1988 verscheen zijn derde roman, De morgen loeit weer aan die werd genomineerd voor de AKO-Literatuurprijs. Marugg was toen al bijna twintig jaar met pensioen (sinds 1970) en leefde teruggetrokken. Zijn boeken werden onder andere in het Engels en het Russisch. De laatste jaren van zijn leven had hij te kampen met een sterk achteruitgelopen gezichtsvermogen waardoor hij niet goed meer in staat was te lezen en te schrijven. Ook moest hij sinds een jaar voor zijn dood een been missen vanwege een infectie. Alhoewel christelijk opgevoed was Marugg niet gelovig. Zijn ongeloof vormde voor hem een motivatie om te schrijven om zodoende te trachten het leven nog enige zin te geven. Tip Marugg overleed op 22 april van dit jaar. (Zie ook mijn blog van 30 april 2006).

Uit: De morgen loeit weer aan

“Telkens opnieuw ervaar ik het tafereel als absurd. Door de tegenstrijdigheid in het samengaan van de prachtvolle luister van de geboorte van een nieuwe dag met de onnatuurlijke zelfvernietiging van wezens als vogels die ik zo met de natuur vereenzelvig en vooral door de abruptheid waarmee de vogels die te pletter slaan hun krijgshaftige gekrijs tot de zon uitzinnig afbreken, zonder een echo na te laten. En toch, (..) verbaas ik mij erover dat het toneel met die vogels zulk een indruk op mij maakt: heb ik niet altijd, als jongen reeds, het aanbreken van de dag geassocieerd met de dood?”

TIP_MARUGG

Tip Marugg (16 december 1923 – 22 april 2006)

Jan Greshoff, Hans Carossa, François de La Rochefoucauld

Jan Greshoff werd geboren op 15 december 1888 in Nieuw Helvoet. Hij was journalist en schrijver, maar werd vooral bekend als dichter en criticus. Greshoff was vanaf 1908 werkzaam als journalist, onder andere bij het Dagblad voor Zuid-Holland en ’s Gravenhage en voor weekblad De Hofstad. Vanaf 1916 werkte hij op de kunstredactie van De Telegraaf. Van 1920 tot 1923 was hij hoofdredacteur van de Nieuwe Arnhemse Courant. Daarna ging hij aan de slag als freelancer. Het literaire debuut van Greshoff was Lumen, een bundel verzen gebaseerd op een balletscenario. Er zouden vele bundels volgen, waaronder Aardsch en Hemelsch (1926) en Ikaros bekeerd (1938). In het boek Afscheid van Europa (1969) blikt Greshoff terug op zijn (literaire) leven en haalt hij herinneringen op aan veel bekende vrienden, waaronder Adriaan Roland Holst, J.C. Bloem en J. Slauerhoff. De meeste boeken van Greshoff werden uitgegeven door A.A.M. Stols. De uitvoerige correspondentie tussen Greshoff en Stols werd in 1990 uitgegeven door het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. Greshoff woonde geruime tijd in België en Zuid-Afrika. Daar is hij, in Kaapstad, ook gestoreven.

 

Pro Domo

1

 Zij die hun oordeel gronden op de schijn

 Hebben eenparig vastgesteld

 Dat ik een gore cynicus moet zijn

 Met een gemoed vol droesem en venijn:

 Ik ken de liefde niet, ben tuk op geld

 En bonte braspartijen met veel wijn,

 Omdat voor mij alleen de wereld telt.

 Zij hebben de bewijsstukken in handen

 Van mijn geheime en openbare schanden,

 Ik heb ze schaamteloos op rijm vermeld.

 

 

Liedjes in den Volkstoon

1

Ik kan alleen in steden leven

Te midden van de warme drom;

Ik moet van dichtbij zien hoe stom

De Heeren zijn en hoe ze beven.

Want ze zijn bang en liggen plat

Als dubbeltjes voor God en Satan.

Zoek uit maar, hierzoo: de oude Nathan

En Monseigneur, ’t is één pot nat.

Het bed, de buik, de tirannie,

Dat zijn bij dag en nacht hun zorgen;

Ze zijn vandaag precies als morgen:

Beginselvast, Jan Companjie!

Ze staan vroeg op om te gaan stelen

Want stelen is des levens doel,

Maar…. met decorum en gevoel,

Vandaar de kerken en bordeelen.

En, god zij dank, gevangenissen,

Want de ezel die zich snappen laat

Is een gevaar voor iedre staat:

De Smeris kan zich nooit vergissen.

De Goede Burgers zijn habiel

En innig met elkaar verbonden;

Maar dichters en verlaten honden

Moeten sito naar het asyl.

 

GRESSHOFF

Jan Greshoff (15 december 1888 – 19 maart 1971)

 

Hans Carossa werd geboren op 15 december 1878 in Bad Tölz.  Zijn vader was arts, maar ook dichter en schrijver van verhalen. Carossa studeerde medicijnen in München en studeerde met een promotie tot doctor in de medicijnen af in Leipzig. Van 1916 tot 1918 was hij legerarts. In 1906 stuurde hij gedichten naar Richard Dehmel en kwam hij via hem in contact met Hugo von Hofmannsthal. Die introduceerde hem bij de Insel Verlag waar vanaf dat moment al zijn werken verschenen. In 1907 trouwde hij met Valerie Endlicher. In de persoon van Hanna Cornet richtte hij in “Die Schicksale Doktor Bürgers” een literair monument voor haar op. Het perspectief van de arts is uit zijn werk niet weg te denken, zoals in “Der Arzt Gion” (1931) en Tagebuch eines jungen Arztes” (1955). In 1933 koos Carossa voor de “innere Emigration” en bedankte hij voor de Deutsche Akademie der Dichtung. Hij aanvaardde in 1942 daarentegen wel de benoeming tot president van de nationalsozialistische “Europäischen Schriftsteller-Vereinigung”. Carossa was een belangrijke vertegenwoordiger van de Duitse neoromantiek van de eerste decennia van de 20ste eeuw en een tijdgenoot van Hermann Hesse en Thomas Mann

 

De oude fontein

Doof je lamp en slaap!
Het immer wakkere
geklater van de oude fontein weergalmt.
Wie echter gast was onder mijn dak
heeft zich altijd aan dit geluid gewend.
Toch kan het zijn, wanneer je midden
in je droom verwijlt, dat onrust om het huis waart,
dat bij de bron de kiezel knarst van ruwe stappen,
dat het felle pletsen plotseling ophoudt
en je wakker wordt – dan moet je niet schrikken!
De sterren staan voltallig over het land:
het was een zwerver die op het marmeren bekken toetrad;
hij schept van het water in de holte van zijn hand.
Hij loopt zo dadelijk verder. En het ruist weer als voorheen.
O wees blij, je blijft niet eenzaam hier.
Veel trekkers lopen door in het sterrenschijnsel,
en minstens één is onderweg naar jou.

 

Aan een kat

Kat, trotse gevangene,
lange tijd ben je niet meer gekomen.
Nu, over de schemerdonkere tafel
loop je talmend naar mij toe.
Bode van de rust na het werk,
geen vriend van de vlijtige pen,
leg je een voorpoot lichtjes
op het pas geschrevene,
je noopt me opnieuw tot nadenken,
jij die zo beheerst en zo mooi bent!
Zachtjes hoor ik je spinnen
als een heimelijk orgelspel.
Geluidloos gaat een deur open.
Alles wordt bevreemdend.
Als ik je kopje streel
voel ik opeens de maan.
Waaraan denk je? Aan dit ogenblik?
Aan wat je mist of wat je krijgt?
Aan je spel? De jacht? Je prooi?
Of droom je er misschien van,
vrij van verlokkende schimmen
van deze akelige tijd,
goedaardig deel te nemen
aan de menselijke staat,
zalig en in grote berusting
werelden tegemoet te treden,
wandelend in een licht
dat wij beiden niet zien?

 

Vertaling: Francis De Preter

 

Carossa

Hans Carossa (15 december 1878  – 13 september 1956)

 

François de La Rochefoucauld werd geboren op 15 december 1613 in Parijs. In 1628 trouwde hij met Andrée de Vivonne; zij kregen 8 kinderen. Hij nam dienst in het leger en diende o.a. in Italië en de Nederlanden (1635-36). In 1646 werd hij zwaar gewond bij de slag van Mardick. Hij nam deel aan een samenzwering tegen kardinaal Richelieu en verzette zich tegen Mazarin. Richelieu verbande hem van 1639 tot 1642. Na ernstig gewond te zijn 1652 in een slag bij Saint-Antoine, vluchtte La Rochefoucauld naar Luxemburg. Eenmaal terug in Frankrijk verliet hij het politieke krachtenveld en wijdde hij zich aan de literatuur. Vanaf 1656 organiseerde hij in zijn woning in Parijs een intellectuele denktank die als meedenkenden o.a. de dames  De Sablé en  De Sévigné, en De Lafayatte telde. In 1667-1668 nam hij deel aan de Hollandse Veldtocht van Lodewijk XIV. In zijn laatste levensjaren was hij verzwakt door ziektes. Zijn schrijftalent is bij ons vooral bekend gebleven door zijn ‘maximen’: geestige commentaren op onderwerpen uit het dagelijkse leven. Bijvoorbeeld: ‘Enkel een groot man mag grote gebreken hebben’.

 

Maximen:

“De nijd wordt te niet gedaan door ware vriendschap, de behaagzucht door ware liefde.”

 

“Dezelfde trots, die ons de gebreken, waarvan wij ons vrij achten, doet laken, brengt ons ertoe de deugden, die wij missen, te minachten.”

 

“De reden waarom geliefden het nooit moe worden in elkaars gezelschap te zijn is dat ze altijd over zichzelf spreken.”

 

 

ROCHEFOUCAULD

François de La Rochefoucauld  (15 december 1613 – 17 maart 1680)

P. C. Hooftprijs 2007 voor Maarten Biesheuvel

Maarten Biesheuvel heeft de P.C. Hooftprijs gewonnen. Dat heeft het bestuur van de Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde vrijdag bekendgemaakt. Biesheuvels sterk associatieve verteltechniek ‘geeft zijn proza een weldadig effect ven irrationaliteit en onlogica, waardoor het fantastisch element te meer een kans krijgt’, aldus de jury onder leiding van Maarten Asscher. De jury prijst verder Biesheuvels ‘verbeeldingskracht, absurdistische humor en stilistische rijkdom’. Met zijn verhalen, die het autobiografische en het fantastische op een zo wonderbaarlijke manier met elkaar vermengen, heeft hij een unieke en onverwisselbare bijdrage geleverd aan de Nederlandse literatuur. Daarvoor komt hem de P.C. Hooft-prijs 2007 ten volle toe, aldus het jurerende gezelschap.

De P.C. Hooft-prijs 2007 is een oeuvreprijs van 60.000 euro, deze keer weer bedoeld voor proza. De in Leiden wonende Biesheuvel krijgt de onderscheiding op donderdag 24 mei 2007 in het Letterkundig Museum in Den Haag, drie dagen na de sterfdag van de naamgever van de prijs. Biesheuvel kreeg onder meer al de F. Bordewijk-prijs 1985 van de Jan Campert-Stichting voor zijn verhalenbundel Reis door mijn kamer en voor zijn debuut In de bovenkooi uit 1972 ontving hij de Alice van Nahuys-prijs.

Biesheuvel, die rechten studeerde in Leiden, debuteerde in 1972 met de verhalenbundel In de bovenkooi. De gelauwerde auteur past verschillende verteltechnieken toe en staat bekend om zijn wijze van parodiëren en ironiseren. Realistische verhalen, bijvoorbeeld over een gereformeerde opvoeding en een verblijf in een psychiatrische inrichting, worden door de schrijver afgewisseld door surrealistische en malle vertallingen. Ook mixt hij autobiografische gegevens met fictie.

Biesheuvel publiceerde onder meer De weg naar het licht en andere verhalen (1977), Brommer op zee (1982), Een overtollig mens (1988, Boekenweekgeschenk). In 2003 stelde zijn echtgenote Eva Gütlich een bundel uit Biesheuvels verhalen samen.

Uit: Gemiste kans

 

…”Ik trad binnen en zag dertien personen: twee dames en elf heren. Maar wat zagen ze er allemaal merkwaardig uit. Een man die iets kleiner was dan ik kwam op me af. Hij droeg een bruingrijs tweedjasje en een witte pantalon, op zijn neus zat een lorgnon van ouderwets model geklemd. De man keek me guitig aan en leek me heel slim. Het was net of ik hem al eens eerder had gezien. ‘Vlug, doe die deur dicht,’ zei hij, ‘we zijn hier maar incognito.’ ‘U bent toch Vladimir Nabokov?’ vroeg ik verbaasd. ‘Je raadt het,’ zei hij, ‘we zijn hier voor jou gekomen, maar laat ik je eerst aan de andere leden van onze club voorstellen.’ Ik schudde de handen van Homerus, Thomas Mann, Jane Austen, Herman Melville, Gogol, Tolstoj, Vergilius, Dante, Flaubert, Cleopatra, Jezus en Pontius Pilatus. De laatste was een reus van een kerel met rood haar, hij had een wit lang gewaad aan. Om zijn middel zat een strakke gordel en daaraan hing in een fraai bewerkte ivoren schede een dolkmes, waarschijnlijk het mes waarover ik al had horen praten. Pilatus droogde juist zijn handen af aan een rood-wit geblokte theedoek die een beetje naar haring stonk. ‘Nu ken je de leden van de club,’ zei Melville die op sandalen liep, in een Nankingse broek gekleed was en met ontbloot bovenlijf rondliep, hij rookte een pijp, ‘we hebben allemaal jouw werk gelezen. Je hebt nu wel genoeg geschreven. Hou ermee op. Het mooiste verhaal vinden wij allemaal “Brommer op zee”. Sommige andere verhalen halen ook een aardig peil. Homerus is vooral te spreken over “Oculare Biesheuvel”, dat verhaal met die ellendige namenlijst. Nabokov is nogal gesteld op “Een vreemd voorval”. Jane Austen vindt “De merel” prachtig. We zijn hiernaartoe gekomen om je lid te maken van de club. lets mooiers valt er niet te bereiken!’ Jezus keek me aan en zei een beetje stuurs: ‘Maar dan moet je wel meteen meegaan.’ Ik sputterde tegen. ‘Anton Tsjechov heeft “De dame met hondje” geschreven, waarom is hij dan geen lid van de club?’ ‘We wilden hem lid maken,’ sprak Jane Austen terwijl ze heel grappig mijn bewegingen en mijn stemgeluid nabootste, ‘maar op het laatste moment heeft hij de boot gemist.’ ‘Hoe kwam dat dan?’ vroeg ik. ‘Vertellen we je wel op zee,’ lachte Cleopatra.”

 

BIESHEUVEL

Maarten Biesheuvel (Schiedam, 29 mei 1939)

Gerard Reve, Boudewijn Büch, Paul Eluard

Gerard Kornelis van het Reve werd op 14 december 1923 in Amsterdam geboren als zoon van Gerard J.M. van het Reve (schrijvend onder de naam Gerard Vanter) en Janetta Jacoba Doornbusch. Van het Reve groeide op in de wijk Betondorp in de Watergraafsmeer. Hij verhuisde later met zijn ouders naar de Jozef Israëlskade in de Diamantbuurt, waar hij De Avonden zou schrijven en situeren. Na een niet voltooide opleiding aan het Vossius Gymnasium in de jaren 1936-1940 bezocht hij tot 1943 de Grafische School in Amsterdam. Tot 1947 had hij vervolgens verschillende baantjes, waaronder rechtbankverslaggever voor Het Parool, waar hij Simon Carmiggelt leerde kennen. Zowel Gerard Reve als (de door hem zeer bewonderde) Gustave Flaubert werden feitelijk op 13 december geboren. Uit bijgeloof werd Flaubert op 12 december en Reve op 14 december geregistreerd in het geboorteregister. Reve had liever ook de 12e als geboortedatum gehad, want nu liep de dood voortdurend hijgend achter hem aan, terwijl Flaubert achter de dood aansjouwde (zie: Album Gerard Reve). Gerard Reve overleed op 8 april van dit jaar. (Zie mijn blogs van 8 april).

Uit: Nader tot U

 Dan zal ik weten, wie de Soldaat was op wie ik, vier en dertig jaar geleden, verliefd was, en die misschien werkelijk bestaan heeft; wat de hoefsmederij betekent waarachter, in een keuken, onder het gepleisterd licht van een binnenplaatsje, een oude vrouw, dun als een stervende vogel een rode kool in tweeën snijdt; wie de jongen was, die de mondharmonika speelde en water uit de vaart dronk omdat hij dorst had en de sleutel niet had en niet bij de buren wou aanbellen, en daarna gestorven is; o, weemoed van een verloren jeugd die nooit geweest is, en die voor eeuwig stilstaat in de tijd.”

…….

“Er is zo eindeloos veel dat verklaard moet worden: waarom ik de enige was, die mij over de teksten van alle liedjes op school schaamde, en wel wilde schreeuwen van haat en verdriet en vernedering, maar, onmachtig, me beperkte tot een voorgewend meezingen, met geluidloze mondbewegingen. De dichter of schrijver (‘of allebei, of geen van beide’) Simon V. zegt in een interview dat hem kort geleden is afgenomen, dat ik een ‘gestoorde persoonlijkheid ben, maar ik moet dat in twijfel trekken. Het ligt anders, geloof ik. Nu ik hier op de spoordijk zit, op de zuidelijke rand ervan, dicht bij de rails en op achttien passen voorbij een rechtop in de grond gehamerd stuk spoorrail waarop een ijzeren bord met vrijwel onleesbaar opschrift misschien 31 7 vermeldt, besef ik opeens, terwijl ik naar de Geheime Schrijfsteen kijk, die ik op mijn 39ste verjaardag in Londen van het Loodgietend Prijsdier M. heb gekregen, en die helemaal met me mee is gereisd, eerst naar Lissabon, toen naar Algericas en Tanger en nu, via Amsterdam naar hier, dat het, wat Simon V. zich niet heeft gerealiseerd, waarschijnlijk allemaal komt, omdat ik een revist ben. De schrijver of dichter (‘of”ect) Simon V. is geen revist. Als je het niet bent, kan je het niet worden ook, geloof ik – het moet zoiets als Genade zijn.”

GERARD_REVE

Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006)

 

Boudewijn Maria Ignatius Büch werd geboren op 14 december 1943 in Den Haag. Hij groeide op in Wassenaar in een katholiek gezin met vijf broers. Zijn ouders scheidden in 1963. Vader Büchs verdwijnen uit het gezin werd door de resterende gezinsleden als een opluchting ervaren. Zowel Boudewijn als zijn broers herinnerden zich hem later als een tirannieke persoonlijkheid. Büchs schoolopleiding verliep niet voorspoedig. Hij bracht enige jaren door op het gymnasium en de hbs maar eindigde zijn schoolcarrière met een mulo-diploma. Tijdens zijn studententijd was hij redacteur geweest van Proefding het clubblad van de Federatie Studenten Werkgroepen Homoseksualiteit. Ondertussen was zijn aanleg voor het dichterschap opgevallen. Hij vond contact met diverse mentoren in het circuit van kunstenaars en academici in Leiden, en werd aan het begin van de jaren zeventig door steeds meer mensen beschouwd als een erudiet wonderkind. Hij verwierf die status door zijn grote weetgierigheid, een flinke dosis bluf en in sommige gevallen door bewust in te spelen op homo-erotische gevoelens bij zijn bewonderaars, die vaak toonaangevende posities in het Nederlandse cultuurleven bekleedden. Büch mat zich het imago van romantisch-decadente nietsnut aan. Koketteren met een homoseksuele of pedofiele geaardheid was daarvan kennelijk een onderdeel; de serieuze liefdesrelaties die hij tijdens zijn leven had waren echter zonder uitzondering heteroseksueel. Vanaf omstreeks 1973 begon Büch serieus werk te maken van een loopbaan als dichter. Hij legde contact met Harry G.M. Prick, dankzij wiens bemiddeling in 1976 zijn debuutbundel Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs uitkwam.

 

Een vogelbegrafenis

 

mijn poes die heeft geen achternaam

zij kan niet praten en zit vaak

hele dagen voor het raam vliegen

van de vogels af te kijken

 

soms kan een Kauw haar niet ontwijken

die bijt zij dan miauwend dood

 

zo lag vanochtend in het morgenrood

dat op de kamer hing, een beest in onderdelen

mijn kat zat met een linkervleugel nog wat na te spelen

 

ik spreek haar heel bestraffend toe

loop naar de keukenkast en mompel: doet er niet toe

terwijl zij zich zorgvuldig wast

veeg ik met de stoffer poten, veren en een kop in het blik

 

het zachte ruisen van de dood in een plastic

zak. Bij koffiefilters, doppen en oud brood

 

VUILNIS, denk ik. Waarom ben ik voor de droefheid uitgeloot?

 

Le printemps (Jean-François Millet)

Leo kan niet schrijven, vertelt van het gedroomde lied
gewoonweg prachtig, zoiets van groene landerijen
op de rivier ziet
hij blauwe bloemen drijven

de zomer heerst hier ieder jaargetijde
maar anders klinkt de werkelijkheid
wij zitten samen met de muziek, terzijde
het gordijn dat ons van buiten scheidt

dat droeve bier, dat melancholisch doodsgevaar
dat mechaniek ondrinkbaar

als hij zegt: ik lijd soms onder dit bestaan
een dichter, denk ik, wendt het aan

om treurnis te verkopen
totdat ook de taal raakt vastgelopen

Buch

Boudewijn Büch (14 december 1943 – 23 november 2002)

 

De Franse schrijver Paul Eluard, pseudoniem van Eugène Émile Paul Grindel, werd geboren op 14 december 1895 in Saint Denis. Eluard, zoon van een boekhouder, groeide op in een Parijse voorstad. Bepalend voor Eluard werden zijn ervaringen in WO I, waar hij als soldaat aan deelnam en waarin hij een zware gasverwonding opliep. In de gedichten die na de oorlog werden geschreven, wordt zijn pacifistische houding tot uitdrukking gebracht. Eluard keerde zich tegen de gruwelijkheden en de ellende van de oorlog (‘Mourir de ne pas mourir’, 1924; ‘Capitale de la douleur’, 1926). In de jaren twintig sloot Eluard zich aan bij de dadaïsten en bij de surrealisten. Hij hoorde al snel bij de belangrijkste kunstenaars van de avant garde. Hij was sterk bevriend met de schilder Max Ernst en met de dichters André Breton en Louis Aragon.  Onder indruk van de Spaanse burgeroorlog (1936-’38) versterkte hij zijn politieke geëngageerdheid; tegelijkertijd nam hij steeds meer afstand van de surrealisten. Tijdens WO II , waaraan hij als soldaat deelnam (1939-’40), sloot hij zich aan bij de communistische partij in Frankrijk (1942) en werd hij een actief verzetsstrijder tegen de nationaal-socialistische machthebbers (‘Le livre ouvert’, 1940-’42; ‘Poésie et vérité’, 1942). Na het einde van de oorlog heeft Eluard zich actief voor de vrede ingezet.

La Courbe de tes yeux

La courbe de tes yeux fait le tour de mon coeur,
Un rond de danse et de douceur,
Auréole du temps, berceau nocturne et sûr,
Et si je ne sais plus tout ce que j’ai vécu
C’est que tes yeux ne m’ont pas toujours vu.
Feuilles de jour et mousse de rosée,
Roseaux du vent, sourires parfumés,
Ailes couvrant le monde de lumière,
Bateaux chargés du ciel et de la mer,
Chasseurs des bruits et sources des couleurs,
Parfums éclos d’une couvée d’aurores
Qui gît toujours sur la paille des astres,
Comme le jour dépend de l’innocence
Le monde entier dépend de tes yeux purs
Et tout mon sang coule dans leurs regards.

 

 

La terre est bleue

La terre est bleue comme une orange
Jamais une erreur les mots ne mentent pas
Ils ne vous donnent plus à chanter
Au tour des baisers de s’entendre
Les fous et les amours
Elle sa bouche d’alliance
Tous les secrets tous les sourires
Et quels vêtements d’indulgence
À la croire toute nue.

Les guêpes fleurissent vert
L’aube se passe autour du cou
Un collier de fenêtres
Des ailes couvrent les feuilles
Tu as toutes les joies solaires
Tout le soleil sur la terre
Sur les chemins de ta beauté.

Oeil de sourd
Faites mon portait.
Il se modifiera pour remplir tous les vides.
Faites mon portrait sans bruit, seul le silence,
A moins que – s’il – sauf – excepté –
Je ne vous
entends pas.

Il s’agit, il ne s’agit plus.
Je voudrais ressembler –
Fâcheuse coïncidence, entre autres grandes affaires.
Sans fatigue, têtes nouées
Aux mains de mon activité

eluard-2

Paul Eluard  (14 december 1895 – 18 november 1952 )

In memoriam Robert Long

Zanger en liedjesschrijver Robert Long is overleden.

 

Voor mijn vrienden

Als ik zelf zou mogen kiezen
Welk seizoen ik wil sterven
Zou ik zeggen, doet u mij de
Laatste maand van de herfst dan maar

Nee, niet deze herfst natuurlijk
Liefst voorlopig sowieso niet
Want er zijn nog zoveel plannen
Ik ben met het leven nog lang niet klaar

Maar stel dat het leven met mij bijna klaar is
Dan hoop ik maar dat het in ’t najaar zal zijn
Ver voor kerst, oud en nieuw, al die
Middenstandsfeesten
En voor Sinterklaas – want ik haat marsepein

Aan het einde van de herfst
Is alles dood en afgestorven
Mooi moment om te verdwijnen
In de oude novembermist

Zonder heimwee of verlangen
Kijk ik vredig naar de kilte
En daarna sluit ik mijn ogen
Wat bloemen, wat woorden, daar gaat m’n kist

Maar stel dat het leven me nu al wil kisten
Dan hoop ik maar dat ik de winter niet haal
Dan maar geen nieuw tv-seizoen, geen interviews meer
Geen nieuwe cd, en nooit meer 10 Voor Taal

Kijk de winter gaf me altijd
Dat gevoel van hyacinten
En nog even en het leven
Is weer terug in mijn bloedsomloop

Dus als ik zou mogen kiezen
Wil ik sterven in het najaar
Zonder tranen of verlangen
Tevreden en zonder een sprankje hoop

Want hoop heb ik altijd gehad in mijn leven
Het geeft je weer moed, het verzacht en geneest
En als ik daar iets van heb door kunnen geven
Dan ben ik toch niet totaal zinloos geweest

Dus stel dat ik inderdaad sterf voor de winter
Niet al te dramatisch en zonder veel pijn
Dan hoop ik alleen nog dat jullie, mijn vrienden
Die laatste paar uren bij mij zullen zijn.

 

Robert_Long_2

Robert Long (22 oktober 1943 – 13 december 2006)

 

Heinrich Heine, Kenneth Patchen, Robert Gernhardt

De Duitse dichter Heinrich Heine werd geboren in Düsseldorf op 13 december 1797. De Duitse dichter van Joodse afkomst trad in 1825 om opportunistische reden toe tot de Lutherse kerk maar een daadwerkelijke bekering tot het christelijk geloof maakte hij pas mee toen hij aan het eind van zijn leven verlamd op zijn ziekbed in Parijs lag, waar hij sinds 1831 woonde. Heine behoorde tot de Romantiek en maakte vele ironische en spitsvondige gedichten die ook heden ten dage nog aanspreken. Innerlijk was Heine een tegenstrijdig mens, enerzijds voelde hij zich Duitser, anderzijds wereldburger; dezelfde soort dubbele gevoelens had hij ook ten aanzien van het jodendom en de romantiek. Beroemd is zijn uitspraak dat “Wo man Bücher verbrennt, verbrennt man am Ende auch Menschen” (“Waar men boeken verbrandt, verbrandt men uiteindelijk ook mensen”) die als een profetische vooruitblik geldt voor wat er later in het ‘Derde Rijk’ van Hitler plaatsvond. Een beroemde dichtbundel van hem is Das Buch der Lieder (Het Liederenboek) met onder andere Die Lorelei en Im wunderschönen Monat Mai.

 

Bergidylle – 2  (Uit: Die Harzreise, 1824)

Tannenbaum, mit grünen Fingern,
Pocht ans niedre Fensterlein,
Und der Mond, der stille Lauscher,
Wirft sein goldnes Licht herein.

Vater, Mutter schnarchen leise
In dem nahen Schlafgemach,
Doch wir beide, selig schwatzend,
Halten uns einander wach.

»Daß du gar zu oft gebetet,
Das zu glauben wird mir schwer,
Jenes Zucken deiner Lippen
Kommt wohl nicht vom Beten her.

Jenes böse, kalte Zucken,
Das erschreckt mich jedesmal,
Doch die dunkle Angst beschwichtigt
Deiner Augen frommer Strahl.

Auch bezweifl ich, daß du glaubest,
Was so rechter Glauben heißt –
Glaubst wohl nicht an Gott den Vater,
An den Sohn und heilgen Geist?«

Ach, mein Kindchen, schon als Knabe,
Als ich saß auf Mutters Schoß,
Glaubte ich an Gott den Vater,
Der da waltet gut und groß;

Der die schöne Erd erschaffen,
Und die schönen Menschen drauf,
Der den Sonnen, Monden, Sternen
Vorgezeichnet ihren Lauf.

Als ich größer wurde, Kindchen,
Noch viel mehr begriff ich schon,
Ich begriff, und ward vernünftig,
Und ich glaub auch an den Sohn;

An den lieben Sohn, der liebend
Uns die Liebe offenbart,
Und zum Lohne, wie gebräuchlich,
Von dem Volk gekreuzigt ward.

Jetzo, da ich ausgewachsen,
Viel gelesen, viel gereist,
Schwillt mein Herz, und ganz von Herzen
Glaub ich an den heilgen Geist.

Dieser tat die größten Wunder,
Und viel größre tut er noch;
Er zerbrach die Zwingherrnburgen,
Und zerbrach des Knechtes Joch.

Alte Todeswunden heilt er,
Und erneut das alte Recht:
Alle Menschen, gleichgeboren,
Sind ein adliges Geschlecht.

Er verscheucht die bösen Nebel
Und das dunkle Hirngespinst,
Das uns Lieb und Lust verleidet,
Tag und Nacht uns angegrinst.

Tausend Ritter, wohlgewappnet,
Hat der heilge Geist erwählt,
Seinen Willen zu erfüllen,
Und er hat sie mutbeseelt.

Ihre treuen Schwerter blitzen,
Ihre guten Banner wehn!
Ei, du möchtest wohl, mein Kindchen,
Solche stolze Ritter sehn?

Nun, so schau mich an, mein Kindchen,
Schau mich an, und küsse dreist;
Denn ich selber bin ein solcher
Ritter von dem heilgen Geist.

 

Wo?:

Wo wird einst des Wandermüden
letzte Ruhestätte sein?
Unter Palmen in dem Süden?
Unter Linden an dem Rhein?

Werd ich wo in einer Wüste
eingescharrt von fremder Hand?
Oder ruh ich an der Küste
eines Meeres in dem Sand?

Immerhin, mich wird umgeben
Gotteshimmel, dort wie hier.
Und als Totenlampen schweben
nachts die Sterne über mir.

 

HEINE

Heinrich Heine (13 december 1797- 17 februari 1856)

 

De Amerikaan Kenneth Patchen werd geboren op 13 december 1911. Hij was een van de grootste en meest invloedrijke dichters van de twintigste eeuw, die ontroering, humor en woede vormgaf in onder meer jazz poetry (slam avant la lettre), picture poems en eigenzinnige vormexperimenten. Zijn impact op de Amerikaanse poëzie is vergelijkbaar met die van Lucebert op de Nederlandse, zij het dat de laatste een stevige generatie later zich deed gelden. Patchen produceerde tussen 1936 en 1972 zo’n 25 dichtbundels, drie romans en een aantal hoorspelen en toneelstukken. Ook in zijn vroege werk betoont hij zich al een vernieuwer. Hij werkte samen met onder anderen John Cage en Mingus en produceerde de tweede helft van zijn leven, waarin hij na een noodlottige val van een operatietafel aan bed gekluisterd was met een zeer pijnlijke rugaandoening vele picture poems, fabels en gedichten.

 

Do the Dead Know what Time It Is?

         The old guy put down his beer.
Son, he said,
(and a girl came over to the table where we were:
asked us by Jack Christ to buy her a drink.)
Son, I am going to tell you something
The like of which nobody was ever told.
(and the girl said, I’ve got nothing on tonight;
how about you and me going to your place?)
I am going to tell you the story of my mother’s
Meeting with God.
(and I whispered to the girl: I don’t have a room,
but maybe…)
She walked up to where the top of the world is
And He came right up to her and said
So at last you’ve come home.
(but maybe what?
I thought I’d like to stay here and talk to you.)
My mother started to cry and God
Put His arms around her.
(about what?
Oh, just talk…we’ll find something.)
She said it was like a fog coming over her face
And light was everywhere and a soft voice saying
You can stop crying now.
(what can we talk about that will take all night?
and I said that I didn’t know.)

You can stop crying now.

 

Blues van de eenzame man

 

O niemand is een lange tijd
Nergens is een grote buidel
om kleine stukjes
mooie dingen te verbergen die

 

nooit echt zijn gebeurd

 

voor iedereen behalve
die mensen die het geluk hadden
nooit geboren te zijn
O eenzaam is geen fijne plek

 

om in gepropt te worden

 

met alleen
jezelf heen en weer rijdend
op
een blind wit paard
over een verlaten weg waar je
al je
vrienden van nabij ontmoet

 

Niemand is een lange tijd

 

Vertaling: Adriaan Krabbendam

PATCHEN

Kenneth Patchen (13 december 1911 – 8 januari 1972)

 

De Duitse dichter en schrijver Robert Gernhardt werd op 13 december 1937 als zoon van een rechter in het Estische Reval (het huidige Tallinn) geboren. De familie Gernhardt behoorde tot de Duits-Baltische minderheid in Estland en moest in 1939, als gevolg van het Hitler-Stalin-Pakt met de daaruitvolgende annexatie van het Balticum door de Sovjet-Unie naar Posen in (het door Nazi-Duitsland geannexeerde deel van) Polen verhuizen. In 1945 sneuvelde zijn vader, en na de oorlog werd de familie, net als vele andere Duitsers, door de Russen en Polen verdreven. De moeder vluchtte met haar drie zonen Robert, Per en Andreas via Thüringen naar Bissendorf bij Hannover. In 1946 verhuisde de familie verder naar Göttingen. Na zijn middelbare studies in 1956 studeerde Gernhardt in Stuttgart en Berlijn schilderkunst aan de Academie voor Beeldende Kunst, later volgde hij germanistiek aan de Vrije Universiteit Berlijn. Sinds 1964 leefde hij als zelfstandig schilder, tekenaar, karikaturist en auteur in Frankfurt am Main. In 1965 huwde hij schilderes Almut Ullrich, met wie hij verschillende kinderboeken uitbracht. Na de dood van zijn echtgenote in 1989 huwde hij in 1990 Almut Gehebe. Gernhardt en zijn vrouw waren Italië-liefhebbers – zij hadden een huis in Toscane waar ze drie tot vier maanden per jaar doorbrachten. Op 30 juni 2006 stierf hij in Frankfurt am Main aan de gevolgen van darmkanker, waaraan hij sinds juli 2002 leed. Van april 1964 tot december 1965 was Gernhardt redacteur van het satirische tijdschrift Pardon, waar hij in 1964 een van de mede-oprichters was van de rubriek “Welt im Spiegel“, die tot 1976 verscheen en die een grote invloed uitoefende op de humoristische literatuur. Gernhardts erkenning als betekenisvol lyricus door de Duitse literatuurcritici kwam er pas in de jaren 90. Heden wordt hij als een van de belangrijkste hedendaagse dichters in het Duitse taalgebied aangezien. In de loop der jaren evolueerde zijn werk daarbij van enkel nonsens-versen en humoristische vormen naar een veelzijdige lyriek. Hij oogstte vooral respect voor zijn kunst in zijn gedichten gevoelens als droefheid en angst met ironie en humor te verbinden. Zijn ter gelegenheid van zijn 60e verjaardag (1997) verschenen band “Lichte Gedichte“, waarin hij zijn ervaringen met een hartinfarct en de daaropvolgende operatie verwerkt, werd zeer geprezen. In de in 2004 verschenen bundel “K-Gedichten” thematiseerde hij zijn kanker.

 

Am Abend

 

Wenn ich vom Abendlärm der Städte
getrieben in die Schenke trete
um erst mit innigstem Behagen
so ein, zwei Klare einzujagen
um dann mit freudigstem Begreifen
diverse Bierchen einzupfeifen
um drauf mit holdestem Entzücken
rasch drei, vier Obstler zu verdrücken
um noch mit dankbarstem Verstehen
verschiedne Weine einzudrehen –
dann pfleg ich mit gespieltem Klagen
“Ach, ach” und auch “Doch, doch” zu sagen.

 

 

Der ICE hat eine Bremsstörung hinter Karlsruhe

Lila umflammt der Flieder die Hütte.
In Blumen versinkt die rostende Wanne.
Staubtrocken der Weg. Es zerrt unablässig
ein Wind an den Gräsern.

Alles im Rausch: Die Schwalben, die Blüten
Alles im Lot: Die Zäune, die Hecken
Alles im Licht: Der Schotter, die Schwellen
Alles im Arsch: Die Bremsen, der Zeitplan.

 

Trost im Gedicht

Denk dir ein Trüffelschwein,
denk’s wieder weg:
Wird es auch noch so klein,
wird nie verschwunden sein,
bleibt doch ein Fleck.

Was je ein Mensch gedacht,
läßt eine Spur.
Wirkt als verborgne Macht,
und erst die letzte Nacht
löscht die Kontur.

Hat auch der Schein sein Sein
und seinen Sinn.
Mußt ihm nur Sein verleihn:
Denk Dir kein Trüffelschwein,
denk’s wieder hin.

gernhardt

Robert Gernhardt (13 december 1937 – 30 juni 2006)

Gustave Flaubert, John Osborne, Shrinivási

Gustave Flaubert werd op 12 december 1821 geboren in Rouen. Hoewel hij op school weinig uitvoert, houdt hij zich al vanaf zijn elfde bezig met literatuur. Flaubert verlaat Rouen in 1840 om in Parijs rechten te gaan studeren. In 1846 besluit hij in Croisset, vlakbij Rouen, een huis te maken voor zijn moeder, die alleen is achtergebleven in Rouen, nadat zijn vader en zijn zus Caroline zijn overleden. Het is voor hem ook een reden om Parijs en zijn rechtenstudie te kunnen verlaten. Het huis in Croisset blijft zijn woonplaats voor de rest van zijn leven. Van 1846 tot 1854 onderhoudt Flaubert een relatie met de dichteres Louise Colet. Hun brieven zijn bewaard, en volgens Emile Faguet was dit de enige sentimental episode van belang in het leven van Flaubert, die nooit is getrouwd. Zijn beste vriend op dat moment was Maxime du Camp, met wie hij in 1846 naar Bretagne reisde, en in 1849 naar Griekenland en Egypte. Bij zijn terugkeer uit het verre oosten, in 1850, begint hij met het schrijven van het boek “Madame Bovary”. Hij had daarvoor nog nauwelijks iets geschreven of gepubliceerd. Het schrijven van de roman kost hem uiteindelijk zes jaar voorbereiding, en vanaf 1857 wordt het in afleveringen geplaatst in het blad “Revue de Paris”. In eerste instantie is er uit bepaalde hoeken verzet tegen de publicatie: de overheid klaagt zowel hem als de uitgever aan, omdat de roman immoreel zou zijn. Wanneer het verhaal uiteindelijk in boekvorm verschijnt, krijgt het echter een warm onthaal.

Uit: Madame Bovary

« Les bonnes religieuses, qui avaient si bien présumé de sa vocation, s’aperçurent avec de grands étonnements que mademoiselle Rouault semblait échapper à leur soin. Elles lui avaient, en effet, tant prodigué les offices, les retraites, les neuvaines et les sermons, si bien prêché le respect que l’on doit aux saints et aux martyrs, et donné tant de bons conseils pour la modestie du corps et le salut de son âme, qu’elle fit comme les chevaux que l’on tire par la bride: elle s’arrêta court et le mors lui sortit des dents. Cet esprit, positif au milieu de ses enthousiasmes, qui avait aimé l’église pour ses fleurs, la musique pour les paroles des romances, et la littérature pour ses excitations passionnelles, s’insurgeait devant les mystères de la foi, de même qu’elle s’irritait davantage contre la discipline, qui était quelque chose d’antipathique à sa constitution. Quand son père la retira de pension, on ne fut point fâché de la voir partir. La supérieure trouvait même qu’elle était devenue, dans les derniers temps, peu révérencieuse envers la communauté.

Emma, rentrée chez elle, se plut d’abord au commandement des domestiques, prit ensuite la campagne en dégoût et regretta son couvent. Quand Charles vint aux Bertaux pour la première fois, elle se considérait comme fort désillusionnée, n’ayant plus rien à apprendre, ne devant plus rien sentir.

 Mais l’anxiété d’un état nouveau, ou peut-être l’irritation causée par la présence de cet homme, avait suffi à lui faire croire qu’elle possédait enfin cette passion merveilleuse qui jusqu’alors s’était tenue comme un grand oiseau au plumage rose planant dans la splendeur des ciels poétiques; — et elle ne pouvait s’imaginer à présent que ce calme où elle vivait fût le bonheur qu’elle avait rêvé.»

FLAUBERT

Gustave Flaubert (12 december 1821 – 8 mei 1880)

 

De Engelse toneelschrijver John James Osborne werd geboren op 12 dezember 1929 in Fulham als zoon van een reclameschrijver. Hij bezocht het Balmont College in Devon, maar werd na een aanval op de schoolleiding weggestuurd. Hij kwam bij het theater terecht, waar hij begon te werken als coördinator en tenslotte ook als acteur. Tegelijkertijd zette hij de eerste stappen op het schrijverspad en twee van zijn vroegste stukken The devil inside her en Personal Enemy werden in kleinere theaters opgevoerd voordat hij in 1956 zijn succesvolste toneelstuk Look Back In Anger, nog geheel in naturalistische stijl geschreven, aanbood aan de nieuw opgerichte “English Stage Company”  van Londens “Royal Court Theatre”. Het gezelschap onder leiding van George Devine herkende in het drama de woedende en rebellerende uitdrukkingswijze van een nieuw naoorlogs gevoel en nam het stuk binnen de kortste keren in hun speelplan op. De kritieken waren gemengd, maar Kenneth Tynan, een van de invloedrijkste critici van zijn tijd – prees het stuk de hemel in. Snel ontwikkelde het zich tot een commercieel succes, ook in de VS, waar het op Broadway gespeeld werd en tensloote met Richard Burton in de hoofdrol verfilmd werd. Zijn volgende werk was The Entertainer, dat ook aan het Royal Court Theatre in première ging met Laurence Olivier in de hoofdrol.

 

Uit: Look Back in Anger

 

“The injustice of it is almost perfect! The wrong people going hungry, the wrong people being loved, the wrong people dying! Was I really wrong to believe that there’s a–a kind of–burning virility of mind and spirit that looks for something as powerful as itself? The heaviest, strongest creatures in this world seem to be the loneliest.” 

 

……

 

“If only something—something would happen to you, and wake you out of your beauty sleep! If you could have a child, and it would die. Let it grow, let a recognisable human face emerge from that little mass of India rubber and wrinkles. Please—if only I could watch you face that. I wonder if you might even become a recognisable human being yourself. But I doubt it.”

 

 

JOHN-OSBORNE

John Osborne (12 december 1929 – 24 december 1994)

 

Shrinivási is een Surinaams dichter, wiens burgerlijke naam luidt Martinus Haridat Lutchman. Zijn pseudoniem betekent: edele bewoner van Suriname. Shrinivási werd geboren op 12 december 1926 op de grond Vaderszorg, Kwatta, in het district Beneden-Suriname. Zijn werk liet Shrinivási aanvankelijk verschijnen onder het pseudoniem Fernando, maar later koos hij definitief voor Shrinivási. Zijn werk verscheen in de tijdschriften Tongoni, Soela en Moetete. Zijn eerste bundel kwam uit in 1963: Anjali. Deze was de voorbode van een reeks bundels met veel poëzie van uitzonderlijke kwaliteit waarvan de voornaamste zijn: Pratikshā (1968), Dilākār (teken van het hart) (1970), Om de zon (1972) en Oog in oog (frente a frente) (1974), Sangam (Ontmoeting) (1991). Shrinivási heeft een beperkt aantal gedichten geschreven in het Hindi en Sarnami (in Pratikshā staat het eerste gedicht dat ooit in deze taal werd geschreven), het merendeel van zijn werk schreef hij in het Nederlands. Zowat alle emoties die met het wel en wee van Suriname samenhangen zijn in zijn poëzie terug te vinden. Hij staat bekend aIs de ‘dichter van de ontmoeting’, maar schreef ook uitermate cynisch over zijn land. Hij woonde over verschillende periodes buiten Suriname (met name op Curaçao en in Nederland) en maakte grote reizen, ervaringen die de niet eng-nationalistische wijze van waarnemen hebben bepaald. Naast Suriname zijn vast terugkerende elementen: liefde, kinderen, grenzen, dood en het universele van culturen. Een grote bloemlezing uit zijn poëzie werd samengesteld en ingeleid door Geert Koefoed, Een weinig van het andere (1984). Shrinivási schreef ook een klein aantal verhalen die sterk bepaald zijn door metaforisch taalgebruik. Belangrijk is de bloemlezing uit de Surinaamse poëzie die hij samenstelde: Wortoe d’e tan abra (Woorden die overblijven, 1970, uitgebreid in 1974). Hij maakte deel uit van de redactie van het tijdschrift Moetete (1968) en stelde met Thea Doelwijt de collectie Rebirth in words (1981) samen. Shrinivási is een vaak geziene gast op scholen en werkt mee aan poëzieprojecten. Zijn werk werd enkele malen bekroond, onder meer met de Gouverneur Currie-prijs (1974) en de Staatsprijs voor Literatuur 1989-1991.

 

Ik zaai je

Ik zaai je
plant je
oogst je
in alle tijden.

Nu
hiervoor
hierna.

Jij bent mijn werk-woord
meer nog dan hebben
meer nog dan worden
een onverzadigbaar verlangen.

Het paradigma
van mijn hart
ben jij.

Dageraadzacht
als het licht achter
je heuvels
’s middags
verknocht met mij
als kleinste schaduw;
gloeiend
tegen de hemel
’s avonds
’s nachts
warmte in
al mijn leden.

Middernachtelijk zijt
gij
en tussen de regels door
mateloos.

Zolang ik leef
ben ik je nu
telkens word ik
jou meer.

Ik zaai je
plant je
groei je;
telkens opnieuw
leef ik je
wonderlijk oogst ik
jou
twee maal
binnen de welkome
handen van
één jaar.

SHRINIVASI

Shrinivási (Vaderszorg, Kwatta, 12 december 1926)

 

Alfred de Musset, Aleksandr Solzjenitsyn, Naguib Mahfouz

Romenu heeft recent een mooie carrière switch gemaakt. Helaas zal ik met ingang vandaag dan wel wat minder tijd voor dit blog krijgen. Dat gaat echter, verwacht ik, niet ten koste van de dagelijkse berichten, maar wel van de “volledigheid”. Dus minder dichters / schrijvers per keer. Van deze gelegenheid wil ik meteen gebruik maken het nog steeds groeiende aantal vaste bezoekers te bedanken voor hun interesse en voor de complimenten die ik tot nu toe al mocht ontvangen. Terzake:

Alfred de Musset werd geboren op 11 december 1810 in Parijs. De Musset rondde zijn middelbare schooltijd met succes af en begon achtereenvolgens met studies in de rechten en de geneeskunde, die hij beide al vlug opgaf om het leven van een jonge dandy te leiden in de romantische cenakels. Daar maakte de Musset kennis met andere nieuwe dichters en schrijvers zoals Victor Hugo, Alfred de Vigny, Prosper Mérimée en Sainte-Beuve. Zijn eerste originele werk, de verzenbundel Contes d’Espagne et d’Italie, werd in 1829 gepubliceerd en was een onmiddellijk succes. Deze verzenbundel bevatte ook een van zijn bekendste gedichten: Ballade à la lune. Na zijn eerste verzenbundel richtte de Musset zich op het theater. In 1830 bracht hij zijn eerste stuk, La Nuit vénitienne ou Les Noces de Laurette op de planken. Dit stuk was echter totaal geen succes. Sommigen opperen de mogelijkheid dat er een sterke oppositie tegen zijn stuk was georganiseerd. De Musset reageerde hierop in een manier die tekenend is voor zijn karakter. Daar waar een ander schrijver, zeker van zijn genie, misschien het publiek verder zou hebben bestookt met zijn stukken, gaf de Musset het op, vervuld met afschuw door zijn falen. Vanaf dan schreef Musset enkel nog toneelstukken die bestemd waren om te worden gelezen. Medio 1833 begon de Musset een stormachtige verhouding met de Franse schrijfster George Sand. De verhouding was zeer passioneel, maar eindigde abrupt in maart 1834 in Venetië. Deze op de klippen gelopen relatie betekende een grote klap voor de Musset en gaf aan zijn genie een soort van pijnlijke maturiteit. Hij toonde zijn gevoelens van wrangheid en desillusie. Die bitterheid vindt men terug in zijn misschien wel bekendste werken: in de toneelstukken uit de periode 1833-34 (Caprices de Marianne, Lorenzaccio, On ne badine pas avec l’amour) en in de vier grote gedichten van Les Nuits (1835-37), die een ware kroniek van zijn gevoelens vormen. Uiteindelijk zal zijn relatie met Sand ook zijn weg vinden naar de Mussets proza, nl. in de quasi autobiografische roman La Confession d’un enfant du siècle (1836).

Tristesse

J’ai perdu ma force et ma vie,
Et mes amis et ma gaieté;
J’ai perdu jusqu’à la fierté
Qui faisait croire à mon génie.

Quand j’ai connu la Vérité,
J’ai cru que c’était une amie;
Quand je l’ai comprise et sentie,
J’en étais déjà dégoûté.

Et pourtant elle est éternelle,
Et ceux qui se sont passés d’elle
Ici-bas ont tout ignoré.

Dieu parle, il faut qu’on lui réponde.
Le seul bien qui me reste au monde
Est d’avoir quelquefois pleuré.

 

La nuit

Quand la lune blanche
S’accroche à la branche
Pour voir
Si quelque feu rouge
Dans l’horizon bouge
Le soir,

Fol alors qui livre
A la nuit son livre
Savant,
Son pied aux collines,
Et ses mandolines
Au vent ;

Fol qui dit un conte,
Car minuit qui compte
Le temps,
Passe avec le prince
Des sabbats qui grince
Des dents.

L’amant qui compare
Quelque beauté rare
Au jour,
Tire une ballade
De son coeur malade
D’amour.

Mais voici dans l’ombre
Qu’une ronde sombre
Se fait,
L’enfer autour danse,
Tous dans un silence
Parfait.

Tout pendu de Grève,
Tout Juif mort soulève
Son front,
Tous noyés des havres
Pressent leurs cadavres
En rond.

Et les âmes feues
Joignent leurs mains bleues
Sans os ;
Lui tranquille chante
D’une voix touchante
Ses maux.

Mais lorsque sa harpe,
Où flotte une écharpe,
Se tait,
Il veut fuir… La danse
L’entoure en silence
Parfait.

Le cercle l’embrasse,
Son pied s’entrelace
Aux morts,
Sa tête se brise
Sur la terre grise !
Alors

La ronde contente,
En ris éclatante,
Le prend ;
Tout mort sans rancune
Trouve au clair de lune
Son rang.

Car la lune blanche
S’accroche à la branche
Pour voir
Si quelque feu rouge
Dans l’horizon bouge
Le soir.!

musset
Alfred de Musset (11 december 1810 –  2 mei 1857)

 

De Russische schrijver en historicus Aleksandr Isajevitsj Solzjenitsyn werd geboren in Kislovodskb op 11 december 1918. In 1970 ontving Solzjenitsyn de Nobelprijs voor de Literatuur. Dankzij zijn monumentale werk De Goelag archipel (verschenen in Parijs tussen 1973 en 1975) kon de grotere buitenwereld kennisnemen van de werkkampen in de Sovjet-Unie, de Goelag. Overigens had hij al in Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj over de goelag geschreven en nog eerder (in 1951) had Gustaw Herling-Grudziński over zijn ervaringen in de goelag geschreven. Na publicatie van de eerste delen werd de schrijver gearresteerd en in 1974 uitgewezen. Via Zwitserland kwam Solzjenitsyn in 1976 uiteindelijk in de Amerikaanse staat Vermont terecht.Onder partijleider Michail Gorbatsjov ontspande de situatie in de Sovjet-Unie zich: vanaf 1989 mochten er weer werken van Solzjenitsyn verschijnen en de schrijver kreeg in 1990 het staatsburgerschap terug. Vier jaar later, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, keerde hij naar Rusland terug.

Uit: One  Day  in  the  Life  of  Ivan  Denisovich

“The hammer banged reveille on the rail outside camp HQ at five o’clock as always.  Time to get up.  The ragged noise was muffled by ice two fingers thick on the windows and soon died away.  Too cold for the warder to go on hammering.

The jangling stopped.  Outside, it was still as dark as when Shukhov had gotten up in the night to use the latrine bucket — pitch-black, except for three yellow lights visible from the window, two in the perimeter, one inside the camp.

For some reason they were slow unlocking the hut, and he couldn’t hear the usual sound of the orderlies mounting the latrine bucket on poles to carry it out.

Shukhov never overslept.  He was always up at the call.  That way he had an hour and a half all to himself before work parade — time for a man who knew his way around to earn a bit on the side.  He could stitch covers for somebody’s mittens from a piece of old lining.  Take some rich foreman his felt boots while he was still in his bunk (save him hopping around barefoot, fishing them out of the heap after drying).  Rush round the storerooms looking for odd jobs — sweeping up or running errands.  Go to the mess to stack bowls and carry them to the washers-up.  You’d get something to eat, but there were too many volunteers, swarms of them.  And the worst of it was that if there was anything left in a bowl, you couldn’t help licking it.  Shukhov never for a moment forgot what his first foreman, Kuzyomin, had told him.  An old camp wolf, twelve years inside by 1943.  One day around the campfire in a forest clearing he told the reinforcements fresh from the front, “It’s the law of the taiga here, men.  But a man can live here, just like anywhere else.  Know who croaks first?  The guy who licks out bowls, puts his faith in the sick bay, or squeals to godfather.”

ALEXAN_SOLZ

Aleksandr Solzjenitsyn (Kislovodskb, 11 december 1918)

 

De Egyptische schrijver Naguib Mahfouz werd geboren op 11 december 1911 in Caïro. Hij was een van de meest vooraanstaande intellectuelen uit de Arabische wereld. Hij is vooral bekend van zijn sociaal-realistische romans.Tot zijn bekendste romans behoren “Tussen twee paleizen”,Paleis van verlangen” en “Suikersteeg”, een trilogie die zich afspeelt in een oude wijk van Caïro. Met “De kinderen van onze wijk” zorgde Mahfouz in 1959 voor ophef. Het boek over geloof en valse leerstellingen werd door islamitische critici bestempeld als “godslasterlijk”. Hij noemde “het plooien van het klassieke Arabische naar de eisen van de moderne vertellingen” dan ook zijn zwaarste strijd. Mahfouz schreef meer dan vijftig boeken. In 1994 overleefde hij een moordaanslag van een religieuze fanaticus. Mahfouz stierf op 30 augustus 2006.

Uit: Zaabalawi (1965)

“Zaabalawi!” he said, frowning in concentration, “You need him? God be with you, for who knows, I Zaabalawi, where you are?”
“Doesn’t he visit you?” I asked eagerly.
“He visited me some time ago. He might well come now; on the other hand I mightn’t see him till death!”
I gave an audible sigh and asked:
“What made him like that?”
He took up his lute. “Such are saints or they would not be saints,” he said laughing.
“Do those who need him suffer as I do?”
“Such suffering is part of the cure!”

Zie ook mijn Blog van 30 augustus 2006.

Mahfouz

Naguib Mahfouz (11 december 1911 – 30 augustus 2006)

Emily Dickinson, Nelly Sachs, Gertrud Kolmar, Karl Heinrich Waggerl, Ara Baliozian, Eugène Sue

De Amerikaanse dichteres Emily Dickinson werd geboren op 10 december 1830 in een welgestelde familie in het Amerikaanse Amherst, Massachusetts. Dickinson bleef ongehuwd en zou het grootste gedeelte van haar leven binnen de muren van het familiehuis doorbrengen. Jarenlang is aangenomen dat deze keuze voortvloeide uit xenofobie, maar uit recent onderzoek van haar correspondentie blijkt dat dit kluizenaarschap uit vrije wil was gekozen, zodat ze dichter bij haar eigen kern kon komen. Ofschoon ze zichzelf afsloot van de wereld, bleef ze toch op de hoogte van de literaire ontwikkelingen door het lezen van John Ruskin, John Keats en Thomas Browne. Door velen is het opgemerkt dat haar wijze van schrijven opvallend veel overeenkomsten vertoont met het werk van de Amerikaanse dichter Walt Whitman (1819-1892), wiens werk gekenmerkt wordt door het gebruik van ‘Amerikaans Engels’ en vrij vers. Ondanks de uitzonderlijke originaliteit van Dickinsons werk werden er tijdens haar leven slechts zeven van de bijna achtienhonderd gedichten gepubliceerd. Algemene erkenning van haar werk vond pas plaats in de twintigste eeuw. In Nederland geldt Simon Vestdijk als haar “ontdekker”: zijn essaydebuut in Forum,  begin 1933, betreft een verdediging en behandeling van Dickinsons poëzie.

 

A Thunderstorm

The wind begun to rock the grass
With threatening tunes and low, –
He flung a menace at the earth,
A menace at the sky.

The leaves unhooked themselves from trees
And started all abroad;
The dust did scoop itself like hands
And throw away the road.

The wagons quickened on the streets,
The thunder hurried slow;
The lightning showed a yellow beak,
And then a livid claw.

The birds put up the bars to nests,
The cattle fled to barns;
There came one drop of giant rain,
And then, as if the hands

That held the dams had parted hold,
The waters wrecked the sky,
But overlooked my father’s house,
Just quartering a tree.

 

Summer Shower

A drop fell on the apple tree,
Another on the roof;
A half a dozen kissed the eaves,
And made the gables laugh.

A few went out to help the brook,
That went to help the sea.
Myself conjectured, Were they pearls,
What necklaces could be!

The dust replaced in hoisted roads,
The birds jocoser sung;
The sunshine threw his hat away,
The orchards spangles hung.

The breezes brought dejected lutes,
And bathed them in the glee;
The East put out a single flag,
And signed the fete away.

 

 

DICKINSON

Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Nelly Sachs werd op 10 december 1891 erd als Leonie Sachs op 10 december 1891 in Berlijn geboren uit joodse ouders. In haar jeugd schreef ze hoofdzakelijk romantische poëzie, en in 1921 bracht ze een verhalenbundel uit. Ze werd hoofdzakelijk als dichteres bekend, wier werk één grote evocatie van dood en vervolgingsangst is. Door toedoen van het antisemitisme in de jaren 1930, kreeg ze publicatieverbod opgelegd; dit zorgde voor een ommezwaai in haar stijl, die tegelijk hypergevoelig en ietwat retorisch werd. Sachs kreeg aan het begin van de Tweede Wereldoorlog de kans te ontsnappen aan een potentiële dood dankzij bemiddeling van de Zweedse schrijfster Selma Lagerlöf. In 1940 vluchtte ze naar Zweden, en schreef tussen 1940 en 1944 een verzameling gedichten die hoofdzakelijk over ballingschap en de Holocaust handelen; deze collectie werd onder de titel In den Wohnungen des Todes gepubliceerd. In 1966 werd Nelly Sachs, tezamen met de Israëlische schrijver Agnon, de Nobelprijs voor de literatuur toegekend, bij wijze van erkenning van haar bijdrage aan de naoorlogse joodse literatuur. Zij bleef in Zweden wonen en overleed er in 1970.

Vielleicht aber braucht Gott die Sehnsucht

Vielleicht aber braucht Gott die Sehnsucht, wo sollte sonst
sie auch bleiben,
Sie, die mit Küssen und Tränen und Seufzern füllt die
geheimnisvollen Räume der Luft –
Vielleicht ist sie das unsichtbare Erdreich, daraus die glühenden
Wurzeln der Sterne treiben –
Und die Strahlenstimme über die Felder der Trennung, die zum
Wiedersehn ruft?
O mein Geliebter, vielleicht hat unsere Liebe in den Himmel
der Sehnsucht schon Welten geboren –
Wie unser Atemzug, ein – und aus, baut eine Wiege für Leben
und Tod?
Sandkörner wir beide, dunkel vor Abschied, und in das goldene
Geheimnis der Geburten verloren,
Und vielleicht schon von kommenden Sternen, Monden und
Sonnen umloht.

 

Immer dort wo Kinder sterben

Immer
dort wo Kinder sterben
werden die leisesten Dinge heimatlos.
Der Schmerzensmantel der Abendröte
darin die dunkle Seele der Amsel
die Nacht heranklagt –
kleine Winde über zitternde Gräser hinwehend
die Trümmer ihres Lichtes verlöschend
und Sterben säend –

Immer
dort wo Kinder sterben
verbrennen die Feuergesichter
der Nacht, einsam in ihrem Geheimnis –
Und wer weiß von den Wegweisern
die der Tod ausschickt:
Geruch des Lebensbaumes,
Hahnenschrei der den Tag verkürzt
Zauberuhr vom Grauen des Herbstes
in die Kinderstuben hinein verwunschen –
Spülen der Wasser an die Ufer des Dunkels
rauschender, ziehender Schlaf der Zeit –

Immer
dort wo Kinder sterben
verhängen sich die Spiegel der Puppenhäuser
mit einem Hauch,
sehen nicht mehr den Tanz der Fingerliliputaner
in Kinderblutatlas gekleidet;
Tanz der stille steht
wie eine im Fernglas
mondentrückte Welt.

Immer
dort wo Kinder sterben
werden Stein und Stern
und so viele Träume heimatlos.

 

NELLYS_SACHS

Nelly Sachs (10 december 1891 – 12 mei 1970)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Gertrud Kolmar (pseudoniem van Gertrud Käthe Chodziesner) werd op 10 december 1894 in Berlijn geboren. Zij was de dochter van de joodse advocaat Ludwig Chodziesner en zijn vrouw Elise (Schoenflies). In 1917 verscheen haar eerste dichtbundel onder haar pseudoniem. Aan het eind van de jaren 1920 verschenen afzonderlijke gedichten in literaire tijdschriften en bloemlezingen. Haar derde bundel “Die Frau und die Tiere”, die in augustus 1938 was verschenen  werd tijdens de Reichspogromnacht van 9 november 1938 vernietigd. Haar familie werd gedongen hun huis te verkopen en te verhuizen naar een zogenaamd „jodenhuis“in Berlijn- Schöneberg. Gertrud Kolmar werd op 27 februari 1943 gearresteerd en op 3 maart getransporteerd naar Auschwitz. Datum en omstandigheden van haar dood zijn niet bekend. Hoewel Kolmaar tijdens haar leven niet veel gepubliceerd had, geldt zij teg
enwoordig toch als een van de belangrijke Duitse dichteressen van de 20e eeuw.

 

Die Sinnende

Wenn ich tot bin, wird mein Name schweben
Eine kleine Weile ob der Welt.
Wenn ich tot bin, mag es mich noch geben
Irgendwo an Zäunen hinterm Feld.
Doch ich werde bald verlorengehn,
Wie das Wasser fließt aus narbigem Krug,
Wie geheim verwirkte Gabe der Feen
Und ein Wölkchen Rauch am rasenden Zug.

Wenn ich tot bin, sinken Herz und Lende,
Weicht, was mich gehalten und bewegt,
Und allein die offnen, stillen Hände
Sind, ein Fremdes, neben mich gelegt.
Und um meine Stirn wirds sein
Wie vor Tag, wenn ein Höhlenmund Sterne fängt
Und aus des Lichtgewölbs Schattenstein
Graues Tuch die riesigen Falten hängt.

Wenn ich sterbe, will ich einmal rasten,
Mein Gesicht nach innen drehn
Und es schließen wie den Bilderkasten,
Wenn das Kind zuviel gesehn,
Und dann schlafen gut und dicht,
Da ich zittrig noch hingestellt,
Was ich war: ein wächsernes Licht
Für das Wachen zur zweiten Welt.

 

kolmar

Gertrud Kolmar (10 december 1894 – (?) maart 1943)

 

De Oostenrijkse schrijver Karl Heinrich Waggerl werd geboren op 10 december 1897 in Bad Gastein.Hij bezocht het lerarenseminarie in Salzburg en diende als officier in WO I, waarin hij Italiaans krijgsgevangene werd. Na zijn vrijlating in 1920 werd hij leraar in Wagrain, maar moest het werk al in 1923 om gezondheidsredenen opgeven. Zijn eerste roman Brot verscheen in 1930. In zijn verhalen en romans beschrijft Waggerl – steeds meer idealiserend – het landelijke leven. Sinds 1938 was hij lid van de NSDAP en vanaf 1940 burgemeester van Wagrain, waar hij 50 jaar lang woonde. Na WO II bleef met zijn idylliserende korte verhalen waarderen. Hermann Hesse schreef over hem: “Die eigentlich dichterischen Bücher in unserer Literatur werden immer seltener, aber die von Waggerl gehören zu ihnen.”  Vooral in de kersttijd las hij tot aan zijn dood vaak voor uit zijn verhalen en legenden. Er werden ook plaatopnamen van gemaakt. In Wagrain staat een Waggerl-Museum.

Uit: Advent in Österreich

Advent, sagt man, sei die stillste Zeit im Jahr. Aber in meinem Bubenalter war er keineswegs die stillste Zeit.

Zu Anfang Dezember, in den unheimlichen Tagen, während Sankt Nikolaus mit dem Klaubauf unterwegs war, wurde ich in den Wald geschickt, um den Christbaum zu holen. Mit Axt und Säge zog ich aus, von der Mutter bis zum Hals in Wolle gewickelt und mit einem geweihten Pfennig versehen, damit mich ein heiliger Nothelfer finden konnte, wenn ich mich etwa verirrte. Ein Wunder von einem Baum stand mir vor Augen, mannshoch und sehr dicht beastet, denn er sollte nachher auch etwas tragen können. Stundenlang kroch ich im Unterholz herum, aber ein Baum im Wald sieht sich ganz anders an als einer in der Stube. Wenn ich meine Beute endlich daheim in die Waschküche schleppte, hatte sich das schlanke pfeilgerade Stämmchen doch wieder in ein krummes und kümmerliches Gewächs verwandelt, auch der Vater betrachtete ihn mit Sorge. Er mußte seine ganze Zimmermannskunst aufwenden, um das Ärgste zurechtzubiegen, ehe die Mutter kam.

Ach, die Mutter! In diesen Wochen lief sie mit hochroten Wangen herum, wie mit Sprengpulver geladen, und die Luft in der Küche war sozusagen geschwängert mit Ohrfeigen. Dabei roch die Mutter so unbeschreiblich gut, überhaupt ist ja der Advent die Zeit der köstlichen Gerüche. Es duftet nach Wachs, nach angesengtem Reisig, nach Weihrauch und Bratäpfel. Ich sage ja nichts gegen Lavendel und Rosenwasser, aber Vanille riecht doch viel besser, oder Zimt und Mandeln.

Mich ereilten dann die qualvollen Stunden des Teigrührens. Vier Vaterunser das Fett, drei die Eier, ein ganzer Rosenkranz für Zucker und Mehl. Die Mutter hatte die Gewohnheit, alles Zeitliche in ihrer Kochkunst in Vaterunser zu bemessen, aber die mußten laut und sorgfältig gebetet werden, damit ich keine Gelegenheit fände, den Finger in den Teig zu tauchen. Wenn ich nur erst den Bubenstrümpfen entwachsen wäre, schwor ich mir damals, dann wollt ich eine ganze Schüssel voll Kuchenteig aufessen, und die Köchin sollte beim Ofen stehen und mir zusehen müssen! Aber leider, das ist einer von den Träumen geblieben, die sich nie erfüllt haben. 

Am Abend nach dem Essen wurde der Christbaumschmuck erzeugt. Auch das war ein unheilschwangeres Geschäft. Damals konnte man noch ein Buch echten Blatt
goldes für ein paar Kreuzer beim Krämer kaufen. Aber nun galt es, Nüsse in Leimwasser zu tauchen und ein hauchdünnes Goldhäutchen herumblasen. Das schwierige dabei war, daß man vorher nirgendwo Luft von sich geben durfte. Wir saßen alle in der Runde und liefen blaurot an vor Atemnot, und dann geschah es doch, daß einer niesen musste. Im gleichen Augenblick segelte eine Wolke von glänzenden Schmetterlingen durch die Stube. Einerlei, wer den Zauber verschuldet hatte, das Kopfstück bekam ich, obwohl es nur bewirkte, dass sich der goldene Unsegen von neuem in die Lüfte hob. Ich wurde dann in die Schlafkammer verbannt und mußte Silberpapier um Lebkuchen wickeln – ungezählte Lebkuchen, versteht sich.

Und wir Heutigen?

Leben wir nicht auch in einer Weltzeit des Advents? Scheint uns nicht alles von der Finsternis bedroht zu werden, das karge Glück unseres Daseins? Wir warten bang auf den Engel mit der Botschaft des Friedens und überhören so leicht, daß diese Botschaft nur denen gilt, die guten Willens sind. Es ist keine Hilfe und keine Zuflucht bei der Weisheit der Weisen und bei der Macht der Mächtigen. Denn der Herr kam nicht zur Welt, damit die Menschen weise, sondern damit sie gütiger würden. Und darum sind es allein die Kräfte des Herzens, die uns vielleicht noch werden retten können.”

 

Wagerl

Karl Heinrich Waggerl (10 december 1897 – 4 november 1973)

 

De Armeense schrijver Ara Baliozian werd geboren op 10 december 1936 in Athene. Hij bezocht het Mechitaristencollege Murat-Raphael in Venetie. Daar studeerde hij ook economie en politicologie aan de Ca’ Foscari universiteit. Tegenwoordig woont en werkt hij in Ontario, Canada. Zijn werk wordt zowel in het Engels als in het Armeens gepubliceerd. Hij is tevens vertaler uit het Armeens, Het Frans en het Italiaans.

 

Werk o.a.: Voices of Fear (1989), Intimate Talk (1992), Undiplomatic Observations (1995), Pages From My Diary (1996)

 

Uit: Let’s talk Turkey

“The Armenians were punished because they sided with the enemy,” a gentle Turkish reader reminds me. By “punished” he probably means deported and not massacred. Which is it? Since both of my grandmothers survived and both my grandfathers perished, I must conclude some were deported, others “terminated.” As for siding with the enemy, this may indeed be true of Armenians on the Russo-Turkish border, but definitely not of Armenians on the mainland, except for the very few agitators and revolutionaries who may have acted in the name of the people but who represented no one but themselves, very much like the Talaat, Jemal, Enver troika. The overwhelming majority of Armenians in the ghetto of refugees where I grew up were both illiterate and devoid of political awareness. To accuse them of harboring secret territorial ambitions and betraying the Empire is not just wrong but absurd. I don’t remember my father saying anything remotely kind about our political parties or remotely unkind about Turks. I write these lines not as an Armenian but as a human being, and my intention is not to assert moral superiority but to understand why two people who lived side by side for six centuries prefer to believe their political leaders and to ignore the testimony of witnesses who value honesty and objectivity above prejudice and nationalist propaganda.
*
How can any tribe, nation, or race assert moral superiority and believe in it? Even worse: How can it also believe that in doing so it will not arouse the contempt and hatred of all men? The ancient Greeks knew better. They believed that pride or arrogance (hubris) is punished by the gods (Nemesis). And yet, in their eyes, all non-Greeks were barbarians. What happened next we know. They were defeated and colonized by Macedonians, Romans, and last but far from least, Turks. And unbelievable as this may see, even after centuries of enslavement, even in their present bastardized condition, they continue to cling to the notion that they are the real Chosen People. Figure that one out if you can.

 

Baliozian

Ara Baliozian (Athene, 10 december 1936)

 

De Franse schrijver Eugène Sue werd geboren op 10 december 1804 in Parijs. Deze nu nauwelijks nog bekende schrijver was in de jaren 1840 in van de meest gelezen en invloedrijkste schrijvers van Frankrijk. Hij is de literatuurgeschiedenis in gegaan als de grondlegger van de vervolgroman in kranten en als auteur van misschien wel de succesvolste krantenroman ooit: Les mystères de Paris. In 1841 bekeerde hij zich als het ware van een onpolitieke dandy tot een geengageerde socialist, die zich voor de problemen met de industrialisering van het snel groeiende Parijse proletariaat begon te interesseren en die dit interesse literair probeerde te verwerken. Op slag beroemd werd hij in 1843 met het genoemde Mystères de Paris, die van juli tot oktober bijna dagelijks in de eerder conservatieve krant Le Journal des Débats verschenen en die tot een lieteraire en sociale gebeurtenis van de eerste rang uitgroeiden. Op dit succes volgde Le Juif errant dat van juni 1844 tot oktober 1845 verscheen in het meer linkse blad Le Constitutionnel, en waarin hij zijn sociaal en politiek engagement nog versterkte en wel in de zijn van een radikaal anti-clericalisme. Ook deze roman werd in heel Parijs gelezen en bediscussieerd. Gezien de tendens ervan belandde hij al snel op de Index.

 

Uit: Les mystères de Paris

 

« Le lecteur, prévenu de l’excursion que nous lui proposons d’entreprendre parmi les naturels de cette race infernale qui peuple les prisons, les bagnes, et dont le sang rougit les échafauds… le lecteur voudra peut-être bien nous suivre. Sans doute cette investigation sera nouvelle pour lui; hâtons-nous de l’avertir d’abord que, s’il pose d’abord le pied sur le dernier échelon de l’échelle sociale, à mesure que le récit marchera, l’atmosphère s’épurera de plus en plus.

Le 13 décembre 1838, par une soirée pluvieuse et froide, un homme d’une taille athlétique, vêtu d’une mauvaise blouse, traversa le pont au Change et s’enfonça dans la Cité, dédale de rues obscures, étroites, tortueuses, qui s’étend depuis le Palais de Justice jusqu’à Notre-Dame.

Le quartier du Palais de Justice, très-circonscrit, très-surveillé, sert pourtant d’asile ou de rendez-vous aux malfaiteurs de Paris. N’est-il pas étrange, ou plutôt fatal, qu’une irrésistible attraction fasse toujours graviter ces criminels autour du formidable tribunal qui les condamne à la prison, au bagne, à l’échafaud!

Cette nuit-là, donc, le vent s’engouffrait violemment dans les espèces de ruelles de ce lugubre quartier; la lueur blafarde, vacillante, des réverbères agités par la bise, se reflétait dans le ruisseau d’eau noirâtre qui coulait au milieu des pavés fangeux.

Les maisons, couleur de boue, étaient percées de quelques rares fenêtres aux châssis vermoulus et presque sans carreaux. De noires, d’infectes allées conduisaient à des escaliers plus noirs, plus infects encore, et si perpendiculaires, que l’on pouvait à peine les gravir à l’aide d’une corde à puits fixée aux murailles humides par des crampons de fer. »

 

 

Sue

Eugène Sue (10 december 1804 – 3 augustus 1859)