Juan Marsé, Waldtraut Lewin, Claudia Grehn, Leonardo Sciascia, Alfred Tomlinson, Gaston Miron, Vasyl Stus, Wilkie Collins, Roland Moed

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Juan Marsé op mijn blog.

Uit:The Calligraphy of Dreams (Vertaald door Nick Caistor)

“She takes a few stumbling steps up the street, comes to a halt. She turns as if searching for support, and then, closing her eyes and crossing her arms over her chest, she kneels down, slowly folding her body into itself as if this offered her some relief or respite, and lies on her back on the tram tracks embedded into what remains of the old cobbled surface. Her neighbours and the few weary passers-by toiling along the upper end of the street at this time of day can scarcely believe their eyes. What can have got into this woman? Stretched out full length (not that this is saying much, in her case) her chubby knees, tanned from the Barceloneta beach, peeking out of her half-open housecoat, her feet in their satin slippers with grubby pompoms pressed tightly together: what the devil is she up to? Can it really be she intends to end her life under the wheels of a tram? “Victoria!” yells a woman from the pavement. “What are you doing, poor thing?” There’s no response. Not even the blink of an eye. A small group of curious onlookers quickly gathers round the prone figure, most of them fearing they are the butt of some cruel hoax. An elderly man goes over and prods the woman’s ample hip several times with the tip of his cane, as if unsure she is alive. “Hey you, what nonsense is this?” he mutters, poking her. “What on earth do you think you’re doing?” Making tongues wag, as always, more than one of her woman neigh-bours must have been thinking: what wouldn’t that slut do to get her man’s attention? A blonde forty-something with flashing blue eyes, sociable by nature and very popular in the neighbourhood, the plump Sefiora Mir, who had been a Registered Nurse trained in the Falange College and now worked as a therapist and professional kinesiologist (as stated on her business cards) has forever given rise to gossip thanks to her daring hands, which give massages and soothe a variety of pains. Her ambiguous talents have encouraged many an amorous adventure, especially since her husband, a bullying, loud-mouthed former local councillor, has been shut away in the San Andres sanatorium since the end of the previous year. In the Rosales bar, Senora Mir’s manual dexterity has always provoked mocking delight, if not cruel sarcasm, and yet to see her now, flat on her back in the middle of the street in a parody of suicide — or perhaps actually meaning it, led to this extremity by some mental disturbance, and looking so firm and resolute in her decision — to see her lying there in the stream, with her round, pale-complexioned face edged with curls and her bewildered lips smeared as ever with lipstick, was beyond their wildest dreams. She appeared so sure of her imminent, ghastly demise beneath the wheel that was coming to slice off her head that it was hard to credit that such determination, such a desperate urge could be based on a complete miscalculation.”

 

 
Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

Lees verder “Juan Marsé, Waldtraut Lewin, Claudia Grehn, Leonardo Sciascia, Alfred Tomlinson, Gaston Miron, Vasyl Stus, Wilkie Collins, Roland Moed”

Frans Kellendonk, Reginald Gibbons, Dionne Brand, Sofi Oksanen, Henk van Zuiden, Shobhaa Dé, Marie Desplechin, Nicholson Baker

De Nederlandse schrijver en vertaler Frans Kellendonk werd geboren in Nijmegen op 7 januari 1951. Zie ook alle tags voor Frans Kellendonk op dit blog.

Uit: De brieven

“Aan Johan Polak, 2 november 1980
Beste Johan,
Dank voor je edelmoedige gebaar. Ik… auteur van de verhalen van Henry James – alsof ik hem zelf heb uitgevonden! Het is wel een beetje véél eer. Ik voel me zeer gevleid door je brief, maar ik ben er ook zeer door teleurgesteld, want op geen van de voorstellen die ik je heb gedaan in een eerder schrijven en die we later met Ben Hosman op de Keizersgracht hebben doorgesproken, wordt in je conceptovereenkomst ook maar terloops ingegaan. Bovendien heb ik in de gauwigheid berekend dat de fl. 20.000 onterugvorderbaar voorschot dat je me biedt zeshonderd gulden minder is dan het bedrag dat ik volgens een normaal vertaalcontract zou hebben gekregen. En ik ben niet zó ijdel dat ik voor een eer die me eigenlijk niet toekomt ook nog eens zou willen betalen. Ik maak me niet wijs dat er van een boek dat over de honderd gulden moet gaan kosten meer dan drieduizend exemplaren verkocht zullen worden, zeker niet binnen één of twee jaar. Daarom is je royaltycontract in deze vorm niet aantrekkelijk voor mij. Aan dat boek zal ik drie jaar moeten werken en in die drie jaar zal ik moeten eten, me moeten kleden en moeten wonen. Ik eet niet meer dan een kanariepietje, ik hul me in lompen en ik woon in een krot, tussen de muizen, en zelfs als ik dat zo wil volhouden moet ik toch zoiets als een minimumloon verdienen — en drie jaar minimumloon is een veelvoud van het bedrag dat je me biedt. Gesteld dat ik drie jaar achtereenvolgens een werkbeurs van vijfduizend gulden zou krijgen, dan zijn we er nog steeds niet; en aan een aanvullend honorarium hebben we in dit geval niets, want dat wordt pas uitbetaald over zes jaar, wanneer ik reeds lang dood en begraven ben. Als deze, van mij uit gezien toch uiterst bescheiden, eisen voor jullie onaanvaardbaar zijn — en daar kan ik best inkomen — dan is het plan té ambitieus en moeten we het maar opgeven. Vooruitlopend op die spijtige gevolgtrekking heb ik alvast een idee voor een boek dat me slechts één jaar zou kosten. Eén jaar ontbering kan ik me nog net veroorloven. Dat boek moet de volgende verhalen bevatten: The Pupil, The Beast in the Jungle, The Jolly Corner en The Bench of Desolation, dat ik nu voor het eerst noem en geheel ten onrechte niet in mijn eerdere keuze heb betrokken. Dat boek telt dan zoo bladzijden, 80.000 woorden. Daarvoor wil ik wél een royaltycontract van 10% afsluiten, mits ik een onterugvorderbaar voorschot krijg van achtduizend gulden, d.w.z. een dubbeltje per woord (de verhalen zijn immers vrij van rechten). Ik ben benieuwd naar je reactie.
Vriendelijke groeten
(ook aan Rik),
Frans Kellendonk”

 

 
Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990) 

Lees verder “Frans Kellendonk, Reginald Gibbons, Dionne Brand, Sofi Oksanen, Henk van Zuiden, Shobhaa Dé, Marie Desplechin, Nicholson Baker”

Charles Péguy, Max Gallo, Roland Topor, Pierre Gripari, Thomas Hill, Zora Neale Hurston, Robert Cormier, Ludovic Massé

De Franse dichter en schrijver Charles Péguy werd geboren op 7 januari 1873 in Orléans. Zie ook alle tags voor Charles Péguy op dit blog.

Uit: Le Porche du mystère de la deuxième vertu

La foi, ça ne m’étonne pas.
Ça n’est pas étonnant.
J’éclate tellement dans ma création.
Dans le soleil et dans la lune et dans les étoiles.
Dans toutes mes créatures.
Dans les astres du firmament et dans les poissons
de la mer.
Dans l’univers de mes créatures.
Sur la face de la mer et sur la face des eaux.
Dans le mouvement

des astres qui sont dans le ciel.
Dans le vent qui souffle sur la mer et dans le vent
qui souffle sur la vallée.
Dans la calme vallée.
Dans la recoite vallée.
Dans les plantes et dans les bêtes et dans les bêtes des forêts.
Et dans l’homme.
Ma créature.
Dans les peuples et dans les hommes et dans les
rois et dans les peuples.
Dans l’homme et dans la femme sa compagne.
Et surtout dans les enfants.
Mes créatures.
Dans le regard et dans la voix des enfants.
Car les enfants sont plus mes créatures.
Que les hommes
Ils n’ont pas encore été défaits par la vie.
De la terre.
Et entre tous ils sont mes serviteurs.
Avant tous.
Et la voix des enfants est plus pure que la voix
du vent dans le calme de la vallée.
Dans la vallée recoite.
Et le regard des enfants est plus pur que le bleu du
ciel, que le laiteux du ciel, et qu’un rayon d’étoile
dans la calme nuit.

 

 
Charles Péguy (7 januari 1873 – 5 september 1914)
Portret door Jean-Pierre Laurens, 1908

Lees verder “Charles Péguy, Max Gallo, Roland Topor, Pierre Gripari, Thomas Hill, Zora Neale Hurston, Robert Cormier, Ludovic Massé”

Chester Kallman

De Amerikaanse dichter, librettist en vertaler Chester Simon Kallman werd geboren op 7 januari 1921 in Brooklyn, New York. Hij ontving zijn B.A. in Brooklyn College en zijn M.A. aan de Universiteit van Michigan. Hij publiceerde drie collecties gedichten, “Storm at Castelfranco” (1956), “Absent and Present” (1963) en “The Sense of Occasion” (1971). Hij woonde het grootste deel van zijn volwassen leven in New York, bracht zijn zomers van 1948 tot 1957 door in Italië en van 1958 tot 1974 in Oostenrijk. In 1963 verruilde hij zijn New Yorks winterse verblijfplaats in voor Athene, Griekenland, en daar stierf hij ook op de leeftijd van 54 jaar. Samen met zijn levenslange vriend (en soms geliefde) W. H. Auden schreef Kallman het libretto voor Stravinsky’s “The Rake’s Progress” (1951). Ze werkten ook samen aan twee librettos voor “Henze, Elegy voor Young Lovers” (1961) en “The Bassarids” (1966), en aan het libretto van “Love’s Labour’s Lost” (gebaseerd op het toneelstuk van Shakespeare) voor Nicolas Nabokov (1973). Ze schreven ook een libretto “Delia, of A Masque of Night” (1953), bedoeld voor Stravinsky, maar nooit op muziek gezet. Ze kregen de opdracht om de tekst voor “Man of La Mancha” te schrijven, maar Kallman deed niet mee aan het project en de producenten besloten de bijdragen van Auden niet te gebruiken. Kallman was de enige auteur van het libretto van “The Tuscan Players” voor Carlos Chávez (1953, voor het eerst opgevoerd in 1957 als “Panfilo en Lauretta). Hij en Auden werkten samen aan een aantal libretto-vertalingen, met name “The Magic Flute” (1956) en “Don Giovanni” (1961). Kallman vertaalde ook Verdi’s “Falstaff” (1954), Monteverdi’s “The Coronation of Poppea” (1954) en vele andere opera’s. Kallman was zelf erfgenaam van de nalatenschap van Auden, maar zelf liet hij geen testament na, met als resultaat dat alles werd geërfd door zijn naaste familie, zijn vader, Edward Kallman (1892-1986), een New Yorkse tandarts van in de tachtig.

Night Music

Night:
And the taut
Flight in the wing of the bat
Becomes the wing, and the river
Is led
From the river-bed to hover
Through a resounding space.
Hang wolf’s-bane, wait Alone, the night
Will bring you and your lover
Face to face;
And the river under
Our refuge, whispering thunder,
Far below
Will run, will run,
Will lmow, will know, will know.

 

A Romance

He rode forth armed: breast-plate and crest
And science; he rode forth dressed
To kill, but death was in his eye,
Death in his heart; under the family crest
Hemmed in, unwilling to escape, was death;
And when he thought, he knew he was to die.

He rode forth armed: sense, experience,
Self-interest, and impatience
For a quick wooing, hid his thirst
For love; and, wanting that experience,
He charged upon his enemy with love.
He loved, he died. No one knows which came first.

 
Chester Kallman (7 januari 1921 – 18 januari 1975)

 

Die heiligen drei Könige (August Wilhelm Schlegel)

Bij het feest van Driekoningen

 


De aanbidding van de Drie Koningen door Albrecht Dürer, 1504

 

Die heiligen drei Könige

Aus fernen Landen kommen wir gezogen,
Nach Weisheit strebten wir seit langen Jahren,
Doch wandern wir in unsern Silberhaaren,
Ein schöner Stern ist vor uns her geflogen.

Nun steht er winkend still am Himmelsbogen:
Den Fürsten Judas muss dies Haus bewahren.
Was hast du, kleines Bethlehem, erfahren?
Dir ist der Herr vor allem hoch gewogen.

Holdselig Kind, lass auf den Knien Dich grüßen!
Damit die Sonne unsre Heimat segnet,
Das bringen wir, obschon geringe Gaben.

Gold, Weihrauch, Myrrhen liegen Dir zu Füßen,
Die Weisheit ist uns sichtbarlich begegnet,
Willst Du uns nur mit einem Blicke laben.

 

 
August Wilhelm Schlegel (5 september 1767 — 12 mei 1845)
Hannover, de geboorteplaats van August Wilhelm Schlegel

 

Zie voor de schrijvers van de 6e januari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Hester Knibbe, Elizabeth Strout, Khalil Gibran, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, Philipp Friedrich Hiller, E. L. Doctorow

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Hester Knibbe op dit blog.

 

Laat winterlandschap

heeft soms het dunne landschap zich
vandaag gesneden aan het licht
en zit er zo een wakke plek
ginds in die ijzig strakke lijn
juist waar de zon nu snel verdwijnt?

waarschijnlijk zit daar het lek
kroop je er ongemerkt doorheen
(zoals nevel het land op trekt)
terwijl ik blijkbaar wat alleen
liep langs het vastgevroren riet

of is het dit verdrietig licht
waardoor je hier plots voor me staat
zonder gewicht en zo verweesd
dat schemer uit je ogen slaat

 

Thebe

Die ochtend gingen we naar Père Lachaise.
We dronken koffie in Café Rond Point
en staken bij het stoplicht over:
wie grafwaarts gaat wil er niet aan.

Wat ingestort was vonden we het mooist.
Jij nam wat foto’s: een gebroken zerk
met scheefgezakte zuilen, terwijl ik Thebe
schreef, de dood een stad vol heimelijk leven.

Een boom had zich genesteld rond een
steen, een naam omworteld, overschreven,
alsof dat hooguit breeduit bleef van
wie ooit stam zei, takken, blad.

We keken in een onafzienbaar gat en
spraken over dàt. Ik zou niet treuren
op je graf zei je, dat kan ik niet, ik zou
je missen, missen zou ik je.

 

We vroegen

We vroegen hoe laat komt de dood
voorbij en ze zeiden we weten het niet,

alles is voorbestemd nu en hier
dus we weten het niet. Waarom

is het zo stil verbaasden we ons, zelfs
de klokken slaan hun notie van tijd niet.

Alle uur zonder waarheid
is stilgezet, zeiden zei.

 

 
Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

Lees verder “Hester Knibbe, Elizabeth Strout, Khalil Gibran, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, Philipp Friedrich Hiller, E. L. Doctorow”

Ivan Olbracht, Benedikt Livshits, Anja Meulenbelt, Astrid Gehlhoff-Claes, Joachim Specht, Günter Görlich, Idris Davies

De Tsjechische schrijver, journalist en vertaler Ivan Olbracht (eig. Kamil Zeman) werd geboren op 6 januari 1882 in Semily. Zie ook alle tags voor Ivan Olbracht op dit blog.

Uit: Waffen – Waffen (Vertaald door Otto Katz)

„Nix Bett, nix Tisch, nix Stuhl. Ich da zehn, zwanzig und noch drei Tage, jeden Tag, heute, gestern, morgen öffnet sich die Türe und es kommt ein Honved-Oberleutnant, ein Honved-Kadett und zwei Soldaten. Der Oberleutnant Graf Belaffy Imre und der Kadett Baron Czengery Taszilo. Kleider herunter, weg, weg, weg, alles von mir weg, bin ganz nackt. Sie legen mich auf die Erde, Mund zur Erde so — und halten fest. Der Kadett hat eine Flasche, so wie die, die auf dem Koffer steht, Säure! Weißt du, was das ist, kennst du H zwei SO vier?”
“So, wie ich es dir auf den Rand der Zeitung schreibe.”
„Aha, du kennst das. In der Säure steckt ein Gänsekiel.
Das muss ich dir aufmalen. Siehst du, eine Gans und da zupf aus einem Flügel heraus, — so, eine Feder.
Und der Kadett taucht diese Feder in die Flasche mit der Säure H zwei SO vier und steckt sie mir dann in den Hintern. Ich brülle — ah — ich brülle schrecklich vor Schmerz. Jeden Tag, weißt du, heute, gestern, morgen, zehn, zwanzig und noch drei Tage. Der Oberleutnant und der Kadett stehen über mir und rollen die Augen: ,Sprich.’ Ich: ,Nein.’ Sie: .Sprich Bestie.’ Ich: ,Nein.’ Sie: ,Wo ist Acz Aladar, wo ist Feher, wo ist Szabo?’ Ich: ,Nein.’ Sie haben Peitschen, sie peitschen mich, bis ich die Besinnung verliere, dann bringen sie einen Eimer und begießen mich, bis ich die Augen öffne.“

 
Ivan Olbracht (6 januari 1882 – 20 december 1952)
Standbeeld in Kolochava, Oekraïne

Lees verder “Ivan Olbracht, Benedikt Livshits, Anja Meulenbelt, Astrid Gehlhoff-Claes, Joachim Specht, Günter Görlich, Idris Davies”

Umberto Eco, Joris van Casteren, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, Xu Xiake, Luisa Futoransky, Friedrich Dürrenmatt, Forough Farokhzad, László Krasznahorkai

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: Het nulnummer (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)

“Toen de vergadering was afgelopen liep ik samen met Braggadocio naar beneden. ‘Hebben wij elkaar niet eerder ontmoet?’ vroeg hij. Ik dacht van niet, hij zei dat zal dan wel, op licht argwanende toon, en begon me meteen te tutoyeren. Simei had nog maar net bepaald dat we elkaar op de redactie met u zouden aanspreken, en ik hou gewoonlijk liever wat afstand, we hadden per slot nooit het bed gedeeld, maar Braggadocio wilde duidelijk benadrukken dat we collega’s waren. Ik wilde niet de indruk wekken het hoog in de bol te hebben louter en alleen omdat Simei me als hoofdredacteur of iets dergelijks had voorgesteld. Bovendien intrigeerde de man me en had ik toch niks beters te doen. Hij pakte me bij de elleboog en zei dat we wat gingen drinken in een tentje dat hij kende. Hij glimlachte met zijn vlezige lippen en zijn enigszins bolle ogen, op een manier die ik tamelijk weerzinwekkend vond. Kaal als Von Stroheim, met een nek die vanaf zijn boord recht omhoog liep, maar met het gezicht van Telly Savalas, oftewel Kojak. Zie je, weer een verwijzing. ‘Aantrekkelijk wel, hè, die Maia?’ Tot mijn schande moest ik bekennen dat ik haar slechts vluchtig had bekeken — ik zei het al, ik hou me verre van vrouwen. Hij kneep me even in mijn arm: ‘Doe je maar niet netter voor dan je bent, Colonna. Ik zag je wel, je keek steels naar haar zodat het niet op zou vallen. Volgens mij wil ze wel. In wezen willen ze allemaal wel, je moet het gewoon goed weten aan te pakken. Misschien een beetje te mager naar mijn smaak, sterker nog, ze heeft geen borsten, maar goed, ze kan ermee door.’ We liepen inmiddels in de Via Torino en ter hoogte van een kerk sloegen we rechts af een slecht verlicht, bochtig straatje in, met hier en daar een god mag weten hoe lang al dichtgetimmerde deur en zonder één winkel, alsof het al tijden geleden verlaten was. Het leek alsof er een muffe lucht hing, maar dat was waarschijnlijk slechts een geval van synesthesie, vanwege de afgebladderde en met verbleekte graffiti bedekte muren. Ergens hoog boven ons stak een pijp naar buiten waar rook uit kringelde — het was niet duidelijk waar die vandaan kwam want de ramen boven waren ook dicht, alsof daar niemand meer woonde. Misschien was het de schoorsteenpijp van een erachter gelegen huis en zagen ze er daar geen been in een uitgestorven straat uit te roken. ‘Dit is de Via Bagnera, het smalste straatje van Milaan, al is het niet zo smal als de Rue du Chat-qui-Pêche in Parijs, waar je elkaar amper kunt passeren. Het heet Via Bagnera, maar werd ooit Stretta Bagnera genoemd, en dáárvoor Stretta Bagnaria, omdat er zich een stuk of wat badhuizen uit de Romeinse tijd bevonden.’ Op dat moment kwam er een vrouw met een buggy de hoek om. ‘Argeloos of slecht ingelicht,’ was Braggadocio’s commentaar. ‘Als ik een vrouw was, zou ik hier niet komen, zeker niet als het donker is.”

 

 
Umberto Eco (5 januari 1932 – 19 februari 2016)

Lees verder “Umberto Eco, Joris van Casteren, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, Xu Xiake, Luisa Futoransky, Friedrich Dürrenmatt, Forough Farokhzad, László Krasznahorkai”

Gao Xingjian, Emil Zopfi, David Berman, Hellmuth Karasek, Markus Seidel, Fernand Handtpoorter, Andreas Altmann, Doris Kearns Goodwin, Jacob Grimm

De Chinese schrijver Gao Xingjian werd geboren op 4 januari 1940 in Ganzhou, in de provincie Jiangxi. Zie ook alle tags voor Gao Xingjian op dit blog.

Uit: One Man’s Bible (Vertaald door Mabel Lee)

“It was not that he didn’t remember he once had another sort of life. But, like the old yellowing photograph at home, which he did not burn, it was sad to think about, and far away, like another world that had disappeared forever. In his Beijing home, confiscated by the police, he had a family photo left by his dead father: it was a happy gathering, and everyone in the big family was present. His grandfather who was still alive at the time, his hair completely white, was reclined in a rocking chair, paralyzed and unable to speak. He, the eldest son and eldest grandson of the family, the only child in the photo, was squashed between his grandparents. He was wearing slit trousers that showed his little dick, and he had on his head an American-style boat-shaped cap. At the time, the eight-year War of Resistance against the Japanese had just ended, and the Civil War had not properly started. The photograph had been taken on a bright summer day in front of the round gateway in the garden, which was full of golden chrysanthemums and purple-red cockscombs. That was what he recalled of the garden, but the photo was water-stained and had turned a grayish yellow. Behind the round gateway was a two story, English-style building with a winding walkway below and a balustrade upstairs. It was the big house he had lived in. He recalled that there were thirteen people in the photograph — an unlucky number — his parents, his paternal uncles and aunts, and also the wife of one of the uncles. Now, apart from an aunt in America and himself, all of them and the big house had vanished from this world.

 

 
Gao Xingjian (Ganzhou, 4 januari 1940)

Lees verder “Gao Xingjian, Emil Zopfi, David Berman, Hellmuth Karasek, Markus Seidel, Fernand Handtpoorter, Andreas Altmann, Doris Kearns Goodwin, Jacob Grimm”

Dirk Ayelt Kooiman

De Nederlandse schrijver en essayist Dirk Ayelt Kooiman werd geboren in Amsterdam op 3 januari 1946. Kooiman kwam zowel van vaders- als moederszijde uit families van predikanten en was een zoon van prof. dr. Willem Jan Kooiman (1903-1968), luthers predikant en hoogleraar, en Margaretha Alida Wumkes (1902-1996). Zijn moeder was een dochter van hervormd predikant dr. Geert Aeilco Wumkes (1869-1954). Kooiman was met Thomas Graftdijk oprichter en redacteur van Soma (1968-1972). Hij geldt, met Doeschka Meijsing, Nicolaas Matsier en Frans Kellendonk, als een uitgesproken representant van het literair tijdschrift De Revisor, dat als opvolger van Soma door hem en Graftdijk in 1974 werd opgericht en waarvan hij tot 1994 redacteur was. Hij zette in De Revisor zijn opvattingen over literatuur uiteen, die onder meer inhielden dat de anekdote en het realisme niet in de literatuur thuishoorden. Daartegenover stonden hij en zijn medestanders een meer analytische, geconstrueerde schrijfwijze voor, die de Revisor-auteurs de bijnaam ‘academisten’ opleverde. Kooiman schreef romans en verhalen. Met “Een romance” (1973) bereikte hij een groot publiek. Hij trok ook de aandacht met “De grote stilte” (1975) en “De vertellingen van een verloren dag” (1980). Zijn bekendste boek is de “non-fictieve roman “Montyn” (het levensverhaal van de kunstenaar Jan Montyn) uit 1982. Kooiman schreef ook een aantal film- en televisiescripts, onder meer voor “Prettig weekend, meneer Meijer” van Orlow Seunke (1978) en “De Dream” van Pieter Verhoeff (1985).

Uit: Een romance

“Half acht. Geen zuchtje wind dreef door de wijdgeopende vensters naar binnen. Het was of de atmosfeer, verlamd door de broeierige hitte, iedere beweging smoorde en zelfs te loom was om geluid doortocht te verlenen, want het was onnatuurlijk stil. De vochtige lucht omvatte ons, drukte ons neer, verstikte ons alsof we ondergedompeld lagen in een lauw en troebel bad. De lakens van het bed waren kleverig, ook de geringste aanraking met het lichaam van de ander was onaangenaam en zelfs benauwend. Ik draaide me om, terwijl ik me ertoe wist te dwingen achter mijn rug haar hand in de mijne te nemen om me te verontschuldigen voor deze verwijdering. Zo keek ik door het raam naar buiten.
Het huis stond op de top van een heuvel, die de hoogste van de omtrek was. Scherp omkaderd door het raamkozijn strekte zich een golvend landschap uit, geel en dor als een kokosmat, tot waar de horizon nevelig overvloeide in de lucht. Het licht van de ondergaande zon werd door een dun wolkendek verstrooid. Maar terwijl ik keek, roerloos, zonder veel besef van tijd, vormde zich een langgerekte wolkenformatie, die, nadat de zon bij wijze van afscheid – een dramatisch afscheid, alsof zij niet van plan was ooit nog eens terug te keren – nog een aureool van scherpgebundelde stralen had losgelaten, het vergezicht tenslotte afsloot als een hooggebergte.
Voor het huis was een erf. Rechts ervan stond een schuurtje, opgetrokken uit gehalveerde boomstammetjes en ruwe planken, met een dak van verbrokkeld teerpapier. Naast het schuurtje stonden de restanten van een ploeg, en een met mos begroeide theekist waarop ooit iemand zolang een heggeschaar had neergelegd. Aan de linkerzijde werd het erf beschut door een rijtje struiken, dat, hoewel sommige van top tot teen verdord waren en de overige in onregelmatige pieken opgeschoten, in de verte deed denken aan de heg die hij eertijds gevormd moest hebben. Tussen die voormalige heg en het schuurtje bevond zich een open ruimte, een kale plek, met wat dun gras en miezerig onkruid begroeid alsof de grond daar te hard of te onvruchtbaar was om sappiger gewassen te voeden. Zowel de plaats – tussen heg en schuur – als een lichte glooiing van het terrein wezen er dan ook op dat het erf via die plek eens verbonden moest zijn geweest met een pad – wat de hardheid van de grond ter plaatse zou kunnen verklaren.”

 
Dirk Ayelt Kooiman (Amsterdam, 3 januari 1946)