Peter Ghyssaert, J.R.R. Tolkien, Smith Henderson, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Jean Muno, John Gould Fletcher, Jacob Balde

De Vlaamse dichter Peter Ghyssaert werd geboren op 3 januari 1966 te Wilrijk. Zie ook alle tags voor Peter Ghyssaert op dit blog.

 

De spinnen

Sjaals van zilver zijn de webben
in de rododendrons waar de spinnen
ateliers en woonplaats hebben;
langs de uitgebloeide bollen
hangt het franje van hun werk;
als het warme waaien in
de holtes van een struik, zo is
het weven ingewikkeld voor
de domme prooien die hun lijf
en vleugels op de lijm beproeven,
huiverend de koudste
opperklem voorvoelend; zonder
één geluid verschijnt de spin,
het dodelijk geruis van een blad
stijgt op als een applausje uit
het muffe spookhuis van de struik;
de doden drogen hier in lichte
sarcofagen, blind gedaald
in voorraadkamers die naar schimmel
en voorbije zomers ruiken.

 

Het wonderkind

Van doden kende hij de naam,
hij noemde die en maakte hem opmerkzaam
op zijn bestaan.

Hij sprak soms uren met de grond.

Zijn ouders lazen hem uit sprookjesboeken voor.

Hij schreeuwde naar de maan, hij sloeg
zijn vuist stuk op de muur;
het hielp niets:

ze trokken met miljoenen handen
aan zijn naam.

 

 
Peter Ghyssaert (Wilrijk, 3 januari 1966)

Lees verder “Peter Ghyssaert, J.R.R. Tolkien, Smith Henderson, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Jean Muno, John Gould Fletcher, Jacob Balde”

Henk van der Waal

De Nederlandse dichter en filosoof Henk van der Waal werd op 3 januari 1960 geboren in Hilversum Van der Waal studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Sorbonne. In 1995 debuteerde hij als dichter met de bundel “De windsels van de sfinx”, die werd onderscheiden met de C. Buddingh’-prijs. Zijn tweede bundel, “Schuldsanering”, verscheen in 2000 en werd genomineerd voor de Paul Snoek-poëzieprijs. Voor zijn bundel “De aantochtster” (2003) werd hij genomineerd voor de VSB-Poëzieprijs 2004. In 2007 publiceerde hij “Vreemdgang” en in 2010 volgde “Zelf worden”. Die bundel werd genomineerd voor de VSB-Poëzieprijs en be kroond met de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2012.

 

cirkel

als het laat is, als de tijd zich
kromt in de schemer, als de
mist de velden bestookt met witte
wijven en de rimpels van het
land langzaam vollopen met een
zilverpapieren zwaarte, trekt de
taal zich terug in zijn doofstomme

cirkel

je speelt nog de troefkaart van
uitstel en lust, vlucht nog in tennis
en voetbal, maar eigenlijk draai je
al rond in de jubel van het totale af
laten weten: kijk maar hoe jij je kijkt
en hoe je al kijkend verhevigd raakt
in de staar van de zuiverste droom

 

opwinding

mag ik, hoewel je nu volledig zicht hebt
gekregen op het vergeten en ik tegen beter
weten in de rust waarin je nu gekeerd ligt
beduimel met verdriet, mag ik niettemin
af en toe aanstillen onder je arm van weemoed,
uitrusten onder het strooisel van je liefdesoog,
opleven in de lach die je was, in de

opwinding

waarmee je mij voedde, mag ik niettemin
af en toe nog een eindje met je op en
mag ik bij je als je van verre mij het verre
influistert en mag ik je voelen als je ‘s nachts
in mijn oor bijt om er je weldaad in te gieten
terwijl je tegelijkertijd je vinger drukt op
de vraag die telkens uitglijdt over mijn tong

 

 
Henk van der Waal (Hilversum, 3 januari 1960)

Nyk de Vries, André Aciman, Jimmy Santiago Baca, David Shapiro, Look J. Boden, Anton van Duinkerken, Hans Herbjørnsrud, Jean-Bernard Pouy, Luc Decaunes

De Nederlandse dichter Nyk de Vries werd geboren in Noordbergum op 2 januari 1971. Zie ook alle tags voor Nyk de Vries op dit blog.

Uit: Renger

“Als ik thuiskom van school pak ik de roman 1984 van George Orwell van mijn bureau. Voor het vak Engels moeten we de komende tijd een hele stapel boeken lezen. Ik begin aan het eerste hoofdstuk, maar mijn gedachten dwalen af. Sinds afgelopen weekend woon ik als enig kind nog thuis – mijn jongste zus is naar de nieuwbouw verhuisd. Wanneer ik eraan denk, schiet er een rilling door me heen.
Afgelopen zomer heeft de situatie in huis een dieptepunt bereikt. Na de verhuizing van mijn broer probeerde mijn moeder de verbouwing van het huis weer op de agenda te krijgen. Die was na mijn geboorte gestopt. Als een van de weinige gezinnen in het dorp hadden we geen douche en ook geen warm water. Ook was er niks aan de oude keuken gedaan. Het oude aanrecht van mijn grootmoeder was veel te laag voor mijn moeder die last van haar rug kreeg door het vele bukken.
Volgens mijn moeder was mijn vader sowieso veel te laat met de verbouwing van ons huis begonnen. Terwijl mijn oom Matheüs een bungalow bouwde, was hij rondom in de buurt aan het beunen. Uiteraard was mijn vader niet de enige. Elke bouwvakker met een beetje spirit ging ’s avonds klussen in de buurt. Maar hij was wel erg fanatiek. ‘Eerst heeft hij de hele omgeving verbouwd,’ zei mijn moeder. ‘Pas toen was ons eigen huis aan de beurt.’
Na lang aandringen overtuigde ze mijn vader ervan om de zaak af te maken, te beginnen bij de keuken. In die tijd werkte hij bij een grote bouwcorporatie in Leeuwarden. Ik kon zien dat hij het er zwaar had. De jaren dat hij zich drie slagen in de rondte beunde lagen achter hem. Hij had last van zijn rug en wanneer hij aan het eind van de dag thuiskwam, plofte hij neer in zijn stoel. ‘Arbeid is te duur geworden,’ verzuchtte hij. ‘Vroeger was er tijd voor het draaien van een sigaret, we konden een praatje maken. Nu racen we van klus naar klus om maar te kunnen concurreren.’
Ik vermoed dat hij snakte naar vakantie, maar wegens de verbouwing maakten we alleen dagtochtjes. Begin juli begon hij met het uithakken van het aanrecht. Terwijl ik hem in wolken van stof op het graniet in zag slaan, moest ik denken aan een van zijn motto’s: ‘Ha ha! Wat er ook gebeurt, we moeten wel op vakantie!’ Ik keek naar zijn gezicht en eerlijk gezegd maakte het me bang. Vermoedelijk was ik niet de enige. Naast ons was een jonge buurman komen wonen met wie mijn vader aanvankelijk goed kon opschieten. Ze kletsten vaak bij de heg, maar plotseling hadden ze ruzie gekregen, hoewel ik geen idee had waarover.”

 
Nyk de Vries (Noordbergum, 2 januari 1971)

Lees verder “Nyk de Vries, André Aciman, Jimmy Santiago Baca, David Shapiro, Look J. Boden, Anton van Duinkerken, Hans Herbjørnsrud, Jean-Bernard Pouy, Luc Decaunes”

Simples Neujahrslied (Ludwig Eichrodt)

 

Alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!

 


Winterlandschap met figuren te Bedburg bij Kleef door B. C. Koekkoek, 1842

 

Simples Neujahrslied

Vorüber ist das alte Jahr,
Ich wünsche Glück zum neun!
Was euch das alte noch nicht war,
Soll euch das neue sein.

Ich greife zu dem vollen Glas,
Und trink es aus und sag,
Ich wünsche Jedem Alles was
Er selbst sich wünschen mag.

Ich wünsch euch Alles, was auch euch
Befriediget und reizt,
Und dass mit euern Wünschen sich
Der meinen keiner kreuzt!

So treten wir ins neue Jahr
Getrosten Mutes ein –
Und was im alten noch nicht war,
Erfülle sich im neun!

 

 
Ludwig Eichrodt (2 februari 1827 – 2 februari 1892)
Karlsruhe, Pyramide. Ludwig Eichrodt werd in Karlsruhe geboren.

 

Zie voor de schrijvers van de 1e januari mijn twee vorige blogs van vandaag.

Ernest van der Kwast, Rhidian Brook, Adonis, Jonas T. Bengtsson, Chantal van Gastel, Inge Schilperoord, J.D. Salinger, E. M. Forster, Juan Gabriel Vásquez

De Nederlandse schrijver Ernest van der Kwast werd geboren in Bombay, India, op 1 januari 1981. Zie ook alle tags voor Ernest van der Kwast op dit blog.

Uit:Het wonder dat niet omvalt

“Ik ken alleen het verhaal. Ik was er niet bij, ik heb het niet gezien. Zo is het mij ter ore gekomen. Op een grijze doordeweekse dag wordt er een oude piano afgeleverd bij de kringloopwinkel Piekfijn aan de Mariniersweg. Het is een zwarte piano, van het merk Gerhald Adel. Niemand in de kringloopwinkel weet wat het instrument waard is en of de snaren nog goed zijn. Maar de veertigjarige Ako Taher loopt naar de piano toe en maakt de klankkast open. Hij verwijdert het stof en gaat zitten. Hij begint te spelen. De mond van de filiaalleider valt het eerst open, de monden van de andere verkopers van het tweedehandswarenhuis volgen. Ako Taher werkt nog niet zo lang bij Piekfijn, hij heeft zijn baan te danken aan een re-integratietraject van het gemeentelijke afvalverwerkingsbedrijf. Vier jaar lang werkte hij in een Buurt Service Team. Schoffelen, vegen, onkruid uitrukken. Tot zijn handen kapotgingen en zijn wil werd gebroken. Ooit studeerde Ako Taher klassieke piano aan het conservatorium van Bagdad en droomde hij van een carrière als concertpianist. Maar dan breekt de Tweede Golfoorlog uit en moet hij vluchten. Hij zit in een vrachtauto, in een bus, hij zit op een paard, hij loopt en loopt en loopt. En dan is hij in Nederland, in een asielzoekerscentrum in Rockanje. Er staat een piano, maar daar mag hij niet op spelen. Wel mag hij loodzware klusjes doen voor 25 gulden per week. Er gaan jaren voorbij — om precies te zijn: er gaan tien jaar voorbij —en dan zit hij eindelijk weer achter een piano. Het spelen gaat moeilijk, alles is geblokkeerd. Hij meldt zich aan bij het conservatorium van Rotterdam, maar hij moet eerst zijn schulden afbetalen. Zo komt hij bij het Buurt Service Team terecht, zo gaan zijn handen kapot, zo breekt zijn wil. En zo komt hij uiteindelijk bij Piekfijn terecht. De man die te paard de oorlog ontvluchtte, die tien jaar geen piano speelde, die het vuil van de straat raapte. Ik was er niet bij, ik heb de monden niet zien openvallen. Ik heb de muziek niet gehoord. Debussy? Chopin? Of was het Satie? Mensen raken betoverd door Ako Taher. Ontroerd. De pianist van Piekfijn wordt ontdekt door Radio Rijnmond. De kranten volgen.”

 

 
Ernest van der Kwast (Bombay, 1 januari 1981)

Lees verder “Ernest van der Kwast, Rhidian Brook, Adonis, Jonas T. Bengtsson, Chantal van Gastel, Inge Schilperoord, J.D. Salinger, E. M. Forster, Juan Gabriel Vásquez”

Douglas Kennedy, Rascha Peper, Carry van Bruggen, Paul Hamilton Hayne, Rüdiger Safranski, Joe Orton, Mariano Azuela, René de Ceccatty, Sven Regener

De Amerikaanse schrijver Douglas Kennedy werd geboren op 1 januari 1955 in New York. Zie ook alle tags voor Douglas Kennedy op dit blog.

Uit: The Heat of Betrayal

“Out of nowhere, Paul suddenly began to mumble something in his sleep, its incoherency growing in volume. When his agitation reached a level that woke our neighbour — an elderly man sleeping in grey-tinted glasses — I touched Paul’s arm, trying to rouse him out of his nightmare. It was several more unnerving moments of shouting before he snapped awake, looking at me as if he had no idea who I was. `What . . . where … I don’t . . .?’ His wide-eyed bemusement was suddenly replaced by the look of a bewildered little boy. `Am I lost?’ he asked. `Hardly,’ I said, taking his hand. ‘You just had a bad dream.’ `Where are we?’ `Up in the air.’ `And where are we going?’ `Casablanca.’ He appeared surprised at this news. `And why are we doing that, Robin?’ I kissed him on the lips. And posed the question: `Adventure?’
****

FATE IS BOUND up in the music of chance. A random encounter, a choice impulsively made . . . and fate suddenly has its own interesting momentum. It was fate that had brought us to Casablanca. The ‘fasten seat belts’ sign had now been illuminated. All tray tables stored away. All seats upright. The change in cabin pressure was wreaking havoc with the eardrums of all the babies around us. Two of the mothers — their faces veiled — tried to calm their children down without success. One of the babies was staring wide-eyed at the cloaked face in front of him, his anguish growing. Imagine not being able to see your mother’s face in public. She is visible at home, but in the world beyond, all that can be seen is a slitted hint of eyes and lips: to an infant jolted awake by a change in cabin pressure, it would be even more reason to cry. little charmers,’ Paul whispered, rolling his eyes. I entwined my hand with his, saying: `We’ll be down on the ground in just a few minutes.’ How I so want one of our very own ‘little charmers’ sitting next to us. Paul suddenly put his arm around me and said: `Am I still your love?’ I clutched his hand more tightly, knowing just how much reassurance he craves. `Of course you are.’ The moment he walked into my office three years ago I knew it was love. What do the French call it? A coup de foudre. The overwhelming, instantaneous sense that you have met the love of your life; the one person who will change your entire trajectory because you know .. . What exactly?”

 

 
Douglas Kennedy (New York, 1 januari 1955)

Lees verder “Douglas Kennedy, Rascha Peper, Carry van Bruggen, Paul Hamilton Hayne, Rüdiger Safranski, Joe Orton, Mariano Azuela, René de Ceccatty, Sven Regener”

Rawi Hage

De Libanees-Canadese schrijver en fotograaf Rawi Hage werd geboren op 1 januari 1964 in Beiroet en groeide op in Libanon en Cyprus. Hij verhuisde in 1984 naar New York City. In 1991 verhuisde hij naar Montreal, waar hij fotografie studeerde aan het Dawson College en Fine Arts aan de Concordia University. Hij begon vervolgens te exposeren als fotograaf en werk van hem is verworven door het Canadese Museum of Civilization in de hoofdstad van Canada. Hij heeft een MFA van de Université du Québec in Montréal (UQAM). Naast zijn werk als schrijver en beeldend kunstenaar was Hage ook een tijd taxichauffeur in Montreal. Hage publiceerde journalistiek en fictie in verschillende Canadese en Amerikaanse tijdschriften en in de PEN America Journal. Voor zijn debuutroman, “De Niro’s Game” (2006) ontving hij de internationale IMPAC Dublin Literary Award 2008. Het boek werd genomineerd voor de Scotiabank Giller-prijs 2006 en de 2006 Governor General’s Award voor Engelse fictie. “De Niro’s Game” kreeg ook twee prijzen in Quebec, de Hugh MacLennan Prize for Fiction en de McAuslan First Book Prize. Zijn tweede roman “Cockroach” verscheen in 2008 en werd ook genomineerd voor de Giller Prize, de Governor General’s Award en de Rogers Writers ‘Trust Fiction Prize. Hage was de winnaar van de Hugh MacLennan Prize for Fiction in 2008 en 2012 voor zijn boeken “Cockroach” en “Carnival”. In augustus 2013 werd hij de negende Vancouver Public Library’s writer in residence. Hage is de partner van romanschrijfster Madeleine Thien.

Uit: De Niro’s Game

“Ten thousand bombs had landed on Beirut, that crowded city, and I was lying on a blue sofa covered with white sheets to protect it from dust and dirty feet.
It is time to leave, I was thinking to myself. My mother’s radio was on. It had been on since the start of the war, a radio with Rayovac batteries that lasted ten thousand years. My mother’s radio was wrapped in a cheap, green plastic cover, with holes in it, smudged with the residue of her cooking fingers and dust that penetrated its knobs, cinched against its edges. Nothing ever stopped those melancholic Fairuz songs that came out of it.
I was not escaping the war; I was running away from Fairuz, the notorious singer.
Summer and the heat had arrived; the land was burning under a close sun that cooked our flat and its roof. Down below our white window, Christian cats walked the narrow streets nonchalantly, never crossing themselves or kneeling for black-dressed priests. Cars were parked on both sides of the street, cars that climbed sidewalks, obstructed the passage of worn-out, suffocating pedestrians whose feet, tired feet, and faces, long faces, cursed and blamed America with every little step and every twitch of their miserable lives.
Heat descended, bombs landed, and thugs jumped the long lines for bread, stole the food of the weak, bullied the baker and caressed his daughter. Thugs never waited in lines.
GEORGE HONKED.
His motorcycle’s cadaverous black fumes reached my window, and its bubbly noise entered my room. I went downstairs and cursed Fairuz on the way out: that whining singer who makes my life a morbid hell.
My mother came down from the roof with two buckets in her hands; she was stealing water from the neighbour’s reservoir.
There is no water, she said to me. It only comes two hours a day.
She mentioned something about food, as usual, but I waved and ran down the stairs.
I climbed onto George’s motorbike and sat behind him, and we drove down the main streets where bombs fell, where Saudi diplomats had once picked up French prostitutes, where ancient Greeks had danced, Romans had invaded, Persians had sharpened their swords, Mamluks had stolen the villagers’ food, crusaders had eaten human flesh, and Turks had enslaved my grandmother.”

 

 
Rawi Hage (Beiroet, 1 januari 1964)

A Farewell – Goodbye, old year (Alfred Austin)

Alle bezoekers en mede-bloggers een prettige jaarwisseling en een gelukkig Nieuwjaar!

 

 
Wintergezicht op de Singel, Amsterdam door J.C.K. Klinkenberg, eind 19e eeuw

 

A Farewell

Good-bye, old year, good-bye!
Gentle you were to many as to me,
And so we, meditating, sigh,
Since what hath been will be,
That you must die.
Hark! In the crumbling grey church tower,
Tolls the recording bell
The deeply-sounding solemnising knell
For your last hour.

How quietly you die!
No canonisëd Saint
E’er put life by
With less of struggle or complaint.
You seem to feel nor grief nor pain,
No retrospection vain,
As if, departing, you would have us know
It is not hard to go,
Since pang is none, but only peace, in Death,
And Life it is that suffereth.

Closer and clearer comes the last slow knell,
And on my lip for you awaits
That final formula of Fate’s,
The low, lamenting, lingering word, Farewell!
For you the curved-backed sexton need not stir
The mould, for there is nothing to inter,
No worn integument to doff,
No bodily corruption to put off;
Begotten of the earth and sun,
And ending spirit-wise as you begun,
You pass, a mere memento of the mind,
Leaving no lees behind.

Hark! What is that we hear?
A quick-jerked, jocund peal,
Making the fretted church tower reel,
Telling the wakeful of a young New Year,
Young, but of lusty birth,
To face the masked vicissitudes of earth.

Let us, then, look not back,
Though smooth and partial was the track
Of the receding Past,
But through the vista vast
Of unknown Future wend intrepid way,
Framed to contend and cope
With perils new by vanished yesterday,
Whose last bequests to Man are Love, and
Faith, and Hope.

 

 
Alfred Austin (30 mei 1835 – 2 juni 1913)
Leeds Castle. Alfred Austin werd geboren in Leeds

 

Zie voor de schrijvers van de 31e december ook mijn drie vorige blogs van vandaag.

 

Anne Vegter, Arjen Duinker, Junot Díaz, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

 

Dadaab

We zeggen laten we niet naar school gaan, als je naar school gaat
begin je de wereld te begrijpen, dan breekt de pleuris uit.

We zeggen meisjes zijn duurkoop om toekomst mee te betalen
of is de wereld een markt waar je dochters ruilt voor suiker.

We zeggen achter de tenten is een zandweg en de weg is lang
en het zand leidt terug naar de oorlog, waarom zou je gaan.

We zeggen het schieten klinkt in de slaap zo luid als in het
geheugen maar we zijn doof van honger zeggen we en

het tobben zat. Herkent iemand op school de naam Nadifa al,
geboren tussen seizoenen, woede en onschuld, dan breekt

de pleuris maar uit. De meisjes zeggen whatever wij meisjes
zeggen. Onder de zwarte hemel delen we zandlampen uit,

we spellen een handleiding want morgen breken we de tenten af.

 

Aanslag op de liefde

Is dit hoe dood kan gaan, je richt je geweer, je scant
mijn geheugen: de laatste vakantie, de eerste vliegreis,
de beslagen medaille van de laatste vierdaagse: sterven

voor beginners. Je blik houdt schrik en misbaar
samen, je ogen richten een ravage aan in mijn versie
van een mannenhart. Liefde is de som van gemis.

Je graaft een kuil in je naam, het dagelijks bloed
kan er zomaar in verdwijnen, je zegt dat je
geen vrouwen doodt. Iedereen wijst naar je foto,

je hebt het ‘m geflikt. Je wilde ons waarschuwen:
dit is geen gedicht. Je zegt haast vriendelijk dat je
geen vrouwen doodt, maar het loopt wel eens anders,

het blijft mensenwerk. Welke engelen kent je geloof,
in welke woorden kan een verloren god zich nestelen?
Vergeven is gezegd, onmenselijk godenwerk.

 

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Lees verder “Anne Vegter, Arjen Duinker, Junot Díaz, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, August van Cauwelaert, Paula Dehmel”

Dieter Noll, Nicolas Born, Dal Stivens, Connie Willis, Giovanni Pascoli, Marie d’Agoult

De Duitse dichter en schrijver Dieter Noll werd geboren op 31 december 1927 in Riesa. Zie ook alle tags voor Dieter Noll op dit blog.

Uit: Die Abenteuer des Werner Holt

„Der Wecker rasselte. Werner Holt schreckte aus dem Schlaf, sprang aus dem Bett und stand ein wenig taumelig im Zimmer. Er fühlte sich nicht erfrischt, sondern matt und benommen. Sein Kopf schmerzte. In einer Stunde begann der Schulunterricht.
Durch die weitgeöffneten Fenster flutete Sonnenlicht. Der Mai des Jahres 1943 endete mit heißen, trockenen Tagen, mit prachtvollem Badewetter. Der Fluß, der bei der kleinen Stadt reißend durch die Berge brach, lockte mit seinen grünen Ufern weit mehr als das ziegelrote Schulhaus und seine muffigen Räume.
Mathematik, Geschichte, Botanik und Zoologie, dachte Holt, und dann zwei Stunden bei Maaß, Studienrat Maaß, Latein und Englisch. Die Übersetzung aus dem Livius muß ich bei Wiese abschreiben, in der großen Pause. Wenn ich bei Zickel drankomm, meck-meck, dann gibt’s ein Fiasko … Allmählich wich der dumpfe Schmerz, der hinter der Stirn saß. Er erinnerte sich jetzt, erregend und beängstigend geträumt zu haben, von der Marie Krüger und ihrem zigeunerhaft bunten Rock, und dann von einer Schlägerei mit Wolzow.
Ich bin krank, dachte er, als ihn bei der dritten Kniebeuge vor dem offenen Fenster ein Schwindelgefühl ergriff, ich geh nicht in die Schule, mir ist elend, ich bleib im Bett. Nein! Das ist unmöglich. Wenn ich heut fehle, dann hab ich verspielt, dann heißt es, ich hab Angst vor Wolzow. Bei diesem Gedanken wurde ihm noch elender. Es hatte gestern mit Wolzow Krach gegeben, es hatte vorgestern, es hatte jeden Tag Krach gegeben; und heute war die Prügelei fällig. Er fürchtete niemanden in der Klasse, aber gegen Wolzow hatte er keine Chance: und damit war er erledigt. Denn ein unbesiegter Held war, von Homer bis heute, so gewaltig wie sein Mundwerk, aber ein besiegtes Großmaul war nur noch lächerlich.“

 

 
Dieter Noll (31 december 1927 – 6 februari 2008)
Cover

Lees verder “Dieter Noll, Nicolas Born, Dal Stivens, Connie Willis, Giovanni Pascoli, Marie d’Agoult”