Jayne Cortez, Roberto Cotroneo, Barbara Taylor, Benito Pérez Galdós, Johann Peter Hebel

De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Zie ook alle tags voor Jayne Cortez op dit blog.

 

Jazz Fan Looks Back

I crisscrossed with Monk
Wailed with Bud
Counted every star with Stitt
Sang “Don’t Blame Me” with Sarah
Wore a flower like Billie
Screamed in the range of Dinah
& scatted “How High the Moon” with Ella Fitzgerald
as she blew roof off the Shrine Auditorium
                   Jazz at the Philharmonic

I cut my hair into a permanent tam
Made my feet rebellious metronomes
Embedded record needles in paint on paper
Talked bopology talk
Laughed in high-pitched saxophone phrases
Became keeper of every Bird riff
every Lester lick
as Hawk melodicized my ear of infatuated tongues
& Blakey drummed militant messages in
soul of my applauding teeth
& Ray hit bass notes to the last love seat in my bones
I moved in triple time with Max
Grooved high with Diz
Perdidoed with Pettiford
Flew home with Hamp
Shuffled in Dexter’s Deck
Squatty-rooed with Peterson
Dreamed a “52nd Street Theme” with Fats
& scatted “Lady Be Good” with Ella Fitzgerald
as she blew roof off the Shrine Auditorium
                   Jazz at the Philharmonic

 

Jayne Cortez (10 mei 1936 – 28 december 2012)
Lees verder “Jayne Cortez, Roberto Cotroneo, Barbara Taylor, Benito Pérez Galdós, Johann Peter Hebel”

Antonine Maillet, Ivan Cankar, Martin Boelitz, Ariel Durant, Fritz von Unruh, Leonard Buyst

De Canadese schrijfster Antonine Maillet werd geboren op 10 mei1929 in Bouctouche, New Brunswick. Zie ook alle tags voor Antonine Maillet op dit blog.

Uit: La Sagouine

« Ç’a été la boune ânnée du pauvre monde. Vous compornez, avec un hiver de doux temps, un été de coques et pis un automne d’aléctions, tout ça la même ânnée, quoi c’est que vous voulez que je demandions de plusse nous autres ? Pornez une boune grousse hiver frette où c’est qu’une parsoune a grandement besoin de se chauffer. Eh ben, si j4avons du frette, j’avons de la glace ; et si j’avons de la glace sus la baie, je pouvons travorser en petite traîne dans l’anse y ragorner nos écopeaux et nos hâriottes pour nous chauffer. C’te ânnée, c’était un hiver doux, pas de glace, ben pas de frette ; pas d’écopeaux, ben pas besoin de chauffer le poêle à blanc et pis de nous assire dessus. C’est ben arrangé comme ça, et j’ai pour mon dire qu’y a un Bon Djeu exprès pour le pauvre monde…
[…]

Pour les citoyens à part entchére, je manquons de rien, ça faut le dire. Moi je me lève de bon matin et je fais des crêpes pour que j’en ayons toute la jornée. Arrivé le souère, ils avont été réchauffées deux fois, ça fait que je les mangons avec de la mélasse pour outer le goût. Pis le samedi pis le dimanche, c’est des fayots.
 […]

Ça fait que là, moi pis Gapi je pouvons aller nous coucher. Un vrai matelas avec des ressorts que le prêtre nous a douné. Même que les ressorts nous rentront dans l’échine si je pornons pas garde. »

 

Antonine Maillet (Bouctouche, 10 mei 1929)

Lees verder “Antonine Maillet, Ivan Cankar, Martin Boelitz, Ariel Durant, Fritz von Unruh, Leonard Buyst”

Pieter Boskma, Jotie T’Hooft, Charles Simic, Jan Drees, Leopold Andrian, Alan Bennett, Lucian Blaga

De Nederlandse dichter en schrijver Pieter Boskma werd geboren in Leeuwarden op 9 mei 1956. Zie ook alle tags voor Pieter Boskma op dit blog.

 

De mist vriest aan

De mist vriest aan: het bos is wit.
Vier harige uitheemse ossen,
huiverend, hun kop gebogen,
staren naar de harde mossen.
Ik schrik ervan hoezeer zij lijken
op een mens die al zijn dromen
plots is kwijtgeraakt en weet
er niks voor in de plaats te krijgen.
Goed, nieuwe winter aan de kust,
de gloed van waanzin in mijn ogen
dempt je kou die door mijn leden trekt,
dus ik maak me niet meer druk
om wat oprukt tussen de bomen,
de tanden blinkend in de gesperde bek.

 

Onder de lichtboom (Fragment)

Zoals golven, zonder duidelijk begin,
misschien als rimpeling veroorzaakt
door een vis, zich naargelang de wind,
onstuimig of gedwee, verheffen uit de zee
– hun uitwaaierend schuim al zien
ontbloeien tot bewolking –, en een
moment in evenwicht van gravitatie
en cohesie wachten op het breekpunt
waarvoor zij zich gesteld zien door
de wereld der verschijnselen,

zo raakt ook de mens – geboren uit het weids
gebaar van een korrel zand – op de toppen
van zijn bloei, zijn wil, zijn werk, zijn visie,
er plots van doordrongen dat hij ten hemel
dacht te reiken in een almaar magistraler
expanderend vergezicht, maar in feite slechts
zijn idolen achterna stuift op de rimpelloze stranden
terwijl nieuwe kelen fluisteren van het tegenlicht
dat al in de ogen van de volgelingen openbreekt,
verwonderd hoe virtuoos en hoe viriel dat gaat,

en staat men op een dag – het regent zonder twijfel,
onzekerheid beweegt de lucht –  onder een boom
in juni, telt als voor het eerst de vingers van zijn
hand, leest in de nerven van een blad de vele
namen van de liefdes die men dacht verdrongen,
en huivert, voelt opnieuw de oude kou van
afscheid nemen, het nieuwe schrijnen in de wond
die ons doet wankelen, en die boom in juni, sacraler
dan een kathedraal, breder dan een boulevard,
staat daar maar – al meer dan honderd jaar.

 

 
Pieter Boskma (Leeuwarden, 9 mei 1956)

Lees verder “Pieter Boskma, Jotie T’Hooft, Charles Simic, Jan Drees, Leopold Andrian, Alan Bennett, Lucian Blaga”

Thomas Pynchon, Roddy Doyle, Pat Barker, Gary Snyder, Gertrud Fussenegger, James Worthy

De Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon werd op 8 mei 1937 geboren in Glen Cove, Long Island, New York. Zie ook alle tags voor Thomas Pynchon op dit blog.

Uit: Bleeding Edge

„It’s the first day of spring 2001, and Maxine Tarnow, though some still have her in their system as Loeffler, is walking her boys to school. Maybe they’re past the age where they need an escort, maybe Maxine doesn’t want to let go just yet. It’s only a couple blocks, it’s on her way to work, she enjoys it, so?
This morning, all up and down the streets, what looks like every Callery Pear tree on the Upper West Side has popped overnight into identical white clouds of pear blossoms. As Maxine watches, sunlight finds its way past rooflines and water tanks to the end of the block and into one particular tree, which all at once is filled with light.
“Mom?” Ziggy in the usual hurry. “Yo.”
“Guys, check it out, that tree?”
Otis takes a minute to look. “Awesome, Mom.”
“Doesn’t suck,” Zig agrees. The boys keep going, Maxine enjoys the tree half a minute more before catching up. At the corner by long-implanted reflex she drifts into a pick so as to stay between them and any driver whose idea of sport is to come around the corner and run you over.
Sunlight reflected from apartment windows has begun to show up in blurry patterns on the fronts of the buildings across the street. Two-part buses, new on the routes, creep the crosstown blocks like giant insects. Steel shutters are being rolled up, early trucks are double-parking, guys are out with hoses cleaning off their piece of sidewalk. Unhoused people sleep in doorways, scavengers with huge plastic sacks full of empty beer and soda cans head for the markets to cash them in, work crews wait in front of buildings for the super to show up. Runners are bouncing up and down at the curb waiting for the lights to change. Cops are in coffee shops dealing with bagel deficiencies. Kids, parents, and nannies wheeled and afoot are heading in all different directions for schools in the neighborhood. Half the kids seem to be on new Razor scooters, so to the list of things to keep alert for, add ambush by rolling aluminum.”

 

 
Thomas Pynchon (Glen Cove, 8 mei 1937)

Lees verder “Thomas Pynchon, Roddy Doyle, Pat Barker, Gary Snyder, Gertrud Fussenegger, James Worthy”

Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Kaas

“Eindelijk schrijf ik je weer omdat er groote dingen staan te gebeuren en wel door toedoen van mijnheer Van Schoonbeke.
Je moet weten dat mijn moeder gestorven is.
Een nare geschiedenis natuurlijk, niet alleen voor haar maar ook voor mijn zusters, die er zich bijna dood aan gewaakt hebben.
Zij was oud, zeer oud. Op een paar jaar na weet ik niet hoe oud zij precies was. Ziek was zij eigenlijk niet, maar grondig versleten.
Mijn oudste zuster, waar ze bij inwoonde, was goed voor haar. Zij weekte haar brood, zorgde voor stoelgang en gaf haar aardappelen te schillen om ze bezig te houden. Zij schilde, schilde, als voor een leger. Wij brachten allemaal onze aardappelen bij mijn zuster en dan kreeg zij die van madame van boven en van een paar buren óók nog, want toen ze eens geprobeerd hadden haar een emmer reeds geschilde aardappelen nog eens te doen overschillen, wegens gebrek aan voorraad, toen had zij ’t gemerkt en warempel gezegd ‘die zijn al geschild’.
Toen zij niet meer schillen kon, omdat handen en oogen niet goed meer samenwerkten, toen gaf mijn zuster haar wol en kapok te pluizen dat door het beslapen tot harde nopjes verworden was. Het maakte veel stof, en moeder zelf was een en al pluis, van kop tot teen.
Zoo ging het maar steeds door, bij nacht zoowel als bij dag: dommelen, pluizen, dommelen, pluizen. En daar af en toe een glimlach doorheen, God weet tot wie.
Van mijn vader, die pas een jaar of vijf dood was, wist zij niets meer af. Die had nooit bestaan, al hadden zij negen kinderen gehad.
Wanneer ik haar kwam bezoeken sprak ik wel eens over hem om te probeeren zoodoende hare levensgeesten weer aan te wakkeren.
Ik vroeg haar dan of zij waarachtig Krist niet meer kende, want zoo had hij geheeten.
Zij deed zich vreeselijk geweld aan om mij te volgen. Zij scheen te begrijpen dat zij iets begrijpen moest, kwam voorover in haren zetel en staarde mij aan met een gespannen gezicht en zwellende slaapaders: een uitgaande lamp die dreigt te ontploffen bij wijze van afscheid.”

 

 
Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960)
Laarmans (Willem Elsschots alter ego) op de stripmuur in de Antwerpse beeldverhaalroute.

Lees verder “Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey”

Willem Kloos, Hélène Gelèns, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson, Christian Morgenstern

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

Ik ben de zoeker

Ik ben de zoeker naar het Nooit-Behaalde.
Ik ben de Strever naar het Ware Zijn,
Ik ben de dronkene van `s Levens wijn,
Die wonderlijk-krachtig mijn spieren staalde

Wen ik, als onverschrokken duiker, daalde
Tot in de krochten van het Diepste Zijn,
Waar ik dan uit meebracht een luttel grein
Waarheid, die klaar gelijk juwelen, straalde :

Laat mij dan maar in mijn vreemd-lijkend Zijn,
Droevige om `t Zijnde en als edelsteen rein;
Want, schoon mijn geest somtijds in `t zoeken faalde,
En op verlokkende zij-wegen dwaalde,
Zou toch mijn strijd niet de allerschoonste zijn,
Daar ik staag, worstlend, verschopte alle Schijn?

 

Homo Sum II

Ik ben de Dúivel-god dier grúwbre oorkónde,
’t Vervlóekte Boék van laffe deémoed, klein,
Die loert, die loert, koud-donker, donker-rein,
Of Hij die ménsjes niet verdérven kónde.

Ook Hij droeg fier, op ’t lijf vol eeuw’ge pijn,
Eén matelóze, toégeschroeide wonde,
Dat alles had zó anders kunnen zijn. –
Zijn Zijn…. Mysterie, maar zijn Schijn…. Dood-zonde.

Want ook Ik viel, uit een licht Rijk van ’t Goede
In dit groot Duister, dat nu Mijn Licht zij,
En waar Ik eeuwig als Verdoemde in brand.

Maar, in de pracht van mijne staat’ge woede,
Voel Ik mij groot en heerlijk, dat Ik vrij
Haten en kwaad-doen mag, met sterke hand.

 

Ave Maria

Ik droomde van een kálme, bláuwe nacht;
De matte maan lag laag in mistig glimmen –
Maar hóóg scheen van de schemerende kimmen
Der klare starren wolkenloze wacht.

Toen, tussen maan en starren, rees Zij zacht –
Mij zoeter dan de Muze! – en scheen een schimme,
Wijl ’k om haar hoofd als diademen klimmen
En dalen zag der starren gouden pracht.

O liefste Mijne! éer ik een gróete vond –
Ave Maria! ruiste ’t door mijn ziele,
En heel mijn ziele ruiste U toe – één zucht…

Totdat op eenmaal door de stille lucht
Al die miljoenen gouden droppels vielen,
En Ge als een heilige in die glorie stond…

 

Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)
Rond 1936



Lees verder “Willem Kloos, Hélène Gelèns, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson, Christian Morgenstern”

Sasja Janssen

De Nederlandse dichteres en schrijfster Sasja Janssen werd geboren op 6 mei 1968 in Venlo. Zij studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde. Zij geeft taalles en inburgeringscursussen aan anderstaligen. Janssen debuteerde in 1999 in De Revisor met een fragment uit “De brieven”, een ongepubliceerde novelle van haar hand. In 2001 verscheen de roman “De kamerling”, gevolgd door “Teresa zegt” in 2005. Vanaf 2006 schrijft zij voornamelijk gedichten, gebundeld in het in 2007 verschenen debuut “Papaver”, in 2010 verschijnt “Wie wij schuilen” (genomineerd voor de Jo Peters poëzieprijs). In april 2014 verscheen “Ik trek mijn species aan”.

Manier om een hand te begraven

De melk kookt ochtendgeel over het emaillen pannetje
zijn bodem als jonge zwarte aarde, dat angst
niet van nachthuilers is, of van zwarte gal, of het eindige
het kwaadaardige talud en zijn papavers.
Waar is het dan wel van, kleine melk?

Van diepe tuinen waar luchtwortels je de adem afpakken
pissebedden in je schede schuilen, vingers uit je buik
draaien. Ik haal mijn schouders op, jut het vuur op.
Met de steel tegen mijn middenrif voel ik hoe kleine melk
Mijn hand heet bespot, met verse aarde om hem in te begraven.

 

Wij snijden onze beweging

Soms zijn wij misbaar meestal nemen we de voordeur vaker
de achterom
wij dringen ons niet aan de mensen op, liever als een dief
meestal zijn wij ergens anders, hoeveel tijd er overblijft voor soms
berekenen wij niet
wij staan graag op de uitkijk zonder daden toch
zijn wij onmisbaar, ook als er een man niet onze man het huis uitkomt
dat zie je niet maar wat jij niet ziet zijn wij wel, wij stellen geen prijs
op een diagnose snijden onze honger zelf wel uit,
wij zeggen graag nooit nooit
heersen we over onze tekorten, wat jij ziet is er niet
maken wij hier de dienst uit, of wat!

Sasja Janssen (Venlo, 6 mei 1968)

 

Het kind uit vijfenveertig (Anna Enquist)

 

Bij Bevrijdingsdag

 

 
Het Nationale Bevrijdingsmonument in Wageningen

 

Het kind uit vijfenveertig

Mijn vader had twee levens. Eén
kort en vlammend, zonder mij. En één
daarna. Mijn vrijheid was een plicht.

Ik speelde in een pasgeboren luwte;
wat ik voor vol aanzag was innerlijk
ontwricht. Verhalen gingen onvoorspelbaar

dicht en vragen ketsten terug. Ik zweeg.
Als ik aan tafel zat stond er een horde
hol van honger in mijn rug. Ik at.

Hij nam een boot. Geen vijand kan
op open water schuilen. Mijn vader
klemde in zijn vuisten schoot en roer.

Gevangen in een cel van hout dwong
hij de vrede af. Hij vocht met storm.
Opluchting dreigde als een tweede dood.

Mijn vader had twee levens: één
sloeg zijn brandmerk in het ander
en het ander joeg een schaduw over mij.

Ik ging aan land, ik voel de wind
en in die schaduw ben ik vrij.

 

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
De dokwerker aan het Jonas Daniel Meijerplein in Amsterdam

 

Zie voor de schrijvers van de 5e mei ook mijn vorige blog van vandaag en ook mijn blog van 5 mei 2013 deel 2.

Petra Else Jekel, Miklós Radnóti, Morton Rhue, Christopher Morley, George Albert Aurier, Henryk Sienkiewicz

De Nederlandse dichteres Petra Else Jekel werd in Arnhem geboren op 5 mei 1980. Zie ook alle tags voor Petra Else Jekel op dit blog.

 

De tweelingvrouw

1
de tweelingvrouw, de twee Frida’s
zij hebben slechts één paar voeten

haar duimen raken alle vingers
stuk voor stuk en heen en terug
als in die eerste dansles waarin
zij een cirkel van haar hand en
arm omheen haar buik maakt

de tweelingvrouw, de twee Frida’s
houden de duimen aan de borst

zij raken onder water aan elkaar
het bodemsteen naar hen geslepen
biedt als huis een grot met genoeg
onderwatergewaden om te blijven
nog net verandert zij van lichaam

2
de eerste Frida roept mij bij zich
zij roept me over water vanuit zee
maar op de wal laat ze me staan
ik zet me neer en wacht op regen

de tweede Frida praat heel zachtjes
zegt wat niet waar is aan het water
dat ik helder moet zijn van woorden
als ik geluisterd heb neemt zij me mee

neem een sjaal zegt zij, het zal er waaien
breng een jas tegen het water, vergeet
hoe te zwemmen, adem ook onder water
door, wees als het levend bloedkoraal

 

 
Petra Else Jekel (Arnhem, 5 mei 1980)

Lees verder “Petra Else Jekel, Miklós Radnóti, Morton Rhue, Christopher Morley, George Albert Aurier, Henryk Sienkiewicz”

Roni Margulies

De Turkse schrijver, dichter, vertaler en journalist Roni Margulies werd geboren op 5 mei 1955 in Istanbul. Na zijn eindexamen gymnasium studeerde hij in Engeland aan verschillende universiteiten en behaalde hij een doctoraat in de economie. Ondanks zijn Joodse achtergrond positioneert hij zich kritisch tegenover het zionistische beleid. Hij is lid van DSIP (Revolutionaire Socialistische Arbeiderspartij). Hij publiceerde zijn eerste dichtbundel in 1991. Margulies heeft zes dichtbundels, vier poëtische boeken, vertalingen, jeugdherinneringen en een groot aantal krantenartikelen in vele tijdschriften en kranten geschreven. In Turkije werkt hij momenteel voor de krant Taraf als columnist.

The Slipper

One day a few months ago
an old woman appeared
at the entrance of the underground station.
She was begging.

Her clothes were torn but white as white.
She reminded me of my grandmother:
her eyes full of fear,
her last days.

Each time I passed by her
I made a habit of saying ‘Good morning,’
and giving her some bread or money.
She never said a word.

The other day I tried to say more,
she looked, but obviously didn’t understand.
She took what I gave her,
turned her head the other way.

When I passed by yesterday,
she wasn’t at her usual place,
on the ground I saw a single slipper
in faded pink, sequined, on its left side

a blood-red plastic heart.
Tiny and glittering.
As if it would, at any moment
start beating.

 

Singular

In English it’s easy, just add an s
In Turkish too, ler or lar will do
But in Greek plural suffixes
always leave you in a fix

There’s seaport, for instance, limani
and more than one, limania,
while gramma means only one letter,
multiplied, they become grammata

Inexplicably different
the feminine from the masculine
so only one thing’s clear to me now:
I’ve had it with all suffixes.

But now and then, for no reason,
I find myself on my own repeating,
the most singular word I know:
Elsa, Elsa, Elsa.

 

Vertaald door Saliha Paker en Mel Kenne

 
Roni Margulies (Istanbul, 5 mei 1955)