Han Kang

De Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang werd geboren in Gwangju op 27 november 1970. Han Kang is de dochter van romanschrijver Han Seung-won en kind van een schrijversfamilie; haar broers zijn ook schrijver. Ze studeerde Koreaanse literatuur aan de Yonsei University in Seoul. Ze won de Yi Sang Literary Prize, de Today’s Young Artist Award en de Korean Literature Novel Award. In 2016 won ze de International Booker Prize voor fictie voor “De Vegetariër”, samen met vertaler Deborah Smith. Ze was de eerste Koreaan die genomineerd werd voor de prijs. Han Kang begon haar literaire carrière als dichter. Later werd zij bekend als romanschrijver. Haar debuutroman werd in 1995 gepubliceerd in Zuid-Korea.  Buiten Zuid-Korea werd Han Kang bekend met de roman ”De Vegetariër” ,een roman over de beslissing van een vrouw om te stoppen met het eten van vlees en de verwoestende gevolgen van deze daad van passieve rebellie. ”De Vegetariër” is in meer dan dertig talen vertaald. Over de studentenopstand in Gwangju in 1980 schreef Han Kang de roman “Mensenwerk”. De opstand in haar geboortestad was een vormende ervaring voor Han Kang, hoewel ze tijdens de opstand net verhuisd was naar Seoul. Over de herinneringen aan het verlies van haar oudere zus, een baby die twee uur na haar geboorte stierf, schreef Han Kang “Wit”, haar derde in het Nederlands vertaalde boek. In 2023 verscheen Han Kang’s eerste uit het Koreaans vertaalde roman in het Nederlands, “Ik zeg geen vaarwel”, vertaald door Mattho Mandersloot. Han Kang heeft zeven romans gepubliceerd in Zuid-Korea en zijn onder meer vertaald in het Nederlands, Engels, Frans, Arabisch en het Spaans. In 2024 won ze de Nobelprijs voor Literatuur voor “haar intense poëtische proza, waarin ze historische trauma’s onder ogen ziet en de kwetsbaarheid van het menselijk leven blootlegt.”

Uit: Ik zeg geen vaarwel (Vertaald door Mattho Mandersloot)

“Het sneeuwt onophoudelijk. Ik sta op een uitgestrekte vlakte die aan het einde overgaat in een lage heuvel. Op de helling prijken duizenden zwarte boomstammen. De bomen zijn allemaal verschillend in grootte, als een groep mensen van diverse leeftijden, en ongeveer zo dik als spoorbielzen. Maar in tegenstelling tot bielzen, die kaarsrecht naast elkaar liggen, hellen de stammen licht naar de ene of de andere kant. Zo lijken duizenden dunne mensen – mannen, vrouwen en kinderen – elkaar in de ogen te kijken, de armen naast het lichaam. Zijn het graven? denk ik. Is elk van deze bomen een grafsteen? Ik loop langs de zwarte bomen, waarvan het bladerdak volledig is gekapt, zodat de sneeuw als een laag zoutkristallen boven op de platte bast blijft liggen, en zie bij elke boom een kleine grafheuvel. Als ik opeens water onder mijn schoenen hoor klotsen blijf ik stilstaan. Wat vreemd, denk ik nog, maar voor ik het weet komt het water al tot mijn enkels. Ik kijk achterom en geloof mijn ogen niet. In de verte, waar ik toch echt een droge horizon dacht te hebben gezien, ligt de zee. Het is vloed. Wie graaft er nou een graf op een plek als deze? zeg ik hardop, zonder dat ik er erg in heb. De zee rukt steeds sneller op. Komt de vloedlijn elke dag tot hier? Zijn de botten in de graven achter me dan al weggespoeld, zijn alleen hun grafheuvels nog over? De tijd tikt. Voor de graven die al onder water staan kan ik niets meer betekenen, maar de botten boven aan de heuvel moet ik verplaatsen. En wel onmiddellijk, voordat de zee nog verder oprukt. Maar hoe? Ik ben alleen. Ik heb geen schep. Hoe gaat dit me ooit lukken? Machteloos haast ik me langs de zwarte bomen, wadend door het inmiddels kniehoge water.
Toen ik mijn ogen opendeed, was de zon nog niet op. Door het raam wierp ik een blik op de donkere buitenwereld – geen sneeuwvlakte, geen zwarte bomen, geen zee – en ik deed mijn ogen weer dicht. lk realiseerde me dat ik voor de zoveelste keer hetzelfde had gedroomd en legde mijn koude handpalmen over mijn oogleden. Ik had de droom voor het eerst gehad in de zomer van 2014, bijna twee maanden na de verschijning van mijn boek over een historisch bloedbad. In de vier jaar daarna dacht ik precies te weten waarover de droom ging. Vorige zomer vroeg ik me pas voor het eerst af of een ruimere interpretatie mogelijk was, of ik niet te simpel en te intuïtief had geredeneerd, of mijn conclusie wellicht overhaast was geweest. Die zomer volgden bijna twintig tropisch warme nachten elkaar op. Een van die nachten lag ik in de woonkamer onder de eeuwig kapotte airco en probeerde in slaap te vallen. Al een paar keer was ik onder een koude douche gaan staan, maar mijn bezwete lichaam koelde niet af, zelfs niet nu ik met mijn rug op het linoleum lag. Pas rond vijf uur in de ochtend voelde ik mijn lichaamstemperatuur enigszins dalen. Het godsgeschenk was van korte duur, want nog geen dertig minuten later kwam de zon alweer op. Precies toen ik dacht in slaap te vallen, nee, toen ik daadwerkelijk voelde dat ik indommelde, gebeurde het. In een flits stormde de sneeuwvlakte mijn blikveld binnen. Sneeuwvlokken dwarrelden neer op de duizenden zwarte boomstammen en vormden een soort glinsterende laag zoutkristallen in een springlevend tableau, alsof ik er echt stond.”

 

Han Kang (Gwangju, 27 november 1970)

Navid Kermani, Nicole Brossard

De Duits-Iraanse schrijver en islamist Navid Kermani werd geboren op 27 november 1967 in Siegen. Zie ook alle tags voor Navid Kermani op dit blog.

Uit: Jeder soll von da, wo er ist, einen Schritt näher kommen

„Manche sagen: Das Leben ist, was es ist, das Ergebnis von chemischen, atomaren und genetischen Prozessen, sozusagen ein Supercomputer, der sich durch Trial and Error von selbst immer weiterentwickelt, durch Versuch und Irrtum, Auslese und Anpassung, Ursache und Wirkung. Opa gab dann stets zu bedenken, dass irgendwer diesen Computer, der alles in Gang setzt, doch gebaut und programmiert haben müsse. Und wenn die anderen beharrten: Nein, es gebe niemanden, der das Leben baut und programmiert, das entstehe von selbst und verschwinde auch wieder wie ein Tropfen Wasser, der verdampft und sich in Luft auflöst – dann sagte Opa immer: Etwas, das ist, kann nicht einfach nichts werden, weder ein Tropfen Wasser noch der Mensch oder überhaupt unsere Existenz. Und er behauptete sogar, dass die Vorstellung, etwas könne zu nichts werden, für Kinder beinah denkunmöglich sei. Und weißt du was? Ich glaube, Opa hatte sogar recht.
Es ist doch interessant, dass Kinder, wenn ich mich nicht täusche, so gut wie nie am Sinn des Lebens zweifeln, auch gar nicht groß darüber grübeln, Erwachsene hingegen sehr wohl. Oh ja, und wie sie zweifeln und grübeln! Also muss zwischen dem Kindsein und dem Erwachsen-sein etwas unseren Glauben erschüttern, dass alles schon seine Ordnung habe. Versuch dich selbst zu erinnern: Hast du früher, als du noch klein warst, etwa viel über den Tod nachgedacht? Doch wohl eher nicht. Du wusstest zwar, dass wir alle sterben, aber es hat dich nicht beschäftigt; es kam dir vor, als würde das Leben schon irgendwie weitergehen. Angst hattest du schon mal gar nicht, im Gegenteil: Für dich war es das Natürlichste der Welt, wenn ich vom Jenseits sprach, vom Himmel, von Engeln und vom ewigen Leben. Du konntest dir einfach nicht vorstellen, dass etwas, was ist, plötzlich nicht mehr sein soll, von einem auf den anderen Atemzug.
Erst jetzt, da dein eigener Opa gestorben ist und du auch älter geworden bist, immerhin schon zwölf, hast du den Tod von Angesicht zu Angesicht kennengelernt. Und du hast geweint am Grab. Du hast gemerkt, da stimmt etwas nicht, Opa ist jetzt weg, er wird dir nie mehr eine Geschichte erzählen, du wirst nie wieder im Sommer mit ihm ans Meer fahren. Vielleicht hast du zum ersten Mal darüber nachgedacht, dass du selbst einmal unter der Erde liegen wirst in so einem kalten, unwirtlichen Grab. Dass wir alle zu Staub werden, deine Mutter, dein Vater, deine Schwester. Und ich glaube, es ist unter anderem genau diese bewusste Begegnung mit dem Tod, die zwischen dem Kindsein und dem Erwachsensein geschieht. Es muss gar nicht unbedingt ein bestimmter Mensch sein, der stirbt; ich meine einfach die klare Einsicht, dass wir alle irgendwann nicht mehr da sein werden, niemand von uns.
Und zwei, drei oder spätestens vier Generationen nach uns auch niemand mehr, der sich an uns erinnert.“

 

Navid Kermani (Siegen, 27 november 1967)

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

 

Steden met hun naam

in de verte Praag, de brug de burcht
de tijd op de klokkentoren
de klokkentoren in de geschiedenis
de Joodse begraafplaats op de hoek
Skopje, Istanbul andere alfabetten
handel in uren en specerijen als een rivier
rode saffraan pulserend in de tijd

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e november ook mijn blog van 27 november 2021 en ook mijn blog van 27 november 2018 en eveneens mijn blog van 27 november 2017.

Dein König kommt in niedern Hüllen (Friedrich Rückert), Luisa Valenzuela, Nicole Brossard

 

 

Christus Koning-beeld voor de Sint-Josephkerk in Alkmaar

 

Dein König kommt in niedern Hüllen

Dein König kommt in niedern Hüllen,
ihn trägt der lastbarn Es’lin Füllen,
empfang ihn froh, Jerusalem!
Trag ihm entgegen Friedenspalmen,
bestreu den Pfad mit grünen Halmen;
so ist’s dem Herren angenehm.

O mächt’ger Herrscher ohne Heere,
gewalt’ger Kämpfer ohne Speere,
o Friedefürst von großer Macht!
Es wollen dir der Erde Herren
den Weg zu deinem Throne sperren,
doch du gewinnst ihn ohne Schlacht.

Dein Reich ist nicht von dieser Erden,
doch aller Erde Reiche werden
dem, das du gründest, untertan.
Bewaffnet mit des Glaubens Worten
zieht deine Schar nach allen Orten
der Welt hinaus und macht dir Bahn.

Und wo du kommst herangezogen,
da ebnen sich des Meeres Wogen,
es schweigt der Sturm, von dir bedroht.
Du kommst, dass auf empörter Erde
der neue Bund gestiftet werde,
und schlägst in Fessel Sünd und Tod.

O Herr von großer Huld und Treue,
o komme du auch jetzt aufs Neue
zu uns, die wir sind schwer verstört.
Not ist es, dass du selbst hienieden
kommst, zu erneuen deinen Frieden,
dagegen sich die Welt empört.

O lass dein Licht auf Erden siegen,
die Macht der Finsternis erliegen
und lösch der Zwietracht Glimmen aus,
dass wir, die Völker und die Thronen,
vereint als Brüder wieder wohnen
in deines großen Vaters Haus.

 

Friedrich Rückert (16 mei 1788 – 31 januari 1866)
De Heilig-Geist-Kirche in Schweinfurt, de geboorteplaats van Friedrich Rückert

 

De Argentijnse schrijfster Luisa Valenzuela werd geboren op 26 november 1938 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Luisa Valenzuela op dit blog.

Uit: Other Weapons (Vertaald door Deborah Bonner)

The Words
“She doesn’t find it the least bit surprising that she has no memory, that she feels completely devoid of recollections. She may not even realize that she’s living in an absolute void. She is quite concerned( about: t: something else, about her capacity to find the right word for each thing and receive a cup of tea when she says I want (and that “I want” also disconcerts her, that act of willing) when she says I want a cup of tea. Martina attends to all her requests. And she knows that’s her name because Martina herself has told her so, repeating it over and over until she managed to • retain the name. As for herself, she’s been told she’s called Laura, but that’s also part of the haze in which her life drifts by.
There’s also the man: that one, him, the no-name she can call by any name that happens to cross her mind; they’re all just as effective, anyway, and when the guy’s around the house he answers even if she calls him Hugo, Sebastian, Ignacio, Alfredo or anything else. He seems to be around the house often enough to keep her calm, a little, stroking her shoulders and arms, in a progression not lacking in tenderness. Then there are the everyday objects: the ones called plate, bathroom, book, bed, cup, table, door. It’s exasperating, for example, to confront the one called door and try to figure out what to do. A locked door, yes, but there are the keys, on the ledge, within her reach, and the lock’s easy to open, her fascination with the beyond, which she can’t make up her mind to face. She, so-called Laura, is on this side of the so-called door, with its so-called locks and its so-called key begging her to cross the threshold. But she can’t; not yet. Facing the door, she thinks about it and realizes she can’t, although no one appears to care much. Suddenly the so-called door opens and the man we will now call Hector walks in, proving that he also has his set of so-called keys and uses them quite freely. If she stares at him when he walks in —it’s happened to so-called Laura before – she discovers that two other men arrive with Hector and stay outside the door, trying to look inconspicuous. She calls them One and Two, which sometimes gives her a sense of safety and other times makes a shudder run through her. Then she welcomes him knowing that One and Two are standing outside the apartment (apartment?) right outside the so-called door, maybe waiting or protecting him, and sometimes she can imagine that they’re with her and that they escort her, especially when he stares into her eyes as if he were weighing out the memory of old things about her which she doesn’t share in the least. Sometimes her head aches, and that pain is the only thing that really belongs to her and that she can communicate to the man. Then he gets worried, both hoping and fearing that she’ll remember something specific.”

 

Luisa Valenzuela (Buenos Aires, 26 november 1938)

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

 

Steden met hun doden

geen begraafplaatsen eigenlijk alleen de doden
woorden om niet te zeggen, geen voornamen, niemands naam
nog geen ongeluk, kleine voetstapjes die bevriezen
elk jaar loop ik door een nieuwe stad
met woorden, botten, haar, bril
ik loop met iemand die een boek heeft geschreven
“toen op zijn tenen wegging”*
om de horizon de dag na de horizon te vinden

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e november ook mijn blog van 26 november 2018 en eveneens mijn blog van 26 november 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Maarten ’t Hart, Nicole Brossard

De Nederlandse schrijver Maarten ’t Hart werd geboren op 25 november 1944 in Maassluis. Zie ook alle tags voor Maarten ’t Hart op dit blog.

Uit: Simons vrouwendienst. Waarom ik geen Vestdijk-biograaf werd

“Hoewel ik ernaar snakte dat er iemand zou opstaan die zou uitroepen dat ik ten enenmale de vereiste vermogens miste om de biografie van Vestdijk te schrijven – en mijn hoop was daarbij gevestigd op zo’n roemruchte autoriteit als Kees Fens, van wie ik weet dat hij weinig met mij op heeft (zoals ik ook op mijn beurt weinig met deze paap op heb, ik hoor nadrukkelijk niet tot de fans van Fens) – lokte het vooruitzicht langs de ‘Vestdijk-vrouwtjes’, gevoerd te worden, zoals Martin Ros ze beliefde te noemen, mij wel aan. Zulke bezoekjes zouden mij uiteraard nog niet verplichten tot het schrijven van de biografie.
Daar gingen wij dus. Onze eerste tocht voerde naar Jeanne van Schaik-Willing. Nog zie ik voor mij hoe zij, woonachtig in zo’n huis te Amsterdam waar je meteen na de deur de trap op moet, op de eerste verdieping over de balustrade van de trapleuning omlaag tuurde toen wij de treden opstommelden. Wat een aandoenlijk aardig, ja zelfs nog mooi te noemen gezicht doemde daar op in het halfduister. Zo lieflijk omlijst met grijs haar. En toch bleek ze nog kwiek, en allemachtig aardig, maar tegelijkertijd, zo merkte ik al spoedig toen wij van een kopje thee waren voorzien, wat Vestdijk betrof een informante waar bedroevend weinig uit te halen viel. Al wat ze te vertellen had, was dat Vestdijk haar huis als alibicentrale en uitvalsbasis gebruikt had om Henriëtte van Eyck te veroveren.
Hoe dat precies z’n beslag had gekregen, en of Jeanne daar wellicht onder had geleden, of misschien zelfs jaloers was geweest, daarover kregen wij niets te horen. Ik had ook niet de indruk dat ik, zou ik daar ooit nog terugkomen, alsnog uitvoeriger geïnformeerd zou worden. Ik begreep wel dat ik daar ontzaglijk veel thee zou moeten drinken om akelig weinig te weten te komen. Zelfs over de roman in brieven die Vestdijk samen met haar heeft geschreven, een boek waar ik een groot zwak voor heb – mede omdat het speelt in het gebied waar ik als dienstplichtig militair tot vaandrig werd opgeleid -, kreeg ik van Jeanne alleen te horen dat Vestdijk de plot had bedacht, en dat het werk probleemloos ontstaan was: hij schreef een brief, zij schreef een brief terug, en zo maar door, zonder enig conflict of wanklank of zelfs overleg.
‘Jetje’, dat was het toverwoord dat steeds maar weer viel, die lange avond bij Jeanne van Schaik-Willing. Jetje, daar moesten we heen, dat was Simons grootste vlam, ja zijn grootste liefde geweest. Van Jetje had hij, voorzover hij überhaupt van iemand houden kon, echt opmerkelijk veel gehouden, en dat het niet tot een huwelijk was gekomen, bleef een groot raadsel dat om een oplossing smeekte.”

 

Maarten ’t Hart (Maassluis, 25 november 1944)

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

 

Steden met een terugkerende gedachte

Soms ontvlam ik
vanwege de bevolking
wie dan ook kan
nu de lijken tellen
met hun naam of zonder hun gezichten
in nachten dat het te donker is
ontvlam ik tenminste
in een stad
soms zijn het er twee op dezelfde avond
en ik glimlach niet

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e november ook mijn blog van 25 november 2021 en ook mijn blog van 22 november 2018 en eveneens mijn blog van 22 november 2015 deel 2.

Einar Kárason, Paul Celan

De IJslandse schrijver Einar Kárason werd op 24 november 1955 geboren in Reykjavík. Zie ook alle tags voor Einar Kárason op dit blog.

Uit:  Sturmvögel (Vertaald door Kristof Magnusson)

„Auf den ersten Blick wirkt es wie ein aussichtsloses Unterfangen, ein Schiff in einem Wintersturm von Eis zu befreien. Das Eis sieht nicht nur aus wie Glas, es ist auch ebenso hart wie Glas, und wenn das Ganze erst mal so weit fortgeschritten ist wie auf unserem Schiff, dann reden wir nicht mehr über einen dünnen Eisüberzug, den ein Kind mit einem Steinwurf zerschmettern könnte, sondern über eine massive, bizarr geformte Skulptur aus Kristallglas, als hätte ein kunstsinniger Handwerker seiner Fantasie freien Lauf gelassen und sich nur noch lose an den wirklichen Umrissen eines Schiffes orientiert. Über den Schleppnetz-Winden türmt sich das Eis so hoch auf, als wären da kleine Berge oder Ski-Hügel, während die Stützen für die Frischbecken an amerikanische Wolkenkratzer erinnern.
Die Reling auf dem Schanzkleid ist zu einer steinernen Gartenmauer geworden, und Drähte und Seile, die normalerweise nicht dicker sind als der Daumen eines kräftigen Bootsmanns, haben nun den Umfang von Abwasserrohren. An den Galgen, über die normalerweise unsere Schleppnetze laufen, hängt das Eis in riesigen Klumpen. Auch das Bootsdeck ist bereits vollkommen mit Eis bedeckt, genau wie das, wovon im Fall der Fälle unser Leben abhängt: die Rettungsboote. Und dann ist da noch der Aufbau auf dem Vorschiff, die Back, mit ihren Winden und Spills. Dort sieht es aus wie auf einem Gletscher, der Ähnlichkeit hat mit dem Vatnajökull, auf dem vor einigen Jahren das Flugzeug Geysir abgestürzt war. Die Besatzung hatte man damals schon aufgegeben und dann nach vielen Tagen doch noch lebend gefunden. Als sich einige Monate später im Frühling eine Suchmannschaft zu der Unglücksstelle aufmachte, um das Flugzeug und seine Fracht zu bergen, war das Wrack schon völlig vom Eis des Gletschers verschlungen worden. Dasselbe war mit dem Schneekufen-Flugzeug passiert, das die U.S. Army geschickt hatte, um die Besatzung der Geysir zu retten — es war sofort nach der Landung festgefroren und musste zurückgelassen werden.
Auch der Besatzung des Trawlers Mävur kam es so vor, als müsste sie gegen einen ständig wachsenden Gletscher kämpfen. Alle hatten ihre wärmste Kleidung an, Ölzeug und Watstiefel, die ihnen bis über die Knie gingen. Manche benutzten Hämmer, andere Schraubenschlüssel, manche Stücke von Rohren, Fleischklopfer, Küchenbeile, der Bootsmann schwang eint enorme Brechstange, die man an Land auch Kuhfuß nannte, und die, die es am besten getroffen hatten, arbeiteten mit einer der beiden Eisäxte an Bord, die im Vergleich zu den anderen Gerätschaften sonderbar klein wirkten. Sie wagten sich auf das vereiste Vorschiff, wo man sich besonders gut festhalten musste, was normalerweise kein Problem war, auch nicht bei so heftigem Seegang, wie wir ihn hatten, doch nun war alles, was einem Halt geben konnte, unter dem Eis verschwunden. Wenigstens rollte das Boot weniger, als es bei einem solchen Unwetter normalerweise der Fall gewesen wäre — das Gewicht des Eises sorgte dafür, dass das Schiff sich, wenn überhaupt, nur noch langsam wieder aufrichtete, nachdem es sich nach Backbord oder Steuerbord geneigt hatte.“

 

Einar Kárason (Reykjavík, 24 november 1955)

 

De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celan op dit blog.  Hier volgt de vertaling van een vroeg gedicht uit 1947.

 

Lof der verte

In de bron van je ogen
leven de netten van de vissers der waanzee.
In de bron van je ogen
houdt de zee z’n belofte.

Hier werp ik,
een hart dat onder de mensen verkeerde,
de kleren van mij en de glans van een eed:

zwarter in zwart, ben ik naakter.
Afvallig ben ik pas trouw.
Ik ben jij, als ik ik ben.

In de bron van je ogen
drijf ik en droom ik van prooi.

Een net haalt een net op:
we scheiden omstrengeld.

In de bron van je ogen
wurgt een gehangene de strop.

 

Vertaald door J.W. Niemeijer

 

Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)
Cover fotobiografie

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e november ook mijn blog van 24 november 2020 en ook mijn blog van 24 november 2018 deel 1 en ook deel 2.

Paul Celan, Gayl Jones

De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celan op dit blog.

 

LOB DER FERNE (1948)

Im Quell deiner Augen
leben die Garne der Fischer der Irrsee.
Im Quell deiner Augen
hält das Meer sein Versprechen.

Hier werf ich,
ein Herz, das geweilt unter Menschen,
die Kleider von mir und den Glanz eines Schwures:

Schwärzer im Schwarz, bin ich nackter.
Abtrünnig erst bin ich treu.
Ich bin du, wenn ich ich bin.

Im Quell deiner Augen
treib ich und träume von Raub.

Ein Garn fing ein Garn ein:
wir scheiden umschlungen.

Im Quell deiner Augen
erwürgt ein Gehenkter den Strang.

 

DIE HALDE (1954)

Neben mir lebst du, gleich mir:
als ein Stein
in der eingesunkenen Wange der Nacht.

O diese Halde, Geliebte,
wo wir pausenlos rollen,
wir Steine,
von Rinnsal zu Rinnsal.
Runder von Mal zu Mal.
Ähnlicher. Fremder.

O dieses trunkene Aug,
das hier umherirrt wie wir
und uns zuweilen
staunend in eins schaut.

 

ZWEIHÄUSIG, EWIGER, bist du, un-
bewohnbar. Darum
baun wir und bauen. Darum
steht sie, diese
erbärmliche Bettstatt, – im Regen,
da steht sie.

Komm. Geliebte.
Daß wir hier liegen, das
ist die Zwischenwand –: Er
hat dann genug an sich selber, zweimal.

Laß ihn, er
habe sich ganz, als das Halbe
und abermals Halbe. Wir,
wir sind das Regenbett, er
komme und lege uns trocken.

 

IN DE LUCHT, daar blijft je wortel, daar,
in de lucht.
W aar zich het sterfelijke balt, aardachtig,
adem -en-leem .

Groot
gaat de banneling daarboven, de
verbrande: een Pommer, thuis
in ’t meikeverlied dat moederlijk bleef, zomers, licht-
bloeiend aan de rand
van alle steile,
winterhard-koude
lettergrepen.
Met hem
trekken de meridianen :
aan-
gezogen door zijn
door zonnen bestuurde pijn, die de landen verbroedert naar
de middagspreuk van een
liefhebbende
verte. Over-
al is hier en is heden, is, van vertwijfelingen uit,
de glans,
waarin de verdeelden treden met hun
verblinde monden :
de kus, nachtelijk,
brandt de zin in een taal, waar zij toe ontwaken, zij – :
teruggekeerd in
de griezelige banbliksem ,
die de verstrooiden verzamelt, de
door de sterwoestijn ziel gevoerden, de
tentbouwers hoog in de ruimte
van hun blikken en schepen,

de nietige schoven hoop,
waarin het ruist van aartsengelvleugels, van noodlot,
de broeders, de zusters, de
te licht, de te zwaar, de te licht
bevondenen met
de wereldwaag in de bloed-
schendende, in de
vruchtbare schoot, de levenslang vreemden,
spermatisch omkranst door gesternten , zwaar
in de ondiepten legerend, de lichamen
tot drempels getorend, tot dammen, – de
voordenwezens, waarover
de klompvoet der goden komt
heengestrompeld – om
wiens
sterrentijd te laat?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Gayl Jones werd geboren op 23 november 1949 in Lexington, Kentucky. Zie ook alle tags voor Gayl Jones op dit blog.

Uit: The Birdcatcher

“Ibiza. I have left Brazil and am living on the white-washed island of Ibiza with my friend Catherine Shuger, a sculptor who has been declared legally insane, and her husband, Ernest, a freelance writer of popular science articles. We are all expatriate Americans: exiles.
Standing on the terrace, sheltered in the smell of oranges and eucalyptus, washed in sunlight, you’d swear this was a paradise. But to tell the truth the place is full of dangers. The dangers, however, are not directed toward me but toward Ernest. You see, Catherine sometimes tries to kill her husband. It has been this way for years: He puts her into an asylum, thinks she’s well, takes her out again, and she tries to kill him. He puts her in another one, thinks she’s well, takes her out again, she tries to kill him: on and on. You’d think we’d learn by now; you’d think everybody’d learn, don’t you? But somehow we keep the optimism, or the pretense, bring her out, and wait. She’s like the fucking trapdoor spider.
Here she’s sitting now: We’re both out on the dandelion-bright terrace. I’m writing this, and Catherine’s scribbling in her therapy notebook that her last psychiatrist told her to keep. Ernest is inside behind the glass door working on an article on laser medicine. Here Catherine sits in a pink silk nightie and blue flannel housecoat, though it’s two o’clock in the afternoon and hot as fresh cow dung out here. Underneath I know what she’s wearing too—Lady Jockey drawers (Look, Amanda, Jockey makes drawers for women! I’ve got to get some of these!) and a champagne-colored (champagne!) Danskin bra. And looking so sweet! If you didn’t know her story, well, you could eat her up the way she’s looking now: wrist on her chin, her jaws as innocent and plum as cherubs’.

Astronomers say that even galaxies eat each other; so why not let’s eat this sweet bitch?
Anyway, she tries to kill Ernest: that’s all the story really. No one knows why, and Catherine won’t tell. The rest of us can only list the attempts: Once she tried to dump a steel bookcase on him, another time she lunged at him with a red-hot poker; once she grabbed the rusty spoke of a bicycle wheel when we were passing by a salvage dump in Detroit.
We were walking down this deserted backstreet one Sunday, before noon. When Catherine spotted the salvage dump, she ran a bit ahead of us, to the wire-mesh fence. When we got to her, she had her hands entwined in the fence. We stood behind her, watching. She looked almost like a little girl in her yellow cotton dress, her hair in tiny braids and tied with a ribbon, her bowlegs peeking out of the dress, and looking as if she were perpetually getting ready to climb onto a saddle—with ride-‘em-cowgirl bowlegs. She was even wearing socks with her high-heeled shoes—that was the latest style. Standing pigeon-toed, she looked like a canary peeking into its cage.”

 

Gayl Jones (Lexington, 23 november 1949)
Portret door Johnalynn Holland, 2020

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e november ook mijn blog van 23 november 2018 en eveneens mijn blog van 23 november 2014 deel 2.

Dirk van Weelden, Christian Filips

De Nederlandse schrijver Dirk van Weelden werd geboren in Zeist op 22 november 1957. Zie ook alle tags voor Dirk van Weelden op dit blog.

Uit: Het voorbeeld van hun liefde

Hier, pak dit vel luchtpostpapier eens vast. Voel je hoe ontstellend dun het is, en licht? Het lijkt vloeipapier. Houd het tussen duim en wijsvinger en sluit je ogen. Geef toe, je vingertoppen vertellen je nu niet dat je iets vasthebt. Het papier is er niet, of hooguit als een gedachte. Als ik tot drie heb geteld laat je het los, en dan moet je goed luisteren. Een halve seconde later landt het vel op het tafelblad. Hoor je dat droge geritsel? Hoor je hoe lang geleden dat is? Meer dan zeventig jaar. Deze drie kratten vol met ordners zijn gevuld met brieven, de meeste op luchtpostpapier, en al die honderdduizenden woorden reisden de wereld over tussen twee jonge mensen. Hij is begin 1948 nog negentien en zij zeventien. Hij gaat op reis en verlaat de stad waar ze opgroeiden, het gebombardeerde Rotterdam, om anderhalf jaar te werken als administratieve kracht, of zoals dat heet ‘schrijver’, aan boord van een vrachtschip van de Rotterdamsche Lloyd. Zij doet eindexamen en zal na de zomer gaan studeren, aan de School voor Maatschappelijk Werk. Ze heeft een bijbaantje op de koekjesafdeling van de HEMA. Een jongen die jouw opa zou worden en een meisje dat jouw oma zou worden. Wat je hier ziet zijn de brieven die zij schreven tussen januari 1948 en december r95o. Om te bevatten hoe groot de afstand tussen hen was, moet je bedenken dat Gerrits brieven, die blauwe pakketjes van luchtpostpapier, meegegeven werden aan een agent van de Rotterdamsche Lloyd, in Manilla, San Francisco of Bombay, die ze afleverde bij een koerier die ermee naar het dichtstbijzijnde vliegveld reed. Anks brieven werden in Rotterdam uit een brievenbus gevist door een postbode, kwamen op de bergen post op de sorteertafels van het postkantoor aan de Coolsingel, en gingen via vrachtwagens van de PTT Op Schiphol aan boord van een walmend en ronkend propellervliegtuig van de KLM. Daarna belandden ze na allerlei tussenstops en via de handen van postsorteerders in India, Koeweit, Manilla of San Francisco in de aktetas van een agent van de Rotterdamsche Lloyd, die aan boord ging van het motorschip Japan, waar Gerrit, jouw opa, uit handen van de kapitein, de stuurman of de hofmeester de aan hem geadresseerde enveloppen in ontvangst nam. Met zwetende handen en een bonzend hart.”

 

Dirk van Weelden (Zeist, 22 november 1957)

 

De Duitse dichter, schrijver, acteur en regisseur Christian Filips werd geboren op 22 november 1981 in Osthofen. Zie ook alle tags voor Christian Filips op dit blog.

 

Momenten van de dag

Merkbaar is alles weer
onopgemerkt verstreken:
de dag zonder zorgen,
in de ochtend met het scheermesje
de tanden gepoetst.
De trillende haren in mijn nek
onmerkbaar verwijderd
zonder pincet.
De bewuste vingers.
Ze zijn ingekort.
De waakzame knie
benaderd onopgemerkt:
De nacht onzorgvuldig
daarna met het gordijn
de sporen uitgewist.
In bewuste uren:
Ze zijn verstreken, weer
onopgemerkt verstreken
zonder iets opmerkelijks.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christian Filips (Osthofen, 22 november 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e november ook mijn blog van 22 november 2018 en eveneens mijn blog van 22 november 2015 deel 2.

Freya North, Scott Cairns

De Britse schrijfster Freya North werd geboren op 21 november 1967 in Londen. Zie ook alle tags voor Freya North op dit blog.

Uit: Zussen (Vertaald door D. de Heer en Cora Woudstra)

“HOE ZEG JE EEN BERG VAARWEL?’ Vanaf haar uitkijkpunt keek Cat York uit over de drie Flatirons, Bear Peak en Green Mountain. Ze staarde langs de helling van de Flagstaff naar beneden, klopte op de sneeuw om haar heen en maakte het zichzelf gemakkelijk, alsof ze bij de berg op schoot zat. ‘Het is net een gigantische bevroren bruidsjurk,’ zei ze. ‘Het klinkt waarschijnlijk suf, maar ik heb de Flagstaff de afgelopen vier jaar stiekem een beetje als mijn eigen berg beschouwd.’ ‘Veel mensen hier hebben dat gevoel,’ zei Stacey. ‘En dat mag ook. Dat is het mooie als je in Boulder woont.’ De zon brak door en scheen op de schitterende sneeuwkristallen in de bomen; de scherpe, platte roestkleurige rotsen van de Flatirons rezen omhoog in hun vreemde hoek tussen het oogverblindende wit. ‘Toen Ben en ik hier kwamen wonen, had ik eerst enorm heimwee en was ik heel onzeker. Dan wandelde ik naar Chautauqua Meadow om even alleen te zijn. Ik had daar het gevoel dat de bergen een arm om me heen sloegen.’ Cat keek met een gevoel van nostalgische dankbaarheid om zich heen. ‘En al snel leerden we jullie kennen en gingen we hier klimmen en mountainbiken en kreeg ik opeens een heel andere kant van de berg te zien. Je zou kunnen zeggen dat hij voor mij zowel de sofa van een therapeut als een recreatiegebied is geweest. Het is nu mijn favoriete plek.’ Stacey keek hoe Cat haar gehandschoende handen over haar neus en mond vouwde in een nutteloze poging om haar neus er wat minder rood en haar lippen er wat minder blauw uit te laten zien. ‘Volgende week zien we rond deze tijd alleen nog maar de toppen van victoriaanse huizen,’ zei Cat, ‘grauwe duiven zullen de Amerikaanse zeearenden vervangen en er zullen alleen maar plassen zijn in plaats van Wonderland Lake. Volgende week begint er een heel nieuw hoofdstuk.’ ‘Vertel me eens wat meer over Clapham,’ vroeg Stacey terwijl ze zich in de sneeuwbunker installeerde alsof Cats beschrijving aan een verhaal van Dickens of Richard Curtis zou kunnen tippen. ‘Nou,’ zei Cat, ‘om te beginnen spreek je de “h” niet uit.’ Ze lachten allebei. `Mijn god,’ kreunde Cat en ze leunde voorover met haar hoofd op haar knieën. ‘Ik weet nog steeds niet zeker of we er wel goed aan doen, maar zeg maar niet tegen Ben dat ik dat gezegd heb. Ik kan je niks over Clapham vertellen, want volgens mij ben ik er nog nooit geweest.’ Ze zweeg even en ging toen een beetje triest verder: ‘Mijn god, Stacey, ik heb geen werk, mijn twee beste vriendinnen wonen buiten de stad en mijn zussen wonen nog steeds in mijn oude buurt, helemaal aan de andere kant van Londen.’ `Het is toch hartstikke spannend?’ zei Stacey. `En als het je niet bevalt kun je altijd terugkomen.’ Ze scheurde een pak Reese’s-chocoladekoekjes met pindakaas open met haar tanden omdat haar vingers bevroren waren. ‘En er zijn een heleboel dingen om naar uit te kijken.’ Enigszins bedaard en getroost door de combinatie van chocolade en pindakaas knikte Cat. ‘Ik heb mijn familie gemist.”

 

Freya North (Londen, 21 november 1967)

 

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.

 

Idiote Psalmen

1

Een psalm van Isaak, begeleid door een joodse harp.

O God Geliefde, al is het ook indirect,
vaag vermoed in het midden
hiervan, de beladen, verduisterende mist
van mijn onvoldoende omvangrijke kennis,
Ogenschijnlijke minnaar van onze soort – hoezeer ook
schijnbaar afstandelijk – laat toe
dat ik nog een keer een glimp mag opvangen
van Uw schaduw in het land, maak gebruik
voor mij, een tweede keer, van het gevoel
van verschrikkelijke Aanwezigheid in de pulserende
holte nabij mijn hart.
Nogmaals, o Heer, vanuit Uw buitenmatigheid neig
uw gezicht om te schijnen op uw dienaar, beschroomd
van opoffering, als U wilt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954)

 

Zie voor de schrijvers van de 21e november ook mijn blog van 21 november 2020 en ook mijn blog van 21 november 2018 en ook mijn blog van 21 november 2015 deel 2.

In Memoriam A.S. Byatt

In Memoriam A.S. Byatt

De Britse schrijfster A. S. Byatt is afgelopen donderdag, 16 november, op 87-jarige leeftijd overleden. A. S. Byatt werd geboren als Antonia Susan Drabble op 24 augustus 1936 in Sheffield. Zie ook mijn blog van 24 augustus 2010 en eveneens alle tags voor A. S. Byatt op dit blog.

Uit: Posession

“By far the largest single gathering was of course in the Stant Collection at Robert Dale Owen University in New Mexico, where Mortimer Cropper worked on his monumental edition of the Complete Correspondence of Randolph Henry Ash. That was no problem nowadays, books travelled the aether like light and sound. But it was just possible that Ash’s own Vico had marginalia missed even by the indefatigable Cropper. And Roland was looking for sources for Ash’s Garden of Proserpina. And there was a pleasure to be had from reading the sentences Ash had read, touched with his fingers, scanned with his eyes. It was immediately clear that the book had been undisturbed for a very long time, perhaps even since it had been laid to rest. The  librarian fetched a checked duster, and wiped away the dust, a black, thick, tenacious Victorian dust, a dust composed of smoke and fog particles accumulated before the Clean Air acts. Roland undid the bindings. The book sprang apart, like a box, disgorging leaf after leaf of faded paper, blue, cream, grey, covered with rusty writing, the brown scratches of a steel nib. Roland recognised the handwriting with a shock of excitement. They appeared to be notes on Vico, written on the backs of book-bills and letters. The librarian observed that it didn’t look as though they had been touched before. Their edges, beyond the pages, were dyed soot-black, giving the impression of the borders of mourning cards. They coincided precisely with their present positions, edge of page and edge of stain. Roland asked if it was in order for him to study these jottings. He gave his credentials; he was part-time research assistant to Professor Blackadder, who had been editing Ash’s Complete Works since 1951. The librarian tiptoed away to telephone: whilst he was gone, the dead leaves continued a kind of rustling and shifting, enlivened by their release. Ash had put them there. The librarian came back and said yes, it was quite in order, as long as Roland was very careful not to disturb the sequence of the interleaved fragments until they had been listed and described. The librarian would be glad to know of any important discoveries Mr Michell might make. All this was over by ten-thirty. For the next half-hour Roland worked haphazardly, moving backwards and forwards in the Vico, half looking for Proserpina, half reading Ash’s notes, which was not easy, since they were written in various languages, in Ash’s annotating hand, which was reduced to a minute near-printing, not immediately identifiable as the same as his more generous poetic or letter-writing hand. At eleven he found what he thought was the relevant passage in Vico. Vico had looked for historical fact in the poetic metaphors of myth and legend; this piecing together was his “new science.” His Proserpine was the corn, the origin of commerce and community. Randolph Henry Ash’s Proserpine had been seen as a Victorian reflection of religious doubt, a meditation on the myths of resurrection.”

 

A. S. Byatt (24 augustus 1936 – 16 november 2023)

Philip C. Kolin

De Amerikaaanse dichter en schrijver Philip C. Kolin werd geboren in Chicago op 21 november 1945. Hij behaalde zijn masterdiploma aan de Universiteit van Chicago en zijn doctoraat aan de Northwestern University. Kolin was 41 jaar lang hoogleraar Engels aan de University of Southern Mississippi in Hattiesburg. Hij is nu emeritus hoogleraar. In 2010 werd hij onderscheiden als Distinguished Professor aan het College of Arts and Letters. Kolin is ook lid van de adviesraad van de Natchez Literary and Cinema Celebration. Hij publiceerde ruim veertig boeken, waaronder acht dichtbundels. Veel van Kolins gedichten, beïnvloed door zijn rooms-katholicisme, verkennen het Zuiden van de Golf en richten zich op burgerrechten, vooral de moord op Emmett Till. Hij heeft ook een veelgebruikt leerboek voor zakelijk schrijven gepubliceerd, “Successful Writing at Work”. Hij is een autoriteit op het gebied van het leven en de toneelstukken van Tennessee Williams. Hij is redacteur voor The Southern Quarterly en algemeen redacteur voor de Routledge Shakespeare Criticism-serie. Zijn meest recente gedichtenbundels zijn onder meer “Pilsen Snow: Poems” (een chapbook gepubliceerd in 2015 door Finishing Line Press), “Down to the Dark River: Poems about the Mississippi”(2015), samen met Jack Bedell voor Louisiana Literature Press, en “Departures”(2014). Zijn meest recente boek, ter herdenking van de 60e verjaardag van de dood van Emmett Till, heet “Emmett Till in Different States: Poems” (2015).

 

The Mississippi’s Lament

I feed flies and ear stingers
spreading rumors

I am dead, the black mud
crusting my shallows and shores

the decomposition,
of the old man.

My currents may be wrinkles
and my meandering dementia,

but I am still alive,
speaking pictures for souls.

I never left the continent
of my sadness and shroud

my laments in shade
and shadows.

I oracle more prophecies
than the Ganges or the Yellow.

I am a thesaurus of pain
and I censure anyone

Failing to read me
at dusk when I recite

the litany of the lost,
the drowned, the suicides.

I disprove the allurements
of romance and fictions.

I swallow butterflies, vain
and vacuous tenants of the air,

and have sired scaly skinned
renegades of remorse–

gar, cottonmouth, and cormorants,
the harbingers of my woe.

I am the Delta’s author
and its punishment,

a fugitive of myself.

 

The Blues Bus

It always arrives near
amnesia, the blues bus
carrying a pilgrimage of voices.

A ringless man
sips dulled memories
of a round woman, and

children at Christmas,
until the last taste
of Southern Comfort

lingers in his throat,
the foiled fictions
he has spoken too long.

A graying lady paroled
just a few days ago recites
the names of men who double

crossed her; but she forgets
their faces.

She wears earplugs
to keep from crying
herself awake.

A wrinkled drummer
mumbles the guarantees
he used to promise customers

now asleep on levees just over
the horizon at this windless dusk.

Night enters
trees and towns
as the bus passes
other ruined memories

until oncoming headlights
go mute and darkness
swallows the passengers’
voices

and the bus stops.

It has moved
beyond memory

and words.

 

Philip C. Kolin (Chicago, 21 november 1945)