Goede Vrijdag (René de Clercq), Leo Vroman, Johannes Bobrowski

Bij Goede Vrijdag

 

De kruisiging door Simon Vouet, 1622

 

Goede Vrijdag

Ik zag Hem op zijn kruis, gelaten en verduldig,
Met nagelen door zijn hand, en doornen in zijn hoofd;
Bloed stroomde langs zijn oog gebroken en verdoofd;
Hij stierf voor uwe schuld, en voor de mijne, onschuldig!

Ik heb opnieuw bemind, daar ‘k weder heb geloofd!
Ik weet, mijn zonden zijn zo zwaar, zo menigvuldig;
Doch, heeft de laatste blik van Deze, die ik huldig,
Mij, arme kranke, niet zijn reddend hulp beloofd?

O reiniging door Bloed, gelijk de bloedschuld erflijk;
O wonderbare nacht, daar ’t licht zijn oorsprong vindt,
O goddelijke dood, daar ’t leven herbegint.

Komt herwaarts, gij die zegt: “Geen liefde is onbederflijk!”
Komt herwaarts, gij die treurt, omdat gij hebt bemind:
De liefde sterft voor u, en leeft voor u, onsterflijk.

 

René de Clercq (14 november 1877 – 12 juni 1932) De Sint-Columbakerk in Deerlijk, de geboorteplaats van René de Clercq

 

De Nederlandse dichter Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook alle tags voor Leo Vroman op dit blog.

 

Moment en haar momenten

Er was een klein moment
dat wou zo vreselijk groot,
maar bleef geweldig onbekend
tot na haar dood.

En haar dochter, ook al zwanger,
wou graag mooier en ook langer,

en haar dochter ook al zwanger,
wou graag mooier en ook langer,

en haar dochter ook al zwanger,
wou graag mooier en ook langer,

en zo meer, en zo meer
ongeveer
tweeduizend keer.

Het stel werd later teruggevonden
en toen moeiteloos erkend
als de laatste kwart seconde
vóór het Vreselijk Moment.

Moraal:
Ook al moet je nog zo klein,
je schaduw mag best langer zijn.

 

De ander

De ander zal huilen in de lege
schoenen en ze wat bewegen,
de kuil in het andere kussen zoenen
zolang die daar nog is te voelen
maar geen vaarwel bedoelen,

ze zal nog een hele tijd
knechten en kinderen moeten zeggen
welke koud geworden kleren
met hun menselijkheden kwijt
weg te smijten, weer meer en
hartverscheurend klemtoon leggen
op de volgroeide eenzaamheid,

zal later, als de scherpe hoeken
van verlies zijn rond gesleten,
in onze nagebleven boeken
duimelen en hun doel vergeten
en niet meer zoeken,

zal eindelijk, nog onuitgepraat
en helemaal onuitgesproken
slapen met een arm uitgestoken
naar degene die al lang niet meer bestaat.

 

Scheppinkje

Kon ik Jou, Heer, tezamensponzen
tot een gebaartje op mijn hand
en gaf Jou alle kralen, donzen,
poesjesmiepsen en hommelgonzen
en Jij weefde het verband …

ik zou mijn vingers rond Je sluiten
en Jouw gekriebel zó beminnen
terwijl Je scheppend was daarbinnen
dat ik mijn vuist héél zacht van buiten
zou kussen;

en als ik op een teken
Jouw werk voorzichtig zou ontbloten
nimmermeer zijn uitgekeken
op mijn lege handpalm, grote
God
en nooit meer spreken.

 

Leo Vroman (10 april 1915 – 22 februari 2014)
Leo Vroman en echtgenote Tineke

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

Vissershaven

’s Avonds
voordat de boten weg
drijven, één voor één,
dan hou Ik van je.

Tot aan de ochtend
hou Ik van je met het stro in de kamer
met de landwind over het dak,
met de heg voor je huis,
met het hondengeblaf
voordat het licht wordt.

Het gezicht vol visdamp, in de dauw
zal ik komen: een
die van zijn handen
de warmte verspilt aan de zilvergedaante
van de nacht. Met ’n mond van zout
komt hij. Nu
springt hij in de laatste boot.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e april ook mijn blog van 10 april 2019 en ook mijn blog van 10 april 2016 deel 2.

Palmzondag (Malcolm Guite), Mary Angelou

Bij Palmzondag

 

De intrede in Jeruzalem door Frans Francken de Jongere, tweede kwart 17e eeuw

 

Palm Sunday

Now to the gate of my Jerusalem,
The seething holy city of my heart,
The saviour comes. But will I welcome him?
Oh crowds of easy feelings make a start;
They raise their hands, get caught up in the singing,
And think the battle won. Too soon they’ll find
The challenge, the reversal he is bringing
Changes their tune. I know what lies behind
The surface flourish that so quickly fades;
Self-interest, and fearful guardedness,
The hardness of the heart, its barricades,
And at the core, the dreadful emptiness
Of a perverted temple. Jesus come
Break my resistance and make me your home.

 

Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957)
Alpha and Omega Secondary School in Ibanda, de geboorteplaats van Malcolm Guite

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.

Geraakt door een engel

Wij, niet gewend aan moed
ballingen van genot
leven opgerold in schelpen van eenzaamheid
totdat de liefde haar hoge heilige tempel verlaat
en in ons zicht komt
om ons vrij te maken om te leven.

Liefde komt aan
en in haar spoor komen extases
oude herinneringen aan plezier
oude geschiedenissen van pijn.
Maar als we moedig zijn,
slaat liefde de kettingen van angst weg
van onze ziel.

We zijn gespeend van onze verlegenheid
In het licht van de liefde
we durven dapper te zijn
En plotseling zien we
dat liefde alles kost wat we zijn
en ooit zullen zijn.
Toch is het alleen liefde
die ons vrijmaakt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maya Angelou (4 april 1928 – 28 mei 2014)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e april ook mijn blog van 5 april 2019 en ook mijn blog van 5 april 2018 en eveneens mijn blog van 5 april 2016.

Ash Wednesday (T. S. Eliot)

Bij Aswoensdag

Vanitas door David Bailly, ca. 1650

 

Ash Wednesday

IV
Who walked between the violet and the violet
Whe walked between
The various ranks of varied green
Going in white and blue, in Mary’s colour,
Talking of trivial things
In ignorance and knowledge of eternal dolour
Who moved among the others as they walked,
Who then made strong the fountains and made fresh the springs

Made cool the dry rock and made firm the sand
In blue of larkspur, blue of Mary’s colour,
Sovegna vos

Here are the years that walk between, bearing
Away the fiddles and the flutes, restoring
One who moves in the time between sleep and waking, wearing

White light folded, sheathing about her, folded.
The new years walk, restoring
Through a bright cloud of tears, the years, restoring
With a new verse the ancient rhyme. Redeem
The time. Redeem
The unread vision in the higher dream
While jewelled unicorns draw by the gilded hearse.

The silent sister veiled in white and blue
Between the yews, behind the garden god,
Whose flute is breathless, bent her head and signed but spoke
no word

But the fountain sprang up and the bird sang down
Redeem the time, redeem the dream
The token of the word unheard, unspoken

Till the wind shake a thousand whispers from the yew

And after this our exile

 

T. S. Eliot (26 september 1888 – 4 januari 1965)
Kathedraal basiliek van Saint Louis, Missouri, de geboorteplaats van T. S. Eliot

 

Zie voor de schrijvers van de 26e februari ook mijn vorige blog van vandaag en mijn blog van 26 februari 2019 en ook mijn blog van 26 februari 2017 deel 2.

Carnaval in Enschede (Frank Wijering)

 

Bij Carnaval

 

Doppelbildnis Karneval door Max Beckmann, 1925

 

Carnaval in Enschede

Gebukt onder de terreur van bordkartonnen vrolijkheid
sleept de schamele karavaan zich voort. Om de leegte
hebben we ons vrolijk uitgedost.

Ook dit jaar slaat de regen Enschede
niet over, nauwkeurig boven de praalwagens
vergiet ze haar tranen, langzaam maar zeker
gaat alles voorbij.

Gelukkig zijn we deze dagen
niet onszelf

 

Frank Wijering, Losser, 23 februari 1965
De Martinustoren in Losser

 

Zie ook alle tags voor Carnaval op dit blog.

Dolce far niente – The Narrow Door (Fannie Stearns Davis)

Dolce far niente –  Bij de 21e zondag door het jaar

 

The Narrow Door door Anthony Falbo, 2014


The Narrow Doors

The Wide Door into Sorrow
Stands open night and day.
With head held high and dancing feet
I pass it on my way.

I never tread within it,
I never turn to see
The Wide Door into Sorrow.
It cannot frighten me.

The Narrow Doors to Sorrow
Are secret, still, and low:
Swift tongues of dusk that spoil the sun
Before I even know.

My dancing feet are frozen.
I stare. I can but see.
The Narrow Doors to Sorrow
They stop the heart in me.

Oh, stranger than my midnights
Of loneliness and strife
The Doors that let the dark leap in
Across my sunny life!

Fannie Stearns Davis (30 april 1877 – 15 februari 1930)
Cover

 

Zie voor de schrijvers van de 25e augustus ook mijn blog van 25 augustus 2018.

Kleines Beispiel (Erich Fried)

Bij de 19e zondag door het jaar

 

De ontrouwe knecht, tekening door Rembrandt van Rijn



Kleines Beispiel

Auch ungelebtes Leben
geht zu Ende
zwar vielleicht langsamer
wie eine Batterie
in einer Taschenlampe
die keiner benutzt

Aber das nutzt nicht viel:
Wenn man
(sagen wir einmal)
diese Taschenlampe
nach so- und so vielen Jahren
anknipsen will
kommt kein Atemzug Licht mehr heraus
und wenn du sie aufmachst
findest du nur noch Knochen
und falls du Pech hast
auch diese
schon ganz zerfressen

Da hättest du
genauso gut
leuchten können

Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)
Pfarrkirche hl. Franz von Assisi in Wenen, de geboorteplaats van Erich Fried

 

Zie voor de schrijvers van de 11e augustus ook mijn volgende blog van vandaag.

De rijke dwaas (Willem de Mérode)

Bij de 18e zondag door het jaar

 

Gelijkenis van de rijke man door Rembrandt Harmenszoon Van Rijn, 1627

 

De rijke dwaas

Van vreugden is mijn ziel verzaad,
Door kommer werd mijn hart verzeerd.
Die rijke schat van goed en kwaad
Hoe wordt hij opgeteerd?

Het leven vraagt slechts luttel deel
Van mijn bezit tot zijn behoef.
Wat doe ik met het oov’rig veel?
Het maakt niet blij, maar droef.

Toch, teken jare, vangt dit hart
Onrustig weer zijn arbeid aan,
Doet weel’ge oogst van vreugde en smart
Me opnieuw verlegen staan.

’t Vermogen wast – ik berg ’t niet meer.
Het goed wordt waardloos opgetast.
Viere ik van werk, en wrocht ik weer
Als alles is verbrast.

Dan oogst ‘k opnieuw en bouw zoo groot
Een schathuis, dat ’t ál bergen kan.
Nu walg ‘k van werken en zijn nood;
De last en lust daarvan.

Slechts vreeze ik, dat mijn loome ziel,
Die lusteloos ter ruste ging,
Zóó, ijdel, in Gods handen viel,
En breekt als waardloos ding.

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Spijk (Groningen), de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor schrijvers van de 4e augustus ook mijn volgende blog van vandaag.

Our Father (Malcolm Guite)

Bij de 17e zondag door het jaar

 

Onze Vader door Jen Norton, z.j.


Our Father

I heard him call you his beloved son
And saw his Spirit lighten like a dove,
I thought his words must be for you alone,
Knowing myself unworthy of his love.
You pray in close communion with your Father,
So close you say the two of you are one,
I feel myself to be receding further,
Fallen away and outcast and alone.

And so I come and ask you how to pray,
Seeking a distant supplicant’s petition,
Only to find you give your words away,
As though I stood with you in your position,
As though your Father were my Father too,
As though I found his ‘welcome home’ in you.

Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957)
Oke Are Minor seminary compound, Ibanda


Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn volgende blog van vandaag.

Martha And Mary (John Newton)

Bij de 16e zondag door het jaar

 

Christus in het huis van Marta en Maria door Diego Velázquez, 1618

 

Martha And Mary

Martha her love and joy expressed
By care to entertain her guest;
While Mary sat to hear her Lord,
And could not bear to lose a word.

The principle in both the same,
Produced in each a different aim;
The one to feast the Lord was led,
The other waited to be fed.

But Mary chose the better part,
Her Saviour’s words refreshed her heart;
While busy Martha angry grew,
And lost her time and temper too.

With warmth she to her sister spoke,
But brought upon herself rebuke;
One thing is needful, and but one,
Why do thy thoughts on many run?

How oft are we like Martha vexed,
Encumbered, hurried, and perplexed!
While trifles so engross our thought,
The one thing needful is forgot.

Lord teach us this one thing to choose,
Which they who gain can never lose;
Sufficient in itself alone,
And needful, were the world our own.

Let groveling hearts the world admire,
Thy love is all that I require!
Gladly I may the rest resign,
If the one needful thing be mine!

 

John Newton (24 juli 1725 – 21 december 1807)
Southwark Cathedral in Londen, de geboorteplaats van John Newton


Zie voor de schrijvers van de 21e juli ook mijn volgende blog van vandaag.

The Good Samaritan (Henry Lawson)

Bij de vijfde zondag na Pinksteren

 

De barmhartige Samaritaan door Giovanni Battista Langetti, 1670

 

The Good Samaritan

HE comes from out the ages dim—
The good Samaritan;
I somehow never pictured him
A fat and jolly man;
But one who’d little joy to glean,
And little coin to give—
A sad-faced man, and lank and lean,
Who found it hard to live.

His eyes were haggard in the drought,
His hair was iron-grey—
His dusty gown was patched, no doubt,
Where we patch pants to-day.
His faded turban, too, was torn—
But darned and folded neat,
And leagues of desert sand had worn
The sandals on his feet.

He’s been a fool, perhaps, and would
Have prospered had he tried,
But he was one who never could
Pass by the other side.
An honest man whom men called soft,
While laughing in their sleeves—
No doubt in business ways he oft
Had fallen amongst thieves.

And, I suppose, by track and tent,
And other ancient ways,
He drank, and fought, and loved, and went
The pace in his young days.
And he had known the bitter year
When love and friendship fail—
I wouldn’t be surprised to hear
That he had been in jail.

A silent man, whose passions slept,
Who had no friends or foes—
A quiet man, who always kept
His hopes and sorrows close.
A man who very seldom smiled,
And one who could not weep
Be it for death of wife or child
Or sorrow still more deep.

But sometimes when a man would rave
Of wrong, as sinners do,
He’d say to cheer and make him brave
‘I’ve had my troubles too.’
(They might be twittered by the birds,
And breathed high Heaven through,
There’s beauty in those world-old words:
‘I’ve had my sorrows too.’)

And if he was a married man,
As many are that roam,
I guess that good Samaritan
Was rather glum at home,
Impatient when a child would fret,
And strict at times and grim—
A man whose kinsmen never yet
Appreciated him.

Howbeit—in a study brown—
He had for all we know,
His own thoughts as he journeyed down
The road to Jericho,
And pondered, as we puzzle yet,
On tragedies of life—
And maybe he was deep in debt
And parted from his wife.

(And so ‘by chance there came that way,’
It reads not like romance—
The truest friends on earth to-day,
They mostly come by chance.)
He saw a stranger left by thieves
Sore hurt and like to die—
He also saw (my heart believes)
The others pass him by.

(Perhaps that good Samaritan
Knew Levite well, and priest)
He lifted up the wounded man
And sat him on his beast,
And took him on towards the inn—
All Christ-like unawares—
Still pondering, perhaps, on sin
And virtue—and his cares.

He bore him in and fixed him right
(Helped by the local drunk),
And wined and oiled him well all night,
And thought beside his bunk.
And on the morrow ere he went
He left a quid and spoke
Unto the host in terms which meant—
‘Look after that poor bloke.’

He must have known them at the inn,
They must have known him too—
Perhaps on that same track he’d seen
Some other sick mate through;
For ‘Whatsoe’er thou spendest more’
(The parable is plain)
‘I will repay,’ he told the host,
‘When I return again.’

He seemed to be a good sort, too,
The boss of that old pub—
(As even now there are a few
At shanties in the scrub).
The good Samaritan jogged on
Through Canaan’s dust and heat,
And pondered over various schemes
And ways to make ends meet.

*****

He was no Christian, understand,
For Christ had not been born—
He journeyed later through the land
To hold the priests to scorn;
And tell the world of ‘certain men’
Like that Samaritan,
And preach the simple creed again—
Man’s duty! Man to man!

*****

‘Once on a time there lived a man,’
But he has lived alway,
And that gaunt, good Samaritan
Is with us here to-day;
He passes through the city streets
Unnoticed and unknown,
He helps the sinner that he meets—
His sorrows are his own.

He shares his tucker on the track
When things are at their worst
(And often shouts in bars outback
For souls that are athirst).
To-day I see him staggering down
The blazing water-course,
And making for the distant town
With a sick man on his horse.

He’ll live while nations find their graves
And mortals suffer pain—
When colour rules and whites are slaves
And savages again.
And, after all is past and done,
He’ll rise up, the Last Man,
From tending to the last but one—
The good Samaritan.

 

Henry Lawson (17 juni 1867 – 2 september 1922)
De Anglicaanse Holy Trinity Church in Grenfell, New South Wales, de geboorteplaats van Henry Lawson

 

Zie voor de schrijvers van de 14e juli ook mijn volgende twee blogs van vandaag.