Remco Campert, Claudia Gabler

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog. Remco Campert overleed op 4 juli jongstleden op 92-jarige leeftijd.

 

Kerken

Overal
Staan nog kerken, steeds weer
Opgebouwd. Men kan er altijd wel
Eén of twee vrouwen in vinden,
Biddend voor neven, voor eigen heil,
Voor dat van de wereld zodoende.

Het is stil in de kerken, stiller
Dan in een windstille natuur.
Kouder ook, kouder dan
Op een bevroren meer. Stil en koud
Zijn de kerken; men zegt, sereen.
Op vastgestelde uren kunt u er zingen.

Kerken staan in steden en dorpen,
Verspreid door het land, zoals
Benzine-stations: een man in
Overall poetst de ruiten, vult
De tank, ontvangt zijn geld, gaat
Naar binnen, leest zijn krant.

 

Lamento

Hier nu langs het lange diepe water
dat ik dacht ik dacht dat je altijd maar
dat je altijd maar

hier nu langs het lange diepe water
waar achter oeverriet achter oeverriet de zon
dat ik dacht dat je altijd maar altijd

dat altijd maar je ogen je ogen en de lucht
altijd maar je ogen en de lucht
altijd maar rimpelend in het water rimpelend

dat altijd in levende stilte
dat ik altijd zou leven in levende stilte
dat je altijd maar dat wuivende oeverriet altijd maar

langs het lange diepe water dat altijd maar je huid
dat altijd maar in de middag je huid
altijd maar in de zomer in de middag je huid

dat altijd maar je ogen zouden breken
dat altijd van geluk je ogen zouden breken
altijd maar in de roerloze middag

langs het lange diepe water dat ik dacht
dat ik dacht dat je altijd maar
dat ik dacht dat geluk altijd maar

dat altijd maar het licht roerloos in de middag
dat altijd maar het middaglicht je okeren schouder
je okeren schouder altijd in het middaglicht

dat altijd maar je kreet hangend
altijd maar je vogelkreet hangend
in de middag in de zomer in de lucht

dat altijd maar de levende lucht dat altijd maar
altijd maar het rimpelende water de middag je huid
ik dacht dat alles altijd maar ik dacht dat nooit

hier nu langs het lange diepe water dat nooit
ik dacht dat altijd dat nooit dat je nooit
dat nooit vorst dat geen ijs ooit het water

hier nu langs het lange diepe water dacht ik nooit
dat sneeuw ooit de cipres dacht ik nooit
dat sneeuw nooit de cipres dat je nooit meer

 

Zelfs morgen…

Zelfs morgen leef ik nog
zodat je niet hoeft te vertwijfelen;
leef ik nog in mijn haar en nagels
die ook groeien zonder hart.

Zelfs morgen leef ik nog
in bevingerde boeken en oude sokken,
die je nu bent vergeten, onder in de kast,
in mijn voetstappen van heden.

Zelfs morgen leef ik nog
glimlachend op de tong van een vriend;
sierlijk geschreven op mijn geboortebewijs,
dat je krijgen kunt in Den Haag.

Zelfs morgen leef ik nog,
precies zoals vandaag,
door voorwerpen en mensen bewezen
en aan en voor mijzelf een vraag.

 

Remco Campert (28 juli 1929 – 4 juli 2022)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

weer eens een stadsplattegrond zonder momenten van realiteit.
ik trok cirkels rond het station waarvan onze

ongelijktijdige timing terugkaatste als ons zwaaien.
het image werd later bevroren, ook

de uniforme korsten van de dumplings op
de stoffen bekleding van de stoelen. er waren dagen lang slechts

ontdooide wraps en gesloten kroegen. hitte bestendig
hielden we onze truien aan om het beeld

van de kennismaking in stand te houden, lieten we
de stoelen boven tot de volgende preventief

georganiseerde discussie. alles oogde in deze slecht
verlichte bussen en steden

als een afspraak onder vrienden, die heel toevallig
dezelfde interesses hadden.

lichamelijk contact was een heel goede consequentie.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2020 en eveneens mijn blog van 28 juli 2019 en ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Michael Longley

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Amelia’s Poem

Amelia, your newborn name
Combines with the midwife’s word
And, like smoke from driftwood fires,
Wafts over the lochside rood
Post the wattle byre – hoy boles
For ponies, Silver and Whisper –
Between drystone walls’ river-
Rounded moss-clad ferny stones,
Through the fenceless gate and gorse
To the flat erratic boulder
Where otters and your mother rest,
Sproints black os your meconium,
Fish bones, fish scales, shirty sequins
Reflecting what light remains.

 

Harmonica

A tommy drops his harmonica in No Man’s land.
My dad like old Anaximines breathes in and out
Through the holes and reeds and finds his melody.

Our souls are air. They hold us together. Listen.
A music-hall favourite lasts until the end of time.
My dad is playing it. His breath contains the world.

The wind is playing an orchestra of harmonicas.

 

Between Hovers

And not even when we ran over the badger
Did he tell me he had cancer, Joe O’Toole
Who was psychic about carburettor and clutch
And knew a folk cure for the starter-engine.
Backing into the dark we floodlit each hair
Like a filament of light our lights had put out
Somewhere between Kinnadoohy and Thallabaun.
I dragged it by two gritty paws into the ditch.
Joe spotted a ruby where the canines touched.
His way of seeing me safely across the duach
Was to leave his porch light burning, its sparkle
Shifting from widgeon to teal on Corragaun lake.
I missed his funeral. Close to the stony roads
He lies in Killeen Churchyard over the hill.
This morning on the burial mound at Templedoomore
Encircled by a spring tide and taking in
Cloonaghmanagh and Claggan and Carrigskeewaun,
The townlands he’d wandered tending cows and sheep,
I watched a dying otter gaze right through me
at the islands in Clew Boy, as though it were only
Between hovers and not too far from the holt.

 

Parende zwanen

Zelfs nu wou ik dat je erbij was geweest
Naast me zittend op de oever van de rivier:
De zwaan en het wijfje die gelijkop gleden,
Tot de smalle hoofden elkaar raakten en het laatste
Heraldisch moment oploste in rimpelingen.
Dit was een huwelijk en een doop,
Een adem inhouden, bijna een verdrinken,
Gespreide vleugels zorgden voor evenwicht waar hij trapte,
Haar verenkleed vol water en haar nek
Onder water als een staaf van licht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juli ook mijn blog van 27 juli 2020 en eveneens mijn blog van 27 juli 2018 en ook mijn blog van 27 juli 2017 en ook mijn blog van 27 juli 2011 deel 2.

Arthur Japin, Claudia Gabler

De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook alle tags voor Arthur Japin op dit blog.

Uit: Honden voor het leven

“Dat ik het eerder nauwelijks over honden heb gehad en het er nu ineens over wil hebben, komt omdat ik sinds kort zelf weer een hondje heb. Zijn naam is Basso. Hij is een Italiaanse waterhond. Dat zou je niet zeggen, want zodra het ook maar een beetje regent, plast hij eigenlijk liever binnen. Basso is dus mijn derde hond. Pas drie honden, moet je nagaan, en ik ben al best wel oud. Vergeleken bij hem helemáál. Hij is nog maar een puppy, z6 jong! Toen Basso bij ons kwam wonen was hij pas acht weken!
Wat kun je in acht weken nou helemaal meemaken? Niet veel, zou je denken, maar dan heb je het mis. Om te beginnen is Basso geboren! Geboren worden is wel zo ongeveer het allerspannendste wat een mens kan overkomen. En datzelfde geldt, neem ik aan, voor een hond. Ben je eenmaal geboren, dan heb je het ergste wel gehad. Ik zou tenminste geen groter avontuur weten. Nou ja, doodgaan misschien, maar dat lijkt me toch een stuk rustiger, want als je eenmaal dood bent, kan je niks meer overkomen. Maar geboren worden… Ik snap niet hoe iemand dat ooit heeft gedurfd. Stel je voor: je weet niks, je kunt niks, je begrijpt niet wat je nou ineens overkomt en dan moet je overal nog aan beginnen! Basso heeft het aangedurfd en is dus best moedig. Hij kwam achterstevoren ter wereld, amper twee ons, en heeft echt zin in het leven!

Toen Basso bij ons kwam wonen, veranderde er iets in mij. Ik heb er, geloof ik, nog geen woorden voor, maar misschien vind ik die terwijl ik het verhaal van mijn honden vertel. De eerste dagen moest ik telkens huilen. Van blijdschap natuurlijk en van ontroering omdat hij zo lief is en zo klein en zo breekbaar. Ik huilde ook een beetje omdat ik het gelukkigst ben in stilte, terwijl er met een hondje in ons leven juist voor stilte voorlopig geen plaats zal zijn Maar vooral moest ik huilen van onzekerheid. ‘Ik wil helemaal geen bondje riep ik zelfs de avond voordat hij kwam, niet omdat ik geen hondje wilde – ik wilde juist heel graag en al heel erg lang weer een hondje. Maar ik v6é1 mij altijd al zo verantwoordelijk voor alles en iedereen en ik werd ineens bang dat ik misschien niet goed genoeg voor Basso zou kunnen zorgen. Niet bang dat hij zou tegenvallen, maar ik. Alles en iedereen redt zich uiteindelijk ook wel zonder mij, dat weet ik best, maar zo’n pasgeboren Puppy? Dit is nou zo’n gedachte die een mens krijgt wanneer hij zijn verstand gebruikt. Maar als je je gevoel volgt, gaat het allemaal vanzelf dan geef je een puppy eten als hij honger heeft en water zodra hij drinken wil. Je wrijft hem droog als hij in een plas gevallen is en je houdt hem warm als hij het koud heeft – allemaal dingen die je van nature doet. Het zijn dingen waarbij je niet hoeft na te denken. Je kunt gewoon niet anders- Je doet het uit liefde. En voor liefde heb je je verstand niet nodig.”

 

Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

We groeiden in schaapsstructuren

We groeiden in schaapsstructuren.
De aangrenzende buren bereikten hun bloemengrenzen.
Tussen de stengels primaire eieren, opgeblazen als welvaartshaasjes.
Hoeden, borduursels van goud en steeds weer: een eerste Eames.
Zoveel pracht nodigde je uit om een tijdje te blijven.

–––
Ondertussen waren we hard,
baadden urenlang in een zwembad
van knappe lymfeonderzoekers.
Sommigen kwamen hier om puur contemplatieve redenen,
ze moesten zich identificeren met geldige virussen.

–––
Het uitzicht op de zon en haren in het gras
had voor veel bezoekers duidelijk een levend karakter.
Hier konden partnerschappen worden gesmeed als het begin van zoönosen.
Een leven met Q-koorts.
Velen brachten barbecuevlees mee uit labiale dankbaarheid.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn blog van 26 juli 2018 en ook mijn blog van 26 juli 2017 en eveneens mijn blog van 26 juli 2015 deel 2.

Lieke Marsman, Claudia Gabler

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

 

Ter gelegenheid van poëzie

Er was niemand jarig, er was niemand dood.
Het gedicht zelf was de reden.

Als we zeggen: de mensen lezen
geen poëzie meer, wat bedoelen we?

We bedoelen dat ze niet langer voelen.
Allemaal cursussen om iets te worden,

maar niemand doorvoelt wat hij is.
Aan het eind van een gedicht ben je niet langer verloren.

De stekels van schaamte trekken zich terug.
Het leven is een leven lang zoeken naar metaforen

als het afstellen van een autoradio
op een landweg ruis van onbekende stemmen

in een lied dat vaag bekend voorkomt.

Dan een beller lang na middernacht:
ik zou het lied graag nog eens horen.

 

Staartdeling

Als de werkelijkheid doodloopt, bouwen we een ark.
Onze geschiedenisboeken staan er vol mee.
Religieuze boeken zijn de bron van deze vlucht.
Om ons heen voedt hebzucht zich met kruimels
— als een staartdeling
grijpt het steeds wat overblijft.
Het is niet eerlijk.
Die zin hardop uitspreken is soms voldoende.
Gefluisterd door iemand die het meent
breken er dijken.
Hoe kan ik helen? Dat is een vraag
waar de boeken verschillende antwoorden op hebben
en die verdeeldheid
sluit het bestaan van een juist antwoord uit.
Soms breekt er onrust uit op het dek.
Wat als de ark geen nieuw land vindt dit keer?
Of erger: een veerboot blijkt?
Ben ik weer. Heb je me gemist?
Alles is waterig, water.
We zoeken manieren
de eentonigheid te doorbreken.
Ook deze zoektocht mondt al snel uit in herhaling.
Er is wel een uitweg: voor wie erachter komt
dat soms het waterige zelf
de meeste smaak heeft.
Staan ze daar met hun kruimels.
Had nou maar water opgekocht!
Jullie smaakjes hoef ik niet meer.
Dat is hoe helen begint.
Op een dag loop je dorstig een moeras in
dat aan het opdrogen is.
Als een insect in de modder die uithardt,
een fossiel in wording,
je stofhoest een zucht.
Geduldig zul je wachten.
Eeuwenlang wacht je.
Heel voorzichtig
zal een nieuwe regen je wassen.

 

Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Is alles echt gebaseerd op ademen?

Is alles echt gebaseerd op ademen? En wat allemaal
blijft onuitgesproken tussen jou en de aarde?

–––
Kijk, het is toch niet alleen maar plezierig
met de voltooiing.

–––
Nu is er weer een seconde verstreken
waarin je geen gedicht hebt geschreven.

–––
Kijk hoe de mensen praten.
Hoe dingen praten.

–––
Nu al schittert de kunstmatigheid
en berooft je van een of andere ster.

–––
Waar je naar wilde reiken
als de balkons pas geschilderd zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor de schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2020 en eveneens mijn blog van 25 juli 2018 en eveneens mijn blog van 25 juli 2017.

Johan Andreas dèr Mouw, Robert Graves

De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd geboren op 24 juli 1863 in Westervoort. Zie ook alle tags voor Johan Andreas dèr Mouw op dit blog.

 

Stralig borduursel van kristallen wand

Stralig borduursel van kristallen wand
verbergt, welvend paleis, de diatomee;
een waterdroppel is zijn wereldzee,
een korrel zwevend stof zijn vasteland. 

Klein levend zieltje, in Brahman mij verwant,
één Wezen deelt zich aan ons beiden mee, 
zoals één vuur, één wet, één Gods-idee
in Aldebarân en een sintel brandt:

het Eeuw’ge dat, mijn kunstgenoot, in jou
atomen voegt tot de arabeskenbouw, 
die om je tere lijfje koepels tilt, 

datzelfde, kunstenaar van gedachten, zet
mijn woorden saam tot kristallen sonnet,
waarin onzichtbaar ’t diepste leven trilt. 

 

Beweeglijk bloemperk op stil blauw kanaal

Beweeglijk bloemperk op stil blauw kanaal,
Flikkeren, fel, hupp’lende zonnestippen,
Soms plotselinge lis met gouden slippen,
Soms gouden pijlkruid, plots’ling vertikaal:

Magisch onzichtbaar zijn ze, als ze overwippen
Van top naar rimpeltop; een enk’le maal
Zie je, als een slangetje, een rankende straal,
Glinst’rend en glad, tussen twee golfjes glippen.

Vijand’ge, grauwborst’lige huiv’ringvlek
Schiet toe, om met kwaadaard’ge schaduwbek
‘T fanatisch fonkelende feest te storen:

Matzilv’ren klokjes dobb’ren overal,
Een gouden-regen drijft op ’t blauw kristal;
En ’t bloemperk danst, gedruisloos, als te voren.

 

Ik ben de weg, de waarheid en het leven

Ik ben de weg, de waarheid en het leven,
Ik zelf ben de Profeten, ben de Wet;
Ik heb geen Christus nodig, die mij redt;
Mij hoeft geen God mijn zonden te vergeven:

Vergeven wil ik Hem, die heeft geweven
Van goed en kwaad ’t verraderlijke net,
En, Kruisspin, Zijn vergift’ge scharen zet
In de angst’ge ziel, ondanks haar spart’lend beven.

Eerst joeg Hij ze op met groot misbaar van donder,
Zwav’lige bliksem en geplas van regen;
En achter ’t net Zijn goddelijke zegen,

Aantreklijk door lokaas van bloedig wonder.
Ik ben de Scarabee, de Gouden Kever,
Aas niet op bloed, scheur ’t web, veracht de Wever.

 

Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

 

Jij en ik

Jij, liefste, en ik,
(fluistert hij) en ik,
en al was er niemand dan jij en ik,
wij waren er niet anders om, jij en ik.

Tellend de slagen,
tellend de langzame slagen van hun hart,
het doodbloeden van de tijd in de langzame slagen van hun hart,
liggen zij wakker.

Een wolkeloze dag,
zacht, en weer een wolkeloze dag,
maar de geweldige storm zal op hun hoofden neerstorten
uit een bittere hemel.

Waar zullen wij zijn,
(fluistert zij) waar zullen wij zijn
als de dood toeslaat, o, waar zullen wij dan zijn
die wij waren, jij en ik.

Tellend de slagen,
tellend de langzame slagen van hun hart,
het leegbloeden van de tijd in de langzame slagen van hun hart,
liggen zij wakker.

 

Vertaald door Daniël Smit

 

Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)
Borstbeeld van Robert Graves door Robert von Ranke, geplaatst voor Graves’ huis in Deia, Mallorca, Spanje.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2019 en ook mijn blog van 24 juli 2018 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Lauren Groff, Claudia Gabler

De Amerikaanse schrijfster Lauren Groff werd geboren op 23 juli 1978 in Cooperstown, New York. Zie ook alle tags voor Lauren Groff op dit blog.

Uit: Matrix (Vertaald door Lucie Schaap)

“Alleen komt ze het bos uit, te paard, in kil maarts gemiezer. Marie, zeventien jaar, afkomstig uit Frankrijk.
Het is 1158, de wereld vertoont de vermoeide sporen van de aflopende vastentijd. Eerdaags is het Pasen, dat vroeg valt dit jaar. Op de akkers ontrollen de zaadjes in de donkere koude aarde, klaar om door te stoten naar de vrijere lucht. Voor het eerst ziet ze de abdij, die bleek en trots op een heuveltop uitkijkt over het vochtige dal, waar regen uit de wolken opgezogen uit zee gestaag neerslaat tegen de bergen. Het grootste deel van het jaar is dit een oord van smaragd en saffier, berstensvol nattigheid, overal schapen, vinken, salamanders, tere paddenstoelen die uit de vette aarde tevoorschijn piepen, maar nu in het staartje van de winter is alles grijs en beschaduwd.
Haar oude strijdros sjokt chagrijnig voort, in de tenen mand op de kist die achter haar staat vastgesjord rilt een smelleken.

De wind luwt. De bomen suizelen niet meer.
Marie voelt het hele landschap toekijken hoe zij zich erdoor verplaatst.
Ze is groot, een reuzin van een maagd, haar ellebogen en knieën steken onbevallig uit. De motregen vloeit samen in stroompjes die langs haar mantel van zeehondenbont lopen en kleurt haar groene hoofddoek donker. Haar scherp gesneden Angevijnse gelaat bezit geen schoonheid, enkel schranderheid en nog onbeteugelde hartstocht. Het is nat van de regen, niet van tranen. Nog heeft ze niet gehuild dat ze de schop heeft gekregen.
Twee dagen eerder was koningin Eleonora in Maries deuropening verschenen, een en al boezem, gouden lokken, sabelbont in de blauwe mantel, sieraden bungelend aan oren en polsen, glanzende chapelet en parfum sterk genoeg om iemand te laten bezwijmen. Altijd was haar doel ontwapening door overrompeling. Haar dames stonden achter haar, verborgen hun lach. Tussen deze verraadsters bevond zich Maries eigen halfzuster, net als Marie een koninklijke bastaarddochter, een gevolg van plichtvergeten vaderlijke lusten, maar wel wetende hoe populariteit aan het hof werkt was dit onnozele wicht wit weggetrokken en fluks op de vlucht geslagen voor Maries pogingen vriendschap met haar te sluiten. Op een dag zou ze een Welshe prinses zijn.

Marie maakte een onhandige buiging en Eleonora schreed de kamer binnen; haar neusvleugels trilden.
Ze had nieuws, zei de koningin, zulk verrukkelijk nieuws, wat een opluchting, zo-even had ze de pauselijke dispensatie ontvangen, het arme paard was zo vliegensvlug gegaloppeerd om die deze ochtend bij haar te bezorgen dat het zijn hart te barsten had gepompt. Dankzij de inspanningen van haar, de koningin, was de arme onwettig geboren Marie uit ergens nergens in Le Maine eindelijk aangewezen als de priorin van een koninklijke abdij. Was dat niet geweldig. Eindelijk wisten ze nu wat te doen met deze eigenaardige koninklijke halfzuster. Eindelijk hadden ze een nuttige bestemming voor Marie.”

 

Lauren Groff (Cooperstown, 23 juli 1978)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Ben je dol op de microscopisch kleine doses sproeiwater?

Ben je dol op de microscopisch kleine doses sproeiwater,
die voortkomen uit de bloemen van de steden,
die domesticeren
en ons vertellen over bucolische landschappen,
waar ze aan voorbij gekomen zijn tijdens hun kweltochten,
die zich uitspreiden
in onze badkuipen van geluk?

–––
Maar we zijn al lang verhuisd naar de tuinen,
waar monniken graasden
diervriendelijk en hongerig in hun gezang.
Ooit waren we metro-preneurs.
Als wij mensenkinderen nu schoenen aandoen,
vinden we er soms blaren in.

–––
Liefde, zeg je,
is het verkeerde woord.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juli ook mijn blog van 23 juli 2020 en eveneens mijn blog van 23 juli 2019 en ook mijn blog van 23 juli 2018 en ook mijn blog van 23 juli 2017 deel 2.

Frank Koenegracht

De Nederlandse dichter en psychiater Frank Koenegracht werd geboren in Rotterdam op 23 juli 1945. Zijn debuut was in 1966 met gedichten in het literaire tijdschrift Maatstaf. Koenegracht debuteerde in 1971 met zijn bundel “Een gekke tweepersoonswesp”. In 2003 verscheen de verzamelbundel “Vroege sneeuw” van meer dan dertig jaar poëzie. Zes gedichten van Koenegracht werden in 2004 opgenomen in Gerrit Komrij’s “De Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw”. Koenegrachts thema’s komen met name uit de wereld van de psychiatrie en de popmuziek. In 2009 ging hij met pensioen. Hierna verscheen “Lekker dood in eigen land” met bijbehorende tekeningen. De poëzie van Koenegracht werd in 1990 bekroond met de Anna Blaman Prijs. In 2001 kreeg hij de Frans Erensprijs voor zijn gehele oeuvre. Koenegracht staat ook bekend als een kenner van de cantates van Johann Sebastian Bach.

 

Alles valt

Verschoor en ik zagen in de winter
een man die de waarheid sprak
door een versterker zo goot

als een klein kacheltje en zei:
‘Wat baat u goud wanneer uw
ziel van ijzer is.’ Alles valt.

Ja alles valt
en er zal menging zijn van avond
in de vestiaire

en buiten, boven de wind
staan alle wolken stil terwijl
moeder staat te schreeuwen

op de grond met een tasje
in haar hand. Alles valt.
En het huis tegenover ons huis

is geen huis en de sterren vallen
maar we zie hen niet. Alles
in het huis tegenover ons is goed

maar er is geen huis want alles valt.
Verschoor was naar de Beroepswedstrijden
van de Zwitserse Gasvereniging geweest

waar overigens alles viel.

 

Negentienvijfenzeventig

Het waren mooie jaren toen
de geest woei op bijeenkomsten
tijdens andermans kantooruren
bij versterkte tot zeer versterkte muziek.

Mooie jaren waarin
de neiging tot speelsheid
der werkende klasse
onomstotelijk werd vastgesteld.

Maar uit de ledige hemel viel
de ontzaggelijke stropdas.

 

Suite

Een jongen die zijn meisje kwijt raakt
davert niet.
En de wereld niet van zijn gedichten.
En de nacht niet van zijn stap.

Met zijn gazelle aan de hand
staat hij terecht
voor een twaalf meter hoge tafel
waarop zij met haar nieuwe vriendje zit

(die haar telkens zit te zoenen
“straks” giechelt ze “eerst dit”)

Ze kijkt hem vreemd ernstig aan
voordat ze dit vonnis spreekt.
-ze lacht niet meer denkt hij
dit heeft ze voor mij over, er is hoop-

Die is er niet
Ze krijgen allemaal een jaar:
Hij zelf, zijn fiets, zijn schaduw en zijn verdriet.

 

Frank Koenegracht (Rotterdam, 23 juli 1945)

Arno Geiger, Michael Longley

De Oostenrijkse schrijver Arno Geiger werd geboren op 22 juli 1968 in Bregenz, Vorarlberg. Zie ook alle tags voor Arno Geiger op dit blog.

Uit: De oude koning in zijn rijk (Vertaald door W. Hansen)

“Toen ik zes jaar oud was, herkende mijn grootvader mij niet langer. Hij woonde in het lagergelegen huis naast het onze, en omdat ik zijn boomgaard gebruikte om de weg naar school af te snijden, gooide hij me af en toe een stuk hout na, ik had op zijn land niets te zoeken. Maar soms was hij blij me te zien, hij kwam op me af en noemde me Helmut. Daar kon ik ook al niets mee aanvangen. Grootvader ging dood. Ik vergat die belevenissen – tot de ziekte bij mijn vader begon.
In Rusland bestaat er een spreekwoord dat zegt dat er niets in het leven terugkeert behalve onze fouten. En als we oud zijn, worden ze groter. Omdat mijn vader altijd al geneigd was tot excentriek gedrag, zagen wij zijn spoedig na zijn pensionering optredende eigenaardigheden als een teken dat hij nu elke belangstelling voor zijn omgeving begon te verliezen. Zijn gedrag leek typerend voor hem. Daarom hebben we hem ettelijke jaren op de zenuwen gewerkt met onze bezwering dat hij zich moest beheersen.
Tegenwoordig overvalt me een stille woede over die verspilling van energie; want we waren kwaad op de persoon, maar we bedoelden de ziekte. ‘Laat je alsjeblieft niet zo gaan!’ zeiden we honderdmaal, en mijn vader accepteerde het, geduldig en onder het motto dat het het makkelijkst is als je op tijd berust. Hij wilde zich niet verzetten tegen het vergeten, maakte nooit gebruik van zelfs maar de kleinste ezelsbruggetjes en liep daardoor ook niet het gevaar zich te beklagen dat iemand knopen in zijn zakdoek legde. Hij voerde geen hardnekkige stellingenoorlog tegen zijn geestelijk verval, en hij heeft niet één keer het gesprek erover gezocht, hoewel hij – achteraf geredeneerd – uiterlijk in het midden van de jaren negentig geweten moet hebben hoe ernstig het er met hem voor stond. Als hij tegen een van zijn kinderen had gezegd, sorry, mijn geheugen laat me in de steek, dan hadden we allemaal beter kunnen omgaan met de situatie. Maar nu vond er een jarenlang kat-en-muisspel plaats, met vader als muis, met ons als muizen en met de ziekte als kat.

Die eerste zenuwslopende fase, gekenmerkt door onzekerheid en twijfel, ligt achter ons, en hoewel ik er nog steeds niet graag aan terugdenk, begrijp ik nu dat er een verschil is tussen opgeven omdat je niet meer wilt, en weten dat je verslagen bent. Mijn vader ging ervan uit dat hij was verslagen. Aangekomen in het deel van zijn leven waar zijn geestelijke kracht afnam, koos hij voor ingekeerdheid, iets wat bij gebrek aan effectieve medicijnen ook voor de naasten een bruikbare mogelijkheid is met die ellendige ziekte om te gaan.
Milan Kundera heeft geschreven
: ‘Het enige wat ons overblijft tegenover die onontkoombare nederlaag die leven wordt genoemd, is de poging het te begrijpen.’
De dementie in zijn middelste fase, waarin mijn vader zich momenteel bevindt, stel ik me ongeveer zo voor: alsof je uit je slaap bent opgeschrikt, je weet niet waar je bent, de dingen tollen om je heen, landen, jaren, mensen. Je probeert je te oriënteren, maar het lukt niet. De dingen draaien door, doden, levenden, herinneringen, droomachtige hallucinaties, flarden van zinnen die je niets zeggen – en die toestand wordt de rest van de dag niet anders meer.”

 

Arno Geiger (Bregenz, 22 juli 1968)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Honderd Deuren

Godl Ik steek weer kaarsen aan, nog steeds
De sentimentele atheïst, familie
Namen een soort gebed of gedicht, mijn muze
Onze Lieve Vrouw van Honderd Deuren.

Onder toezicht van een xenofobe
Koster plant ik in stoffig zand
Namen en gezichten die mij volgen
Zover als de ramen in de vloer:

Marmeren stompen doen pijn door het glas
Voor hun heidense tempel, de warme
Innerlijkheid die Praxiteles naar buiten bracht.
De intelligentie van steen.

De koster die mijn vlam-
Bloemen plukt en ze uit blaast, slechts enkele minuten
Oud, weet dat ik kijk en het
Maakt hem niet uit, als hij mijn levens verkort.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor de schrijvers van de 22 juli ook mijn blog van 22 juli 2020 en eveneens mijn blog van 22 juli 2019 en ook mijn blog van 22 juli 2018 deel 2.

Hans van de Waarsenburg, Leo Herberghs, Michael Longley

De Nederlandse dichter en literatuurcriticus Johannes (Hans) Paul Richard Theodorus van de Waarsenburg werd geboren in Helmond op 21 juli 1943. Zie ook alle tags voor Hans van de Waarsenburg op dit blog.

 

Spinsel van tijd

Wanneer je terugloopt
met het hoofd bedekt
de lippen verzegeld

En nog het heldere glas
van de ogen waar licht
in het hoofd valt

Onder de lindebomen
ga je daar, waar niets
meer is, asfalt en ampels

Nog valt de avond niet
of kraakt er iets zachts
en dwaas in wat schuurt.

 

Schaduwgrens

Heuvels die glooiden zie ik en soms zwemmen er
Vissen doorheen. Mooie vissen die naar me zwaaien.

Sluiers van gordijnen als het raam openstaat en de
Wind naar binnen waait. En hemels de geur van verre

Egyptische tabak, verpakt in platte sigaretten. Mijn lief,
Ik wil niets meer dan dit uitzicht vol mooie, naar mij

Zwaaiende vissen. De sluier van je haren en de heuvels
Die glooien. Een ode aan alles wat langzaam verdwijnt.

 

Dan, langzamerhand dronken wordend

Dan, langzamerhand dronken wordend
van pop, powezie en pils
staat hij uit zijn stoel op

zijn tikmasjiene duvelt op
de grond;
hij weet de rand van de taal bereikt

voorzichtig naar een oude
boekenkast schuifelend
(soms wordt hij eeuwen stof)
negeert hij het dode grijze oog

bij een aantal tijdschriften en bundels
blijft hij staan en probeert zijn leven
in gestrekte sentimeters te schatten
het loont nauwelijks de moeite.

 

Hans van de Waarsenburg (21 juli 1943 – 15 juni 2015)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Leo Herberghs werd geboren in Heerlen op 21 juli 1924. Zie ook alle tags voor Leo Herberghs op dit blog.

 

Maastricht

Ik zag u langzaam uit de nevels stijgen,
Lieflijk en needrig, hemels onderpand,
Uw mond half glimlachend, half zwijgend;
Zo steeg gij langzaam tot de heuvelrand

En steeg en steeg. De wolken en de weiden
Liet gij verblinken op het wazig land
En met uw torens zaagt gij reeds terzijde
Naar de eeuwige lente van de Overkant.

En plots werd gij een juubling in mijn oren,
Een stromend lied, een vleugellicht gedicht
Dat spoorslags wegvoer tussen englenkoren

En zo verzwond uit mijn verbaasd gezicht:
Maar dan was plotsling alles als te voren –
Ik zag u liggen in het morgenlicht.

 

Herfst

II
De paniek van omgevallen stengelen,
rozen, verrot op de natte grond;
grauwe en grijze, die even bengelen
en dan neervallen in het rond –

Bladeren tuimelen, een ris.
Hees ritselt de wind, ontdaan
struikelend in het ongewis,
wijl hyacinthen te bloeien staan

en de merel vaag tureluurt,
voor zich fluisterend, afgewend,
en de zon langs de bladeren gluurt
en de eenzame bloemen herkent.

 

Dorp

denkend: onder de weerhanen van de dorpen
woeden de grote gepeinzen
als landschappen vol hosanna’s
met purperen vleugels. de jaren
vliegen over de daken
en angstig en stil sterft de vlinder.

dit is groter dan ooit, dit is wilder,
dit is geliefder dan brood, dit is stormend
en de dood heeft de donkerste kleuren.

 

Leo Herberghs (Heerlen, 21 juli 1924 – 11 mei 2019)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Staakt-het-vuren

L
Denkend aan zijn eigen vader en tot tranen geroerd
Nam Achilles hem bij de hand en duwde de oude koning
Voorzichtig weg, maar Priamus krulde zich op aan zijn voeten en
Huilde met hem totdat hun verdriet het gebouw vulde.

II
Achilles nam Hectors lijk in zijn eigen handen en
Zorgde ervoor dat het gewassen werd en, in het belang van de oude koning,
Neergelegd in uniform, klaar voor Priamus om, verpakt
Als een cadeau naar Troje te dragen bij het ochtendgloren.

III
Toen ze samen hadden gegeten, staarden ze allebei vergenoegd
Naar elkaars schoonheid zoals geliefden zouden doen,
Achilles gebouwd als een god, Priamus nog steeds knap
En levendig pratend, die eerder had gezucht:

IV
‘Ik ga op mijn knieën en doe wat gedaan moet worden’
En kus Achilles’ hand, de moordenaar van mijn zoon.’

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juli ook mijn blog van 21 juli 2020 en eveneens mijn blog van 21 juli 2019 en ook mijn blog van 21 juli 2018 deel 2.

Hitte (C. S. Adama van Scheltema), Michael Longley, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

Podol zomer, Kiev door Andrey Kutsachenko, z.j.

 

Hitte

Hoog staat het stralend witte zonjuweel
En slaat zijn hete licht op ’t land te gruis,
De zilvren vlammen laaien uit ’t hemelhuis,
De barnende aarde blakert grijs en geel.

Elk buigt zijn rug onder het zware kruis
Van vlammen, een last van vuur, – het lijkt of heel
De wereld brandend draait, – de zon ziet scheel
En kookt het gulzig zweet op ’t heet fornuis.

Kon ik die zon aan bei mijn borsten drukken
En drinken van haar licht, dat ik in dagen
Van duisternis de mensen zou verrukken!

Wie dorst zijn ziel in ’t barre zonlicht dragen,
Om uit zijn hart voor andren de oogst te plukken, –
Wie dorst om zweet – wie dorst om waarheid vragen?

 

C. S. Adama van Scheltema (26 februari 1877 – 6 mei 1924)
Stadsstrand met uitzicht over het IJ in Amsterdam de geboorteplaats van Adama van Scheltema

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

HET PATROON

Op de kop af zesendertig jaar na ons trouwen,
toen er een koude, figuur-onthullende wind tegen je aan woei
en je sluier oplichtte, vind ik in zijn dikke envelop
het Vogue-patroon van zes shilling van je bruidsjapon,
gecompliceerde handleiding voor het naaien van lijfje
en rok, dubbele plooien en zomen, vloeipapieren knippatronen,
Gelijkenissen van huid die ik zenuwachtig openvouw
en in sneeuwlicht omhooghoud, want het heeft gesneeuwd
op deze windstille dag, en ik zie een glimp van je bruidsjurk
en witte schoenen buiten in de getransformeerde tuin
waar de waslijn en alle twijgen bedekt zijn.

 

Vertaald door Ko Kooman

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juli ook mijn blog van 20 juli 2017 en ook mijn blog van 20 juli 2013 deel 2 en eveneens deel 3.