Adriaan Roland Holst, Maarten Biesheuvel, Lydia Rood, Jane Kenyon, Susan Cooper, Michaël Vandebril, Jack McCarthy, Mitchell Albom, Pär Fabian Lagerkvist

De Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst werd geboren op 23 mei 1888 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Adriaan Roland Holst op dit blog.

 

Er is een vrede

Er is een vrede die uit leed geboren
In ’t oog van vreugde als traan van teerheid beeft,
Of als een zachte glimlach glanzend zweeft
Over ’t gelaat dat vreugden heeft verloren.

Maar nimmer zal die vrede ’t leven schoren
Dat schuw voor ’t eigen hart in luidheid leeft,
Slechts wie de moed van eigen lijden heeft
Wordt tot de zaligheid dier vreê verkoren.

En als gij eens uw stil gelaat zult heffen
Naar dat nieuw licht boven verleden’s graf,
Roep dan mijn naam. – Ik zal uw roepen beiden.

O dan zal ik, ontroerd èn trots, beseffen
Dat ik mijn volste jeugd in liefde gaf
Aan ’t hart dat groter was dan liefdes lijden.

 

Wijdheid

Wijdheid van zijn is vrijheid van gedachten
In heldere open geest als lichtfontein
Opwaarts te stralen, en dan ijl en fijn,
Goudluchtig zwevend vocht, in daling zacht en
Overal neer te regenen – zoo rein
Als in de najaarsochtenden, na nachten
Van steromklaarde kou, de zon met prachten
Van goud doorsprenkelt sferenkristallijn.

’t Is de glimlach na luid gezongen jeugd –
Het ijl geluk dat glanzende eeuwigheid
Te ademen schijnt in een verstilde vreugd.

’t Is als een zee die na een wilden strijd
Met golven nu al ver de kim ontweken,
Vol zonweerspiegeling ligt gladgestreken.

 

De belijdenis van de stilte

I
Tijdloos Gelaat, dat boven diepten zwijgt
Waar ’t Leven wordt en sterft en stervend wordt
Went’lend…. Droom, waarheen alles eeuwig stijgt,
En Rots, waar eeuwig alles tegen stort.

Droom van mijn woord – Rots van mijn zang – ik weet
Hoe wijd de duizling van uw oogen leeft
Over het Al, en dat nooit vreugd’, nooit leed
Hun openheden oversluierd heeft.

Want als de tijd mij loslaat, en ik blijf
In duizelende zwevingen, tot ik
Plots’ uit de sidderingen van mijn lijf
Stijg, en in de eeuwigheid van ’t oogenblik

’t Eindeloos ruischen van uw zwijgen hoor
Door sferen, waar geen aardsche stem meer spreekt,
Voel ik dat zij mij aan en door zien, dóór
Tot in ’t hart van mijn hart, dat snikkend breekt.

 

 
Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 – 5 augustus 1976)
Portret door Kees Verwey, 1965

 

De Nederlandse schrijver Maarten Biesheuvel werd geboren in Schiedam op 23 mei 1939. Zie ook alle tags voor Maarten Biesheuvel op dit blog.

Uit: Port Churchill

“Op mijn veertiende jaar mocht ik van mijn vader een klein radiotoestel van de heer Feikema, onze gereformeerde buurman, kopen. Hij deed al jaren lang in radio’s. Hij kocht kapotte toestellen op, van de allerkleinste modellen tot bakbeesten toe, die minstens een vierde van de ruimte van een gemiddelde burgermanswoning vulden, en verkocht ze weer voor prijzen die variëerden van een rijksdaalder tot tachtig gulden. Hij was boekhouder bij een houtwerf in Schiedam en vulde nagenoeg al zijn avonden met het oplappen van oude radio’s. Hij woonde in hetzelfde blok ‘witte huizen’, (de meest riante arbeidershuizen die er na de oorlog in Schiedam zijn gebouwd: ze bestonden uit zes behoorlijk ruime kamers, een keuken en een douchecel, benevens een kelder die zo groot was dat men er met gemak twee amerikaanse automobielen uit de populaire middenklasse in had kwijt gekund. De huizen maakten in 1949 slechts f 48.56, – schrijve acht en veertig gulden en zes en vijftig cent – per maand).
De vrouw waar meneer Feikema mee was getrouwd probeerde op dringend aanraden van mijn moeder, toen ik zes jaar was, mij heen te helpen over de problemen van eeuwigheid, onbegrensd heelal, tijd en ruimte. Ze verkondigde de buurtbewoners dat ik over ‘mediamieke gaven’ beschikte. (Misschien heeft ze ook wel gelijk gehad: aan hallicunatoire toestanden heeft het mij tot nog toe niet ontbroken en ondanks een viertal rustigmakende pillen dat ik dagelijks slik, ben ik toch voortdurend in hoger sferen. In ieder geval zal ik nooit in het openbaar ‘voorspellingen doen’, hoewel ik iemand maar vijf minuten hoef te observeren om precies te weten hoe het hem ‘verder zal vergaan’). Ik geloof dat ik juist dat radiootje – veertig gulden – van mijn vader kopen mocht omdat hij wellicht hoopte dat ik, wanneer ik ’s nachts, wakker liggende en denkende over problemen waar knappere koppen dan ik ook nog niet uit zijn gekomen, zo verstandig zou zijn om dat ding aan te zetten zodat mijn geest een beetje verstrooid zou raken. Het was een uiterst klein bakelieten toestel, als ik het wel heb van het merk Philips. Ik had ten behoeve van het ontvangapparaat twaalf antennedraden in mijn kamer uitgezet. Ik kan me nog heel goed herinneren hoe ik de ligging van mijn kamer ten opzichte van de coördinaten van Moskou, Tashkent, Irkoetsk, Algiers, Teheran, Istanboel en andere exotische plaatsen naar de gegevens uit mijn eenvoudige Bos schoolatlas uitrekende.”

 

 
Maarten Biesheuvel (Schiedam, 23 mei 1939)

 

De Nederlandse schrijfster en columniste Lydia Rood werd geboren op 23 mei 1957 in Velp. Zie ook alle tags voor Lydia Rood op dit blog.

Uit: Sprong in de leegte

“Nagel op het bordje. Het was zo’n lentedag dat het lijkt te sneeuwen. Ik herinner me de wittige warreling in het bleke zonlicht en al wist ik niet wat het was, ik genoot van het wisselende licht en het gedwarrel tussen de tramdraden. Zaadhuisjes waren het, weet ik nu, niet wit maar bijna doorzichtig, met de zwarte pit van het zaadje in het hart, maar dat heb ik later pas geleerd. Ik keek naar buiten en zei met mijn rug naar de kamer dat mijn ouders geen kinderen meer wilden. Tegen mijn tante zei ik dat; ze was op kraamvisite. Later zeiden ze dat ik me dat onmogelijk kon herinneren, omdat ik amper één jaar oud was, maar ik herinner me details die zij niet meer weten, zoals de nagel die mijn tante verloor toen ze haar beschuit met muisjes at: opeens lag er een felroze nagel op het bordje en ik vond het raar dat ze daaronder nóg een nagel had, met een gewone kleur. Ik herinner me ook hoe kwaad ze waren (ik was zes) toen ik erover vertelde. Niet om het verhaal zelf, dat was onschuldig genoeg, maar omdat ik volhield dat ik het me herinnerde. Die dag, mijn zesde verjaardag, kwam ik er opnieuw achter dat de wereld niet was zoals ik haar zag, maar zoals zij die wilden zien. Ik leerde ook te zwijgen over wat ik wist. Maar daar gaat het nu niet over. Het punt was dat ik dus een zusje had. Ik was amper één, amper aan het leven gewend en daar was het al. Ze lieten het me zien, een in roze ingepakt rood hoofd, en zeiden dat het mijn zusje was en dat het Elsa heette. — 0, goed, zei ik, en ik draaide me om om te gaan spelen, ik weet niet met wat, blokken of zo, het was iets met kleuren. Ja, ik zei: ‘goed’. Niet ‘koe’ of zo, met veel kwijl, gewoon ‘goed’. Ik praatte al, daar ga ik me hier dus niet voor zitten schamen. Ik heb me genoeg gedeisd gehouden. Als mensen me kunnen zien, doe ik met ze mee, maar dit schrijf ik voor mezelf. En, misschien, voor Sal.
Terwijl ik naar de lentestorm keek, zei ik: Mama genoeg kindje. Oké, perfect Nederlands is dat niet, maar ik weet het nog letterlijk en ik weet ook verdomd goed wat ik ermee bedoelde: nu is het wel genoeg. Die ene, die pik ik dan wel. De eerste tijd was het ook wel oké. Dat ik een zusje had bedoel ik. Pas later vroeg ik me af waarom ze haar gewoon Elsa hadden genoemd en mij Cornélie, wat in de klas werd afgekort tot Nelie en thuis tot Cor, met zo’n naam vraag je daar toch om? Misschien waren ze wijs geworden toen ze eenmaal gemerkt hadden dat mijn zogenaamd mooie naam alleen maar verlelijkt werd, en wilden ze dat mijn zusje besparen.”

 

 
Lydia Rood (Velp, 23 mei 1957)

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

 

Having It Out With Melancholy

5 ONCE THERE WAS LIGHT

Once, in my early thirties, I saw
that I was a speck of light in the great
river of light that undulates through time.

I was floating with the whole
human family. We were all colors — those
who are living now, those who have died,
those who are not yet born. For a few
moments I floated, completely calm,
and I no longer hated having to exist.

Like a crow who smells hot blood
you came flying to pull me out
of the glowing stream.
“I’ll hold you up. I never let my dear
ones drown!” After that, I wept for days.

6 IN AND OUT

The dog searches until he finds me
upstairs, lies down with a clatter
of elbows, puts his head on my foot.

Sometimes the sound of his breathing
saves my life — in and out, in
and out; a pause, a long sigh. . . .

7 PARDON

A piece of burned meat
wears my clothes, speaks
in my voice, dispatches obligations
haltingly, or not at all.
It is tired of trying
to be stouthearted, tired
beyond measure.

We move on to the monoamine
oxidase inhibitors. Day and night
I feel as if I had drunk six cups
of coffee, but the pain stops
abruptly. With the wonder
and bitterness of someone pardoned
for a crime she did not commit
I come back to marriage and friends,
to pink fringed hollyhocks; come back
to my desk, books, and chair.

 

 
Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)
Ann Arbor, Michigan

 

De Britse schrijfster Susan Cooper werd op 23 mei 1935 geboren in Buckinghamshire. Zie ook alle tags voor Susan Cooper op dit blog.

Uit: Ghost hawk

“He had left his canoe in the river, tied to a branch of a low-growing cherry tree. Now there was green marshland ahead of him, all round the river’s last slow curve. He pushed his way through waist-high grass toward one of the three high places in the marshland, where trees grew. They were islands of trees, never visited; the duck hunters went only to the marsh. He had chosen this place months ago, and now was the day to come back. In a squawking flurry two ducks erupted ahead of him, flying low, but his bow stayed on his back; he would not hunt till later, on the way home. He reached the trees–a tangle of pin oak and cherry, sumac and hickory, juniper and birch–and threaded his way through the grabbing branches to the two rocks that marked the tree he had chosen. There it still was, beside the rocks, still the proper shape: the small bitternut hickory tree with its twin leading stems growing in a slender V. He gave the tree a respectful greeting, and explained what he was about to do. The woven birch-bark pouch was heavy round his neck. He took out the stone blade, a long, notched rectangle of flint with one edge chipped to a fine sharpness. This blade had belonged to the tomahawk used by his father and his grandfather, until its handle broke; nobody knew where it had come from or when it was made. It was very precious to him. Carefully he fitted the blade into the cleft between the tree’s two slim branches, twisting them together above it. Then, with tough strands of deer sinew from his pouch, he bound the joined branches tightly above the stone–so tightly that they would grow together as the years went by, enclosing the blade. To make a tomahawk for your son, you needed the stone blade, and the wooden shaft, and time. In my father’s day, there was still time. When he’d finished his binding, he thanked the small tree, and gave it good wishes to grow straight and strong. Then he went back across the marshland to his canoe. On the way he shot three ducks, for the feast celebrating the arrival of the baby son who had been born early that day. I was that son. Because Flying Hawk was my father, the name they were giving me was Little Hawk.”

 


Susan Cooper (Buckinghamshire, 23 mei 1935)

 

De Vlaamse dichter Michaël Vandebril werd geboren op 23 mei 1972 in Turnhout. Vandebril studeerde rechten. Zie ook alle tags voor Michaël Vandebril op dit blog.

 

Duran Adam (staande man)

stilstaan is niet achteruitgaan
het is standhouden
ik ben gewoon iemand
als ze me weghalen

zal iemand anders mijn plaats
innemen sta op en
schrijf woorden van een dichter
op je voorhoofd: blake

whitman pasolini vinkenoog
of van vliet: het wordt tijd
dat wij orde op zaken stellen
woede verzamelen

druk ons de kop in en we
schieten dieper wortel
u wil zo graag dat we zwijgen
wel we zwijgen

als vermoord wij zijn de muur
waar u tegen loopt
ik herken de wapens
en laat ze liggen dit is ons leven

en dit is de tijd die we veil hebben
voor onze vrijheid
het spijt me u te moeten storen
maar mijn wereld brandt

 

Inat

                voor Gavrilo Princip

het heeft geen naam brandt
in mijn ogen zoals een gedicht
dat je luidop zingen kan
maar geen titel verdraagt

ik heb genoeg aan een handdruk
om te weten hoe laat het is
deze leugenachtige dag zal driemaal kraaien
om me te herinneren aan mijn heldendom

de uren kruipen voorbij langs dit café traag
en ondiep als het bruine water van de miljacka
ik kijk in de spiegel van een nieuwe tijd en zie
het avondland dat als een deken valt over mijn stad

in de verte dendert een slee
over de kasseien het geluid vult
mijn lege ziel die duizend muren
zal doorboren om tot u te komen

als een zwarte vogel die neerstrijkt
op het eeuwig smeulende veld

 

 
Michaël Vandebril (Turnhout, 23 mei 1972)

 

De Amerikaanse schrijver en slam poet Jack McCarthy werd geboren op 23 mei 1939 in Massachusetts. Zie ook alle tags voor Jack McCarthy op dit blog.

 

Riding Waves (Fragment)

II. Picking the Wave

The waves you want are waves
that don’t break all at once,
begin their break well out,
then gather force, a landslide 0f the water.
The slowly swelling approaching thunder,
rather than the sudden nearby crash.
On a good day, the right wave is the wave
that’s going to break just after passing you.
If you stood your ground,
it would hit you with a slapping sound.
If foam is forming lazily at the crest,
you are too late, let this one go. It must
be taken in the instant prior to the foam.
The right wave is curved like a bow,
up and outward from you (you are its arrow).
Its face is smooth rather than rough, .
the little surface ripples all resolved.
If you could not see it you could feel it
by the accelerating outward rush
of suddenly shallow water about your legs.
If the wave has foam on its face
from a wave that broke before it,
further out, this is a good omen.
Perhaps the best of all is the wave
that is broader at its base than most,
that is in fact two waves,
for the second will ride piggy-back on the first,
absorb all its momentum,
then break itself with reckless speed and power—
this even though neither wave was by itself
exceptional.

 

 
Jack McCarthy (Massachusetts, 23 mei 1939)

 

De Amerikaanse schrijver, journalist en radiopresentator Mitchell David Albom werd geboren op 23 mei 1958 in Passaic, New Jersey. Zie ook alle tags voor Mitch Allborn op dit blog.

Uit:The Five People You Meet in Heaven

“With 50 minutes left on earth, Eddie took his last walk along Ruby Pier. He passed an elderly couple.
“Folks,” he mumbled, touching his cap.
They nodded politely. Customers knew Eddie. At least the regular ones did. They saw him summer after summer, one of those faces you associate with a place. His work shirt had a patch on the chest that read Eddie above the word Maintenance, and sometimes they would say, “Hiya, Eddie Maintenance,” although he never thought that was funny.
Today, it so happened, was Eddie’s birthday, his 83rd. A doctor, last week, had told him he had shingles. Shingles? Eddie didn’t even know what they were. Once, he had been strong enough to lift a carousel horse in each arm. That was a long time ago.
“Eddie!” . . . “Take me, Eddie!” . . . “Take me!”
Forty minutes until his death. Eddie made his way to the front of the roller coaster line. He rode every attraction at least once a week, to be certain the brakes and steering were solid. Today was coaster day — the “Ghoster Coaster” they called this one — and the kids who knew Eddie yelled to get in the cart with him.
Children liked Eddie. Not teenagers. Teenagers gave him headaches. Over the years, Eddie figured he’d seen every sort of do-nothing, snarl-at-you teenager there was. But children were different. Children looked at Eddie — who, with his protruding lower jaw, always seemed to be grinning, like a dolphin — and they trusted him. They drew in like cold hands to a fire. They hugged his leg. They played with his keys. Eddie mostly grunted, never saying much. He figured it was because he didn’t say much that they liked him.
Now Eddie tapped two little boys with backward baseball caps. They raced to the cart and tumbled in. Eddie handed his cane to the ride attendant and slowly lowered himself between the two.
“Here we go . . . . Here we go! . . . ” one boy squealed, as the other pulled Eddie’s arm around his shoulder. Eddie lowered the lap bar and clack-clack-clack, up they went.
A story went around about Eddie. When he was a boy, growing up by this very same pier, he got in an alley fight. Five kids from Pitkin Avenue had cornered his brother, Joe, and were about to give him a beating. Eddie was a block away, on a stoop, eating a sandwich. He heard his brother scream. He ran to the alley, grabbed a garbage can lid, and sent two boys to the hospital.”

 

 
Mitchell Albom (Passaic, 23 mei 1958)
Cover

 

De Zweedse schrijver Pär Fabian Lagerkvist werd geboren in Växjö op 23 mei 1891 in Stockholm. Zie ook alle tags voor Pär Lagerkvist op dit blog.

Uit: Barabbas (Vertaald door Alan Blair)

“Yes, he was indeed the one the son of God had died for! It was to him and no other that it had been said:—Release this man and crucify me! Such were Barabbas’s thoughts as he walked away after trying to be one of them, as he strode away from the potter’s workshop in Potters’ Lane, where they had so plainly shown that they did not want him among them. And he decided to go and see them no more. But next day, when he turned up again notwithstanding, they asked what it was in their faith that he didn’t understand; showing clearly that they felt sorry and reproached themselves for not having welcomed him properly and been glad to give him the knowledge for which he was thirsting. What was it he wanted to ask them about? That he didn’t understand? Barabbas was on the point of shrugging his shoulders and replying that the whole thing was a mystery to him and, in fact, he couldn’t be bothered with it. But then he mentioned that a thing like the resurrection, for instance, he found hard to grasp. He didn’t believe that there was anyone who had risen from the dead. Glancing up from their potters’ wheels, they looked first at him and then at each other. And, after whispering amongst themselves, the eldest among them asked if he would like to meet a man whom their Master had raised from the dead? If so, they could arrange it, but not before the evening after work, as he lived some little way outside Jerusalem. Barabbas was afraid. This was not what he had expected. He had imagined they would argue about it and put forward their point of view, not try and prove it in such a pushing way. True, he was convinced that the whole thing was some queer fancy, a pious swindle, and that actually the man had not been dead. He was afraid all the same. He was not a bit keen on meeting the man. But he couldn’t very well say so. He must pretend he was grateful for the chance of convincing himself of their Lord and Master’s power. He put in time by walking about the streets in a state of mounting agitation. When he returned to the workshop at closing-time, a young man accompanied him out through the city gates and up towards the Mount of Olives. The man they sought lived on the outskirts of a little village on the slopes of the mountain. When the young potter drew aside the straw mat over the doorway they saw him sitting inside with his arms in front of him on the table and gazing straight out into the room. He seemed not to notice them until the young man greeted him in his clear voice. Then he slowly turned his head towards the door and returned their greeting in a curiously flat tone.“

 

 
Pär Lagerkvist (23 mei 1891 – 11 juli 1974)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e mei ook mijn blog van 23 mei 2015 deel 2.

In Memoriam Philip Roth

In Memoriam Philip Roth

De Amerikaanse schrijver Philip Roth is op 85-jarige leeftijd overleden. Philip Roth werd geboren op 19 maart 1933 in Newark.en gold als een van de grootste Amerikaanse schrijvers en won talrijke literaire prijzen, waaronder een Pulitzer in 1998. Zie ook alle tags voor Philip Roth op dit blog.

Uit: American Pastoral

“But wit or irony is like a hitch in his swing for a kid like the Swede, irony being a human consolation and beside the point if you’re getting your way as a god. Either there was a whole side to his personality that he was suppressing or that was as yet asleep or, more likely, there wasn’t. His aloofness, his seeming passivity as the desired object of all this asexual lovemaking, made him appear, if not divine, a distinguished cut above the more primordial humanity of just about everybody else at the school. He was fettered to history, an instrument of history, esteemed with a passion that might never have been if he’d broken the Weequahic basketball record – by scoring twenty-seven points against Barringer – on a day other than the sad, sad day in 1943 when fifty-eight Flying Fortresses were shot down by Luftwaffe fighter planes, two fell victim to flak, and five more crashed after crossing the English coast on their way back from bombing Germany.
The Swede’s younger brother was my classmate, Jerry Levov, a scrawny, small-headed, oddly overflexible boy built along the lines of a licorice stick, something of a mathematical wizard, and the January 1950 valedictorian. Though Jerry never really had a friendship with anyone, in his imperious, irascible way, he took an interest in me over the years, and that was how I wound up, from the age of ten, regularly getting beaten by him at Ping-Pong in the finished basement of the Levovs’ one-family house, on the corner of Wyndmoor and Keer – the word “finished” indicating that it was paneled in knotty pine, domesticated, and not, as Jerry seemed to think, that the basement was the perfect place for finishing off another kid.
The explosiveness of Jerry’s aggression at a Ping-Pong table exceeded his brother’s in any sport. A Ping-Pong ball is, brilliantly, sized and shaped so that it cannot take out your eye. I would not otherwise have played in Jerry Levov’s basement. If it weren’t for the opportunity to tell people that I knew my way around Swede Levov’s house, nobody could have got me down into that basement, defenseless but for a small wooden paddle. Nothing that weighs as little as a Ping-Pong ball can be lethal, yet when Jerry whacked that thing murder couldn’t have been far from his mind. It never occurred to me that this violent display might have something to do with what it was like for him to be the kid brother of Swede Levov. Since I couldn’t imagine anything better than being the Swede’s brother – short of being the Swede himself – I failed to understand that for Jerry it might be difficult to imagine anything worse.
The Swede’s bedroom – which I never dared enter but would pause to gaze into when I used the toilet outside Jerry’s room – was tucked under the eaves at the back of the house. With its slanted ceiling and dormer windows and Weequahic pennants on the walls, it looked like what I thought of as a real boy’s room. From the two windows that opened out over the back lawn you could see the roof of the Levovs’ garage, where the Swede as a grade school kid practiced hitting in the wintertime by swinging at a baseball taped to a cord hung from a rafter – an idea he might have got from a baseball novel by John R. Tunis called The Kid from Tomkinsville. I came to that book and to other of Tunis’s baseball books – Iron Duke, The Duke Decides, Champion’s Choice, Keystone Kids, Rookie of the Year – by spotting them on the built-in shelf beside the Swede’s bed, all lined up alphabetically between two solid bronze bookends that had been a bar mitzvah gift, miniaturized replicas of Rodin’s “The Thinker.”

 
Philip Roth (19 maart 1933 – 22 mei 2018)

Jan Baeke

De Nederlands dichter Jan Baeke werd geboren in Roosendaal op 23 mei 1956. Baeke debuteerde in 1997 met de bundel “Nooit zonder de paarden”. De tien jaar ervoor publiceerde hij gedichten in de tijdschriften Tirade en De Zingende Zaag. Zijn vierde bundel, “Groter dan de feiten”, werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2008. De poëzie van Jan Baeke neemt in Nederland een eigen plek in. Het is poëzie die in gewone taal en met directe beelden een mysterie weet op te roepen. Invloeden zijn er van filmers (Luis Buñuel, Michael Haneke en Andrej Tarkovsky) en dichters (Ingeborg Bachmann, Jaan Kaplinski en János Pilinszky). Naast dichter is Jan Baeke vertaler van Lavinia Greenlaw, Liz Lochhead en Deryn Rees-Jones. Hij was werkzaam bij het Nederlands Filmmuseum in Amsterdam. Sinds 2009 is hij verbonden aan Poetry International.

De jaren betalen

Het gras is gezaaid, de bomen zijn gesnoeid.
Er zijn mensen aan het werk en verderop
in een straat die te vol werd voor mensen die die straat waren
kan de belofte van gras niemand iets schelen.
De woede en het galmen tussen zingen en schreeuwen in
vreet alle ruimte op.

Dat we niet meer in de straat gewenst zijn –
we zijn niet erg gewenst in de goed verlichte winkels
die het hart van onze stad zoveel cachet verlenen.
Voor ons heeft de wereld weinig geheimen
en die er zijn, kunnen wij bewaren – mondje dicht.

Als ons en de jongens die net afgetraind de trap aflopen
is de straat niet de specialiteit van onze generatie.
Van onze generatie zijn de teksten
en de gedrongen figuren
in mooie kleuren en verf die jaren mee gaat.

Woede zou de tuinman niet eens misstaan en
in droge seizoenen kan woede de regen een tijdlang vervangen.
De bomen zijn gesnoeid om sterke takken te houden
waar we nog eens iets aan kunnen hangen
en iemand die teveel wordt, die voor ons gebrek
aan straat bij het licht van onze koplampen zal moeten betalen.

We zijn de we die je bij elkaar ziet staan
maar ieder van ons heeft een eigen straat een eigen ziel
een eigen duidelijke ziekte die we niemand laten zien
en waarover we verder, waar we verder het zwijgen
over doen.

 

Een heldere dag

Is het nodig die hond te herkennen
of te denken dat je die hond herkent?

Ik dacht een stem te herkennen
die lachte maar ook zweeg.

Het was toen jij stopte en zei:
er zijn er die een hond tegen de storm in gooien
en tellen tot hij landt of terugkomt.

Ik zag een jongen, dacht

als hij landt is het
om zijn vader en moeder te bewijzen
om iets te maken
en snel te zijn.

Hoe vreemd te kunnen geloven
dat de wereld is zoals hier afgebeeld.

Een hond aan het strand, tussen wandelaars.
Velen nog kinderen, nog niet weggevoerd
nergens naar verwijzend.

Ik wilde kalmte zien en rust
zoals die zich in de golven ophouden.
Ik ben toegekomen aan de hond
noch aan de worp.

 
Jan Baeke (Roosendaal, 23 mei 1956)

Erik Spinoy, Arthur Conan Doyle, Ahmed Fouad Negm, Anne de Vries, Johannes R. Becher, Kees Winkler, Gérard de Nerval, Catulle Mendès, Takis Würger

De Vlaamse dichter en schrijver Erik Spinoy werd geboren op 22 mei 1960 in Sint-Niklaas. Zie ook alle tags voor Erik Spinoy op dit blog.

 

Seizoen

Ik rijd in de mist die bitter smaakt
en niemand luistert hoe ik schreeuw
(niemand)
verhoor me
voor het laat wordt.
(De zon neigt ter kimme. Hoe is het mogelijk het is
herfst, allerlei dingen vallen, wind).
Op het verlichte klokje is het vijf voor zes.
Hopeloos floepen de koplampen aan.

Mijn auto haast zich,
de wegen zijn volmaakt
en ik verlies me naar alle richtingen
in een afwezig landschap, in de mist
en de mist ben ik.
Als traangas glijd ik me door de handen.

 

Wapenrustingen

Eeuwenlang. Vertraagde lente, alle

Licht blijft nog voorzichtig
Winters porcelein. Op de vijvers
Rust nog steeds het deksel van het
IJs, terwijl de dwangbuis van hun

Zwijgen – hun gelijkenis – nog
Altijd op de trappen voor de
Gloriette ligt, en zich al eeuwen
Tegen alle stijgende bewegingen

Verweert. Want ook al staan ze
Klaar (zo hoog verheven boven
Balustraden dat ze slechts een
Bovenmens kunnen verwachten), ze willen

Geen voltooiing. Zelfs als er al een aankomst
Is, zal het er geen van goden zijn.

 

Kapuzinergruft

Alsof de beelden

Op de kisten zelf al foto’s waren
In zwartwit. De kleur is weg, zoals
Bij ingemaakte vruchten. En wat hier
Dan verduurzaamd werd, is al bij

Voorbaat ondermijnd. De bronzen
Adelaars en kransen roesten sneller
Dan hersteld kan worden, maar niet dat
Is van belang. Wat telt is herfst, barok –

De overdaad die in zichzelf niet
Meer gelooft. De kroon die op een
Schedel staat, verdriet dat vier
Pleuranten nodig heeft. En de beloofde

Eeuwige herinnering die doodvalt op het
Ongeloof van ons, vereeuwigers der dingen.

 

 
Erik Spinoy (Sint-Niklaas, 22 mei 1960)
Cover

 

De Britse schrijver Sir Arthur Conan Doyle werd geboren in Edinburgh op 22 mei 1859. Zie ook alle tags voor Arthur Conan Doyle op dit blog.

Uit:The Return of Sherlock Holmes

“Yes; there was a tantalus containing brandy and whisky on the sea-chest. It is of no importance to us, however, since the decanters were full, and it had therefore not been used.”
“For all that its presence has some significance,” said Holmes. “However, let us hear some more about the objects which do seem to you to bear upon the case.”
“There was this tobacco-pouch upon the table.”
“What part of the table?”
“It lay in the middle. It was of coarse seal-skin — the straight-haired skin, with a leather thong to bind it. Inside was `P.C.’ on the flap. There was half an ounce of strong ship’s tobacco in it.”
“Excellent! What more?”
Stanley Hopkins drew from his pocket a drab-covered note-book. The outside was rough and worn, the leaves discoloured. On the first page were written the initials “J.H.N.” and the date “1883.” Holmes laid it on the table and examined it in his minute way, while Hopkins and I gazed over each shoulder. On the second page were the printed letters “C.P.R.,” and then came several sheets of numbers. Another heading was Argentine, another Costa Rica, and another San Paulo, each with pages of signs and figures after it.
“What do you make of these?” asked Holmes.
“They appear to be lists of Stock Exchange securities. I thought that `J.H.N.’ were the initials of a broker, and that `C.P.R.’ may have been his client.”
“Try Canadian Pacific Railway,” said Holmes.
Stanley Hopkins swore between his teeth and struck his thigh with his clenched hand.
“What a fool I have been!” he cried. “Of course, it is as you say. Then `J.H.N.’ are the only initials we have to solve. I have already examined the old Stock Exchange lists, and I can find no one in 1883 either in the House or among the outside brokers whose initials correspond with these. Yet I feel that the clue is the most important one that I hold. You will admit, Mr. Holmes, that there is a possibility that these initials are those of the second person who was present — in other words, of the murderer. I would also urge that the introduction into the case of a document relating to large masses of valuable securities gives us for the first time some indication of a motive for the crime.”

 

 
Arthur Conan Doyle (22 mei 1850 – 7 juli 1930)
Cover audioboek

 

De Egyptische dichter Ahmed Fouad Negm werd op 22 mei 1929 in Ash Sharqiyah geboren. Zie ook alle tags voor Ahmed Fouad Negm op dit blog.

 

Cow

All the sobbing weepers wept
At the fate of the fighting cow
And that cow is milch; she exudes a gallon’s milk
But she is robbed; by the members of her own house
And the house has its owners and eleven doors
And underground tunnels and a sea of wolves
The ogres of the house stand by day
But on a known set date; the Romans did the deed
They pushed the locks; the guards fled
The outsiders came and sucked the milk
And the cow yells and screams ‘O My Children’
But the children of shame, were fast asleep
The cow was oppressed, by oppression, overwhelmed
She fell into the well; the bystanders asked
‘Well, why did she fall?

She fell from fear
‘From where does this fear come? ‘
It comes from blindness
She fell because of hunger and because of idleness
That dark fighting cow
The crying tunes of the weeper wept
At the fate of the fighting cow

Vertaald door Walaa Quisay

 

O Palestinian

O Palestinian, the gunman threw you out
With Zionism your doves were murdered in your arms
O Palestinian, I want travel to your land
With fire in my hands, and my hands in your hands
Against the serpent. And death to the ways of Hulagu!

O Palestinian, you have been away from your homeland for too long
And in the deserts, you are the refugees and victims
The land misses its peasants and its streams of water
Revolution is your end, and victory is the first step!

O Palestinian the revolution is certain
With rifles we will force a new life
No matter how long the road maybe
Rapid footsteps will heal you

O Palestinian, Vietnam is your good luck charm
Victorious she rose from a hundred thousand incursions
The candle is lit and the whole situation was lost
They went back confused, may this happen to you too!!

 


Ahmed Fouad Negm (22 mei 1929 – 3 december 2013)

 

De Nederlandse schrijver en onderwijzer Anne de Vries werd geboren op 22 mei 1904 in Assen. Zie ook alle tags voor Anne de Vries op dit blog.

Uit: Bartje

“En ons wichtjen, dat dood is, een fikse meid zou ’t nou wezen…. As zij maar niet….’ Ja, às – as is verbrande turf. As komt bij de molen te pas. Maar moeder zit dan met tranen in de ogen en zij zucht zó diep, het lijkt of aan haar twee dode kiender nog meer haar hart hangt dan aan de acht, die nog in leven zijn.
Dâ’s gek, vloeken is slecht en tòch moet je voor vader wel eerbied hebben, als hij het doet. Het klinkt zo geweldig als een onweer. Het maakt iets binnen in je helemaal koud en stijf en het zakt zwaar in je benen. Net als wanneer die grote kwaaie hond van boer Berends vlak achter je blaft. Dan wil je graag weglopen en je kunt het niet. Gek is dat!
Och ja, wat is Bartje toch eigenlijk nog maar een klein knulletje, bij vader vergeleken. En bij Gert en Arie ook. Hij hoort nog bij de porken, al is hij dan de ondste van hen. De porken, dat zijn de kleintjes, die nog niet naar school gaan, op wie de groteren minachtend neerkijken en die nog geen recht van meepraten hebben: ‘Hou je stil, jong, ie bent nog maar een pork.’ Nou, dan ben je stil natuurlijk. Want reken eens: Gert kan al op zijn vingers fluiten. En op vaders fiets rijden, met zijn ene been tussen de stangen. En over de sloot springen voor het huis, zonder aanloop, verjoppie! En Arie kan peukjes sigaren roken, die hij bij de weg vindt. Maar als moeder het merkt, draait ze zijn oor om, dat het helemaal rood wordt. Dat is zo raar! Dan heeft hij één rood en één wit oor.
Maar wat kan hij, Bartje? Niet veel. Op zijn kop staan, met de benen tegen de muur. In de appelboom klimmen. En soms, als ’t lukken wil, een beetje fluiten…. Nou, meer eigenlijk niet. Wat is dat nou?…. O ja, èn ’s morgens handig uit bed komen. Slim is hij wel. ‘Ons Bartje is nog een pork, maar hij is een gluipertien,’ vertelt moeder tegen alle mensen, die naar hem vragen. Maar dat moet je wel wezen, anders heb je helemaal niks te vertellen in de wereld. – Pas op, daar komt vader aan.
‘’k Zou wat vortmaken, as ik joe was,’ zegt moeder. Va bromt wat, maar hij haast zich niet. Hij gaat naar buiten, om zich te wassen en Bartje loopt als een hondje met hem mee. Hij houdt bij de pomp vaders pijp vast en reikt hem de handdoek aan.”

 

 
Anne de Vries (22 mei 1904 – 29 november 1964)
Cover

 

De Duitse dichter en politicus Johannes Robert Becher werd geboren in München op 22 mei 1891. Zie ook alle tags voor Johannes R. Becher op dit blog en ook alle tags voor J. R. Becher.

 

Kinderschuhe aus Lublin (Fragment)

Es muss ein Strümpfchen mit sich schleifen,
das wund gescheuert ist am Knie….
Was soll der Zug? Wer kann `s begreifen?
Und diese ferne Melodie….

Auch Schuhchen können weinen, lachen….
Da fährt in einem leeren Schuh
ein Püppchen wie in einem Nachen
und winkt uns wie im Märchen zu.

Hier geht ein Paar von einem Jungen,
das hat sich schon als Schuh gefühlt,
das ist gelaufen und gesprungen
und hat auch wohl schon Ball gespielt.

Ein Stiefelchen hat sich verloren
und findet den Gefährten nicht,
vielleicht ist der am Weg erfroren –
ach, damals fiel der Schnee so dicht….

Ihr heimatlosen, kinderlosen,
wer schickte euch? Wer zog euch aus?
Wo sind die Füßchen all, die bloßen?
Ließt ihr sie ohne Schuh zu Haus?

Der Richter kann die Frage deuten.
Er nennt der toten Kinder Zahl.
….ein Kinderchor. Ein Totenläuten.
Die Zeugen gehen durch den Saal.

Die Deutschen waren schon vertrieben,
da fand man diesen schlimmen Fund.
Wo sind die Kinder nur geblieben?
Die Schuhe tun die Wahrheit kund:

Es war ein harter dunkler Wagen.
Wir fuhren mit der Eisenbahn.
Und wie wir in dem Dunkel lagen,
so kamen wir im Dunkel an.

 

 
Johannes R. Becher (22 mei 1891 – 11 oktober 1958) 
Hier 2e van links tussen Ivo und Margarete Hauptmann, zoon en weduwe van Gerhart Hauptmann in 1946

 

De Nederlandse dichter Kees Winkler werd op 22 mei 1927 in Hoorn geboren. Zie ook alle tags voor Kees Winkler op dit blog.

 

Samen 2

Zo werd het huis voor haar geschikt
haar boeltje werd erin gemikt
het gaat veel meer prozaisch nu
het vlees begeert een andere jus

De gele stoelen zijn gebleven
als horigen van vroeger leven
het nieuwe kussen staat in bloei
naast onbeperkte plantengroei

Vegetatief werd ons bestaan
geen edelvrouw die bedelt aan
het koningschap van mijn geslacht

Wij hebben samen alle macht
geen enkel kind wordt voortgebracht
alleen haar sokjes blijven aan

 

Roos

Een tuinman snoeit de rozen
ik rook een sigaret
en kijk naar het eindeloze
wolkensilhouet

Mijn wilde loten snoei ik
al kijkend naar de lucht
uiterst zelden bloei ik
zonder vloek of zucht

Meestal zijn de wegen
lopende naar het gedicht
dadelijk doodgezwegen
al vóór de lucht gezwicht

Op eenmaal zal ik bloeien
zonder slag of stoot
plots uit mijn vingers groeien
op eenmaal bloei ik dood

 

 
Kees Winkler (22 mei 1927 – 1 april 2004)

 

De Franse schrijver Gérard de Nerval (pseudoniem van Gérard Labrunie) werd geboren in Parijs op 22 mei 1808. Zie ook alle tags voor Gérard de Nerval op dit blog.

Uit: Het treurige beroep van schrijver (Vertaald door Edu Borger)

“Raoul achtte het verstandig zich niet bekend te maken voordat hij het hartje van zijn goede stad bereikt had; hij bedekte zijn snor met een slip van zijn mantel en beval Claude Vignet aan nog even de stralen van zijn apollinische aangezicht onder de neergeslagen vleugel van zijn grijze vilthoed te verbergen.
Na de Saint-Victorpoort gepasseerd te zijn en langs het riviertje de Bièvre gelopen te hebben, waarbij zij door de groenende akkers kwamen, die zich nog lange tijd links en rechts uitstrekten voordat zij de naaste omgeving van het Île de la Cité bereikten, vertrouwde Spifame zijn gunsteling toe dat hij zo’n vermoeiende expeditie zeker nooit ondernomen zou hebben en zich niet voorzichtigheidshalve aan zo’n beschamend incognito onderworpen zou hebben als er voor hem niet een veel gewichtiger belang in het spel was dan dat van zijn vrijheid en zijn heerschappij. De ongelukkige was jaloers! Jaloers om wie? Om de hertogin van Valentinois, Diane de Poitiers, zijn schone maîtresse, die hij al een paar dagen niet meer had gezien en die zich ver van haar koninklijke ridder in het ene na het andere avontuurtje stortte! ‘Geduld,’ zei Claude Vignet, ‘in gedachten scherp ik al martialeske epigrammen die dat lichtzinnige gedrag zullen afstraffen. Maar uw vader Frans zei het reeds: ‘‘Wispelturig is de vrouw…!’’ ’ En aldus redekavelend waren zij reeds de drukke straten van de rechteroever ingelopen en bevonden zij zich al spoedig op een vrij groot plein in de nabijheid van de Onnozele-Kinderenkerk waar het wemelde van de mensen, want het was marktdag.”

 

 
Gérard de Nerval (22 mei 1806 – 26 januari 1855)
Cover

 

De Franse dichter en schrijver Catulle Mendès werd geboren op 22 mei 1841 in Bordeaux. Zie ook alle tags voor Catulle Mendès op dit blog.

 

Oubli

Allez, vieilles amours, chimères,
Caresses qui m’avez meurtri,
Tourments heureux, douceurs amères,
Abandonnez ce cœur flétri !

Sous l’azur sombre, à tire-d’ailes,
Dans l’espoir d’un gîte meilleur,
Fuyez, plaintives hirondelles,
Le nid désormais sans chaleur !

Tout s’éteint, grâce aux jours moroses,
Dans un tiède et terne unisson.
Où sont les épines des roses ?
Où sont les roses du buisson ?

Après l’angoisse et la folie,
Comme la nuit après le soir,
L’oubli m’est venu. Car j’oublie !
Et c’est mon dernier désespoir.

Et mon âme aux vagues pensées
N’a pas même su retenir
De toutes ses douleurs passées
La douleur de s’en souvenir.

 

Exhortation

Être homme ? tu le peux. Va-t’en, guêtré de cuir,
L’arme au poing, sur les pics, dans la haute bourrasque,
Et suis le libre isard aussi loin qu’il peut fuir !

Fais-toi soldat ; le front s’assainit sous le casque.
Jeûnant pour avoir faim et peinant pour dormir,
Sois un contrebandier dans la montagne basque !

Mais, dans nos vils séjours, ne t’attends qu’à vieillir.
Les pleurs mentent ainsi que le rire est un masque ;
Tout est faux : glas du deuil et grelots du plaisir.

Et comme l’eau rechoit, par flaques, dans la vasque,
C’est notre vieux destin qu’en un lâche loisir
Se raffaisse toujours notre volonté flasque

Entre l’ennui de vivre et la peur de mourir.

 


Catulle Mendès (22 mei 1841 – 7 februari 1909)
In 1907

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver en journalist Takis Würger werd geboren in 1985 in Hohenhameln. Zie ook alle tags voor Takis Würger op dit blog.

Uit: Der Club

„Jeden Abend hörte ich ihren Husten durch die Dielen meines Kinderzimmers. Das Geräusch half mir beim Einschlafen. Die Eltern sagten mir, dass der Krebs aufgehört habe zu wuchern, die Bestrahlung, die sie nach der Geburt bekommen hatte, habe gewirkt. Ich merkte mir das Wort »Remission«, obwohl ich nicht wusste, was es hieß. So, wie meine Mutter schaute, als sie es sagte, schien es etwas Gutes. Sie sagte mir, dass sie sterben würde, aber niemand wüsste, wann. Ich glaubte, solange ich keine Angst hatte, würde sie leben.
Ich spielte nie. Ich verbrachte meine Zeit damit, die Welt zu beobachten. An den Nachmittagen ging ich in den Wald und schaute zu, wie die Blätter sich bewegten, wenn der Wind sie berührte. Manchmal saß ich neben meinem Vater an der Werkbank und beobachtete, wie er Eichenholz drechselte, und roch den Duft frischer Späne. Ich umarmte meine Mutter, wenn sie Marmelade aus weißen Johannisbeeren kochte, und horchte an ihrem Rücken, wenn sie hustete.
In die Schule ging ich ungern. Das Alphabet lernte ich schnell, und Zahlen mochte ich, weil sie geheimnisvoll waren, Lieder singen oder Blumen aus Pappe basteln fiel mir schwer.
Als wir im Deutschunterricht anfingen, Geschichten zu schreiben, verstand ich, dass die Schule mir helfen könnte. Ich schrieb Texte, die vom Wald handelten und von den Arztbesuchen meiner Mutter, und die Geschichten machten mir die Welt weniger fremd, sie erlaubten mir, eine Ordnung zu schaffen, die ich nicht sah. Von meinem Taschengeld kaufte ich mir ein Tagebuch und begann, jeden Abend darin zu schreiben. Ich weiß nicht, ob ich ein Streber war, falls ja, war es mir egal.
Es gab verschiedene Gruppen in der Schule: die Mädchen, die Fußballer, die Handballer, die Gitarrenspieler, die Russlanddeutschen, die Jungs, die in den schönen, weißen Häusern am Waldrand wohnten. Ich mochte keinen Ballsport und spielte kein Instrument, ich wohnte nicht in einem der weißen Häuser und sprach kein Russisch. Die Mädchen stellten sich in der Pause zu mir, und als die Jungs aus meiner Klasse das sahen, lachten sie, deswegen versteckte ich mich in den Pausen oft hinter einem Aquarium, wo ich allein war.“

 
Takis Würger (Hohenhameln, 1985)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e mei ook eveneens mijn blog van 22 mei 2017.

Pinksteren II (Willem de Mérode)

Prettige Pinksterdagen!

 

 
De nederdaling van de Heilige Geest door Francesco de Mura, midden 18e eeuw

 

Pinksteren II

Wij smeeken: met Uw Geestes gloed
Verteer ons als een offerande.
O, dit is onze diepe schande
Dat wij zoo koud zijn van gemoed.

Als een versiersel op ons hoofd
Willen we uw stille vlam wel dulden,
O God, vergeef ons onze schulden,
Dit: dat ons hart is uitgedoofd.

Neem weg, het vooze pronkend woord,
Dat U niet kent, ons niet behoort,
Geleend geluk, geborgde schande,

En hoor de oprechte rauwe kreet,
Die scheuren in Uw hemel reet
Verteer ons als een offerande.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 –  22 mei 1939)
Spijk, de geboorteplaats van Willem de Mérode, geschilderd door Ciano Siewert, z.j.

 

Zie voor de schrijvers van de 21e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Gabriele Wohmann, Amy Waldman, Maria Semple, Urs Widmer, Emile Verhaeren, Robert Creeley, Alexander Pope, Tudor Arghezi, Suzanne Lilar

De Duitse schrijfster Gabriele Wohmann werd op 21 mei 1932 in Darmstadt geboren als Gabriele Guyot. Zie ook alle tags voor Gabriele Wohmann op dit blog.

Uit: Ein netter Kerl

„Ach, sagte Nanni, sie seufzte und rieb sich den kleinen Bauch, ach ich bin erledigt, du liebe Zeit. Wann kommt die große fette Qualle denn wieder, sag, Rita, wann denn? Sie warteten alle ab.
Er kommt von jetzt an oft, sagte Rita. Sie hielt den Kopf aufrecht.
Ich habe mich verlobt mit ihm.
Am Tisch bewegte sich keiner. Rita lachte versuchsweise und dann konnte sie es mit großer Anstrengung lauter als die anderen, und sie rief: Stellt euch das doch bloß mal vor: mit ihm verlobt! Ist das nicht zum Lachen!
Sie saßen gesittet und ernst und bewegten vorsichtig Messer und Gabeln.
He, Nanni, bist Du mir denn nicht dankbar, mit der Qualle hab ich mich verlobt, stell dir das doch mal vor!
Er ist ja ein netter Kerl, sagte der Vater. Also höflich ist er, das muß man ihm lassen.
Ich könnte mir denken, sagte die Mutter ernst, daß er menschlich angenehm ist, ich meine, als Hausgenosse oder so, als Familienmitglied.
Er hat keinen üblen Eindruck auf mich gemacht, sagte der Vater.
Rita sah sie alle behutsam dasitzen, sie sah gezämte Lippen. Die roten Flecken in den Gesichtern blieben noch eine Weile. Sie senkten die Köpfe und aßen den Nachtisch.”

 


Gabriele Wohmann (21 mei 1932 – 22 juni 2015)
Cover verhalenbundel

 

De Amerikaanse schrijfster en journaliste Amy Waldman werd geboren op 21 mei 1969 in Los Angeles. Zie ook alle tags voor Amy Waldman op dit blog.

Uit: The Submission

“It’s French, the wallpaper,” the mayor’s aide, his woman on the jury, piped up. “My point being,” Ariana went on, “that gardens aren’t our vernacu-lar. We have parks. Formal gardens aren’t our lineage.” “Experiences matter more than lineages,” Claire said. “No, lineages are experiences. We’re coded to have certain emotions in certain kinds of places.” “Graveyards,” Claire said, an old tenacity rising within her. “Why are they often the loveliest places in cities? There’s a poem—George Herbert—with the lines: ‘Who would have thought my shrivel’d heart / Could have recover’d greennesse?'” A college friend had written the scrap of poetry in a condolence card. “The Garden,” she continued, “will be a place where we—where the widows, their children, anyone—can stumble on joy. My husband . . .” she said, and everyone leaned in to listen. She changed her mind and stopped speaking, but the words hung in the air like a trail of smoke. Which Ariana blew away. “I’m sorry, but a memorial isn’t a grave-yard. It’s a national symbol, an historic signifier, a way to make sure anyone who visits—no matter how attenuated their link in time or ge-ography to the attack—understands how it felt, what it meant. The Void is visceral, angry, dark, raw, because there was no joy on that day. You can’t tell if that slab is rising or falling, which is honest—it speaks ex-actly to this moment in history. It’s created destruction, which robs the real destruction of its power, dialectically speaking. The Garden speaks to a longing we have for healing. It’s a very natural impulse, but maybe not our most sophisticated one.” “You have something against healing?” Claire asked. “We disagree on the best way to bring it about,” Ariana answered.
“I think you have to confront the pain, face it, even wallow in it, before you can move on.” “I’ll take that under consideration,” Claire retorted. Her hand clamped over her wineglass before the waiter could fill it.
Paul could barely track who was saying what. His jurors had devoured the comfort food he had requested—fried chicken, mashed potatoes, brussels sprouts with bacon—but the comfort was scant. He prided him-self on getting along with formidable women—was, after all, married to one—but Claire Burwell and Ariana Montagu together strained him, their opposing sureties clashing like electric fields, the room crackling with their animus. In her critique of the Garden’s beauty, of beauty itself, Pauk sensed Ariana implying something about Claire.”

 

 
Amy Waldman (Los Angeles, 21 mei 1969)

 

De Amerikaanse schrijfster en scenariste Maria Keogh Semple werd geboren op 21 mei 1964 in Santa Monica, Californië. Zie ook alle tags voor Maria Semple op dit blog.

Uit: This One Is Mine

“With enough Ivy League pluck to sit on a dirty sidewalk and not care who saw her? It was done and done. He had to have her. As he stepped forward, she absentmindedly twisted her long hair off her neck. That’s when he first glimpsed the tattoo behind her ear, teasing him from the edge of her hairline. He found it wildly sexy.
But something inside him sank. He knew then there’d be a part of her he’d never possess.
“I’ll get her, I’ll get her, I’ll get her.” Violet threw off the covers and trudged to Dot’s room without looking up. The violets. Those fucking violets.
David headed to the kitchen, comforted by the sounds of the morning: babbling Dot, the hiss of brewing coffee, the crunch of Rice Krispies underfoot. These days, there were two kinds of Rice Krispies, those waiting to be stepped on and those that already had been.
Pffft. He landed on some Krispy dust. “Dada!” Dot shouted. She sat with perfect posture at her miniature wooden table, covered head to toe in croissant flakes, a darling, crusty monster.
“Aww, good morning!” David said, stepping on some Krispy virgins. “That’s what I like to see, my girls!” A carafe of coffee and his newspaper awaited. “Honey,” he said to Violet, “there’s something floating in the Jacuzzi.”
Violet opened the fridge. “What?”
He walked to the window. “It looks like a dead gopher.”
“Then it’s probably a dead gopher.” She rooted around in the fridge. “Ah! There it is.” She tore white butcher paper from a hunk of cheese. At least she still did that for him, got him the good cheese.
“How long has it been there?” David asked.
“Mama, what’s dat?” said Dot.
“It’s cheese, sweetie.” Violet sliced some off.
“Want dat.”
“I’ll get you some. First, I’m making Dada his breakfast.”
“How long has the gopher been there?” David repeated.
“I don’t know. This is the first I’ve heard of it.” Violet placed David’s breakfast on the counter: wheat toast, sheep’ s- milk cheese, sliced apples sprinkled with lemon juice and freshly grated nutmeg”.

 


Maria Semple (Santa Monica, 21 mei 1964)

 

De Zwitserse schrijver Urs Widmer werd geboren op 21 mei 1938 in Basel. Zie ook alle tags voor Urs Widmer op dit blog.

Uit: TOP DOGS

„WRAGE Nein, nein. Die Damen und Herren haben alle der Leitungsebene angehört. “Top Dogs”. Ihre Preisklasse, wenn ich das mal so flapsig sagen darf. Unser Kerngeschäft bleibt die intensive Arbeit mit Klienten wie Ihnen. Deer versteht “wie ihnen”, das heißt wie mit denen da, nickt anteilnehmend. Wir führen sogar das Senior-Executive-Programm, das von Konzernchefs in Anspruch genommen wird. Stellenlos gewordene Persönlichkeiten der Führungsspitze.
DEER Musste ja selber Mitarbeiter entlassen. Als wir das Catering auslagerten, neunzehnzweiundneunzig, haben wir mehr als tausend Stellen abgebaut. Gute Leute, waren zum Teil seit Jahren dabei gewesen. Ist ein menschliches Problem, so was. Andererseits, im Kader, das ist einfach im Anforderungsprofil, so was wegstecken zu können.
WRAGE Ich muss sagen, Herr Deer. Chapeau! Aber eigentlich schüttelt es jeden. Pause. Entscheidend für unsre erfolgreiche Arbeit ist, dass diese immer und in jedem Fall vom ehemaligen Arbeitgeber finanziert wird. Dabei berechnen wir ganz bewusst eine Pauschale und nicht etwa ein Honorar, das sich nach der Vermittlungsdauer richtet. Denn so haben auch wir ein vitales Interesse daran, unsere Klienten schnell zu platzieren. Und optimal. Wir garantieren, sie ins Programm zurückzunehmen, wenn es mit dem neuen Arbeitgeber innerhalb eines Jahres zu Unstimmigkeiten kommen sollte.
DEER vertraulich Denen da geb ich keine Chance. Zu alt, zu unbeweglich, zu teuer.
WRAGE Sagen Sie das nicht. Wir hatten einen Herrn, Mitte fünfzig, der tauchte fünfmal wieder hier auf. Zuerst dachten wir, es liege an uns. Dann, dass es doch an ihm liegen könnte. Aber nein. Heute ist er Direktor eines führenden Touristikunternehmens und verbringt die meiste Zeit an sonnenüberfluteten Sandstränden. Heiterkeit.
DEER Ist bei mir nicht drin, Ferien. Bin ja ursprünglich Maschineningenieur. Workaholic. Dass ich bei der Swissair gelandet bin, an der Front zuerst, dann im Catering, hat sicher damit zu tun. Sechzehnstundentage. Wer beim Catering dabei sein will, muss Tag und Nacht am Ball sein. “Lead, follow or get out of the way”,nicht wahr. Lacht.”

 


Urs Widmer (21 mei 1938 – 2 april 2014)
Scene uit een opvoering in Hildesheim, 2003

 

De Vlaamse dichter Emile Verhaeren werd geboren in Sint Amands op 21 mei 1855. Zie ook alle tags voor Emile Verhaeren op dit blog.

 

Verstilde monniken

Er zijn verstilde monniken die zo zacht kijken
Dat in hun hand rozen en palmen moesten prijken,

Dat er een baldakijn, bleekblauw als ’t hemelblauw
Moest komen, dat men boven hun hoofd dragen zou,

En voor hun voeten die door ’s levens vlakte schrijden
Een zilveren pad dat naar een gouden weg zou leiden;

Door meren, langs rivieren volgden zij hun baan,
Alsof een witte stoet van lelies daar zou gaan.

Die monniken, die kaarslicht dragen in hun zinnen,
Blijven als kinderen de Heilige Maagd beminnen,

Zij staan in vuur en vlam en maken haar bekend
Als ster der zee en luister van het firmament,

Zij laten in de wind haar lofprijzingen horen
Met gulden lippen als van serafijnenkoren,

Zij wijden haar gebeden met zo’n vurigheid
En zo’n verzengend hart, dat zich hun oog verwijdt.

De dienst die zij haar wijden gaat hen zo ter harte
Dat hun geloof de vuren van de hel zou tarten

En dat zij ’s avonds in een liefdesvisioen
De vroomsten loont en hun haar Jezus schenkt als zoen.

 

Vertaald door Paul Claes

 

The Mill

Deep in the evening slowly turns the mill
Against a sky with melancholy pale;
It turns and turns, its muddy-coloured sail
Is infinitely heavy, tired, and ill.

Its arms, complaining arms, in the dawn’s pink
Rose, rose and fell; and in this o’ercast eve,
And deadend nature’s silence, still they heave
Themselves aloft, and weary till they sink.

Winter’s sick day lies on the fields to sleep;
The clouds are tired of sombre journeyings;
And past the wood that gathered shadow flings
The ruts towards a dead horizon creep.

Around a pale pond huts of beechwood built
Despondently squat near the rusty reeds;
A lamp of brass hung from the ceiling bleeds
Upon the wall and windows blots of gilt.

And in the vast plain, with their ragged eyes
Of windows patched, the suffering hovels watch
The worn-out mill the bleak horizon notch, –
The tired mill turning, turning till it dies.

 

Vertaald door Jethro Bithell

 


Emile Verhaeren (21 mei 1855 – 27 november 1916)
“La lecture”. Portret van Emile Verhaeren door Constant Montald, 1908

 

De Amerikaanse dichter Robert Creeley werd geboren op 21 mei 1926 in Arlington, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Robert Creeley op dit blog.

 

Myself

What, younger, felt
was possible, now knows
is not – but still
not changed enough –

Walked by the sea,
unchanged in memory –
evening, as clouds
on the far-off rim

of water float,
pictures of time,
smoke, faintness –
still the dream.

I want, if older,
still to know
why, human, men
and women are

so torn, so lost,
why hopes cannot
find better world
than this.

Shelley is dead and gone,
who said,
‘Taught them not this –
to know themselves;

their might could not repress
the mutiny within,
And for the morn
of truth they feigned,

deep night
Caught them ere evening…’

 

America

America, you ode for reality!
Give back the people you took.
Let the sun shine again
on the four corners of the world

you thought of fast but do not
own, or keep like a convenience.

People are your own word, you
invented that locus and term.

Here, you said and say, is
where we are. Give back

what we are, these people you made.
us, and nowhere but you to be.

 


Robert Creeley (21 mei 1926 – 30 maart 2005)

 

De Engelse dichter Alexander Pope werd geboren in Londen op 21 mei 1688. Zie ook alle tags voor Alexander Pope op dit blog.

 

The Rape of the Lock: Canto 1 (Fragment)

Oft, when the world imagine women stray,
The Sylphs through mystic mazes guide their way,
Thro’ all the giddy circle they pursue,
And old impertinence expel by new.
What tender maid but must a victim fall
To one man’s treat, but for another’s ball?
When Florio speaks, what virgin could withstand,
If gentle Damon did not squeeze her hand?
With varying vanities, from ev’ry part,
They shift the moving toyshop of their heart;
Where wigs with wigs, with sword-knots sword-knots strive,
Beaux banish beaux, and coaches coaches drive.
This erring mortals levity may call,
Oh blind to truth! the Sylphs contrive it all.

Of these am I, who thy protection claim,
A watchful sprite, and Ariel is my name.
Late, as I rang’d the crystal wilds of air,
In the clear mirror of thy ruling star
I saw, alas! some dread event impend,
Ere to the main this morning sun descend,
But Heav’n reveals not what, or how, or where:
Warn’d by the Sylph, oh pious maid, beware!
This to disclose is all thy guardian can.
Beware of all, but most beware of man!”

He said; when Shock, who thought she slept too long,
Leap’d up, and wak’d his mistress with his tongue.
‘Twas then, Belinda, if report say true,
Thy eyes first open’d on a billet-doux;
Wounds, charms, and ardors were no sooner read,
But all the vision vanish’d from thy head.

And now, unveil’d, the toilet stands display’d,
Each silver vase in mystic order laid.
First, rob’d in white, the nymph intent adores
With head uncover’d, the cosmetic pow’rs.
A heav’nly image in the glass appears,
To that she bends, to that her eyes she rears;
Th’ inferior priestess, at her altar’s side,
Trembling, begins the sacred rites of pride.

 


Alexander Pope (21 mei 1688 – 30 mei 1744)
Borstbeeld door Michael Rysbrack, midden 18e eeuw

 

De Roemeense dichter en schrijver Tudor Arghezi werd geboren op 21 mei 1880 in Boekarest. Zie ook alle tags voor Tudor Arghezi op dit blog.

 

Mount Of Olives

Mount with heaven-pointed peak,
Steady in blue dream.
Beaten by ancient hate
With chain whips
The flattened plain, hungry for height,
Watches its chance to rise above you,
Bring you the dust
Roused by flocks and clumps of men.
Mount, censers of springs,
Altar of hawks, house of suns,
Denying the brief flower
Drunk with its fragrance –
You at the margin of great mysteries
Are a sign of lasting power,
Irremedial life,
Most hemmed-in of stars!
Our soul, flimsy and poor,
Knows nothing of springs and harvests.
Our hope wanders among us,
Leaves its faint track in the mud,
A wheel with gold spokes.

 

Zwischen zwei Nächten

Ich habe die scharfe Schaufel in der Stube bei mir eingestochen.
Draußen schlug der Wind an. Draußen war Regen.

Und ich habe die Stube bei mir tief in die Erde aufgegraben.
Draußen schlug der Regen an. Draußen war Wind.

Ich habe die Erde aus der Grube durchs Fenster geworfen.
Die Erde war schwarz, sein Vorhang blau.

Vor den Scheiben ist die Erde aufgestiegen, bis oben hin.
Wie die Welt, so hoch war der Gipfel, und auf dem Gipfel weinte Jesus.

Beim Graben ist die Schaufel kaputtgegangen. Der sie schartig werden ließ, sieh an,
mit steinhartem Gebein war das doch der Vater selbst.

Und ich bin durch die Zeiten dahin zurückgekommen, wo ich hinabgestiegen war,
und in der leeren Stube habe ich mich wieder gegraust.

Und da habe ich hinaufsteigen wollen und auf dem Gipfel sein.
Ein Stern war in den Himmeln. Im Himmel war es spät.

 

Vertaald door Hartmut Köhler

 


Tudor Arghezi (21 mei 1880 – 14 juli 1967)

 

De Vlaamse schrijfster Suzanne Lilar werd geboren als Suzanne Verbist in Gent op 21 mei 1901. Zie ook alle tags voor Suzanne Lilar op dit blog.

Uit: Une enfance gantoise

« Parce que Maman était amoureuse de Gand presque autant que de mon père, elle me promenait tantôt à la cour du Prince et tantôt au Rabot. Ces hauts lieux empruntaient l’un et l’autre à la mythologie. Du premier où Charles Quint était né, conférant à notre cité sa dignité impériale, ne subsistait qu’un passage voûté qui me faisait rêver, car je m’efforçais d’accorder son exiguïté à la magnificence du palais disparu. Quant au second, qui avait conservé ses grosses tours se mirant dans la Liève et sa façade à redans, c’est aux fonctions pourtant modestes qu’y exerçait mon père qu’il devait son prestige. Cet ouvrage militaire du xve siècle avait en effet donné son nom à une gare qu’il surplombait de son architecture massive — gare qui n’était même pas gare de voyageurs et dont mon père était le chef. Maman n’avait pas eu de peine à m’enseigner l’honneur qu’il y avait à occuper ce poste. J’en sentais tout le poids lorsque j’étais admise à pénétrer dans le bureau de mon père, grisée d’avance de l’odeur poussiéreuse et administrative des liasses où jaunissaient probablement ses rapports. Mais rien ne me plaisait comme de le surprendre dans l’exercice de ses fonctions. Maman me l’accordait pour récompense. Je mettais ma main dans la sienne, toujours si doucement gantée. Nous prenions le chemin de la rue du Poivre et du béguinage Sainte-Elisabeth. Bientôt m’apparaissaient les tours du Rabot. Nous nous placions un peu à l’écart de façon à observer mon père sans en être vues. D ne tardait pas à se montrer. La tête crânement coiffée du képi de chef de gare, galonné d’or, il dirigeait, d’un ordre bref ou d’un coup de sifflet impératif, la répartition et le mouvement des convois. Je le regardais aller et venir, organiser une manoeuvre, ajouter ou déplacer une rame, donner le départ à une locomotive haletante et qui crachait de grands jets de vapeur. Je le trouvais grandiose. Je comprenais ma mère. Il était l’homme qui commandait au monstre. J’adhérais sans effort au culte familial.”

 

 
Suzanne Lilar (21 mei 1901 – 12 december 1992)
In de jaren 1960

Pinksteren I (Willem de Mérode)

 

Prettige Pinksterdagen!

 

 
Pinksteren. Atelier van Bernard van Orley, 1520-25

 

Pinksteren I

Ze wisten niet, dat God kan bloeien
Uit mannen zoo verweerd en grauw,
En dat zijn Geest een vale vrouw
Gelijk een versche roos doet gloeien;
Dat stemmen, heesch van weer en wind
En schettrend op de vingers gillen,
zóó teêr de harten kunnen stillen
En koestren als een moeder ’t kind.

Dan, in het kijfgejoel van dwaze
Vermoedens, slingerde een de fraze:
‘Ze baaz’len wijl ze dronken zijn’.
Maar Petrus sprak, en met vervaren
Gevoelden vélen dat zij waren
Zelf vol van dezen heilgen wijn.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 –  22 mei 1939)
Het Groningse dorp Spijk, de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 20e mei ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Tommy Wieringa, Auke Hulst, Ellen Deckwitz, Jeroen Thijssen, Maurits de Bruijn, Gerrit Achterberg, Annie M.G. Schmidt, Sky du Mont

De Nederlandse schrijver Tommy Wieringa werd geboren in Goor op 20 mei 1967. Zie ook alle tags voor Tommy Wieringa op dit blog.

Uit: De heilige Rita

“Paul Krüzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd. De stronk op het hakblok spleet maar barstte niet uit elkaar. Vogels die in de bomen beschutting hadden gezocht voor de nacht, vluchtten in de schemering. Door het onderhout schoten woest kwetterende merels. Paul Krüzen liet de bijl weer neerkomen, telkens opnieuw, tot het stuk eiken in tweeën brak. Toen werd het gemakkelijker. De stukken vlogen in het rond. Houtsnippers overal, lichtvlekken op de bosgrond. De bijl het werk laten doen, had zijn vader hem lang geleden geleerd, maar hij hield er juist van om kracht uit te oefenen.
Een paar bleke sterretjes verschenen aan de hemel. Diep daaronder, op de open plek in het bos, zwaaide de demon met zijn bijl. Hij liet hem knallen als een zweep. Blokken tolden door de lucht. De beuken rondom, sterk en glad als jongensarmen, rilden onder het geweld.
Dit was zijn leven, hij zette hout neer en kloofde het. Zijn hemd plakte aan zijn lijf. Steken in zijn onderrug. Elke klap was raak. Hij deed dit al zo lang, alles met afgemeten, bedwongen haast. Hij moest zweten, het moest pijn doen.
Hij haalde een deoroller langs zijn oksels en trok een schoon ruitjeshemd aan. ‘Ben ervandoor,’ zei hij tegen zijn vader, die zat te lezen onder de lamp.
De avond was fris, er hing een zweem van bleekselderij boven het gras. Met het autoraam open reed hij naar het dorp. Drie steile drempels telde de weg. Verkeersdrempels en rotondes waren een teken van vooruitgang, van een opgeschroefd levenstempo dat afgeremd moest worden, ook in Mariënveen, waar de knuppels zich bijwijlen doodreden in het weekeinde. Eens in de paar jaar zat Paul Krüzen rechtop in bed door de klap, de sirenes en de jankende kettingzagen een tijdje later; de spookachtige weerschijn op de eiken in de bocht van de weg. De volgende morgen zag hij dat er weer een hap uit de bast genomen was. De laatste jaren plaatsten nabestaanden er soms bloemen en foto’s bij.
Paul stopte bij Hedwiges Geerdink voor. Hij belde aan en ging weer in de auto zitten, het portier open. Hij had geen gedachten. Begin juni, het laatste licht aan de westelijke horizon. Even later schoof Hedwiges naast hem. ‘Goedenavond altezaam,’ zei zijn vriend met zijn hoge stem. Twee stemmen had Hedwiges in zich, je wist nooit welke er kwam: zijn hoge piepstem of zijn lage, hese borststem. Wie dat voor het eerst hoorde, zag hem op slag in twee mensen uiteenvallen: hoge Hedwiges en lage Hedwiges. Bakkers Hedwig, zoals ze hem op het dorp noemden. Pietje Piep.”

 

 
Tommy Wieringa (Goor, 20 mei 1967)

 

De Nederlandse schrijver, journalist en muzikant Auke Hulst werd geboren in Hoogezand-Sappemeer, op 20 mei 1975. Zie ook alle tags voor Auke Hulst op dit blog.

Uit: Motel Songs

“De reis begon toen mijn vriendin me verliet. Er waren, in de woorden van Joni Mitchell, geen ‘petty wars / that shell shock love away’, maar ze had goede redenen. Ik was afwezig: fysiek, voor reisverhalen, een tv-serie en research, maar ook mentaal. Er is iets inherent kwaadaardigs aan schrijvers: ze achten hun papieren wereld belangrijker dan de echte, waarop de papieren een reactie is.
Een roman schrijven betekent in een parallelle wereld leven, waarin je niet alleen rondstapt wanneer je achter je bureau zit, maar ook wanneer je in de Albert Heijn staat te dubben tussen Wokkels en Hamka’s. Dat is zelfgericht, ik weet het, want je verdwijnt in een gedachteleven waartoe anderen nauwelijks toegang krijgen. Tot het boek er is – dan is het van iedereen. Ik denk dat menig schrijver
schrijft over het onuitsprekelijke, waardoor slechts schijncontact mogelijk is via het werk, hun papieren huid.
We woonden al een tijdje niet meer bij elkaar omdat mijn werk te aanwezig was, het appartement te klein. Die afstand bleek niet afdoende. De ochtend nadat ik thuis was gekomen van de laatste draaidag van Von Amsterdam nach Odessa (arte) barstte de bom met de tederst denkbare ontploffing.
Hoewel het besluit me ergens opluchtte, vreesde ik het zwarte gat.
De breuklijnen in het leven, wanneer een nieuwe koers en een nieuw equilibrium gevonden moeten worden, zijn voor de opgewekten onder ons al riskant, en ik behoor niet tot die groep. Dus besloot ik het leven ferm bij de horens te vatten. De volgende dag al boekte ik een open jaw-ticket naar Amerika: vliegen op Philadelphia, terug vanuit San Francisco. Ik hou van de vs en zijn eindeloze wegen, terwijl zij een hekel had aan alles wat Amerikaans was. Nu gaan was een daad van liefde én verzet.
Toen ik een halfjaar later onderweg was, trof ik deze woorden in William Least Heat-Moons Blue Highways, dat verhaalt over een trip over de B-wegen van de States: ‘Pas op voor gedachten die ’s nachts opkomen. Ze zijn ongericht; ze komen zijdelings op je af, onlogisch en niet te stuiten, opstijgend uit de diepste bronnen.”

 

 
Auke Hulst (Hoogezand-Sappemeer, 20 mei 1975)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Ellen Deckwitz werd geboren op 20 mei 1982 in Deventer. Zie ook alle tags voor Ellen Deckwitz op dit blog.

 

Nevel gumt alles boven de grasvlakte uit

Nevel gumt alles boven de grasvlakte uit
en stilte trekt op als slaap. Geruisloosheid

zoals thuis, daar zijn bleke dames.
Ze dragen dolle kervel in hun haren, ze kolken
beneden je stuur. Flarden komen op

als een steigerend ros. In de verte zie je dat
boven in de mist een luikje opengaat.
Een mensje eruit staart. Het nog even zwaait.

 

Over schedels

Ik ben tien en heb geen idee
waar vrouwen worden gekweekt. Hoe ik moet
uitharden als tantes die langs de velden hollen,
aansteker in de ene hand, tampon in de andere.

Ik val vaak en zing als ik omhoog kom:
Onder mijn haar draag ik mijn schedel.
Onder mijn schedel draag ik mijn geloof.

Telkens worden ze vernieuwd, mijn knieën,
hoe hard ik zo ook schaaf. Ik bedenk me
dat vers vlees alleen het gevolg kan zijn van een flinke
smak.

Mijn nichten nemen toe in omvang. We hopen het
meer te zijn dan een magere combinatie
van skelet en schaamte.

Onder mijn geraamte draag ik een baarmoeder,
tjokvol rijpe stokken, om meisjes te telen.

Ze zeggen dat vrouwen geen mannen zijn.
Dat mannen meisjes zijn die wachten
op hun eerste menstruatie.

Ik schud mijn losse lokken.
Daaronder draag ik een schedel.

Ze vragen waarom heb je nog geen hoofddoek
terwijl je allang bloedt. Ik antwoord dat onder
mijn haar, een schedel zit, onder die schedel
zit mijn hoofddoek,

het gaat niet over hoe hard ik ook zing.

 

 
Ellen Deckwitz (Deventer, 20 mei 1982)

 

De Nederlandse schrijver Jeroen Thijssen werd geboren op 20 mei 1959 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Jeroen Thijssen op dit blog.

Uit: Hazer

“Hij staarde omhoog langs de gevel van het oude politiebureau, die raam na raam tot aan de hemel leek te lopen. Links en rechts staken balkonnetjes uit, tinnen pinakels piekten hoog boven het plaveisel.
Weer belde hij. Weer klonk het harde rinkelen in een grote ruimte. Van ver weg kwamen voetstappen aan, steeds dichterbij. De grote blauwe deur ging krakend open.
‘Hij zit niet op slot,’ zei de jongen die opendeed. Licht vlas wuifde om zijn kin, donkere ogen scholen onder zware richels vol haar.
‘Ik zoek een kamer,’ zei Rogier.
De jongen trok de deur verder open.
‘Kom binnen,’ zei hij. ‘Ik ben Marcel.’
Een koele golf lucht, beladen met de geur van grote ruimten, muf als uit een kelder, schimmelig en vol vocht, wreef Rogiers gladde wangen – hij had zich speciaal geschoren om een goede indruk te maken.
‘Dit is de grote hal,’ zei Marcel.
Gekraak klonk en geritsel: aan weerszijden van de deuren stonden twee enorme, dode palmen, hun dorre bladeren bewogen in de tocht. Twee trappen liepen van de granito vloer in een vierkante spiraal omhoog, leken elkaar te naderen en weken dan weer tot ze ergens boven het dagelijks leven zomaar ophielden tegen een daklicht dat, hoewel klein van hieraf bezien, op die hoogte enorm moest zijn. Het zonlicht kleurde grijs in de matglazen panelen.
‘Wacht hier,’ zei Marcel en hij verdween door klapdeuren aan de overkant. Na een ogenblik keerde hij terug met een soort dwerg: een breedgeschouderd mannetje dat niet hoger kwam dan Rogiers schouders. Lange haren slierden om zijn kalende hoofd, een baard groeide tot zijn ogen, een ketting van houten kralen bloeide op een paarse bloes.
‘Ha vogel,’ zei de kabouter. ‘Ik ben Ernst. Wie ben jij?’
‘Ik ben Rogi,’ stotterde Rogier en hij zweeg. Het was een verspreking, maar een freudiaanse. ‘En ik zoek een kamer,’ zei hij.
De kabouter hield zijn hoofd scheef. Zijn blik zakte van Rogiers kruin, langs zijn geschoren wangen, zijn rode bloes en blauwe spijkerbroek tot aan zijn basketballers.
‘Kamers genoeg,’ zei hij. ‘Zoek maar een mooie uit. Welkom in de Hazer.’ Hij draaide zich om.”

 

 
Jeroen Thijssen (Haarlem, 20 mei 1959)

 

De Nederlandse schrijver en journalist Maurits de Bruijn werd geboren op 20 mei 1984 in Delft. Zie ook alle tags voor Maurits de Bruijn op dit blog.

Uit: Broer

“Ik houd van dit huis. De eerste plek waar ik zonder mijn ouders woonde, waar ik zonder Broer leefde. Waar ik met jongens het bed deelde. Waar ik echte vrienden maakte. Waar ik zomaar een dag thuisbleef. Elke kamer is leeg, op de woonkamer en één van de slaapkamers na. Alsof het huis die leegte nodig heeft, alsof de leegte eenzelfde noodzakelijkheid kent als de meubels. Alle muren zijn leeg en wit, en dat maakt dat dit niet de plek is die je bij mij zou verwachten.
In dit huis vergeet je dat het wordt omringd door andere huizen, dat er zeven huizen rechts van dit huis zijn, en vier links. Dat er een galerij is voor het huis. Dat er zeven verdiepingen onder het huis zitten en vijf boven dit huis.
Dit huis stelt zich aan je voor. Ik kijk een hoek in, de bank staat verkeerd. Het was mooi geweest als je door het raam naar buiten had kunnen kijken, naar de vele bomen, de kleine haven, een stuk van de plas. Dit noemt men het getto van Amsterdam.
Het huis is overzichtelijk. Maar nog overzichtelijker dan de kamers, de grote gang en de vele ramen, is de buitenwereld die door die ramen te zien is. Zo helder ingedeeld dat zij onecht lijkt. Dat er geen mensen in thuis lijken te horen en alle voorbijgangers opvallen. De wereld lijkt van bovenaf plat. Het benzinestation heeft de vorm van een simkaart, het grasveld lijkt op een fruitschaal. De bomen van het park staan in een rechthoek, geflankeerd door straatlantaarns die elke dag te vroeg aanspringen.
Ik heb het huis niet meer nodig, maar dat heeft het nog niet door. Ik bedenk dat ik dit jaar geen dertig word, niet ga trouwen, geen kind heb verwekt, geen baas heb, geen tandartsverzekering. Ik bekijk mijn huis vanaf de straat. Ik moet het zoeken op achthoog. Het gebouw lijkt op een schip. Veel te groot, zoals dat ging in de jaren zestig.”

 

 
Maurits de Bruijn (Delft, 20 mei 1984)

 

De Nederlandse dichter Gerrit Achterberg werd geboren in Nederlangbroek op 20 mei 1905. Zie ook alle tags voor Gerrit Achterberg op dit blog.

 

Droomlot

Je toonde me vannacht de kamers weer;
geheel dezelfde. ’t Werd de eerste keer
dat ik ze zag van duizend malen meer.
Jij was toen nog mevrouw en ik meneer.

We stonden waar wij later zouden leven.
Er was nog niets over ons heen geweven.
Zo is het tussen ons een tijd gebleven
en daarna kwam je voornaam op een keer.

In deze doodsslaap heb ik terug gekund
door andere adressen voor te geven
en weg te gaan eer ik ontwaken zou.

Dan was ik nu misschien handelsagent
of bij mijn vader op het dorp gebleven
en trouwde later een gewone vrouw.

Maar nu ik wakker ben is om het even
wat op die drempel wankelde en wou
en heeft het noodlot mij geen stap gegund.

 

Liberty

Soms, in een etalage, komt gij voor,
tussen geslachtgenoten opgesteld.
beskleed met nieuwe kleren en vermeldt
het kaartje op uw borst de prijs waarvoor.

Dan weet ik weer hoeveel ik u behoor.
Het enige wat in mijn leven geldt
wordt binnen op de toonbank neergeteld.
Wij gaan er samen voor een uur vandoor.

’s Avonds na zessen is de winkelruit
van binnen manshoog met een doek bespannen.
Gij komt er met uw ogen bovenuit.

Vale personen maken zich gereed
de boze geesen bij u uit te bannen,
opdat geen pop zich met een man vergeet.

 

Eine Kleine Nachtmusik

Terwijl hij onder de vleugel sliep
alsof geen morgen hem meer riep,
begonnen zacht op ’t wit en zwart
van ’t doodstil glanzend mechaniek
de snelle maten van het lied
dat in zichzelf verdronken sliep,
dat in zichzelf verzonken zag
naar wie het riep
met klare, jubelende kracht.

Haastig en diep gelukkig schiep
Mozart zijn kleine nachtmuziek.

 


Gerrit Achterberg (20 mei 1905 – 17 januari 1962)
Hommage aan Gerrit Achterberg. Bronzen beeld in Noordwijk door Willem Berkhemer

 

De Nederlandse schrijfster en dichteres Anna M G Schmidt werd op 20 mei 1911 geboren in Kapelle. Zie ook alle tags voor Annie M.G. Schmidt op dit blog.

 

Het fluitketeltje

Meneer is niet thuis en mevrouw is niet thuis,
het keteltje staat op het kolenfornuis,
de hele familie is uit,
en het fluit en het fluit en het fluit: túúúút

De pan met andijvie zegt: Foei, o, foei!
Hou eindelijk op met dat nare geloei!
Wees eindelijk stil asjeblief,
je lijkt wel een locomotief.

De deftige braadpan met lapjes en zjuu
zegt: Goeie genade, wat krijgen we nu?
Je kunt niet meer sudderen hier,
ik sudder niet meer met plezier!

Het keteltje jammert: Ik hou niet meer op!
Het komt door m’n dop! Het komt door mijn dop!
Ik moet fluiten, zolang als ik kook
en ik kan het niet helpen ook!

Meneer en mevrouw zijn nog altijd niet thuis
en het keteltje staat op het kolenfornuis,
het fluit en het fluit en het fluit.
Wij houden het echt niet meer uit… Jullie?

 

De brievenbus wou niet meer

Er was er ’s een brievenbus, die op een pleintje stond,
een mooie roje brievenbus; hij had een open mond,
daar gingen alle brieven in, de hele dag maar door
en nu en dan kwam er een man van ’t grote postkantoor,
die haalde dan de brieven uit die brievenbus z’n buik,
en deed ze in een grote zak. O, jongens ’t ging zo puik.

Maar gisteren zei die brievenbus: Nou wil ik het niet meer,
ik heb er schoon genoeg van, leg de brieven daar maar neer.
Hij deed z’n mond dicht met een klap en deed ‘m niet meer open
en alle mensen kwamen daar met brieven aangelopen,
ze riepen: Kijk, de bus is dicht, hoe komt dat nou, zeg hee!
Hee, doe je mond ‘ns open! Maar de brievenbus zei: Nee.

Toen kwam de directeur, de directeur van ’t postkantoor,
die kwam al met een hamer en een beitel en een boor,
maar wat hij ook probeerde, het hielp allemaal geen steek,
de brievenbus bleef dicht en werd alleen een beetje bleek.

Maar toen kwam kleine Petertje en zei: O, asjeblief,
doe nou je mond eens open, want ik heb zo’n mooie brief!
En als je ’t niet voor mij doet, doe het dan voor deze dame!
En toen begon de brievenbus zich vreselijk te schamen.

Hij werd nog roder dan tevoor, en riep: Pardon, pardon…
hij deed zijn mond wijd open, zeg, zo wijd als hij maar kon.
De mensen dansten om hem heen, en al die mensen zeien:
Jij bent de beste brievenbus van heel de posterijen.

 

 
Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)

 

De Duitse schrijver en acteur Sky du Mont (eigenlijk Cayetano Neven du Mont) werd geboren op 20 mei 1947 in Buenos Aires, Argentinië. Zie ook alle tags voor Sky du Mont op dit blog.

Uit: Full House. Liebeserklärung an die Chaosfamilie

»Mein Benni ist der beste Handwerker mit zwei linken Händen, den es gibt.« Alles lacht — außer mir. »Ich bin gar kein Handwerker, Schatz, ich arbeite mit dem Kopf.« Sie beugt sich zu ihrer Freundin und gluckst: »Neulich hat er mir so einen Schreck eingejagt, weil er mal wieder eine Lampe angeschraubt hat und vergessen hatte, die Sicherung rauszudrehen …«
»Ich hatte dich darum gebeten …« »Jedenfalls steht er da oben auf der Leiter, und du müsstest ihn mal auf einer Leiter stehen sehen …« Lautes Lachen, die Freundin kichert schon vor der Pointe. »Hantiert da mit so einem Schraubending rum.« »Schraubenzieher, Schatz.« »Und auf einmal, bzzzzzz, ich dachte, ich falle gleich in Ohnmacht. Und dann kippt er, das hättest du sehen müssen, mit der Leiter wie in Zeitlupe aufs Sofa. Aufs Sofa!« Quieken und Quietschen zweier völlig ausgetickter Frauen, die sich über das Schicksal eines armen Elektro-Amateurs einen Affen lachen. Ich gebe zu, ich war etwas verschnupft. »Du hattest mich gebeten, die Lampe auszutauschen.« »Ich weiß doch, wie gern du dich als Handwerker ausgibst, mein kleiner Bob der Baumeister.«
Aber es waren nicht nur die handwerklichen Fähigkeiten, die mir plötzlich abverlangt wurden. Nein, auf einmal wurde mir klar, was Bea von meinem Einrichtungsstil hielt, zumindest was die Gestaltung unseres neuen Heims betraf. Während wir Männer bekanntlich eher zu kühlen Farben und glatten Formen tendieren, also Schwarz und Chrom, Lack und Leder, gilt so was bei Frauen meist nur für das Outfit. Was die Wohnung betrifft, sind die meisten aus der Schneewittchen-Phase nie herausgekommen. Und damit meine ich nicht den Glassarg, der ja im Zweifel einen top Wohnzimmertisch abgeben würde. Entweder, sie tendieren zu Plüsch und Blümchen und wollen am liebsten den ganzen Laura-Ashley-Laden leer kaufen, oder sie richten die Wohnung ein, als müssten sie es richtig gemütlich für die sieben Zwerge machen. Das nennt sich dann Landhaus-Stil. Aber glauben Sie nicht, dass Sie da mit Gummistiefeln reindürfen. Im Gegenteil: Der Mann soll zwar zur Einrichtung passen, aber nur in dekorativer Hinsicht. Wenn Ihre Frau karierte Vorhänge bestellt, sehen Sie sich vor: Demnächst werden Sie zu Tweed-Jacken gedrängt. Cord-Sofa?“

 

 
Sky du Mont (Buenos Aires, 20 mei 1947)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Honoré de Balzac, William Michaelian, Wolfgang Borchert, Hector Malot, Ingvar Ambjørnsen, A.C. Cirino, Hanna Krall, Sigrid Undset

De Franse schrijver Honoré de Balzac werd geboren in Tours op 20 mei 1799. Zie ook alle tags voor Honoré de Balzac op dit blog.

Uit: Het levenselixir (Vertaald door Anton Haakman)

“In een prachtig paleis te Ferrara onthaalde Don Juan Belvidero op een winteravond een hertog uit het huis Este. In die tijd was een feest een schitterend schouwspel dat alleen rijke koningen of machtige heren konden aanrichten. Zeven vrolijke vrouwen rond een door geparfumeerde kaarsen verlichte tafel voerden aangename gesprekken omringd door bewonderenswaardige witmarmeren meesterwerken die zich aftekenden tegen de rood gestucte wanden en contrasteerden met de kostbare Turkse tapijten. Zij waren gekleed in satijn, schitterden van het goud en waren overladen met edelstenen, die minder flonkerden dan hun ogen, en ze vertelden allemaal over hartstochten die hevig waren, maar onderling evenzeer verschilden als hun charmes. Hun taal en ook hun ideeën waren niet zo verschillend; hun manieren, een blik, een paar gebaren of een accent voorzagen hun woorden van libertijns, wellustig, melancholiek of spottend commentaar.
De ene scheen te zeggen: ‘Mijn schoonheid kan het ijskoude hart van een grijsaard verwarmen.’
De andere: ‘Ik blijf liever op de kussens liggen, om in een roes te denken aan al die mannen die mij aanbidden.’
Een derde, die voor het eerst zo’n feest meemaakte, bloosde een beetje: ‘Diep in mijn hart voel ik wel wat wroeging!’ zei ze. ‘Ik ben katholiek en ik ben bang voor de hel. Maar ik vind jullie zo aardig, zo verschrikkelijk aardig, dat ik de eeuwigheid voor jullie over heb.’
De vierde riep, na het ledigen van een kelk wijn uit Chios:
‘Leve de vrolijkheid! Elke keer dat de zon opkomt begin ik een nieuw leven! Ik vergeet het verleden, ben nog ondersteboven van de schok van de vorige dag, en geniet elke dag van een leven van geluk, een leven vol liefde!’
De vrouw die naast Belvidero zat, keek hem aan met vurige ogen. Zij was nogal zwijgzaam. ‘Ik zou me niet verlaten op bravi om mijn minnaar te vermoorden als hij me in de steek liet!’ Daarna had ze gelachen, maar haar krampachtige hand brak een wonderbaarlijk mooie, met bewerkt goud versierde bonbonschaal.
‘Wanneer word je groothertog?’ vroeg de zesde aan de hertog, terwijl haar tanden moordend plezier en haar ogen een delirium als van een bacchante uitdrukten.”

 


Honoré de Balzac (20 mei 1799 – 18 augustus 1850)
Borstbeeld door Emile Hébert, 1877

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Michaelian werd geboren op 20 mei 1956 in Dinuba, Californië. Zie ook alle tags voor William Michaelian op dit blog.

 

Short Poem for Spring

The first rose — so red
even the light is surprised

and you are humming
as I follow you

through the room.

 

Drought

Over the farm equipment show,
and the lot where old oaks once had been,
clouds, but no rain : clouds, that in their color
pass as dust : dust, and a mournful breakfast scent
from the edge of town : town, where the first
early haircut is done, the slap of lotion
on : on, in a truck that smells like
last year’s straw : straw,
or a barn floor bed
with your girl
gone.

 

 
William Michaelian (Dinuba,  20 mei 1956)
Dinuba, Californië

 

De Duitse dichter en schrijver Wolfgang Borchert werd geboren op 20 mei 1921 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Wolfgang Borchert op dit blog.

Uit: Draußen vor der Tür

„BECKMANN: Du bist kein Straßenfeger? Was bist du denn?
STRASSENFEGER: Ich bin ein Angestellter der Beerdigungsunternehmens Abfall und Verwesung.
BECKMANN: Du bist der Tod! Und du gehst als Straßenfeger?
STRASSENFEGER: Heute als Straßenfeger. Gestern als General. Der Tod darf nicht wählerisch sein. Tote gibt es überall. Und heute liegen sie sogar auf der Straße. Gestern lagen sie auf dem Schlachtfeld – da war der Tod General und die Begleitmusik spielte Xylophon. Heute liegen sie auf der Straße, und der Besen des Todes macht Kchch – Kchch.
BECKMANN: Und der Besen des Todes macht Kchch – Kchch. Vom General zum Straßenfeger.
Sind die Toten so im Kurs gesunken?
STRASSENFEGER: Sie sinken. Sie sinken. Kein Salut. Kein Sterbegeläut. Keine Grabrede. Kein Kriegerdenkmal. Sie sinken. Sie sinken. Und der Besen macht Kchch – Kchch.
BECKMANN: Mußt du schon weiter? Bleib doch hier. Nimm mich mit, Tod, Tod – du vergiß mich ja – Tod!
STRASSENFEGER: Ich vergesse keinen. Mein Xylophon spielt Alte Kameraden, und mein Besen macht
Kchch – Kchch – Kchch. Ich vergesse keinen.
BECKMANN: Tod, Tod, laß mir die Tür offen. Tod, mach die Tür nicht zu. Tod –
STRASSENFEGER: Meine Tür steht immer offen. Immer. Morgens. Nachmittags. Nachts. Im Licht
und im Nebel. Immer ist meine Tür offen. Immer. Überall. Und mein Besen macht Kchch – Kchch.
(Das Kchch – Kchch wird immer leiser, der Tod geht ab.)“
BECKMANN: Kchch — Kchch. Hörst du, wie meine Lunge rasselt? Wie der Besen eines Straßenfegers. Und der Straßenfeger lässt die Tür weit offen. Und der Straßenfeger heißt Tod. Und sein Besen macht wie meine Lunge, wie eine alte heisere Uhr: Kchch — Kchch — Kchch
DER ANDERE: Beckmann, steh auf, noch ist es Zeit. Komm, atme, atme dich gesund.
BECKMANN: Aber meine Lunge macht doch schon —
DER ANDERE:: Deine Lunge macht das nicht. Das war der Besen, Beckmann, von einem Staatsbeamten.
BECKMANN: Von einem Staatsbeamten?
DER ANDERE:: Ja, der ist längst vorbei. Komm, steh wieder auf, atme. Das Leben wartet mit tausend Laternen und tausend offenen Türen.“

 

 
Wolfgang Borchert (20 mei 1921 – 20 november 1947) 
Scene uit een opvoering in Bochum, 2012

 

De Franse schrijver Hector-Henri Malot werd geboren in La Bouille bij Rouen op 20 mei 1830. Zie ook alle tags voor Hector Malot op dit blog.

Uit: Sans famille

“Alors, en un tour de main, nous nous débarrassions de nos sacs, de nos instruments, et sur la route nous nous mettions à jouer ; et plus d’une fois, si je n’avais pas eu ma montre pour me rappeler l’heure, nous aurions joué jusqu’à la nuit ; mais elle me disait que j’étais chef de troupe, qu’il fallait travailler, gagner de l’argent pour vivre ; et alors je repassais sur mon épaule endolorie la bretelle de ma harpe : en avant !
Nous eûmes fini de jouer avant que la vache eût fini de paître, et quand elle nous vit venir à elle, elle se mit à tondre l’herbe à grands coups de langue, comme pour nous dire qu’elle avait encore faim.
— Attendons un peu, dit Mattia.
— Tu ne sais donc pas qu’une vache mange toute la journée ?
— Un tout petit peu.
Tout en attendant, nous reprîmes nos sacs et nos instruments.
— Si je lui jouais un petit air de cornet à piston ? dit Mattia qui restait difficilement en repos ; nous avions une vache dans le cirque Gassot, et elle aimait la musique.
Et sans en demander davantage, Mattia se mit à jouer une fanfare de parade.
Aux premières notes, notre vache leva la tête ; puis tout à coup, avant que j’eusse pu me jeter à ses cornes pour prendre sa longe, elle partit au galop.
Et aussitôt nous partîmes après elle, galopant aussi de toutes nos forces en l’appelant.
Je criai à Capi de l’arrêter, mais on ne peut pas avoir tous les talents : un chien de conducteur de bestiaux eût sauté au nez de notre vache ; Capi, qui était un savant, lui sauta aux jambes.
Bien entendu cela ne l’arrêta pas, tout au contraire, et nous continuâmes notre course, elle en avant, nous en arrière.
Tout en courant j’appelais Mattia : « Stupide bête » ; et lui, sans s’arrêter, me criait d’une voix haletante : « Tu cogneras, je l’ai mérité. »
C’était deux kilomètres environ avant d’arriver à un gros village que nous nous étions arrêtés pour manger, et c’était vers ce village que notre vache galopait. Elle entra dans ce village naturellement avant nous, et comme la route était droite, nous pûmes voir, malgré la distance, que des gens lui barraient le passage et s’emparaient d’elle.”

 

 
Hector Malot (20 mei 1830- 17 juli 1907)
Cover

 

De Noorse schrijver, muzikant en theatermaker Ingvar Ambjørnsen werd geboren in Tønsberg op 20 mei 1956. Zie ook alle tags voor Ingvar Ambjørnsen op dit blog.

Uit: Blutsbrüder (Vertaald door Gabriele Haefs)

«Als kleiner Junge habe ich schrecklich gern Johannisbeeren gegessen», sagte Kjell Bjarne. «Aber jetzt kann ich die nicht mehr ausstehen.»
Er sagte es auf eine Weise, die mir klarmachen sollte, daß seither etwas geschehen war. Unter anderem hatte er ein halbes Leben hinter sich gebracht. Und irgendwo unterwegs war ihm der Sinn für diese säuerlichen roten Beeren abhanden gekommen.
Ich selbst habe nichts gegen Johannisbeeren. Was die Zeit mir genommen hat, ist ein gut Teil der Fähigkeit, es mir gemütlich zu machen. Als Junge habe ich das Leben einfach angenehmer gefunden. Aber das sagte ich nicht.
Das hätte ihn nur verwirrt. Außerdem ist es seltsam. Wenn man etwas ausspricht, wird es irgendwie doppelt so wahr. In diesem Fall nur halb so angenehm.
Außerdem hatte ich eigentlich keinen besonderen Grund, mich zu beklagen. Wirklich nicht. In Wahrheit war ich wohl eher ein verwöhnter junger Mann. Wie so viele andere junge Männer in diesem Land. Wir müssen gar nicht bis zu den Negern in Afrika gehen, um Leute zu finden, denen es schlechter geht als uns. Es reicht, einen Blick auf die Neger in Oslo zu werfen, dann wissen wir, was Sache ist. Ich habe jedenfalls den Eindruck, daß sie wie Nigger behandelt werden. Sogar von der Polizei oder vielleicht vor allem von der Polizei. Komm her, Bimbo, sagt die Polizei. Zeig uns doch mal deinen falschen Paß. So steht es jedenfalls immer wieder in den Zeitungen.
Das hätte ihn nur verwirrt. Außerdem ist es seltsam. Wenn man etwas ausspricht, wird es irgendwie doppelt so wahr. In diesem Fall nur halb so angenehm.
Außerdem hatte ich eigentlich keinen besonderen Grund, mich zu beklagen. Wirklich nicht. In Wahrheit war ich wohl eher ein verwöhnter junger Mann. Wie so viele andere junge Männer in diesem Land. Wir müssen gar nicht bis zu den Negern in Afrika gehen, um Leute zu finden, denen es schlechter geht als uns.“

 

 
Ingvar Ambjørnsen (Tønsberg, 20 mei 1956)

 

De Surinaamse schrijver A.C. Cirino werd geboren in Goede Hoop, een dorp aan de Coppenamerivier in het district Saramacca, op 20 mei 1929. Zie ook alle tags voor A.C. Cirino op dit blog.

Uit: De ontvoering van Maiwie – Een sprookje van de Surinaamse indianen (als Jakono Rino)

“Het was in de tijd, dat de indianen in vrede leefden met elkaar. In het dorp hielpen ze elkaar hun kampen te bouwen, alsook gezamenlijk de kostgronden aanleggen. Ook de korjaal werd samen gemaakt. Dus in één woord gezegd, de indianen hielpen elkaar graag. Saamhorigheid en liefdegevoel voor de medemens waren in ruime mate aanwezig.
In die grijze oude tijd lag er een dorp aan de Boven-Coppename. De naam weten we niet meer, maar het lag aan de linkeroever van de rivier. De aanlegplaats was aan een zandbank.
In de verte gezien leek het zand op een donkerrode uitgespreide doek. Wanneer het eb was, lagen al de korjalen, sakaw koe-po, dat wil zeggen op het zand. Was het eb of vloed, dat deed er niets toe, toch zwommen de Indiaanse kinderen in de rivier. Wat konden ze snel zwemmen.
“Kom aan deze kant!” schreeuwde een van de indiaanse meisjes tegen haar vrienden. Tegelijkertijd zwom ze rechtdoor naar een aanlegpaal. Nu eens zwommen de kinderen gelijk dolfijnen, dan weer als otters en weer anderen bootsten een hert na.
Wanneer deze kinderen pret maakten in het water, bleef één indiaans meisje achter in het dorp.
Zij mocht niet mee zwemmen. Ze zat alleen in een hutje, dat naast haar ouderlijk kamp was gebouwd. Het was haar ten strengste verboden om naar het water toe te gaan. Dit Indiaanse meisje, dat Maiwie heette, was zeer vlijtig. Ze was nauwelijks dertien jaar oud of ze hielp haar moeder flink mee in de huishouding. Op een keer was ze alleen thuis, haar ouders waren op de visvangst gegaan. Het meisje was druk bezig met haar huishoudelijke werkzaamheden. Een indiaanse jongeman met op zijn hoofd zijn vederhoed, liep langzaam en statig regelrecht naar Maiwie. Haar hartje klopte haar in haar keel.
“Maak je het goed, Maiwie?” sprak de vreemdeling tot het meisje. Ze wilde wegrennen, maar het leek alsof ze aan de grond genageld was. Maiwie kon geen woord uitbrengen en haar hartje rikketikte nog wilder in haar jonge borst.”

 

 
A.C. Cirino (20 mei 1929 –  6 mei 2003) 
Cover

 

De Poolse schrijfster en journaliste Hanna Krall werd geboren op 20 mei 1937 in Warschau. Zie ook alle tags voor Hanna Krall op dit blog.

Uit: Rosa Straußenfedern (Vertaald door Bernhard Hartmann)

„Wacek war hier gewesen, Krzysiek auch, und jetzt ich. Ich ging den Flur entlang, an den Zellentüren vorbei und sagte mir immer wieder: Wacek war hier, Krzysiek auch ? Der Vergleich war unangemessen, denn jene hatten Gestapo und Sicherheitsdienst hergebracht und mich nur das Kriegsrecht, aber so oder so hielt ich die Familientradition aufrecht.
Wacek wurde durch Julian Tuwim gerettet. Der schrieb schöne Briefen zu Gunsten von Verurteilten – “die Angelegenheit, in der ich mich an Sie wende, ist die wichtigste, vor die mich das Schicksal auf meinem bisherigen Lebensweg gestellt hat”, schrieb er an Bierut, er ging zu ihm und las ihm den ganzen Brief vor – laut, vom Blatt. In Waceks Fall gab es keinen Brief, nur ein Telefonat. Tuwim wählte eine Nummer, sprach kurz mit jemandem, legte auf und sagte: Präsident Bierut hat versprochen, Sie zu begnadigen. Und tatsächlich, er begnadigte ihn, die Todesstrafe wurde in lebenslänglich umgewandelt, nur dass Rozanski zu einer Inspektion ins Gefängnis kam. Er sah Wacek auf dem Flur und sagte im Vorbeigehen, ohne stehen zu bleiben: Bist du das, Lipinski?(22) Lebend kommst du hier nicht raus ? Irgendjemand erzählte Krzysiek später, sein Vater hätte sich mit einem Handtuch an einem Heizungsrohr erhängt. Ein anderer, er wäre von der Galerie im dritten Stock des Gefängnisflurs gesprungen. Noch ein anderer, die Kriminellen hätten ihn auf Geheiß der Leitung in der Zelle erstickt und die Leiche ans Rohr gehängt ?
Sie befahlen mir, mich in den Flur zu setzen und zu warten. Ich setzte mich auf den Boden, zu beiden Seiten standen zwei Ermittler – und wir warteten. Ich war ruhig, toll gekleidet, weil ich von Krzysiek eine rote Jeans aus den Westpaketen bekommen hatte – und plötzlich sah ich ein paar hohe Tiere den Flur entlangkommen. Alle in Uniform, sie sahen aus, als inspizierten sie das Gefängnis. Und ehe ich noch nachdenken konnte, hatte ich den Satz im Ohr – “Bist du das, Lipinski?” Mich packte eine irrationale, panische Angst ?
Eins der hohen Tiere blieb stehen: Und du, Kind, weswegen bist du hier? Ich flüsterte: Ich bin eine Extremistin, eine Politische. Er fasste mich am Kinn und sagte: Es wird eine Amnestie geben, mach dir keine Sorgen ?
Ich kam wieder zu mir.
Es war gar nicht so schlimm.“

 

 
Hanna Krall (Warschau, 20 mei 1937)

 

De Noorse schrijfster Sigrid Undset werd geboren in Kalundborg, Denemarken, op 20 mei 1882. Zie ook alle tags voor Sigrid Undset op dit blog.

Uit: Olav Audunssohn (Vertaald door Julius Sandmeier en Sophie Angermann)

„Olav verspürte den schwachen bitteren und frischen Duft — den ersten Geruch nach neuem Wachstum in diesem Jahr. Der Winter, der hinter ihm lag, war so lang gewesen wie der Fimbulwinterw. Jetzt aber stand er da und empfand es belebend am ganzen Körper, daß seine Stiefel naß und schwer von Erde waren. Selbst hier im Schatten der Felsen war die Eisrinde über den Acker zurückgekrochen und hatte einen Streifen feuchter Erde zwischen den Steinen freigegeben. Der Dünger, der ausgebreitet lag, dampfte so schön, und vom Bollwerk herauf roch es frühjahrlich stark nach Meer und Teer und Fischen und nassem Holz. Das kleine Segelboot, das er vorhin beim Stier draußen gesehen hatte, steuerte in die Bucht herein. — Er kannte es nicht. Vermutlich waren es Leute, die in die Gemeinde hinauf wollten. Nun säuberte er seine Finger vom gröbsten Schmutz, führte Cecilia über die Felsen zurück. »Geh jetzt zu Liv, du — du sollst das Kind nicht so weit von dir weglaufen lassen, Liv — es könnte irgendwo hinunterfallen.« Die Magd drehte sich zu ihm um —»was für ein schönes Wetter« — breit lächelnd. Sie saß da und sonnte sich, das Wäschestück, das sie flicken sollte, lag im Heidekraut. Olav wandte sich von ihr ab, unwillig, ging zu seiner Arbeit zurück. Das Boot hatte jetzt beim Bollwerk angelegt, die fremden Männer kamen mit Eirik herauf. Olav tat, als sähe er sie nicht, bis sie am Zaun standen und ihn begrüßten. Es waren zwei Männer mittleren Alters, große schlanke Gestalten, mit gebogenen Nasen und munteren lebhaften Augen. Olav erkannte sie jetzt, er hatte sie oft in Oslo gesehen, aber nie mit ihnen gesprochen; es waren die Söhne des englischen Waffenschmieds Rikard Plattenmeister, der eine Bauerntochter aus einem der Gaue westlich des Fjords geheiratet und sich in der Stadt niedergelassen hatte. Welches Anliegen diese Männer an ihn haben könnten, war Olav nicht klar. Aber er ging doch mit ihnen zu den Häusern hinauf. Als die Rikardssöhne zu essen bekommen hatten und dann beim Bier saßen, ergriff Torodd, der ältere, das Wort: er habe sagen hören, daß Olav die Handelsgemeinschaft mit Claus Wiephart auflösen wolle? Olav antwortete, ihm sei nichts davon bekannt.“

 
Sigrid Undset (20 mei 1882 – 10 juni 1949)
Cover

Constantin Göttfert, Simone van Saarloos, Karel van het Reve, Gijs IJlander, Thera Coppens, H.W.J.M. Keuls, Jodi Picoult

De Oostenrijkse dichter en schrijver Constantin Göttfert werd op 19 mei 1979 in Wenen geboren. Zie ook alle tags voor Constantin Göttfert op dit blog.

Uit: Steiners Geschichte

„Ich begriff nicht, was mich das anging. In den langen Stunden, in denen er auf Passagiere wartete, zeichnete der Fährmann Aulandschaften in die leeren Spalten oder Akte von jungen Mädchen, von Moos überwachsene Bunker. Ein roter Buntstift mit abgebrochener Spitze klemmte in der Mulde zwischen den auseinanderfallenden Seiten, in einem Gurkenglas auf dem Regal über dem Schreibtisch steckten weitere.
«Ich weiß es doch nicht», sagte Ina noch einmal. «Wie soll ich es wissen?»
Ich erschrak über ein Klopfen an der Tür. Es war aber nur ein Stück Treibholz, das klopfte, kein Mensch.
Es ist nicht so, dass mich nicht schon früher einiges an Ina irritiert hätte. Aber als sie jetzt aufstand und damit begann, die Laden des Schreibtisches zu durchwühlen, hätte ich sie am liebsten gepackt und zurück ins Auto gezogen. Ich wollte nicht hier sein.
Alte Fahrtenbücher, die sie von vorne bis hinten durchblätterte: Autos, Motorräder, Fahrräder, daneben weitere Zeichnungen des Fährmannes: Mädchen und Jungen, mit Kugelschreiber, Bleistift, Buntstiften.
Irgendwelche zusammengeknüllten Rechnungen, die sie aufblätterte und vor sich auf dem Schreibtisch glatt strich.
Damit ging alles los. Ich bemerkte es zuerst nur an dem leisen Rascheln, mit dem das Papier in ihrer Hand zitterte, und daran, wie sich ihr Kopf zwischen ihren Schulterblättern heraushob, als wäre er die
ganze Zeit über zu weit in ihrem Körper gesteckt. Sie blickte mich an und dann das Papier.
Ich fragte: «Was ist?»
In manchen Momenten denke ich, es hätte alles anders kommen können, hätte sie damals dieses Stück Papier, diesen Einkaufszettel über zwei Bleistifte und einen Packen Briefpapier nicht gefunden.
Sie antwortete sehr leise: «Limbach.»
Auf Inas Strickhandschuhen waren gelbe Sterne, dort wo die Fingernägel waren. Ein solcher gelber Stern ruhte jetzt knapp unter diesem Wort. Es war die Adresse des Papierhändlers.“

 

 
Constantin Göttfert (Wenen, 19 mei 1979)

 

De Nederlandse schrijfster en columniste Simone van Saarloos werd geboren in Summit, New Jersey op 19 mei 1990. Zie ook alle tags voor Simone van Saarloos op dit blog.

Uit: De vrouw die

“De taxi reed voorbij de hoge brownstone huizen, voorbij de bomen die haast agressief over de weg bogen, alsof hun wortels beledigd waren door de afgemeten stukken aarde die ze in de stoep kregen toebedeeld. De lucht trilde boven de daken van de auto’s, dansend op de beat die uit een onbekend raam dreef. De stoet trok op en stond stil. De stoplichten wisselden van kleur zoals de reclameblokken op Amerikaanse televisie een programma onderbraken: vaak, maar kort.
Een vrouw in verpleegsteruniform negeerde het rode licht en zocht haar eigen weg tussen de optrekkende auto’s. Om haar nek hing een stethoscoop. Ze hield het borststuk van zich af als een rapper die zijn gouden ketting showt.
Een jongen rolde voorbij op een skateboard met grote wielen. Hij zette af en maakte vaart met blote voet. In zijn hand hield hij een slipper. Hij droeg een rugtas met een schild van stof waaronder zijn board kon worden vastgeklikt. De klep van zijn pet zat in zijn nek, OMG stond erop.
Tot nog toe was de reis voorspoedig verlopen. De douanier had haar ‘welkom thuis’ geheten. De paar keer dat ze voor een congres naar Missouri of Californië was gevlogen zeiden ze dat ook, maar nu was ze voor het eerst in de thuisstaat van haar vader.
De chauffeur verstond haar niet en moest het adres van haar telefoon aflezen voor ze bij het vliegveld wegreden. Ze spraken dezelfde taal maar met een andere achtergrond. Zijn auto rook naar kreteksigaretten.
Janine boog naar voren, ze stak haar hoofd door de opening in de plastic wand die passagier en chauffeur scheidde en vroeg naar de buurt. Hij kwam uit een ander deel van de stad. Ze vertelde dat ze moleculair bioloog was, uit Nederland kwam en drie maanden in New York zou verblijven.
‘Vakantie?’ vuurde hij.
‘Nee, nee, geen vakantie. Ik ben hier om de marathon te lopen.’
De chauffeur haalde zijn schouders op. Hij had de passieve kracht van iemand die nooit verloor of achterliep omdat hij de race negeerde.
Ze voegden in op een rotonde en passeerden de bibliotheek. De functie van het gebouw stond in dikke letters op de gevel geschreven, Library: de stad van Janines vader toonde direct haar binnenkant. Prospect Park lag ernaast, renners en fietsers zoefden in en uit. Op de stenen bankjes voor de ingang lagen daklozen, hun hoofden rustten op de gevulde plastic zakken waarin ze hun levens meetorsten.”

 

 
Simone van Saarloos (Summit, 19 mei 1990)

 

De Nederlandse letterkundige, vertaler, essayist, schrijver en columnist Karel van het Reve werd geboren in Amsterdam op 19 mei 1921. Zie ook alle tags voor Karel van het Reve op dit blog.

Uit: Nacht op de Kale Berg

“Het was met een enigszins beklemd gemoed dat ik me die middag naar ‘De Kroon’ begaf. Bepaalde dingen die anderen koud laten grijpen mij soms aan. Eén van die dingen is het door anderen in volle ernst horen bedrijven van religieuze propaganda. Wie wel eens aanhangers van de secte van Jehova’s getuigen over de vloer gehad heeft zal zich kunnen voorstellen wat ik bedoel. Deze lieden kijken je soms vlak in je gezicht en beginnen dan een taal uit te slaan die je het schaamrood naar de kaken doet stijgen. Ook het beluisteren van godsdienstpredikers die voor de radio optreden heeft op mij dat vreemde effect, dat wel plaatsvervangende schaamte genoemd wordt. Ook ergernis zit er bij. Vaak heb ik er over nagedacht wat eigenlijk de oorzaak van dat onbehagen mag zijn. Anti-godsdienstige gevoelens kunnen hier naar ik geloof haast geen rol spelen: ik ben a-religieus grootgebracht, niet anti-religieus. Bovendien koesterde ik beslist geen vijandige gevoelens jegens de secte die mijn vriend Joop had opgericht of althans in zijn greep hield. Ook ben ik verdraagzaam van aard, en kan ik het heel goed hebben als iemand meningen en gevoelens heeft die strijdig zijn met de mijne. Het gezelschap van vrome lieden is me zelfs niet onaangenaam.
Soms denk ik dat mijn boven omschreven afkeer alleen samenhangt met de manier waarop die predikers in het openbaar spreken. Er moet ergens iets zo gruwelijk onwaarachtigs inzitten dat men ze niet zonder schaamte kan aanhoren. Zij hebben de geveinsdheid van acteurs, maar missen de artistieke bezetenheid die ons de kunstenaar doet vergeven dat hij iets zegt wat hij eigenlijk niet meent. En de indruk dat de religieuze prediker iets zegt wat hij eigenlijk niet meent is overweldigend. Die indruk wordt natuurlijk mede gewekt doordat wat hij vertelt uiterst bizar is, maar toch ook, en naar ik geloof vooral, door de toon die hij aanslaat, en die een redelijk mens nimmer gebruiken zou wanneer hij er niet door een machtige druk der omstandigheden toe zou worden gedwongen.”

 


Karel van het Reve (19 mei 1921 – 4 maart 1999)
Cover

 

De Nederlandse dichter en schrijver Gijs IJlander (eig. Gijs Hoetjes) werd op 19 mei 1947 in Alkmaar geboren. Zie ook alle tags voor Gijs IJslander op dit blog.

Uit: Vergeef onsonze zwakheid

“Meter na meter bewoog het gevaarte naar achteren tot het buiten de haven draaien kon en de steven naar het westen richtte. Het water tussen de kades was zwart en glad en stil, buitengaats was er licht en schuim en beweging. Het gekrijs van de meeuwen was hier anders, zonder weerkaatsing tegen stalen en betonnen havenloodsen. Wie het vasteland verliet, ging een andere wereld binnen, waar wind en water het voor het zeggen hadden en de mens op zichzelf was aangewezen.
Daar stond hij aan de reling, in zijn ouderwetse montycoat, zijn handen diep in de zakken, zijn voeten een stukje uit elkaar om de bewegingen van het schip te kunnen volgen. Stoer en opgewassen tegen het buitenleven, maar bleek in het gezicht onder het schippersmutsje.
Het aan de slapen grijzende haar fladderde in de wind, de toegeknepen ogen tuurden in de verte en traanden een beetje; de rode neus had niets met drankgebruik te maken maar met vocht en lage temperatuur.
De rechte mond met opeengeklemde lippen duidde eerder op kou dan op vastberadenheid. Daar stond een binnenzitter die was losgebroken, zijn pak en overhemd aan een haakje had gehangen en iets ruigers uit de kast had getrokken. Die montycoat was een cadeau van Cecile waar hij zijn twijfels over had, zoiets draagt een buitenmens niet.
Rechtop stond hij, met holle rug, hij zoog zijn longen vol met zeelucht. De haven loste geleidelijk op in de contouren van het vasteland. Hij keerde zich om naar de open zee. Zijn bestemming was nog gehuld in mist, nevelflarden onttrokken de horizon aan het zicht. Het gekrijs van meeuwen en het gesis van de boeggolf werden begeleid door het geronk van de scheepsmotoren.
Jan-van-genten stortten zich van grote hoogte loodrecht in zee, verderop was er iets donkers in het water, een mvlek die traag bewoog.”

 

 
Gijs IJlander (Alkmaar, 19 mei 1947)

 

De Nederlandse schrijfster Thera Coppens werd geboren in Amsterdam op 19 mei 1947. Zie ook alle tags voor Thera Coppens op dit blog.

Uit: Adriaan Roland Holst in Bergen

“We parkeren de auto in het dorp en lopen naar de ruïne. De meeste locaties die je als kind hebt bezocht, lijken bij een weerzien gekrompen. Maar Bergen is veel uitgebreider dan in mijn jeugdherinnering. Je kunt je nauwelijks oriënteren tussen de slingerpaden en zwarte bosbeken. Ze lijken allemaal op elkaar met hun hekken en bruggetjes van ruwe boomstammen. De Meerwijk werd gebouwd door bekende architecten van de Amsterdamse school. Ze hebben er de vreemdste architecturen geplaatst: hoog opgestapelde bakstenen burchten met rieten daken en piepende tuinhekken. Jan van der Vegt vertelt op weg naar het voormalige woonhuis van de dichter, dat hij tijdens zijn onderzoek schoenendozen vol foto’s van vrouwen en meisjes vond. Van velen zijn de namen bekend: daar poseert Zus Blom met een enorme hoed vol kunstbloemen, hier zit Pop Ensink in een wit jurkje aan Jany’s voeten. Nel heeft met haar elegante wandelstok iets van een femme fatale wat ook mag gelden voor Hermine, Corinne, Raymonde. Mies is verleidelijk, Asta pittig. Er staan in de biografie ook namen zonder foto’s: de vage Windy met wie hij zijn achtentwintigste verjaardag in een hotel in Bergen aan Zee vierde, Enny, Riti, Trees, Maartje, Oda, Mitja, Suzette, Nel. Geen wonder dat de dichter op een dag afgestompt raakte voor de liefde. In Bergen en op reis door Europa en Zuid-Afrika had hij zoveel sexuele contacten, dat de noodlottige gevolgen niet uit konden blijven. Van der Vegt beschrijft in zijn biografie de behandelingen in een kliniek in Nice uiterst kies. Maar je vraagt je toch af hoeveel problemen al die minnaressen in het pil-loze tijdperk door Roland Holst hebben gehad? Hoeveel onbekende nazaten heeft Jany, die van de prins geen kwaad leek te weten? We slaan rechtsaf en komen bij het beroemde huis aan de Nesdijk aan de rand van Bergen, dat hij in 1921 betrok. Zijn vader had het voor hem laten bouwen. Daar ontstond o.m. de vele malen herdrukte bundel ‘Een winter aan zee’. Voordat de bejaarde dichter de Bergense verzorgingsflat Frankenstate betrok, schonk hij de Nesdijkwoning aan zijn buurvrouw en geliefde. Ze heeft zijn ooit zo verwilderde tuin mooi verzorgd en de heg fantasievol in de vorm van kantelen geknipt.”

 

 
Thera Coppens (Amsterdam, 19 mei 1947)

 

De Nederlandse dichter Henricus Wijbrandus Jacobus Maria Keuls werd geboren in Obdam op 19 mei 1883. Zie ook alle tags voor H.W. J.M. Keuls op dit blog.

 

Rondeel

De droom verliest zich in het lied,
Het lied zweeft in den nacht te sterven,
En wie zijn aardsche heil moet derven,
Gaat met het lied droomloos te niet.

De huizen bergen het verdriet,
Dat door den leegen dag moest zwerven,
De droom verliest zich in het lied,
Het lied zweeft in den nacht te sterven.

En om een glans die snel vervliet,
Om ’t hart dat wil bezit verwerven,
Om bloed dat jaagt naar zijn verderven,
De nacht zingt ijler dan een riet:
De droom verliest zich in het lied.

 

April op de Veluwe

In andre streken is ’t nu volop voorjaar.
Daar staan nu al veel bomen in een zacht,
Pril waas van groen en gaat jong gras ontspruiten.
Verblindend trilt er de ijle bloesempracht.
.
Hier blijft het donker op de stille heide,
Die nog van winterkoude lijkt verstard.
Vaal en verlaten liggen de stuifzanden
En al het loofhout ziet nog kaal en zwart.
Maar meer dan naar het liefelijkste op aarde
Trekt naar dit stugge land mijn hele hart.

 

 
H.W.J.M. Keuls (19 mei 1883 – 28 oktober 1968)

 

De Amerikaanse schrijfster Jodi Lynn Picoult werd geboren op 18 mei 1966 in Nesconset op Long Island, New York. Zie ook alle tags voor Jodi Picoult op dit blog.

Uit: Het tere kind (Vertaald door Davida van Dijke)

“Dingen breken aldoor. Glas bijvoorbeeld, en kopjes, schalen en vingernagels. Contracten worden verbroken. Chips breken. Je kunt een record breken, een lans voor iemand breken, of je hoofd ergens over breken. Of het ijs breken. Soms kun je een potje bij iemand breken – of niet. Golven breken. De dag breekt aan en gevangenen breken uit.
Stemmen breken, ketenen kunnen verbroken worden. Je kunt de verbinding verbreken. Hetzelfde geldt voor stilte.
De laatste twee maanden van mijn zwangerschap maakte ik een lijst van alle mogelijke dingen die kunnen breken, in de hoop dat het jouw geboorte makkelijker zou maken.
Soms verbreek je een belofte.
Soms breekt je hart.
De nacht voordat jij werd geboren hees ik mezelf overeind in bed om iets aan mijn lijst toe te voegen. Ik rommelde in de la van mijn nachtkastje, op zoek naar pen en papier, toen Sean zijn warme hand
op mijn been legde. ‘Charlotte?’ zei hij vragend. ‘Is alles in orde?’
Voor ik antwoord kon geven nam hij me in zijn armen en trok me dicht tegen zich aan. Ik voelde me veilig en viel direct in slaap. Ik was helemaal vergeten op te schrijven wat ik gedroomd had.
Pas weken later, toen jij er al was, herinnerde ik me opeens waardoor ik wakker schoot die bewuste nacht: breuklijnen. Dat zijn de plekken waar de aardkorst openbreekt. Plaatsen waar een aardbeving
ontstaat en een vulkaan geboren wordt. Met andere woorden: onder ons valt de wereld uit elkaar. Het idee van vaste grond onder onze voeten, dát is een illusie.
Jij werd geboren tijdens een zware storm, die niemand had voorspeld.
Een noordooster, zeiden de meteorologen later. Een sneeuwstorm die eigenlijk naar het noorden had moeten trekken, over Canada, in plaats van als een razende de kust van New England te teisteren.
Plaatselijke nieuwszenders schoven hun reportages over middelbareschoolromances die een herkansing kregen in het bejaardentehuis terzijde. Ook het bekroonde programma over het ontstaan van snoepharten moest wijken. In plaats daarvan werden er non-stop weerberichten uitgezonden over de toenemende windkracht en de woongebieden waar de stroom was uitgevallen door hevige hagel-
buien. Amelia zat aan de keukentafel valentijnskaarten uit gekleurd knutselpapier te knippen.”

 


Jodi Picoult (Nesconset, 19 mei 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e mijn ook vorige blog van vandaag.