Dimitri Verhulst, Göran Sonnevi, Graham Greene, Wallace Stevens, Andreas Gryphius, Waltraud Anna Mitgutsch

De Vlaamse dichter en schrijver Dimitri Verhulst werd op 2 oktober 1972 geboren in Aalst. Zie ook mijn blog van 2 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Dimitri Verhulst op dit blog.

 

De dood viel op een dinsdag

De dood viel op een dinsdag en je was er niet.
In bad zat ik, ik uitte onderwaterwensen tot ik
happend naar jouw adem mijn bespiegeling te boven kwam.
Piano’s sloegen hun vlerken uit en wachtten op vingers,
op de gedachte aan je lichaam die hem in de vingers zat.
Aders marmerden mijn armen dieper en dieper dan een glas
was de stem die jou plechtig aan het hoofd bracht
van al mijn onbegonnen doch gezongen brieven.

Zo liet ik mij te water, zo lag ik te baden in dat lied.
Met mijn erectie linea recta naar jouw sterrenbeeld.
Een dinsdag en de dood, zei ik. Je was er niet.

Verliefdheid is ook ruimschoots op voorhand droevig zijn
om een mislukken dat nog niet mogen beginnen is.

 

Liefde over duizend jaar

Liefde over duizend jaar
dat zijn jij en ik vandaag
maar dan op betere matrassen

Misschien de mannen
iets of wat langere kalebassen
in retromodieuze kamerjassen.
Misschien de vrouwen
nog meer nachtcrème in hun vouwen
en de stiltes tussen hen
al te danig draaglijk

Men tost of men de cd van de specht
of die van een kwakend beest opzet
als men geniepig gaat vossen
in de plastic bossen
van Barvaux of daaromtrent.

Liefde over duizend jaar;
die helse hemel en evenzeer onzeker
als jij en ik vandaag.

 

 
Dimitri Verhulst (Aalst, 2 oktober 1972)

Lees verder “Dimitri Verhulst, Göran Sonnevi, Graham Greene, Wallace Stevens, Andreas Gryphius, Waltraud Anna Mitgutsch”

Khalid Boudou, Günter Wallraff, P. N. van Eyck, Israël Querido, Charles Cros, John Hegley, Tim O’Brien

De Nederlands – Marokkaanse schrijver Khalid Boudou werd geboren in Tamsamane, Marokko op 1 oktober 1974. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Khalid Boudou op dit blog.

Uit: Pizzamafia

“Zijn vragende ogen vraten mij zowat op. Het is niet eerlijk, dacht ik. Dat hij zo naar me kijkt en dat hij allemaal van die rare dingen zegt. Ik wil tijd hebben om te voetballen, om te pokeren, om met Alice te eten en romantisch naar Texel te gaan. O, wat hadden we het op haar verjaardag toch leuk gehad. Ze was echt trots op die gare rap van me. En ik wil zoveel mogelijk leren, om uiteindelijk op de beurs van Amsterdam te werken.”
(…)

 
 Scene uit de film Pizza Maffia uit 2011 

Ik pakte een sigaret. ‘Ja,’ zei ik. ‘De situatie is echt klote.’ ‘Ja, de situatie is verdomd klote.’ ‘Ja, de situatie is echt shit.’ ‘Ja, de situatie is echt fokking shit.’ En daar bleef het dan bij: we hadden duidelijk allebei niet echt zin om erover te praten.
Wallah, ik moest toch wat zeggen, dus vroeg ik tussen het snikken door: ‘Het komt toch wel goed, Haas?’ Haas sprong op. ‘Wat doe je, jankerd. Je bent toch geen homo?’
(…)

– “Hij”, snauwde hij. “Hij hier ….deze slaapmuts. Deze schetenkweker. Deze ballenpoetser. Deze kontenkrabber…”. Het was alsof hij het woordenboek voor scheldnamen uit zijn hoofd aan het leren was. Hij ging maar door en door. “Deze tenenkaasvreter had allang in de zaak van zijn vader moeten staan.”

 
Khalid Boudou (Tamsamane, 1 oktober 1974)

Lees verder “Khalid Boudou, Günter Wallraff, P. N. van Eyck, Israël Querido, Charles Cros, John Hegley, Tim O’Brien”

Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes, Akram Assem

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter en vertaler Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Zie ook mijn blog van 29 september 2010 en eveneens alle tags voor Pé Hawinkels op dit blog.

Uit: Autobiografische flitsen en fratsen

“Van zijn plaats aan het hoofd van de eikehouten tafel, aan weerszijden waarvan hij persoonlijk twee banken had getimmerd, die trapsgewijs van zijn kant opliep tot het tafeleinde waar mijn moeder placht te zitten als zij niet in het kraambed lag, waar ik, op de hoogste, dus laagste bank van die trap, en de trap van die bank, was komen te zitten tegenover mijn zusje Roosje, dat reeds negen en een halve maand oud was, riep mijn vader, met stentorstem, dat spreekt, mijn moeder, die tussen de geurige lakens nog wat van de schrik lag te bekomen – ze zeggen dat ik als dreumes niet al te florissant geoogd heb – een ‘Goed werk!’ toe, een ‘Kranig gedaan!’, en tot slot nog een ‘Een wolk van een jongen!’ al heeft hij volgens ooggetuigen bij het laatste compliment nogal peinzend gekeken. De vroedvrouw en de dokter, die in een antiseptische pas-dedeux rond de sponde dribbelden, waarop mijn moeder lag uitgestrekt, elkaar onderwijl meer dan eens snaaks in de billen knijpend, wat door mijn zusjes afkeurend werd geregistreerd voor de toekomst, deden toen van ‘Ssssssssssssst…’, de lippen getuit alsof ze aan het wedstrijdspuwen waren en nu ieder de eigen fluim stonden na te ogen, zoals een dominee, die een stichtende volzin het kerkgebouw in geaardappelpureed heeft en nu met welgevallen de uitwerking in ogenschouw neemt, zoals William H. Masters m.d. en Virginia E. Johnson, die net een in een prikkelende vloeistof gedompeld staafvormig object in een proefpersoon gedompeld hebben en nu attent de instrumenten en tintveranderingen opnemen die van het effect getuigenis afleggen, zoals Loumeisjes, die gevieren gearmd & zingend over het trottoir lopen, – ook tegen ons, zingende kleuters en andere minderjarigen, en er trad een periode van welverdiende rust in.
Voor mij op tafel werd een nap met pap neergeplant, waar ik goedgemutst & bibeleboms uit begon te bunkeren, met een zekere gejaagdheid ook, alsof ik mij reeds duidelijk realiseerde dat een moment later de Tweede Wereldoorlog rustig eten onmogelijk zou maken, dat ik nachten lang, door mijn moeder, een sterke vrouw, in een trappelzak gepropt en zonder veel omslag tussen nederfluitende bommen & granaten door de kelder ingesjord, waar mijn ouders en het bijbehorend grut schuilplaats zochten tegen de bombardementen, die in die tijd aan de orde van de dag & nacht waren, zou moeten verblijven. (En dan hebben ze wat te zeggen als ik nu een stroeve knaap ben!).”

 
Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)

Lees verder “Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes, Akram Assem”

Herinnering aan Hella Haasse

Herinnering aan Hella Haasse

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hella Haasse is vandaag precies drie jaar geleden overleden. Hélène Serafia Haasse werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Hellas Haasse op dit blog .

 

In deze zeeën die ik mij verkoos

In deze zeeën die ik mij verkoos,
lig ik verdronken, eindeloos
diep op den bodem, zonder wil.
Het water boven mij staat stil.

Zo ben ik in een transparanten doos
geklonken, ver van storm en hoos
stortzee en vloed – mijn hart doet pijn,
het wil een snelle zeemeeuw zijn,

een zil’vren vis, beweeg’lijk in den stroom.
Maar als een anemoon, die loom
om donker water wiegt en deint
en aan het eigen spel verkwijnt,

sta ik geworteld in vervloekte rust,
van tij noch keertij mij bewust,
diep op den bodem zonder wil.
Het water boven mij staat stil.

 

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

Philip Huff, Ellis Peters, Ben Greenman, Thijs Zonneveld, Prosper Mérimée

De Nederlandse dichter en schrijver Philip Huff werd geboren op 28 september 1984 in Zwolle. Zie ook alle tags voor Philip Huff op dit blog.

Uit: Boek van de doden

“De pijn van mijn bovenarm straalt nu ook uit naar mijn schouder. De huizen van de Vijzelgracht trekken aan ons voorbij. Hier en daar zijn nog lampen aan.
Mijn neus is een schoorsteen voor hete lucht, mijn borstkas de korf waarin de kolen gloeien. En mijn hart bonkt hoog en hard en hevig in mijn hals, op de vlucht voor de hitte.
De drugs zijn als een druppel inkt in een glas water en geven nu kleur aan mijn gedachten.
Op de Stadhouderskade zeg ik tegen de taxichauffeur: ‘Kunt u hier rechtsaf gaan?’
De lobby van het hotel op de Prinsengracht is hoog en groot en licht. Het is een van de weinige hotels waar ik niet met Victoria ben geweest. De liftschachten zijn van glas gemaakt; een zwart, metalen mechaniek schuift langzaam omhoog. In de stoelen van de lounge zitten vier mensen. Amerikanen, zo te horen. Ik heb moeite met de twintig stappen naar de receptie. Het is heel licht in mijn hoofd en ik heb het warm, mijn hart slaat zo snel dat het amper bloed rondpompt.
‘Goedenavond,’ zeg ik tegen de vrouw achter de balie. ‘Vannacht wilden wij de romantiek hoogtij laten vieren.’ Ik ben blij dat ik iets heb om tegenaan te leunen, want ik klink bijna buiten adem. Ik kijk kort over mijn schouder, naar Hannah, die nog bij de schuifdeuren naar een of andere foto staat te kijken. ‘Wat wij ons afvroegen,’ zeg ik, ‘is of u nog kamers heeft.’
De vrouw knikt. Ze draagt een zwart mantelpak. ‘Wilt u uitzicht op de binnentuin of op het water?’
Hannah komt naast mij staan.
‘Zeg het maar,’ zeg ik. ‘De tuin of het water?’
‘Het water,’ zegt ze, en ze lacht.”

 
Philip Huff (Zwolle, 28 september 1984)

Lees verder “Philip Huff, Ellis Peters, Ben Greenman, Thijs Zonneveld, Prosper Mérimée”

Albert Vigoleis Thelen, Francis Turner Palgrave, Rudolf Baumbach, Noël Laflamme, Agnolo Firenzuola, Waclaw Berent

De Duitse schrijver en criticus Albert Vigoleis Thelen werd geboren in Süchteln op 28 september 1903. Zie ook mijn blog van 28 september 2010 en eveneens alle tags voorAlbert Vigoleis Thelen op dit blog.

Uit: Die Insel des zweiten Gesichts

„Vor einer anderen Fonda stand händeringend der Wirt und wehrte sich zweier Gäste, die ihm, wie es schien, zu Leibe gehen wollten. Ich trat als Führer dazwischen. Also endlich lasse ein Führer sich sehen! und was das wieder für eine namenlose Schweinerei sei – “bitte, kommen Sie mit!”
Die Fonda war nicht so hochromantisch wie die Taberne zum Schreibenden Cervantes, aber doch auch typisch spanisch, sogar echt mallorquinisch. Drei Dutzend Menschen blickten mir finster entgegen. Raubmord? Vergewaltigung?
“Herr Führer, sind Sie Deutscher?”
“Spanier, aber in Deutschland aufgewachsen.” “Dann sind Sie ja mit unserer Sprache genügend vertraut, um zu wissen, was ein Saufraß ist. Das hier ist ein Saufraß, das gehört in den Trog.”
Der Sprecher der Rotte zeigte auf seinen Teller, auf dem ein gerösteter Fisch lag, der sich vor Verzweiflung in den Schwanz biss, in der Sprache der feinen Küche: er war gekrollt. Ich kannte die Art, ein fades Essen, nur mit viel Zitrone zu genießen, freilich sehr nahrhaft, hochprozentiger Eiweißträger. Wenn in einer so kleinen Stadt und noch ohne rechtzeitige Anmeldung die Touristen zu Tausenden abgespeist werden mussten, griffen die Köche zu diesem Fisch, der sich in großen Mengen rasch und billig fangen lässt. Der Wirt konnte sich nicht verständlich machen, die Kellner blickten voll Verachtung auf die schimpfenden Fremden, die wie Sträflinge in den Hungerstreik getreten waren. Zu Hause fraß das Hering mit Sauerkraut. Ich musste handeln, heiliger Petrus, stehe deinem Vigoleis bei! Ich klopfte ans Glas und bat um Gehör:
Die Deutschen seien ein großes Volk, ein begabtes Volk, ein kluges Volk.“

 
Albert Vigoleis Thelen (28 september 1903 – 9 april 1989)

Lees verder “Albert Vigoleis Thelen, Francis Turner Palgrave, Rudolf Baumbach, Noël Laflamme, Agnolo Firenzuola, Waclaw Berent”

Dolce far niente, Hans van Weely, Ignace Schretlen, Ko de Laat

Dolce far niente

 

 
Oude ansichtkaart van Ponypark Slagharen

 

Ponypark Slagharen

Het is niet erg
dat het leven geen zin heeft

er is voedsel genoeg
en huilen mag om illusies
die verdwijnen –

ik ben een kind
uit de tijd van wederopbouw

en weet verdriet
bestaat sinds heugenis, dus lang
voordat de Duitsers kwamen.

Alles is gezegd,

maar ga nooit
naar Ponypark Slagharen,

verwek geen kinderen op
een zinkend schip.

 

 
Hans van Weely (1945)*
Slagharen (geen portret beschikbaar)

 

* De Nederlandse dichter Hans van Weely publiceerde o.a. de bundels ‘Verzuim aan dode dingen’ (1969) en ‘De ideale lijn’ (1980)

Lees verder “Dolce far niente, Hans van Weely, Ignace Schretlen, Ko de Laat”

60 Jaar Bart Chabot, T. S. Eliot, Thomas van Aalten, Christoph W. Bauer. Luís Fernando Veríssimo, Mark Haddon, William Self

60 Jaar Bart Chabot

De Nederlandse dichter en schrijver Bart Chabot werd geboren in Den Haag op 26 september 1954. Bart Chabot viert vandaag zijn 60e verjaardag. Zie ook alle tags voor Bart Chabot op dit blog.

 

IJstijd

Die avond vertrok een auto
richting snelweg
en de honden blaften niet

het dashbordvak was leeg
op een kaart van west-europa na
een pak tissues
een aangebroken rol pepermunt
er woedde koude
oorlog in mijn hoofd

we reden zwaar weer tegemoet
tegenliggers voerden groot
licht in de verte

wij naderden
de interzone
niemandsland

het grensgebied

 

Uit: Diepere Lagen

“Het goeie nieuws, Bart, dat is… Je gaat er niet dood aan.”
“Nou,” antwoordde ik, “is me dat even een meevaller.”
“Daar heb je het goeie nieuws,” zei Gerard, “dan ook meteen mee gehad.”
Gerard ging zitten.
“Wat is het?” vroeg ik. “Wat mankeer ik?”
“Je hebt een brughoektumor.”
Ik keek naar mijn lief en zij keek naar mij.

(…)

‘Jezus, pap!’ zei Storm toen hij de volgende dag uit school kwam. ‘Dit kan écht niet hoor!’
‘Zo erg is het toch niet, jong?’
‘Dacht ’t wel, pap!’ Hij keek me met afgrijzen aan. Was ik zijn papa wel?
Toen klaarde zijn gezicht op. ‘Pap, haal jij Halloween?’
‘Hoezo, Storm?’
‘Nou, dan kun je met ons mee, een hele stoet buurtkinderen, gaan we met jou de deuren langs, jij als zombie.”

 
Bart Chabot (Den Haag, 26 september 1954)

Lees verder “60 Jaar Bart Chabot, T. S. Eliot, Thomas van Aalten, Christoph W. Bauer. Luís Fernando Veríssimo, Mark Haddon, William Self”

David Benioff, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen

De Amerikaanse schrijver David Benioff (pseudoniem van David Friedman) werd geboren in New York City op 25 september 1970. Zie ook alle tags voor David Benioff op dit blog en ook mijn blog van 25 september 2010.

Uit: The 25th Hour

Monty squats near the dog and inspects him. From this angle it is clear that the pit bull has been badly abused. One ear has been chewed to mince; his hide is scored with cigaretteburns; flies crawl in his bloodied fur.
MONTY (CONT’D)
I think maybe his hip—The dog pounces, jaws snapping,; lunging for Monty’s face. Monty stumbles backwards. The dog, too badly injured to continue the attack, remains in his crouch, growling. Monty sits on the pavement, shaking his head.
MONTY (CONT’D)
Christ. (beat) He’s got some bite left.
KOSTYA
I think he does not want to play with you. Come, you want police to pull over?You want police looking through your car?
MONTY
Look what they did to him. Used him for a fucking ashtray.Monty stands and dusts his palms on the seat of his pants.
MONTY (CONT’D) Let’s get him in the trunk.
KOSTYA
What?
MONTY
There’s a vet emergency room on the EastSide. I like this guy.
KOSTYA
You like him? He tries to bite your face off. Look at him, he is meat. You want some dog, I buy you nice puppy tomorrow. Monty is not listening. He walks back to his car, opens the trunk, pulls out a soiled green army blanket. Kostya holds up his hands: stop.
KOSTYA (CONT’D) Wait one minute, please. Please stop one minute? I do not go near pit bull. Monty? I do not go near pit bull. Monty, carrying the army blanket, walks back toward the dog.
MONTY
This is a good dog. I can see it in his eyes. He’s a tough little bastard.
KOSTYA
Sometimes I think you are very stupid man.”

 
David Benioff (New York, 25 september 1970)

Lees verder “David Benioff, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen”

Niccolò Ammaniti

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Ammaniti’s eerste boek “Branchie” (vertaald als “Kieuwen”) kwam in 1994 uit. Eigenlijk was Ammaniti bezig af te studeren aan de universiteit van Rome in biologie en moest hij alleen nog zijn scriptie schrijven. Maar de scriptie over vissen werd uiteindelijk een roman over een jongen die voor zijn hobby aquaria bouwt. In 1995 schreef hij “Nel nome del figlio” op initiatief van zijn vader, Massimo Ammaniti. Het is een verhaal over de problemen van adolescenten. In 1996 volgde “Fango”, een verzameling verhalen die hem bekendheid gaf bij het grotere publiek. En een jaar later werd van hem het hoorspel “Anche il sole fa schifo” (Ook de zon staat tegen) uitgezonden op RadioRai. Ammaniti’s eerste bestseller “Io non ho paura” (vertaald als “Ik ben niet bang”) bezorgde hem in 2001 Il Premio Viareggio en door de vele herdrukken. De verfilming van “Ik ben niet bang door Gabriele Salvatores”, met een script geschreven door Ammaniti zelf en Francesca Marciano, leverde hen zelfs diverse nominaties op. Voor zijn volgende roman “Come Dio Comanda” (vertaald als “Zo God het wil”) ontving Ammaniti de meest prestigieuze Italiaanse literaire prijs, de Premio Strega. In Nederland werd Ammaniti’s grootste bestseller “Ik haal je op, ik neem je mee” (“Ti prendo e ti porto via”, 1999). De roman “Che la festa cominci” (vertaald als “Laat het feest beginnen”) verscheen in 2009. In 2011 verscheen “L’ultimo capodanno dell’umanita”(vertaald als “Het laatste oudejaar van de mensheid”. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Laat het feest beginnen! (Vertaald door Etta Maris)

“De Beesten van Abaddon zaten aan een tafeltje in Pizzeria Jerry 2 in Oriolo Romano.
Hun leider, Saverio Moneta, bijgenaamd Mantos, was bezorgd.
De toestand was kritiek. Als hij er niet in zou slagen opnieuw de leiding over de sekte in handen te krijgen, zou dit weleens de laatste bijeenkomst van de Beesten kunnen zijn.
De leegloop was kort geleden begonnen. Als eerste was Paolino Scialdone, bijgenaamd de Zeisman, weggegaan. Zonder een woord te zeggen had hij hen in de steek gelaten en was hij overgelopen naar de Kinderen van de Apocalyps, een satanische groep in Pavia. Een paar weken later had Antonello Agnese, bijgenaamd Molten, een tweedehands Harley-Davidson gekocht en zich aangesloten bij de Hells Angels van Subiaco. En ten slotte was Pietro Fauci, bijgenaamd Nosferatu, rechterhand van Mantos en historische grondlegger van de Beesten, getrouwd en eigenaar van een winkel in thermohydraulica in Abetone.
Ze waren nu nog maar met z’n vieren.
Er moest heel ernstig gepraat worden, ze moesten opnieuw tot gehoorzaamheid worden gedwongen en er moesten nieuwe volgelingen worden geronseld.
‘Mantos, wat neem jij?’ vroeg Silvietta, de vestaalse maagd van de groep. Een uitgedroogde krent met bolle ogen die uitpuilden onder de smalle wenkbrauwen die te hoog op haar voorhoofd stonden. Aan een neusvleugel en midden op haar lip droeg ze een zilveren ringetje.
Saverio wierp een terloopse blik op de menukaart. ‘Ik weet niet… Een pizza marinara? Nee, beter maar van niet, knoflook valt me altijd zo zwaar op de maag… Vooruit, ik neem de pappardelle.’
‘Die maken ze hier niet zo goed klaar, maar het is wel lekker!’ luidde de goedkeurende reactie van Roberto Morsillo, bijgenaamd Murder, een dikzak van bijna twee meter met lang, zwart geverfd haar en een vettige bril. Hij droeg een uitgelubberd Slayer-shirt. Hij kwam uit Sutri, studeerde rechten in Rome en werkte in het Brico doe-het-zelfcenter in Vetralla.”

 
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)