Mirthe van Doornik, Kevin van Vliet

De Nederlandse schrijver en documentairemaker Mirthe van Doornik werd geboren in Rotterdam op 8 mei 1982. Ze groeide op in Rotterdam waar ze journalistiek studeerde. In 2016 won zij met haar verhaal “De Sterren boven München” de vakjuryprijs van de NPO Boekenweek Schrijfwedstrijd. Van Doornik publiceerde in 2018 haar debuutroman “Moeders van anderen”, die werd genomineerd voor de Bookspot Literatuurprijs,[2] de Hebban Debuutprijs en werd bekroond met de ANV Debutantenprijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. In 2021 verscheen de Duitse vertaling “Uns zusammenhalten”. In mei 2023 verscheen haar tweede roman “Een tafel bij het raam”. Over haar tante die leed aan de neurologische ziekte ALS maakte ze samen met haar zus Jade van Doornik de documentaire Als Anneke. De film werd in juni 2017 door de NOS uitgezonden op NPO2.

Uit: Moeders van anderen

“Omdat wij kinderen zijn, denken mensen dat ze alles tegen ons mogen zeggen. Hoe het vroeger was, dat je niet op de rand van het perron moet staan, dat we best hun hond mogen aaien. Maar dat we met een vreemde mee naar huis moeten, dat hebben we niet eerder gehoord. De vrouw is een beetje scheef op ons af komen lopen, alsof ze eerst tien rondjes heeft gedraaid en toen ons in haar vizier kreeg. Wat een mooie vlechtjes heb jij,’ zegt ze als ze voor mij staat Waar gaan jullie naartoe?' De dikke glazen in haar enorme bril vergroten haar ogen tot die van een spookdier. Ik kijk naar haar handen. Spookdieren hebben lange vingers, een beetje zoals ET, met kussentjes aan de toppen, maar de vingertoppen van de vrouw laten zich niet zien omdat ze een supermarkttas omklemmen.Jullie moeten met mij mee naar huis komen,’ zegt de vrouw als de metro de tunnel uit dendert. ‘Vier haltes, dan zijn we er.’ Dit is niet goed, dat zie ik ook aan het gezicht van Nico. Gelukkig weet zij altijd wat we moeten doen. Met een licht knikje geeft ze mij het teken dat we elkaar ook geven als er controle komt Ik weet wat ze bedoelt Nadat de mensen uit de metro zijn gestapt, gaat de vrouw ons voor. Waarom gaan jullie niet zitten?' zegt ze als we in de metro staan.Kom, we gaan zitten.’ Ze spreekt een beetje langzaam, is ze dronken? Nico blijft naast de deur staan, bukt zich om haar veter vast te maken. Tijdrekken. Nog een keer geeft ze me het teken, voor de zekerheid. Ik knik, friemel aan mijn rugzak, kijk naar het perron dat langzaam leger wordt Drie metro’s stoppen hier die buiten de stad allemaal een andere kant op buigen. De uitgestapte mensen zijn al bijna allemaal verdwenen, de paar mensen die overblijven hebben een andere bestemming. De vrouw loopt op een paar lege stoelen af en neemt plaats bij het nam. Dan richt ze zich weer tot ons. ‘Kom! Hier kunnen jullie zitten.’ De metro piept dat de deuren gaan sluiten, ik zet mijn voet tegen de deur als we naar buiten springen. Wat doen jullie nou?!’ hoor ik de vrouw roepen. Ik ruik de tocht, die eeuwige lucht van ondergrondse metrostations. Mijn keel is droog, mijn benen voelen zwaar. We zien de metro in beweging komen, het spookdier bij ons vandaan sleuren. Zelfs nadat Nico mijn hand pakt kost het moeite mijn benen in beweging te krijgen.
De man achter het glas eet een broodje en kijkt voor zich uit. Pas als Nico harder tegen het raam klopt kijkt hij omlaag. ‘Iemand probeert ons te ontvoeren,’ zegt Nico. In het glas zitten gaatjes, zodat de man ons kan verstaan. Nico doet haar best om haar woorden door de gaatjes te persen. Ze staat op haar tenen en zegt ‘Een vrouw. Een vrouw met een grote bril.’ De man kijkt ons lang aan. Hij heeft net een nieuwe hap genomen waar bij heel langzaam op kauwt Als zijn mond weer leeg is, pakt hij een walkietalkie, wijst naar een bankje aan de overkant en gebaart dat we daarop moeten gaan zitten.”

 

Mirthe van Doornik (Rotterdam, 8 mei 1982)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijver Kevin van Vliet werd in 1993 geboren in Harderwijk. Van Vliet is correspondent in Zuid-Afrika voor Trouw en Het Financieele Dagblad. Hij woont in Kaapstad. Voor zijn literaire debuut, de novelle “Wolfsjong”, ontving hij in 2020 een nominatie voor de Bronzen Uil.

Uit: Bobbejaanskloof

“Boven de Middellandse Zee, maandag 21 augustus.
Toen ik nog jong was gingen we eens met het vliegtuig op vakantie. De reis naar het Griekse eiland waarvan de naam me is ontschoten was onvergetelijk. Vlak voor vertrek dook in huis allerlei gevaar op. Documenten van levensbelang konden spoorloos verdwijnen, cijfersloten zouden (eenmaal dicht) nooit meer opengaan, wie niet oplette pakte kleding van een verkeerde stapel, et cetera. In de woonkamer kwamen twee koffers te liggen die in het voorbijgaan steeds verder gevuld werden. Mij werd verboden om ook maar in de buurt van deze koffers te komen en van mijn moeder mocht ik een stripboek uitzoeken bij de sigarenwinkel. Ik was dolblij, want nu hoefden we niet naar de bieb, waar het kinderhatende, alle leespret verziekende molenpaard dat er de dienst uitmaakte mij weer zou beschuldigen van een of ander stompzinnig vandalistisch vergrijp.
In de avonduren raakte het huis doortrokken van een magie die ik kende van nieuwjaarsvieringen; beneden klonk gedempt geruzie van mijn ouders, het licht op de overloop bleef aan en steeds kwam mijn moeder met gewelddadiger stappen de trap op en weer af lopen.
Er moet op het laatste moment een gatewijziging hebben plaatsgevonden want op de luchthaven sloeg een ongekende paniek toe. Ik kan me het verwarde geschreeuw van mijn moeder nog goed voor de geest halen. Er was om de haverklap iets kwijt en ik mocht niks zeggen, en ook niet naar de
wc, want dan zouden we te laat bij het vliegtuig aankomen.
Voor de incheckbalie kon ik het niet langer houden en liet ik alles lopen. De koffers moesten open en ten overstaan van een rij wachtenden moest ik een schone broek zien aan te trekken. Nadat de douanier een met cadeaupapier gecamoufleerde heggenschaar uit de handbagage van mijn moeder viste (mijn vader zou op ons vakantieadres verjaren) hebben mijn ouders lang niet tegen elkaar gesproken en mocht ik eindelijk beginnen te lezen in mijn stripboek, over Oehoeroe de Bosjesman. Oehoeroe raakte zijn familie kwijt op de savanne en volgde de mieren om water te vinden.
De vakantie brachten we door aan het chloorzwembad bij ons appartementenhotel. Er waren geen andere kinderen om mee te spelen. Achter een hek, aan een touw, graasde een geit die ik rotte pruimen voerde. De pruimen kwamen kort na inname pruttelend aan de achterkant weer
naar buiten.
’s Avonds dronk ik cola op het balkon. Als mijn moeder niet keek, goot mijn vader er anijsdrank in. Ik sliep heerlijk. In een opwelling huurden mijn ouders een auto.”

 

Kevin van Vliet (Harderwijk, 1993)

Roddy Doyle, Gary Snyder

De Ierse schrijver Roddy Doyle werd geboren in Dublin op 8 mei 1958. Zie ook alle tags voor Roddy Doyle op dit blog.

Uit: Love

“He knew it was her, he told me. He told me this a year after he saw her. Exactly a year, he said.
—Exactly a year?
—That’s what I said, Davy. A year ago – yesterday.
—You remember the date?
—I do, yeah.
—Jesus, Joe.
He saw her at the end of a corridor and he knew. Immediately. She was exactly the same. Even from that far off. Even though she was only a shape, a dark, slim shape – a silhouette – in the centre of the late-afternoon light that filled the glass door behind her.
—She was never slim, I said. He shrugged.
—I don’t even know what slim means, really, he said. He smiled.
—Same here, I said.
—I just said it, he said. —The word. She was a tall shape – instead.
—Okay.
—Not a roundy shape.
—She’s aged well, I said. —That’s what you’re telling me.
—I am, he said. —And she has.
—Where was the corridor? I asked him.
—The school, he said.
—What school?
—The school, he said again.
—We didn’t know her in school, I said.
I knew he didn’t mean the school we’d both gone to. We’d known each other that long. I’d said it – that we hadn’t known her in school – to try to get him to be himself. To give back an answer that would get us laughing. He was the funny one.
[ Return to the review of “Love.” ]
—My kids’ school, he said.
—Hang on, I said. —It was a parent–teacher meeting?
—Yeah.
—The woman of your dreams stepped out of the sun and into a parent–teacher meeting?
—Yep.
—Thirty years after the last time you saw her, I said. —More, actually. Way more. Thirty-six or seven years.
—Yeah, he said. —That’s it, more or less. What did you say there? That she stepped out of the sun.
—I think so, yeah.
—Well, that’s it, he said. —That’s what happened.”

 

Roddy Doyle (Dublin, 8 mei 1958)

 

De Amerikaanse dichter Gary Snyder werd geboren op 8 mei 1930 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Gary Snyder op dit blog.

 

December in Yase

Je zei, die oktober,
In het hoge, droge gras bij de boomgaard
Toen je ervoor koos om vrij te zijn,
“Ooit weer, misschien over tien jaar.”

Na de universiteit zag ik je
Één keer. Je was vreemd.
En ik was geobsedeerd door een plan.

Nu zijn tien jaar en meer
Verstreken: ik heb altijd geweten
waar jij was-
Ik was misschien naar je toe gegaan
In de hoop je liefde terug te winnen.
Je bent nog steeds single.

Ik deed het niet.
Ik dacht dat ik het alleen moest redden. Ik
Heb dat ook gedaan.

Alleen in dromen, zoals deze dageraad,
Keert de ernstige, machtige intensiteit
Van onze jonge liefde
Terug in mijn geest, in mijn vlees.

We hadden waar de anderen
Allemaal naar hunkeren en zoeken;
We lieten het achter ons met negentien.

Ik voel me heel oud, alsof ik
Vele levens heb geleefd.
En zal nu misschien nooit weten
Of ik een dwaas ben
Of gedaan heb waar mijn
karma om vraagt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Gary Snyder (San Francisco, 8 mei 1930)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e mei ook mijn blog van 8 mei 2020 en eveneens mijn blog van 8 mei 2019 en ook mijn blog van 8 mei 2018 en ook mijn blog van 8 mei 2016 deel 3.

Christoph Marzi, Volker Braun

De Duitse schrijver Christoph Marzi werd geboren op 7 mei 1970 in Mayen. Zie ook alle tags voor Christoph Marzi op dit blog.

Uit: Mitternacht

„Alle Bücher träumen von Geschichten. Diesen Satz dachte Nicholas James, als er erwachte. Sie fürchten sich vor dem Vergessenwerden. Der Gedanke fühlte sich fremd an, wie etwas, das eigentlich nicht ihm gehörte, aber dennoch zu ihm gekommen war wie ein Fundstück, über das man zufällig stolpert, während man abwesend an etwas ganz anderes denkt. Er öffnete die Augen und blinzelte in die schattenhelle Kajüte, die ihm selbst jetzt, in der Nacht, vertraut war. (Kein Wunder, sie war auch nicht besonders groß.) Das Licht der Straßenlaterne vom Uferweg flutete sanft die Stille und streifte das Durcheinander in der schmalen und engen Behausung gemeinsam mit dem Mondlicht, das sich nicht von den Gardinen einfangen ließ. Durch das gekippte Fenster wehte kühle Luft herein, das leise Plätschern des Wassers im Kanal und die fernen Nachtgeräusche von Camden Town im Schlepptau. Benommen dachte Nicholas zuerst an das Notizbuch, das drüben auf dem Esstisch lag und das er mit einem Roman, seinem zweiten, zu füllen gedachte. Das, was er gerade gedacht hatte, würde bestimmt einen guten Anfang für einen Roman abgeben. Alle Bücher träumen von Geschichten. Er überlegte, ob er aufstehen sollte, um den Satz zu notieren, doch lieber gähnte er und blieb liegen. Dann dachte er an den Traum, den er gerade vergessen hatte. Das tat er eigentlich fast immer: Er träumte — und dann vergaß er, wovon er geträumt hatte, aber er spüre, dass da bis vor wenigen Augenblicken noch ein Traum gewesen war und ihn beschäftigt hatte. Kurz fragte er sich, ob dieser Satz womöglich aus jenem frisch vergessenen Traum stammte. Egal! Er lächelte verschlafen und zufrieden, drehte sich auf dem schmalen Bett zur Seite und knüllte sich das Kopfkissen bequem. In dem Moment bemerkte er die Silhouette des Mannes, der neben seinem Bett stand und ihn beobachtete. Das war der Augenblick, in dem sich sein Leben änderte und die Dinge ins Rollen kamen. »Wer sind Sie?« Nicholas setzte sich ruckartig auf. Das Herz schlug ihm auf einmal bis zum Hals. Der Mann, der nur ein Schatten und darüber hinaus noch sehr dünn war (ein dünner Schatten, könnte man sagen), erschrak ebenfalls. So jedenfalls schien es. Er fuhr zurück, ein wenig nur, machte aber keine Anstalten abzuhauen. »Niemand«, sagte er leise. Eine Stimme wie Honig, Whiskey, Sturm. Er klang überrumpelt. War das etwa ein Akzent? Schottisch? Nicholas James erkannte die Sprache seiner Heimat, auch wenn jemand die Sprachmelodie zu verbergen versuchte. »Was tun Sie hier?« Der dünne Schatten kam näher. Er hatte stechend blaue Augen in einem hageren Gesicht, zornig aussehende Brauen, dazu weißes Haar, widerborstig hoch stehend, und dennoch eine elegante Erscheinung, fast ein Gentleman aus dem Fernsehen.“

 

Christoph Marzi (Mayen, 7 mei 1970)

 

De Duitse dichter en schrijver Volker Braun werd geboren op 7 mei 1939 in Dresden. Zie ook alle tags voor Volker Braun op dit blog.

 

De levenswandel van Volker Braun

Ik ben op een zondag geboren en achtervolgd
door het geluk:
Niet uiteengerukt door bommen, niet uitgeteerd
Door de ene honger na de andere.

In het verre venijn van de ether, de haat
Ben ik niet gestikt, noch in de walm van de
boekenmagazijnen
Het slappe aftreksel van de burelen.

Ik groeide op aan de groenige grens tussen stad
en land
Die langzaam verbrokkelt onder onze ledematen
En verdeel mijn tijd tussen distels en compressoren.

(Dat is allemaal van mij, zolang ik denken kan.)

Geluk, zeg ik, ik weet hoe het schaarse goed smaakt.
Ik heb landschappen ontsloten en vertrapt,
ik zag de akkers van Saksen
Aaneengroeien en fabrieken woeden.

Ja, ik kan van geluk spreken, de bloedbaden zijn ver weg.
Verder dan mijn huid komen de slagen niet.
Ik wijk niet uit en brul, je hoort het, zonder
schaamte.

En ik voel, verzot op mijn provincie,
Hier wordt de wereld een voorbeeld van mildheid gesteld
Van onverbiddelijke mildheid, van milde beslistheid.

(Dat vereist de lange adem van miljoenen rustige
longen.)

Maar ik zie gelukkig dat dit alles weinig is
En mijn dag niet gevuld is tot de uiterste, tedere rand.
De werken van mijn land zijn thans gering.
Hoezeer lijk ik erop! De vrolijkste van mijn wensen
Sterven. Te ver uiteen bloeit ons zachte
brein.
En wat zeg ik helemaal. (Wat heb ik te zeggen?)

(Maar mijn kameraden achter de oostelijke grenzen
denken zoals ik.)

Ik leef met velen en draag mijn zinnen bij.
Wat zijn wij alleen, zeg ik. Wat moet ik met die
verzotheid?
Aan alleen maar een land verspil ik mijzelf niet langer.

En niet langer gelaten loop ik onder de witte
en bruinige stammen
Die langs omwegen kruipen naar het meer of minder
geprezen land
Verschillend gescheiden of zich met stalen buizen
aaneenlassend.

(Ja, ik zeg: in deze veldslag met elkaar is
ieder slachtoffer alleen maar meegenomen.)

Ik, gevormd uit de stof van vele geslachten
Die ik in mij voel, van een gemengd gezelschap
de voortzetting
Met gemengde gevoelens hunker ik naar beslissingen.
Een ogenblik lang zie ik in de schemering mijn
scheenbenen glimmen
Als het gebeente van een dode, en ik lig afwezig van mijzelf
En vraag me af of ik niet teveel praat

Niet teveel praat voor ons lijf en goed.

 

Vertaald door Ab Bertholet

 

Volker Braun (Dresden, 7 mei 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e mei ook mijn blog van 7 mei 2020 en eveneens mijn blog van 7 mei 2019 en ook mijn blog van 7 mei 2018 en ook mijn blog van 7 mei 2017 deel 2.

Laura Accerboni

De Italiaanse dichteres Laura Accerboni werd op 7 mei 1985 geboren in Genua, waar zij Moderne Letterkunde studeerde. Haar eerste bundel, “Attorno a ciò che non è stato”(Rondom dat wat niet was), verscheen in 2010. In 2015 volgde “La parte dell’annegato” (Het spel van het verdrinken). Accerboni is naast dichter en fotograaf redacteur van het literair tijdschrift Steve. Samen met Elio Grasso vertaalde ze werk van de Amerikaanse dichter Taje Silverman. Haar werk is gepubliceerd in een groot aantal tijdschriften, waaronder Italian Poetry Rewiew, Poesia, Specchio della Stampa, Gradiva, Steve en Loch Raven Review.

 

The lights

The lights.
You have to turn out the lights.
Otherwise
the veins show up too much,
they throb from the heat
they no longer flower.
But don’t you see the exact point
where the wire germinates?
It’s only a bare wire . . .
You blame the outlet
that’s always on your wrist
but it’s not beating
it’s blue
deep down
it’s always blue
but it’s not beating.

 

Vertaald door George Tatge

 

Gisteren stopte de grootste jongen

Gisteren stopte de grootste jongen
een steen
tussen zijn tanden
en begon te kauwen.
Hij toonde
zijn moeder
wat een mond vermag
die tot het uiterste gedreven wordt
en dat een vernield huis
niet méér is dan een vernield huis.
Gisteren hebben alle grotere jongens
hun vijanden uitgehongerd
en hun speelgoed haastig bij elkaar gezocht.
Ze hebben hun moeder
de orde
en de tucht van de doden getoond
en zijn daarna snel
hun handen gaan wassen
en gaan luisteren
naar het nieuws
in de vorm van wiegeliedjes.

 

Vertaald door Frans Denissen en Hilda Schraa

 

Laura Accerboni (Genua, 7 mei 1985)

Hélène Gelèns, Roni Margulies

De Nederlandse dichteres Hélène Gelèns werd geboren in Bergschenhoek op 6 mei 1967. Zie ook alle tags voor Hélène Gelèns op dit blog.

 

eerst olifantshuid kweken

ik wil beproeven naakt te zijn maar wacht
moeials zwaaien met spandoeken: vel is kwetsbaar!
vel moet geleidelijk wennen aan blootstelling!
een halfuur blootstelling bij startkracht loom
leidt bij ongehard vel al tot onherstelbare schade!
ik neem heus veltype en startkracht in acht
maar spandoekers versperren mij de weg
roepen: bedek de blootgestelde delen!
voorkom overmatige blootstelling!
ik kies woorden met hoge beschermfactor
spuug ze in alle richtingen (dat werkt
vooral als je erg bibbert of sterk zweet
ik zweet licht) niet langer wachten nu
hup! mijn lijf maakt wel hulpstoffen aan

 

opstartmodes

gisteren zouden we bloot zijn en beginnen
truien jurkjes t-shirts vlogen door de lucht
sommigen vingen zoveel mogelijk slipjes
een enkeling gaf zich werkelijk bloot
de meesten keken op sokken toe hoe
een van ons zelfs haar oude huid afstootte
tot het doorschijnend en half in vorm
oprimpelde er zachtglanzend rozerood vel
tevoorschijn kwam en iedereen wegkeek
zullen we haar vandaag nog terugzien?
zal iemand haar nog herkennen?
vandaag spelen we de eeuwige beginner

 

niet beginnen bij het hoofd

niet beginnen bij het hoofd
niet bij de voet
niet bij de hand
niet bij de pink
van de linkerhand van meneer herbert

beginnen bij vingertoppen
niet bij de
niet bij mijn – besmeurd met inkt
beginnen bij toevallige: die virginale
vingertoppen van een aangestaarde
wier ogen en tong haar verraden:
niet bijdehand niet bij de pinken

bij vingertoppen die glijden zoals
ze zouden glijden en prikken
zoals ze zouden en kittelen
ze trekken een krullende lijn in de lucht
haar blik kleft erachter erboven eronder
beginnen bij haar zin
in vingertoppen tintelt gemis

over naar mijn vingertoppen
ze tintelen
tot ik tast

 

Hélène Gelèns (Bergschenhoek, 6 mei 1967)

 

De Turkse schrijver, dichter, vertaler en journalist Roni Margulies werd geboren op 5 mei 1955 in Istanbul. Zie ook alle tags voor Roni Margulies op dit blog.

 

OUD

Ik had een trui,
blauw. Turqoise. Hemelsblauw.
Het was mijn lievelingstrui, die ik het meest droeg.
We hebben zoveel samen gezien en meegemaakt,
van verre werd ik aan zijn kleur herkend.

Hij was een cadeau van Elsa.
Hij werd oud.

Zijn ellebogen sleten, zijn mouwen lubberden.
Hij hing als een zak om me heen, werd onhoudbaar.
Zijn rafels vielen niet meer te repareren.
Ten slotte stuurde mijn moeder hem op een dag
samen met andere oude spullen naar het bejaardentehuis.

Die dag had ik trouwens
Elsa al in geen jaren meer gezien.

In de straten van Istanbul zwerft nu
een oude man met een blauwe trui.
Hij gaat winkels in, kijkt uit over zee.
Soms lijkt het alsof ik hem werkelijk zie.
Dat bewijst dat Elsa ooit van mij hield.

 

Vertaald door Sytske Sötemann

 

Roni Margulies (Istanbul, 5 mei 1955)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e mei ook mijn blog van 6 mei 2020 en eveneens mijn blog van 6 mei 2019 en ook mijn blog van 6 mei 2018 deel 3 en eveneens deel 4.

Een vreemde vrijheid (Ingmar Heytze), Roni Margulies

 

Bij Bevrijdingsdag

 

Het bevrijdingsmonument in Venlo

 

Een vreemde vrijheid

Vreemde vrijheid, kun je zeggen, binnen zitten
op verzoek zodat het morgen niet verplicht is, vrij

om te verwelken achter dubbel glas of te verrekken
op ic’s en in verpleegtehuizen, spooksteden vol

geloken luiken, frisse lucht om naar te happen
vanaf je Frans balkon, slapeloos kijken
waar nog licht brandt.

Maar je kunt ook zeggen: vrijheid is meer
dan doen wat je niet laten kunt, iets anders
dan gratis geluk voor iedereen.

Vrijheid, vandaag, is geschiedenis schrijven
door thuis te blijven, indrukwekkend afwezig zijn
om redenen die ons bewegen.
Vrijheid blijkt iets wat je weg kunt geven.

 

Ingmar Heytze (Utrecht, 16 februari 1970)
De Bevrijdingsboom in Utrecht

 

De Turkse schrijver, dichter, vertaler en journalist Roni Margulies werd geboren op 5 mei 1955 in Istanbul. Zie ook alle tags voor Roni Margulies op dit blog.

 

ENKELVOUD

Engels is simpel. Je plakt er een s aan.
Turks is ook makkelijk: ler, lar.
Maar dan de meervoudsuitgangen van het Grieks:
die lijken absoluut niet te leren.

Haven is bijvoorbeeld limani.
Bij meer dan een wordt het limania.
Een brief is een gramma
als ze zich vermenigvuldigen: grammata.

Volkomen onnodig zijn sommige weer anders.
Sommige vrouwelijk, andere mannelijk.
Uiteindelijk laat ik ze ook maar zitten,
al die uitgangen.

Alleen herhaal ik soms,
totaal onnodig, in mijn hoofd
Het enige enkelvoud dat ik ken
Elsa, Elsa, Elsa.

 

Vertaald door Erik-Jan Zürcher

 

Roni Margulies (Istanbul, 5 mei 1955)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e mei ook mijn blog van 5 mei 2020 en eveneens mijn blog van 5 mei 2019.

Otto Baisch

De Duitse schrijver, redacteur, lithograaf en schilder Otto Baisch werd op 4 mei 1840 in Dresden geboren als zoon van de lithograaf Wilhelm Gottlieb Baisch, die daar als artistiek directeur werkte bij de hofdrukkerij C.C. Meinhold. Baisch bezocht de Annenschule, een middelbare school in Dresden. In 1852 verhuisde het gezin naar Stuttgart. Zijn vader richtte een lithografisch bedrijf op in zijn eigen huis aan de Neckarstrasse 34b. Baisch ging naar de middelbare school in Stuttgart. Daarna voltooide hij een stage als lithograaf bij zijn vader en studeerde van het voorjaar van 1860 tot 1863 schilderkunst aan de kunstacademie van Stuttgart. Na de dood van zijn vader in 1864 nam Otto Baisch in naam en voor rekening van zijn moeder de leiding van het lithografische bedrijf over, terwijl zijn broer Hermann zijn leertijd nog aan het afronden was. Naast bloem- en fruitstukken leverde hij voor Amerika vooral genrestukken op groter formaat in kleurendruk. In zijn vrije tijd van 1865 tot 1868 volgde hij lezingen over literatuur- en kunstgeschiedenis van Friedrich Theodor Vischer en Wilhelm Lübke. In 1873 gaf hij het lithografische bedrijf op. Baisch besloot zich in de toekomst aan de schilderkunst te wijden en ging naar München, waar zijn jongere broer sinds 1870 woonde. Op 1 mei 1873 begon Baisch schilderkunst te studeren aan de Academie voor Schone Kunsten in München. In tegenstelling tot zijn succesvolle broer Hermann Baisch was hij echter niet succesvol als schilder. Baisch verhuisde naar Berlijn, waar hij redacteur werd van de “Tägliche Rundschau”, opgericht in 1881. Vanaf juni 1885 werkte Baisch als redacteur van het tijdschrift “Über Land und Meer” in Stuttgart. Tegelijkertijd werd hij redacteur van de tijdschriften “Illustrirte Welt” en “Deutsche Romanbibliothek”, eveneens uitgegeven door Deutsche Verlags-Anstalt. In 1886 trouwde hij met de schrijfster Amalie Baisch, geboren Marggraff. Het huwelijk resulteerde in hun zoon Hermann Baisch. Het gezin woonde in Stuttgart in een gehuurd appartement aan de Neckarstrasse 123 in het Deutsche Verlags-Anstalt-gebouw. Otto Baisch stierf op 18 oktober 1892 in Stuttgart op 52-jarige leeftijd als gevolg van pleuritis. Zijn broer Hermann vervulde de wens van zijn overleden broer en regelde een jaar voor zijn eigen dood de publicatie van een verzameling gedichten van Otto, die hij versierde met zijn eigen illustraties.

 

Schneeglöckchen

Sei gegrüßt, du zarte Blüte,
Unter Schnee und Frost
Mit prophetischem Gemüte
Still hervorgesproßt!
“Soll der Winter ewig dauern?”
Fragt es hier und da;
Sieh, da rufst du durch sein Schauern
„Heil, der Lenz ist nah!”

Bald nun nehmt ihr an den Hagen
Grüne Spitzen wahr,
Hört die Nachtigallen schlagen
Süß und wunderbar;
Frischbelaubte Wipfel geben
Dann den Ton zurück,
Und es labt sich alles Leben
An des Lenzes Glück.

Du jedoch, die ihn vor allen
Ahnend vorempfand,
Biegst dann welk dahingefallen
Auf dem grünen Land.
Rasch ist deine Zeit verronnen,
Holdes Lenzgedicht:
Künden darfst du Frühlingswonnen,
Sie genießen nicht.

 

Gruß in die Ferne

Mag die Sonne heiter sehen,
Mädchen, auf dein liebes Haupt,
Wenn Orangenblüten wehen,
Mädchen, auf dein liebes Haupt.

Fern von dir, wie sehnlich wünsch’ ich,
Dass ich nah’ dem Himmel stände,
Seinen Segen zu erstehen,
Mädchen, auf dein liebes Haupt.

 

Otto Baisch (4 mei 1840 – 18 oktober 1892)

Echte wereld (Huub Oosterhuis), David Guterson

 

Bij 4 mei

 

Oorlogsmonument in Steenwijk

 

Echte Wereld

Meer dan vijftig jaar geleden
in de dagen dat een nieuwe tijd begon
schreef Hans Lodeizen, een dichter:
‘deze wereld is niet de echte’.

1.
Denk je in: wij hier
met tien miljoen vermenigvuldigd
zouden zeker weten
dat door met spandoeken te lopen
op blote voeten en te zingen,
wij een nieuwe oorlog
konden voorkomen,
wie zou niet –

Bereken
of door prijs te geven
de helft van onze kapitalen
wij misschien doden
zouden doen leven,
breken
de armoedespiraal.

Stel dat een oogopslag bestaat
een handomdraai
die wij door gestage oefening
kunnen leren,
en waarmee wij,
in plaats van ons dood te vechten,
het lot keren en deze wereld
veranderen in de echte –

dan zou Afghanistan
weldra een boomgaard zijn,
en Irak het stromenland weer
waar de mensheid begon
en van Gaza

tot de ceders van de Libanon
zouden vriend en vijand
dansen tot diep in de nacht
bij de bandoneon.

2.
Sinds onheuglijke tijden
staat de hoop geschreven
dat ooit grote woorden als
‘verzoening – leed geleden –
mensenrecht – schoon water – vrede’

tot een nieuwe wereld worden
eindelijk de echte.

In naam van hen
die vóór ons waren
en omwille van wie na ons komen

blijf die grote woorden dromen –
laat de hoop niet varen.

 

Huub Oosterhuis (1 november 1933 – 9 april 2023)
Dodenherdenking op de Dam in Amsterdam, de geboorteplaats van Huub Oosterhuis

 

De Amerikaanse dichter en schrijver David Guterson werd geboren op 4 mei 1956 in Seattle. Zie ook alle tags voor David Guterson op dit blog.

 

GESLOTEN MOLEN

Sommige van die bomen zijn nu verdwenen en sommige zijn er nog.
De molen, die verdween, heeft mos achtergelaten.
Tussen de bramen ligt een kluwen kabels
Bij de rivier – in de open plekken tussen dorens,
In beslag genomen chokers, een in beslag genomen motor.
Zelfs de zaagselberg is tot onkruid verwaaid,
Waartussen brandnetels niet meer te ontwijken zijn.
Ik herinner me de ochtend dat de kok
Vertrok en zijn verfrommelde schort achterliet
Onder de warme lampen terwijl plakken wentelteefjes
Rookten op de grillplaat. Ik heb genoeg vijanden gemaakt
Om de toekomst te kleuren. ik heb niets gedaan
Om het heft uit handen te geven. Mijn vriend wilde
Jack Daniel’s in het ziekenhuis en kreeg het.
Iemand probeerde me met een hamer te slaan.
We konden nergens naar toe en we gingen
Er samen heen. Terugkomen is niet erger dan
Een nare droom, denk ik, maar ik heb spijt,
Nu, van die draaiende molen.
Al die luidruchtig door de zaag gedreven bomen
In de tijd dat ik koning was.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

David Guterson (Seattle, 4 mei 1956)

 

Zie voor de schrijvers van de 4e mei ook mijn blog van 4 mei  mijn blog van 4 mei 2019 deel 2.

Erik Lindner, Erich Fried

De Nederlandse dichter Erik Lindner werd geboren op 3 mei 1968 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Erik Lindner op dit blog.

 

De sleutel

II

Lichtvlekken in het matglas beramen
hoe lang stil te staan voor een deur

uit een boodschappentas steekt een wandelstok
in de goot liggen in touw gebonden vloerkleden
op de stoeptegels kleeft een panty

twee mannen maken twee gebalde vuisten
en kussen de rug van elkaars handen
terwijl de stad oogt

past het mesje halfweg in het sleutelgat.

III

Op de tramhalte tegenover het plantsoen
staat een in haar jas verscholen meisje
klaar om iemand bij de mouw te pakken
iemand voor haar bij de revers te grijpen
met een uitgestrekte hand hangend boven
het handvat van een koffer hengsels van een tas
naast haar duim droogt de kleine tatoeage van een ster.

IV

Het belletje van de winkeldeur gaat omhoog
een jongen stapt naar voren en bestelt een brood
een man leest in een schrift en noemt een naam
op de televisie op de toonbank zingt een mevrouw
die haar borst rondt tegen het blad van de gitaar
rook draait voor het scherm en trekt naar het plafond
de man legt de hoorn op de haak en het belletje klinkt.

 

Erik Lindner (Den Haag, 3 mei 1968)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.

 

Waar leren we

Waar leren we leven
en waar leren we leren
en waar vergeten
om niet slechts het geleerde te leven?

Waar leren we slim genoeg te zijn
om de vragen te vermijden
die onze liefde niet harmonieus maken
en waar
leren we eerlijk genoeg te zijn
en omwille van onze liefde
de vragen niet te vermijden?

Waar leren we
ons tegen de werkelijkheid te keren
die ons van onze vrijheid
wil beroven
en waar leren we dromen
en wakker zijn voor onze dromen
zodat iets ervan
onze werkelijkheid wordt?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e mei ook mijn blog van 3 mei 2022 en ook mijn blog van 3 mei 2020 en eveneens mijn blog van 3 mei 2019 en ook mijn blog van 3 mei 2017 en mijn blog van 3 mei 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Wytske Versteeg, Gottfried Benn

De Nederlandse schrijfster Wytske Versteeg werd geboren op 2 mei 1983. Zie ook alle tags voor Wytske Versteeg op dit blog

Uit: Het gouden uur

“Dit is het tegenovergestelde van thuis. Dit land is in zichzelf gekeerd, de grond is uitgebeend en hard. De straten hebben geen namen, de huizen geen nummers. Vijf keer per dag galmt de luidspreker van de moskee de oproep om te bidden door heel Sarakina. Hier is het licht in de middag intens zoals jij het kende, de lucht droog zoals jij, denk ik, gewend was. De nacht is zwarter, het donker donkerder, de ruimte boven mijn hoofd overweldigend. Overdag zoek ik met Tarik naar de sporen van mensen die allang verdwenen zijn, een jongere versie van de aarde, een moment waarop alles nog openlag, ik verlies mezelf gretig in een zee van tijd. Niet ver van hier doen ze aan dagbouw, we reden er gister nog langs. Een van de bergen wordt door graafmachines systematisch ondermijnd zodat de flank ervan nu niet meer schuin en grillig afloopt, maar langzaam verandert in een ouderwets spelletje Tetris. Er zijn nette, rechte strepen uit de stenen gehakt; een keurige leegte bedreigt de berg, op een dag is er niets meer van over. Niet veel later zal niemand nog vermoeden dat die berg hier miljoenen jaren is geweest, binnen enkele decennia zal zelfs de herinnering aan de herinnering verdwenen zijn. Ik dacht dat we meer dagen zouden hebben, weken, maanden — misschien jaren. De avond voordat je vertrok leek er een als alle andere, pas achteraf werd het de avond voordat ik alles verloor. Dus verbaasde het me toen je zachtjes in mijn hand kneep alsof ik een kind was of een heel oude vrouw of getroffen door groot ongeluk. Ik probeerde de uitdrukking op je gezicht te lezen, maar je keek langs me heen naar het raam en naar het donker buiten. Nog eens kneep je in mijn hand en ik moest lachen om dat ouderwetse, troostende gebaar, wat ongemakkelijk omdat het me iemand maakte die niet voor zichzelf kon zorgen, iemand die troost nodig had. Wat?’ vroeg ik. Je glimlachte. Wanneer jij glimlacht deel je niets, integendeel. Je glimlacht als een kind dat een arm over zijn schoolwerk houdt om te voorkomen dat zijn buurman afkijkt. Je glimlachte alsof je aan een grap dacht die ik niet zou begrijpen. Wat?’ herhaalde ik. `Wat nou wat?’ zei je. Je liet mijn hand los, stond op en liep naar het raam, plukte een blaadje van de zieltogende basilicumplant die in de vensterbank stond en kauwde er nadenkend op. Nu zag ik alleen je rug nog, je smalle schouders onder je lievelingsshirt, zwart met daarop in witte letters FOR •HE LOVE OF BASS. (Die neiging van je om bij het raam te gaan staan als het buiten nog koud was maar de zon al scheen: je armen om jezelf heen geslagen en je hele bovenlichaam naar het glas gericht, hunkerend naar het kleinste beetje warmte.”

 

Wytske Versteeg (Amsterdam (?), 2 mei 1983)

 

De Duitse dichter en schrijver Gottfried Benn werd geboren in Mansfeld op 2 mei 1886. Zie ook alle tags voor Gottfried Benn op dit blog.

 

Requiem

Op elke tafel twee. Mannen en wijven
kruislings. Nabij, naakt, en toch zonder pijn.
De schedel en de borst open. De lijven
die nu voor het laatst aan het baren zijn.

Ieder drie kommen vol: van brein tot zak.
En zie Gods tempel en des duivels stal
nu borst aan borst beneden in een bak
grijnzen naar Golgotha en zondenval.

De rest: wedergeborenen in kisten:
mansbenen, kinderborst en vrouwenhaar.
‘k Zag het van twee die ooit naast de pot pisten,
als uit één moederlichaam lag het daar.

 

Vertaald door Kees van Hage

 

Gottfried Benn (2 mei 1886 – 7 juli 1956)

 

Zie voor de schrijvers van de 2e mei ook mijn blog van 2 mei 2022 en ook mijn blog van 2 mei 2021 en ook mijn blog van 2 mei 2018 en ook mijn blog van 2 mei 2017 en ook mijn blog van 2 mei 2015 deel 2 en eveneens deel 3.