Herman Franke, Migjeni, Colin Channer, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2006 en ook mijn blog van 13 oktober 2007.

 

Uit: Zoek op liefde

 

‘Er zit een enorme mol in de tuin,’ zei zijn zusje die avond. Maar niemand luisterde naar haar want de kamer zat vol met ooms, tantes, buren en politiemensen die zich keer op keer in steeds weer andere bewoordingen  afvroegen waar de jongen gebleven kon zijn.

    ‘Het heeft vast met die vlekken te maken,’ snikte zijn moeder maar zijn vader meende stellig dat je van de zenuwen niet vermist kon raken.

    ‘Dan is het eind zoek,’ zei hij. Niemand vroeg hem wat hij daar mee bedoelde.

    Pas de volgende dag onderzocht een politieman de grote molshoop in de tuin. Hij ontdekte een diepe gang waar met gemak de speurhond doorheen kon die hij eerst aan oude kleren van de jongen had laten ruiken. Na enkele minuten kwam deze hond  boven met een onderarm die aan de ene kant zo puntig was als een pijl en die aan de andere kant de vorm had van een graafschepje. Even later legde de hond nog zo’n onderarm neer voor de voeten van de wit weggetrokken politieman. Onderzoek zou uitwijzen dat het inderdaad de onderarmen waren van de verdwenen jongen. Maar hoe goed men die dag en de dagen daarna ook zocht, meer lichaamsdelen werden niet gevonden. Op het houten kruis dat zijn vader en moeder op de plek van de lugubere vondst plaatsten, verschenen precies een jaar na zijn verdwijning bloedrode vlekken die wegtrokken zodra de zon onderging. Buurtgenoten zagen er een wonder van God in, een waarschuwing aan de zondige wereld, en ze vertelden het door. Al gauw kwamen er dagelijks tientallen mensen die voor het kruis op hun knieën zonken en hun zonden beleden of voor de gezondheid van zichzelf en hun geliefden baden…. dus toen ik in die bokstent om me heen ‘dood, dood, dood’ hoorde roepen, liet ook ik me voor het kruis op de grond vallen en vroeg aan God mijn vader te sparen. Ik beloofde nooit in mijn leven geweld te zullen gebruiken als Hij ervoor zou zorgen dat mijn vader straks heelhuids de bokstent kon verlaten.“

 

Franke_2
Herman Franke (Groningen, 13 oktober 1946)

 

 

De Albanese dichter Migjeni (eigen. Millosh Gjergj Nikolla) werd geboren op 13 oktober 1911 in Shkodra. Na de servisch talige basisschool in zijn geboorteplaats bezocht hij het Sveti Jovan seminarie in Bitola (Toen Joegoslavië, nu Macedonië). Daar leerde hij o.a. Frans, Russisch, Grieks en Latijn. Toen hij was teruggekeerd naar Albanië gaf hij zijn plan om priester te worden op en werd leraar. Hij begon toen ook gedichten en proza in de Albanese taal te schrijven. Migjeni kreeg tbc en zoch tevergeefs genezing in Torre Pellice in Noord-Italië. Toen hij stierf was hij pas 26 jaar. Tijdens zijn leven werd een gedichtenbundel Vargjet e Lira (Vrije Verzen) gedrukt in Tirana, maar even later ook weer door de autoriteiten verboden. Ondanks zijn kleine oeuvre wordt hij in Albanië nog steeds gewaardeerd.

 

 

Song of Youth

 

Sing, youth, the loveliest song you know!
Sing the song that seethes within your breast,
Let your joy burst forth in passion…
Don’t hold back your song! Let it soar.

 

Sing your song, youth. I beg you sing…
Let it seize you, kiss you, inspire you to love
With youthful ardour… Let the foaming wave of feelings
Which your song arouses surge over us.

 

Sing your song, youth, and laugh like children!
Let the sound of your voice rise to the heavens
And echo back to us again, from the envious stars.

 

For we adore you, as we adore the sun.
Sing, youth! Sing your joyful song!
Laugh, youth, laugh! The world is yours.

 

 

 

Broken Melody

 

Broken melody — tear sparkling in the eye
Of a woman loved…
Please past,
Jewel lost,
A trampled dream
Lips unkissed
In the broken melody.

 

With silent sobs the naked shoulders shake,
Their whiteness dazzling…
Stabbed, stabbed with remorse
For the moments of mindlessness,
For her ruined fate,
For the happiness lost
In the broken melody.

 

Face hidden in her hands in shame,
Remorsefully the woman weeps,
With heart despairing
(A broken guitar,
A voice stifled
On lips kissed by pain
In the broken melody).

 

Silent he stands beside the woman weeping
Scolding tears of shame
That dim her eyes.
Some money on the table quickly lays
And goes away,
Leaving the woman lost
In the broken melody.

 

But when another comes, lust mounts again,
The heated blood
Pounds furiously through the veins,
Benumbing mind
… and only gasps
And grants are heard
In the horrid melody.

 

 

Vertaald door Robert Elsie

 

 

migjeni
Migjeni
(13 oktober 1911 – 26 augustus 1938)

 

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Hij begon op zijn middelbare school met het schrijven van liefdesgedichten en brieven die hij voor een dollar per stuk verkocht aan zijn mannelijke medeleerlingen. De gedichten kostten trouwens vijftig cent meer. In 1982 verhuisde hij naar New York om journalist te worden. Hij haalde een B.A. in Media Communications aan CUNY Hunter College. Na drie jaar in Atlanta gewerkt te hebben kwam hij in 1991 terug in New York en begon hij zijn eerste roman te schrijven. Ook schreef hij korte verhalen en een elevisiespel, zonder de garantie dat iets ervan gepubliceerd zou worden. De roman verscheen uiteindelijk in 1998 als Waiting In Vain en werd uitverkoren als de Critic’s Choice door The Washington Post. Een van zijn korte verhalen groeide uit tot zijn tweede roman Satisfy My Soul uit 2002. In 2004 verscheen de verhalenbundel Passing Through.

Uit: Waiting in Vain

„On the day he met Sylvia, Fire woke up in Blanche’s arms with a numbness in his soul. It was his ninetieth day of celibacy, and the night before had almost been his last, for Blanche had tied his wrists in his sleep and mounted him.

He wanted to talk to her but didn’t know how. Couldn’t decide how to do it without losing his temper or his pride. He searched the room for answers–the arched windows . . . the rattan chairs . . . the hardwood floors with the swirling grain . . .

The mattress stirred. He heard the strike of her match. Felt the heat. And the tidal pull of her lips. She was naked, and the urgency of smoking did not disturb her breasts, hard and still like turtles.

A lizard crawled from the windowsill to the peak of the angled ceiling and slid down the pole of the old brass fan whose blades were sheathed in straw. It flicked its tongue and wagged its head, shook loose a fold of skin and puffed a red balloon.

Fire watched it closely, enchanted by its beauty; Blanche sucked her teeth and said it was a nuisance. He didn’t answer, and she began to taunt it, choking it with rings of smoke till it arched its back and sprang. It fell on her belly with a thwack and did a war dance on her birthmark, a swatch of brown below her navel. She watched it for a while, amused by its bravery, then whipped her body sideways, shimmering the flesh on her hips, and spilled the lizard to the floor.

Fire closed his eyes.

Last night he’d dreamed that they’d wallowed in a muddy ditch in a sunflower field. Her belly was wet with almond oil and her nipples were gummed with molasses. A believer in fate and the wisdom of dreams, he’d been dreaming of molasses for months now. Blanche was not the woman, though. He was sure. And denial was a way of preparing for her . . . whoever she might be.

Blanche watched as he rose, snatched glances as he dressed. He was tall and rangy. His hair was a cluster of twists and curls. His body looked like a pencil sketch, proportioned but not detailed, except in the chest and upper back.

He went to the terrace and sat in a rocker beneath a brace of ferns, which rustled and fluttered like moody hens. The land cruised away below him, drained through an orchard to an old stone fence, then plunged in an avalanche of crabgrass and buttercups to a terraced farm. Beyond the valley, surreal through the mist, was the broad, flat face of Kingston.

He took a mango from a bowl and peeled it with his teeth. What would he say to her? How would he say it? She was singing in the shower now. He imagined her body–the swell of her thighs, the rise of her ass. And, of course, her breasts. When would he say it? Soon, he thought . . . but not right now.

Resting the fruit on a stack of books, he picked up the poem he’d begun the day before.

I dare not love you as you deserve.

It is not that I don’t know how.“

channer1
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Arna Wendell Bontempswerd geboren op 13 oktober 1902 in Alexandria in Louisiana. Toen hij drie was verhuisde zijn familie naar Los Angeles. Hij studeer af aan het Pacific Union College en ging in 1923 naar New York om les te geven aan de Harlem Academy.  Als student was hij al begonnen met schrijven. Voor zijn belangrijke werk The Story of the Negro (1948) ontving hij de Jane Adams Book Award. Het beroemdste boek van hem is de roman novel God Sends Sunday uit 1931. Na een graad behaald te hebben in bibliotheekwetenschappen werkte Bontemps vanaf 1943 als bibliohecaris aan de Fisk University in Nashville. Door zijn werk leverde hij een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de Afrikaans-Amerikaanse literatuur. Bontemps was een vooraanstaand exponent van de Harlem Renaissance.

 

Southern Mansion


Poplars are standing there still as death
And ghosts of dead men
Meet their ladies walking
Two by two beneath the shade
And standing on the marble steps.


There is a sound of music echoing
Through the open door
And in the field there is
Another sound tinkling in the cotton:
Chains of bondmen dragging on the ground.


The years go back with an iron clank,
A hand is on the gate,
A dry leaf trembles on the wall.
Ghosts are walking.
They have broken roses down
And poplars stand there still as death.

 

Nocturne of the Wharves


All night they whine upon their ropes and boom
against the dock with helpless prows:
these little ships that are too worn for sailing
front the wharf but do not rest at all.
Tugging at the dim gray wharf they think
no doubt of China and of bright Bombay,
and they remember islands of the East,
Formosa and the mountains of Japan.
They think of cities ruined by the sea
and they are restless, sleeping at the wharf.


Tugging at the dim gray wharf they think
no less of Africa. An east wind blows
and salt spray sweeps the unattended decks.
Shouts of dead men break upon the night.
The captain calls his crew and they respond–
the little ships are dreaming–land is near.
But mist comes up to dim the copper coast,
mist dissembles images of the trees.
The captain and his men alike are lost
and their shouts go down in the rising sound of waves.


Ah little ships, I know your weariness!
I know the sea-green shadows of your dream.
For I have loved the cities of the sea,
and desolations of the old days I
have loved: I was a wanderer like you
and I have broken down before the wind.

 

arna_bontemps
Arna Wendell Bontemps (13 oktober 1902 – 4 juni 1973)

 

 

De Amerikaanse schrijver Conrad Richter werd geboren op 13 oktober 1890 in Pine Grove, Pennsylvania. Hij werd redacteur bij een plaatselijke krant toen hij negentien was. In 1911 verhuisde hij naar Cleveland, Ohio en werd hij de privé-secretaris van een welgestelde familie. Om gezondheidsredenen trok hij later naar Albuquerque, New Mexico. Enkele van zijn boeken, zoals The Sea of Grass en The Light in the Forest werden later verfilmd. Voor The Town kreeg hij in 1951 de Pulitzer Prize for Fiction.

Uit: The Light in the Forest

The boy was about fifteen years old. He tried to stand very straight and still when he heard the news, but inside of him everything had gone black. It wasn’t that he couldn’t endure pain. In summer he would put a stone hot from the fire on his flesh to see how long he could stand it. In winter he would sit in the icy river until his Indian father smoking on the bank said he could come out. It made him strong against any hardship that would come to him, his father said. But if it had any effect on this thing that had come to him now, the boy couldn’t tell what it was.

For days word had been reaching the Indian village that the Lenni Lenape and Shawanose must give up their white prisoners. Never for a moment did the boy dream that it meant him. Why, he had been one of them since he could remember! Cuyloga was his father. Eleven years past he had been adopted to take the place of a son dead from the yellow vomit. More than once he had been told how, when he was only four years old, his father had said words that took out his white blood and put Indian blood in its place. His white thoughts and meanness had been wiped away and the brave thoughts of the Indian put in their stead. Ever since, he had been True Son, the blood of Cuyloga and flesh of his flesh. For eleven years he had lived here, a native of this village on the Tuscarawas, a full member of the family. Then how could he be torn from his home like a sapling from the ground and given to the alien whites who were his enemy!

The day his father told him, the boy made up his mind. Never would he give up his Indian life. Never! When no one saw him, he crept away from the village. From an oldcampfire, he blackened his face. Up above Pockhapockink, which means the stream between two hills, he had once found a hollow tree. Now he hid himself in it. He thought only he knew the existence of that tree and was dismayed when his father tracked him to it. It was humiliating to be taken back with his blackened face and tied up in his father’s cabin like some prisoner to be burned at the stake. When his father led him out next morning, he knew everybody watched: his mother and sisters, the townspeople, his uncle and aunt, his cousins and his favorite cousin, Half Arrow, with whom he had ever fished, hunted and played. Seldom had they been separated even for a single day.“

conrad-richter-2-sized
Conrad Richter (13 oktober 1890 – 30 oktober 1968)

Eugenio Montale, Robert Fitzgerald, Paul Engle, Paula von Preradović, Chrétien Breukers

 De Italiaanse dichter Eugenio Montale werd geboren in Genua op 12 oktober 1896. Zie ook mijn blog van 12 oktober 2007.

 

 At the Threshold

Be pleased if the wind that enters the orchard
brings back the surge of life:
here where a dead tangle of memories
sinks and founders,
there was no garden, only a reliquary.

The flapping you hear is not flight
but a commotion in the eternal womb;
you see how this strip of solitary earth
transforms itself into a crucible.

Beyond the sheer wall is rage.
If you proceed, you might bump into
perhaps you mightthe saving apparition:
here the stories are composed, the acts
that the game of the future will cancel.

Look for a broken link in the net
that holds us down, jump out and flee!
Go, I’ve prayed this for younow my thirst
will be lighter; the rust less bitter. . .

 

 

Again and Again I Have Seen Life’s Evil

Again and again I have seen life’s evil:
it was the strangled brook, still gurgling,
it was the curling of the shriveled leaf,
it was the fallen horse.

I have known no good except the miracle
that reveals the divine Indifference:
it was the statue in the drowsy trance
of noon, the cloud, the cruising falcon.

 

 

To Spend the Afternoon

To spend the afternoon, absorbed and pale,
beside a burning garden wall;
to hear, among the stubble and the thorns,
the blackbirds cackling and the rustling snakes.

 

On the cracked earth or in the vetch
to spy on columns of red ants
now crossing, now dispersing,
atop their miniature heaps.

To ponder, peering through the leaves,
the heaving of the scaly sea
while the cicadas’ wavering screech
goes up from balding peaks.

And walking out into the sunlight’s glare
to feel with melancholy wonder
how all of life and its travail
is in this following a wall
topped with the shards of broken bottles.

 

Vertaald door David Young

montale1
Eugenio Montale (12 oktober 1896 – 12 september 1981)

 

 

De Amerikaanse dichter, criticus en vertaler Robert Stuart Fitzgerald werd geboren op 12 oktober 1910 in Springfield, Illinois. Hij studeerde in Harvard en in 1931, nog tijdens zijn studie, publiceerde hij zijn eerste gedichten in Poetry Magazine. Na zijn afstuderen werkte hij een jaar voor The New York Herald Tribune en later verschillende jaren voor Time. Hij werd vervolgens poëzieredacteur bij The New Republic en volgde Archibald MacLeish op hoogleraar Rhetoric and Oratory Emeritus aan Harvard in 1965. Fitzgerald was alom gewaardeerd als een van de meest poëtische vertalers van met name Latijn en Grieks in de Engelse taal.

COSMOLOGY

Lifting yesterday’s body in the light:
Wide lonely circles and the head a stone,
A planet picked out in exploded night.
The clouds are clouds of stars, the calmly grown

Flower of time assumes its sudden stem.
In this heavenly surf the world is hung
Without a sound and lustrous like a gem,
The vision that is not inscribed nor sung.

 

LIGHTNESS IN AUTUMN

The rake is like a wand or fan,
With bamboo springing in a span
to catch the leaves that I amass
In bushels on the evening grass.

I reckon how the wind behaves
And rake them lightly into waves
And rake the waves upon a pile,
Then stop my raking for a while.

The sun is down, the air is blue,
And soon the fingers will be, too,
But there are children to appease
With ducking in those leafy seas.

So loudly rummaging their bed
On the dry billows of the dead,
They are not warned at four and three
Of natural mortality.

Before their supper they require
A dragon field of yellow fire
To light and toast them in the gloom.
So much for old earth’s ashen doom.

fitzgerald
Robert Fitzgerald (12 oktober 1910 – 16 januari 1985)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Paul Engle werd geboren op 12 oktober 1908 in Cedar Rapids. Hij studeerde aan de universiteit van Iowa, de Columbia University en in Oxford. Met zijn eerste bundel Worn Earth won hij de Yale Series of Younger Poets. Zijn tweede bundel American Song (1934) was zelfs korte tijd een bestseller. Engle gaf jaren lang leiding aan de Iowa Writers’ Workshop (1941 – 1965) en haalde grote namen als Robert Lowell, John Berryman, en Kurt Vonnegut naar de faculteit.

MOVING IN

Don’t wait for the wind to blow you through the door,
If you need help, here is my hand, I said.
Don’t let my walking on the hollow floor
Frighten you, only the dark air is dead.
People more than things can fill a house.
Sit by me on these boxes in the gloom,
Here, with our crumbs of living, like a mouse,
While the fire burns the strangeness from the room.

You answered: Something makes me want to hide
In open air from walls where cobwebs cling.
It’s here in me and not with you inside,
Neither an emptiness the years have made,
Nor a house bare of any human thing,
But being afraid that I will be afraid.

engle_paul
Paul Engle (12 oktober 1908 – 25 maart 1991)

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Paula von Preradović werd geboren op 12 oktober 1887 in Wenen. Zij debuteerde in 1933 met de bundel Dalmatinische Sonette. In 1947 schreef zij de tekst van de nationale hymne van Oostenrijk.

 

Land der Berge, Land am Strome

Land der Berge, Land am Strome,

Land der Äcker, Land der Dome.

Land der Hämmer, zukunftsreich.

Heimat bist du großer Söhne,

Volk begnadet für das Schöne,

Vielgerühmtes Österreich,

Vielgerühmtes Österreich.

Heiß umfehdet, wild umstritten,

Liegst dem Erdteil du inmitten

Einem starken Herzen gleich.

Hast seit frühen Ahnentagen

Hoher Sendung Last getragen,

Vielgeprüftes Österreich,

Vielgeprüftes Österreich.

Aber in die neuen Zeiten

Sieh uns festen Glaubens schreiten,

Stolzen Muts und hoffnungsreich.

Lass uns brüderlichen Chören,

Vaterland dir Treue schwören,

Vielgeliebtes Österreich.

 

PaulaVonP
Paula von Preradović (12 oktober 1887 – 25 mei 1951)

 

 

Gezien het geringe aantal literaire verjaardagen vandaag is er wat ruimte over:

De Nederlandse dichter Chrétien Breukers werd geboren op 28 maart 1965 in het Limburgse Leveroy. Zijn eerste gedichten schreef Breukers begin jaren tachtig, onder invloed van het werk van Adriaan Roland Holst, waar hij nog steeds een zwak voor heeft. Het zou nog tot 1990 duren voordat hij debuteerde in het tijdschrift De Tweede Ronde. Hij publiceerde daarna nog in diverse tijdschriften, zoals Maatstaf, Optima, Hollands Maandblad, Bunker Hill, de Poëziekrant en Zwart IJs. In 2004 nam hij het initiatief om de Windroosreeks nieuw leven in te blazen, en met succes. Na wat kleine geschillen met de uitgever van de reeks vertrok hij om de Contrabas op te richten. De eerste delen in die reeks verschenen in februari 2006, bij uitgeverij BnM. Breukers is hoofdredacteur (a.i.) van de gelijknamige weblog: de Contrabas.In 2006 verscheen 25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005, in 666 en een stuk of wat gedichten..

 

Werk o.a.: Vandaag in deze stad, 1991, De Stoofsteeg en andere gedichten, 1999, Korte geschiedenis van het voorafgaande, 2005, Tongebreek & Niemendal (2008)

 

GEBIEDENDE WIJS

Probeer het, wie weet of het bevalt.
Je went er aan, went er heus wel aan;
Went veel eerder dan je had gedacht.

Heeft niets te begrijpen, hoeft het niet.
Begrijpen? En áls je al begreep.
Altijd een volmaakt verkeerd moment.

Moet niet wartaal spreken, mag dat niet.
Wartaal brabbelen, moet dapper doen.
Laat dan zien dat je zo dapper bent.

Moet dapper zijn en nog meer dapper.
Moet krijger zijn en oorlog voeren.
Moet met alle vlaggen wapperen.

Nee, moet in het leven treden. Moet
hier zijn, niet alleen afzijdig. Moet
bij mij komen en gelukkig zijn.

 

Urbi, orbi, Ufarsin

Op een paarse slee word ik gebracht.
God is loom, nee, God is dood. Vanuit
mijn kist geef ik geen zegen: urbi,
orbi, ufarsin. Het lijkt alsof

het kaf van eeuwen opstuift waar ik
langs de wegen word gevoerd. Mijn keel
is als vergrendeld. Heel mijn lichaam
is geolied en gezalfd. Memento

dat er altijd iemand ergens wakker
schrikt en naar zijn lichaam tast. De slee
glijdt verder. God is bijna wakker.

Prevelt onomkeerbaarheid. Stevent
op de voordeur af. Vér weg staat een
verse roedel tamme honden klaar.

Breukers
Chrétien Breukers (Leveroy,28 maart 1965)
Sint Barbarakerk, Leveroy

François Mauriac, Conrad Ferdinand Meyer, Han Resink, Christoph Peters, Richard H. W. Dillard, Pierre Jean Jouve

De Franse schrijver François Mauriac werd op 11 oktober 1885 geboren in  Bordeaux. Zie ook mijn blog van 12 oktober 2006 en ook mijn blog van 11 oktober 2007.

 

Uit: Le Baiser au lépreux

 

„Jean Péloueyre, étendu sur son lit, ouvrit les yeux. Les cigales autour de la maison crépitaient. Comme un liquide métal la lumière coulait à travers les persiennes. Jean Péloueyre, la bouche amère, se leva. Il était si petit que la basse glace du trumeau refléta sa pauvre mine, ses joues creuses, un nez long au bout pointu, rouge et comme usé, pareil à ces sucres d’orge qu’amincissent, en les suçant, de patients garçons. Les cheveux ras s’avançaient en angle aigu sur son front déjà ridé : une grimace découvrit ses gencives, des dents mauvaises. Bien que jamais il ne se fût tant haï, il s’adressa à lui-même de pitoyables paroles : “Sors, promène-toi, pauvre Jean Péloueyre !” et il caressait de la main une mâchoire mal rasée. Mais comment sortir sans éveiller son père ? Entre une heure et quatre heures, M. Jérôme Péloueyre exigeait un silence solennel : ce temps sacré de son repos l’aidait à ne pas mourir de nocturnes insomnies. Sa sieste engourdissait la maison : pas une porte ne devait se fermer ni s’ouvrir, pas une parole ni un éternuement troubler le prodigieux silence à quoi, après dix ans de supplications et de plaintes, il avait dressé Jean, les domestiques, les passants eux-mêmes accoutumés sous ses fenêtres à baisser la voix. Les carrioles évitaient par un détour de rouler devant sa porte. En dépit de cette complicité autour de son sommeil, à peine éveillé, M. Jérôme en accusait un choc d’assiettes, un aboi, une toux. Etait-il persuadé qu’un absolu silence lui eût assuré un repos sans fin relié à la mort comme à l’Océan un fleuve ? Toujours mal réveillé et grelottant même durant la canicule, il s’asseyait avec un livre près du feu de la cuisine ; son crâne chauve reflétait la flamme ; Cadette vaquait à ses sauces sans prêter au maître plus d’attention qu’aux jambons des solives. Lui, au contraire, observait la vieille paysanne, admirant que, née sous Louis-Philippe, des révolutions, des guerres, de tant d’histoire, elle n’eût rien connu, hors le cochon qu’elle nourrissait et de qui la mort, à chaque Noël, humectait de chiches larmes ses yeux chassieux.
En dépit de la sieste paternelle, la fournaise extérieure attira Jean Péloueyre ; d’abord elle l’assurait d’une solitude : au long de la mince ligne d’ombre des maisons, il glisserait sans qu’aucun rire fusât des seuils où les filles cousent. Sa fuite misérable suscitait la moquerie des femmes ; mais elles dorment encore environ la deuxième heure après midi, suantes et geignantes à cause des mouches. Il ouvrit, sans qu’elle grinçât, la porte huilée, traversa le vestibule où les placards déversent leur odeur de confitures et de moisissures, la cuisine ses relents de graisse. Ses espadrilles, on eût dit qu’elles ajoutaient au silence. Il décrocha sous une tête de sanglier son calibre 24 connu de toutes les pies du canton : Jean Péloueyre était un ennemi juré des pies. Plusieurs générations avaient laissé des cannes dans le porte-cannes : la canne-fusil du grand-oncle Ousilanne, la canne à pêche et la canne à épée du grand-père Lapeignine et celles dont les bouts ferrés rappelaient des villégiatures à Bagnères-de-Bigorre. Un héron empaillé ornait une crédence.“

 

 

mauriac_1

François Mauriac (11 oktober 1885 – 1 september 1970)

 

De Zwitserse schrijver Conrad Ferdinand Meyer werd geboren in Zürich op 11 oktober 1825. Hij ging in Lausanne naar school, alwaar hij in contact kwam met de Franse literatuur: in zijn jeugd sprak hij dan ook overwegend Frans, ofschoon hij tweetalig was. Zijn vader, die ambtenaar was, stierf in 1840, zodat Meyer aan de zorgen van zijn moeder toevertrouwd werd; haar rigoureuze calvinisme en wankele mentale toestand moeten waarschijnlijk een invloed op Meyers persoonlijke psyche hebben uitgeoefend. Hij was daarentegen zeer gehecht aan zijn zuster, Betsy. Zijn eerste poëtische probeerselen waagde hij niet naar buiten te brengen, omdat zijn moeder geen heil in een schrijverscarrière zag. In 1852 werd Meyer met een depressie in de zenuwkliniek Préfargier nabij Neuenburg opgenomen, waar hij een jaar bleef. Nadat zijn moeder in 1856 zelfmoord gepleegd had en haar fortuin aan haar zoon had nagelaten, hoefde Meyer zich nimmermeer om financiële beslommeringen te bekommeren. De impuls voor Meyers literaire activiteit kwam na een reis doorheen Italië in 1858. Zijn eerste d
ichtbundel, Zwanzig Balladen von einem Schweizer, was anoniem gepubliceerd. Door de Frans-Duitse oorlog in 1870 aangemoedigd, koos Meyer de kant van de Duitse cultuur: zijn versepos Huttens letzte Tage werd een groot succes in Duitsland. Hierdoor kreeg Meyer eindelijk zelfvertrouwen, en hij toog aan de arbeid. Das Amulett, zijn eerste novelle, werd een der beroemdste in haar genre. Meyers geliefkoosde stof was de overgang van de Middeleeuwen naar de Renaissance: dit was een scharniermoment waarop de mens zich loswrikte uit oude autoriteitsbolwerken en een enorme persoonlijke macht toebedeeld kreeg. In Jürg Jenatsch schildert hij het verhaal van een volksheld uit Graubünden, die een hopeloze oorlog voert en er uiteindelijk alles voor opoffert. Desondanks blijft bij Meyer een latente christelijke moraal aanwezig.

In 1882 publiceerde Meyer een boek met Gedichte: het waren balladen, epische verzen en gedichtjes waaraan hij jarenlang gewrocht had, die tijdens zijn leven nog negenmaal heruitgegeven zouden worden. Bekende gedichten van hem, zoals ‘Der römische Brunnen’, oefenden invloed uit op Rilke en George; daarenboven zijn er in het werk van Meyer reeds elementen aanwezig die het expressionisme aankondigen.

 

 

Zwei Segel

 

Zwei Segel erhellend
Die tiefblaue Bucht!
Zwei Segel sich schwellend
Zu ruhiger Flucht!

 

Wie eins in den Winden
Sich wölbt und bewegt,
Wird auch das Empfinden
Des andern erregt.

 

Begehrt eins zu hasten,
Das andre geht schnell,
Verlangt eins zu rasten,
Ruht auch sein Gesell.

 

 

Der römische Brunnen

 

Aufsteigt der Strahl und fallend gießt
Er voll der Marmorschalen Rund,
Die sich verschleiernd, überfließt
In einer zweiten Schale Grund;
Die zweite gibt, sie wird zu reich,
Der Dritten wallend ihre Flut,
Und jene nimmt und gibt zugleich,
Und strömt und ruht.

 

 

Auf dem Canale Grande

 

Auf dem Canal grande betten
Tief sich ein die Abendschatten,
Hundert dunkle Gondeln gleiten
Als ein flüsterndes Geheimnis.

 

Aber zwischen zwei Palästen
Glüht herein die Abendsonne,
Flammend wirft sie einen grellen
Breiten Streifen auf die Gondeln.

 

In dem purpurroten Lichte
Laute Stimmen, hell Gelächter,
Überredende Gebärden
Und das frevle Spiel der Augen.

 

Eine kleine, kurze Strecke
Treibt das Leben leidenschaftlich
Und erlischt im Schatten drüben
Als ein unverständlich Murmeln.

 

meyerkonrad

Conrad Ferdinand Meyer (11 oktober 1825 – 28 november 1898)

 

 

De Nederlands / Indonesisch dichter, essayist en geleerde.Gertrudes Johannes (Han) Resink werd geboren in Jogjakarta op 11 oktober 1911. Voor de Tweede Wereldoorlog was Resink actief in De Stuw-groep, een organisatie die streefde naar de onafhankelijkheid van toenmalig Nederlands-Indië en de vorming van een democratische rechtstaat, met behoud van de banden met Nederland. Resink publiceerde in De Fakkel, Oriëntatie, Indonesië en Ons Erfdeel. In 1950 nam Resink de Indonesische nationaliteit aan en van 1947 tot 1976 was hij hoogleraar aan de juridische faculteit van de Universitas Indonesia. Hij bleef tot zijn dood in Jakarta wonen. Binnen de Nederlandse literatuur neemt Resink een unieke positie in. Hij is de enige die Europese literaire vormen combineert met een echt Indonesisch levensgevoel.  Resink publiceerde verschillende essays over Joseph Conrad en diens spiritueel-culturele raakvlakken met het werk van Rimbaud, Debussy en Multatuli. Zijn historisch-rechtskundige studiën, waarin hij de mythe van ‘vier eeuwen Pax Neerlandica’ ontzenuwt, verschenen in Engelse vertaling onder de titel Indonesia’s History between the Myths (1968).

 

 

Dierenbloementuin

 

Zie, ik ontvang in openbaar gehoor

de hoge hanekam, de leeuwenbek,

de eendensnavel en de olifantsoor,

de kattenknevel en de kippedrek.

 

En langs mijn eenzaam overschreden pad

staan tijgerlelies en de vlinderbloem,

wolfsklauw en witte en rode schorpioen

en hertshoornvarens en glad slangenblad.

 

Geen heimwee naar de mens doorgeurt dit feest.

Slechts bij de bruidstraan blijf ik even staan

– niet lang, want het herinnert er maar aan,

dat ‘k ook niet meer ben dan een bloeiend beest.

 

 

 

Nachtelijke vangst

 

Bij eb gaan fakkelvuren in de nacht

het rif op, dat nu drooggevallen is,

om vrouwen bij te lichten waar in schacht

na schacht de zee bleef staan om kwal en vis

en anemoon. Stil wordt de moord volbracht

aan wat krioelt in de koralen krochten.

De zeester slechts ontsnapt, onaangevochten,

de hemel in en beeldt er hoog de pracht

uit van Bérénice’s hoofdhaar.

 

Resink

Han Resink (11 oktober 1911 – 4 september 1997)

 

De Duitse schrijver Christoph Peters werd geboren op 11 oktober 1966 in Kalkar. Na het gymnasium studeerde hij van 1988 tot 1994 schilderkunst aan de Staatliche Akademie der Bildenden Künste in Karlsruhe. Tot 2000 woonde hij in Mainz, tergenwoordig in Berlijn. Peters ontving diverse literaire prijzen, waaronder de Aspekte-Literaturpreis en de Niederrheinische Literaturpreis der Stadt Krefeld.

 

Werk o.a.: Stadt, Land, Fluß. Roman.(1999), Das Tuch aus Nacht. Roman.(2003)

 

Uit: Ein Zimmer im Haus des Krieges (2006)

 

„Zwischen Gebeten der Traum: Arua hat mich angeschaut. Ein langer Blick für den Bruchteil einer Sekunde. Weder Ermutigung noch Abscheu. Zwei schwarze Löcher, in denen alles verschwand. Dann schloß sie die Augen und drehte sich weg. Das Haar fiel offen über die Schultern. Sie hätte es verhüllen müssen. Trauer, von der ich wach geworden bin. Das falsche Gefühl. Zumindest nicht Angst. Um mich herum war es finster. Die Glut in der Feuerstelle gab kein Licht an den Raum. Ich richtete mich auf. El Choli stand scharf umrissen im Eingang der Höhle. Sein Maschinengewehr teilte Himmel und Landschaft. Draußen schien die Nacht ungewohnt hell. Mond beleuchtete die Bergrücken, harte Schatten von Vorsprüngen auf den Hängen. Unter der Decke hing kalter Rauch. Er steckte in Kleidern, Laken, füllte bitter den Mund. Achmed phantasierte. Jamal rang mit einem Alp. Die Luft war schwer von Ausdünstungen.

Ich stand auf, tastete nach dem Teppich, schlich zum Eingang. El Choli fuhr erschrocken zusammen. Wortlos ging ich an ihm vorbei. Sein Mißtrauen folgte mir. Einen Moment lang dachte ich, er würde durchdrehen, schreien, schießen. Nichts geschah. Die Sterne leuchteten grell, ihre Anordnung ließ keine Gesetzmäßigkeit erkennen. Ich kniete nieder, legte die Hände auf den Sand, blies den Staub von den Flächen und reinigte mich. Dann breitete ich den Teppich aus und wandte mich nach Mekka.

Sprich: Er ist Gott, der Eine. / Gott, der Undurchdringliche.

/ Er zeugt nicht und ward nicht gezeugt / und da ist

keiner, der Ihm gleicht.

Aruas Traumgesicht löste sich nicht auf. Ich wurde nicht still. Um mich herum arbeitete der Fels, Brocken stürzten ab, Kies rutschte nach. Ich saß, ich sitze hier, versuche Kraft zu sammeln, die

Gedanken zu ordnen. Sie schweifen, jagen Bilder einer Vergangenheit, die kaum noch meine ist: Mutter, fett und allein, Nüsse kauend beim Fernsehen; frühmorgens im grauen Hosenanzug, rechts die Kaffeetasse, links das Käsebrot; froh über ihre Unkündbarkeit als Finanzbeamtin im

mittleren Dienst; eine Art Liebe. Der Blick von der Anhöhe auf das Rheintal, Dunst über dem Wasser, Haschischrauch im Mund, die Flasche in der Hand, Grillen, laut wie ein Güterzug. Im Rock-Café: Warten auf den Mann, der einen Zopf tragen und sich »Falko« nennen wird. Noch ehe er

sich vorstellt, weiß ich, welchen Geschmack Verrat hat.“

 

peters

Christoph Peters (Kalkar, 11 oktober 1966)

 

De Amerikaanse dichter, essayist en vertaler Richard H. W. Dillard werd geboren op 11 oktober 1937 in Roanoke, Virginia. Dillard doceert al sinds 1964 creatief schrijven, literatuur en film aan Hollins University.

Werk o.a.: Sallies (2001), The Day I Stopped Dreaming About Barbara Steele and Other Poems (1966) and News of the Nile (1971), After Borges (1972) and Just Here, Just Now (1994), The Greeting: New & Selected Poems

 

 

Great Summer Sun, Great Summer Sun   

 

Today I don’t feel down so much as dazed,
As though this summer sun and thick hot heat
Has emptied early all the livelong day,
Has somehow drained the better part away
Of what I am, may be, might wish to be
To summer indolence and summer haze.

Layers of leaves filter the sun’s hot rays
Into quick trembles and green sway, a breeze
Yes, but hot, smothered, even the shade
Less shadow than muted heat, shelter betrayed,
This tangle of shrubs, hung vines, bent trees,
A chaos, clutter of light and leaf, dismay.

Then finally twilight, sunset, sun’s last blaze,
A first star so bright it seems unreal,
The curving winks of fireflies in the gray
That slowly fills the air, a moving spray
Of speckled light, the rising night, peals
Of stars, stars, a sky ringing with praise.

dillard_rhw

Richard H. W. Dillard (Roanoke, 11 oktober 1937)

 

De Franse dichter en schrijver Pierre Jean Jouve werd geboren op 11 oktober 1887 in Arras. In 1915 verscheen van hem de dichtbundel Vous êtes des Hommes. Tijdens WO I diende hij als verpleger en raakte hij bevriend met o.a. Romain Rolland. Behalve gedichten schreef Jouve ook een aantal romans, waarin hij als aanhanger van Freud psychoanalytische thema’s verwerkte, zoals  Paulina 1880, Hécate, en in 1931 Vagadu.

 

 

ADIEU

 

I
Noir. Noir. Sentiment noir.
Frappe image noire un coup retentissant sur le gong du lointain
Pour l’entrée à l’épaisseur bien obscure de ce coeur
L’épaisse cérémonie à la longue plaine noire
De l’intérieur et de l’adieu, de minuit et du départ!

Frappe, comme un gong noir à la porte d’enfer!
Un aigre vent soulève les roseaux des sables
Confond les monts
Sous les nuées de mauvais temps de la mémoire
Fait retomber la vague en éclatante blancheur dans le néant.

C’est la journée épaisse intime où Elle part
Jetant un dernier oeil aux prouesses d’amant,
Où il quitte, quelques maigres longueurs encor de faible sable
Et poussant la vieillesse de l’âge un aigre vent.

Noir, noir, sentiment noir, oh frappe clair et noir
Pour l’épaisse cérémonie à la terre sans lendemain
Portant comme un socle divin le monument de leur départ.

 

II
De longues lignes de tristesse et de brouillard
Ouvrent de tous côtés cette plaine sans fin
Où les monts s’évaporent puis reprennent
A des hauteurs que ne touche plus le regard:
Là où nous sommes arrivés, donne ta main,

Puis aux saules plus écroulés que nos silences
A l’herbe de l’été que détruisent tes pieds
Dis un mot sans raison profère un vrai poème,
Laisse que je caresse enfin tes cheveux morts
Car la mort vient roulant pour nous ses tambours loin,

Laisse que je retouche entièrement ton corps
Dans son vallon ou plage extrême fleur du temps
Que je plie un genou devant ta brune erreur
Ta beauté ton parfum défunt près du départ
Adorant ton défaut ton vice et ton caprice
Adorant ton abîme noir sans firmament.

Laisse ô déjà perdue, et que je te bénisse
Pour tous les maux par où tu m’as appris l’amour
Par tous les mots en quoi tu m’as appris le chant.

 

Jouve

Pierre Jean Jouve (11 oktober 1887 – 8 januari 1976)

Menno Wigman, Ferdinand Bordewijk, Harold Pinter, Claude Simon, Boeli van Leeuwen, James Clavell

De Nederlandse dichter en vertaler Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966. Hij groeide op in Santpoort. Hij debuteerde vrij jong: in 1985 verscheen Two poems, een door zijn leraar Oude talen, Willem Kramer, in kleine oplage gedrukt boekje, met een linosnede van Lex ter Braak. Bij dezelfde marge-drukker, Mercator Press, verschenen nog een zestal uitgaven. In 1984 verhuisde Wigman naar Amsterdam om Nederlands te studeren. In deze jaren publiceerde hij ook een dichtbundel in eigen beheer en gaf hij een literair eenmanstijdschrift uit. Zijn scriptie ging over de jonggestorven dichter Nico Slothouwer. Zijn officiële debuut verscheen in 1997 onder de titel ‘s Zomers stinken alle steden. De bundel werd goed ontvangen en spoedig herdrukt. Omdat hij naar eigen zeggen slechts éen of twee goede gedichten per jaar schrijft, verscheen vijf jaar later Zwart als kaviaar, waarvoor hij de Jan Campertprijs kreeg. De eveneens herdrukte bundel Dit is mijn dag verscheen in 2004. In 2005 verbleef hij drie maanden als poet in residence in de psychiatrische instelling Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder, waar hij een dagboek bijhield dat in 2006 verscheen. De neerslag van dat verblijf is eveneens te vinden in de Gedichtendagbundel De wereld bij avond.

Menno Wigman was redacteur van Zoetermeer en Mosselvocht, en is tegenwoordig verbonden aan het digitale tijdschrift Boekwinkeltjes.nl en de literaire tijdschriften Awater en Kinbote. Hij vertaalde gedichten van Baudelaire, Thomas Bernard, Else Lasker-Schüler en Rilke, en proza van Leopold Andrian en Gérard de Nerval. Zie ook mijn blog van 2 augustus 2006.

 

 

Dit is mijn dag

Vanochtend werd ik wakker in een droom
van iemand die een huid van vlees bewoont.

Ik kon niet vluchten, ik was geen Tsjwang Tse
die had gedroomd dat hij een vlinder was

en zich bij ochtendlicht afvroeg of hij,
Tsjwang Tse, gedroomd had een vlinder te zijn

of dat de vlinder droomde als Tsjwang Tse
te ontwaken, nee, ik was een mens,

een taai skelet met tweeëndertig tanden,
twee handen en een tragisch intellect

dat met een angst voor klokken was behept.
Maar langzaam, bijna heilig, stond ik op,

gaf mijn gezicht een hand en ritste mijn
gedachten dicht. Dit is mijn dag, wist ik.

Hier lonkt een spiegel naar verwonderd licht.
Daar breekt een vlinder uit. En dat ben ik.

 

Misverstand

Dit wordt een droef gedicht. Ik weet niet goed
waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand
of drie geloof ik meer en meer dat poëzie
geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte
die je met een handvol hopeloze idioten deelt,

een uitgekookte klacht die anderen vooral verveelt
en ’s nachts – een heelkunst is het niet.
De kamer blijft een kamer, het bed een bed.
Mijn leven is door poëzie verpest en ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

wigman
Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

 

De Nederlandse schrijver Ferdinand Bordewijk werd geboren op 10 oktober 1884 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006 en mijn blog van 10 oktober 2007.

 

Uit: Opnieuw surrealisme  ‘Conserve’, boek voor weinigen

 

Conserve is voor mij in de eerste plaats een sprekend geval van de puberteitsmoeilijkheden van de kunstenaar. Deze treden later, soms veel later in dan die in algemeen biologische betekenis. Ik meen, dat de kritieke periode zich in casu reeds vroeg heeft geopenbaard, wat medebrengt, dat Hermans, indien hij zijn talent weet te behouden, spoedig tot de belangrijke schrijvers kan behoren, en, wat nog meer zegt, tot hen die oorspronkelijkheid zullen vertonen. Enige prozaïsten hier te lande hebben de laatste tijd goed werk geleverd dat op de jaarbeurs van het Europees scheppend kunstenaarsvermogen een behoorlijk figuur maakt (neem b.v. Klants Jan Klaassen of van Eckerens Paarden van Holst). Doch het zgn. Europees peil is ook nog maar een gemiddelde, en ik houd op zijn tijd van het boek, dat er uit springt, liefst naar voren, desnoods naar achteren. En vooral verheugt het mij indien een jong kunstenaar deze sprong onderneemt. Dat het ros van Hermans niet onberispelijk op zijn vier poten neerkwam, ligt aan de puberteit van de ruiter, die zich anderzijds voor zandruiterschap wist te hoeden.

Zo is dit met alle fouten een merkwaardig boek geworden, waaraan men om der wille van sommige passages veel lelijke stoornis vergeeft. Want dit staat vast: dat het tot stand kwam uit de drang een getourmenteerd innerlijk bloot te geven, dat hier geen sprake is van een poging de burger te verbluffen. Het denkleven van Hermans verkeerde toen dit werk onder zijn handen ontstond inderdaad in de regionen van het surrealisme.

Wat zal ik pogen het verhaal, waarvan de flap een kort overzicht geeft dat gebrekkig is, dat gebrekkig zijn moest – in enkele zinnen na te vertellen? De fabel toch is niet het wezenlijke in het surrealisme, omdat de schrijver daarmee allerlei kanten uit kan, mits hij maar niet het pad van de logische ontwikkeling volgt. Ook is het verhaal als zodanig niet bijster boeiend. Bewijs van jeugd en onbeholpenheid levert met name de omstandigheid, dat drie van de vier hoofdpersonen krankzinnig zijn, dat alleen deze met een betrekkelijke duidelijkheid werden getekend en dat nummer vier, relatief normaal, ook het meest vaag bleef. Hierin heeft de schrijver zich met het zorgeloos Jantje van Leiden der jeugd afgemaakt van de moeilijkheden. Het goede surrealisme occupeert zich minder met debielen en senielen dan met ‘vreemden’. Reeds deswege slaagde Dokter Klondyke beter. En toch heeft Hermans hier en daar aan zijn personages dat typisch mechanische, dat slaapwandelende meegegeven waarin het surrealisme uitblinkt. Dan zegt het boek ons veel, en vergeten wij de passages met verward geredekavel of onlogisch, maar daarnaast ook weinig aanvaardbaar gebleven handelen.”

 

bordewijk

Ferdinand Bordewijk (10 oktober 1884 –  28 april 1965)

 

 

 

De Britse schrijver Harold Pinter werd geboren op 10 oktober 1930 in Londen. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006. 

 

Uit:THE BIRTHDAY PARTY
Act One.

 

The living-room of a house in a seaside town. A door leading to the hall down left. Back door and small window up left. Kitchen hatch, centre back. Kitchen door up right. Table and chairs, centre.

PETEY enters from the door on the left with a paper and sits at the table. He begins to read. MEG’s voice comes through the kitchen hatch.

MEG. Is that you, Petey?

Pause.

Petey, is that you?

Pause.

Petey?
PETEY. What?
MEG. Is that you?
PETEY. Yes, it’s me.
MEG. What?
(Her face appears at the hatch.) Are you back?
PETEY. Yes.
MEG. I’ve got your cornflakes ready.
(She disappears and reappears.) Here’s your cornflakes.

He rises and takes the plate from her, sits at the table, props up the paper and begins to eat. MEG enters by the kitchen door.
Are they nice?
PETEY. Very nice.
MEG. I thought they’d be nice.
(She sits at the table.) You got your paper?
PETEY. Yes.
MEG. Is it good?
PETEY. Not bad.
MEG. What does it say?
PETEY. Nothing much.
MEG. You read me out some nice bits yesterday.
PETEY. Yes, well, I haven’t finished this one yet.
MEG. Will you tell me when you come to something food?
PETEY. Yes.

Pause.

MEG: Have you been working hard this morning?
PETEY. No. Just stacked a few of the old chairs. Cleaned up a bit.
MEG. Is it nice out?
PETEY. Very nice.

Pause.

MEG. Is Stanley up yet?
PETEY. I don’t know. Is he?
MEG. I don’t know. I haven seen him down yet.
PETEY. Well then, he can’t be up.
MEG. Haven’t you seen him down?
PETEY. I’ve only just come in.
MEG. He must be still asleep.

She looks around the room, stands, goes to the sideboard and takes a pair of socks from a drawer, collects wool and a needle and goes back to the table.

What time did you go out this morning, Petey?
PETEY: Same time as usual.

 

Pinter_Harold

Harold Pinter (Londen, 10 oktober 1930)

 

De Franse schrijver Claude Simon werd geboren op 10 oktober 1913 te Tananarive (Madagaskar) als zoon van een Franse legerofficier.

 

Uit: Tramway

 

« De même, on reste pour le moins étonné par le dramatique tableau que fait le même narrateur, au début de « Sodome et Gomorrhe », de certaines pratiques dont il présente longuement les adeptes maudits avant d’avertir le lecteur que ces « maudits » se comptent par milliers dans toute société et que les barons, comtes ou ducs de ses connaissances vantaient les uns aux autres les charmes et la robustesse de leurs superbes valets de pied. Et, comme il en était de l’antisémitisme, je ne me souviens pas, au cours de mon enfance et dans le milieu des plus collet monté où j’ai été élevé, d’avoir entendu la moindre condamnation de ces pratiques dont le représentant le plus en vue appartenait lui-même à ce que l’on appelait (ou s’appelait elle-même) la « société » (quoique, dans son cas, un peu dédorée) de la ville, homme déjà d’un âge mûr se disant poète, et dont le récit des frasques complaisamment d’ailleurs colportées par lui-même nourrissait les potins, sa qualité de poète, justifiée par une feuille mensuelle qu’il composait avec l’aide de ses amis et de quelques dames poétesses, lauréates du « Genêt d’or » aux jeux floraux toulousains, particulièrement recherchée pour la principale rubrique qu’il ne laissait à personne d’autre le soin de rédiger et intitulée « La Place à Ragots » (Arago). Quant à ses exploits dont la « société » s’émerveillait, les deux principaux — du moins tant que j’habitais la ville — furent d’abord une bacchanale nocturne dans le parc du Grand Hôtel d’une station thermale des environs malencontreusement interrompue par l’arrivée de la police que le directeur de l’hôtel (ou le chef cuisinier), inquiet de l’absence d’un petit marmiton, avait alertée, la seconde, une flatteuse proposition, faite dans les Bains turcs de la même station thermale (qui semblait être son terrain de chasse favori) par un potentat oriental, de profiter d’une heureuse érection momentanée, mot (érection) que, mise au défi, l’une de mes grandes cousines connue pourtant pour son extrême pruderie et son extrême dévotion, répéta avec l’assurance quelque peu masculine (et aussi quelque peu agressive) qu’elle tenait d’un stage au dispensaire du diocèse où, dit-elle avec la même agressivité, il était bien naturel de soigner aussi les malheureux atteints de maladies vénériennes. Tout au plus, la ville (la « société » – et la mieux pensante) tenait-elle ce « poète » sorti de son sein (ce qui constituait déjà une garantie) non sans un déférent respect pour ses qualités d’homme d’esprit (que venait d’ailleurs confirmer celle d’inverti en vertu de cette croyance — ou plutôt axiome — que talent et pédérastie (ou l’inverse) sont obligatoirement complémentaires), comme un élément certes quelque peu bouffon mais propre à alimenter sa chronique intellectuelle et en un certain sens indispensable à toute société tant soit peu structurée. »

 

claude_simon_chez_lui

Claude Simon (10 oktober 1913 – 6 juli 2005)

 

De Antilliaanse schrijver Willem Christiaan Jacobus (Boeli) van Leeuwen werd geboren op 10 oktober 1922 op Curaçao.

 

Uit: God is er voor de aarde (Interview door Ronald Westerbeek, 2000)

Dostojevski laat Iwan in De gebroeders Karamazov zeggen: “Als God bestaat, dan is Hij de duivel”.

 

“Ja. En wat doe je dan? Dan grijp je je vast aan de persoon van Jezus. En daar heb je een tweede moeilijkheid, met de resurrectie, de opstanding. Maar in momenten van werkelijke wanhoop, die ik meegemaakt heb in mijn leven, bid je toch rechtstreeks tot de Vader. Met wie je moeìte hebt. Met wie je problemen hebt. In wie je misschien niet eens gelooft. Het beste boek over godsdienst dat ik ooit gelezen heb, is van William James, de broer van Henry, de romanschrijver. Hij zegt, na een hele studie, het maakt niks uit wie, hoe en wat, zelfs óf Hij bestaat: “People just want to use Him”. En dat is wezenlijk wat er aan de hand is. Kijk, ik zeg precies wat Wittgenstein zegt: je moet je aan de taal vasthouden. De grenzen van je taal, zijn de grenzen van je wereld. Je bent wat je zeggen kan, niet meer en niet minder. Waarover je niet kan praten, moet je zwijgen. Je moet niet lullen. Je kan eigenlijk niets zeggen over God. “Allerdings” zegt hij, “gibt es Unaussprechliches”. Onuitspreekbare of onuitsprekelijke dingen. Deze dingen “tonen” zich. Maar je kan er geen verstandig woord over zeggen.”

 

Het gevaar van zo’n dualiteit is dat je God ook onbespreekbaar maakt. Dat je Hem naar de marge duwt, buiten de realiteit van het leven.

 

“Wittgenstein laat er onmiddellijk op volgen dat de dingen waarover je niet kan praten, “bestaan” omdat ze zich “tonen”. Als je in een kathedraal zit en je luistert naar Bach, dan heb je een soort religieus gevoel. En je weet zelf niet hoe het komt. Wat is er in je hoofd bezig? Dat weet je niet. En ik denk dat God het best via de zinnen “gepakt” kan worden, via de vijf zintuigen. Dus beleeft wordt als een soort “Tremendum mysterium”. Iets waarover je niet praten kan, in die zin.”

 

Zijn er dingen die je wel over God kunt zeggen?

 

“Weet je, ik heb nog nooit een grote man ontmoet die daar een probleem van maakt. Albert Einstein spreekt regelmatig over God. Stephen Hawking doet dat. Newton was helemaal zot van God. Werkelijk grote mannen accepteerden het als een gegeven. Het is ook niet mogelijk om, laat ik zeggen de “Missa Solemnis” te schrijven als je dat “was sich zeigt”, de dingen die zich tonen, niet erkent. Waarom ik zelf mijn hele leven ben bezig geweest met dit probleem, weet ik ook niet. Ik ben in een gezin opgegroeid waar men niet naar de kerk ging, en ik was heel verbaasd dat toen ik begon te schrijven, mijn aandacht zich daarop richtte. Maar laten we wel zijn, vergeleken met het vraagstuk van God, is elk ander vraagstuk “bullshit”.

 

leeuwen

Boeli van Leeuwen (10 oktober 1922 – 28 november 2007)

 

De Brits – Amerikaanse schrijver en regisseur James Clavell (pseudoniem van Charles Edmund DuMaresq de Clavelle) werd geboren op 10 oktober 1924 in Sydney. In 1954 begon hij met het schrijven van draaiboeken en het produceren van films. Een van zijn grootste successen is The Great Escape uit 1963 onder de regie van John Sturges. Na het succes van zijn debuutroman King Rat w
ijdde Clavell zich meer en meer aan het schrijven van epische romans die zowat allemaal bestsellers werden. In 1966 verscheen Tai-Pan, een roman over de stichtingstijd van Hongkong, met zijn talrijke karakters en losse verhaallijnen een model voor zijn volgende boeken. Zijn bekendste werk is wellicht het in 1975 verschenen en in 1980 verfilmde Shogun.

 

Uit: Shogun

 

„Blackthorne was suddenly awake. For a moment he thought he was dreaming because he was ashore and the room unbelievable. It was small and very clean and covered with soft mats. He was lying on a thick quilt and another was thrown over him. The ceiling was polished cedar and the walls were lathes of cedar, in squares, covered with an opaque paper that muted the light pleasantly. Beside him was a scarlet tray bearing small bowls. One contained cold cooked vegetables and he wolfed them, hardly noticing the piquant taste. Another contained a fish soup and he drained that. Another was filled with a thick porridge of wheat or barley and he finished it quickly, eating with his fingers. The water in an odd-shaped gourd was warm and tasted curious–slightly bitter but savory.

Then he noticed the crucifix in its niche.

This house is Spanish or Portuguese, he thought aghast. Is this the Japans? or Cathay?

A panel of the wall slid open. A middle-aged, heavy-set, round-faced woman was on her knees beside the door and she bowed and smiled. Her skin was golden and her eyes black and narrow and her long black hair was piled neatly on her head. She wore a gray silk robe and short white socks with a thick sole and a wide purple band around her waist.

“Goshujinsama, gokibun wa ikaga desu ka?” she said. She waited as he stared at her blankly, then said it again.

“Is this the Japans?” he asked. “Japans? Or Cathay?”

She stared at him uncomprehendingly and said something else he could not understand. Then he realized that he was naked. His clothes were nowhere in sight. With sign language he showed her that he wanted to get dressed. Then he pointed at the food bowls and she knew that he was still hungry.

She smiled and bowed and slid the door shut.

He lay back exhausted, the untoward, nauseating nonmotion of the floor making his head spin. With an effort he tried to collect himself. I remember getting the anchor out, he thought. With Vinck. I think it was Vinck. We were in a bay and the ship had nosed a shoal and stopped. We could hear waves breaking on the beach but everything was safe. There were lights ashore and then I was in my cabin and blackness. I don’t remember anything. Then there were lights through the blackness and strange voices. I was talking English, then Portuguese. One of the natives talked a little Portuguese. Or was he Portuguese? No, I think he was a native. Did I ask him where we were? I don’t remember. Then we were back in the reef again and the big wave came once more and I was carried out to sea and drowning–it was freezing–no, the sea was warm and like a silk bed a fathom thick. They must have carried me ashore and put me here.

 

james-clavell

James Clavell (10 oktober 1924 – 6 september 1994)

Tadeusz Różewicz, Victor Klemperer, Herman Brusselmans, Mário de Andrade, Jens Bjørneboe, Léopold Senghor, Johannes Theodor Baargeld, Ivo Andrić , Christian Reuter, Holger Drachmann

De Poolse dichter en schrijver Tadeusz Różewicz werd geboren in Radomsko op 9 oktober 1921. Różewicz behoort tot de eerste generatie Polen die werd geboren en grootgebracht na de Poolse onafhankelijkheid in 1918. Zijn jeugdgedichten werden in 1938 gepubliceerd. Gedurende de Tweede Wereldoorlog was hij net als zijn broer Janusz (die ook dichtte) lid van de Poolse verzetsbeweging Armia Krajowa. Hoewel zijn broer in 1944 door de Gestapo werd geëxecuteerd, overleefde Różewicz de oorlog. Bij zijn debuut als dramaturg in 1960 had hij reeds twaalf dichtwerken op zijn naam staan. Sindsdien schreef hij het script voor meer dan vijftien theaterstukken. Różewicz wordt gezien als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de naoorlogse Poolse dichtkunst.

A Visit

I couldn’t recognize her
when I came in here
just as well it’s possible
to take so long arranging these flowers
in this clumsy vase

‘Don’t look at me like that’
she said
I stroke the cropped hair
with my rough hand
’they cut my hair’ she says
‘look what they’ve done to me’
now again that sky-blue spring
begins to pulsate beneath the transparent
skin of her neck as always
when she swallows tears

why does she stare like that
I think I must go
I say a little too loudly

and I leave her,
a lump in my throat

 

Vertaald door Adam Czerniawski

 

In The Middle Of Life

After the end of the world
after my death
I found myself in the middle of life
I created myself
constructed life
people animals landscapes

this is a table I was saying
this is a table
on the table are lying bread a knife
the knife serves to cut the bread
people nourish themselves with bread

one should love man
I was learning by night and day
what one should love
I answered man

this is a window I was saying
this is a window
beyond the window is a garden
in the garden I see an apple tree
the apple tree blossoms
the blossoms fall off
the fruits take form
they ripen my father is picking up an apple
that man who is picking up an apple
is my father
I was sitting on the threshold of the house

that old woman who
is pulling a goat on a rope
is more necessary
and more precious
than the seven wonders of the world
whoever thinks and feels
that she is not necessary
he is guilty of genocide

this is a man
this is a tree this is bread

people nourish themselves in order to live
I was repeating to myself
human life is important
human life has great importance
the value of life
surpasses the value of all the objects
which man has made
man is a great treasure
I was repeating stubbornly

this water I was saying
I was stroking the waves with my hand
and conversing with the river
water I said
good water
this is I

the man talked to the water
talked to the moon
to the flowers to the rain
he talked to the earth
to the birds
to the sky
the sky was silent
the earth was silent
if he heard a voice
which flowed
from the earth from the water from the sky
it was the voice of another man

 

Vertaald door Czeslaw Milosz

Rozewicz

Tadeusz Różewicz (Radomsko, 9 oktober 1921)

 

 

De Joods-Duitse filoloog en schrijver Victor Klemperer werd gebopen in Landsberg an der Warthe (tegenwoordig Gorzów Wielkopolski) op 9 oktober 1881. Nadat hij zijn opleiding aan het Französische Gymnasium in Berlijn, op aandrang van zijn ouders had afgebroken om een carrière in de handel te beginnen, haalde hij in 1902 toch zijn Abitur en studeerde Filosofie, Romanistiek en Germanistiek in München, Genève, Parijs en Berlijn. In 1906 trouwde hij met Eva Schlemmer. Hij leefde tot 1912 als vrije publicist in Berlijn en bekeerde zich toen tot het protestantisme. Hij studeerde af in 1912 en ontving in 1914 zijn bul. Van 1914 tot het voorjaar van 1915 doceerde hij als lector universiteit van Napels (stad) en meldde zich toen als vrijwilliger in het Duitse leger waar hij tot 1916 dienst deed als Artillerist aan het Westelijke Front. Later werd hij overgeplaatst naar de militaire censuur en censureerde boeken in Leipzig en Kowno. In 1920 kreeg hij een aanstelling als professor in de romanistiek aan de Technische Hochschule in Dresden.

In 1935 werd hij op grond van het Gesetz zur Wiederherstellung des Berufsbeamtentums, een van de Rassenwetten van Neurenberg ontslagen en richtte zich in eerste instantie op het schrijven van “Geschichte der französischen Literatur im 18. Jahrhundert“, dat in twee banden in 1954 en 1960 verscheen. Toen joden ook de toegang tot bilbliotheken en abonnementen op kranten en tijdschriften werd verboden, richtte hij zich toenemend op zijn dagboek en begin in 1938 aan zijn Vita. De (losse) pagina’s van het dagboek werden regelmatig door zijn vrouw bij een vriendin afgeleverd, die ze vervolgens verstopte, want een inval van de Gestapo dreigtde ieder ogenblik.

Tijdens de oorlogsjaren schreef hij op basis van zijn dagboek zijn Lingua Tertii Imperii, waarin hij, om geestelijk te kunnen overleven, de taal van het derde rijk, zoals die tot hem kwam in de vorm van vlugschriften, speeches en het taalgebruik van de mensen om hem heen, systematisch analyseerde.

 

Uit: So sitze ich denn zwischen allen Stühlen, Tagebücher 1945-1959

 

Aber das Märchen ist zuende, und die beruflichen Bitterkeiten der zwanziger und dreißiger Jahre werden sich wiederholen, als sei nicht das Ungeheuerliche inzwischen geschehen. Ich bin furchtbar pessimistisch geworden, and Eva too, im Punkte Änderung des deutschen Sumpfes, des Friedens, der Menschheit überhaupt. All diese schönen Phrasen und Gelöbnisse aus Deutschland, USA und Rußland, alles das habe ich schon 1918 gehört. Und dann kamen die Freicorps und all das andere innen und außen, das schließlich zur Katastrophe führte. Und es wird diesmal nicht anders werden. Und ist der Unterschied zwischen Sprache und Wahrheitsgehalt Stalinice ein so sehr viel anderer als Hitlerice?
11.7.1945

 

Für meine Person bin ich im stetigen Dilemma. Ich möchte an den linkesten Flügel der KPD, ich möchte für Rußland sein. Und andererseits: Freiheit, die ich meine!
8.8.1945

 

Es ist sehr erschütternd für mich, daß alle Intelligenz derart zur anderen Seite übergeht. Aber wir müssen, wir müssen an unserer Stellungsnahme festhalten u. ich glaube nach wie vor – nicht an den reinen Idealismus u. die Sündlosigkeit der Russen, aber daran, daß ihre Sache, idell betrachtet, die bessere, u. praktisch betrachtet, die auf die Dauer siegreiche ist.
15.10.1947

 

Wo ist die Demokratie? Ich glaube nicht an ihren Bestand, wir sitzen – was ist das WIR? eine verhaßte Minorität, eine sehr kleine – sitzen nur auf den russischen Bajonetten. Am Tag des Russenabzugs sind wir – d. h. E. u. ich, tote Leute. Schlimmer: ich glaube nicht an den Wert der Dinge, für die ich eintrete. Gewiß, die Idee des Marxismus ist rein. Aber sind die Russen weniger imperialistisch etc. als die anderen?

Ich suche mir einzureden, an die sowjetische Sache zu glauben, u. im Innersten glaube ich doch an gar nichts u. alles scheint mir gleichermaßen unwesentlich u. gleichermaßen erlogen. Die greuliche Ähnlichkeit mit nazistischen Methoden läßt sich in der Propaganda für die Gesellschaft, in dem Lärm um Stalins Geburtstag nicht verkennen.
16.12.1949

 

Am Sonnabend war Gusti W. bei uns. Ich: Wir sind in einem Irrenhaus. G.:Das ist nur natürlich, es war in Rußland ebenso, man kommt um eine solche Situation nicht herum. Halte dich möglichst zurück, bleibe im Dunklen – in kurzer Zeit wird man die Leute brauchen, die sich jetzt nicht lächerlich gemacht haben.
10.5.1950

 

Bitterer […] ist mein Auseinanderklaffen in allem Geistigen mit der SED. Ich kann aber nicht nach Westen ausweichen – das ist mir noch zuwiderer. Bei der SED ist es nur die Wissenschaft, nur die momentane Überspanntheit, die 150%keit, drüben aber alles, was mir verhaßt ist. Aber dies »nur die Wissenschaft« verbittert mir den Rest des Lebens u. hält mich nun doch auf meinen alten Platz »zwischen den Stühlen«, vielmehr wirft mich dorthin zurück, nachdem es mir geglückt schien, einen besseren Sitzplatz zu haben.
24.5.1950“

 

Klemperer

Victor Klemperer (9 oktober 1881 – 11 februari 1960)

 

De Vlaamse schrijver Herman Brusselmans werd geboren in Hamme op 9 oktober 1957. Zie ook mijn blog van 8 oktober 2006en ook mijn blog van 9 oktober 2007.

 

Uit: De Ex-Schrijver

 

‘Is dat je thuis?’ vroeg ik overbodigerwijs.
‘Ja,’ zei hij. (…)
Ik was blij dat ik geen schrijver meer was, en deze scène dus nergens voor nodig had, want in het beschrijven van huizen of kastelen, en wel zo dat de lezer zich kan voorstellen hoe ze eruit zien, ben ik altijd een kluns geweest, zowel wat betreft het buitenaanzicht als het interieur. Enfin, het was gewoon zo’n huis dat 20 miljoen of meer waard was van dertien in een dozijn. De oprit was bezaaid met oranje-rood-achtige kiezelsteentjes, dat soort zaaiwerk. Ligusters stonden zich te pletter te bloeien bla bla bla en een tuinman lag op z’n buik het immense grasveld te maaien met een nagelschaartje. Of wel was hij onwel geworden en voorover gestuikt.
‘Jullie tuinman is onwel geworden en voorover gestuikt,’ zei ik.
‘Nee nee,’ mompelde mijn biograaf, ‘nee nee… Hij ligt op z’n buik het grasveld te maaien met een nagelschaartje.”

 

Brusselmans

Herman Brusselmans (Hamme, 9 oktober 1957)

 

De Braziliaanse dichter en schrijver Mário de Andrade werd op 9 oktober 1931 in São Paulo in Brazilië geboren. Zie ook mijn blog van 9 oktober 2006.

 

Drizzle of my São Paulo

 

Drizzle of my São Paulo
– Sad sound of martyrdom –
A black guy is coming, is white!
Only when very close gets black
Passes by and turns to be white


My São Paulo of the drizzles
– London of the thin fogs –
A pour guy is coming, is rich!
Only when very close gets pour,
Passes by and turns to be rich


Drizzle of my São Paulo
– Dressmaker of the cursed –
Comes a rich, comes a white,
They all remain whites and riches…


Drizzles get out of my eyes.

 

 

mario_de_andrade

Mário de Andrade (9 oktober 1893 – 25 februari 1945)

 

De Noorse schrijver, schilder en essayist Jens Bjørneboe werd geboren op 9 oktober 1920 in Kristiansand. Hij is in Nederland voornamelijk bekend dankzij zijn boek Het ogenblik van de vrijheid. In Noorwegen was hij soms controversiëel, sommige van zijn boeken werden als pornografisch beschouwd en verboden. In 1943 vluchtte Bjørneboe voor de Duitsers naar Zweden waar hij schilderkunst studeerde. In 1946 exposeerde hij 45 schilderijen in Kristiansand. Tussen 1957 en 1959 reisde hij rond in Italië en Midden Europa. Zijn boek Uten en Tråd werd verboden in 1967 maar in 1968 in Denemarken alsnog uitgegeven. Bjørneboe streed zijn leven lang tegen depressies en alcoholisme. In 1976 pleegde hij zelfmoord.  Zie ook mijn blog van 13 oktober 2007.

 

Uit: Amputation

„FORTINBRAS: Uh-huh! That’s it! (Together they hang up the wall-charts. Chart A represents, under a tremendous heading “”Man”, ordinary muscleman, with open belly, guts, sinews, eye sockets, etc. etc. Chart B, under the heading “Man—an internal combustion engine”, represents a human-looking car engine.) As you see, ladies and gentlemen, one can immediately find the analogies between (Points with a staff) the exhaust pipe and rectum, the muffler and the bowels, the lights and the eyes—even two of each!—Furthermore: cylinders and. muscles, battery and brain, carburetor and spinal cord, wires and nervous system. . . etc. etc. The car engine, however, has far greater adaptability than the human being and the internal combustion engine has no deviant opinions either. Disciplinary surgery—or, if you wish: psycho-surgery—is founded on the principle that man in his present form is of faulty construction—highly subject to subjective patterns of behaviour. Now, it goes without saying that all social problems can be solved only to the extent that we can work on non-deviant humans. This is the basis of both general social surgery as well as my own specialty: psycho- or disciplinary surgery.

NURSE (In): Excuse me, Professor, the subject of the experiment seems to be getting restless.

FORTINBRAS: (Listens with lifted eyebrows, gives a meaningful nod and points to an enormous injection syringe lying on the tea table. While he continues talking, he explains in pantomime to the nurse what she should do: points to the syringe, then to various bottles on the table, suggesting that see take a little here, a little there, and fill the syringe which must be well shaken and finally, used. He demonstrates this in pantomime of using the syringe with great force.) Later, psycho-surgery has proven itself in actual practice to be indispensable far beyond the treatment of the manifestly criminal clientele. Practically any kind of deviant behaviour can be treated in this day and age. (NURSE has filled the syringe, shakes it, squeezes out the air and carries it carefully—with the needle up in the air—out to the polyclinic. A loud, piercing and penetrating, wailing scream of pain is heard.) Psycho-surgery is also made use of as a preventive disciplinary surgery in connection with adultery, with the establishment of law and order . . . on privates or petty officers in our armed forces . . . on school children . . . on rebellious students . . . on people who wish to be alone . . . people who sleep on the stomach can be cured . . . people with warts or regular bad habits. . . . Recently I operated most successfully on a young girl for a particular form of deviant behaviour; she was. . . .

NURSE (Humbly): Excuse me, professor, but your esteemed colleague is waiting; the social surgeon is quite indignant, and says that. . . . (Whispers in FORTINBRAS’ ear)

FORTINBRAS (Lifts his eyebrows, smiles and shakes his head): No, no, no, of course not! We shall let him operate immediately. . . . (Waves the whole matter away like a fly) Let Adolf roll in the subject of the experiment, and you can fetch Professor Vivaldi yourself. . . . (Loudly to the audience) Finally, I should just like to emphasize the immense significance of my own brainchild, what is called disciplinary surgery, which is a natural extension of psycho-surgery—it is an invention which can only be compared with the work of Pasteur, and one which not only brought me the rank of general in our armed forces, but also yielded me the Nobel Peace Prize! (Bows. Applause. NURSE in. He points to the suitcases, and she opens them. While he continues talking, she takes out of the suitcases and puts on him: boots of white shiny rubber, a white, shiny operation coat which buttons in the back and has numerous bloodspots, among them an obvious blood-red handprint, and likewise footprint. She fills liquid in a wash basin, to let him sterilize his hands before holding them up in the air for a long time and letting her put rubber gloves on him, as well as a kind of white butch
er’s cap with gold trim.”

jens_bjorneboe

Jens Bjørneboe (9 oktober 1920 – 9 mei 1976)

 

 

De Senegalese schrijver Léopold Senghor werd geboren op 9 oktober 1906 in het plaatsje Joal aan de Atlantische kust, zo’n 70 kilometer van de Senegalese hoofdstad Dakar. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2007.

 

 

Elegy for Martin Luther King

 

IV

 

It was the fourth of April, nineteen hundred and sixty-eight,
A spring evening in a grey neighborhood, a district smelling
Of garbage mud where children played in the streets in
spring,
And spring blossomed in the dark courtyards where blue
murmuring
Streams played, a song of nightingales in the ghetto night of
hearts.
Martin Luther King chose them, the motel, the district,
The garbage and the street sweepers, with the eyes of his heart
in those
Spring days, those days of passion wherever the mud of flesh
Would have been glorified in the light of Christ.
It was the evening when light is clearest and air sweetest,
Dusk at the heart’s hour, and its flowering of secrets
Mouth to mouth, of organ and of hymns and incense.
On the balcony now haloed in crimson where the air
Is more limpid, Martin Luther stands speaking pastor to
pastor:
“My Brother, do not forget to praise Christ in his
resurrection
And let his name be praised!”
And now opposite him, in a house of prostitution,
profanation,
And perdition, yes, in the Lorraine Motel – Ah, Lorraine, ah
Joan, the white and blue woman, let our mouths purify you
Like rising incense!–In that evil house of tomcats and
pimps
A man stands up, a Remington rifle in his hands.
James Earl Ray sees the Reverend Martin Luther King,
Through his telescopic sight, sees the death of Christ: “My
brother,
Do not forget to magnify Christ in his resurrection this
evening!”
Sent by Judas, he watches him, for we have made the poor
into wolves
Of the poor. He looks through his telescopic sight, sees only
the tender
Neck so black and beautiful. He hates that golden voice
modulating
The angels’ flutes, the voice of bronze trombone that
thunders on terrible
Sodom and on Adama. Martin looks ahead at the house in
front, he sees
The skyscrapers of light and glass, He sees curly, blond heads, dark,
Kinky heads full of dreams like mysterious orchids, and the
blue lips
And the roses sing in a chorus like a harmonious organ.
The white man looks hard and precise as steel. James Earl
aims
And hits the mark, shoots Martin, who withers like a
fragrant flower
And falls. “My brother, praise His Name clearly, may our
bones
Exult in the Resurrection!”

 

 

Prayer for Peace
to Georges and Claude Pompidou

 

I.

 

Lord Jesus, at the end of this book, which I offer You
As a ciborium of sufferings
At the beginning of the Great Year, in the sunlight
Of Your peace on the snowy roofs of Paris
— Yet I know that my brothers’ blood will once more redden
The yellow Orient on the shores of the Pacific
Ravaged by storms and hatred
I know that this blood is the spring libation
The Great Tax Collectors have used for seventy years
To fatten the Empire’s lands
Lord, at the foot of this cross – and it is no longer You
Tree of sorrow but, above the Old and New Worlds,
Crucified Africa,
And her right arm stretches over my land
And her left side shades America
And her heart is precious Haiti, Haiti who dared
Proclaim Man before the Tyrant
At the feet of my Africa, crucified for four hundred years
And still breathing
Let me recite to You, Lord, her prayer of peace and pardon.

 

 

Vertaald door John Reed and Clive Wake

 

senghor

Léopold Sédar Senghor (9 oktober 1906 – 20 december 2001)

 

De Duitse dichter, schrijver, schilder en graficus Johannes Theodor Baargeld werd geboren op 9 oktober 1892 in Stettin. Naast Max Ernst, met wie hij het tijdschtift “die schammade” uitgaf, was hij de tweede oprichter van de Keulse Dada-groep. Hij studeerde rechten in Oxford en Bonn. Hoewel hij op successen kon bogen trok hij zich rond 1920 helemaal uit de dada beweging terug en begon hij een studie economie.

 

 

Bimbamresonnanz I

 

Stutzflügelalwa schlägt die flügelleder
schlägt alwa stutzuhr bimbamresonnanz
Breschkowska-revolution der grossmütter schlägt die augenleder
und ihren kalzionierten jordanwasserschwanz

 

alwa pissoirgeläute brütet stutzige Landeseier
Länderin herien un hierin alwa
doch verbimmeltes pedal toniert schon alwenweiher
flügeluhr schlägt bim auf ländermalve

 

breschkowskaja schlägt die Lederdrüse
bis die muttermöndchen bimmeln schöpfersalbe
Und des Ewigen scheerenfernrohr überkrebst als alwe
Bimmelnd toten alwa landgemüse

 

baargeld

Johannes Theodor Baargeld (9 oktober 1982 – 18 augustus 1927)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 9 oktober 2006 en mijn blog van 13 oktober 2006.

De Servisch-Kroatische schrijver Ivo Andrić werd geboren op 9 oktober 1892 in het dorpje Dolac in de buurt van Travnik, Bosnië.

De Duitse schrijver Christian Reuter werd geboren op 9 oktober 1665 in Kütten bei Halle.

De Deense schrijver Holger Drachmann werd geboren op 9 oktober 1846 in Kopenhagen.

Nobelprijs voor Jean-Marie Gustave Le Clézio

Nobelprijs voor Jean-Marie Gustave Le Clézio

 

 

De Franse schrijver Jean-Marie Gustave Le Clézio heeft dit jaar de Nobelprijs voor literatuur gewonnen. Le Clézio werd geboren op 13 april 1940 in Nice. Daar studeerde hij aan het Collège littéraire universitaire en promoveerde in de literatuurwetenschappen. Bekend werd hij met zijn roman Procès-verbal uit 1963, waarvoor hij in dat jaar de Prix Renaudot kreeg. Le Clézio heeft intussen meer dan dertig werken op zijn naam staan, waaronder romans, essays, verhalen, novellen en vertalingen. In 1980 kreeg hij als eerste de Prix Paul-Morand voor Désert. Zie ook mijn blog van 13 april 2008.

 

Uit: Désert

 

„Ils sont apparus, comme dans un rêve, au sommet de la dune, à demi cachés par la brume de sable que leurs pieds soulevaient. Lentement ils sont descendus dans la vallée, en suivant la piste presque invisible. En tête de la caravane, il y avait les hommes, enveloppés dans leurs manteaux de laine, leurs visages masqués par le voile bleu. Avec eux marchaient deux ou trois dromadaires, puis les chèvres et les moutons harcelés par les jeunes garçons. Les femmes fermaient la marche. C’étaient des silhouettes alourdies, encombrées par les lourds manteaux, et la peau de leurs bras et de leurs fronts semblait encore plus sombre dans les voiles d’indigo.

 

Ils marchaient sans bruit dans le sable, lentement, sans regarder où ils allaient. Le vent soufflait continûment, le vent du désert, chaud le jour, froid la nuit. Le sable fuyait autour d’eux, entre les pattes des chameaux, fouettait le visage des femmes qui rabattaient la toile bleue sur leurs yeux. Les jeunes enfants couraient, les bébés pleuraient, enroulés dans la toile bleue sur le dos de leur mère. Les chameaux grommelaient, éternuaient. Personne ne savait où on allait.

 

Le soleil était encore haut dans le ciel nu, le vent emportait les bruits et les odeurs. La sueur coulait lentement sur le visage des voyageurs, et leur peau sombre avait pris le reflet de l’indigo, sur leurs joues, sur leurs bras, le long de leurs jambes. Les tatouages bleus sur le front des femmes brillaient comme des scarabées. Les yeux noirs, pareils à des gouttes de métal, regardaient à peine l’étendue de sable, cherchaient la trace de la piste entre les vagues des dunes.

 

Il n’y avait rien d’autre sur la terre, rien, ni personne. Ils étaient nés du désert, aucun autre chemin ne pouvait les conduire. Ils ne disaient rien. Ils ne voulaient rien. Le vent passait sur eux, à travers eux, comme s’il n’y avait personne sur les dunes. Ils marchaient depuis la première aube, sans s’arrêter, la fatigue et la soif les enveloppaient comme une gangue. La sécheresse avait durci leurs lèvres et leur langue. Ma faim les rongeait. Ils n’auraient pas pu parler. Ils étaient devenus, depuis si longtemps, muets comme le désert, pleins de lumière quand le soleil brûle au centre du ciel vide, et glacés de la nuit aux étoiles figées.“

 

LeClezio

Jean-Marie Gustave Le Clézio (Nice, 13 april 1940)

Alexis de Roode, Marína Tsvetájeva, Martin van Amerongen, Benjamin Cheever, André Theuriet, Jakob Arjouni, Nikolaus Becker

De Nederlandse dichter Alexis de Roode werd geboren op 8 oktober 1970 in Hulst. Alexis de Roode groeide op in Nijmegen en studeerde geologie in Utrecht. In 2004 begon hij zich te manifesteren als dichter op podia en poetry slams in Nederland. In november 2005 debuteerde hij met de dichtbundel Geef mij een wonder, die verscheen bij de Amsterdamse Uitgeverij Podium. De bundel werd goed ontvangen en werd in 2006 genomineerd voor de C. Buddingh-prijs. In april 2008 verscheen de tweede dichtbundel van Alexis de Roode, Stad en Land.  Inmiddels stond de Roode op de meeste grote poëziepodia van Nederland en Vlaanderen, zoals de Nacht van de Poëzie, Lowlands, Dichter aan Huis, Crossing Border Festival, Het Voorwoord en de Poëziezomer in Watou. Alexis de Roode woont en werkt in Utrecht, waar hij o.a. actief is als medeorganisator van Poëziecircus en het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam. Zie ook mijn blog van 24 maart 2008.

 

 

De lege landen

Ik zit in de trein naar Utrecht
als ik mij plotseling afvraag:
waar is het wonder?
Want alles wat ik zie, bestaat zo ontzettend:
struikjes, koetjes, boerderijen,
er is geen speld tussen te krijgen.

Neem nu die haagbeuk:
die staat daar maar
aan de rand van een weiland.
Beetje groen zijn. Beetje groeien.
Het is allemaal zo van deze wereld!

Geef mij a.u.b. een wonder,
een heel klein krasje
in het diamant van de feiten,
een mirakeltje van niets,
er hoeft heus geen engel bij
of donderstem.

Al is het maar die haagbeuk
die op een mistige ochtend
een beetje is verschoven.
Dan weet ik genoeg.

 

 

Kleine beweging

Zo vaak als nodig is, zeg ik nee.
Zeg ik nee.
Nee.
Het besluit is gevallen,
het valt, het blijft vallen,
en gelijk het valt, zo val ik.

Wij vallen diep, mijn besluit en ik,
maar wij vallen samen.

Wij zoeken het ravijn,
en van klimmen
is voorlopig geen sprake.

Op de bodem van het ravijn
groeien wonderlijke
bloedbloemen.

 

AlexisDeRoode

Alexis de Roode (Hulst, 8 oktober 1970)

 

 

De Russische dichteres en schrijfster Marína Tsvetájeva werd geboren op 8 oktober 1892 in Moskou. Zie ook mijn blog van 9 oktober 2006.

 

Goed dat u niet bezeten bent van mij

Goed dat u niet bezeten bent van mij,
Goed dat ik ook van u niet ben bezeten,
Dat wij op aarde blijven en dat wij
Niet wegzweven naar andere planeten
.
Goed dat ik gek mag doen – losbandig, vrij,
Dat ik mijn woorden niet hoef af te meten,
En dat een aanraking van uw kledij
Geen wild, benauwend vuur in mij ontketent.

Goed dat u in mijn bijzijn ook gerust
Liefkozingen van anderen kunt krijgen,
En dat u, als een ander mí j eens kust,
Mij niet met hel en vagevuur zult dreigen.
Goed dat u steeds, bewust of onbewust,
Mijn lieve naam, o lieve, zult verzwijgen…
Dat nooit in ’t godshuis, in gewijde rust
een halleluja voor ons op zal stijgen.

Ik dank u voor dat alles; ik ben blij
Dat u, zonder er zelf iets van te weten,
Zo van mij houdt: dank voor de zon die wij
Niet samen zien, de niet met u gesleten
Verstilde nacht; dat wij elkander bij
Zonsondergang en maneschijn vergeten,
Dat u niet – ach! – bezeten bent van mij,
En dat ik – ach! – van u niet ben bezeten.

 

Vertaald door Anne Stoffel

 

I stare into the mirrored glass, –

I stare into the mirrored glass, –
All hazy, drowsy and foggy, –
To ascertain where you will pass
And where you’ll stop for lodging.

I look and see: An old ship’s mast.
There, on the deck, you’re standing…
You, by the clouded train… The vast,
Green fields, at night, lamenting…

The evening countryside in dew,
There, ravens soar in flight…
–My dear one, I am blessing you
To go where you decide!

 

 

In Paris

Skyscrapers, and the sky below,
The earth is closer in the grayness.
The same old enigmatic woe
Remains in vast and happy Paris.

The evening boulevards are loud,
Sunset’s final glimmer dies.
And there are couples all around,
With trembling lips and daring eyes.

I’m here alone. It’s nice to rest
One’s head against a chestnut tree!
Just as in Moscow, here, the chest
Cries out with Rostand’s poetry.

Dear are the long gone days of folly,
These nights in Paris are a torture,
I’m walking home to grieving violets
And someone’s kind and tender portrait.

That profile glance, as of a brother,
Is intimate and sad. It seems,
Tonight I’ll see the Reichstadt martyr,
Rostand and Sarah, – in my dreams!

In vast and happy Paris, here,
I dream of grass and cloudy nights,
And laughter’s far and shadows near,
Again, the same deep pain abides.

 

 

Vertaald door Andrey Kneller

 

Tsvetajeva

Marína Tsvetájeva (8 oktober 1892 – 31 augustus 1941)

 

 

 De Nederlandse schrijver en journalist Martin van Amerongen werd geboren op 8 oktober 1941 in Amsterdam. Hij was de zoon van een joodse vader en een christelijk opgevoede Duitse moeder. Die achtergrond heeft zijn belangstelling voor de Duitse cultuur, met name de muziek, maar ook de literatuur, in hoge mate bepaald. Hij was vooral geïnteresseerd in de joodse bijdragen aan die cultuur. Van Amerongen was een autodidact die zich al vroeg voor klassieke muziek interesseerde en daarover een grote kennis zou verwerven. Een vroeg baantje bij de Stichting Jeugd en Muziek verschafte hem toegang tot die wereld van de muziek.

Van Amerongen begon zijn in 1962 loopbaan als journalist bij de provinciale redactie Friesland van Het Vrije Volk, waar hij het plaatselijke nieuws verzorgde, maar ook al vroeg over Mahler publiceerde. In 1965 trad hij toe tot de redactie van Vrij Nederland, waarin hij tot 1 mei 1984 actief was. Hij legde zijn functie neer naar aanleiding van een intern redactieconflict over het Midden-Oosten. In zijn tijd bij Vrij Nederland verscheen een aantal briefwisselingen met bekende publieke persoonlijkheden onder de titel De brieven van Ir. H.A. Schuringa (1981), die geschreven waren door een duidelijk reactionaire auteur. De uitgave bleek een mystificatie waarachter Van Amerongen schuilging. Een bundel fictieve interviews van deze Ir. Schuringa verscheen in 1984 onder de titel De mens centraal. Op 1 januari 1985 werd Van Amerongen hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer.

Van Amerongen besteedde op literair gebied vooral aandacht aan Heinrich Heine. In 1975 verzorgde hij een vertaling van Die Harzreise, waaraan hij een uitvoerig essay onder de titel ‘In het voetspoor van de dichter’ toevoegde (opgenomen in de reeks Privé Domein). In Het matrassengraf (1985, herz. druk 2002) schreef hij over Heines sterfbed. In Heine en Holland (1997) verzamelde hij stukken die hij eerder in De Groene Amsterdammer publiceerde.

Vanuit zijn grote kennis van de muziek schreef Van Amerongen over Bach, Mozart, Schubert en Wagner. Over Bachs Mattheuspassie schreef hij Zijn bliksem, zijn donder (1997), over Mozart een Mozartbrevier (1992). Het meest opzienbarend is toch wel zijn boek over Wagner, met wie na WO II steeds geworsteld is vanwege diens antisemitisme en de nazi-verering die hem ten deel viel. Van Amerongen schreef met De buikspreker van God (Privé Domein, 1983) een essay over Wagner, waarin hij niet alleen de muziek van Wagner analyseert, maar ook de abjecte manier waarop met deze componist is omgesprongen na diens dood.

Martin van Amerongen was tot zijn overlijden in 2002 redacteur van De Muze, een periodiek van het Concertgebouw en het Concertgebouworkest. Hij droeg ook veelvuldig bij aan dit blad met artikelen en columns. Voorts vertaalde hij enkele zedenkomedies van Schnitzler.

 

Uit: De bende van vijftien

 

“Er is gesproken over een ‘duister stel’ (premier Wim Kok) van ‘landverraders’ (de zanger Gerard Joling), een verzameling ‘angsthazen’ (Algemeen Dagblad) respectievelijk een ‘stel alcoholische lolbroeken dat thuis niets te vertellen heeft’ (De Telegraaf). In werkelijkheid betreft het een initiatief van vijftien nette, sociaal redelijk geslaagde, veelal gestudeerde, niet zelden vanwege hun maatschappelijke verdiensten onderscheiden heren die boven een kopje soep hebben gediscussieerd over de – alleszins legitieme – vraag of de republiek wellicht boven de monarchie te prefereren valt.
Een dergelijk ritueel heeft per definitie, mede gezien de avontuurlijke samenstelling van het gezelschap, het karakter van een bijeenkomst van jongensclub De Zwarte Hand, inclusief de jolige, ironische toonzetting van het gesprek. Het is trefzeker in de notulen gedocumenteerd. Daarin is ook de twijfelachtige opmerking opgenomen over de masculien-autochtone achtergrond van de initiatiefnemers, een opmerking die vanzelfsprekend niet serieus is bedoeld. Alsof er in onberispelijke mannen als prof. L. Koopmans, mr. L. van Vollenhoven, drs. J. Kleiterp of prof. A.J. Dunning ook maar de schaduw van dit soort sentimenten zou leven! Ondertussen heeft Dunning, talent scout op jacht naar verse PvdA-kamerleden, problemen omdat een aantal kandidaat-volksvertegenwoordigers het bange vermoeden heeft dat hij wellicht iets tegen landgenoten met een kleurtje zou hebben.
WANT HOE GAAT het in de publicitaire praktijk? Zo’n mislukte grap wordt door De Telegraaf tot monstrueuze proporties (‘Anti-monarchisten weren allochtonen’) opgeblazen, dezelfde krant die zelf sinds jaar en dag elke Marokkaanse fietsendief pleegt te stigmatiseren, liefst inclusief zijn telefoon- en sofinummer. De beschuldiging is gebaseerd op een brief van de schrijver Harry Mulisch die, na lezing van de notulen, verklaarde zich ‘als zoon van twee allochtonen’ niet langer in het Republikeins Genootschap thuis te voelen. Allemaal onzin en aanstellerij, waarbij moge worden gewezen op het feit dat Mulisch’ eigen Herenclub – nomen est omen – in de twintig jaar van zijn bestaan geen vrouw, geen allochtoon, laat staan een allochtone vrouw in zijn gelederen heeft toegelaten, en dat zeker ook nier van plan is ooit te doen.”

 

amerongen

Martin van Amerongen (8 oktober 1941 – 11 mei 2002)

 

 

De Amerikaanse schrijver Benjamin Cheever werd geboren op 8 oktober 1948 in New York. Hij is een zoon van de beroemde schrijver John Cheever en een broer van de eveneens schrijvende Susan Cheever. Cheever schreef tot nu toe vier romans en enkele non-fictie boeken, waaronder The Plagarist, The Partisan, Famous After Death, and The Good Nanny. Ook is hij verantwoordelijk voor de uitgave van The Letters of John Cheever.

Uit: Famous after death

 

„This is NOT Weight Watchers,” she said, and she said it disdainfully. Disdain is what I get from attractive women. Doctor Santarelli is an attractive woman. She was wearing black cowboy boots with white stitching, and a long suede skirt, suitable for riding sidesaddle. Paint a powder smudge on her pale white cheek and she might have stepped out of a TV western. She had everything but the carbine.

No wedding band. But, then, aren’t they supposed to hide their wedding rings for therapy? That way the patient is free to imagine that the doctor is really his mother. Or his lover. Or both. You’re also supposed to pretend that the psychiatrist would still care about you for no money. Which is way too much heavy lifting for this dwarfish imagination.

Doctor Santarelli does seem to think the journal is a good idea. Especially since I’m having so much trouble with my memory. She wants me to spice the entries with current events. “Place yourself in the exterior world,” she says.

I told her about my memory lapses. “I lose whole days,” I told her.

She wanted to know if I’d seen a “real doctor” (her phrase), an internist or a neurologist. I told her that I had been in an auto-mobile accident once, several years ago, and had hit my head, but that afterwards I’d been thoroughly checked. “I seem to be able to function adequately at my job,” I said. “I do what’s expected of me. It’s just that afterward I can’t always bring it to mind.”

“And what is it about the disability that concerns you the most?”

“The bottom line is that I can’t recall what I’ve eaten. I don’t know if I had one bagel with two foil units of cream cheese, or two bagels with one foil unit of cream cheese.”

“You can write that down, too,” she said. “If you want.”

“I might. If I can remember what to write down.”

“Write down whatever you remember,” she said.

“Do you want me to read my journal here?” I asked. “Or you could read it yourself.”

“If you’d like. Not all of it necessarily,” she added, quickly. Ever notice how loath people are to read anything longer than their own horoscope? Not a good sign for those of us in publishing. In any case, the doctor expects that the very process of keeping a diary will be therapeutic. She expects that I will get to know myself. “Find out what you need from life.”

I told her that was simple. “I know what I need from life.”

“And what do you need from life then?”

“I want to be beloved of women. Beloved of many beautiful women. I don’t want them to get tired of me either. I want the women always to feel the way they do when we’ve just met. Or if she’s married to a brute.”

 

cheever_photo1

Benjamin Cheever (New York, 8 oktober 1948)

 

De Franse schrijver en dichter André Theuriet werd geboren op 8 oktober 1833 in Marly-le-Roi. Hij studeerde rechten in Parijs en kwam te werken op hetministerie van financieën, waar hij het bracht tot chef de bureau, tot hij in 1886 met pensioen ging. In 1867 publiceerde hij de dichtbundel Chemin des bois met gedichten die eerder al verschenen waren in de Revue des Deux Mondes;. Theuriet schreef 228 werken, waaronder vele romans, zoals Le Mariage de Gérard, Le Livre de la Payse, Amour d’áutomne en Villa tranquille.

 

 

La chanson du vannier

 

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Brins d’osier, vous serez le lit frêle où la mère
Berce un petit enfant aux sons d’un vieux couplet :
L’enfant, la lèvre encor toute blanche de lait,
S’endort en souriant dans sa couche légère.

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Vous serez le panier plein de fraises vermeilles
Que les filles s’en vont cueillir dans les taillis.
Elles rentrent le soir, rieuses, au logis,
Et l’odeur des fruits mûrs s’exhale des corbeilles.

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Vous serez le grand van où la fermière alerte
Fait bondir le froment qu’ont battu les fléaux,
Tandis qu’à ses côtés des bandes de moineaux
Se di
sputent les grains dont la terre est couverte.

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Lorsque s’empourpreront les vignes à l’automne,
Lorsque les vendangeurs descendront des coteaux,
Brins d’osier, vous lierez les cercles des tonneaux
Où le vin doux rougit les douves et bouillonne.

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Brins d’osier, vous serez la cage où l’oiseau chante,
Et la nasse perfide au milieu des roseaux,
Où la truite qui monte et file entre deux eaux,
S’enfonce, et tout à coup se débat frémissante.

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Et vous serez aussi, brins d’osier, l’humble claie
Où, quand le vieux vannier tombe et meurt, on l’étend
Tout prêt pour le cercueil. – Son convoi se répand,
Le soir, dans les sentiers où verdit l’oseraie.

Brins d’osier, brins d’osier,
Courbez-vous assouplis sous les doigts du vannier.

Andre-THEURIET

André Theuriet (8 oktober 1833 – 23 april 1907)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 8 oktober 2006.

 

De Duitse schrijver Jakob Arjouni (pseudoniem van Jakob Bothe) werd geboren op 8 oktober 1964 in Frankfurt am Main.

De Duitse schrijver Nikolaus Becker werd geboren op 8 oktober 1809 in Bonn.

Simon Carmiggelt, James Whitcomb Riley, Thomas Keneally, Dirkje Kuik, Miguel Delibes, Steven Erikson, Wilhelm Müller

De Nederlandse schrijver en dichter Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Carmiggelt groeide op in zijn geboortestad. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2006 en mijn blog van 7 oktober 2007.

 

Ongerust

 

„Tien uur ’s avonds. In het café was het eb. De bar werd zolang waargenomen door een beleefde Marokkaan die net genoeg Nederlands verstond om je geen arsenicum te geven als je pils vroeg. Er zaten twee ontheemde landgenoten van hem op de krukken, intens luisterend naar de Marokkaanse plaat die in de jukebox zit omdat hier veel gastarbeiders komen. Aan de capriolen van de zingende stem kon je horen hoe ver ze van huis waren.

Aan een tafeltje zat een oud echtpaar koffie te drinken. De man, die iets weg had van een verwoeste held, zei op gepijnigde toon: ‘Wat ’n herrie, hè?’

‘Ik hou wel van levendigheid,’ antwoordde de vrouw. ‘Ik wel. Nou ik eens.’

‘Ik heb altijd hard gewerkt,’ sprak de man mat.

‘Ja, ja…’

‘En ik móést veel in cafés komen voor de zaken.’

‘Ja – en voor de wijven,’ riep ze.

Een zware vrouw was ze, ééns begeerlijk geweest voor een gulzige natuur.

‘Geef mij nou maar eens een lekker likeurtje, daar heb ik nou eens trek in,’ zei ze. De man stond vermoeid op en ging, aan de bar, de Marokkaan duidelijk maken wat zij begeerde. Met veel wijzen op de flessen lukte het.

‘En mij nog een kop koffie,’ voegde hij er toonloos aan toe. Hij leek me uitgewoed, helemaal toe aan pantoffels en leugens. Toen hij terugliep naar het tafeltje, ging de deur open en kwam een veel jonger paar binnen. Begin veertig waren ze. De vrouw liep voorop, nogal snel. Ze was te goed gekleed voor deze kroeg. Een mooi, beweeglijk, wat doorlijnd gezicht had ze. Lachen kon ze wel, maar nu niet. Haar ogen stonden een beetje troebel.

‘Leuk is het hier,’ zei ze, op een kruk klimmend.

‘Vin je?’ vroeg de man omzichtig.

Hij was het er niet mee eens en bleef staan, met één arm leunend op de bar. Bezorgd keek hij naar haar. Hij zag eruit of hij de situatie doorgaans meester was. Maar deze niet.

De Marokkaan vervoerde het blad met het likeurtje en de kop koffie zó krampachtig dat omvallen onvermijdelijk leek. Maar het liep goed af want zijn voetenwerk was zeer soepel. Je hebt ook zulke kunstschaatseressen, die sierlijk over het ijs zweven, maar hun armen bewegen of ze de was ophangen.

‘Ik wil wel een sherrietje,’ zei de vrouw aan de bar.

‘Zou je ’t wel doen?’ vroeg hij. ‘We kunnen misschien beter naar huis gaan.’

Maar de Marokkaan had deze bestelling zonder ondertitels begrepen en zette het glas triomfantelijk voor haar neer.

‘En naar de tv kijken of zo iets?’ vroeg ze geïrriteerd. ‘Dat kan ik nu niet. Ik ben ongerust. Ik ben altijd ongerust als ze met Elly in die danstent is. ’t Soort kerels dat daar komt…’

‘Ach…,’ begon de man.

‘Een kind van veertien hoort daar niet,’ zei ze heftig.

Ze nam een grote slok.

‘Maar ze doet altijd wat ze belooft,’ antwoordde hij zacht, maar toch voor ieder hoorbaar. ‘Als ze zegt: “kwart over twaalf thuis,” dan is ze kwart over twaalf thuis. Ik heb haar geld voor een taxi gegeven. En ze weet dat ze op straat alléén moet lopen waar het licht is en waar mensen zijn. Niet op donkere grachten. Dat heeft ze me belóófd…’

Ze haalde haar schouders op, dronk het glas leeg en zei: ‘Nog een.’

De dikke vrouw aan het tafeltje stond op.

‘Wat ga je doen?’ vroeg de man.

‘Stukkie muziek maken,’ zei ze. ‘Ik hou van levendigheid. En als jij tóch niet praat…’

Ze liep naar de jukebox, deed er geld in en drukte zomaar op een knop.

‘Ik moet Fred nog even bellen over die vergadering, anders wordt het te laat,’ zei de jongeman aan de bar.

‘Doe ’t nou rustig, alsjeblieft. We moeten gewoon zijn, als ze thuiskomt. Gewoon.’

Hij liep naar de telefooncel achterin het café.

Uit de jukebox kwam nu de donkere stem van Cleo Laine. Ze zong ‘There’s something sad’, erg mooi en erg toepasselijk.

‘Vind je dat nou zo’n leuk moppie?’ vroeg de oude man.

‘’t Is muziek, niet?’ riep de vrouw. ‘Ik hou van levendigheid. Van die stilte word ik gek. Jij hebt vroeger genoeg levendigheid gehad.’

De vrouw aan de bar dronk het glas weer leeg en staarde in de spiegel. There’s something sad. Het lied overspoelde haar, als mist. De man nam een slok uit zijn kopje en zei: ‘De koffie is hier goed. Een lekker koppie koffie is wat waard.’

 

carmiggelt_kl

Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Whitcomb Riley werd geboren op 7 oktober 1849 in Greenfield, Indiana. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2006.

 

 

A Barefoot Boy

 

A barefoot boy! I mark him at his play —
For May is here once more, and so is he, —
His dusty trousers, rolled half to the knee,
And his bare ankles grimy, too, as they:
Cross-hatchings of the nettle, in array
Of feverish stripes, hint vividly to me
Of woody pathways winding endlessly
Along the creek, where even yesterday
He plunged his shrinking body — gasped and shook —
Yet called the water “warm,” with never lack
Of joy. And so, half enviously I look
Upon this graceless barefoot and his track, —
His toe stubbed — ay, his big toe-nail knocked back
Like unto the clasp of an old pocketbook.

 

 

 

A Noon Interval

 

A deep, delicious hush in earth and sky —
A gracious lull–since, from its wakening,
The morn has been a feverish, restless thing
In which the pulse of Summer ran too high
And riotous, as though its heart went nigh
To bursting with delights past uttering:
Now–as an o’erjoyed child may cease to sing
All falteringly at play, with drowsy eye
Draining the pictures of a fairy-tale
To brim his dreams with–there comes o’er the day
A loathful silence wherein all sounds fail
Like loitering sounds of some roundelay . . .
No wakeful effort longer may avail —
The wand waves,
and the dozer sinks away.

 

James-Whitcomb-Riley

James Whitcomb Riley (7 oktober1849 – 22 juli 1916)

 

De Australische schrijver Thomas Keneally werd geboren op 7 oktober 1935 in Sydney. Aanvankelijk studeerde hij voor priester, maar brak die opleiding af en studeerde rechten. In de jaren ’60 begon hij al met het schrijven van verhalen. De eerste bekende roman die hij schreef was “The Chant Of Jimmy Blacksmith” (1972), over rassendiscriminatie tegen de Aboriginals.

In 1982 schreef hij zijn meest bekende boek, namelijk “Schindler’s Ark”, over de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. Dit boek werd later succesvol verfilmd door Steven Spielberg onder de naam “Schindler’s List”.

 

Uit: Schindler’s Ark

 

“General Sigmund List”s 5 armored divisions, driving north from the Sudetenland, had taken the sweet south Polish jewel of Cracow from both flanks on September 6, 1939. And it was in their wake that Oskar Schindler entered the city which, for the next five years, would be his oyster. Though within the month he would show that he was disaffected from National Socialism, he could still see that Cracow, with its railroad junction and its as yet modest industries, would be a boomtown of the new regime. He wasn”t going to be a salesman anymore. Now he was going to be a tycoon.

It is not immediately easy to find in Oskar”s family”s history the origins of his impulse toward rescue. He was born on April 28, 1908, into the Austrian Empire of Franz Josef, into the hilly Moravian province of that ancient Austrian realm. His hometown was the industrial city of Zwittau, to which some commercial opening had brought the Schindler ancestors from Vienna at the beginning of the sixteenth century.

Herr Hans Schindler, Oskar”s father, approved of the imperial arrangement, considered himself culturally an Austrian, and spoke German at the table, on the telephone, in business, in moments of tenderness. Yet when in 1918 Herr Schindler and the members of his family found themselves citizens of the Czechoslovak republic of Masaryk and Benes, it did not seem to cause any fundamental distress to the father, and even less still to his ten-year-old son. The child Hitler, according to the man Hitler, was tormented even as a boy by the gulf between the mystical unity of Austria and Germany and their political separation. No such neurosis of disinheritance soured Oskar Schindler”s childhood. Czechoslovakia was such a bosky, unravished little dumpling of a republic that the German-speakers took their minority stature with some grace, even if the Depression and some minor governmental follies would later put a certain strain on the relationship. Zwittau, Oskar”s hometown, was a small, coal-dusted city in the southern reaches of the mountain range known as the Jeseniks. Its surrounding hills stood partly ravaged by industry and partly forested with larch and spruce and fir. Because of its community of German-speaking Sudetendeutschen, it maintained a German grammar school, which Oskar attended. There he took the Real-gymnasium Course which was meant to produce engineers—mining, mechanical, civil—to suit the area”s industrial landscape. Herr Schindler himself owned a farm-machinery plant, and Oskar”s education was a preparation for this inheritance.”

keneally

Thomas Keneally (Sydney, 7 oktober 1935)

 

De Nederlandse schrijfster en beeldend kunstenares Dirkje Kuik werd geboren in Utrecht op 7 oktober 1929. De in Utrecht wonende en werkende Dirkje werd geboren als William Diederich Kuik. In 1977 ging Kuik de voornaam Dirkje bezigen en in 1979 liet Kuik zich in een ziekenhuis in Londen opereren en ging sindsdien geheel door het leven als vrouw. Over haar operatie, haar belevenissen als genderdiasporapatiënt, zoals zij het noemde en hoe zij haar leven na de operatie weer oppakte schreef ze uitgebreid, met name in Huishoudboekje met rozijnen.

Kuik studeerde enige tijd aan de Rijksacademie voor beeldende kunst in Amsterdam, was kunstrecensent bij Het Parool en tekende voor Vrij Nederland. In 1960 richtte Kuik samen met Moesman en Van Maarseveen het grafisch gezelschap De Luis op. Deelnemende kunstenaars met uiteenlopende ideeën wisselden elkaar af gedurende twintig jaar.

Als graficus, illustrator en tekenaar legde ze zich toe op stadsgezichten, figuurvoorstellingen en portretten, daarnaast was ze schrijver en dichter. Als dichter debuteerde ze in 1969 met de bundel 45 Gedichten, nog onder de naam William D. Kuik. Het werk wordt gezien als belangrijke bijdrage tot de Nederlandse neoromantische stroming. Voor Utrechtse Notities uit 1969 ontving ze de Prozaprijs van de gemeente Amsterdam. De door Kuik zelf geïllustreerde feuilleton De held van het potspel uit 1974 werd bekroond met de Vijverbergprijs.

 

 

Geesten van stand

 

Geesten van stand wonen, men weet het,
gaarne onder een steen.
En niet alleen in het theehuis denkt men zo beminde,
de schorpioen, de grijze pissebed, de vaal gezinde
muis kan het u vertellen.
Vreemd volk, vriendelijk voor vrienden, vreselijk voor vijanden,
zegt toch ook het boek
met gekleurde houtgravure, kleur van broodjes
harde waterverf, turks het rood, berlijns het blauw
vervuld de kinderhand.

 

kuik_boyer

Dirkje Kuik (7 oktober 1929 – 18 maart 2008)

 

De Spaanse schrijver Miguel Delibes werd op 7 oktober 1920 in Valladolid geboren. Hij volgde o/a/ tekenonderwijs aan de Escuela de Artes y Oficios. In 1938 meldde hij zich als vrijwilliger bij de marine. Later studeerde hij economie en rechten en volgde hij ook nog een snelcursus journalistiek in Madrid.
In 1941 begon Miguel Delibes als tekenaar bij de krant “El norte de Castilla” In 1944 werd hij redacteur van diezelfde krant. Na banen bij een bank en als leraar werd hij vanaf 1945 als schrijver actief. In 1947 verscheen zijn eerste werk “La sombra del Ciprés es alargada” waar hij een jaar later de Premio Nadal voor ontving. 1962 verfilmde Ana Mariscal zijn roman El camino; dat was de start van meer films, gebaseerd op zijn werk. Delibes ontving o.a. de staatprijs voor Spaanse literatuur en de Cervantes prijs.

 

Uit:  Mein vergötterter Sohn Sisí  (Mi idolatrado hijo Sisí, vertaald door Lisa Grüneisen)

 

Das Unternehmen »Sanitärbedarf Cecilio Rubes« besaß 1917 drei große Schaufenste
r zur Straße hin, elektrische Beleuchtung, eine gute Heizung und einen geräumigen Verkaufsraum, randvoll mit Sanitärzubehör. Cecilio Rubes war 1917 ein erfahrener Händler, das, was man einen gewieften Geschäftsmann nennt, verbürgt durch eine jahrzehntelange Tradition. Als Kind hatte Cecilio Rubes nichts für die Geschäfte seines Vaters übrig gehabt; er hätte gerne mit der Familientradition gebrochen und einen Beruf ergriffen, der mehr Verstand und Unternehmungsgeist erforderte, doch Cecilio Rubes ließ die entscheidenden Jahre verstreichen, vielleicht, weil er nicht das war, was man unter einem intuitiven, tatkräftigen Menschen versteht, vielleicht, weil der Handel mit Sanitärwaren den Rubes unabänderlich im Blut lag.
Um sieben Uhr am Heiligabend 1917 waren die Lichter im Geschäft »Sanitärbedarf Cecilio Rubes« gelöscht, und die weiße Keramik strahlte im Halbdunkel – dem schwachen, grünlich schimmernden Gaslicht, das durch die drei großen Fenster von der Straße hereinfiel – die unwirkliche, erstarrte Reglosigkeit eines verlassenen Friedhofes aus.
Im hinteren Teil des Geschäfts befanden sich die Büros. In jenem von Valentín, dem Buchhalter, brannte Licht, und in diesem Augenblick sagte Cecilio Rubes, der mit den Daumen unter den Achselhöhlen dastand, stockend, so als kostete es ihn Mühe, den gewaltigen blonden Schnurrbart zu bewegen, um seiner Stimme Durchlaß zu verschaffen:
»Es ist so, Valentín. An Heiligabend bin ich sonst immer ein wenig milder gestimmt, aber heute … Nun, heute bin ich nicht milder gestimmt, sondern kälter als gewöhnlich. Etwas Merkwürdiges geht mit mir vor.«
Der Buchhalter, der über einer Kladde saß, war alt und hatte seine Lesebrille auf die Stirn geschoben. Er echote:
»…etwas Merkwürdiges geht mit mir vor … Auch Ihr Vater erforschte jede Weihnachten sein Gewissen und war besonders vertraulich an diesem Abend, Señor Rubes. Das ist so bei gutherzigen Menschen wie Ihnen und Ihrem Herrn Papa.«
Cecilio Rubes vollführte eine unbestimmte Geste mit seiner feisten, weichen, gepflegten Hand. Vielleicht war seine Geste Ausdruck eines unterschwelligen Überdrusses. Cecilio Rubes fragte:
»Glauben Sie, daß ein Mann von fünfunddreißig Jahren des Lebens so überdrüssig sein kann, daß er nicht mehr leben möchte?«
Der Buchhalter richtete sich auf. In seinem gleichmütigen Gesicht zeigte sich ein wenig Furcht; sein Bärtchen bebte leicht. Er antwortete:
»…nicht mehr leben möchte … Ich denke schon. Aber das trifft nicht auf Sie zu, Señor Rubes. Sie leiten eines der angesehensten Unternehmen der Stadt, und Sie haben eine wunderbare Frau und ein schönes Haus, das Leben meint es gut mit Ihnen.«

 

miguel-delibes

Miguel Delibes (Valladolid,  7 oktober 1920)

 

De Canadese schrijver, archeoloog, antropoloog Steven Erikson (pseudoniem van Steve Rune Lundin) werd geboren in Toronto op 7 oktober 1959. Hij groeide op in Winnipeg. Erikson is opgeleid tot antropoloog en archeoloog en tevens afgestudeerd aan de Iowa Writer’s Workshop.

Zijn eerste fantasieboek Gardens of the Moon (1999) is tevens het eerste boek van het “Malazan Book of the Fallen”. Het werk zal uiteindelijk uit tien delen bestaan. De boeken beschrijven vele personages en culturen. Erikson bedacht de Malazan wereld samen met Ian Cameron Esslemont.

 

Uit: Toll the Hounds

 

“Surrounded in a city of blue fire, she stood alone on the balcony. The sky’s darkness was pushed away, an unwelcome guest on this the first night of the Gedderone Fete. Throngs filled the streets of Darujhistan, happily riotous, good- natured in the calamity of one year’s ending and another’s beginning. The night air was humid and pungent with countless scents.

There had been banquets. There had been unveilings of eligible young men and maidens. Tables laden with exotic foods, ladies wrapped in silks, men and women in preposterous uniforms all glittering gilt – a city with no standing army bred a plethora of private militias and a chaotic proliferation of high ranks held, more or less exclusively, by the nobility.

Among the celebrations she had attended this evening, on the arm of her husband, she had not once seen a real officer of Darujhistan’s City Watch, not one genuine soldier with a dusty cloak- hem, with polished boots bearing scars, with a sword- grip of plain leather and a pommel gouged and burnished by wear. Yet she had seen, bound high on soft, well- fed arms, torcs in the manner of decorated soldiers among the Malazan army – soldiers from an empire that had, not so long ago, provided for Darujhistan mothers chilling threats to belligerent children. ‘Malazans, child! Skulking in the night to steal foolish children! To make you slaves for
their terrible Empress – yes! Here in this very city!’

But the torcs she had seen this night were not the plain bronze or faintly etched silver of genuine Malazan decorations and signi.ers of rank, such as appeared like relics from some long- dead cult in the city’s market stalls. No, these had been gold, studded with gems, the blue of sapphire being the commonest hue even among the coloured glass, blue like the blue .re for which the city was famous, blue to proclaim some great and brave service to Darujhistan itself.

Her fingers had pressed upon one such torc, there on her husband’s arm, although there was real muscle beneath it, a hardness to match the contemptuous look in his eyes as he surveyed the clusters of nobility in the vast humming hall, with the proprietary air he had acquired since attaining the Council. The contempt had been there long before and if anything had grown since his latest and most triumphant victory.”

 

eriksonsnovels

Steven Erikson (Toronto, 7 oktober 1959)

 

De Duitse, romantische dichter Wilhelm Müller werd geboren op 7 oktober 1794 in Dessau. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2006.

 

Wanderschaft

 

Das Wandern ist des Müllers Lust,
Das Wandern!
Das muß ein schlechter Müller sein,
Dem niemals fiel das Wandern ein,
Das Wandern.

Vom Wasser haben wir’s gelernt,
Vom Wasser!
Das hat nicht Rast bei Tag und Nacht,
Ist stets auf Wanderschaft bedacht,
Das Wasser.

Das sehn wir auch den Rädern ab,
Den Rädern!
Die gar nicht gerne stille stehn,
Die sich mein Tag nicht müde drehn,
Die Räder.

Die Steine selbst, so schwer sie sind,
Die Steine!
Sie tanzen mit den muntern Reihn
Und wollen gar noch schneller sein,
Die Steine.

O Wandern, Wandern, meine Lust,
O Wandern!
Herr Meister und Frau Meisterin,
Laßt mich in Frieden weiter ziehn
Und wandern.

 

muller

Wilhelm Müller (7 oktober 1794 – Dessau, 1 oktober 1827)

Zeventig jaar Victor Vroomkoning, Ferdinand von Saar, Peter Gosse, Horst Bingel, Ludwig Begley

De Nederlandse dichter Victor Vroomkoning (pseudoniem van Walter van de Laar) werd geboren op 6 oktober 1938 in Boxtel. Hij is vandaag dus zeventig jaar geworden. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2006 en ook mijn blog van 6 oktober 2007.

 

 

Buddléia

 

Wat weten vlinders van augustus?
De buddléia bloeit, ze nemen het
ervan. Je dochter kan dat eigenlijk
niet aan, zo ijl, zo flinterdun

 

haar jurk. Je bent haar vader maar
kunt kijken als een man. Waar eindigen
haar poten? Hoge zomen vangen wind,
de zomer raakt nu op zijn bangst.

 

Ze fladdert weg, je kijkt haar na zoals
de vriend die laatst iets ongelukkigs
zei toen zij op haar fiets passeerde.

 

Later als het licht de middag heet
en scherp maakt bij de sloot aan gene
zijde jaagt een man bij de buddléia ‘s.

 

 

 

De Belgische Ardennen

 

Heel bemoedigend natuurlijk
al die therapeutische sparren:
de een begrijpt je, een ander
peinst met je mee, een derde
slaat wat takken om je heen
maar allemaal met dat sombere
smoelwerk. Alles druppelt,
druipt, snottert, wasemt, sopt.
Hout dat wil verzoenen, helen,
meeleeft, meewaait, maar vooral
meemiezert. Om de dooie
dood geen bouwvakkerspark waar
iedereen vrolijk luidruchtig
maar wat aanrotzooit. Nee,
hier introverte riviertjes,
survivalinspanninkjes, feedback-
uitspanninkjes. Intellectueel
woud-voertaal beschaafd Hollands-
onder een stolp van eeuwige mist.
En overal creaturen die de door
melancholie bevangen dichter uithangen.

 

 

 

OM DE BEURT

En het geschiedde in de vrije jaren zeventig
dat de Buwalda’s helemaal uit Groningen
ten behoeve van partnerruil met doosje en
apparaat voor onze Gelderse deur verschenen.

Nadat mevrouw zich weldra bloot als een vis
op ons vloerkleed had uitgestrekt, begon meneer
een preekbeurt over het hoe en het wat van het wad
dat hij tegen een vrijgemaakte wand projecteerde.

Terwijl ik aan zijn vrouw zat, raakte de
mijne verstrikt in de netten van de droog-
kloot in geitenwollen sokken en open sandalen.
Eindelijk een vent die van haar af bleef.

Jaren later begreep ik de draagwijdte van zijn
vertoog: soms was het wad, meestal was het
niet. Wij hielden het op den duur niet droog
werden schipbreukelingen zonder compassie.

vroomkoning

Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Ferdinand von Saar werd geboren op 30 september 1833 in Wenen. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2006.

 

 

Alter

 

Das aber ist des Alters Schöne,
Daß es die Saiten reiner stimmt,
Daß es der Lust die grellen Töne,
Dem Schmerz den herbsten Stachel nimmt.

 

Ermessen läßt sich und verstehen
Die eigne mit der fremden Schuld,
Und wie auch rings die Dinge gehen,
Du lernst dich fassen in Geduld.

 

Die Ruhe kommt erfüllten Strebens,
Es schwindet des Verfehlten Pein –
Und also wird der Rest des Lebens
Ein sanftes Rückerinnern sein.

 

 

Der Ziegelschlag

Weit gedehnte, öde Strecken,
schmutziggelbe Wassertümpel,
einsam ragt der Schlot des Ofens
über morsche Bretterschuppen.

Fahle Menschen, wie geknetet
aus dem fahlen Lehm des Bodens,
drin sie wühlen, treiben lautlos
Jahr um Jahr hier ödes Handwerk.

Füllen und entleeren Truhen,
mischen, treten, streichen, schlichten,
so des Backsteins ewig gleiche
Form verdrossen wiederholdend.

Träge ziehn vorbei die Stunden;
aufgelöst in Staub und Hitze
oder rings in Kot zerfließend,
scheint die Welt auch hier zu Ende.

Von_Saar

Ferdinand von Saar (30 september 1833 – 24 juli 1906)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en essayist Peter Gosse werd geboren in Leipzig op 6 oktober 1938. Gosse rondde een technische studie af in Moskou en werkte eerst als ingenieur. Vanaf 1968 was hij zelfstandig schrijver in de DDR. Sinds 1985 was hij docent poëzie aan het Literaturinstitut “Johannes R. Becher” in Leipzig. In 1993 kwam hij er in de directie. Sinds 2008 is hij waarnemend president van de Sächsischen Akademie der Künste.

 

 

Das Verhältnis

So schön Du bist – Du bist mirs nicht auf Dauer,
sag ich zu ihr, die neben mir liegt nackt
und sich statt nackt nun platt entblößt fühlt. Fakt,
sag ich, ist Fakt: je länger desto lauer.

Nicht daß mich, was ich red, nicht irritierte.
Ich will ihr Gutes, doch was ist das: gut?
Sie griff schon unters Sofa nach dem Hut.
Nun quält uns zart das Frösteln der Begierde.

Mein Kaltsinn ists, der ihrer Glieder Beben
anfeuert, dann ersäuft in Glück. (Verfiel
ich ihr kurzatmig-innig, wie sie will –
der Wollust tiernes Ganz verfiel, das Leben.)

Sie will beherrscht sein, ich will herrschen. – Wüst.
Lust ist, weil Zwistes Tränensalz uns süßt.

 

gosse

Peter Gosse (Leipzig op 6 oktober 1938)

 

De Duitse dichter, schrijver, graficus en uitgever Horst Bingel werd geboren in Korbach op 6 oktober 1933. Na een opleiding tot boekhandelaar studeerde hij schilderkunst en beeldhouwkunst. Van 1957 tot 1969 was hij als redacteur en uitgever betrokken bij het blad „Streit-Zeit-Schrift“. In 1965 richtte hij het Frankfurter Forum für Literatur op. Bingel was uitgever van verschillende bloemlezingen en organiseerde talloze schrijversbijeenkomsten. Van 1983 tot 1985 was hij stadsschrijver van Offenbach am Main. „Das Fragegedicht“ ontstond in 1964 tijdens de Auschwitz processen en verscheen  januari 1965 in de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Het gedicht was wekenlang onderwerp van een controverse in de lezersbrieven.

 

 

Fragegedicht

(Wir suchen Hitler)

 

Hitler war nicht in Deutschland

niemals

haben sie wirklich herrn Hitler gesehen

Hitler ist eine erfindung

 

man wollte uns

wie damals

die schuld

Hitler ist eine erfindung

dekadent

ihre dichter

 

für Hitler

erstmals

den Nobelpreis

für ein kollektiv

Hitler

 

eine deutsche Frau

ist nicht für Hitler

die deutschen frauen

nicht

sie tun es

die pfarrer

am sonntag frühmorgens

niemand hat Hitler gesehen

 

niemand hat Hitler gesehen

Hitler ist ein gedicht

nur an gedichten

sterben sie nicht

 

in blauen Augen

wird Hitler

kein unheil anrichten

wer hat gesagt

die Juden die Deutschen die Polen

gibt es nicht

 

Hitler ist eine erfindung

der bösen der guten der bösen

wer so etwas

wir aber werden

verzeihen

poesie

das hebt

heraus

Hitler ist keine nationaldichtung

wir waren schon immer

verderbt

durch fremdländisches

 

Hitler ist

internationale poesie

Goethe hat es

geahnt

Goethe unser

 

Hitler hat inspiriert

autobahnen

briefmarken

wir haben Hitler

umgesetzt

wirtschaftlich autark

nichts wurde fortan

unmöglich

 

Hitler

unsere stärke

war

fremdländisches

umzusetzen

umzusetzen

wir haben Hitler

assimiliert geschluckt

Hitler

ich

du

Hitler

ohne ende ohne

kein ende

ich

du

wir fragen nach

Hitler

 

Hitler

wir

Hitler

aber wir fragen

 

 

Bingel

Horst Bingel (6 oktober 1933 – 14 april 2008)

 

De Amerikaanse schrijver Louis Begley werd geboren als Ludwig Beglejter op 6 oktober 1933 in Stryj (toen Polen, tegenwoordig Oekraïne). Tijdens WO II werd zijn vader gedwongen dienst te nemen in het Russische leger. Louis vluchtte met zijn moeder naar Warschau om aan het ghetto te ontsnappen. In de herfst van 1945 verliet de familie, inmiddels weer herenigd, Polen, en emigreerde via Parijs naar de VS. Begley studeerde aan de Harvard University rechten. John Updike was een van zijn jaargenoten bij het vak Engelse literatuur, dat hij daarnaast ook nog als studie had gekozen. Zijn debuutroman Wartime Lies beschrijft
de gebeurtenissen tijdens de holocaust in Polen. Latere romans spelen in de Amerikaanse upper class. Zijn boek Schmidt werd met Jack Nicholson in de hoofdrol verfilmd. (About Schmidt)

 

Uit: Matters of Honor

 

„This is my first memory of Henry: I stand at the door of one of the three bedrooms of the ground floor suite in the college dormitory to which I have been assigned. At the open window, with his back to me, a tall, slender, red-haired boy is leaning out and waving to someone. He has heard my footsteps, turns, and beckons to me saying, Take a look, a beautiful girl is blowing kisses to me. I’ve never seen her before. She must be mad.

I went to the window. Not more than ten feet away, a girl standing on the grass was indeed blowing kisses and waving her hand in the direction of our window. Between kisses, she grinned, her mouth made to seem very large by a thick layer of red lipstick. She wore a suit of beige tweed, dark green stockings, and a Tyrolean hat with a little pheasant feather. A couple of paces away from her I saw a middle-aged woman, in darker tweeds and a brown fedora. Something about her—the hat? an air of haughty distinction?—made me think of Ingrid Bergman in Casablanca, about to board the plane for Lisbon. I assumed, partly on account of their similar dress, that she was the girl’s mother.

Several undergraduates had stopped on the path leading diagonally to the far corner of the Widener and were gawking at the scene. Neither the daughter’s antics nor the audience they had attracted seemed to disturb the mother. But after a few more minutes she said something in a voice too low for us to hear, and the girl, having blown one more kiss, threw up her arms in theatrical despair. They strolled away.

I’m in love, sighed the red-haired boy. I want to throw myself at her feet.

Why don’t you? I replied, only half kidding. It’s not too late. Climb out the window right now and you won’t even have to run to catch them.

Oh no, he wailed, I can’t. Why did this have to happen today, when I’m not prepared?

As there wasn’t a trace of irony in his voice or expression, I should have let the subject drop. Instead, I told him that, while a formal declaration might be premature, no harm could come of his proposing a cup of coffee in the Square.

He shook his head bitterly. I don’t dare, he said. Don’t you see how splendid she is? Penthesilea in tweeds! None but the son of Peleus could tame her. I am unworthy even of her scorn.

His face was a mask of discouragement.

I suppose that I shrugged. That or perhaps the expression on my face must have told him that I thought he had gone overboard. He recomposed his face into a bland smile and said, I suppose you are one of my roommates. I’m Henry White . . . from New York.”

 

begley

Louis Begley (Stryj, 6 oktober 1933)

Charlotte Link, Václav Havel, Roberto Juarroz, Stig Dagerman, Flann O’Brien

De Duitse schrijfster Charlotte Link werd geboren op 5 oktober1963 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 5 oktober 2007.

 

Uit: Die Insel

 

„Nachts hatte er Mordgedanken. Er konnte nicht schlafen, obwohl er den ganzen Tag am Meer entlanggelaufen, durch den schweren, nassen Sand dicht an der Brandung gestapft war, obwohl er so viel frische Luft in den Lungen hatte, dass es für Jahre hätte reichen müssen .. . nicht zu vergessen den Whisky, den er abends noch getrunken hatte, um sein Elend zu vergessen und müde genug zu werden, die quälenden Bilder verscheuchen und einschlafen zu können. Er hatte sich immer als Pazifist bezeichnet, hatte jede Art von Gewalt als primitiv erachtet, hätte nie geglaubt, dass er sich einmal mit Gewaltphantasien herumschlagen würde. Aber nun tat er es. Er konnte an gar nichts anderes mehr denken.

Er wünschte dem fetten, alten, reichen Kerl jede nur vorstellbare schwere Krankheit an den Hals. Er sah ihn mit einem Messer im Herzen, mit einem Gewehrlauf an der Schläfe. Er sah ihn im Meer ertrinken und als hässliche, aufgequollene Leiche bei Flut an den Strand gespült werden. Er sah ihn vergiftet, gevierteilt, erhängt, verbrannt.

Und er sah sich als den Täter, sah sich hängen, sich gevierteilt, sich ertränkt. Sein Körper schwamm im Schweiß bei diesen Vorstellungen. Sein Atem ging schneller. Das Entsetzen über sich selber lag im ständigen Gefecht mit dem Hass, den er für das Opfer empfand.

Das bin ich nicht, dachte er, setzte sich auf und knipste das Licht an, das kann nicht ich sein. Es ist

ein anderer. Das Zimmer sah so freundlich und harmlos aus wie immer. Das typische Wohnzimmer in einem typischen Ferienappartement: billiger Tisch, billige Stühle, billige Schränke. Alles praktisch, zweckdienlich, robust und von ausgesuchter Scheußlichkeit. Aber trotzdem freundlich. Bunte Vorhänge und zwei gerahmte Fotografien von Sonnenuntergängen am Strand bei Rantum an der Wand. Ein Strauß Blumen auf dem Fernseher. Den hatte die Vermieterin dort hingestellt, zumindest nahm er das an. Niemand sonst kam hier herein, und sie war heute zum Putzen da gewesen. Er hatte die Blumen vorgefunden, als er spätabends von Strand und Kneipe zurückgekommen war. Die Blumen – hellrosa Strauchrosen – waren ihm sofort aufgefallen, und im ersten Moment hatte er geglaubt, Clara sei wieder da. Sein Herz hatte zu jagen begonnen, sein Mund war in Sekundenschnelle ausgetrocknet.

Doch dann hatte er festgestellt, dass sie nicht da war und dass nichts hier darauf hinwies, dass sie überhaupt je da gewesen war. Er konnte nicht ein Kleidungsstück von ihr entdecken, auch

nicht Schuhe oder eine Handtasche. Keine Spur von Kosmetika im Bad, keine zweite Zahnbürste.

Von Clara stammten die Rosen nicht. Warum stellt mir die Alte Rosen ins Zimmer?, hatte er aggressiv gedacht, war kurz versucht gewesen, Vase samt Rosen vom Fernseher zu fegen. Sie soll hier putzen und mich im Übrigen in Ruhe lassen, dafür bekommt sie ihr Geld, verdammt!“

 

 Link

Charlotte Link (Frankfurt am Main, 5 oktober 1963)

 

 

De Tsjechische schrijver en politicus Václav Havel werd op 5 oktober 1936 in Praag geboren. Zie ook mijn blog van 5 oktober 2006.

 

Uit: Fassen Sie sich bitte kurz

„Vor allem möchte ich mich ein wenig gegen den Titel «Star im Thea­ter der Opposition» verwahren. Zum Ersten haben wir alles dafür getan, dass wir nicht aufgeteilt wurden in «Stars» und die Übrigen. Je bekannter jemand von uns war, und daher auch etwas geschütz­ter, desto mehr trat er zur Verteidigung der weniger Bekannten und daher Verletzlicheren auf. DasRegime hielt sich nämlich an das Prinzip «Teile und herrsche». Dem einen sagten sie: «Wie können Sie sich, ein von allen respektierter, gebildeter Mensch, mit solchen Nichtsnutzen abgeben?», dem anderen: «Fang mit denen nichts an, die stehen unter Naturschutz, die lügen sich immer irgendwie heraus und dich lassen sie dann sitzen, damit du alles für sie auslöffelst.» Es ist begreiflich, dass wir in einer solchen Situation besonderen Wert auf den Grundsatz der Gleichheit aller legten, die sich irgend­wie oppositionell äußerten. Zum Zweiten: Sie wissen sehr gut, wie ich ständig an mir selbst zweifle, wie ich mir alles Mögliche und Unmögliche vorwerfe, wie ich mir selbst nicht gefalle; ein solches Individuum kann nur schwer ohne Protest die Behauptung ertragen, ein «Star» gewesen zu sein. Andererseits muss ich zugestehen, dass ich wohl eine bestimmte integrative Fähigkeit habe: als Mensch, der dicke Luft, Konflikte und Konfrontationen unmittelbar physisch nicht erträgt, besonders, wenn sie mehr oder weniger überflüssig sind, und der es darüber hinaus nicht gern hat, wenn sich das Ge­spräch ohne sichtbares Ergebnis immer nur im Kreis dreht, habe ich mich stets bemüht, Menschen zusammenzubringen, zu ihrer Über­einstimmung beizutragen und eine Art und Weise zu finden, den gemeinsamen Standpunkt in eine sichtbare Tat zu verwandeln. Viel­leicht waren es gerade diese meine Eigenschaften, die mich schließ­lich immer – ohne dass ich das wollte oder danach gestrebt hätte – in den Vordergrund trugen, weshalb ich dann manchen wohl als «Star» erscheinen mochte. Nun aber endlich zum Kern Ihrer Frage: Ich glaube nicht, dass sich in meinem Leben eine irgendwie deut­liche Zäsur zwischen der Zeit finden lässt, als ich mich nicht mit Politik befasste, und der Zeit, in der ich dies tat. In einem gewissen Maße habe ich mich mit Politik oder öffentlichen Angelegenheiten immer befasst, und in einer gewissen Weise war ich immer – auch als «bloßer» Schriftsteller – eine politische Erscheinung. In totalitä­ren Verhältnissen ist eben eigentlich alles Politik, zum Beispiel auch ein Rock-Konzert. Unterschiede gab es selbstverständlich in der Art oder Sichtbarkeit der politischen Wirkung dessen, was ich tat: In den sechziger Jahren war es anders als in den Achtzigern. Der ein­zige wirklich umbruchartige Augenblick in meinem Leben war von diesem Gesichtspunkt aus meine Entscheidung im November 1989, die Kandidatur zum Präsidenten anzunehmen. Ab damals ging es nicht mehr allein um die politische Wirkung meines Tuns, sondern auch um eine politische Funktion – mit allem, was damit verbunden ist. Ich habe bis zur letzten Sekunde gezögert.”

Havel

Václav Havel (Praag, 5 oktober 1936)

 

 

 

De Argentijnse dichter, essayist en literatuurwetenschapper Roberto Juarroz werd geboren in Coronel Dorrego 1925. Hij werd bekend door zijn “Poesía vertical” (Verticale poëzie). Juarroz publiceerde veertien dichtbundels, opeenvolgend genummerd 1 tot 14, onder de verzameltitel “Poesía vertical“. De eerste verscheen in 1958 en de laatste, postuum, in 1997. De poezië van Juarroz is sober en soms cryptisch. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Latijns-Amerikaanse dichters van de twintigste eeuw.

 

 

Loving Against Love

 

Entering into the intimate cruelty

of correcting one with two,

but not with three.

Taking care of the trunk more than the

fruit

and nesting, if necessary,

on the fallen trunk,

on its bare root.

Insisting sometimes on the fl ower,

but without the theft of cutting it

or seizing its perfume.

And when two or longer correct one,

to retrieve the cruelty of loving against

love

and traveling toward zero,

only in the direction of zero.

 

 

Where Does Autumn Descend to?

 

Where Does Autumn Descend to?

What does it look for under things?

Why does it drag down all the colors

as if it must fade whatever falls?

And where do we descend to

like small portable autumns?

Where do we go down to even though

autumn ends?

What disordered light

undermines our foundations or erases

them?

Or does life lack foundations

and light only swim in emptiness?

Autumn pulls us

toward a depth that doesn’t exist.

All the while

we continue looking up toward a height

that exists even less.

 

 

Vertaald door Mary Crow

 

 

 

De taalobsessies,
zoals alle obsessies,
bezoeken ons ’s nachts.
Soms als wij wakker zijn,
maar bijna altijd als wij slapen.

Dan leren wij af
wat wij schijnbaar weten
en inaugureren wij
wat wij schijnbaar niet weten.

Daarom
worden gedichten ’s nachts geschreven,
hoewel zij zich soms als licht vermommen.
Of als ze overdag worden geschreven,
veranderen ze de dag in nacht.

 

Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu

 Juarroz

Roberto Juarroz (5 oktober 1925 – 31 maart 1995)

 

 

 

De Zweedse schrijver en journalist Stig Dagerman werd geboren op 5 oktober 1923 in Älvkarleby. In de jaren ’40 van de twintigste eeuw was Stig Dagerman een van de meest prominente Zweedse schrijvers. Omdat zijn vader geen mogelijkheden en middelen had om hem op te voeden groeide Stig op bij zijn grootouders in Älvkarleby. Enige maanden na zijn geboorte had Stig’s moeder de boerderij en haar kind verlaten om nooit weer terug te keren. In tegenstelling tot verhalen die de ronde doen omschreef Stig zijn kinderjaren als de gelukkigste periode van zijn leven. Als tiener voelde hij zich al aangetrokken tot het syndicalisme. Hij werd lid van de Syndicalistische Jeugd Federatie. Deze idealen is hij zijn leven lang trouw gebleven.

In de jeugdfederatie ontwikkelde hij zijn talent als schrijver en redacteur. Stig werd redacteur van de krant van de beweging (Storm). Later zou hij bijdragen leveren aan Arbetaren, een andere krant binnen de syndicalistische beweging. Toen Stig zijn militaire dienstplicht vervulde woedde in de rest van Europa de Tweede Wereldoorlog. In zijn vroege werk spelen zijn ervaringen tijdens de mobilisatie een belangrijke rol. Stig was pas 22 jaar oud toen hij zijn debuut maakt met de roman Ormen. Dit was een los geconstrueerde vertelling met horror als belangrijkste thema. De critici waren opgewonden en Stig kreeg een reputatie als briljant auteur. Hij nam ontslag bij Arbetaren en werd full-time schrijver. In de volgende vier jaren produceerde Stig een grote hoeveelheid literatuur. Zijn tweede roman, De dömdas ö (Eiland der Verdoemden) verscheen in 1946. In 1954 pleegde Stig zelfmoord in de garage van zijn huis. Dit werd wederom een literair thema in het werk van andere schrijvers, waaronder Jeroen Brouwers.

 

Uit: To kill a child

„It’s not far to Larson’s, it’s only across the road and while the child runs across the road the little blue car enters the second village. It’s a small village with small red houses and newly awake people who sit in their kitchens with their coffee cups raised and watch the car drive by on the other side of the hedge with a large cloud of dust trailing behind it. It goes very fast and the man in the car sees the apple trees and the freshly tarred telephone poles glimpse by like grey shadows. Summer flows through the windows, they race out of the village, they lie in the middle of the road nice and secure and alone – as yet. It’s good to drive all alone on a soft, broad road and out on the plain it goes even better. The man is happy and strong and with his right elbow he feels his woman’s body. He is not an evil man. He’s hurrying to the sea. He couldn’t hurt a wasp, and yet he shall soon kill a child. While they rush towards the third village the girl again closes her eyes and plays that she won’t open them until they can see the sea and she dreams in harmony with the the soft bumps of the car about how serene it will be.

For so uncaring is life constructed that a minute before a happy man kills a child he is still happy and a minute before a woman screams with fear she can close her eyes and dream of the sea and the last minute of a child’s life this child’s parents can sit in the kitchen and wait for sugar and speak of their child’s white teeth and about a rowing boat and the child itself can close a gate and start walking across a road with a few lumps of sugar wrapped in white paper in its right hand and this entire last minute nothing see except a long, shiny river and a broad boat with silent oars.

Afterwards it is all too late. Afterwards a blue car stands on the road and a screaming woman removes her hand from her mouth and the hand is bleeding. Afterwards a man opens a car’s door and tries to stand upright although he has a hole of horror inside himself. Afterwards a few lumps of sugar lie randomly scattered in blood and gravel and a child lies unmoving on its belly with its face tightly pressed against the ground. Afterwards two pale-faced people who have not yet had their coffee run out of a gate and see a sight on the road that they shall never forget. For it is not true that time heals all wounds. Time does not heal a dead child’s wound and and it heals very poorly the pain of a mother who has forgot to buy sugar and sends her child across the road to borrow some and just as poorly does it heal the grief of the once happy man who has killed it.

For he who has killed a child does not go to the sea. He who has killed a child goes quietly home and beside him he has a silent woman with her hand bandaged and in all the villages they pass they see not one happy person. All the shadows are very dark and when they part it is still under silence and the man who has killed the child knows that this silence is his enemy and that he will need years of his life to defeat it by shouting that it wasn’t his fault. But he knows that is a lie and in his nights’ dreams he shall instead wish his life back so he could make this single minute different.

But so uncaring is life against the man who has killed a child that everything after is too late.”

 Dagerman

Stig Dagerman(5 oktober 1923 – 5 november 1954)

 

 

De Ierse schrijver Flann O’Brien werd geboren op 5 oktober 1911 in Strabane, County Tyrone. Van 1929 tot 1935 studeerde hij in Dublin Iers, Engels en Duits. Al tijdens zijn studie begon hij met schrijven en gaf hij het tijdschrift Blather uit. Daarna werkte hij als ambtenaar van de regering, doceerde een tijdje en schreef voor verschillende tijdschriften. Rond 1940 schreef hij drie romans, waaronder At Swim-Two-Birds en The Third Policeman. Vanaf 1940 begon hij in de Irish Times satires te publiceren onder het pseudoniem Myles na gCopaleen. Deze column, Cruiskeen Lawn, is een voorbeeld van de tweetalige humor die men bij O’Brien vaak vindt. In 1953 moest de schrijver de publieke dienst verlaten omdat hij een satire geschreven had over een minister. Hoewel hij nu meer tijd had om te schrijven kon hij niet aanknopen bij het vroegere succes.

 

Uit: At Swim-Two-Birds

 

„That same afternoon I was sitting on a stool in an intoxicated condition in Grogan’s licensed premises. Adjacent stools bore the forms of Brinsley and Kelly, my two true friends. The three of us were occupied in putting glasses of stout into the interior of our bodies and expressing by fine disputation the resulting sense of physical and mental well-being. In my thigh pocket I had eleven and eightpence in a weighty pendulum of mixed coins. Each of the arrayed bottles on the shelves before me, narrow or squat-bellied, bore a dull picture of the gas bracket. Who can tell the stock of a public-house? Many no doubt are dummies, those especially within an arm-reach of the snug. The stout was of superior quality, soft against the tongue but sharp upon the orifice of the throat, softly efficient in its magical circulation through the conduits of the body. Half to myself, I said:
Do not let us forget that I have to buy Die Harzreise. Do not let us forget that.

Hazreise, said Brinsley. There is a house in Dalkey called Heartrise.

Brinsley then put his dark chin on the cup of a palm and leaned in thought on the counter, overlooking his drink, gazing beyond the frontier of the world.

What about another jar? said Kelly.

Ah, Lesbia, said Brinsley. The finest thing I ever wrote. How many kisses, Lesbia, you ask, would serve to sate this hungry love of mine? – As many as the Libyan sands that bask along Cyrene’s shore where pine-trees wave, where burning Jupiter’s untended shrine lies near to old King Battus’ sacred grave:

Three stouts, called Kelly.

Let them be endless as the stars at night, that stare upon the lovers in a ditch – so often would love-crazed Catallus bite your burning lips, that prying eyes should not have power to count, nor evil tongues bewitch, the frenzied kisses that you gave and got.

Before we die of thirst, called Kelly, will you bring us three more stouts. God, he said to me, it’s in the desert you’d think we were.

That’s good stuff, you know, I said to Brinsley,

A picture came before my mind of the lovers at their hedge-pleasure in the pale starlight, no sound from them, his fierce mouth burying into hers.

Bloody good stuff, I said.

Kelly, invisible to my left, made a slapping noise.

The best I ever drank, he said.

As I exchanged an eye-message with Brinsley, a wheezing beggar inserted his person at my side and said:

Buy a scapular or a stud, Sir.

This interruption I did not understand. Afterwards, near Lad Lane police station a small man in black fell in with us and tapping me often about the chest, talked to me earnestly on the subject of Rousseau, a member of the French nation. He was animated, his pale features striking in the starlight and his voice going up and falling in the lilt of his argumentum. I did not understand his talk and was personally unacquainted with him. But Kelly was taking in all he said, for he stood near him, his taller head inclined in an attitude of close attention. Kelly then made a low noise and opened his mouth and covered the small man from shoulder to knee with a coating of unpleasant buff-coloured puke. Many other things happened on that night now imperfectly recorded in my memory but that incident is still very clear to me in my mind. Afterwards the small man was some distance from us in the lane, shaking his divested coat and rubbing it along the wall. He is a little man that the name of Rousseau will always recall to me. Conclusion of reminiscence.“

 

 O'Brien_O'Toole

Flann O’Brien (5 oktober 1911 – 1 april 1966)
Portert door Brian O’Toole