The Country of Marriage (Wendell Berry), Ingmar Heytze, Elisabeth Eybers, Anil Ramdas

 

Dolce far niente – Bij een huwelijksverjaardag

 

 
Soul Mates door Gloria E Barreto-Rodriguez, 2009

 

The Country of Marriage

I.
I dream of you walking at night along the streams
of the country of my birth, warm blooms and the nightsongs
of birds opening around you as you walk.
You are holding in your body the dark seed of my sleep.

II.
This comes after silence. Was it something I said
that bound me to you, some mere promise
or, worse, the fear of loneliness and death?
A man lost in the woods in the dark, I stood
still and said nothing. And then there rose in me,
like the earth’s empowering brew rising
in root and branch, the words of a dream of you
I did not know I had dreamed. I was a wanderer
who feels the solace of his native land
under his feet again and moving in his blood.
I went on, blind and faithful. Where I stepped
my track was there to steady me. It was no abyss
that lay before me, but only the level ground.

III.
Sometimes our life reminds me
of a forest in which there is a graceful clearing
and in that opening a house,
an orchard and garden,
comfortable shades, and flowers
red and yellow in the sun, a pattern
made in the light for the light to return to.
The forest is mostly dark, its ways
to be made anew day after day, the dark
richer than the light and more blessed,
provided we stay brave
enough to keep on going in.

IV.
How many times have I come to you out of my head
with joy, if ever a man was,
for to approach you I have given up the light
and all directions. I come to you
lost, wholly trusting as a man who goes
into the forest unarmed. It is as though I descend
slowly earthward out of the air. I rest in peace
in you, when I arrive at last.

V.
Our bond is no little economy based on the exchange
of my love and work for yours, so much for so much
of an expendable fund. We don’t know what its limits are–
that puts us in the dark. We are more together
than we know, how else could we keep on discovering
we are more together than we thought?
You are the known way leading always to the unknown,
and you are the known place to which the unknown is always
leading me back. More blessed in you than I know,
I possess nothing worthy to give you, nothing
not belittled by my saying that I possess it.
Even an hour of love is a moral predicament, a blessing
a man may be hard up to be worthy of. He can only
accept it, as a plant accepts from all the bounty of the light
enough to live, and then accepts the dark,
passing unencumbered back to the earth, as I
have fallen tine and again from the great strength
of my desire, helpless, into your arms.

VI.
What I am learning to give you is my death
to set you free of me, and me from myself
into the dark and the new light. Like the water
of a deep stream, love is always too much. We
did not make it. Though we drink till we burst
we cannot have it all, or want it all.
In its abundance it survives our thirst.
In the evening we come down to the shore
to drink our fill, and sleep, while it
flows through the regions of the dark.
It does not hold us, except we keep returning
to its rich waters thirsty. We enter,
willing to die, into the commonwealth of its joy.

VII.
I give you what is unbounded, passing from dark to dark,
containing darkness: a night of rain, an early morning.
I give you the life I have let live for the love of you:
a clump of orange-blooming weeds beside the road,
the young orchard waiting in the snow, our own life
that we have planted in the ground, as I
have planted mine in you. I give you my love for all
beautiful and honest women that you gather to yourself
again and again, and satisfy–and this poem,
no more mine than any man’s who has loved a woman.

 

 
Wendell Berry (Henry County, 5 augustus 1934)
Henry County Courthouse in New Castle, Kentucky

 

De Nederlandse schrijver en dichter Ingmar Heytze werd geboren op 16 februari 1970 in Utrecht. Zie ook alle tags voor Ingmar Heytze op dit blog.

 

Lezen

Mijn boeken zijn meer
dan gebundeld papier
zoveel meer
dan een paar glazen inkt
op dood hout

het zijn stemmen
die nimmer
de stilte doorbreken

ruisende werelden,
plaatsen van rust

het zijn bomen
die weer zijn begonnen
te spreken

 

Testpiloot

Het tragische aan ruimtereizen
is dat je nergens komt; een baan
om de aarde, een vlag op de maan.
Aan bestemmingen geen gebrek,

het is alleen zo groot en leeg dat
groot en leeg de woorden niet meer
zijn. Je reist te traag, je leeft te kort,
je bent van stof en niet van licht.

Toch zit ze naast me op de bank,
ze zoekt een man van buiten
met een auto of een brommer,
iedereen hierbinnen is gek.

Ze was op weg, er waren stemmen,
vals en echt, de stad en andere drugs,
ze stak het huis in brand omdat ze
honger had. Ze werd gebruikt

als testpiloot. Het contact met
de basis is verloren, ze reist verder
door behandelkamers, heerlijk nieuwe
werelden, haldol, fluanxol,clozapine.

 

Nocturne

De sterren zijn met veel, vanavond.
Grote ogen in de nacht:
een meisje zwiert haar rok tot bloemen
op een dansfeest aan de gracht.

Een jongen wankelt door de stad.
Zijn benen slepen uit de maat.
De stoep ligt slordig langs de straat.
Hij heeft zijn flessen leeggedacht.

Hij is zijn mooiste woorden kwijt
en niemand die zijn pijn begrijpt;
zij danst met sterren in het haar
en hij – een slechte goochelaar
die stram naar vallend herfstblad grijpt
en briefjes post aan de oneindigheid.

 

 
Ingmar Heytze (Utrecht, 16 februari 1970)

 

De Zuidafrikaanse dichteres Elisabeth Eybers werd geboren op 16 februari 1915 in Klerksdorp. Zie ook alle tags voor Elisabeth Eybers op dit blog.

 

Meisie

Nou is sy dronk en pronkerig,
’n kelk wat om die stamper gloei,
angsvallig voor die wind wegwiel,
verwelkbaar na die son toe keer.

Sy moet nog regop word en dig,
’n boom wat vérgewortel groei,
vir haar behoefte aan klorofiel
én lug én aarde visenteer.

 

Girl

She is an incandescent cup
tilting its pistil dizzily,
wheeling before the wind and still
turning its petals to the glare.

She must contrast and straighten up,
a rooted and far-reaching tree
that for its store of chlorophyll
investigates both earth and air.

 

Nolensvolens

Südafrika, als ich dich verlassen mußte,
nicht deiner Dummheit, sondern eignen Schmerzes wegen
– mit einem Tonfall, der das Land meiner Herkunft verrät –
wußte ich noch nicht, daß ich auch als Gast gelten würde
auf dieser Party, wo sie dich traktieren
mit amtlichem, monomanem Haß.

 

Vertaald door Arno Piechorowski

 

 
Elisabeth Eybers (16 februari 1915 – 1 december 2007)
Impressies van Klerksdorp

 

De Surinaams-Nederlandse schrijver, columnist, essayist, programmamaker en presentator Anil Ramdas werd geboren in Paramaribo op 16 februari 1958. Zie ook alle tags voor Anil Randas op dit blog.

Uit: Badal

“Een paar weken later had hij het paar weer gezien, in dezelfde bus, in de andere richting. Ze zaten op een tweezits bank en hielden elkaars hand vast. S. belde. Badal had eerder op de dag zijn telefoon weer aangezet en zonder te kijken alle berichten met gemiste oproepen gewist. Bij een nieuw begin hoorden geen oude telefoontjes. Waar ben je in godsnaam en waarom was je telefoon al die tijd uitgeschakeld?’ vroeg S. ‘Ik ben in een Italiaans restaurant met een dove Turk. Hij heeft agliolio voor me gemaakt die nergens naar smaakt.’ `En waar is dat restaurant?’ ‘In Zandvoort.’ Waarom in Zandvoort?’ `Omdat hier alleen white trash woont.’ Dat was niet zomaar een waarneming, hij baseerde het op een mathematische theorie. Zwarte mensen hadden geen hond. Enkele creoolse jongens in de Bijlmer daargelaten – die liepen met een pitbull rond om de mensen banger te maken dan zijzelf voor de mensen waren. Blanke mensen uit de middenklasse die wel een hond hadden, lieten hun huisdieren netjes uit in parken waar ze niet aan de lijn hoefden. Een hondenplee, of een losloopgebied, zoals het officieel heette. Of ze ruimden de uitwerpselen keurig op met een zakje. Wie met een hondenpoepzakje of gewoon een boterhamzakje om de hand liep, gaf zijn maatschappelijke status weer. Mensen met tatoeages of een verwaarloosd gebit, mensen die ‘Een beetje verliefd’ van André Hazes meezongen, mensen die op de broodjesafdeling van de Hema in Zandvoort werkten, waardoor je lang op je bestelling moest wachten, mensen die eruitzagen alsof ze hun avonden halfdronken doorkwamen met sas 6 op de flatscreen tv die nog moest worden afbetaald, die mensen lieten hun hond overal uit, vooral op trottoirs met een versmalling, waardoor je er alleen als verspringer overheen kon. In Zandvoort waren er op alle trottoirs hoopjes poep, ondanks de gemeentelijke stoeptegels met een overduidelijke tekening en de overduidelijke tekst ‘Honden in de Goot’. Ergo: hier woonde white trash. Dit kale, neonverlichte restaurant met kunsthouten tafels en sportverslagen op de achtergrond was voor die white trash bedoeld. Hij liet de agliolio staan om zich te concentreren op het telefoongesprek. `Sinds wanneer geef je zo om white trash,’ vroeg S. `Sinds de laatste weken. Kijk, er is veel onderzoek gedaan naar allochtonen, vooral naar Marokkanen. Blanken worden neergezet als slachtoffers die hun mooie arbeidersbuurten in verval zien raken door toedoen van allochtonen. Maar naar white trash wordt niet gekeken.’ ‘En jij gaat naar ze kijken.’ `Het is onontgonnen terrein zeg ik je, een goudmijn.’ `Harry,’ zei ze rustig, ‘waar ben je morgenmiddag, rond twee uur? Geef me een adres.’
Ze droeg een donkerblauwe rok en een rode bloes. Hij had zich gewassen, geschoren en gekamd. Zijn grijze hemd was schoon, maar zijn zwarte broek was aan een wasbeurt toe. Op zwart zie je geen vlekken, zei hij altijd. Op het verwarmde terras legde ze haar tas op een lege stoel, schikte haar haar en bestelde een cappuccino. Hij bestelde een 7-Up. Ze keek naar hem, en toen naar haar horloge. ‘Ik ben gestopt,’ zei hij. Hij keek nonchalant naar de voorbijgangers.”

 


Anil Ramdas (16 februari 1958 – 16 februari 2012)

 

Zie voor meer schrijvers van de 16e februari ook mijn blog van 16 februari 2018 en ook mijn blog van 16 februari 2016 en ook mijn blog van 16 februari 2015.

Dolce far niente, John Ashbery, Richard Blanco, Stacie Cassarino, Silas Weir Mitchell

 

Dolce far niente

 

 
Nr. 512 door Roel Rolleman, 1982

 

The Painter

Sitting between the sea and the buildings
He enjoyed painting the sea’s portrait.
But just as children imagine a prayer
Is merely silence, he expected his subject
To rush up the sand, and, seizing a brush,
Plaster its own portrait on the canvas.

So there was never any paint on his canvas
Until the people who lived in the buildings
Put him to work: “Try using the brush
As a means to an end. Select, for a portrait,
Something less angry and large, and more subject
To a painter’s moods, or, perhaps, to a prayer.”

How could he explain to them his prayer
That nature, not art, might usurp the canvas?
He chose his wife for a new subject,
Making her vast, like ruined buildings,
As if, forgetting itself, the portrait
Had expressed itself without a brush.

Slightly encouraged, he dipped his brush
In the sea, murmuring a heartfelt prayer:
“My soul, when I paint this next portrait
Let it be you who wrecks the canvas.”
The news spread like wildfire through the buildings:
He had gone back to the sea for his subject.

Imagine a painter crucified by his subject!
Too exhausted even to lift his brush,
He provoked some artists leaning from the buildings
To malicious mirth: “We haven’t a prayer
Now, of putting ourselves on canvas,
Or getting the sea to sit for a portrait!”

Others declared it a self-portrait.
Finally all indications of a subject
Began to fade, leaving the canvas
Perfectly white. He put down the brush.
At once a howl, that was also a prayer,
Arose from the overcrowded buildings.

They tossed him, the portrait, from the tallest of the buildings;
And the sea devoured the canvas and the brush
As though his subject had decided to remain a prayer.

 

 
John Ashbery (28 juli 1927 – 3 september 2017)
De High Falls in Rochester, New York, de geboorteplaats van John Ashbery

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Richard Blanco werd geboren op 15 februari 1968 in Madrid. Zie ook alle tags voor Richard Blanco op dit blog.

 

Until we could (Fragment)

I knew it then, in that room where we found
for the first time our eyes, and everything—
even the din and smoke of the city around us—
disappeared, leaving us alone as if we stood
the last two in the world left capable of love,
or as if two mirrors face-to-face with no end
to the light our eyes could bend into infinity.

I knew since I knew you—but we couldn’t..

I caught the sunlight pining through the shears,
traveling millions of dark miles simply to graze
your skin as I did that first dawn I studied you
sleeping beside me: Yes, I counted your eyelashes,
read your dreams like butterflies flitting underneath
your eyelids, ready to flutter into the room. Yes,
I praised you like a majestic creature my god forgot
to create, till that morning of you suddenly tamed
in my arms, first for me to see, name you mine.
Yes to the rise and fall of your body breathing,
your every exhale a breath I took in as my own
wanting to keep even the air between us as one.

Yes to all of you. Yes I knew, but still we couldn’t..

I taught you how to dance Salsa by looking
into my Caribbean eyes, you learned to speak
in my tongue, while teaching me how to catch
a snowflake in my palms and love the grey
clouds of your grey hometown. Our years began
collecting In glossy photos time-lining our lives
across shelves and walls glancing back at us:
Us embracing in some sunset, more captivated
by each other than the sky brushed plum and rose.
Us claiming some mountain that didn’t matter
as much our climbing it, together. Us leaning
against columns of ruins as ancient as our love
was new, or leaning into our dreams at a table
flickering candlelight in our full-mooned eyes.

 

 
Richard Blanco (Madrid, 15 februari 1968)

 

De Amerkiaanse dichteres en schrijfster Stacie Cassarino werd geboren op 15 februari 1975 in Hartford, Connecticut. Zie ook alle tags voor Stacie Cassarino op dit blog.

 

In the Kitchen

It’s right before you drive away:
our limbs still warm with sleep,
coffee sputtering out, the north
wind, your hips pressing me
hard against the table. I like it hard
because I need to remember this.
I want to say harder. How we must
look to the road that’s gone,
to the splayed morning of cold
butter and inveterate greed.
Light comes and goes in the field.
Oranges in a bowl, garlic, radio.
In the story of us, no one wins.
Isolation is a new theme
someone says. By now
I’ve invented you. Most people
don’t like to touch dead things.
That’s what my friend tells me
when I find my fish on the floor.
It must have wanted an out.
Sometimes my desire scares me.
Sometimes I watch football
and think: four chances
is enough to get there. But
we don’t have helmets.
I want to say harder,
I can take it, but
there’s no proof I can.

 

Northwest

I admit, I am afraid of isolation,

and of the way the land breaks off here
into pieces,

and of the woman who says forever
moving her tongue along my skin
like she means it.

If I believe her, I will suffer.
If I don’t believe her, I will suffer.

Who has never wanted to be unneeding?

One year since I’ve seen the mountains
or had proof love could be enough.
The mind loves hope.

Dumb heart, come down from the walnut tree.
All the distance is ultimately a lie.

In Alaska, the heart was a fourteen-pound King.
In Seattle, she held a fishing pole to the sky.
She waited.

I will remember this version of me.
I will remember loganberry, fishscales, the future,
the letter that says:
love can sidewind.

Dear god, it is years since I’ve prayed.
I understand the birds are holy.
I understand the body leads us to love, or

this is one way of knowing the world.

 

 cassarino
Stacie Cassarino (Hartford, 15 februari 1975)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en arts Silas Weir Mitchell werd geboren op 15 februari 1829 in Philadelphia, Pennsylvania, als zoon van de arts John Kearsley Mitchell. Zie ook alle tags voor Silas Weir Mitchell op dit blog.

 

A Camp In Three Lights

Against the darkness sharply lined
Our still white tents gleamed overhead,
And dancing cones of shadow cast
When sudden flashed the camp-fire red,

Where fragrant hummed the moist swamp-spruce,
And tongues unknown the cedar spoke,
While half a century’s silent growth
Went up in cheery flame and smoke.

Pile on the logs! A flickering spire
Of ruby flame the birch-bark gives,
And as we track its leaping sparks,
Behold in heaven the North-light lives!

An arch of deep, supremest blue,
A band above of silver shade,
Where, like the frost-work’s crystal spears,
A thousand lances grow and fade,

Or shiver, touched with palest tints
Of pink and blue, and changing die,
Or toss in one triumphant blaze
Their golden banners up the sky,

With faint, quick, silken murmurings,
A noise as of an angel’s flight,
Heard like the whispers of a dream
Across the cool, clear Northern night.

Our pipes are out, the camp-fire fades,
The wild auroral ghost-lights die,
And stealing up the distant wood
The moon’s white spectre floats on high,

And, lingering, sets in awful light
A blackened pine-tree’s ghastly cross,
Then swiftly pays in silver white
The faded fire, the aurora’s loss.

 

 
Silas Weir Mitchell (15 februari 1829 – 4 januari 1914)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e februari ook mijn blog van 15 februari 2018 en ook mijn blog van 15 februari 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Liefdesbrieven (Jan Slauerhoff)

 

Bij Valentijnsdag

 

 
The Morning of Saint Valentine by John Callcott Horsley, 1863

 

Liefdesbrieven

Een liefdesbrief is beter dan het lief
Zelf: als men eens de brieven heeft gekregen
Dan heeft men ze voorgoed, terwijl tien tegen
Eén ’t lief verdwijnt om geldgebrek of grief.

Een brief kan men daags, nachts, elk ogenblik
Dat men ze bij zich heeft, te voorschijn halen,
De tederheid er uit op laten stralen,
De woordjes lezen, denkend: zo ben ìk!

Een vrouw is wisselvallig, een brief niet.
Wel lacht men wijs of weent men bitter, later
Als men voorbije dwaze woorden ziet.

Maar als het kon wou ‘k door woestijn en water
Wel eeuwig naar oase’ en havens tijgen,
Als ’t zeker was in elk een brief te krijgen.

 

 
Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936)
Voorjaar in Park Vijversburg, Leeuwarden, de geboorteplaats van Jan Slauerhoff

 

Zie voor de schrijvers van de 14 februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Hanna Bervoets, Piet Paaltjens, Ab Visser, Ischa Meijer, Jean-Luc Lagarce, Frederick Philip Grove, Frank Harris, Julia de Burgos, Frederick Douglass, Cees Buddingh’

De Nederlandse schrijfster journaliste en columniste Hanna Marleen Bervoets werd geboren in Amsterdam op 14 februari 1984. Zie ook alle tags voor Hanna Bervoets op dit blog.

Uit: Ivanov

“Geheimen willen we altijd kwijt. Ja, uiteindelijk vertelt iedereen elkaar altijd alles. Ik heb me vaak afgevraagd waarom. Waarschijnlijk is het omdat juist dat wat anderen niet van ons weten, ons maakt tot wie we zijn; onze uitzonderlijkheid bewijst. Zo dragen we onze geheimen mee als een zak glimmende edelstenen. Het is een onopvallende zak, die we bewaren op een onopvallende plek. Tot er per ongeluk iemand over struikelt, de zak opent, nog net iets ziet blinken voor we zijn hand wegduwen – nee, dit mag jij niet weten. Maar wanneer de fonkeling eenmaal ontsnapt is, wordt de verleiding groot; willen we pochen met wat we bij ons dragen en zullen we de zak alsnog opentrekken: kijk dan, hier zijn ze, mijn edelstenen, edelstenen die alleen ík heb, die maken dat ik ben geworden wie ik nu ben. Het snelst trekken we de zak open voor de mensen om wie we geven, want nog meer dan de ander willen zien, betekent liefde dat je jezelf aan de ander wilt laten zien, is het niet?
En toch.
De eerste keer dat ik Jonas over Helena vertelde, was ook meteen de laatste keer.
We kenden elkaar nog maar een paar weken. Het was een warme, droge zomer. Jonas zou met vrienden naar Italië gaan maar had die vakantie één dag voor vertrek afgezegd. Omdat hij geen zin had, beweerde hij. Omdat hij mij had leren kennen, wist ik. Vanaf dat moment zagen we elkaar dagelijks. We spraken af in parken en op stadse terrassen, tot we de ogen van anderen niet meer nodig hadden om onze afspraakjes een zekere ongedwongenheid te verschaffen. Daarna zaten we vooral op mijn balkon. Wanneer de onderburen niet thuis waren dronken we bier en mojito’s tot laat in de avond, en vertelden we elkaar onze levensverhalen; telkens opnieuw, steeds andere details, alsof onze levens routes op een landkaart waren die we nauwkeurig moesten volgen met onze wijsvingers, omdat iedere afslag een nieuwe karaktertrek, een nieuw geheim zou kunnen prijsgeven.
Zijn jeugd in Brabant: vader kweker, moeder huisvrouw, één zus, twee broers, een warm gezin (‘maar ook beklemmend’), met neefjes de maïsvelden in om elkaar af te trekken, als tiener het dorp uit, Architectuur in Antwerpen (‘eigenlijk begon mijn leven daar pas’).”

 


Hanna Bervoets (Amsterdam, 14 februari 1984)

 

De Nederlandse dichter en predikant Piet Paaltjens werd geboren in Leeuwarden op 14 februari 1835. Zie ook alle tags voor Piet Paaltjes op dit blog

 

Aan Hedwig

Wat nu een kerkhof in mij is, was, lang geleên,
Een vrolijk marktplein, waar een dartle zwerm dooreen
Krioelde van de dolste dromen, somtijds wel
Wat al te dol, en toch vermaaklijk en hun spel.

Het was me een leventje daarbinnen! Zien verging
Een mens en horen. Doch op eenmaal, daar verging
Een aaklig steunen ’t blij rumoer, en dan – een gil
Als van een zinkende equipage. En toen was ’t stil.

Ach, wat geen enkle van mijn dromen had verwacht:
Een zoete vrouwenhand had ze allen omgebracht.
Zoet, vals, arm handje! ’t Vonnis, dat u trof, was zwaar:
Gij hebt u moeten geven aan een weduwnaar.

Gij glimlacht, Hedwig, maar ik zeg u, glimlach niet!
Nog strenger oordeel zie ik voor u dagen in ’t verschiet.
De hand, die eens mijn dromen worgde, was wel wreed,
Maar wreder was nog, wat uw dartle hand misdeed.

Op de piano dansend dorst uw hand begaan,
Wat zelfs hyena’s slechts bij nacht bestaan:
Met onbarmhartig-smeltendteer klaviergeluid
Trok ze al mijn doode dromen weer hun graven uit.

Afschuwlijk! Wat reeds halfvergaan was in de schoot
Van mijn gemoed, dat woelde uw wreevle hand weer bloot
Het is daarbinnen niet meer uit te houden! ‘k Stik,
Als ik maar even afdaal in mijn eigen ik!

En toch, met wellust zou ‘k me domplen in mij zelf,
Kon ‘k u slechts met mij sleuren in dat grafgewelf.
Als ‘k u daar, Hedwig, in de stikstof smoren zag,
Hoe zou mijn ziel dan dreunen van mijn laatste lach!

 

 
Piet Paaltjens (14 februari 1835 – 19 januari 1894)
Borstbeeld in Leeuwarden

 

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Albert (Ab) Visser werd geboren in Groningen op 14 februari 1913. Zie ook alle tags voor Ab Visser op dit blog.

 

Nocturne

De avond heeft niets lieflijks in dit land;
het licht vergloeit als in ontstoken ogen,
de lucht weegt grauw en bitter als nat zand
op bomen, in de Noordenwind gebogen.

’t Cholerisch bruisen in de naakte kruinen
vervult nachtlang, naargeestig en alom
de schemering en in verkleurde tuinen
waart regen, ijzig, als een ziekte om.

En ik, geslachtenlang hiermee verbonden,
toch tot geen vereenzelviging in staat,
ga langzaam aan die somberheid te gronde
en aan een pijn, waarvoor geen naam bestaat.

 

Die Unvollendete

Hij denkt de wereld leeg en licht
En weet dat nu het lied zal komen.
Het zal hem in en overstromen …
Dan trekt zijn hart in wrangheid dicht.

`t Lied vlucht als wind weg door de bomen,
De natte nacht slaat zijn gezicht,
Hij dacht de wereld leeg en licht,
Maar weet zich vreemd aan al zijn dromen

En zoekt verklaring voor `t gericht,
Waarin hem `t liefste wordt ontnomen.
Dan buigt hij zijn beschreid gezicht
En wacht en weet dat God zal komen
En denkt het einde leeg en licht.

 

 
Ab Visser (14 februari 1913 – 9 mei 1982)
Hier met Jan Greshoff (rechts)

 

De Nederlandse journalist, schrijver, dichter, filmacteur en televisiepresentator Ischa Meijer werd geboren in Amsterdam op 14 februari 1943. Zie ook alle tags voor Ischa Meijer op dit blog.

Uit: De interviewer en de schrijvers (Cees Buddingh’)

“Remco Campert dichtte:

sinds buddingh’
verwachten veel mensen
van poëzie een avondje lachen…

Cees Buddingh’ zegt: ‘De mensen lachen vaak om dingen waar helemaal niet om te lachen valt. Neem nou es die “kachel-cyclus” die ik geschreven heb: dertien manieren waarop je een doodgewone kachel kunt bekijken. Een van die manieren is:

hoeveel men ook van elkaar houdt, op den duur kan men niet zonder kachel.
Daar lachen de mensen dan om, terwijl het hier eigenlijk gaat om een van die essentiële bronnen van het menselijk tekort waar altijd zoveel over gezeurd wordt. Ze lachen uit misverstand, ze lachen om het misverstand. En ik wil niet aansprakelijk gesteld worden voor de misverstanden die ik zelf opwek, haha!’
Dichter, romancier, sportjournalist, televisiepresentator, vertaler, criticus, toneelschrijver, hoorspelbewerker, detectiveschrijver, citatenverzamelaar en aforistisch denker Cees Buddingh’ (52) dankt zijn succes en gemoedsrust aan een van understatement doortrokken schrijf- en levensstijl. Een korte, vriendelijke pijproker, immer gehuld in een bijna tweedehands tweedjasje, bezitter van een hoogst ongebruikelijk stemgeluid: hoog en lijzig tegelijkertijd.
‘Het eigen Buddingh’-geluid,’ zegt hij zelf, ‘zoals dat, vooral na ’56 ook in mijn poëzie doorklinkt, is gebaseerd op het principe van de gewone spreektaal waarin ernst en humor nuchter en laconiek op louter constaterende toon ten gehore wordt gebracht.’ Het maakte hem tot een van de populaìrste dichters in deze drassige dreven: van zijn laatste twee bundels werden in totaal al meer dan 12.000 exemplaren verkocht, een ongehoord resultaat ook voor de voordrachtskunstenaar Buddingh’ die voor het eerst eigenlijk ‘ontdekt’ werd op de grote poëzieavond (1966) in het Amsterdamse Carré.
Daar droeg hij zelf, stomverbaasd over de razend enthousiaste bijvalsbetuigingen uit de zaal, enige van zijn ‘toevallig genoteerde’ ontboezemingen voor die snel hoog genoteerd kwamen te staan op de letterkundige hitlijsten van de middelbareschooljeugd. Zoals het vers over de dekseltjes van het Marmite- en Heinz-sandwichspreadpotje die, na een proefondervindelijk onderzoekje, onderling verwisselbaar bleken.”

 


Ischa Meijer (14 februari 1943 – 14 februari 1995)

 

De Franse schrijver, komiek en regisseur Jean-Luc Lagarce werd geboren op 14 februari 1957 in Héricourt (Haute-Saône, in de buurt van Belfort). Zie ook alle tags voor Jean-Luc Lagarce op dit blog.

Uit: Juste la fin du monde

« Louis. – Et plus tard, vers la fin de la journée,
c’est exactement ainsi,
lorsque j’y réfléchis,
que j’avais imaginé les choses,
vers la fin de la journée
sans avoir rien dit de ce qui me tenait à cœur
– c’est juste une idée mais elle n’est pas jouable –
sans voir jamais osé faire tout ce mal,
je repris la route,
je demandai qu’on m’accompagne à la gare,
qu’on me laisse partir.
Je promets qu’il n’y aura plus tout ce temps
avant que je revienne,
je dis des mensonges,
je promets d’être là, à nouveau, très bientôt,
des phrases comme ça.
Les semaines, les mois peut-être,
qui suivent,
je téléphone, je donne des nouvelles,
j’écoute ce qu’on me raconte, je fais quelques efforts,
j’ai l’amour plein de bonne volonté,
mais c’était juste la dernière fois,
ce que je me dis sans le laisser voir.
Elle, elle me caresse une seule fois la joue,
doucement, comme pour m’expliquer qu’elle me
pardonne je ne sais quels crimes,
et ces crimes que je ne connais pas,
je les regrette,
j’en éprouve du remords.
Antoine est sur le pas de la porte,
il agite les clefs de sa voiture,
il dit plusieurs fois qu’il ne veut en aucun cas me
presser,
qu’il ne souhaite pas que je parte,
que jamais il ne me chasse,
mais qu’il est l’heure du départ,
et bien que tout cela soit vrai,
il semble vouloir me faire déguerpir, c’est l’image
qu’il donne,
c’est l’idée que j’emporte.
Il ne me retient pas,
et sans le lui dire, j’ose l’en accuser.
C’est de cela que je me venge.
(Un jour, je me suis accordé tous les droits.) »

 


Jean-Luc Lagarce (14 februari 1957 – 30 september 1995)

 

De Canadees-Duitse schrijver en vertaler Frederick Philip Grove werd geboren als Felix Paul Greve op 14 februari 1879 in Radomno, Westpruisen. Zie ook alle tags voor Frederick Philip Grove op dit blog.

Uit: Settlers of the Marsh

“On the road leading north from the little prairie town Minor two men were fighting their way through the gathering dusk.
Both were recent immigrants; one, Lars Nelson, a giant, of three years’ standing in the country; the other, Niels Lindstedt, slightly above medium size, but compactly built, of only three months’. Both were Swedes; and they had struck up a friendship which had led to a partnership for the winter that was coming. They had been working on a threshing gang between Minor and Balfour and were now on their way into the bush settlement to the north-east where scattered homesteads reached out into the wilderness.
It was the beginning of the month of November.
Niels carried his suitcase on his back; Nelson, his new friend’s bundle, which also held the few belongings of his own which he had along. He wore practically the same clothes winter and summer.
Above five miles from town they reached, on the north road, the point where the continuous settlement ran out into the wild, sandy land which, forming the margin of the Big Marsh, intervened between the territory of the towns and the next Russo-German settlement to the north, some twenty miles or so straight ahead.
At this point the road leapt the Muddy River and passed through its sheltering fringe of bush to strike out over a sheer waste of heath-like country covered with low, creeping brush. The wind which had been soughing through the tree tops had free sweep here; and an exceedingly fine dust of dry, powdery ice-crystals began to fly — you could hardly call it snow so far.
It did not occur to Niels to utter or even harbour apprehensions. His powerful companion knew the road; where he went, Niels could go.
They swung on, for the most part in silence.”

 


Frederick Philip Grove (14 februari 1879 – 19 augustus 1948)

 

De Iers-Engelse schrijver, publicist, uitgever en redacteur Frank Harris werd geboren op 14 februari 1856 in Galway, Ierland Zie ook alle tags voor Frank Harris op dit blog.

Uit: My Life and Loves

“The next morning I saw Ethel Dodge through the knothole. She was slim and shapely with wide breasts, pert nipples, flaring hips, and a thick mossing of dark hair on her mount. She was so attractive that I wanted her to come to my cabin as she came from the bath. The stewardess introduced me and Ethel seemed willing to be friends. Yes, she was pretty and well-made, but not as lovely, or as young as Winnie. She needed money, however, as she was going to be married. She confessed at once that she loved love and was not averse to earning moneyin whatever manneron her voyage. While we were talking, I heard the stewardess tap lightly on the door; whoever was passing must have heard us laugh. Ethel plainly told me she was at my service for she liked me greatly.
“No nonsense about you, that’s what I like,” she added.
When I met Winnie on deck half an hour later, she was very cold to me, so I merely bowed and smiled and passed on. A little later, while I was pacing the deck, she stopped me.
“I suppose you’re proud of your new conquest?” she huffed.
“No,” I replied, “I’ve made no conquest new or old.”
“Yet I heard you both laughing in your room as I passed,” she replied.
“Possibly,” I said, “but that proves nothing.”
“You probably took off her bathrobe and fondled her breasts andand” Winnie said passionately.
“I didn’t even want to,” I answered.
“I wish I could believe that,” she cried with intense feeling in voice and looks. As luck would have it, we had reached the forecastle and were clean out of sight and hearing of the rest of the passengers. I put my arm around her waist, drew her to me strongly and kissed her lips. While my mouth was on hers, her arms went around my neck and she murmured, “Then you do love me best?”

 

 
Frank Harris (14 februari 1856 – 27 augustus 1931)
Cover

 

De Puerto Ricaanse dichteres en schrijfster Julia de Burgos (eig. Julia Constanze Burgos García) werd geboren op 14 februari 1914 in Carolina. Zie ook alle tags voor Julia de Burgos op dit blog.

 

Poem to my Death

Confronting a longing
To die with my very self, abandoned and alone,
On the densest rock of a deserted island.
At that moment, a final yearning for carnations,
On the landscape, a tragic horizon of stone.

My eyes filled with graves of stars,
My passion spread out, exhausted and dispersed,
My fingers like children watching a cloud fade,
My reason mobbed with enormous sheets.

My pale affections returning to silence
–Even love, consumed brother on my path!–
My name untangling, yellow in the branches,
And my hands, twitching to give me to the grass.

To rise to the final, the whole minute,
And offer myself to the fields,
Then to bend the leaf of my ordinary flesh
And fall unsmiling, without witness to intertia.

Let nobody dishonor my death with sobs
Or wrap me forever in plain earth
For in a moment of freedom I may freely
Demand the one liberty of this planet.

With what mad joy will my bones begin
To seek airholes in my brown flesh
And I, giving myself, giving myself fiercely and boldly
To the elements: in solitude breaking my chains!

Who will detain me with useless dreams
When my soul begins to fulfill its task
Making of my sleep a rich douh
For the frail worm that knocks at my door?

Smaller and smaller my worn-out humility
At every instant greater and easier the surrender
Perhaps my chest will turn to begin a flower bud
Maybe my lips will feed lilies.

What shall I be called when all that remains
Is my memory of myself on the rock of the deserted island?
A carnation wedged between my shadow and the wind,
Death’s child and mine: My name will be poet.

 


Julia de Burgos (14 februari 1914 – 6 juli 1953)
Muurschildering in Carolina, Puerto Rico

 

De zwarte Amerikaans abolitionist, schrijver, redacteur, publicist, politicus en hervormer Frederick Douglass werd geboren nabij Easton in de staat Maryland op 14 februari 1818 als Frederick Augustus Washington Bailey, (Zijn precieze geboortedag is nooit opgeschreven, maar hij koos 14 februari om het te vieren.) Zie ook alle tags voor Frederick Douglas op dit blog.

Uit: Self-Made Men

“The subject announced for this evening’s entertainment is not new. Man in one form or another, has been a frequent and fruitful subject for the press, the pulpit and the platform. This subject has come up for consideration under a variety of attractive titles, such as “Great Men,” “Representative Men,” “Peculiar Men,” “Scientific Men,” “Literary Men,” “Successful Men,” “Men of Genius,” and “Men of the World;” but under whatever name or designation, the vital point of interest in the discussion has ever been the same, and that is, manhood itself, and this in its broadest and most comprehensive sense.
The tendency to the universal, in such discussion, is altogether natural and all controlling: for when we consider what man, as a whole, is; what he has been; what he aspires to be, and what, by a wise and vigorous cultivation of his faculties, he may yet become, we see that it leads irresistably to this broad view of him as a subject of thought and inquiry.
The saying of the poet that “The proper study of mankind is man,” and which has been the starting point of so many lectures, essays and speeches, holds its place, like all other great utterances, because it contains a great truth and a truth alike for every age and generation of men. It is always new and can never grow old. It is neither dimmed by time nor tarnished by repetition; for man, both in respect of himself and of his species, is now, and evermore will be, the center of unsatisfied human curiosity.
The pleasure we derive from any department of knowledge is largely due to the glimpse which it gives us of our own nature. We may travel far over land and sea, brave all climates, dare all dangers, endure all hardships, try all latitudes and longitudes; we may penetrate the earth, sound the ocean’s depths and seep the hollow sky with our glasses, in the pursuit of other knowledge; we may contemplate the glorious landscape gemmed by forest, lake and river and dotted with peaceful homes and quiet herds; we may whirl away to the great cities, all aglow with life and enterprise; we may mingle with the imposing assemblages of wealth and power; we may visit the halls where Art works her miracles in music, speech and color, and where Science unbars the gates to higher planes of civilization; but no matter how radiant the colors, how enchanting the melody, how gorgeous and splendid the pageant: man himself, with eyes turned inward upon his own wondrous attributes and powers surpasses them all.”

 

 
Frederick Douglass (14 februari 1818 – 20 februari 1895)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e februari ook mijn blog van 14 februari 2018 delen 3 en 4 en ook mijn blog van 14 februari 2016 deel 2 en ook deel 3.

Jan Siebelink, M. Vasalis, Arjan Visser, Jan Arends, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius, Urs Faes, Katja Lange-Müller

De Nederlandse schrijver Jan Siebelink werd geboren op 13 februari 1938 in Velp. Zie ook alle tags voor Jan Siebelink op dit blog.

Uit: Knielen op een bed violen

“Wie vanuit het oosten komt, van bij de Duitse grens, ziet ten slotte, over het onafzienbare veen, een grijze streep aan de horizon, en wie voor de eerste keer die weg aflegt en de rivier wil oversteken, denkt dat hij voetveer en Veluwezoom al nadert. Maar de onwetende reiziger is nog kilometers van de rivier verwijderd en onderscheidt in het platte veen, verspreid opdoemend, wonderlijke opstuikingen in het landschap. Diluviale hoogten, ontstaan in de eerste ijstijd, zoals de meester van de christelijk-nationale Koning Davidschool elk jaar aan zijn leerlingen uitlegt: oorspronkelijk een massief waarin later door erosie valleien ontstonden.
Arbeiders uit de Veendersteeg die in de steenfabrieken aan de rivier werken, en hun kinderen die naar de lagere school in Lathum gaan, beklimmen dagelijks langs smalle uitgesleten paden – eeuwenoude tracés aansluitend op doorwaadbare plaatsen in de rivier – de heuvels aan de ene zijde en dalen af aan de andere. Ze hebben het niet in de gaten: ze dalen elke keer een beetje meer dan ze geklommen hebben. Ook dat verschijnsel kan de meester, die ook hoofd is van de tweemansschool, verklaren. Dichter naar de rivier is het land door zachtere ondergrond sterker ingeklonken.
Zo brengt de aarde je vanzelf, maar heel geleidelijk, de diepte in. Het dijkdorp wekt werkelijk de indruk in een kom te liggen, wat versterkt wordt door de hoge bandijk. De inwoners kijken vanuit hun huizen tegen de dijk aan. Ze moeten door de eeuwen heen het gevoel gekregen hebben dat die barrière niet te nemen viel. Lathum is arm, de mensen zijn kleine pachtboeren of arbeiders op de steenfabriek en zij ondernemen zelden een poging om aan de overzijde van de rivier hun heil te zoeken.
Die golvende meestal blauwe streep vlak boven de dijk is de Veluwezoom: het beloofde land, het land Kanaäns. Daar komen ze slechts om een bruidsjurk of trouwpak te kopen. Het voetveer is vooral bestemd voor de reiziger die van ver komt. Zijn einddoel zal de elegante provinciehoofdstad zijn of een van de rijke dorpen onder haar rook.
Het veen is een lagunenlandschap met riet, watergoten en drijvende eilanden. Van daaruit zie je bij een bepaalde lichtval het dorp met de blauwe klokkentoren daterend uit de twaalfde eeuw eerst als in een luchtspiegeling verschijnen.
Na het veen begint een smalle strook vast land met oude verwilderde weiden, overgroeide paden en karrensporen die niet de indruk wekken ergens heen te lopen.
Aan de voet van de kerk ligt tegenover de kleine begraafplaats de lagere school.”

 


Jan Siebelink (Velp, 13 februari 1938)

 

De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ook alle tags voor M. Vasalis op dit blog.

 

Droom

Ik liep vannacht – van een optocht los –
geraakt – ineens onder een hoog en luchtig
viaduct, jong, naast mij liep een grote
vrij zware jonge man. De pijlers werden bomen
en het beton werd losse grond.
En ogenblikkelijk stonden we stil, zijn mond
boog zich half open neer, ik richtte
mijn gezicht omhoog, de zekerheid
van kussen en omhelzen was er toen
ik wakker werd en is er nog altijd.

 

Oktober

Teder en jong, als werd het voorjaar
maar licht nog, want zonder vruchtbegin,
met dunne mist tussen de gele blaren
zet stil het herfstgetijde in.

Ik voel alleen, dat ik bemin,
zoals een kind, iets jongs, iets ouds,
eind of begin? Iets zo vertrouwds
en zo van alle strijd ontheven –
niet als een einde van het leven,
maar als de lente van de dood.

De kruinen ijl, de stammen bloot
en dit door stilte en mist omgeven.

 

Afsluitdijk

De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.

Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken
onschuldig op elkanders schouder slapen.

Dan zie ik plots, als waar ´t een droom, in ´t glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken,
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

 

 
M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
Bronzen plaquette aan het huis in Leiden waar Vasalis van 1927 tot 1934 woonde.

 

De Nederlandse journalist en schrijver Arjan Visser werd geboren in Werkendam, Noord-Brabant, op 13 februari 1961. Zie ook alle tags voor Arjan Visser op dit blog.

Uit: Paganinipark

“Niccolò werd een dag te laat geboren.
Had hij zijn hoofdje naar buiten geduwd op de datum die zijn vanwege haar helderziendheid even geliefde als gehate grootmoeder, Maria Di Montelibretto, vijf jaar eerder in Catania van hogerhand had doorgekregen, dan zou hij onder gejuich de wereld in zijn getrokken.
Una grande festa!
Dan had hij zich die twaalfde novemberdag van 1959 hebben kunnen warmen aan de in een wollen doek gewikkelde kruik en zich te goed hebben kunnen doen aan de zoete melk uit de borsten van zijn moeder, Angelina Stokvis-Di Montelibretto. Dan zou de kleine, geparfumeerde slaapkamer op een balzaal hebben geleken, waar een vrolijke vader dit keer om een goede reden dronken kon zijn. Waar zijn moeder, ondanks de pijn, een Italiaans wiegelied voor hem zou zingen. Waar tante Cecilia, de vroedvrouw, die in het dagelijks leven naaister was, hem omhoog zou hebben gehouden alsof de wedergeboorte van de Verlosser eindelijk had plaatsgevonden.
Gooi alle ramen open, laat de natte sneeuw maar binnenwaaien, kou zal ons niet deren!
Dan zou hij – zo zou Angelina later met een gebroken hart beweren – waarschijnlijk veel langer hebben geleefd dan de eenentwintig jaar die hij uiteindelijk op aarde heeft doorgebracht.
Che dolore! Povera me!
Uren achtereen had ze, met steeds kortere tussenpozen en almaar wanhopiger klinkende kreten, geperst. Aan het begin van de avond was ze zich haar omgeving nog bewust geweest, maar gaandeweg had ze ieder gevoel voor decorum verloren. Ze vergat eerst haar kapsel, toen het laken over haar opgetrokken benen. Ze liet boeren en winden, vloekte van narigheid en braakte ten slotte achteloos resten van de nog niet verteerde pasta alla puttanesca uit.
Een minuut na middernacht kwam er een abrupt einde aan Angelina’s barensnood. Haar tranen bleven stromen en ze jammerde zachtjes door, maar de pijn, ja, de pijn was tot haar verrassing verdwenen.
De drukte van die avond, van de weken, maanden, misschien zelfs van de jaren die sinds haar grootmoeders voorspelling waren verstreken, maakte plaats voor gelatenheid. ‘Er gaat voorlopig niets gebeuren,’ zei Angelina somber, ‘porca miseria.’

 

 
Arjan Visser (Werkendam, 13 februari 1961)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Jan Arends werd geboren op 13 februari 1925 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Jan Arends op dit blog.

 

Ik schrijf gedichten

Ik
schrijf gedichten
als dunne bomen.

Wie
kan zo mager
praten met de taal
als ik?

Misschien is mijn vader
gierig geweest
met het zaad.

Ik heb
hem nooit
gekend,
die man.

Ik heb
nooit
een echt woord gehoord
of het deed pijn.

Om pijn
te schrijven
heb je
weinig woorden
nodig.

 

Om te weten

Om te weten
dat er woord
voor woord
een andere taal is
daarom schrijf ik.

 


Jan Arends (13 februari 1925 – 21 januari 1974)
Cover

 

De Belgische (Franstalig) schrijver Georges Simenon werd geboren in Luik op 13 februari 1903. Zie ook alle tags voor Georges Simenon op dit blog.

Uit: La porte

« Comme dans beaucoup de vieilles maisons du quartier, les fenêtres, hautes et étroites, descendaient jusqu’à trente centimètres du plancher et des arabesques en fer forgé supportaient la barre d’appui. C’est à travers ces arabesques que Foy, de sa chaise, suivait plus ou moins consciemment les allées et venues de la rue. Il fronça les sourcils quand il vit la petite auto bleue du Dr Aubonne tourner l’angle de la rue des Francs-Bourgeois, s’engager dans la rue de Turenne et, traversant la chaussée en oblique, s’arrêter derrière le camion de la papeterie Herbiveaux. Le docteur passait la tête par la portière pour s’assurer qu’il n’était pas trop éloigné du trottoir, faisait une marche arrière suivie d’un petit bond en avant et se glissait enfin hors de la voiture minuscule. Foy ne savait pas la date exacte. Il ne la savait jamais. Le 5 ou le 6 juillet. Au plus tard le 7. Encore une semaine et ils seraient tenus éveillés toute la nuit par les flonflons et les pétards du 14 Juillet place des Vosges. Les enfants n’étaient pas encore en vacances. Une demi-heure plus tôt, ils avaient jailli de l’école en poussant des cris aigus et s’étaient éparpillés dans le quartier. Si Foy ignorait la date, il savait qu’on était lundi car, la veille, dans l’appartement aux fenêtres larges ouvertes, Nelly et lui auraient pu se croire seuls à Paris tant la rue était vide et silencieuse. A certain moment, aux alentours de midi, il n’y avait vu qu’un chien, l’air dérouté, sur le trottoir désert.
De toute façon, le docteur était en avance. D’habitude, il venait rue de Turenne, en fin d’après-midi, la troisième semaine du mois, le jour où il rendait visite à sa vieille infirme de la rue de Sévigné. Pourquoi, tout à coup, Foy se demandait-il si cette histoire était vraie, si la vieille femme existait réellement ? Le Dr Aubonne refusait de lui laisser payer cette visite mensuelle, prétendant qu’il venait moins en médecin qu’en ami, ce qui, après vingt ans de relations, pouvait paraître plausible. D’ordinaire, après sa marche arrière plus ou moins maladroite, la tête hors de la portière, il levait les yeux vers le quatrième étage où il était sûr de voir Bernard Foy assis dans l’encadrement d’une des fenêtres, tout comme, à une fenêtre d’en face, au-dessus de la papeterie, on apercevait d’un bout de l’année à l’autre la cage d’un canari.”

 


Georges Simenon (13 februari 1903 – 4 september 1989)

 

De Nederlandse schrijfster Nynke van Hichtum (pseudoniem van Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer) werd geboren in Nes op 13 februari 1860. Zie ook alle tags voor Nynke van Hichtum op dit blog.

Uit: Kinderleven (Marietjes verjaardag)

“En in die kleine kamer was maar één bedstee. Daarin sliepen vader en moeder, en aan ’t voeteneind was een houten krib getimmerd voor Marietje. Kleine broer sliep nog in de wieg. ’t Was op een Vrijdagavond. Marietje was uitgekleed, en nu werd ze door moeder in haar kribbetje lekkertjes toegestopt. „Zal Marietje nu dadelijk zoet gaan slapen?” „Ja Moe, en als ik nu heel heel zoet ben — en als ik nu morgenochtend heel vlug zelf mijn nachtkleertjes opvouw en goed op broertje pas, mag ik dan Zondag ook wat moois op mijn verjaardag hebben, Moe?” „We zullen eens kijken, hoor! Maar ga nu eerst maar gauw slapen! Nacht zusl” „Nacht Moetje! Hè, hoe prettig om jarig te zijn t En ik zal ook wat moois krijgen, dat weet ik zeker!” Moeder zei niets meer. Ze zette haastig de deuren van de bedstee op een kier, opdat Marietje niet zien zou, dat zij zoo bedroefd keek; want ze wilde ook heel, hé6I graag wat moois voor haar kleine meisje koopen en — ze wist niet, waar ze ’t geld vandaan zou halen! Daar liep ze nu maar al over te denken, terwijl ze de kamer opredderde en een boterham smeerde voor haar man, die straks thuis zou komen. Daar was hij zeker al! Ze hoorde een voetstap, en de deur werd haastig opengedaan! Nee, ’t was haar zuster Mina, die bij den notaris diende: ,Dag Kee! ben je alleen thuis? En de kinderen al naar bed? Dat is jammer! Ik kwam hun juist een paar mooie appelen brengen, en een taartje. Kijk eens hier I We kregen zooveel lekkers vandaag! — onze Herman was jarig. Wat een pret en een drukte was me dat! Mijnheer bleef thuis van ’t kantoor, om den heelen dag met de kinderen te kunnen spelen en Mevrouw wist ook niet, wat ze zou bedenken om Herman pleizier te doen. Hij mocht zelf kiezen wat we zouden eten; en wat een moois kreeg die jongen! En nu moet ik gauw weer naar huis, want Mijnheer zal de tooverlantaarn nog vertoonen, en daar moet ik bij zijn! Ik kwam alleen maar even om de kinderen een lekker hapje te brengen. — Maar wat nu, Kee? — Je gaat toch niet huilen?” ,Och Mina, ’t is niets.” — Maar terwijl Kee dat zei, liepen haar de tranen over de wangen.”

 


Nynke van Hichtum (13 februari 1860 – 9 januari 1939)
Scene uit de film “Nynke” met o.a. Monic Hendrickx als Nynke van Hichtum, 2001

 

De Duitse dichter en schrijver Friedrich Christian Delius werd geboren in Rome op 13 februari 1943. Zie ook alle tags voor Friedrich Christian Delius op dit blog.

Uit: Der Reichtum Europas

„Es fehlt nur eines, das Bewusstsein von diesem Reichtum. Also das Glücksgefühl, in einem Schlaraffenland zu leben. Wer sich umschaut in der Welt, selbst in den reichen Ländern der Welt, wird kaum einen solchen Reichtum wie in Europa finden, eine solche Vielfalt von Angeboten, Anregungen, Anstößen, gegen den Mainstream zu denken und zu handeln. Dabei geht es gar nicht um statistische Vergleiche zwischen den Nationen, um die Zahl der Bücher oder Bühnen oder Filmmeter oder Opernsitzplätze pro Kopf und Land. Wichtiger ist die Frage, ob wir unser Schlaraffenland wirklich schon entdeckt haben und es zu genießen und weiterzugeben wissen.
Denn es fehlt noch eines, die Verantwortung, diesen Reichtum an die nächsten Generationen weiterzugeben. Mehr und mehr werden die Künste als Zuflucht und Sinnersatz angesehen und gebraucht. Überall fehlt Orientierung, also sucht man sie, wenn nicht in der Religion, dann in der Kunst. „Das Unbehagen an der Welt,“ ich zitiere Thomas E. Schmidt, „der Verfall der Moral, die Verhässlichung der Welt durch die globale Wirtschaft, der Irrsinn der Wissenschaft, die Verblödung der Massen“, all das führt zu moderaten Heilserwartungen an das irdische Reich der Kultur und Kunst. Es hängt mit diesem immateriellen Reichtum zusammen, dass Hunderttausende von jungen Leuten zum Film, zum Schauspiel, zur Musik, zur Videokunst und Malerei und in den Literaturbetrieb drängen. Ob das immer gut und richtig ist, soll offen bleiben, wichtig ist:
Hier wird ein Ausgleich gesucht gegen den Trend zum alles dominierenden Schema des Ja oder Nein, On oder Off, In oder Out. Die Künste haben nicht-lineare und nicht-entfremdete Tätigkeiten zu bieten. Sie stehen im Widerspruch zur Kosten-Nutzen-Moral, und können, wenns gut geht, den größten, weil unberechenbaren und von keinem McKinsey-Kriterium fassbaren privaten wie öffentlichen Nutzen haben. Der Hunger auf diesen Reichtum ist jedenfalls größer als wir meinen. Und doch wird er als schöne Nebensache betrachtet, nicht als die geistige Goldmine unserer Demokratien.“

 

 
Friedrich Christian Delius (Rome, 13 februari 1943)

 

De Zwitserse schrijver Urs Faes werd geboren op 13 februari 1947 in Aarau. Zie ook alle tags voor Urs Faes op dit blog.

Uit: Raunächte

„Er setzte Fuß vor Fuß, als müsste jeder Tritt einen Abdruck hinterlassen im Schnee, der auch an diesem Spätnachmittag fiel, Flockenwirbel im Grau, das herabhing, von den Vordächern und Giebeln der Stadt, an denen er seltsam unberührt vorübergegangen war, vom Bahnhof durch die Hauptstraße Richtung Hügel, befremdet darin, dass die Straßen nicht mehr die waren, durch die er einst als Kind gegangen war. Erst am Ortsausgang hielt er an, suchte nach Spuren von etwas, das vertraut wäre nach den langen Jahren, die er fern gewesen war. Sein Blick ging ins Nebelgrau, aus dem die verhüllten Stämme ragten, die Spitzen dunkler Tannen, als würden sie hängen, baumeln an unsichtbaren Wäscheleinen. Erst in dem Augenblick hörte er das Rieseln, entdeckte das Brückengeländer, dann das Wirtshausschild Schwarzer Adler, den gähnend leeren Platz, von dem der Weg abging, talaufwärts, ein schmaler Steig am Bach entlang, wo die Weiden unter der Schneelast tief hingen. Eine Vertrautheit kam ihm entgegen wie eine alte Melodie, als sei etwas mit einem Male wieder da, was ihm all die Jahre gefehlt hatte. Den Weg waren sie jeden Samstag gegangen, der Vater, die Mutter, Sebastian, mit den anderen von den Schottenhöfen: der sonntägliche Kirchgang. Er hatte in der Zeller Pfarreikirche kurz verweilt, an die Mutter gedacht, an Minna. Sie hatte das Marienbild geliebt, war oft, wenn der Tag sie gequält hatte, aufgebrochen: »Ich gehe zu Maria von der Ketten, ein Spaziergang als kleine Wallfahrt. « Sie hatte die Legenden, die um die Kirche sich rankten, nacherzählt, auch die von Magdalene. Nach all den Jahren hörte er Minnas Stimme; sie war da. Seltsam. Aber nicht zu leugnen. Die Lichtgirlanden in der Zeller Hauptstraße hatten ihn daran erinnert, dass Weihnachten nahte, Einkäufe zu tätigen waren. Er hatte nichts besorgt. Der Bruder mochte keine Geschenke. Er zuckte kurz zusammen: Falls sie sich überhaupt sehen würden.
Seine Hände umklammerten die Tragriemen des Rucksacks, der leicht wog, trockene Handschuhe, zwei Brötchen, die Wasserflasche. Bis zum Gasthaus würde das reichen, dort wäre sein Gepäck, das er vorausgeschickt hatte, um zu Fuß in die Landschaft hineinschreiten zu können, eine Stunde vielleicht, auch wenn er langsam ginge, öfter stehen bleiben würde, um genau hinzuschauen, auf das talaufwärts steigende, hüglige Land mit den dunklen Tannen, die dicht und schweigend standen, den Tag zur Tannennacht machten, das Wipfelrauschen zum Abendlied. Langsam wollte er gehen, auf die Häuser zu, die Hütten, die Ställe, die Schober, die aus dem Schneegrau wuchsen, um im allmählichen Vertrautwerden Halt zu gewinnen, ein Gefühl von Ankunft, das er lange vermisst hatte – seit er fort war.“

 

 
Urs Faes (Aarau,13 februari 1947)

 

De Duitse schrijfster Katja Lange-Müller werd geboren op 13 februari 1951 in Berlijn-Lichtenberg. Zie ook alle tags voor Katja Lange-Müller op dit blog.

Uit: Drehtür

„Blitzgewitter, denkt Asta, das Wort ist mir lange nicht mehr, jetzt aber tatsächlich blitzartig eingefal-len. Artiger Blitz? Bullshit. Also: Unter einem Blitz-gewitter versteht man ein jäh einsetzendes, heftiges Gewitter, das ebenso plötzlich aufhört. — Aufhören, wieder so ein Wort, das Asta irritiert, sie stört in ih-rem Bemühen, sich daran zu erinnern, was ein Blitz-gewitter eigentlich genau ausmacht. Aufhören, denkt sie, könnte ja wohl noch etwas anderes bedeuten; doch würde man dann nicht eher aufhorchen sa-gen, in meiner Muttersprache, die ich nicht verges-sen, nur kaum gebraucht habe, während der letzten zwanzig, nein, zweiundzwanzig Jahre, die ich wo ver-brachte? In der Fremde. In der Fremde? Ach, in all den Fremden. —Muttersprache, auch dies zusammen-gesetzte Substantiv tritt sogleich eine Assoziations-lawine los. Das Hauptwort Mutter, eben noch ganz fern, kommt ihr unangenehm nahe. Haupt = Kopf, denkt sie; mein Kopf hat seinen eigenen Kopf, und der behauptet, er müsse sich Wörter fangen, deut-sche Wörter jetzt. Aber ist es nicht vielmehr so, dass all diese deutschen Wörter bereits gefangen waren in meinem Trotzköpfchen, Kapitalverbrecher, schweigsame Knastgreise, die längst resigniert hat-ten; doch nun, da ich zurückgekehrt bin ins Land meiner Herkunft, rühren sie sich wieder. — Apropos Muttersprache, wie oder was hat Mutter eigentlich gesprochen? Dazu fällt ihr nichts ein, gar nichts, je-denfalls nicht im Moment. Sie weiß bloß noch, wa-rum die schon seit 1980 tote Mutter sie Asta genannt hatte. In ihrer Familie, nein, nicht in ihrer, sie ist ja mann- und kinderlos, in der Familie der Mutter, mei-ne Mutter kann sie nicht mal denken, soll einst eine hübsche, freundliche Schäferhündin mit eben diesem Namen gelebt und jene irgendwie der dänischen Schauspielerin Asta Nielsen ähnlich gesehen ha-ben. — Wenigstens das Wort Wort ist frei, denkt Asta, zumindest frei von jeder Doppelbedeutung, und ein Blitzgewitter heißt Blitzgewitter, weil es blitzschnell losbricht und abrupt endet, nicht wegen der Blitze, die es begleiten. Gewitter, aber keine Blitze, gibt es das? Und den Blitzen folgt Donner, Donnergrollen, Donnerschläge. Kein Gewitter ohne Blitze, keine Blit-ze ohne Donner. Ansonsten wäre ein Gewitter, selbst ein Blitzgewitter, ja gar kein Gewitter, nur ein starker Regen. Der Regen? Das Regen? Sich regen bringt Se-gen. Woher habe ich den Spruch? Von der Mutter? Vielleicht, blöd genug ist er. Platzregen, Regenschauer, seltsame Vokabeln …“

 

 
Katja Lange-Müller (Berlijn, 13 februari 1951) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e februari ook mijn blog van 13 februari 2018 en ook mijn blog van 13 februari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Barbara Honigmann, Detlev Meyer, Mariana Leky, Lou Andreas-Salomé, Sabahattin Ali, Friedrich de la Motte-Fouqué, Janwillem van de Wetering, Joachim Meyerhoff, John Hennessy

De Duitse schrijfster Barbara Honigmann werd geboren op 12 februari 1949 in Oost-Berlijn. Zie ook alle tags voor Barbara Honigmann op dit blog.

Uit: Das überirdische Licht

„Aber wie! Vielleicht ist sie eine Berühmtheit, vielleicht ist sie bloß die weiße Pudelqueen von der Charles Street. Vielleicht sieht sie auch nur aus wie eine Frau. Wer weiß, wie sie sich selbst nennt. Wir sind ja hier nicht weit von der legendären Christopher Street, in deren Nähe, in der Bethune Street, sich übrigens auch die Synagoge Simchat Tora für schwule, lesbische, bi- und transsexuelle Juden eingerichtet hat. Der Gedanke, daß dieses heimelige Village mit seinen Häuschen und Vorgärtchen die Heimat der amerikanischen Bohème und von diesem Dorf alle Queer-Kultur der Welt ausgegangen ist, wirkt erheiternd, ja paradox. Ich muß zugeben, daß es in manchen Schaufenstern tatsächlich Dinge zu sehen gibt, von denen ich nicht einmal genau weiß, wie herum man sie sich anschaut und wozu und an welchen Körperstellen sie etwa benutzt werden, so daß ich noch nicht einmal zu erröten brauche, weil mein Interesse rein technisch bleibt. Direkt daneben ist wieder eine ganz altbackene Drogerie, die lauter Krimskrams verkauft, wie ich ihn zum letzten Mal in meiner Kindheit in Ost-Berlin gesehen habe. Dann eine Galerie. Der marokkanische Fotograf, der darin ausstellt, bittet mich, ihn nach Paris weiterzuempfehlen. Dort würde es doch sicher auch eine synagogue connection geben, wie er das nennt. Davon weiß ich nichts, und warum sagt er mir das.
Auf die Frage Where do you come from, damit von Anfang an soviel Klarheit wie möglich geschaffen ist und vielleicht auch aus einer Art Bekenntnissucht, antworte ich in aller Aufrichtigkeit: I come from France, but I am a German Jew. Die Formelhaftigkeit, in der meine Existenz so ihren Ausdruck findet, beglückt mich. Und sogar in New York bleiben diese Zuordnungen mein magische Dreieck. Fast jeden Tag gehe ich im Deutschen Haus vorbei und lasse mich von Kathrin und Kathrina, die dort angestellt sind, um die deutsche Sprache und Kultur in Amerika zu verbreiten, betreuen, oder ich drucke mir etwas aus oder nehme mir eine deutsche Zeitung mit und halte die beiden von ihrer wichtigen Mission ab. Nebenbei tauschen wir unsere Beobachtungen über Amerika im allgemeinen und New York im besonderen aus, über Schwierigkeiten und Auffälligkeiten des Alltags und der Sprache, und dazu geben Kathrina und ich aus der Höhe unserer erwachsenen Kinder Kathrin Ratschläge für ihre erste Schwangerschaft und alles, was darauf folgt. Eine Art Schwangeren- und Mütterberatung. Mit einem der selten auftauchenden Herren, der dort auch noch irgendeine Funktion hat, verkrache ich mich schon, bevor wir uns noch mit unseren Kaffeetassen am Tisch niedergesetzt haben, natürlich über den Nahost-Konflikt und Israel. Ich würde so gerne gelassen bleiben, aber bei dem Thema reagiere ich, wie die meisten Juden, hysterisch. Leider.”

 

 
Barbara Honigmann (Oost-Berlijn, 12 februari 1949)

 

De Duitse schrijver en dichter Detlev Meyer werd geboren op 12 februari 1950 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Detlev Meyer op dit blog.

Uit: Das Sonnenkind

„Aus diesem Grunde ist auch das Fräulein Reeskow offiziell Großvaters ehemalige Sekretärin und mehr nicht! Und aus diesem Grunde kann sie im Hause Wollin verkehren, mit Else Tee trinken, mit Max heimliche Blicke tauschen und die naseweisen Enkel mit knallbunten Fondants bestechen. Die Jungen sind nämlich furchtbar neugierig und ganz und gar nicht begabt mit dieser Wollin’schen Diskretion. Nach ihren Besuchen bei den Großeltern erzählen sie der Mutter jedes Mal aufgeregt, dass Fräulein Reeskow den Großvater wieder so komisch angeschaut habe. Der älteste Sohn, Stephan, will wissen, was zwischen den beiden sei, wird aber von Elses Tochter mit einem knappen »Später mal« abgespeist. Carsten liebt das Fräulein Reeskow sehr. Erstens hat sie lackierte Fingernägel, zweitens raucht sie Zigaretten in einer silbernen Spitze – Wer mag ihr die wohl geschenkt haben? -, und drittens hat sie die Angewohnheit, beim Kuchenessen ihre Fingerkuppen an die gespitzten Lippen zu führen, um die Krümelchen quasi wegzuküssen. Dabei werden dann jene berühmten Blicke getauscht. Fräulein Reeskows Haar ist von einem Blond schwankender Intensität, das Carsten immer an Gold denken lässt. Er mag ihre hohen Stöckelschuhe und die kurzen Röcke ihrer ansonsten züchtigen Kostüme. Wie sie sich mit der beringten linken Hand durchs Haar streicht, gefällt ihm auch. Diese Geste übt er vor dem mütterlichen Frisierspiegel, er sagt dann jedes Mal mit spitzem Mund: »Mein lieber Herr Wollin, nein, wie köstlich!« (so werden Großvaters Bonmots kommentiert), und lacht, wie nur Fräulein Reeskow zu lachen versteht: perlend, laut Großvater; affektiert, laut Großmutter. Dass Fräulein Reeskow Linkshänderin ist, macht sie zu Carstens Verbündeter. Niemand darf ihn auffordern, auch einmal die rechte Hand zu benutzen. Er antwortet dann: Tut Fräulein Reeskow auch nicht, und die war Opas Sekretärin! Das ist sie von 1925 bis zu Großvaters Pensionierung im Jahre 1945. Als Großvater mit vierunddreißig Abteilungsleiter in einem Versicherungsunternehmen wird, tritt sie in sein Berufsleben, wenig später in sein Privatleben und gehört zu diesen beiden Leben bis zu Großvaters letztem Atemzug.“

 

 
Detlev Meyer (12 februari 1950 – 30 oktober 1999)
Poster voor een lezingenavond over de schrijver in Berlijn, 2018

 

De Duitse schrijfster Mariana Leky werd geboren op 12 februari 1973 in Keulen. Zie ook alle tags voor Mariana Leky op dit blog.

Uit: Was man von hier aus sehen kann

“Als SeIrna sagte,sic habe in der Nacht von einem Okapi geträumt, waren wir sicher, dass einer von uns sterben musste, und zwar innerhalb der nächsten vierundzwanzig Stunden. Das stimmte beinahe. Es waren neunundzwanzig Stunden. Der Tod trat etwas verspätet ein, und das buchstäblich: Er kam durch die Tür. Vielleicht verspätete er sich, weil er lange gezögert hatte, über den letzten Augenblick hinaus. Selma hatte in ihrem 1 eben dreimal von einem Okapi geträumt, und jedes Mal war danach jemand gestorben. deshalb waren wir überzeugt, dass der Traum von einem Okapi und der Tod unbe-dingt miteinander verbunden waren. Unser Verstand funktioniert so. Er kann innerhalb kürzester Zeit dafür sorgen, dass die einan-der abwegigsten Dinge fest zusammengehören. Kaffeekannen und Schnürsenkel beispielsweise, oder Pfandflaschen und Tan-nenbäume. Der Verstand des Optikers war besonders gut darin. Man sagte dem Optiker zwei Sachen, die nicht im Geringsten zusammen gehörten, und er stellte aus dem Stand eine enge Verwandtschaft her. Und jetzt war es ausgerechnet der Optiker, der behauptete, dass der neuerliche Traum vom Okapi ganz gewiss niemandem den Tod brächte, dass der Tod und Selmas Traum vollkommen zusammenhangslos seien. Aber wir wussten, dass der Optiker es eigentlich auch glaubte. Vor allem der Optiker. Auch mein Vater sagte. dass das hanebüchener Unfug sei und unser Irrglaube vor allem daher käme, dass wir zu wenig Welt in unsere Leben hereinließen. Das sagte er immer: »Ihr müsst mehr Welt hereinlassen.« Er sagte es entschieden und vor allem zu Selma, im Vorhin-ein. Im Nachhinein sagte er das nur noch selten.
Das Okapi ist ein abwegiges Tier, viel abwegiger als der Tod, und es sieht vollkommen zusammenhangslos aus mit seinen Zebra-unterschenkeln, seinen Tatehüften, seinem gitaffenhaft gefortn-ten rostroten Leib, seinen Rehaugen und Mausohren. Bin Okapi ist absolut unglaubwürdig. in der Wirklichkeit nicht weniger als in den unheilvollen Träumen einer Westenvälderin. Es war Oberhaupt erst zweiundachtzig Jahre her, dass das Okapi offiziell in Afrika entdeckt worden war. Es ist das letzte große Säugetier, das der Mensch entdeckt hat; das glaubt er jedenfalls. Vermutlich stimmt das auch, denn nach einem Okapi kann eigentlich nichts mehr kommen. Wahrscheinlich hat schon sehr viel früher einmal jemand ein Okapi inoffiziell entdeckt, aber vielleicht hat er beim Anblick des Okapis geglaubt, er träume oder habe den Verstand verloren, weil eia Okapi, besonders ein plötzliches und unerwartetes, absolut zusammengeträumt wirkt. Das Okapi wirkt alles andere als unheilvoll. Es kann überhaupt nicht unheilvoll wirken, selbst wenn es sich anstrengen würde, was es, soweit man weiß, selten tut. Selbst wenn es in Sehnas Traum sich das Haupt von Krähen und Käuzchen hätte umflat-tern lassen, die ja die Unheilfülle gepachtet haben, hätte es im-mer noch einen sehr sanftmütigen Eindruck gemacht. in Selmas Traum stand das Okapi auf einer Wiese, nahe am Wald, in einer Gruppe von Feldern und Wiesen, die insgesamt «Uhlheck« heißen. Uhlheck bedeutet »Eulenwald«. Die Wester-wälder sagen vieles anders und kürzer, als es eigentlich ist, weil sie das Sprechen gerne schnell hinter sich bringen.“

 

 
Mariana Leky (Keulen, 12 februari 1973)

 

De Russisch-Duitse dichteres en schrijfster Lou Andreas-Salomé werd geboren op 12 februari 1861 in Sint Petersburg. Zie ook alle tags voor Lou Andreas-Salomé op dit blog.

Uit: Aus fremder Seele

„Über dem Schreibtisch, der an einem Seitenfenster, nach dem Hof zu, stand, hing ein in Öl gemaltes Porträt der Mutter des Pastors, – einer schönen Jüdin mit tiefen schwermütigen Augen. Darunter eine Radierung von Klinger in einfachem Rähmchen: die tote Mutter mit dem Kinde, das mit erstaunten Blicken von der Leiche in die Ferne schaut.
Kurt lehnte an der Glastür, er öffnete sie dem Pastor und rief in froher Ungeduld: »Wie lange dauert doch solche Taufe! Und daß du heute überhaupt noch jemand anders gehörst, als mir allein!«
»Mein herrlicher Junge!« sagte der Pastor und faßte ihn an beiden Schultern, »ich hab’ dich ja noch gar nicht ordentlich wiedergesehen. Wie groß und stramm bist du geworden. O so frisch und stramm!«
»Und du so jung und hübsch, Vater!«
»Du Schlingel! Du Taugenichts!«
Und während er Kurt mit freudigen Augen betrachtete, fügte er hinzu: »Es ist sonderbar! Uns alten Leuten wird alles Vergangenheit. Ich habe dich das ganze Jahr als kleinen Buben um mich gesehen. Als ganz kleinen Buben, – so wie du warst, als ich dich noch zu Bett brachte.«
»Ja«, meinte Kurt, »das war die schönste Zeit. Warum hast du mich auch fortgelassen?«
»Weil die Gelegenheit günstig war, dich unter neue Menschen und Eindrücke zu bringen. Weil du selbständig werden, nicht an meinem Rock hängen bleiben solltest, – am Rock des Alten. Alt und jung, – das stimmt nicht.«
»O Vater, zwischen uns hat alt und jung immer gestimmt! Ich hätte sehr gut bei dir zu Ende lernen können, – ich hatte ja auch Lehrer und Kameraden in der Stadt. Aber du warst doch die Hauptsache. Und da draußen, – ja, da hab ich manchmal Angst bekommen, daß die lange Entfernung von dir dich mir noch ganz fortnimmt.«
»Dummer Bub! Wie sollte das wohl möglich sein?« versetzte der Pastor, der an den Schreibtisch getreten war und in zwei bereitstehende Gläser Wein eingoß.
Kurt nahm sein Glas, stieß mit dem Pastor an und leerte es auf einen Zug. Einen Augenblick schwieg er. Dann stellte er das Glas fast heftig nieder und sagte: »Wie? Nun zum Beispiel so, wie du es selbst vorhin erwähntest: daß du mich in der Erinnerung stets als den kleinen Jungen siehst, während ich doch längst groß bin und mich ganz fern von dir weiter entwickelt. Wäre das neben dir, unter deinen Augen geschehn, so wär es für mich ganz anders.«
»Du bist noch immer derselbe Brausekopf!« bemerkte der Pastor lächelnd, aber sein Gesicht war aufmerksam geworden, »also was wäre anders, mein heftiger, ungeduldiger Junge?«
Kurt antwortete nicht. Er war an die Glastür getreten und blickte hinaus. Nach einer Pause sagte er: »Ich möchte dich etwas fragen, Vater: warum hast du mich grade dort, – grade in diesem Jahr und im Auslande konfirmieren lassen?”

 

 
Lou Andreas-Salomé (12 februari 1861 – 5 februari 1937)
Poster voor de film “Lou Andreas-Salomé, The Audacity to be Free” uit 2016

 

De Turkse dichter en schrijver Sabahattin Ali werd geboren op 12 februari 1906 in Gümülcine, tegenwoordig, Komotini, Griekenland. Zie ook alle tags voor Sabahattin Ali op dit blog.

Uit: The Madonna in the Fur Coat (Vertaald door David Gramling en Ilker Hepkaner)

“Although I was 24 years old, I’d never had any adventures with women. A couple of licentious expeditions under the tutelage of some older friends in Havran were nothing but the gauntlets of intoxication, and the timidity in my nature protected me from the desire to repeat them. Woman was a creature that whipped my imagination; she was the abstract, unreachable heroine of my numerous, never-experienced adventures envisioned while lying under the olive trees on hot summer days. For years, I loved our neighbor Fahriye without saying a word, and I would have imaginary relations with her that bordered on shamelessness. When I came across her on the street here and there, my heart would pound strongly enough to knock me down, and I would look for a place to hide, my face burning as if it were ablaze. On Ramadan nights, I would go out and hide opposite their door and watch her accompany her mother to nightly prayers holding a torch; but as soon as those bodies appeared in their long coats at the open door—under the yellow light shining from inside the house—I would turn my head to the wall and start shivering, as if they had noticed I was there.
When I was fond of a woman for any reason, the first thing I did was run away from her. I feared that my every move, my every look would disclose my secret when I encountered her; and, with an inexplicable and suffocating shyness, I would turn into the most pitiful person on earth. I can’t recall looking into the eyes of any woman in my life, my mother included. Recently, especially in Istanbul, I found the determination to fight this meaningless bashfulness, and I tried to act at ease with some girls whom I had met through friends. But when they showed any interest in me, all my determination and decisiveness would fly off. I had never been an innocent person: When I was by myself, I would play out scenes more extreme than even the most experienced lovers could think of. With the women of my imagination, I could feel the inebriating pressure of hot, throbbing lips—a few times stronger than reality permitted.
However, this fur coat picture I saw at the exhibition shook me in a way that kept me from touching her, even in my imagination. I could not even envision us sitting across from each other, like two friends, let alone touching her. I put my coat on, and headed to the exhibition. And this continued for days.”

 

 
Sabahattin Ali (12 februari 1906 – 2 april 1948)

 

De Duitse dichter en schrijver Friedrich Heinrich Karl Freiherr de la Motte-Fouqué werd geboren in Brandenburg an der Havel op 12 februari 1777. Zie ook alle tags voor Friedrich de la Motte-Fouqué op dit blog.

 

Trost

Wenn alles eben käme, wie du gewollt es hast,
und Gott dir gar nichts nähme und gäb′ dir keine Last,
wie wär′s da um dein Sterben, du Menschenkind, bestellt?
Du müßtest fast verderben, so lieb wär′ dir die Welt!

Nun fällt – eins nach dem andern -manch süßes Band dir ab,
und heiter kannst du wandern gen Himmel durch das Grab;
dein Zagen ist gebrochen, und deine Seele hofft. –
Dies ward schon oft gesprochen, doch spricht man′s nie zu oft.

 

Gute Nacht

Allem schöne gute Nacht,
was da schläft und was noch wacht:
Kindern goldne Weihnachtsbäume,
Knaben Kampf– und Minneträume,
Jungfraun reiner Unschuld Walten,
Dichtern glänzende Gestalten,
Müttern aus prophet′schen Bronnen
ihrer Kinder Künf′ge Wonnen,
Männer hoher Taten Mahnung,
Greisen nahen Friedens Ahnung;
allem schöne gute Nacht,
was da schläft und was noch wacht.

 

 
Friedrich de la Motte-Fouqué (12 februari 1777 – 23 januari 1843)
Cover

 

De Nederlandse schrijver Janwillem Van de Wetering werd geboren in Rotterdam op 12 februari 1931. Zie ook alle tags voor Janwillem van de Wetering op dit blog.

Uit: Outsider in Amsterdam

“Grijpstra dug in his wallet and after a while his square fat fingers found his police identification with its blue and red stripes and photograph of a much younger Grijpstra dressed in uniform with the silver button of his rank on both shoulders.
The dark man bent forward and read the card.“H. F. Grijpstra,” he read in a clear voice. “Adjutant. Municipal Police of Amsterdam.”
He paused.
“I have seen it. Please come in.”
“Extraordinary,” de Gier thought. “Fascinating. That fellow actually read the card. It never happens. Grijpstra always shows his credit card and nobody ever notices anything. He could have shown a receipt from the electricity department and nobody would object, but this chap really reads the identification.”
“Who are you?” Grijpstra was asking.
“Jan Karel van Meteren,” the man said.
They were in the corridor. There were three doors on the right, heavy oak doors. One of the doors was open and de Gier saw a bar and several young men with long hair and one elderly man with a bald head. Everybody was drinking beer. He had a glance of another young man behind the bar, dressed in a white T-shirt and decorated with a necklace of colored stones. Van Meteren was leading the way and they followed obediently. A staircase at the end of the corridor, again made of oak and recently polished. The floor of the corridor was covered with slabs of marble, cracked but very clean. Near the staircase Grijpstra noticed a niche with an upright Indian figure, made of bronze, life-size and with the right hand raised in a gesture of solemn greeting. Perhaps the gesture symbolized a blessing.
They climbed the staircase and came into a large open space with a high ceiling made of iron, painted white and with a relief of garlands picked out in gold. This was the restaurant, occupying the entire floor. De Gier counted ten tables, six seating four persons and four seating six persons. Nearly every chair was taken.
Grijpstra had stopped while their guide waited patiently. He was admiring a statue, standing on a stone platform attached to the wall. It was a statue of a female deity, performing a dance. The noble head on its slender neck seemed to contrast at first with the full breasts and the lewdly raised foot and Grijpstra was surprised that this naked sexual figure represented divinity and that he accepted her divinity.”

 

 
Janwillem van de Wetering (12 februari 1931 – 4 juli 2008)
Rutger Hauer en Rijk de Gooyer in Wim Verstappens film “Grijpstra en De Gier” (internationale titel: Outsider in Amsterdam) uit 1979

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver, acteur en regisseur Joachim Philipp Maria Meyerhoff werd geboren in 1967 in Homburg (Saarland). Zie ook alle tags voor Joachim Meyerhoff op dit blog.

Uit: Alle Toten fliegen hoch

„Von der norddeutschen Kleinstadt, in der ich nicht geboren, aber aufgewachsen bin, braucht der Eilzug nach Hamburg keine zwei Stunden. In diesen Zug stieg ich ein und suchte mir einen Sitzplatz. Geboren bin ich seltsamerweise in Homburg im Saarland, von wo aus wir nach nur drei Jahren nach Norddeutschland umgezogen waren. Da ich leider nicht zu den genialischen Menschen gehöre, deren Erinnerung mit pränatalen Fnicht-wassererlebnissen oder Mozartschallwellen einsetzt, oder zu denen, die gestochen scharfe Bilder ihrer frühesten Le-bensjahre in wohlbehüteten Gehirnkammern aufbewahren, zum Beispiel, wie sie mit anderthalb gegen eine geschlossene Glasschiebetür geknallt sind, habe ich an Homburg im Saar-land nicht die geringste Erinnerung. Ganz verschwommen sehe ich hin und wieder eine Elster, eine saarländische Es-tcr, die auf der Schiebestange meines Kinderwagens sitzt und mich anstarrt. Das mir der Glasschieberür ist mir selbst widerfahren. Ich konnte gerade laufen. Mein ältester Bruder setzte mich in einen Sessel und ging auf die ‘Terrasse hinaus. Erst wenn er meinen Namen rief, durfte ich vom durchgesessenen Blu-menmustersessel hinunterkrabbeln und auf meinen noch wackeligen Beinen durch das Zimmer hinaus ins Freie, in seine Arme rennen. Über die Bodenschienen der Schiebe-tür hinweg hätte ich jedes Mal einen niedlichen Hopser ge-macht. Angeblich konnte ich von diesem Im-Sessel-Sitzen und Auf-Kommando-ins-Freie-laufen im Gegensatz zu mei-nem Bruder nicht genug bekommen. Schon in seinen Ar-men, den Bruderarmen, hätte ich *Noch mal! Noch mal!« gerufen. Nach dem zwanzigsten oder flinfundzwanzipten *Noch mal! Noch mal!« setzte mich mein Bruder wieder in den Sessel und zog die Schiebetür zu, um herauszufinden, ob ich schon wüsste, dass man nicht durch Glas gehen kann. Ich wusste es nicht und donnerte mit solcher ‘Wucht gegen die Scheibe, dass meiner Mutter vor Schreck das Buch bis an die Zimmerdecke flog und mein Vater in der Küche dachte, je-mand hätte mit voll Karacho einen Fußball gegen die Schie-betür geschossen. Wie eine unsichtbare Faust hatte mich die Scheibe auf dem Weg in die weit geöffneten Arme meines Bruders niedergestreckt. Mein Vater kam und wollte den Übeltäter schimpfen, fand aber nur mich. Vor der Tür lie-gend, benommen, wie eine gegen das Fenster geknallte Am-sel. Mein Bruder wurde ermahnt, keine Experimente mit mir zu machen, und in sein Zimmer geschickt. Auf der Scheibe waren in geringem Abstand ein Speichel- und ein Fettfleck. Ich soll nach dieser Kollision mir dem Nichts mehrere Tage lang beim Umhergehen verängstigt mit vorgestreckten Hän-den die Luft abgetastet und nach unsichtbaren Mauern ge-sucht haben. Das, so mein Vater, wäre ihm damals sehr zu Herzen gegangen.“

 


Joachim Meyerhoff (Homburg, 1967)
Cover luisterboek

 

De Amerikaanse dichter John Hennessy werd geboren in 1965 in New Jersey. Zie ook alle tags voor John Hennessy op dit blog.Zie ook alle tags voor John Hennessy op dit blog.

 

More Sky Please

More sky please push open the apartment shutters
crowbar the paint factory’s broken window frames rip
tar paper from the caving roof push it back crack it open

blast an airshaft through the neighboring buildings snap
it back expose the bird-ridden drafts the wren’s been busy
here mornings year-round churr and chip golden open-throat

yodel smack in the sleep cycle soldered to feeder suet
in ivy like titmouse chickadee refusing to shift it back
Carolina Canada climate haywire more sky please rik tik tik

break open more light all the way past oil tank farms
creosote docks the Kill Van Kull slide by kingfisher flap
past cormorant incongruous flights parallel and merging

plunge into slap out of tidal pools the Fresh Kills beak
full of killifish and silversides crayfish and krill tarp
past the salt grass and bridges fly Pulaski Skyway

Bayonne’s silver buildings blank tower blocks sky
wide as the river mouth more sky more please push it back
past tankers and tugboats the last hulking cruise ship

lasers fired across a spinning disco ball wobble bass
and echo chamber dancing on deck past clanging buoys
waveless channels to deepest basin all things even

terns drop away sea and sky opened wide and empty

 

 
John Hennessy (Philadelphia, 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e februari ook mijn blog van 12 februari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Maryse Condé, Else Lasker-Schüler, Kazys Bradūnas, Gerhard Kofler, Roy Fuller, Karoline von Günderrode, Hermann Allmers, Lydia Child, Marie-Joseph Chénier

De Franse schrijfster Maryse Condé werd op 11 februari 1937 in Pointe-à-Pitre op Guadeloupe geboren. Zie ook alle tags voor Maryse Condé op dit blog.

Uit: What Is Africa to Me? (Vertaald doorRichard Philcox)

“Why is it that any attempt to write about one’s life ends up as a jumble of half-truths? Why does it have to be that any autobiography or memoir all too often becomes a construction of fantasies where the simple truth fades, then disappears altogether? Why is it that we are so anxious to depict a life so different from what we have lived? I read, for example in my publisher’s press release on the basis of information I provide for journalists and booksellers: ‘In 1958, she married Mamadou Condé, an actor from Guinea, whom she saw perform at the Odeon theater in Les Nègres, a play by Jean Genet, directed by Roger Blin, and left with him for Guinea, the only African country that said ‘No’ to General de Gaulle’s referendum.’
The above information conjures up an appealing picture of love enlightened by political commitment. And yet it is far from the truth. I never saw Condé perform in Les Nègres. While I was with him in Paris, he acted in small parts in obscure theatres where he played ‘the nigger’ as he used to joke. It was only in 1959 that he played Archibald at the Odeon, long after the first of our many separations, since our marriage had been far from a success story. I was teaching at Bingerville in the Ivory Coast where Sylvie-Anne, our first daughter, was born.
Paraphrasing Jean-Jacques Rousseau, therefore, in his Confessions, I declare today that ‘I propose to show my fellows a woman as nature made her and this woman shall be me.’
In a manner of fashion I have always felt passionate about the truth which, both in private and in public, has often been to my detriment. In my childhood memories, Tales from the Heart: True Stories from My Childhood, I recount how my ‘vocation as a writer’ (if we can use such an expression) came about. I must have been around ten. I think it was one 28th April, the birthday of my mother whom I adored but whose singular, complex and capricious character never failed to disconcert me. I had apparently devised a piece that was composed of a poem and a short play where I attempted to act out the various facets of her personality, sometimes tender and serene like a sea breeze, sometimes spiteful and moody. My mother is said to have listened to me without saying a word while I paraded in front of her dressed in a blue frock . Then she looked up at me, her eyes brimming with tears, to my amazement, and sighed: ‘so that’s how you see me?’ At that very moment I felt a surge of power that I have attempted to relive, book after book.”

 

 
Maryse Condé (Pointe-à-Pitre, 11 februari 1937)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Else Lasker-Schüler werd geboren in Elberfeld op 11 februari 1869. Dat is vandaag precies 150 jaar geleden. Zie ook alle tags voor Else Lasker-Schüler op dit blog.

 

Konzert
Ein Lied an Gott

Es schneien weiße Rosen auf die Erde,
Warmer Schnee schmückt milde unsere Welt;
Die weiß es, ob ich wieder lieben werde,
Wenn Frühling sonnenseiden niederfällt.

Zwischen Winternächten liegen meine Träume
Aufbewahrt im Mond, der mich betreut –
Und mir gut ist, wenn ich hier versäume
Dieses Leben, das mich nur verstreut.

Ich suchte Gott auf innerlichsten Wegen
Und kräuselte die Lippe nie zum Spott.
In meinem Herzen fällt ein Tränenregen;
Wie soll ich dich erkennen lieber Gott …

Da ich dein Kind bin, schäme ich mich nicht,
Dir ganz mein Herz vertrauend zu entfalten.
Schenk mir ein Lichtchen von dem ewigen Licht! – – –
Zwei Hände, die mich lieben, sollen es mir halten.

So dunkel ist es fern von deinem Reich
O Gott, wie kann ich weiter hier bestehen.
Ich weiß, du formtest Menschen, hart und weich,
Und weintetest gotteigen, wolltest du wie Menschen sehen.

Mein Angesicht barg ich so oft in deinem Schoß –
Ganz unverhüllt: du möchtest es erkennen.
Ich und die Erde wurden wie zwei Spielgefährten groß!
Und dürfen »du« dich beide, Gott der Welten, nennen.

So trübe aber scheint mir gerade heut die Zeit
Von meines Herzens Warte aus gesehen;
Es trägt die Spuren einer Meereseinsamkeit
Und aller Stürme sterbendes Verwehen.     

 


Else Lasker-Schüler (11 februari 1869 – 22 januari 1945)

 

De Litouwse dichter Kazys Bradūnas werd geboren in Kiršai, Rayon Vilkaviškis, op 11 februari 1917. Zie ook alle tags voor Kazys Bradūnas op dit blog.

 

Let The Blossoms Bloom

(For Loreta and Jurgis)

The river comes flowing
And brings with it a name.
Man comes forward
And brings with him a surname —
A toponym appears:
A cross is constructed,
Smoke rises from a chimney.
In this way Sūduva was born,
Absorbed into our hearts.

A daughter comes forward
And brings with her a fire.
A son comes forward
And brings with him bread.
At the shore of another world,
In the shade of another sky
And another tree
A table is constructed,
A loaf is sliced —
Life begins.
Put your clasped hands
On the ancient table
And let the blossoms bloom.

 

Vertaald door Rita Dapkus

 

Aanroeping

Verander, geest,
mijn eerste gedichten in doek,
en bezweer mijn gezichtsloze broer
er Sint Isidoor op te schilderen,
slechts gevoed met zwart brood.

Verander, wortels,
mijn volgende gedichten in hout,
en bezweer de lamme beeldhouwer
er een gezicht van verdriet op te houwen,
met de trekken van een moeder.

Verander, aarde,
mijn laatste gedichten in klei,
en bezweer de grijsaard in rouw
naast je kist, ruikend naar vurenhout,
te huilen in een aarden pot.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 
Kazys Bradūnas (11 februari 1917 – 9 februari 2009)

 

De Oostenrijkse dichter Gerhard Kofler werd geboren op 11 februari 1949 in Bozen. Zie ook alle tags voor Gerhard Kofler op dit blog.

 

DER EISACK

plötzlich so nah
der Eisack.
keine erinnerung
floß bisher so
in meine fahrtrichtung.
klare wasser,
als könnte endlich
nichts mehr
meine tote kindheit trüben.

 

ENVOI

einmal werde ich in Paris leben
und auf der Place Saint André des Arts sitzen
den brunnen von Saint-Michel vor augen
und die Rue Danton daneben
(gestürzte engel in monumentalen mythen)
bestelle ich einen cafd noir süß
mit einem rest
revolutionärer melancholie
höre ich um mich herum
die schwestersprache
viel verstehend
rede ich dann wenig

 


Gerhard Kofler (11 februari 1949 – 2 november 2005)
Cover

 

De Engelse dichter en schrijver Roy Fuller werd geboren op 11 februari 1912 Failsworth in Lancashire. Zie ook alle tags voor Roy Fuller op dit blog.

 

Sonnet

The crumbled rock of London is dripping under
Clouds of mechanical rain, and other cities
Lie frozen round their riven and the thunder:
For these new decades open of silent pities,
The poet dead by green enormous sculpture,
Roads sanded for expressionless invaders
And empty as flame the heavens for the vulture.
Here walk with open lips the pale persuaders
Of doom, over the concrete near the river,
Shadowed by mists on whose retreating faces
The glassy light and crimson vapors quiver.
This town is full of ghosts: successive bases
Lost to the living send their last battalion.
There is no face tonight that is not alien.

 

Soliloquy In An Air-Raid

The will dissolves, the bean becomes excited,
Skull suffers formication; moving words
Fortuitously issue from my hand.
The winter heavens, seen all day alone,
Assume the color of aircraft over the phthisic
Guns.

       But who shall I speak to with this poem?

Something was set between the words and the world
I watched today; perhaps the necrotomy
Of love or the spectre of pretense; a vagueness;
But murdering their commerce like a tariff.

Inside the poets the words are changed to desire,
And formulations of feeling are lost in action
Which hourly transmutes the basis of common speech.
Our dying is effected in the streets,
London an epicentrum; to the stench
And penny prostitution in the shelters
Dare not extend the hospital and bogus
Hands of propaganda.

Ordered this year:
A billion tons of broken glass and rubble,
Blockade of chaos, the other requisites
For the reduction of Europe to a rabble.
Who can observe this save as a frightened child
Or careful diarist? And who can speak
And still retain the tones of this civilization.

 

 
Roy Fuller (11 februari 1912 – 27 september 1991)

 

De Duitse dichteres Karoline von Günderode werd geboren op 11 februari 1780 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Karoline von Günderode op dit blog

 

Gebet an den Schutzheiligen

Den Königen aus Morgenlanden
Ging einst ein hell Gestirn voran
Und führte treu sie ferne Pfade,
Bis sie das Haus des Heilands sah’n.

So leuchte über meinem Leben,
Laß glaubensvoll nach dir mich schaun,
In Qualen, Tod und in Gefahren
Laß mich auf deine Liebe traun.

Mein Auge hab ich abgewendet
Von allem, was die Erde gibt,
Und über alles, was sie bietet,
Hab ich dich, Trost und Heil geliebt.

Dir leb ich und dir werd ich sterben,
Drum lasse meine Seele nicht
Und sende in des Lebens Dunkel
Mir deiner Liebe tröstlich Licht.

O leuchte über meinem Leben!
Ein Morgenstern der Heimat mir,
Und führe mich den Weg zum Frieden,
Denn Gottes Friede ist in dir.

Laß nichts die tiefe Andacht stören,
Das fromme Lieben, das dich meint,
Das, ob auch Zeit und Welt uns trennen,
Mich ewig doch mit dir vereint.

Da du erbarmet mich erkoren,
Verlasse meine Seele nicht,
O Trost und Freude! Quell des Heiles!
Laß mich nicht einsam, liebes Licht!

 

 
Karoline von Günderode (11 februari 1780 – 26 juli 1806)
Cover

 

De Duitse schrijver Hermann Ludwig Allmers werd geboren op 11 februari 1821 in Rechtenfleth aan de Weser. Zie ook alle tags voor Hermann Allmers op dit blog.

 

Nachtsegen

Dämmrig wird’s auf allen Fluren,
Dunkel wird’s im Buchenhain
Alle Waldesvögel schlafen
Unter leisem Singen ein

Alle Tagesstimmen schweigen,
Aus den Wiesen steigt der Duft,
Und der braune Käfer surret
Durch die laue Sommerluft.

Und die bleichen Nachtphalänen
Flattern leis ohn Unterlaß,
Und des Taues Wonnetränen
Sinken still ins hohe Gras.

Doch die tiefgeheimsten Stimmen
Die der laute Tag verschlang,
Flüstern, murmeln, rauschen, singen
Ihren wundersamen Sang.

Und viel zage Menschenherzen –
Hat der Tag sie arm gemacht,
Arm an Glauben, arm an Lieben,
Macht sie reich die stille Nacht.

 

 
Hermann Allmers (11 februari 1821 – 9 maart 1902)
Hier zittend in het midden, tussen allemaal schilders uit Worpswede, 1895

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lydia Maria Francis Child werd geboren op 11 februari 1802 in Medford, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Lydia Child op dit blog.

Uit: Letters from New York

“September 23,1841 Last week, a new synagogue was consecrated in Attorney-street; making I believe, five Jewish Synagogues in this city, comprising in all about thousand of this ancient people. The congregation of the new synagogues German emigrants, driven from Bavaria, the Duchy of Baden, &c., by oppressive laws. One of these laws forbade Jews to marry; and among the emigrants were many betrothed couples, who married as soon as they landed on our shores; trusting their future support to the God of Jacob. If not as “rich as Jews,” they are now most of them doing well in the world; and one of the first proofs they gave of prosperity, was the erection of a place of worship. The oldest congregation of Jews in New-York, were called Shewith Israel. The Dutch governors would not allow them to build a place of worship; but after the English conquered the colony, they erected a small wooden syna-gogue, in Mill-street, near which a creek ran up from the East River, where the Jewish women performed their ablutions. In the course of improvement this was sold; and they erected the handsome stone building in Crosbystreet, which I visited. It is not particularly striking or magnificent, either in its exterior or interior; nor would it be in good keeping, for a people gone into captivity to have garments like those of Aaron, “for glory and for beauty;” or an “ark overlaid with pure gold, within and without, and a crown of gold to it round about.” There is something deeply impressive in this remnant of a scattered people, coming down to us in continuous links through the long vista of recorded time; preserving themselves carefully unmixed by intermarriage with people of other nations and other faith, and keeping up the ceremonial forms of Abraham, Isaac, and Jacob, through all the manifold changes of revolving generations. Moreover, our religions are connected, though separated; they are shadow and substance, type and fulfilment. To the Jews only, with all their blindness and waywardness, was given the idea of one God, spiritual and invisible; and, therefore, among them only could such a one as Jesus have appeared. Tous they have been the medium of glorious truths; and if the murky shadowof their Old dispensation rests too heavily on the mild beauty of the New, it is because the Present can never quite unmoor itself from the Past; and well for the world’s safety that it is so.”

 

 
Lydia Child (11 februari 1802 – 7 juli 1880)

 

De Franse dichter en schrijver Marie-Joseph Chénier werd geboren op 11 februari 1764 in Constantinopel. Zie ook alle tags voor Marie-Joseph Chénier op dit blog.

 

Hymne à l’égalité (Fragment)

Des guerriers, des sages rustiques,
Conquérant leurs droits immortels,
Sur les montagnes, helvétiques
Ont posé tes premiers autels.

Et Franklin qui, par son génie,
Vainquit la foudre et les tyrans,
Aux champs de la Pensylvanie
T’assure des honneurs plus grands !

Le Rhône, la Loire et la Seine,
T’offrent des rivages pompeux
Le front ceint d’olive et de chêne
Viens y présider à nos yeux.

Répands ta lumière infinie,
Astre brillant et bienfaiteur ;
Des rayons de la tyrannie
Tu détruis l’éclat imposteur.

Ils rentrent dans la nuit profonde
Devant tes rayons souverains ;
Par toi la terre est plus féconde ;
Et tu rends les cieux plus sereins.

 


Marie-Joseph Chénier (11 februari 1764 – 10 januari 1811)
Portret, Franse school, ca. 1795

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e februari ook mijn blog van 11 februari 2018 deel 2.

Johan Harstad, Åsne Seierstad, Marjolijn van Heemstra, Derek Otte, Jac. van Hattum, Simone Trieder, Bertolt Brecht, Boris Pasternak, Carry-Ann Tjong-Ayong

De Noorse schrijver Johan Harstad werd geboren op 10 februari 1979 in Stavanger. Zie ook alle tags voor Johan Harstad op dit blog.

Uit: Ambulance (Vertaald door Deborah Dawkin en Erik Skuggevik)

“I’m lying on my back in the ambulance, firmly strapped to the stretcher and we’re driving very fast through town, somebody’s placed an oxygen mask over my mouth, and the man sitting next to me in a red and yellow jacket, who goes constantly from watching me to watching his bleeping instruments, asks me if I can hear him, but doesn’t wait for an answer, and he flicks various switches, attaches things to my body, to my chest, he yells out to the ambulance driver, “Faster, drive faster,” and then, “We’re losing him,” and I’m about to say I can hear him, but he turns his face away, he’s preparing an injection, I think, and I lie completely still, staring into the ceiling, we’re on the motorway, and each time we pass a streetlamp, a shaft of light flashes across the roof and vanishes to the left, and he asks if I can hear him, “Can you hear me,” he talks so loud, his voice almost cracks, “You must be used to this,” I think to myself, “surely, you must have seen worse than this,” and I try to grip hold of the stretcher on the turns, but there’s no sensation in my left arm, as if it’s not there, and my right arm feels weak, practically without strength, and again he asks if I can hear him, looks at me, straight at me, lifts my eyelids, points a flashlight into my pupils, and I want to shut my eyes because the light’s so bright, but he forces them wide open and I roll my eyes and he yells to the man at the wheel that he must drive faster, because I’m dying, and I consider how everything’s happened so fast, and then my focus slips, disappearing into the driver, who turns his head to see the patient lying firmly strapped at the back of the ambulance, and I think “He’s not going to pull through, I must drive faster, drive as hard as I can,” and I’ve switched my blue lights on, and at the back of the ambulance the man whose name I don’t remember is trying to establish contact with the patient, I call switchboard, state our position, tell them we’re on our way, request necessary equipment to be put on standby, we’re just ten minutes away.
I lie firmly strapped to the stretcher, everything’s bleeping all round, and the man in the red and yellow ambulance jacket sits next to me, swinging from side to side as the ambulance swerves through the streets, sirens blaring, and I stare at the roof, saying nothing, and he asks if I can hear him, my eyes meet his, I raise my head, very slowly, and nod, I can hear him, “Good,” he says, “we’re nearly there,” and I lay my head back on the pillow, it aches, I try to hold the stretcher tightly, but there’s no strength in my hands, I realize I’m pissing myself, it’s warm in my crotch and I lie completely still, there’s nothing I can do, I can’t stop it, I can only lie there feeling the urine seep through the my pants, down over my thighs, through my trousers and out onto the mattress, it’ll get cold, I’m so tired, it’ll have to stay there, and the man at my side takes my hand, even though I’ve pissed myself, and tells me I must keep looking at him, “Look at me,” he says, “just keep looking at me,” and I look at him.”

 


Johan Harstad (Stavanger, 10 februari 1979)

 

De Noorse schrijfster en journaliste Åsne Seierstad werd geboren in Oslo op 10 februari 1970. Zie ook alle tags voor Åsne Seierstad op dit blog.

Uit: A Hundred and One Days. A Baghdad Journal

“First comes the light. It filters through eyelids, caresses its way into sleep, and slips into dreams. Not the way it usually does, white and cool, but golden.
Half-open eyes peer towards a window framed by long lace curtains, two patterned chairs, a rickety table, a mirror and a chest of drawers. A gaudy sketch hangs on the wall: a bazaar where shadows of women in long, black shawls slide through dark alleyways.
I’m in Baghdad!
So this is what the morning light is like here. Furtive.
The next revelation awaits behind the wispy curtains: the Tigris.
It is as though I have been here before, the view jumps out from my childhood Bible. The meandering river, the rushes, the little palm-clad islands, the trees towering nobly above their reflection in the water.
From far below the cacophony of car horns reaches me, dull roars and sharp high-pitched squeals, a snailing chaos. The road follows the river bank.
I arrived under cover of darkness, a journey of twelve hours from the Jordanian to the Iraqi capital. Night fell long before we reached Baghdad. A few scattered street lights shone palely. Without our being aware of it we crossed the river.
Euphrates and Tigris – the starting point of everything. Even the Flood had its origins here: the land between the two rivers – Mesopotamia. The Tigris is a treacherous river. Under layers of mud, on the river plain, archaeologists have uncovered towns. The cataclysms led to the accounts of God’s judgement, the Flood that covered the whole world. The waters of the Tigris made the Hanging Gardens bloom. The Garden of Eden was somewhere near; the Tower of Babel within easy reach. From this country Abraham and Sarah were exiled.”

 


Åsne Seierstad (Oslo, 10 februari 1970)
Cover

 

De Nederlandse dichteres, schrijfster en theatermaakster Marjolijn (barones) van Heemstra werd geboren in Amsterdam op 10 februari 1981. Zie ook alle tags voor Marjolijn van Heemstra op dit blog.

 

Meer hoef dan voet

De hond verspert mij het pad, stokstijf, zijn tong
een roerloze vis tussen de tanden, zijn grom
een ondergronds geluid, als door lagen korst
gedempt

en ik denk aan de man die zei: We weten niet
waarheen de dieren zijn die zich traag, in duizend,
duizend jaren, onttrokken aan het zicht.
We weten niet over welke rand ze tuimelden,
welke zee het laatste exemplaar verzwolg.
Hij noemde de kieuwslak met vijf platte windingen,
de schrikvogel die liever liep dan vloog,
de majorcahaas, het reuzenhert,
niemand weet met zekerheid in welk bos,
welk veld het reuzenhert verdween.

De hond blaft naar mijn sporen,
in de verte zwaait een riem,een mens
die in mij een naaste herkent
maar ik weet wat de hond weet:
er zijn dieren verdwenen
en mijn afdruk is meer hoef
dan voet.

 

Aan een ruimtevaarder
(Voor André Kuipers)

Ik ben een cluster dode zonnen, hardgeworden overschot
vol weerstand, zelfs met maximale aanloop
kaatst de lucht mijn sprong nog voor kniehoogte terug
ik drijf alleen op water en zelfs dat maar tijdelijk
de ruimte tussen mijn gespreide armen
vangt geen wind.

Ik ga in zoogdiergang, van zand naar zand
kom niet boven het rumoer van vee
het geroezemoes van zee of ooghoogte
ik moet de satellieten maar geloven;
het kleurig stromend ozonvel
het fijne edelstenen ei.

Ik weet van vacuümgevaren
het netwerk van nevels en cellen
speldenknoppen poorten naar het licht
andersom heb ik de reis al vaak gemaakt
dit nietig sterrenstoffenlijf uitvergroot
tot lege zalen.

Maar jij hebt ontsnappingssnelheid
stapt straks met veren voeten de explosie in
telt jezelf tussen de sterren
zwemt in de afwezigheid van grond en getijden
ziet ons voor de vlekken die we zijn.

Als jij met niks dan lucht op je rug
in het schijnsel van het eerste moment —
wil je richting het duister draaien
en wil je zeggen dat ik er ben?

 

 
Marjolijn van Heemstra (Amsterdam, 10 februari 1981)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Derek Otte werd geboren in Rotterdam op 10 februari 1988. Zie ook alle tags voor Derek Otte op dit blog.

 

Nou en of

een soort van onverschilligheid
wellicht nog wel ons grootste goed
omdat het hier uiteindelijk
vrijwel niemand iets kan schelen
of jij mijn of andere kijk
of ik op stand en jij de wijk
of jij nou u terwijl ik jij
één voor allen
allen voorbij

mede-, Neder-, anderlander
hier werkt wie er werken ken
wie d’r hier doorgaans weinig vrij
boeit het meestal toch vrij weinig
of jij zondag of toch vrijdag
of ik jou moet of jij mij mag
of jij nou wit terwijl ik zwart
soms hand in hand
vaak hart tot hart

al lijken we als dag op nacht
onze strijd gelijkenissen
het zou er hier toe kunnen doen
wat zou het uit moeten maken
of jij van dame of toch heer
of ik met minder jij met meer
of jij nou groots waar ik dan klein
vooruit komt voort
uit anders zijn

kaders tralies
hokjes fabels
ik heb jou als
jij dan mij hebt
geen goed of slecht
slechts nep of echt
hier zijn we wij
en zonder zij

een soort van onverschilligheid

 


Derek Otte (Rotterdam, 10 februari 1988)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jacob (Jac.) van Hattum werd geboren in Wommels op 10 februari 1900. Zie ook alle tags voor Jac. Van Hattum op dit blog.

 

De zwervende monnik

Zeg: God – en zie: op zijn gelaat
vertrekt zich slechts een enk’le spier,
maar ’t is, of een gemarteld dier
zijn felle klauwen naar U slaat.

Want onder dit grootmogend Woord
heeft men in ’t machtige convent
zijn ongebreideldheid gesmoord
en hem slechts boeten toegekend.

En die een zesde werelddeel
in kaart bracht en ook vinden zou,
was elke litanie te veel,
de pij het mind’re kleed der vrouw.

Hij wilde dolende alom
en niets, dan enkel zwervend zijn
en van convent en trotse dom
viel elke zuilengang te klein.

Vloekend het opgedrongen lot,
gelofte brekend’ en ontvlucht,
werd hem de groote naam van God
meer ontzagwekkend en geducht.

Zeg: God – en zie: op zijn gelaat
vertrekt zich slechts een enk’le spier,
maar ’t is, of een gemarteld dier
zijn felle klauwen naar U slaat.

 

 
Jac. van Hattum (10 februari 1900 – 19 augustus 1981)
Eind jaren 1960

 

De Duitse schrijfster Simone Trieder werd geboren op 10 februari 1959 in Quedlinburg. Zie ook alle tags voor Simone Trieder op dit blog.

Uit: Individuum

“An sonnigen Tagen steht er an einem Tischchen vor dem Kiosk und spielt mit seinen Kunden Schach. Zwischendurch versorgt er die Hungernden mit neuen Nachrichten aus der Königsebene. Schnell sind sie satt und nicken zufrieden in dem Bewusstsein, grad kein König zu sein, bei den Problemen. Und schon stellt sich der Hunger nach dem nächsten Blatt ein. Sie sehen nicht, dass der blondlockige Zeitungsverkäufer selbst ein König ist, der seinen Königs kollegen die Dame wegnehmen kann.
In seinem Kiosk zwischen Playboy und Geo, über Bild und unter Brigitte wippt an einer Wäscheleine, gehalten von nur einer Klammer, das ernste Porträt eines Literaten, dessen schmale Bändchen zu verkaufen er bereit ist.“
Grad gegenüber, genau am Eck ist der Zigarren­laden. Der Händler, dessen Frauen den Laden am Leben halten, ist nur zeitig, ganz zeitig anzutreffen, wenn er schon oder noch betrunken den frühen Zigarettenkäufern mit dem Wechselgeld den immer gleichen Kommen­tar zum wechselnden poli­tischen Geschehen gibt: Es ist alles längst abgemacht und wir sind die Dummen. Kein Käufer widerspricht, denn er braucht seine Zigaretten. Vielleicht ist gar nicht der Chef, sondern nur eine Aushilfe, bis die Damen ihre Einkäufe erledigt haben. Oder die Post.
Wo die Schlangen der Ent­täuschten nicht abreißen, der Versandfirma den Traumpullover zurück zu senden, weil er wider Erwarten kein Traum war. Zwischen die Ent­täuschten mischen sich die Hoffnungs­vollen mit roten Hektikflecken am Hals. Ihre Pakete und Brief­umschläge enthalten Wer­bungen um Liebe, um einen Job, um Geld, die sie den blassen Damen hinter dem Schalter verschämt anvertrauen. Regungslos profes­sionell stapeln die Hoffnung auf Ent­täuschung bis unter die Decke. Nur ein Ticken in einem der Pakete kann sie irritieren. Sie schauen sich an, legen das Ohr an die einzelnen Pakete. Ein böser Blick streift die Kunden: Wir tun doch alles, was ihr von uns verlangt. Und ihr trachtet uns nach dem Leben. Dann klingelt ein Wecker. Da hat einer mit dem guten Gewissen, dass er das Postgeschäft erledigt hat, sich erschöpft niedergelegt und verpasst nun grad, woran ihn der Wecker erinnern sollte. An der Post vorbei geht eine Hausfrau und spricht in ihr Nokia-Handy: Du kannst die Kartoffeln jetzt aufsetzen.”

 


Simone Trieder (Quedlinburg, 10 februari 1959)

 

De Duitse dichter en schrijver Bertolt Brecht werd op 10 februari 1898 in de Zuid-Duitse stad Augsburg geboren. Zie ook alle tags voor Bertolt Brecht op dit blog.

Uit: Die heilige Johanna der Schlachthöfe

“DER FLEISCHKÖNIG PIERPONT MAULER BEKOMMT EINEN BRIEF VON SEINEN FREUNDEN IN NEW YORK.
Chicago, Schlachthöfe

MAULER liest einen Brief: „Wie wir deutlich merken, lieber Pierpont, ist der Fleischmarkt seit kurzer Zeit recht verstopft. Auch widerstehen die Zollmauern im Süden allen unseren Angriffen. Demnach scheint es geraten, die Hand vom Fleischhandel zu lassen, lieber Pierpont.“ Diesen Wink bekomme ich heute von meinen lieben Freunden aus New York. Hier kommt mein Kompagnon.
Er verbirgt den Brief.
CRIDLE: Warum so finster, lieber Pierpont?
MAULER: Erinnere, Cridle, dich, wie wir vor Tagen –
Wir gingen durch den Schlachthof, Abend war’s –
An unsrer neuen Packmaschine standen.
Erinnere, Cridle, dich an jenen Ochsen
Der blond und groß und stumpf zum Himmel blickend
Den Streich empfing: mir war’s, als gält er mir.
Ach, Cridle, ach, unser Geschäft ist blutig.
CRIDLE:Die alte Schwäche also, Pierpont?
Unglaublich fast, du, der Gigant der Packer
Des Schlachthofs König, vor dem Schlächter zittern
Zergehst in Schmerz um einen blonden Ochsen!
Verrat’s, ich bitt dich, niemand außer mir.
MAULER:O treuer Cridle!
Ich hätte nicht zum Schlachthof gehen sollen!
Seit ich in dies Geschäft hineinging, also sieben
Jahre, vermied ich’s, Cridle, ich vermag’s
Nicht länger: heute noch geb ich es auf, dies blutige Geschäft.
Nimm du’s, ich geb dir meinen Anteil billigst.
Dir gäb ich ihn am liebsten, denn wie du
Mit dem Geschäft verwachsen bist, ist’s keiner.
CRIDLE:Wie billig?
MAULER:Darüber kann’s bei alten Freunden
Wie du und mir kein langes Handeln geben.
Schreib zehn Millionen!”

 


Bertolt Brecht (10 februari 1898 – 14 augustus 1956)

 

De Russische dichter en schrijver Boris Leonidovich Pasternak werd geboren in Moskou op 10 februari 1890. Zie ook alle tags voor Boris Pasternak op dit blog.

 

Wind

I am no more but you live on,
And the wind, whining and complaining,
Is shaking house and forest, straining
Not single fir trees one by one
But the whole wood, all trees together,
With all the distance far and wide,
Like sail-less yachts in stormy weather
When moored within a bay they lie.
And this not out of wanton pride
Or fury bent on aimless wronging,
But to provide a lullaby
For you with words of grief and longing,

 

The Drowsy Garden

The drowsy garden scatters insects
Bronze as the ash from braziers blown.
Level with me and with my candle,
Hang flowering worlds, their leaves full-grown.

As into some unheard-of dogma
I move across into this night,
Where a worn poplar age has grizzled
Screens the moon’s strip of fallow light,

Where the pond lies, an open secret,
Where apple bloom is surf and sigh,
And where the garden, a lake dwelling,
Holds out in front of it the sky.

 

I Grew. Foul Weather, Dreams, Forebodings…

I grew. Foul weather, dreams, forebodings
Were bearing me – a Ganymede –
Away from earth; distress was growing
Like wings – to spread, to hold, to lead.

I grew. The veil of woven sunsets
At dusk would cling to me and swell.
With wine in glasses we would gather
To celebrate a sad farewell,

And yet the eagle’s clasp already
Refreshes forearms’ heated strain.
The days have gone, when, love, you floated
Above me, harbinger of pain.

Do we not share the sky, the flying?
Now, like a swan, his death-song done,
Rejoice! In triumph, with the eagle
Shoulder to shoulder, we are one.

 

 
Boris Pasternak (10 februari 1890 – 30 mei 1960)

 

De Surinaamse dichteres Carry-Ann Tjong-Ayong werd op 10 februari 1941 in Paramaribo, Suriname geboren Zie ook alle tags voor Carry-Ann Tjong-Ayong op dit blog.

 

Baanzand

verschroeide kindervoetjes
reppen zich door hete
kristallen korrels op weg naar
Bersaba
waar de
parakoranti kruimelig
lokken in de hutten
van pinabladeren
en droge stokken

in de middagkoelte
opgefrist door zuurwater
en pompelmoes
slepen zij
door de
nu weldadig
koele parels
hun weg terug
naar GeGe’s
rithmisch lonken

en de goudrode vonken
die de ijzeren draak
laat ontsnappen
als hij
zijn weg baant
onder de volle maan
in de oktobermaand
van
vakantiekindervreugd

baanzand
dat door
mijn vingers glijdt
als de sprookjes
die Ouma
mij toefluistert
met haar
warme stem
vol mystieke wonderen
van weleer

 


Carry-Ann Tjong-Ayong (Paramaribo, 10 februari 1941)
Hier tijdens een optreden samen met Patrick Karijowidjojo, 2008

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Giuseppe Ungaretti, Fleur Adcock, Joseph Kessel, Charles Lamb, Margarete Hannsmann, Jakov Lind, Daniel Triller, Thomas Platter de oudere, Eugène Rellum

De Italiaanse dichter en schrijver Giuseppe Ungaretti werd geboren op 10 februari 1888 in Alexandrië, Egypte. Zie ook alle tags voor Giuseppee Ungaretti op dit blog.

 

Brothers

What regiment d’you belong to
brothers?

Word shaking
in the night

Leaf barely born

In the simmering air
involuntary revolt
of the man present at his
brittleness

Brothers

 

San Martino Del Carso

Of these houses
nothing
but fragments of memory

Of all who
would talk with me not
one remains

But in my heart
no one’s cross is missing
My heart is
the most tormented country of al

 

 
Giuseppe Ungaretti (10 februari 1888 – 2 juni 1970)

 

De Nieuwzeelandse dichteres Fleur Adcock werd geboren op 10 februari 1934 in Papakura, Auckland. Zie ook alle tags voor Fleur Adcock op dit blog.

 

The Man Who X-Rayed An Orange

Viewed from the top, he said, it was like a wheel,
the paper-thin spokes raying out from the hub
to the half-transparent circumference of rind,
with small dark ellipses suspended between.
He could see the wood of the table-top through it.
Then he knelt, and with his eye at orange-level
saw it as the globe, its pithy core
upright from pole to flattened pole. Next,
its levitation: sustained (or so he told us)
by a week’s diet of nothing but rice-water
he had developed powers, drawing upon which
he raised it to a height of about two feet
above the table, with never a finger near it.
That was all. It descended, gradually opaque,
to rest; while he sat giddy and shivering.
(He shivered telling it.) But surely, we asked,
(and still none of us mentioned self-hypnosis
or hallucinations caused by lack of food) ,
surely triumphant too? Not quite, he said,
with his little crooked smile. It was not enough:
he should have been able to summon up,
created out of what he had newly learnt,
a perfectly imaginary orange, complete
in every detail; whereupon the real orange
would have vanished. Then came explanations
and his talk of mysticism, occult physics,
alchemy, the Qabalah – all his hobby-horses.
If there was failure, it was only here
in the talking. For surely he had lacked nothing,
neither power nor insight nor imagination,
when he knelt alone in his room, seeing before him
suspended in the air that golden globe,
visible and transparent, light-filled:
his only fruit from the Tree of Life.

 


Fleur Adcock (Papakura, 10 februari 1934)

 

De Franse schrijver, journalist en avonturier Joseph Kessel werd geboren op 10 februari 1898 in Clara, Entre Rios, Argentinië. Zie ook alle tags voor Joseph Kessel op dit blog.

Uit: Belle de Jour

« Pierre Sérizy vérifiait le harnachement. Séverine, qui venait de mettre ses skis, demanda :
– Es-tu prêt ?
Elle portait un costume d’homme en grosse laine bleue, mais elle était si ferme et pure de lignes que le vêtement n’alourdissait pas son corps impatient.
– Je ne serai jamais trop prudent pour toi, dit Pierre.
– Mais je ne risque rien, mon chéri. La neige est si propre que tomber est un plaisir. Allons, décide-toi.
D’un rétablissement léger Pierre fut en selle. Le cheval ne fit pas d’écart, n’eut même pas de tressaillement. C’était une bête puissante et placide, large de flancs, habituée à porter plutôt qu’ àcourir. Séverine serra les poignées des longues guides fixées au harnachement, écarta légèrement les pieds. Elle essayait ce sport pour la première fois et l’attention lui faisait une figure un peu crispée.
Ainsi s’accusaient des défauts qui, dans l’animation, demeuraient peu sensibles : le menton trop carré, les pommettes saillantes. Mais cette violente fermeté, Pierre l’aimait dans le visage de Séverine. Pour lui voir quelques secondes de plus cette expression, il feignit d’arranger ses étriers.
– On part, cria-t-il enfin.
Les guides que tenait Séverine se tendirent, elle se sentit glisser lentement.
D’abord elle n’eut souci que de son équilibre et de ne point paraître ridicule. Avant de trouver l’espace libre il leur fallait traverser d’un bout à l’autre l’unique avenue de la petite ville suisse. A cette heure, tout le monde s’y croisait. De son sourire éclatant Pierre saluait des camarades de sport ou de bar, des jeunes femmes vêtues en hommes et d’autres allongées au fond de traîneaux à couleurs vives. Mais Séverine ne voyait personne, attentive seulement aux jalons qui annonçaient l’approche de la campagne : l’église avec sa petite place et sans mystère… la patinoire… la rivière toute sombre entre les berges toutes blanches… le dernier hôtel qui ouvrait ses fenêtres sur les champs. »

 

 
Joseph Kessel (10 februari 1898 – 23 juli 1979)
Scene uit de gelijknamige film van Luis Buñuel met Jean Sorel en Catherine Deneuve, 1967

 

De Engelse dichter, schrijver en essayist Charles Lamb werd geboren in Londen op 10 februari 1775. Zie ook alle tags voor Charles Lamb op dit blog.

 

The Old Familiar Faces

I HAVE had playmates, I have had companions,
In my days of childhood, in my joyful school-days–
All, all are gone, the old familiar faces.

I have been laughing, I have been carousing,
Drinking late, sitting late, with my bosom cronies–
All, all are gone, the old familiar faces.

I loved a Love once, fairest among women:
Closed are her doors on me, I must not see her–
All, all are gone, the old familiar faces.

I have a friend, a kinder friend has no man:
Like an ingrate, I left my friend abruptly;
Left him, to muse on the old familiar faces.

Ghost-like I paced round the haunts of my childhood,
Earth seem’d a desert I was bound to traverse,
Seeking to find the old familiar faces.

Friend of my bosom, thou more than a brother,
Why wert not thou born in my father’s dwelling?
So might we talk of the old familiar faces–

How some they have died, and some they have left me,
And some are taken from me; all are departed–
All, all are gone, the old familiar faces.

 

 
Charles Lamb (10 februari 1775 – 27 december 1834)
Cover

 

De Duitse dichteres en schrijfster Margarete Hannsmann werd geboren op 10 februari 1921 in Heidenheim. Zie ook alle tags voor Margarete Hannsmann op dit blog.

Uit: Tagebuch meines Alterns

“Den Rest der Nacht verbrachte ich vor dem Fernseher: Seid umschlungen, Millionen / So ein Tag, so wunderschön wie heute, Gesichter, Gesichter, junge, alte, Männer, Frauen, vom Lachen ins Weinen umkippende Gesichter, Fernsehen: woran immer es uns teilnehmen ließ, niemals zuvor riß es Millionen so in den Strudel. Menschen sagten ins Mikrofon: Ich bin heute früh in Dresden, in München, in Paris, in Amsterdam weggefahren, um dabeizusein. Leibhaftig. Wörterohnmacht. Vor einem halben Jahr kein Augenblick davon träumbar. Ich möchte jetzt endlich schreien. Keinen gibt es mehr, der mein Glück, Trauer, Angst, Hilflosigkeit teilt, der mir antworten, der mich schütteln könnte: Mädchen, altes, Geschichte, wach auf, schrei ruhig über das, was passiert, nimm es getrost in die Arme heut nacht, Vaterland, Mutterland, das gerühmte, das verhöhnte, mißbrauchte, verdrängte, abgenutzte Wort Volk. Unser Liebeswort. Unser Haßwort. Menschen in Leipzig, Dresden, Ostberlin haben es gereinigt: Wir sind das Volk, und Europa paßt auf, daß alles gut geht dieses Mal.'”
(…)

Würden meine Toten so mit mir reden? Oder würden sie sagen: erinnere dich. Du hast nicht „die Gnade der späten Geburt”. Keine Ausrede Deutschland. Erzähltest du nicht von einem 9. November, als du in München am Straßenrand standst, mit erhobenem Arm, eingekeilt in dein Volk, während Hitler und seine Paladine in breiten Reihen vorüberzogen auf ihrem alljährlichen stummen Marsch zur Feldherrenhalle, morgens um elf, den Blutzeugen der Partei zum Gedächtnis? Hast du vergessen: es war jener 9. November 1938? Während du ahnungslos mit dem Fahrrad nach Hause fuhrst, brannten die Synagogen. Wurden deutsche Juden erschlagen und weggeschleppt. Nicht im Verborgenen. Mitten im Volk. In deinem Volk, das diese Nacht erhob zur Reichskristallnacht.'” –

 


Margarete Hannsmann (10 februari 1921 – 29 maart 2007)
Cover

 

De Joods-Oostenrijks-Britse schrijver Jakov Lind (pseudoniem van Heinz Landwirth) werd geboren in Wenen op 10 februari 1927. Zie ook alle tags voor Jakov Lind dit blog.

Uit: Journey through the Night (Vertaald door Ralph Manheim)

“What do you see when you look back? Not a thing. And when you look ahead? Even less. That’s right. That’s how it is. It was three o’clock in the morning and raining. The train didn’t stop any-where. There were lights somewhere in the countryside, but you couldn’t be sure if they were windows or stars. The tracks were tracks—but why shouldn’t there be tracks in the clouds? Paris was somewhere at the end of the trip. Which Paris? The earthly Paris—with cafés, green buses, fountains, and grimy whitewashed walls? Or the heavenly Paris? Carpeted bathrooms with a view of the Bois de Boulogne? The fellow-passenger looked still paler in the bluish light. His nose was straight, his lips thin, his teeth uncommonly small. He had slick hair like a seal. A moustache, that’s what he needs. He could do a balancing act on his nose. Under his clothes he is wet. Why doesn’t he show his tusks? After “that’s how it is” he said nothing. That settled everything. Now he is smoking. His skin is grey, that’s obvious—it’s taut, too. If he scratches himself it will tear. What else is there to look at? He has only one face and his suitcase. What has he got in the suitcase? Tools? Saw, hammer and chisel? Maybe a drill? What does he need a drill for? To bore holes in skulls? Some people drink beer that way. When empty, they can be painted. Will he paint my face? What colours? Water-colour or oil? And what for? Children at Easter-time play with empty eggshells. His play with skulls. Well, he said non-committally, putting out his cigarette. He crushed it against the aluminium, making a scratching sound. Well, how about it? I don’t know, I said. I can’t make up my mind. Doesn’t the fellow un-derstand a joke? Maybe you need a little more spunk, he said. Now’s the time to make up your mind; in half an hour you’ll be asleep anyway, then I’ll do what I want with you. I won’t sleep tonight, I said. You’ve given me fair warning. Warning won’t do you any good, he said. Between three and four every-body falls into a dead sleep. You’re educated, you should know that.“

 

lind
Jakov Lind (10 februari 1927 – 17 februari 2007)
Scene uit de gelijknamige korte film van Joram ten Brink met Gijs Scholten van Aschat en Bert Luppes, 2000

 

De Duitse dichter, schrijver en medicus Daniel Wilhelm Triller werd geboren op 10 februari 1695 in Erfurt. Zie ook alle tags voor Daniel Triller op dit blog.

 

Der Storch und der Frosch

Ein Storch wollt’ einen Frosch verschlingen;
»Ach, schone meiner«, sagte der,
»Was treibt dich an? Wo rührt es her,
Dass du mich jetzt suchst umzubringen?
Ich tat dir ja nie was zuleid,
Drum denk doch an die Billigkeit.«

»Ja,« sprach der Storch, »ich muss gestehen,
Du hast mir nichts zuleid getan;
Allein, mich kommt der Hunger an,
Der soll mir nun durch dich vergehen?
Warum verzehrst du denn die Schnecken;
Warum schluckst du die Mücken ein,
Die dir doch nie zuwider sein?«
Hier blieb dem Frosch die Rede stecken,
An diesen Einwurf dacht’ er nicht;
Doch konnt’ er nichts dagegen sagen.
Drauf schlang ihn, als ein gut’ Gericht,
Der Storch in seinen leeren Magen.

Dies ist in die Natur gegeben
Und jederzeit der Welt ihr Lauf,
Der eine muss vom andern leben,
Der Größre frisst den Kleinern auf.
Wer nicht die Macht hat, sich zu wehren,
Der lass’ sich mit Geduld verzehren.

 

 
Daniel Triller (10 februari 1695 – 22 mei 1782)
Illustratie door R.W. Aristoquakes

 

De Zwitserse humanistische schrijver en geleerde Thomas Platter de oudere werd geboren op 10 februari 1499 in Grächen in het kanton Wallis. Zie ook alle tags voor Thomas Platter de oudere op dit blog.

Uit: Lebensbeschreibung

„In der selben zyt seidt man, aes wurde ein schůlmeister von Einsidlen kummen, der weri vorhin zů Lucärn gsin, ein gar gelerter man und trüwer schůlmeister, aber grusam wunderlich. Do macht ich mier ein sitz in eim winkell, nit wyt von des schůlmeister stůll, und gedacht: in dem winkell wilt studierren oder sterben. Als der nun kam und anstůnd, gieng in die schůll zum frowen minster; sprach er: „Das ist ein hüpsche schůll (dan sy was erst kürtzlich nüw gebuwen); aber mich bedunkt, äs sigind ungeschikte knaben. Doch wellen wier lůgen; kerrend nů gůtten flyß an.“ Do weiß ich, hette äs mier min läben golten, ich hätte nit ein nomen 1ae declinationis können declinieren, kond doch den Donatt uff dem nägelin ußwendig; dan do ich zů Schletstat was, hatt Sapidus ein baccalaurium, hieß Georgius ab Andlow, was ein lediger von Andlow, gar ein glerter gsell, der vexiert die bacchanten so iämerlich übell mit dem Donat, das ich gedacht: ist es den so ein gůt bůch, so wiltz uswendig studierren, und in dem, das ichs lart läsen, studiert ich in ouch ußwendig. Das kam mier by dem patre Myconio woll; där, als er anstůnd, laß er uns den Terentium; do mießten wier alle wertlin, ein gantze commoedi, declinierren und coniugierren. Do ist er offt mit mier umbgangen, das min hembdlin naß ist worden, io ouch die gsicht ist vergangen, und doch nie kein streich gen, den einest mit der lätzen hand an baggen. Aer laß ouch in der heiligen geschrifft, das ouch vill leien die selben stunden drin giengen, dan es was im anfang, das das liecht des heiligen evangelii wolt uffgan, und hat man doch noch lang mäß und die götzen in der kilchen. Wen er aber schon ruch mit mier was, fürt er mich den heim und gab mier zů essen, dan er ghort mich gären sagen, wie ich alle land was usgeliffen in Tütschland, und wie es mier allenthalb ergangen was; das wußt ich do zmall woll.“

 

.
Thomas Platter (10 februari 1499 – 26 januari 1582)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 10 februari 2018 deel 2.

De Surinaamse dichter Eugène Rellum werd geboren in Paramaribo op 10 februari 1896. Zie ook alle tags voor Eugène Rellum op dit blog.

Fishers Of Men (Alfred Noyes)

Bij de vijfde zondag door het jaar

 

 
De wonderbare visvangst door Jacopo Bassano, 1545

 

Fishers Of Men

Long, long ago, He said,
He who could wake the dead
And walk upon the sea-

‘Come, follow Me.

Leave your brown nets and bring
Only your hearts to sing,
Only your souls to pray,
Rise, come away.

Shake out your spirit-sails,
And brave those wilder gales,
And I will make you then
Fishers of men.’

Was this, then, what He meant?
Was this His high intent,
After two thousand years
Of blood and tears?

God help us, if we fight
For right and not for might.
God help us if we seek
To shield the weak.

Then, though His heaven be far
From this blind welter of war,
He’ll bless us, on the sea
From Calvary.

 

 
Alfred Noyes (16 september 1880 – 28 juni 1958)
St Peter’s Church, Wolverhampton, de geboorteplaats van Alfred Noyes

 

Zie voor de schrijvers van de 10e februari ook mijn twee volgende blogs van vandaag.