In deze doolhof van letters zoek ik naar een gaatje om u een stukje buitenlucht te tonen of een kinderhandje dat hoepelt. ik kan wel schrijven akst mik strlos en bedoelen dat ik niet te spreken ben maar men zal toch binnenkomen ik moet verstaanbaar uw werkelijkheid ontvreemden als een zakkenroller.
oh ik geniet als ik u wanhopig naar het oude evenwicht zie grijpen apodictisch conferencier is de dichter een mol die ’s nachts uw land openwroet en ’s morgens staat u veranderd en bevreemd naar zijn nagelaten werk te staren
het is geen kunst als stilstaand water diepe gronden te hebben de dode speelgoedpop met de gebarsten kop te strelen maar onder de oppervlakte stromend steeds weer nieuwe huid te voelen dit gevecht is eindeloos en zonder uitzicht daarom verlaat de dichter zijn vers als een bedelaar.
Vanwege
‘En het geschiedde in die dagen dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus…’ Je las het ons strak en plechtig voor.
Weg moesten ze uit hun huizen dagreizen ver om ergens geteld. Waarom? Vanwege. Dat woord kende ik niet.
Maar wel dat het bevel ook hier kon gelden, aan deze feestelijke dis en wij vertrekken moesten, plotseling
Om geteld of erger. Het kind, de kribbe de wijzen uit het Oosten vielen in het niet.
Ik keek naar buiten. Nergens scheen de ster. Je stem leek ver, je las de oude woorden.
En ik vreesde met grote vreze. Vanwege.
Een chirurg weet van geen pijn
Stuurloos staart hij naar de patient hoe de pijn vrij te krijgen los te maken in heldere cesuren wat voor hem onzichtbaar blijft
Hij snijdt in wat zeer zichtbaar is een bloederige troep: de mens in zijn algemeenheid beent hij zorgvuldig uit.
Gaaf en glanzend onder de operatielamp restanten van actie: de patiënt is bevrijd van zijn pijn maar hij, het heft in handen hem is zij opnieuw ontsnapt.
hier moet de winter voorbij zijn geweest zo uitgedund de takkennesten handhaaft er zich geen wind meer in opgedeeld glinsteren de appartementen erachter zelfs als er niemand te zien is weet ik dat jij daar bent jouw geloof in een behuizing jouw getreuzel in de uren waarin de verlichting uitvalt en je lichaam de laatste plaats is die de warmte zal verlaten voordat de stilte zich verzamelt of een verwarmingsketel opnieuw aanspringt
De Nederlandse dichter en schrijver Donald B. Niedekker in Amsterdam op 14 januari 1963. Hij publiceerde met fotograaf Harold Naaijer een aantal reisboeken. Hierna publiceerde hij romans, novellen en dichtbundels. Zijn romandebuut is “Hier ben ik” uit 2002. Hoofdonderwerpen zijn de familie Bruynzeel en liefdevolle herinneringen aan zijn grootvader. In 2008 schreef Niedekker onder het pseudoniem Ellen Wenkelbach het boek “Het moet wel beschaafd blijven” waarin hij het leven van de hoofdpersoon Carla beschrijft. Deze roman gaat over eenzaamheid en over de onbelangrijkheid van luxe. De roman “Oksana” werd in 2017 genomineerd voor de Fintro literatuurprijs. Niedekker ontving in 2021 de Brusselse VUB Luc Bucquoye Prijs voor eigenzinnige literatuur, en kreeg de 2022 F. Bordewijk-prijs voor “Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost”.
Uit: Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost
“Wat je ook zoekt, de specerijen van Indië, de ochtend, Ithaka, de liefde van je vader, liefde überhaupt, gerechtigheid, dode zielen, ridderschap, een tijdgenoot, iemand om mee te praten, de troost van een zigeunermeisje, de eenhoorn, ga, mijn vriend, ik geef je mijn stem, hoe je het ook zoekt, met duizend listen of met je pen, met een zwart schip, met pijnstillers op het nachtkastje, met je pistool op het nachtkastje, met een bordkartonnen helm, een paard en een knecht, met een thermometer, met opgerolde broekspijpen, met schaamte en tranen, met gegrom tussen prikkeldraad, door schaduw te lopen, papier te pletten, dauw van april te oogsten, je lippen te bewegen, ga mijn vriend, versaag niet, ik geef je mijn stem, met wie je ook zoekt, met Gerrit de Veer, Jan Hillebrantsz, Jacob van Heemskerck, Lenaert Heyndricksz en hoe ze ook mogen heten, met een schildknaap, met een puist op je neus, al heb je geen neus, met een bloedhond of met Rocinant, met een grauwtje of met dertig witgekielde Egyptische matrozen, met de drie Maria’s, met een jezuïet en een humanist, met het kwaad in eigen persoon, met een teek uit het linkeroor van een hond, ga, mijn vriend, ga, ik geef je mijn stem, waar je ook bent gekluisterd, in de hel, in een Pruisische vallei, in zoals ik de poolnacht, in een kelder, in een sanatorium op een Zwitserse berg, in een met wijnranken en kamperfoelie overwoekerd tuinhuis, in de maalstroom van je hersenspinsels, in je verloren kinderjaren, die nooit kinderjaren waren, in een Russische of Zweedse zomer, op een landtong tussen robben, in een dorpshotel, ga, ga, mijn vriend, ik geef je mijn stem, via welke weg dan ook, benoorden om, door een woud van sparren, rechtstandig de lucht in, over bergpassen, door een beschaduwd dal, over zeven zeeën, in het spoor van karavanen, door moerassen je vastklampend aan ranke berken, ga, wie je ook bent, ik geef je mijn naam, jij bent de eeuwig zoekende, maar wat je ook zoekt, wat ook, een scheepsvracht, de lichtende morgen, een ver eiland, een doortocht, een witte walvis, rijkdom, een rustige oude dag, thee met jam op een schoteltje, het oor van Van Gogh, het zwaard van Durandarte, een kus van Lancelot en Guinevere, een teennagel van Mohammed, geef ik één naam, de naam Nova Zembla, dat is Novaja Zemlja, dat is Nieuw Land, dat is Nieuwe Aarde, dat is Nieuwe Wereld, dat is… Ga, ga, mijn vriend. Ga.”
Donald B. Niedekker (Amsterdam, 14 januari 1963)
Onafhankelijk van geboortedata
De Nederlandse schrijfster en scenariste Anjet Daanje (pseudoniem van Anjet den Boer) werd geboren in Wijster in 1965. Anjet Daanje studeerde wiskunde aan de Universiteit Utrecht. Zij behaalde in 1991 haar doctoraal. Tijdens haar studie, toen zij 21 jaar was, schreef zij de eerste versie van “Pianomuziek in de regen”, haar eerste roman, die in 1993 werd gepubliceerd. Bij haar volgende roman, “De blinde fotograaf”, nam zij als schrijversnaam Daanje aan, de achternaam van haar moeder, waaronder zij sindsdien publiceert. In 2002 benaderde regisseur Hanro Smitsman haar en vroeg haar om vijf pagina’s van haar roman “Suikerbeest” tot een scenario voor een korte film om te werken. Dat werd de korte film Dajo. Sindsdien schrijft Anjet Daanje naast proza ook professioneel filmscenario’s. Daanjes zesde roman, “Gezel in marmer”, die in 2006 verscheen kreeg zeer lovende recensies. In 2004 won Daanje het Belcampo Stipendium van de Provincie Groningen, daarvoor schreef zij de novelle “De Mei-jaren”. In 2012 werd haar roman “Delle Weel” genomineerd voor de Halewijnprijs. Daanjes roman “De herinnerde soldaat” werd na de publicatie in november 2019 in eerste instantie over het hoofd gezien, totdat hij op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2020 belandde. De roman won de prijs voor het Beste Groninger Boek 2020 (categorie fictie) en werd bekroond met de F. Bordewijk-prijs 2020. Met de in 2022 verschenen roman “Het lied van ooievaar en dromedaris” won Daanje datzelfde jaar de Boekenbon Literatuurprijs en een geldbedrag van €50.000,-. De jury sprak van “een literaire tour de force”. Het was haar eerste grote literaire prijs die ze ontving. Daanje schreef de scenario’s voor vijf korte films, waaronder de korte film “Raak” (onder regie van Hanro Smitsman) die in 2007 een Gouden Beer op het Internationaal filmfestival van Berlijn won. Zij schreef tevens het scenario voor de speelfilm “Schemer” (onder regie van Hanro Smitsman) die in 2010 de Prijs van de Nederlandse Filmkritiek won op het Nederlands Film Festival. Ook schreef zij het scenario voor de zevendelige dramaserie “De geheimen van Barslet” (onder regie van Boris Paval Conen) die in 2012 door NTR en NCRV werd uitgezonden. De serie werd o.a. bekend door de vissenregen die in elk van de zeven afleveringen terugkeert en waarvan de special effects in De Wereld Draait Door werden besproken. De serie kreeg in 2012 drie nominaties voor een Gouden Kalf, waaronder een nominatie voor het Gouden Kalf voor Beste Televisiedrama.
Uit: Het lied van ooievaar en dromedaris
“Susan Knowles-Chester (1788-1851) 12 december 1847 is de dag die Susan Knowles’ leven bepaalt, ze is dan al tegen de zestig, en vier jaar later sterft ze. In de loop van haar leven zijn er vele dagen waarnaar ze uitkijkt, die zich van tevoren, en ook terwijl ze zich voordoen, met betekenis vullen, en die achteraf hun belofte niet waar blijken te kunnen maken. Maar toen nu die genoemde twaalfde december aanbrak, in het jaar onzes Heren 1847, scheen hij als alle andere winterse dagen te zijn, beginnend in duisternis, eindigend in duisternis, en koud, er staat een noordenwind die korrelige sneeuw op zijn adem meevoert, de straten van Bridge Fowling kleuren huiverig wit in de schemering. Slechts kort verraden Susans voetafdrukken waar ze is gegaan, rechtsaf Church Street in, steil omhoog langs het kerkhof, en tegen de tijd dat ze stilletjes achterom het plaatsje van de pastorie op loopt, kan niemand meer uit haar sporen opmaken naar welke arme ziel de afgezant van de Dood zich heeft gehaast. De dorpelingen verafschuwen haar werk, waar ze gaat drijft verdriet als wrakhout in haar kielzog, toch als het zover is, roepen velen haar hulp in, het is een publiek geheim. Zoals ze allemaal weten dat de meesten, zelfs de gelovigsten onder hen, niet heengaan zonder angst of lichamelijke vernederingen, maar ieder de mond vol heeft van hoe kalm de gestorvene zich bij Gods wil heeft neergelegd, hoe vredig, hoe troostend het was, zo weet iedereen in het dorp dat vele vrouwen na weken, soms zelfs jaren, een familielid te hebben verpleegd die allerlaatste plicht niet meer kunnen opbrengen, uit verdriet, of ze durven niet, willen niet, weten niet wat te doen. Susan leert hen de eerbiedige rituelen, de praktische handelingen, en dan nog, als ze na die eerste keer de gebruiken kennen, laten ze de uitvoering ervan toch liever aan haar over. Ze komt in het geniep, gaat in het geniep, bij de achterdeur drukken de welgestelden haar een paar shillings in de hand, de armen een paar penny’s, niemand hoeft ervan te weten, soms zelfs de familie, hun eigen man niet. Haar moeder heeft het haar geleerd, bij de dood van haar lieve, kleine Susey, vier jaar was ze nog maar toen ze aan roodvonk bezweek. Het afschuwelijkste van het ritueel vond Susan de natte watten die ze op haar dochtertjes oogleden moest leggen, want uren nadat Susey haar ogen voor de laatste maal had gesloten, meende Susan nog dat ze ze weer zou willen openen om haar mama met haar hulpeloze, zachtbruine blik te zoeken. En ook de doek waarmee Susan haar kaken op elkaar moest klemmen, om de lijkstijfheid voor te zijn, was vreselijk, alsof ze haar voorgoed de mond snoerde.”
“When I was seventeen I started planning my debut. Bobbie Jean hadn’t met a lot of “the good people,” as she called them, and I think she was planning to social climb through me. She hired Honey Mellen, a “party planner,” as she called herself, although we called her our “society coach.” The fiction was that Bobbie Jean and I were too busy to look after the million and one details involved in coining out, though the truth was we didn’t have Honey’s little green alligator-skin book of names and numbers, we didn’t know who to invite or the right florist or photographers or musicians or caterers. But Honey knew, she knew all about that—she also did weddings. It’s funny, weddings and debuts are all about getting a girl hitched to a man or at least in the right marriage sweepstakes, but both events involve women alone. Whoever heard of asking a man his opinion? At least in Texas, if not in France, women decided the kind of lace, the length of the train, the tiny buds in the tightly bound bouquet, the church, the preacher, the bridesmaids’ dresses, the reception and its hors d’oeuvres, hiring Lester Lanin’s real orchestra and some rinky-dink local band to fill in during the breaks, even if they knew how to play only “Tenderly” and Johnny Mathis’s “It’s Not for Me to Say.” We all liked Mathis. He was Texan. Sort of. Bobbie Jean told Honey the sky was the limit price-wise. She wanted her Yvonne to be properly launched in society. She and Bobbie Jean decided on the theme for my dance, “Venetian Night,” at the Brook Hollow Golf Club, complete with gondolas and men dressed in tights and straw boaters singing “0 Sole Mio,” and a Bridge of Sighs, two-thirds as large as the original, and a campanile-shaped pizza oven. Honey must have been in her forties, but energy! And she wore the trapeze look from Neiman’s, natch. Her hair was thick and wild, turbulent actually, and peroxided a platinum blonde. She wore nearly black lipstick and matching nail polish (she called it aubergine, though at that time I didn’t know that meant “eggplant”). She drove a red Cadillac convertible with fins out to here and she always kept the roof down. When it was raining she drove faster, honking all the slowpokes out of the way. She played loud colored music on the radio, music from Memphis, she called it race music. She wore a very strong perfume, dizzying really; I think it was an attar of roses, meant to be diluted to eau de cologne, but she used it full-strength and old ladies at concerts complained about it (“a real invasion of our privacy,” they muttered). She was always laughing loudly and jangling her costume jewelry bracelets, a dozen of them, bangles like a slave girl’s, as if she were on Benzedrine. She never finished a sentence but constantly interrupted herself with some new extravagance. She was never catty and never bad-mouthed her other clients, much as I tried to lure her into a good chin-wag. She was as discreet as an agent or a psychiatrist, which she was for all of us, I suppose. She always started out brimming over with excited enthusiasm for my ideas, no matter how dumb, but the way she shepherded you back to a more original concept—and the way she made you think it was your own—was truly astonishing.’
Geen kind, maar in zijn houding wel een jongen Die trots en weerloos voor zichzelf bezwijkt (Niet hemels, eerder mannelijk en aards) Met pijlen in zijn hart en in zijn longen
Een jonge man die op een jongen lijkt – Zo op zichzelf verliefd, zo binnenwaarts Gericht de geile blik – die noodgedwongen Nog doet alsof hij naar zijn vrienden kijkt
Hij weet dat hij de pijlen richting geeft (Nu spannen zij voor ’t laatst de zware bogen) Dat hij door eigen daadkracht verder leeft
Hij ziet zichzelf in hun doorlopen ogen Hij proeft zijn bloed dat aan hun handen kleeft En voelt dat hij zijn beulen heeft bedrogen
Twee seizoenen voor Bert
I. De lente komt. Een wereld van clichés Gaat zelfgenoegzaam ronkend voor ons open Een jonge liefde bloeit – het oude liedje – En zet zijn nagels vrolijk in je vlees
Je zou wel willen jubelen en hopen Dat alles goed blijft, maar je hoofd verbiedt je Hartstochtelijk te zijn en zonder vrees Je moest het vroeger vaak genoeg bekopen
De angst van wie verliefd is voor verlies Maakt alles broos en breekbaar als een vlies Van ijs na nauw een enkel nachtje vorst
De angst die ik verafschuw en verkies Omdat hij de ontroering met zicht torst Van liefde en een niet te lessen dorst
II. Nu legt het licht zich met een gouden glans Als zacht fluweel op ’t felgekleurde blad De milde middagzon krijgt nog een kans Haar toverspel te doen met laan en pad
Straks zal de storm de kale takken deren En breken wat de stoere drager was Van bloem en vrucht. Wie zou het kunnen keren? De winter komt. Wij gaan op Gods kompas
Zo zou de echter dichter vroeger dichten En in ’t sextet bleek ook zijn herte moe Zijn ogen dof als uitgedoofde lichten
Hij schreef vol romantiek zijn woordenspel Van liefde die vergaat, met tranen toe Maar wij, wij doen dat niet, mijn vriend. Of wel?
Cees van der Pluijm (12 januari 1954 – 14 december 2014)
over de muur hangen de takken van de wilg kaarsrecht groeit de stam van de ginkgo op de binnenplaats van het feest bleven tussen de kasseien witte zoutkorrels van de pretzels geraspt terwijl de kruimels al lang vogels hebben opgepikt dit is het begin denk ik bij mezelf waar ik dagen al de herfst in tel de winter in de lente in tot in de zomer de volgende als tussen de stenen weer zoutkorrels liggen
Vertaald door Frans Roumen
Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)
„Ich heiße Skip Landau, meine Mutter stammt aus Eng-land, mein Vater aus Paris, seine Eltern sind aus Ungarn nach Frankreich ausgewandert, weil sie als Juden in Ungarn nicht Medizin studieren durften. Den Krieg haben sie, so wie mein Vater auch, knapp überlebt, in irgendeinem Dorf in Süd-frankreich. Warum meine Mutter 1946 nach Paris gegangen ist, hat sie nie erklärt, vermutlich wollte sie weg von zu Hause, weit weg und schnell, und sie behauptete, Französisch lernen zu wollen und Malerin zu werden. Sie hat wirklich gemalt, nicht schlechter als andere, denke ich, und warum sie es am Ende aufgegeben hat, weiß ich nicht, oder vielleicht hat sie es auch nicht aufgegeben, sondern nur noch in kleine Hefte gezeichnet, sie hatte kleine Hefte, vielleicht finde ich sie in ihrem Nachlass, wenn ich mich endlich aufraffe, die letzte Kiste zu öffnen und zu sichten, was ich brauche, was ich behalte, eine Vorstellung, die ich nicht gut ertrage. Die Kiste steht mittler-weile in meiner Wohnung in Berlin. Von ihren Gemälden habe ich nichts behalten, ich dachte, ich würde sie nie los, an die hundert, um genau zu sein siebenundachtzig, doch a tauchten immer mehr Freunde und Bekannte meiner Eltern auf, die danach fragten, und plötzlich stand ich da, hatte nichts außer einem kleinen, quadratischen Bild. Es hing immer in meinem Büro, in dem Zimmer mit Blick auf den Hof in Newe Zedek, das heißt Oase des Friedens. Ich habe lange in Israel gelebt, jetzt wohne ich in Berlin. In Paris lernte meine Mutter in der zweiten Nacht meinen Vater kennen. So erzählte mein Vater. Meine Mutter erzählte, sie habe ihn in einem Café gesehen und sich verliebt, bevor sie nur ein Wort mit ihm gewechselt habe. Mein Vater sagte, sie sei mit ihm ins Bett gegangen, in dieser zweiten Nacht, in ihrer zweiten Nacht in Frankreich, und in der Nacht ihrer Begegnung. Er harte eine eigene Wohnung, eine winzige Wohnung im jüdischen Viertel. Seine Eltern wohnten damals etwas außerhalb, in Neuilly. Meine Großeltern waren fromm, auf ihre Weise, meine Groß-mutter sogar vermutlich ganz und gar gläubig, und vielleicht hätte sie besser einen Orthodoxen geheiratet. Alles hat sich verflüchtigt wie sie selbst, ihr Glaube, ihre Gewohnheiten, und ich bin nicht einmal Jude nach dem strengen Gesetz, denn meine Mutter war keine Jüdin, obwohl eine ihrer Tanten irgendwann schnaubte, etwas derart Albernes habe sie noch nie gehört, bei einer Familie, die Blomfield heiße, das war der Mädchenname meiner Mutter. Was ist, was nicht ist, ich habe einigermaßen so gelebt, als wäre das klar, mich hat das Sichtbare interessiert. Immer das Sichtbare und was man anfassen kann, wie Menschen sich bewegen zwischen Wänden, umgeben von Möbeln. Also bin ich Architekt geworden. Ich wollte Häuser bauen. Wohnungen. Höfe auch, Höfe, in denen Kinder spielen, ihre Mütter könnten sie dann aus großen Küchenfenstern schon, in den Höfen stünden Bänke, unter Bäumen, blühenden Bäumen.“
twee handen bootsen het projectiel na dat in de lucht staat opvliegt van boven af vanuit het perspectief van de stilstaande vogel fotografeerde ik deze weg de scherpgekante zwarte stenen van de oude Messeweg naar Leipzig een gedrongen vogel is het die in zijn vlucht op geen roofvogel lijkt eerder op het woord kwartel ja het lijkt op een woord van de naam van een trekvogel die bijna uitgeroeid is
Vertaald door Frans Roumen
Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)
zonder ons geen eten op hun bord zonder ons een stap terug
hemel ver weg aarde bijna op
Instrument
de boom zit in de vogel zit in de darmen van de vis voelt zich niet thuis
mist het water in zijn dienende staat mist het verlangen naar water zoals de koe haar melk mist wanneer die nog te zien is de vorm van de melk in de emmer is niet de vorm van de melk in de koe
de speler groen alsof de lente uit zijn huid groeit lianen speuren naar een gastheer die hun een ongestoord verblijf garandeert
de speler zit in de vogels die hun vleugels samenknijpen om er een toon uit te persen
die hun muziek doorkrijgen van de takken van de boom die in de vis zit en zich niet thuis voelt
De as van IJsland boven onze hoofden en in onze motoren ik heb al langer het gevoel dat er zand in mijn gedachten zit, het inschakelen van de computer, het nieuws lezen het pop-uppen van berichten zachtjes druppelt naar beneden de fijne asregen op de ramen van de auto’s die met altijd hetzelfde lawaai tegen de muur donderen in mijn dromen hou ik je stevig vast en bevoel je als de wikkel van een chocoladereep het knettert boven onze hoofden wanneer de motoren uitvallen en de onhandige machines het zweefvliegen oefenen ik heb al langer het gevoel dat we niet alleen zijn, maar dat iemand achter de camera onvermoeibaar naar ons zwaait hoe echter kan ik hem antwoorden?
De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.
Uit: Leugen & waarheid
‘In potentie zijn we allemaal kleine dictators.’ Gesprek met Richard Wrangham, antropoloog Dat wij mensen gewelddadig én vredelievend kunnen zijn, dat weet iedereen, maar over waarom dat zo is wordt al eeuwenlang gebekvecht. Zijn we in de kern gemoedelijke wezens die gecorrumpeerd worden door krachten van buiten, vroeger door listen van de duivel, tegenwoordig door verwrongen maatschappelijke structuren? Worden uitbarstingen van wreedheid en geweld veroorzaakt door armoede en ongelijkheid, opruiende politici en religieuze gifmengers, of institutioneel racisme? Of is de mens van nature een zelfzuchtig en agressief wezen en moet hij in toom worden gehouden door maatschappij en autoriteit? In filosofisch steno: het is Jean-Jacques Rousseau (izia-170) versus Thomas }lobbes (1588-1679). Pleitbezorgers van deze radicaal verschillende mensbeelden bestrijden elkaar tot op de dag van vandaag. Maar volgens de Britse antropoloog en primatoloog Richard Wrangham zit ons altruïsme én onze nietsontziende moorddadigheid in onze genen. De menselijke soort is, vergeleken met andere soorten, sociaal gezien opvallend weinig agressief. Tegelijk blijkt hij in staat tot het aanrichten van slachtpartijen op een onvoorstelbare schaal. Hoe de evolutie deze paradoxale gespletenheid in ons heeft verankerd, is de vraag die Wrang-ham probeert te beantwoorden. Tot begin 2020 doceerde Wrangham aan de universiteit van Harvard; wanneer ik hem spreek via Skype zit hij samen met zijn vrouw vanwege de coronapandemie in isolatie in de buurt van het Engelse Cambridge. Toen hij in de jaren zeventig als student deelnam aan een onderzoeksproject van de beroemde primatoloog Jane Goodall, had hij niet gedacht dat hij ooit een boek over mensen zou schrijven. Apen, dat was zijn ding. Natuurlijk was ik in apen geïnteresseerd omdat ze ons iets over mensen konden leren, maar ik zag mijzelf in de eerste plaats als iemand die dieren bestudeerde. Pas toen ik me ging bezighouden met de verschillen tussen chimpansees en bonobo’s, besefte ik dat die me mogelijkerwijs iets konden vertellen over de evolutie van homo sapiens. Bonobo’s zijn vredelievender dan chimpansees. Dat is verrassend omdat ze fysiek zoveel op elkaar lijken. Heel lang had men niet eens door dat het om twee verschillende soorten ging. Terwijl ze psychologisch en emotioneel heel anders in elkaar zitten. Dat riep bij mij de fascinerende vraag op hoe evolutie werkt, hoe kleine morfologische verschillen grote verschillen in gedrag kunnen veroorzaken: Volgens u is het grote verschil dat bonobo’s zichzelf gedomesticeerd hebben. Hun niet-vijandelijke omgeving maakte het gemakkelijker voor tamme apen om te overleven. `Wolven en honden lijken ook veel op elkaar, ze zijn nauw aan elkaar verwant, maar het verschil in anatomie en gedrag is vergelijkbaar met het verschil tussen chimpansees en bonobo’s. Ik ben inderdaad van mening dat bonobo’s zichzelf hebben gedomesticeerd, minder geneigd zijn tot agressie en geweld dan de voorouders die ze met chimpansees delen. Net zo heeft de mens zichzelf gedomesticeerd ten opzichte van zijn eigen voorouders. Hij is daardoor minder impulsief agressief geworden.’
Het spel is onderbroken. Hoe zouden we nog steeds in sprookjes geloven? De takken splinteren ’s nachts niet meer, geen wild, dat door de bossen trekt en het onweer lost op in zwermen vliegen. Niettemin, het feit blijft:: de jeuk onder onze voeten is geen restant van een den, geen brandnetelblad, we volgen nog steeds de drievoudige stap, de zeven bergen en ook het reekalfbroertje en zijn lieve zusje. Vertel me de geweien aan de muur, vertel me naalden in de vliegen. Op het juiste moment vergaten we te struikelen. Sneeuwwitje slaapt.
Uit:De laatste middagen met Teresa (Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu)
“Er zijn bijnamen die niet alleen een manier van leven illustre-ren, maar ook de maatschappelijke gesteldheid van de wereld waarin iemand woont. Op de avond van 23 juni van het jaar 1956, de dag van het Sint-Jansfeest, dook de zogenaamde Piechemapart uit de schaduwen van zijn buurt op, gekleed in een splinternieuw, kaneelbruin zomerpak; hij daalde de berg de Carmelo af, liep over de weg naar de Plaza Sanllehy, sprong op de eerste de beste motor die hij daar geparkeerd zag staan en die hem naar zijn idee enige garantie kon bieden dat hij er ongestraft van af zou komen (ditmaal ging het hem er niet om de motor te stelen, maar om er gewoon even gebruik van te maken en hem ergens achter te laten zodra hij hem niet meer nodig had), en reed op volle snelheid weg in de richting van de Montjuich. Hij was die avond van plan om naar het openluchtmuseum Pueblo Español te gaan, omdat daar buitenlandse meisjes zouden komen voor het Sint-Jansfeest, maar halverwege veranderde hij opeens van gedachten en reed naar de wijk San Gervasio. Langzaam en terwijl hij de geur opsnoof van de met vage beloften beladen juniavond, gleed hij door de verlaten straten met aan weerszijden hekken en tuinen, totdat hij op een gegeven moment besloot de motor ergens achter te laten en leunend tegen het spatbord van een fantastische sportwagen die voor een landhuis geparkeerd stond, een sigaret te roken. Het fonkelende staal van de carrosserie weerkaatste, boven een luchtspiegeling van verglijdende lichtjes, zijn melancholieke, stugge gezicht met de ernstige blik en de lichtbruine huid, terwijl zijn fantasie werd gestreeld door de zachte klanken van een foxtrot; aan de overkant, in een privétuin vol lampionnen en papieren slingers, was een Sint-Jansfeest aan de gang. De feestelijke sfeer van de avond, met zijn vrolijke opwinding en drukte, gaf weinig aanleiding tot angst, en al helemaal niet in die buurt, maar toch kon een groepje elegant geklede paren dat toevallig langs de jongeman liep, een licht gevoel van onbehagen niet onderdrukken dat soms ontstaat door een amper waarneembare breuk in de orde: wat opviel aan de jongen was de serieuze schoonheid van zijn zuidelijke trekken en een zekere onrustbarende onbeweeglijkheid die op een merkwaardige manier in verband − liever gezegd in een verdacht evenwicht − stond met de prachtige auto. Meer konden ze eigenlijk niet opmerken. Gezegend met een zeer fijne neus en gevoelig voor de geringste materiële dissonant waren ze toch niet in staat geweest de morbide ongevoeligheid, voorafgaande aan extreme beslissingen, op te merken op dat fraaie voorhoofd, en evenmin hadden ze in die ogen als furieuze sterren het vage waas waargenomen dat duidt op stormachtige gedachten die zelfs tot de morele rechtvaardiging van een misdaad konden leiden.”
Een lang huis – de vossengalerij noemde jij de bovenverdieping, omdat je naar beneden kon kijken om te zien (zoals gebeurde) hoe een vos het veld erachter zou oversteken en je van raam tot raam de weg van de vos kon volgen de hele lengte van het grasland evenwijdig aan de insluitende lijn van muur en paneel, of zo ver als die de loop van alle bochten zou kunnen volgen. Weet je nog de ochtend dat ik je wekte met de kreet Vos Vos en daar kwam het dier – niet van de ene kant naar de andere, maar recht op het huis af en we rekten ons uit om nog meer te zien, zoveel als we konden en toen zagen we hem afbuigen, afgeschrikt door het bewoonde huis, en merkten hoe volstrekt ongelijk de twee werelden waren, terwijl dat volmaakte ideogram voor behendigheid en soepele verdwijning ritmisch van ons wegvloeide en oplichtte en die vlam was het einde.
Vertaald door Bob den Uyl
Alfred Tomlinson (8 januari 1927 – 22 August 2015)
“De poort werd bekroond door de naam Doornenhof in smeedijzeren letters. Erachter, en achter het gras dat grauw zag van de heiigheid, achter de perebomen die glommen als lantaarnpalen, stond een hoog en ondiep huis. De ramen in de voor- en zijgevels waren gevat in gestucte lijsten met gargouilles. Wanneer het regende gulpte het water uit hun loden kelen, om het huis lag dan een ring van geklater. Die ring bleef dan aan de achterkant open. De achtergevel was blind, op een lage deur na. Onder de witkalk waren daar de littekens van een amputatie zichtbaar. Het huis leek een half huis, de stenen roerloosheid leek te verlangen naar een verloren wederhelft. Maar die wederhelft was er nooit geweest. Het pand maakte zo’n onvolledige indruk omdat het vroeger gediend had als woonhuis bij een boerderij, waarvan de bedrijfsgebouwen in de loop der jaren waren gesloopt en het land stukje bij beetje was verkocht. Stukje bij telkens duurder beetje was het land gevoerd aan het garagebedrijf links en aan het recreatieterrein aan de zuidkant. De Doornenhof ging langzaam op in geld. Tussen de poortspijlen en fruitbomen door, achter het raam linksonder, kon je ’s avonds Gijselhart zien zitten. Daar had hij zijn kantoortje. ‘Comptoirtje’ zei hij ouderwets. Hij had dan het avondblad voor zich liggen, opengeslagen op de advertentiepagina of de pagina financiën. De pendellamp was dicht op de krant getrokken en belichtte alleen de onderste helft van zijn gezicht. Baardstoppels flonkerden als rijp, terwijl hij over het montuur van zijn leesbril en over de krant heen zat te staren. De oude lippen rekten zich traag, stulpten zich uit, twee slakken. Avond aan avond speelde hij daar zijn spelletje solitaire. Er zwermden dan in zijn hoofd getallen rond die guldens vertegenwoordigden en samen als het goed was het bedrag één miljoen moesten vormen. A.W. Gijselhart was miljonair, maar binnen de klasse der miljonairs behoorde hij tot de minima. Hij had de grootste moeite om zich te handhaven boven de magische streep die hem scheidde van al degenen die financieel geen naam mochten hebben. De getallen in zijn hoofd hadden de zenuwslopende onhebbelijkheid om af te dwalen van de zwerm, als je even niet keek tot een lager getal te verspringen of zelfs op te lossen in het niets. De balans die zijn accountant ieder jaar voor hem opmaakte kon hem over zijn rijkdom even weinig vertellen als een luchtfoto over de dramatiek van het weer.“
Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)
De Nederlandse schrijfster, beeldend kunstenares, filosofe en singer-songwriter Eva Meijer werd geboren in Hoorn op 7 januari 1980. Zie ook alle tags voor Eva Meijer op dit blog.
Uit: Zee Nu
“Het duurde even voor de mensen begrepen wat er aan de hand was. De eerste dag leek er ook weinig aan de hand: de zee komt de ene dag verder het strand op dan de andere en de dijken waren hoog en breed genoeg. Een enkele strandwandelaar voelde dat er iets niet in de haak was. Maar wat. Ze vergaten het voor ze thuis waren. De tweede dag naderde de vloedlijn op verschillende kustplekken de duinen. Een aantal burgemeesters van badplaatsen schakelde experts van Rijkswaterstaat in: mannen met koffertjes die in tweetallen kwamen, metingen deden en weer vertrokken. Ze konden er niets over zeggen, de metingen moesten eerst worden geanalyseerd. Ondertussen, in de loop van de middag van die tweede dag, begonnen de mensen over dit zeldzame natuurverschijnsel te praten – want zo noemden ze het in het begin: een zeldzaam natuurverschijnsel. In Scheveningen maakte een restauranteigenaar een foto die hij op internet plaatste, in Domburg deed een metaaldetectorspeurder hetzelfde. Was het eerder zo lang vloed? Was dit nu de waterspiegelstijging waar ze voor waarschuwden? Het is nog te vroeg in het verhaal om ons te buigen over de beweegredenen van de zee, maar een kleine omschrijving misstaat hier niet. De zee lijkt voor wie vanaf het strand over haar uitkijkt oneindig. Er is weliswaar een horizon, maar die verschuift zodra wij verschuiven en geeft alleen een optische grens aan. De zee leeft niet maar is ook niet dood, een staat waar de meeste mensen zich weinig bij kunnen voorstellen, hoezeer ze misschien ook aan de aanwezigheid van de zee zijn gewend. De zee bestaat uit water, net als mensen, maar heeft geen huid. Haar kleur en vorm zijn afhankelijk van de omgeving: de zon, de wolken, de wind. Mensen zijn ook gevormd door weer en landschap, maar toch veranderen ze niet zo mee met wat om ze heen beweegt, zeker de Nederlanders niet, het volk dat in dit boek centraal staat. De zee denkt en voelt niet, tenminste niet op een manier die de mensen als zodanig kunnen herkennen, met hun denken en voelen, dat noodzakelijkerwijze beperkt is want gebonden aan hun fysieke gesteldheid en voorstellingsvermogen. Een dichter zou hier kunnen wijzen op de meerstemmigheid en het fluïde karakter van het gevoel, een filosoof op het belang van de erkenning van de materialiteit van het menselijk bestaan, toch brengt dat ze niet dichter bij de zee. Maar over de zee zoals gezegd later meer.”
Coleridge schreef zorgvuldig een hele pagina vol met ze, allemaal beginnend met de letter b. Reisgidsen bewaren onze kennis van hun tinten en vormen, hun voortplanting. Veel gedichten hebben tere woordklanken geschapen – als windgongs, niet voor de wind maar voor de adem van de mens – uit hun mooie namen. Aan de rand van de prairie in een hut lijken, wanneer de donder dichterbij komt om hard op het dak te bonzen, een paar van hen – in een hoek, breekbaar in een droge pot waar de bedachtzame hand van een vrouw ze liet staan om te verwelken – mee te waaien met de zich aandienende winden buiten, wanneer de regen begint te vallen op al hun buigzame verwanten in alle kleuren, onder een hemel in één kleur, of geen.
De Bulgaarse schrijver Georgi Georgiew Gospodinov werd geboren op 7 januari 1968 in Yambol, Bulgarije. Gospodinov groeide op in Thracië. De roman “Het vertrek van de vliegende ploeg. Kroniek van de Bulgaarse opstanden van 1875/1876 van Zakhari Stoyanov had in zijn jeugd een grote invloed op hem. Gospodinov voltooide een graad in Bulgaarse filologie aan de Universiteit van Sofia en behaalde later een doctoraat in Nieuwe Bulgaarse Literatuur aan het Instituut voor Literatuur van de Bulgaarse Academie van Wetenschappen met een proefschrift over poëzie en media. “Film, radio en reclame bij Nikola Vapzaroen de dichters van de jaren veertig”.. Vanaf 1995 werkte hij als onderzoeksassistent aan de Bulgaarse Academie van Wetenschappen en van 1998 tot 2000 als docent essayschrijven en van 1999 tot 2000 in hedendaagse Bulgaarse literatuur aan de Nieuwe Bulgaarse Universiteit.Gospodinov verwierf internationale bekendheid met zijn debuutroman “Natuurlijke roman” (1999), die inmiddels in 25 talen is vertaald. Het tijdschrift New Yorker omschreef het boek als een ‘ongebreideld, experimenteel debuut’.In 2011 verscheen zijn tweede roman “Физика на тъгата” (De wetten van de melancholie). Gospodinov heeft ook twee toneelstukken geschreven, waaronder D.J. (afkorting van Don Juan), dat in 2004 in Sofia in première ging. Het won de prijs voor het beste toneelstuk van het jaar en werd ook opgevoerd in Frankrijk en Oostenrijk. Hij schreef ook de originele Bulgaarse versie van het libretto voor de Engelstalige opera Space Opera van Aleksander Nowak, die op 14 maart 2015 in première ging in het Poznań Teatr Wielki. Hij is ook een van de redacteuren van “Ik leefde het socialisme: 171 persoonlijke verhalen” (2006), het resultaat van een tweejarig internetproject dat tot doel had verhalen van gewone mensen over het leven onder het socialisme te verzamelen.Gospodinov schrijft regelmatig columns voor het Bulgaarse dagblad Dnevnik en Deutsche Welle en werkt als redacteur voor het Bulgaarse literaire tijdschrift Literaturen Westnik. In mei 2016 ontving Gospodinov de Orde van de Heiligen Cyrillus en Methodius I-klasse. In hetzelfde jaar ging de film Blind Vaysha van de Bulgaarse filmmaker Theodore Ushev, gebaseerd op een verhaal van Gospodinov, in première op de Berlinale 2016 en werd genomineerd voor de Academy Awards 2017 voor beste korte animatiefilm.Van januari tot juni 2019 verbleef Gospodinov in Zürich als Writer in Residence bij het Literaturhaus Zürich en de Stichting PWG. Gospodinov woont en werkt in Sofia.
Uit:Physik der Schwermut (Vertaald door Alexander Sitzmann)
„Und dann schnappte sich ein Zauberer die Schirmmütze von meinem Kopf, bohrte seinen Finger hinein und machte so ein großes Loch. Ich brach in Tränen aus, wie sollte ich mich mit kaputter Mütze zu Hause blicken lassen? Er lachte, blies einmal dagegen, und zum Erstaunen aller war sie wieder heil. Ein großer Zauberer. Das war doch nur eine Illusion, Opa, höre ich mich sagen. Damals war es Zauberei, sagt mein Großvater, später wurde es zur Illusion. Aber ich bin schon dort, 12 Jahre alt, wir schreiben wohl das Jahr 1925. Da ist der Fünfer, den ich fest in der Hand halte, schweißnass, ich spüre seinen Rand. Zum ersten Mal bin ich allein auf dem Jahrmarkt und habe Geld. Hierher, meine Herrschaften … Kommen Sie und sehen Sie den Python, vom Kopf bis zum Schwanz drei Meter lang, vom Schwanz bis zum Kopf noch einmal so viel … Oh Mann, was kann denn das für eine Schlange sein, sechs Meter lang … He, warte mal, wo willst du hin, ohne zu zahlen, das macht einen Fünfer … Aber ich habe nur die fünf, die werde ich doch nicht für eine Schlange ausgeben … Gegenüber verkaufen sie Pomaden, Heilerde und Farbe für die Haare. Faaaarbe für den Baaaart, macht die B0000rsten ganz zaaart… Und wer ist dieser Mann, um den die alten Frauen herumstehen und schniefen? … und als Nikolöo aus der Kriegsgefangenschaft nach Hause kommt, hört er, dass seine Braut einen anderen genommen hat, Nikolöo passt sie am Ziehbrunnen ab, er reißt ihr den Kopf von den Schultern, der Schädel fliegt durch die Luft und spricht ein letztes Mal, Nikoldo, was hast du nur getan … So, und jetzt weint, ihr alten Frauen … Und die alten Frauen weinen, zum Steinerweichen … Kauft das Liederbuch, um zu erfahren, welch grausiger Irrtum sich zugetragen hat, die Braut ward ohne Schuld aus dem Leben gerissen … Der Verkäufer von Liederbüchern. Oh Mann, was das wohl für ein Irrtum war … Leute über Leute, sie rempeln mich an, ich halte das Geld fest in der Hand, dass es dir nur keiner klaut, sagte mein Vater, als er es mir gab. Stopp. Agop. Sirup. Angeschrieben mit großen, siruprosa Buchstaben. Ich schlucke. Soll ich einen trinken … Ran an die Lutscheeeer … verlockt mich der Teufel, verkleidet als armenische Großmutter. Bist du bei Verstand, dann komm zu mir gerannt … Und jetzt? Sirup oder Lutscher? Ich stehe in der Mitte, schlucke und kann mich überhaupt nicht entscheiden. Mein Großvater in mir kann sich nicht entscheiden. Daher also kommt diese Unentschlossenheit, die mir später zu schaffen machen wird. Ich sehe mich dort sitzen, schlank, großgewachsen, das Knie aufgeschürft, auf dem Kopf die Mütze, der es bevorsteht, vom Zauberer durchbohrt zu werden, mit offenem Mund und verlockt von der Welt, die sich mir rundherum bietet. Ich entferne mich noch ein bisschen, sehe mich aus der Vogelperspektive, um mich herum herrscht reges Treiben, ich stehe da, und mein Großvater steht da, beide im selben Körper.“