Etty Hillesum, Liane Dirks, José de Lizardi, Wolf Biermann, J. G. Ballard, Carlo Emilio Gadda, Gerhard Hauptmann, Richmal Crompton, Marianne Moore, Madeleine de Scudéry

Om onverklaarbare, en ondanks mijn verzoek ook nog niet opgehelderde redenen is Romenu geheel uit de statistieken verdwenen. Ik gun iedereen zijn plaatsje in welke top 15 of top 30 dan ook, maar er staan nu blogs in die duidelijk minder scoren dan Romenu al meer dan twee jaar doet. In Skynets eigen teller en mijn externe teller is geen dramatische terugval van het aantal bezoerkers te zien. Eerdere problemen met ongewenste veranderingen bij Skynet hebben mij vorig jaar al naar een alternatief doen zoeken en vandaar dat ik nu zonder al te veel problemen kan uitwijken naar mijn blog op Seniorennet. Dezelfde opzet, en naar ik hoop, straks ook weer veel van dezelfde trouwe bezoekers. Voorlopig blijf ik hier nog even berichten plaatsen, zij het zeer summier en met een verwijzing naar mijn blog Romenu II  op Seniorennet.

 

 

De Nederlandse schrijfster Etty Hillesum werd geboren in Middelburg op 15 januari 1914 als Esther Hillesum in een joods-Nederlandse familie. Zij kreeg bekendheid door de publicatie van haar dagboek, 38 jaar nadat zij in Auschwitz werd vermoord. In haar dagboek verwoordde ze haar persoonlijke, innerlijke ontwikkeling te midden van de turbulentie van de Tweede Wereldoorlog en de absurditeiten van de holocaust. Het boek is niet alleen een sterk persoonlijk document, maar geeft ook enig inzicht in de wijze waarop de anti-Joodse maatregelen en deportaties in die jaren op Joden zelf is overgekomen. Etty’s dagboeken, of althans een groot deel ervan, werden gebundeld en in november 1981 uitgegeven onder de titel Het verstoorde leven – Dagboek van Etty Hillesum. Het dagboek begint op 9 maart 1941 en eindigt met het bericht van een vriend over haar deportatie naar Auschwitz op 6 september 1943.

 

Uit: Het verstoorde leven – Dagboek van Etty Hillesum.

 

“20. 28 maart 1942:

 

Dit verdriet moet je in jezelf alle ruimte en onderdak verschaffen, die het toekomt en op die manier zal het verdriet in de wereld misschien verminderen, als iedereen draagt, eerlijk en loyaal en volwassen draagt wat hem wordt opgelegd, Maar als je het verdriet niet het eerlijke onderdak verleent, maar de meeste ruimte openstelt voor haat en wraakgedachten, waaruit weer nieuw verdriet voor anderen geboren zal worden, ja dan neemt het verdriet nooit een einde in deze wereld en zal zich steeds vermeerderen. Lees meer…

 

Etty_Hillesum

Etty Hillesum (15 januari 1914 – 30 november 1943)

 

Zie voor onderstaande schrijvers mijn blog Romenu II van vandaag.

 

De Duitse schrijfster Liane Dirks werd geboren op 15 november 1965 in Hamburg.

 

De Mexicaanse dichter en schrijver José Joaquín Fernández de Lizardi werd geboren in Mexico-stad op 15 november 1776. 

De Duitse zanger, dichter en schrijver Wolf Biermann werd geboren op 15 november 1936 in Hamburg.

 

De Britse schrijver James Graham Ballard werd geboren in Shanghai op 15 november 1930.

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog Romenu II van vandaag.

 

 

De Italiaanse schrijver Carlo Emilio Gadda werd geboren op 15 november 1893 in Milaan.

 

De Duitse schrijver Gerhard Hauptmann werd geboren in Obersalzbrunn op 15 november 1862.

 

De Engelse schrijfster Richmal Crompton werd geboren op 15 november 1890 in Lancashire.

 

De Amerikaanse dichteres Marianne Moore werd geboren op 15 november 1887 in Kirkwood, Missouri.


De Franse schrijfster Madeleine de Scudéry werd geboren op 15 november 1607 in Le Havre.

Astrid Lindgren, P.J. O’Rourke, Jonathan van het Reve, Jurga Ivanauskaitė, Karla Schneider, Herbert Zand, Taha Hussein, Jakob Schaffner, Aleardo Aleardi

Om onverklaarbare, en ondanks mijn verzoek ook nog niet opgehelderde redenen is Romenu geheel uit de statistieken verdwenen. Ik gun iedereen zijn plaatsje in welke top 15 of top 30 dan ook, maar er staan nu blogs in die duidelijk minder scoren dan Romenu al meer dan twee jaar doet. Eerdere problemen met ongewenste veranderingen bij Skynet hebben mij vorig jaar al naar een alternatief doen zoeken en vandaar dat ik nu zonder al te veel problemen kan uitwijken naar mijn blog op Seniorennet. Dezelfde opzet, en naar ik hoop, straks ook weer veel van dezelfde trouwe bezoekers. Voorlopig blijf ik, om het iedereen gemakkelijk te maken, hier nog even berichten plaatsen, zij het zeer summier en met een verwijzing naar „Romenu  II“ op Seniorennet.

 

De Zweedse schrijfster Astrid Lindgren werd als Astrid Ericsson geboren op 14 november 1907 en groeide op op de boerderij Näs in Vimmerby in Småland. Zie ook mijn blog van 14 november 2006 en ook mijn blog van 14 november 2007.

 

Uit: Pippi Longstocking

 

„Way out at the end of a tiny little town was an old overgrown garden, and in the garden was an old house, and in the house lived Pippi Longstocking. She was nine years old, and she lived there all alone. She had no mother and no father, and that was of course very nice because there was no one to tell her to go to bed just when she was having the most fun, and no one who could make her take cod liver oil when she much preferred caramel candy.

 

Once upon a time Pippi had had a father of whom she was extremely fond. Naturally she had had a mother too, but that was so long ago that Pippi didn’t remember her at all. Her mother had died when Pippi was just a tiny baby and lay in a cradle and howled so that nobody could go anywhere near her. Pippi was sure that her mother was now up in Heaven, watching her little girl through a peephole in the sky, and Pippi often waved up at her and called, “Don’t you worry about me. I’ll always come out on top.”

 

Pippi had not forgotten her father. He was a sea captain who sailed on the great ocean, and Pippi had sailed with him in his ship until one day her father was blown overboard in a storm and disappeared. But Pippi was absolutely certain that he would come back. She would never believe that he had drowned; she was sure he had floated until he landed on an island inhabited by cannibals. And she thought he had become the king of all the cannibals and went around with a golden crown on his head all day long.

 

“My papa is a cannibal king; it certainly isn’t every child who has such a stylish papa,” Pippi used to say with satisfaction. “And as soon as my papa has built himself a boat he will come and get me, and I’ll be a cannibal princess. Heigh-ho, won’t that be exciting?”

 

Her father had bought the old house in the garden many years ago. He thought he would live there with Pippi when he grew old and couldn’t sail the seas any longer. And then this annoying thing had to happen, that he was blown into the ocean, and while Pippi was waiting for him to come back she went straight home to Villa Villekulla. That was the name of the house. It stood there ready and waiting for her. One lovely summer evening she had said good-by to all the sailors on her father’s boat. They were all fond of Pippi, and she of them.“

 

Lindgren

Astrid Lindgren (14 november 1907 –  28 januari 2002)

 

Zie voor onderstaande schrijvers mijn andere blog, Romenu II van vandaag

 

De Amerikaanse journalist en schrijver P.J. O’Rourke werd geboren op 14 november 1947 in Toledo, Ohio.

 

De Nederlandse schrijver Jonathan van het Reve werd geboren op 14 november 1983 in Amsterdam.

 

De Duitse schrijfster Karla Schneider werd op 14 november 1938 geboren in Dresden.

 

De Litouwse schrijfster Jurga Ivanauskaitė werd geboren in Vilnius op 14 november 1961.

 

 

Zie ook voor onderstaande schrijvers mijn andere blog, Romenu II van vandaag.

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Herbert Zand werd geboren op 14 november 1923 in Knoppen.

De Egyptische schrijver Taha Hussein werd geboren in Al Minya in Egypte op 14 november 1889.

De Zwitserse schrijver Jakob Schaffner werd geboren op 14 november 1875 in Basel.

De Italiaanse dichter Aleardo Aleardi werd geboren op 14 november 1812 in Verona.

 

Deutscher Buchpreis 2008 voor Uwe Tellkamp

De Duitse schrijver Uwe Tellkamp heeft voor zijn dit jaar verschenen roman Der Turm de Deutsche Buchpreis 2008 gewonnen voor de beste roman in de Duitse taal, een prijs die te vergelijken is met de Prix Goncourt of de Man Booker Prize. Uwe Tellkamp werd geboren op 28 oktober 1968 in Dresden. Zijn eerste satirische tekst verscheen al in in 1987 in het blad Eulenspiegel, dus nog in de tijd van de DDR. Na zijn gymnasiumopleiding diende Tellkamp in het leger van de DDR. Daarin bleef hij tot 1989 ook als onderofficier werkzaam tot hij het bevel kreeg uit te rukken tegen „de oppositie“, waaronder ook een broer van de schrijver. Dat weigerde hij. Hij verloor zijn studieplaats medicijnen en moest twee weken de gevangenis in. Zijn studie medicijnen voltooide hij later in Dresden, Leipzig en New York. Na zijn afstuderen werkte hij een tijd in een kliniek München, maar in 2004 gaf hij dit beroep op ten gunste van zijn schrijverschap. Bij een breder publiek bekend werd Tellkamp door een lezing uit zijn roman Der Schlaf in den Uhren in 2004 in Klagenfurt, waarvoor hij de  Ingeborg-Bachmann-Preis won. Ook opzien baarde zijn roman Der Eisvogel uit 2005.

 

Uit: Der Turm

“1. Auffahrt

Die elektrischen Zitronen aus dem VEB »Narva«, mit denen der Baum dekoriert war, hatten einen Defekt, flackerten ackerten hin und wieder auf und löschten die elbabwärts liegende Silhouette Dres­dens. Christian zog die feucht gewordenen, an den wollenen In­nenseiten mit Eiskügelchen bedeckten Fäustlinge aus und rieb die vor Kälte fast taub gewordenen Finger rasch gegeneinander, hauchte sie an – der Atem verging als Nebelstreif vor dem finster liegenden, in den Fels gehauenen Eingang des Buchensteigs, der hinauf zu Arbogasts Instituten führte. Die Häuser der Schiller­straße verloren sich im Dunkel; vom nächstgelegenen, einem Fachwerkhaus mit verriegelten Fensterläden, lief eine Stromlei­tung ins Geäst einer der Buchen über dem Felsdurchgang, ein Ad­ventsstern brannte dort, hell und reglos. Christian, der über das Blaue Wunder und den Körnerplatz gekommen war, ging weiter stadtauswärts, in Richtung Grundstraße, und erreichte bald die Standseilbahn. Vor den Schaufenstern der Geschäfte, an denen er vorüberging – ein Bäcker, Molkereiwaren, ein Fischladen –, waren die Rolläden herabgelassen; düster und mit aschigen Kon­turen, halb schon in Schatten, lagen die Häuser. Es schien ihm, als ob sie sich aneinanderdrängten, Schutz beieinander suchten vor etwas Unbestimmtem, noch nicht Ergründbarem, das vielleicht aufgleiten würde aus der Dunkelheit – wie der Eismond aufge­glitten war über der Elbe vorhin, als Christian auf der menschen­leeren Brücke stehengeblieben war und auf den Fluß geblickt hatte, den dicken, von seiner Mutter gestrickten Wollschal über Ohren und Wangen gezogen gegen den frostscharfen Wind. Der Mond war langsam gestiegen und hatte sich von der kaltträgen, wie flüssige Erde wirkenden Masse des Stroms gelöst, um allein über den Wiesen mit ihren in Nebelgespinste gehüllten Weiden, dem Bootshaus auf der Altstädter Elbseite zu stehen, den gegen Pillnitz zu sich verlierenden Höhenzügen. Von einem Kirchturm in der Ferne schlug es vier, was Christian wunderte.

Er ging den Weg zur Standseilbahn hinauf, stellte seine Reise­tasche auf die verwitterte Bank vor dem Gatter, das den Bahn­steig abschloß, und wartete, die Hände samt Handschuhen in die Taschen seiner militärgrünen Parka gesteckt. Die Zeiger der Bahnhofsuhr über dem Schaffnerhäuschen schienen sehr lang­sam vorzurücken. Außer ihm wartete niemand auf die Stand­seilbahn, und um sich die Zeit zu vertreiben, musterte er die Anzeigentafeln. Lange waren sie nicht mehr gesäubert worden. Eine warb für das Café Toscana auf der Altstädter Elbseite, eine für das weiter in Richtung Schillerplatz liegende Geschäft Näh­ter, eine andere für das Restaurant Sibyllenhof an der Bergstati­on. In Gedanken begann Christian Fingersatz und Melodiefolge des italienischen Stücks zu wiederholen, das auf der Geburts­tagsfeier für den Vater gespielt werden sollte. Dann sah er in die Dunkelheit des Tunnels. Ein schwacher Schein wuchs, füllte all­mählich die Tunnelhöhlung wie steigendes Wasser einen Brun­nen; zugleich wuchs das Geräusch: ein schieferiges Knarren und Ächzen, das Führungsseil aus Stahldrähten knackte unter der Last, ruckend näherte sich die Bahn, eine mit Meereslicht gefüll­te Kapsel; zwei Scheinwerferaugen beleuchteten die Strecke. Im Wagenquader waren die unscharf umrissenen Körper einzelner Fahrgäste zu sehen; in der Mitte der verfließende Schatten des graubärtigen Schaffners, der seit Jahren auf dieser Strecke fuhr: hinauf und hinab, hinab und hinauf immer im Wechsel, viel­leicht schloß er die Augen dabei, um dem Anblick des allzu Ver­trauten zu entgehen oder um es innerlich zu sehen und es dann zu verdrängen, um Geister zu bannen. Wahrscheinlich aber sah er schon mit dem Gehör, jeder Ruck während der Fahrt mußte ihm bekannt sein.

 

Tellkamp

Uwe Tellkamp (Dresden, 28 oktober 1968)

Nobelprijs voor Jean-Marie Gustave Le Clézio

Nobelprijs voor Jean-Marie Gustave Le Clézio

 

 

De Franse schrijver Jean-Marie Gustave Le Clézio heeft dit jaar de Nobelprijs voor literatuur gewonnen. Le Clézio werd geboren op 13 april 1940 in Nice. Daar studeerde hij aan het Collège littéraire universitaire en promoveerde in de literatuurwetenschappen. Bekend werd hij met zijn roman Procès-verbal uit 1963, waarvoor hij in dat jaar de Prix Renaudot kreeg. Le Clézio heeft intussen meer dan dertig werken op zijn naam staan, waaronder romans, essays, verhalen, novellen en vertalingen. In 1980 kreeg hij als eerste de Prix Paul-Morand voor Désert. Zie ook mijn blog van 13 april 2008.

 

Uit: Désert

 

„Ils sont apparus, comme dans un rêve, au sommet de la dune, à demi cachés par la brume de sable que leurs pieds soulevaient. Lentement ils sont descendus dans la vallée, en suivant la piste presque invisible. En tête de la caravane, il y avait les hommes, enveloppés dans leurs manteaux de laine, leurs visages masqués par le voile bleu. Avec eux marchaient deux ou trois dromadaires, puis les chèvres et les moutons harcelés par les jeunes garçons. Les femmes fermaient la marche. C’étaient des silhouettes alourdies, encombrées par les lourds manteaux, et la peau de leurs bras et de leurs fronts semblait encore plus sombre dans les voiles d’indigo.

 

Ils marchaient sans bruit dans le sable, lentement, sans regarder où ils allaient. Le vent soufflait continûment, le vent du désert, chaud le jour, froid la nuit. Le sable fuyait autour d’eux, entre les pattes des chameaux, fouettait le visage des femmes qui rabattaient la toile bleue sur leurs yeux. Les jeunes enfants couraient, les bébés pleuraient, enroulés dans la toile bleue sur le dos de leur mère. Les chameaux grommelaient, éternuaient. Personne ne savait où on allait.

 

Le soleil était encore haut dans le ciel nu, le vent emportait les bruits et les odeurs. La sueur coulait lentement sur le visage des voyageurs, et leur peau sombre avait pris le reflet de l’indigo, sur leurs joues, sur leurs bras, le long de leurs jambes. Les tatouages bleus sur le front des femmes brillaient comme des scarabées. Les yeux noirs, pareils à des gouttes de métal, regardaient à peine l’étendue de sable, cherchaient la trace de la piste entre les vagues des dunes.

 

Il n’y avait rien d’autre sur la terre, rien, ni personne. Ils étaient nés du désert, aucun autre chemin ne pouvait les conduire. Ils ne disaient rien. Ils ne voulaient rien. Le vent passait sur eux, à travers eux, comme s’il n’y avait personne sur les dunes. Ils marchaient depuis la première aube, sans s’arrêter, la fatigue et la soif les enveloppaient comme une gangue. La sécheresse avait durci leurs lèvres et leur langue. Ma faim les rongeait. Ils n’auraient pas pu parler. Ils étaient devenus, depuis si longtemps, muets comme le désert, pleins de lumière quand le soleil brûle au centre du ciel vide, et glacés de la nuit aux étoiles figées.“

 

LeClezio

Jean-Marie Gustave Le Clézio (Nice, 13 april 1940)

In Memoriam Janwillem van de Wetering

In Memoriam Janwillem van de Wetering

De Nederlandse schrijver Janwillem van de Wetering is op vrijdag 4 juli overleden.

Van de Wetering werd geboren in Rotterdam op 12 februari 1931. Hij groeide op in Hillegersberg en volgde later een opleiding aan Nijenrode. In 1952 ging hij naar Zuid-Afrika, waar hij voor het bedrijf van zijn vader werkte. Hij leefde echter met zijn vader in onmin. Deze ontsloeg hem en de jonge Van de Wetering ging filosofie studeren in Londen. In Engeland kwam hij er achter dat zijn werkelijke belangstelling bij de oosterse filosofie lag. In die tijd klopte hij als westerling aan bij een Zen-klooster in Kyoto, waar men hem de zeer zware opleiding tot monnik toestond. Er zouden nog vele avonturen volgen. De eerste boeken die Van de Wetering publiceerde gingen over Zen. Na zijn Japanse jaren, waar hij zich onder anderen verdiepte in Robert van Gulik, zou hij zich in een Zen-gemeenschap in het Amerikaanse Maine vestigen. Ondertussen had hij al naam gemaakt als auteur van misdaadromans. In Het lijk in de Haarlemmer Houttuinen (1975) verschijnt het duo Grijpstra & De Gier voor het eerst. Er zouden vele afleveringen volgen. Van de Wetering was de laatste jaren ernstig ziek. Hij leed aan kanker. Het tijdstip van zijn dood heeft hij zelf bepaald. Als overtuigd Zen-volgeling zag hij de dood als een fase van het leven.

Uit: Wat eindigt begint

 “De priester beheerde een kleine Zentempel, een eiland van stilte en schoonheid. een paar kilometer buiten Kyoto. De tempel was beroemd om haar tuin en de priester had de tempel gekregen omdat tuinieren zijn lust en zijn leven was. Naast zijn tempel was nog een andere, kleinere, tempel waar een hele oude Zenmeester woonde, de meester was zo oud dat hij geen discipelen meer kon opleiden, de priester zorgde voor de oude meester maar er was geen officiële meester/discipel relatie. De priester had zijn koanstudie al lang geleden opgegeven.

De priester zou gasten krijgen, en hij was de hele morgen in de weer geweest om zijn tuin puntgaaf te maken. Hij had alle losse bladeren opgeharkt en weggegooid, hij had water op het mos gesprenkeld. hij had het mos zelfs hier en daar gekamd, hij had weer wat bladeren op de juiste plaatsen neergelegd, en tenslotte stond hij op de veranda, bekeek de tuin en kon alleen maar tegen zichzelf zeggen dat zijn tuin volmaakt was. De oude Zenmeester had het werk van de priester met aandacht gadegeslagen terwijl hij op het hek leunde dat de twee tempels van  elkaar scheidde.

“Mooi he?” zei de priester tegen de meester. “Vindt u niet dat de tuin nu is zoals hij wezen moet? Straks komen mijn gasten en ik wil graag dat ze de tuin vinden zoals de monniken die hem vroeger hebben aangelegd het bedoeld hadden.”
De meester knikte. “Ja”, zei hij, “je tuin is mooi maar er mankeert nog iets aan, als je me even over het hek wilt tillen en in je tuin neer· zetten dan zal ik je werk afmaken”.
De priester aarzelde want hij kende de meester zo langzamerhand en wist dat de oude man zonderlinge ideeën kon hebben. Hij kon echter niet weigeren, de wil van een meester is wet, en dal deze meester gepensioneerd was deed niet ter zake.

Toen hij de meester omzichtig in de tuin gezet had liep deze langzaam naar een boom toe die midden in een mooie rots- en mospartij groeide. Het was herfst en de bladeren zaten los. De meester hoefde alleen maar een beetje te schudden en de tuin lag weer vol met in ordeloze stramienen verspreide bladeren. “Nu is het goed”, zei de meester, “je kan me nu weer terugzetten”.

 

VandeWeetering

Janwillem van de Wetering (12 februari 1931 – 4 juli 2008)

In Memoriam Mies Bouhuys

In Memoriam Mies Bouhuys

De Nederlandse dichteres en schrijfster Mies Bouhuys is overleden.

Maria Albertha (“Mies”) Bouhuys werd geboren in Weesp op 10 januari 1927. Mies Bouhuys was bekend als scenario-, toneel- en kinderboekenschrijfster. Zij was gehuwd met de Nederlandse dichter en schrijver  Ed Hoornik. Ze werd opgeleid tot onderwijzeres, maar stond nooit voor de klas. In 1958 trad Bouhuys in dienst van de AVRO als regisseuse en schrijfster van kinderprogramma’s op tv. Ze was enkele jaren bestuurslid van de Vereniging voor Letterkundigen (VVL). Mies Bouhuys debuteerde in 1948 bij D.A. Daamen’s Uitgeversmaatschappij met de gedichtenbundel Ariadne op Naxos waarvoor zij de Reina Prinsen Geerligsprijs ontving. Hoewel ze ook daarna nog poëzie publiceerde, Blijven kijken (1971), werd ze vooral bekend door de vele boeken en versjes voor kinderen. In 1966 werd Kinderverhalen (Uitgeverij Holland) door het CPNB bekroond als Kinderboek van het jaar, de voorloper van de huidige Gouden Griffel. In 1982 publiceerde zij Anne Frank is niet van gisteren. In 2002 verscheen een bloemlezing uit haar kinderboekenwerk ter gelegenheid van haar 75e verjaardag, getiteld Voetje van de vloer, vijftig verhalen en versjes van toen en nu. Mies Bouhuys woonde in Amsterdam. Overigens was de schrijfster niet alleen bekend door haar (kinder)boeken, en musicals, maar ook door haar politieke engagement. Ze was onder meer betrokken bij de Dwaze Moeders in Argentinië.

Op reis

De kleine zwaluw kan niet slapen,
al doet hij ook zijn best,
al knijpt hij zijn twee oogjes dicht
hij woelt maar in het nest.

‘Vooruit, geen kik meer, nu is ’t uit,’
piept moeder zwaluw wijs,
‘want anders mag je morgen niet
mee op de grote reis!’

En denk je nu eens even in,
dat je een zwaluw bent,
die van de wereld enkel maar
één stukje weiland kent.

Opeens mag je dan mee op reis,
de zomer achterna;
als hier het natte weer begint,
ben jij in Afrika.

Gelukkig ga je niet alleen,
dat zou niet leuk zijn, nee.
Familie, vriendjes, kennissen,
wat zwaluw is, gaat mee.

Je snapt wel dat dat zwaluwtje
daar niet van slapen kan,
en àls hij eindlijk, eindlijk slaapt,
waar denk je, droomt hij van?

Bouhuys
Mies Bouhuys (10 januari 1927 – 30 juni 2008)

 

In memoriam Kees Fens

 

In memoriam Kees Fens

 

De Nederlandse literair criticus en essayist Kees Fens is zaterdag overleden.

 

Cornelis Walterus Antonius (Kees) Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929.Hij volgde zijn middelbare schoolopleiding aan het St. Ignatiuscollege in Amsterdam, waar hij in 1948 zijn A-diploma behaalde. Daarna volgde hij in de avonduren een studie Nederlands-MO. Tussen 1959 en 1982 werkte hij als leraar Nederlands, eerst aan het Triniteitslyceum in Haarlem, vanaf 1964 aan de Frederik Muller Academie in Amsterdam. In 1982 werd hij, als eerste niet-academicus, benoemd tot hoogleraar in de moderne letterkunde aan het instituut Nederlands van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Na zijn emeritaat in 1994 volgde nog een benoeming tot bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan diezelfde universiteit. In 2001 legde hij ook die functie neer. Tegelijkertijd schreef Fens literaire kritieken, vanaf 1955 voor het weekblad De Linie, van 1960 tot 1968 voor het dagblad De Tijd en van 1968 tot 1978 voor de Volkskrant. Voor die laatste krant is hij tot 2007 blijven schrijven, meest over literaire onderwerpen, hoewel hij er ook een tijdlang een sport-column voor verzorgde. Tussen 1976 en 1989, toen het blad ophield te bestaan, schreef Fens voor de Tijd een wekelijkse column onder het pseudoniem A.L. Boom. Samen met J.J. Oversteegen en H.U. Jessurun d’Oliveira richtte hij in 1962 het literair tijdschrift Merlyn op.

 

Uit: Het beslissende boek

 

Enkele weken later, zo herinner ik me, las ik in dezelfde bloemlezing stiekem een gedicht dat ik eigenlijk heel mooi vond en nog steeds een schitterend gedicht vind. Het is er een van Gezelle. Ik weet dat ik met het uitspreken van die naam al een bepaald beeld van mijzelf oproep, omdat allerlei kalenders deze dichter een totaal verkeerde gestalte hebben gegeven. Hij behoort tot de allergrootste die we ooit gehad hebben, en dat zeg ik niet om mijn oordeel te rechtvaardigen. Dat gedicht heet Winterstilte, en daarvan wist ik: dát is mijn wereld. Het gaat natuurlijk ook weer over sneeuw, zoals bij Nijhoff:

 

Winterstilte

 

Een witte spree

ligt overal

gespreid op ’s werelds akker;

geen mensche en is,

men zegge zou,

geen levend herte wakker.

 

Het vogelvolk,

verlegen en

verlaten, in de takken

des perebooms

te piepen hangt,

daar niets en is te pakken!

 

’t Is even stille

en stom, alhier

aldaar; en, ondertusschen,

en hoore ik maar

het kreunen meer,

en ’t kriepen, van de musschen.

 

Toen ik dat gelezen had, wist ik dat ik ooit van die Gezelle alles zou willen lezen. Ik ben ervan overtuigd dat de schok die ik toen kreeg, na de schok van nog een ander gedicht, alles te maken had met die leeservaringen van vroeger; ook weet ik zeker dat de ervaring met Winterstilte eveneens thuishoorde in dat domein, die halve cirkel, die ik al  voor mijzelf had uitgebouwd. De ervaring met het gedicht van Nijhoff kwam voor mij van buiten en was mij vreemd; de ervaring met Gezelle’s gedicht, daarentegen, was van vroeger, die was van mij en behoorde in die tweede cirkelhelft die mijn eerdere cirkelhelft completeerde.

 

fens

Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)

In Memoriam Adriaan Jaeggi

In memoriam Adriaan Jaeggi

De Nederlandse schrijver, dichter en columnist Adriaan Jaeggi is overleden.

jaeggi
Adriaan Jaeggi (3 april 1963 – 10 juni 2008)

 

   

Adriaan Jaeggi werd geboren op 3 april 1963 in Wassenaar. Hij studeerde Engelse taal- en letterkunde in Leiden. Tijdens zijn studie werkte hij o.a. als trombonist, duikinstructeur, vorkheftruckchauffeur en snackbarhouder. Vlak voor zijn afstuderen werd hij redacteur van Propria Cures. Na zijn afstuderen (met een scriptie over Amerikaanse zwarte muziek en zwarte literatuur) trad hij in 1995 als redacteur in dienst bij de Thomas Rap. In dat jaar publiceerde hij ook zijn eerste roman, De tol van de roem.  Na de dood van Thomas Rap in 1999 verhuisde hij met de inboedel mee naar uitgeverij De Bezige, waar hij tweeëneenhalf jaar werkte als redacteur. In 1999 verscheen zijn tweede roman, Held van beroep. Deze beleefde vijf drukken, werd genomineerd voor de longlist van de AKO- en de LIBRIS-prijs, bekroond met de literatuurprijs van de stad Roermond, in het Duits vertaald en door de pers in binnen- en buitenland geroemd om toon en stijl.  In 2002 verscheen zijn eerste officiële dichtbundel, Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten. Twee gedichten hieruit werden opgenomen in Gerrit Komrij’s befaamde bloemlezing. In januari 2005 werd hij benoemd tot eerste stadsdichter van Amsterdam. Jaeggi schreef als columnist voor De Groene Amsterdammer, de Volkskrant en Volkskrant magazine. In 2004 verscheen een verzameling van zijn columns onder de titel Luxeproblemen. In de Boekenweek van 2006 verscheen het autobiografische Tromboneliefde, dat na een maand herdrukt werd. Zijn derde roman, Edele dieren, is net verschenen.

 Ode aan een nachtegaal 

Ineens stopte hij met praten.
Hij bezat informatie die onschuldige levens kon redden
dus waren wij gedwongen nieuwe procedures
toe te passen. Na toepassing van de
nieuwe procedures begon hij te zingen.
Als een nachtegaal. Hij liep blauw aan
en werd zacht in het midden
conform de nieuwe procedures. 
 

Hij werd per vliegtuig vervoerd naar bondgenoten
die beschikken over de allernieuwste procedures.
Wij verwachten dat hij bij toepassing van de
nieuwste procedures zal blijven praten.
En praten. En praten.
 

Dit was onmogelijk geweest zonder jullie steun.

 

Zie ook mijn blog van 3 april 2008.

D. Hooijer wint Libris Literatuurprijs

 

De Nederlandse schrijfster D. Hooijer heeft de Libris literatuurprijs 2008 gekregen voor haar verhalenbundel “Sleur is een roofdier.”  Hooijer (eig. Kitty Ruys) werd geboren op 10 juni 1939 in Hilversum. Zij debuteerde in 2001 met de verhalenbundel ‘Kruik en kling’. Ook schrijft ze poëzie en ze tekent, zowel bij haar eigen werk als bij dat van anderen, zoals bij het verhaal ‘Opa Perenboom van Kreek Daey Ouwens’. In het najaar van 2004 verscheen haar tweede verhalenbundel:‘Zuidwester meningen’. Haar uitgeverij van Oorschot prijst het titelverhaal van de winnende bundel als volgt aan: “Altijd gedacht dat sleur synoniem is met saaiheid en stilstand? Een vergissing – sleur is een roofdier! Het ligt op de loer, bespringt je onverhoeds en scheurt de grootste liefde kapot met zijn scherpe tanden. In het titelverhaal van deze bundel van D. Hooijer is alles zoals het bij Hooijer altijd is: anders dan je zou denken. Anders dan gewoon. Hoofdpersoon Rolf trouwt er met Gwenn, hecht zich aan haar zoontje en ontdekt vervolgens dat Gwenn intieme brieven van haar ex ontvangt en met hem naar bed gaat om hem zogenaamd te leren hoe dat ook alweer moet. Bij Hooijer explodeert dan niet meteen het huwelijk, nee, eerst gaan de mannen samen eten, dan wordt er een lijst gemaakt met hoe de ex zich seksueel kan verbeteren en pas dán – springt de sleur alsnog uit zijn schuilhoek.”

 

 

Uit: ZUIDWESTER MENINGEN

 

“Ik win een negertje van wit aardewerk en daarna hetzelfde poppetje maar nu zwart. Zwarter zelfs dan ik.
‘Had ik nou geen hoofdprijs, alles raak,’ vraag ik aan het meisje.
‘Daar ga ik niet over, alles gaat electronisch.’
Voor de volgende drie keer raak geeft ze me een eekhoorntje van plastic met opgespoten pluche. Tien euro heb ik nog. Ik verdenk de meid van pesterij en dat maakt me link. Ik vraag haar dringend om de wolfachtige beer niet weg te geven. Die! Ik wijs op de vijfde in de rij. Ze knikt meer uit de hoogte dan geruststellend. Ik ga pinnen.
Weer goed stampend lopen naar de automaat. Opschieten. De flinke pas weer, daarna ga ik draven. Verdomd ik voel dat er iets zwaars uit mijn hoofd weg is.
Eerst wil ik mijn rekening leeghalen maar ik bedenk me dat ik nog twee weken door moet en geen pils en aardappelen in huis heb. Ik pin tweehonderd euro en draaf terug naar de schiettent met het mooie meisje. Van alle mooie meisjes is zij de lelijkste en van alle lelijke zou zij weer de mooiste zijn. Ze is dus doorsnee. Ze heeft wel heel mooie paarse natte lippen; nou ja alsof ze dood is, dat wel. Maar ze leeft en ze noemt me schat en kijkt me koud aan. Jammer dat ze me het beest niet geeft.

Moet ik me eerst waarmaken? Hoe moet dat, hoe waar ben ik, laat ik dat eens bedenken. Aardig ben ik, en niet lui maar niet helemaal aardig en niet helemaal lui. Zeg maar gerust dat ik ook doorsnee ben.
Omdat ik deze keer een recht geweer krijg terwijl ik net aan het kromme gewend was, moet ik weer inschieten. Daarna schiet ik een kwartier lang de sterren uit de hemel. Laat ik het beter zeggen. Ik schiet twee gele beren die me niet blij maken, ik schiet drie van die eekhoorntjes en een prachtig konijn alleen moet ik hem niet. De mensen blijven staan kijken want ik zet alle dieren aan mijn voeten. Elke keer vraag ik eerst om de wolf.
‘Geef die jongen toch die herdershond,’ roept een man.
‘Nee, waarom. Het gaat electronisch.
‘Gelul je hoeft alleen maar af te haken.’
Er komen meer mensen bij. Ik schiet en schiet, mijn bloed kookt. Al moet ik terug voor de rest van mijn uitkering, al moet ik een lening afsluiten, ik zal me door de pluchetroep heenschieten om de wolf te krijgen. Hij kijkt steeds verstandiger, hij kijkt of hij dit verwacht heeft, dit bloedig gevecht voor hij los mag. Mijn handen beginnen te trillen.
‘Ik moet even ontspannen. Hem niet weggeven hé?’
Ik geef het geweer terug.”

 

 

 

 

Hooijer
D. Hooijer (Hilversum, 10 juni 1939)

 

Zie ook voor de schrijvers van vandaag, 6 mei 2008, mijn vorige posting.

 

 

In Memoriam J.J. Voskuil

In Memoriam J.J. Voskuil

De Nederlandse schrijver Johannes Jacobus (Han) Voskuil is op 1 mei op 81-jarige leeftijd in zijn woning in Amsterdam overleden. Dat werd vandaag bekend gemaakt.

Uit: Bij nader inzien

“De hemel was stralend blauw geworden. Het water schitterde. “Natuurlijk heeft hij gelijk,” zei hij boos. “Waarom anders? Omdat ik gereformeerd ben soms?” Ze klemde haar kaken op elkaar en gaf een ruk aan zijn arm. “Omdat je niet wil!” zei ze, bijna zonder haar lippen van elkaar te doen. Hij haalde zijn schouders op. “En waarom wil ik niet? Omdat ik van zo’n meid moet kotsen?” Hij begon steeds harder en sneller te praten. “Omdat ik te geremd ben! En waarom ben ik te geremd? God weet het, maar ik ben het.” “Zak!” zei ze vol minachting. “Grote zak!” “Godverdomme!” viel hij boos uit. “Je begrijpt er niets van.” “Normaal vinden om met meiden naar bed te gaan, hè,” ging ze verder, zonder naar hem te luisteren. “Natuurlijk is dat normaal,” zei hij kwaad. “Wat denk je anders dat normaal is? Normaal is toch wat iedereen doet. Dacht je da er een primitieve idioot is die hier een woord van begrijpt.” “Te geremd, hè.” Ze lachte schamper. “Als er iemand abnormaal is, dan zijn wij dat,” overstemde hij haar. “Maar dat bén ik dan ook. Ik heb alleen geen zin om me erop voor te staan. Daar gaat het om.” “Als ze zich maar aanbieden,” zei ze. Hij stond met een ruk stil, pakte haar bij de schouder en boog zich naar haar toe. “Nou moet jij eens goed luisteren,” zei hij met zijn gezicht woedend bij het hare. “Als een meid zich aanbiedt, dan ben ik te geremd! Hoor je dat?” Ze kreeg iets angstigs in haar ogen en knipperde even, maar hield haar hoofd krampachtig op dezelfde plaats. “Te geremd! En dat denk ik omdat ik geremd ben! Begrijp je dat? Het is moeilijk, maar probeer het te volgen.” Hij schudde haar heen en weer. “Dat is essentieel, weet je! Als ik niet geremd zou zijn, dan zou ik weer een heel ander zijn. Begrijp je? En aangezien ik geen ander ben, ben ik geremd! Duidelijk? En dat kan me helemaal niets schelen dat ik geremd ben, integendeel, maar ik verdom het dan om te doen of ik het eigenlijk wel kan, maar niet wil. Ik kan niet! Dus ik wil niet! Punt!” Hij greep naar zijn achterzak en haalde zijn sleutels te voorschijn. “En hier heb je mijn sleutels en daarmee ga je maar in je eentje wandelen. Ik zal wel zien wanneer ik kom.” Hij wendde zich kwaad af, maar draaide zich onmiddellijk weer om. “Naar een meid!” zei hij kwaad en liep toen snel weg, linksaf de Magere Brug op, terwijl Nicolien zich resoluut omdraaide, zonder nog één keer om te kijken.”

VOSKUIL

J. J. Voskuil (1 juli 1926 – 1 mei 2008)

 

Zie ook het In Memoriam in de krant Trouw van vandaag.

Zie ook voor de schrijvers van vandaag, 5 mei 2008,  mijn vorige posting