De winnares van de Deutscher Buchpreis 2021 is Antje Rávic Strubel. Zij krijgt deze prijs voor haar roman “Blaue Frau”, het verhaal van een vrouw die na een verkrachting haar weg terug moet vinden in het denken en in de taal. De Duitse schrijfster Antje Rávic Strubel werd geboren op 12 april 1974 in Potsdam. Zie ook alle tags voor Antje Rávic Strubel op dit blog.
Uit: Blaue Frau
„Jede Nacht sind die Autos zu hören. Das Rauschen der Autos auf den dreispurigen Straßen und das Rascheln der Blätter am Vogelbeerbaum. Das sind die Geräusche. Sie dringen durch das Fenster herein, das einen Spaltbreit geöffnet ist. Das Meer hört man nicht. Die Ostsee, die im Süden liegt, jenseits der Plattenbauten, in einer Bucht mit verschilften Ufern, die im Winter schnell zufrieren wird. Peitschenlampen säumen die Wege. Nachts fällt ihr bleiches Licht auf den Bordstein und auf den Balkon der kleinen Wohnung, der zur Straße zeigt. Die metallenen Lampenschirme schwanken im Wind. Das Schlafzimmer zeigt zum Hof, wo es einen Spielplatz gibt, einen Verschlag für die Fahrräder und den Vogelbeerbaum. Die Wände der Wohnung sind weiß und leer bis auf den Spiegel im Flur. In der Küche hängen zwei Postkarten über der Spüle. Auf der einen Karte fahren gelbe Taxis durch eine Straßenschlucht in New York. Auf der anderen, einer Schwarzweißaufnahme, sitzen zwei Frauen in einem Pariser Straßencafé. Sie tragen Glockenhüte aus den zwanziger Jahren des letzten Jahrhunderts und elegante Röcke. Das sind die Bilder. Die Blumentöpfe im Metallregal auf dem Balkon sind unbenutzt. Spinnweben haben sich dort verbreitet. Die Spinnen leben noch. Es ist September. Am Horizont, wo Lagerhallen und ein riesiger Sendemast die Reihen der Plattenbauten begrenzen, türmen sich Wolkenberge auf. Der Sendemast ist der einzige Orientierungspunkt in den identischen Straßen. Niemand weiß, wo sie ist. Die Wanduhr zeigt halb drei. Das silberne Zifferblatt stellt den Weltatlas dar. Einen Sekundenzeiger gibt es nicht, nur ein kleines rotes Flugzeug, das die silberne Welt umrundet. Jede Weltumrundung dauert bloß eine Minute, und doch sieht es langsam, fast gemächlich aus. Ein Schatten fliegt unter dem Flugzeug mit und ist ihm manchmal ein kleines Stück voraus, je nachdem, wie der Lichteinfall ihn auf die glänzende Erde wirft. Sie könnte überall sein.“
Uit: Goat Mountain (Vertaald door Thijs van Nimwegen)
“Poederachtig stof vulde de lucht, kleurde de dag rood. Geur van dat stof en geur van dennen, geur van wolfsmelk. De truck een geleed wezen, de kop draaide los van het lichaam. Een scherpe bocht en ik viel er bijna vanaf. Ik knielde op een matras dat op de laadbak van de truck gebonden zat, alle kampeerspullen eronder. Het noorden van Californië, 1978. Hield me vast als we slingerden en draaiden, zelfs in de ochtend was het metaal heet. Haarspeldbochten de berg op. Ik had een schoenendoos vol stenen, en op de rechte stukken weg pakte ik een steen en smeet die naar een langskomende boom. De worp, de draai, de steen opzij gesmeten, een ronkend geluid, hij wentelde en sneed door de zware lucht maar werd door de vaart van de wagen naar voren geduwd. Uit koers geduwd, in een boog, onbedoeld ver naar voren gevlogen. Die boog kon ik al aanvoelen, ik anticipeerde erop, mikte een eind achter het doel. Steeds als er een steen in vlees hakte stompte ik met een vuist in de lucht. De harde klap boven het gegrom van de motor uit, misschien zelfs een glimp van losgerukte bast. De hemel zakte verder omlaag, de dag werd warmer, de lucht werd twee keer zo dik, vier keer zo dik, stuwde de geur uit alle dingen op. Metaal, uitlaatgas, olie, stof, onkruid, dennen, en nu een lang stuk droog, geel gras, een vallei met suikerdennen, een vallei die betekende dat we op nieuw terrein waren, weg van het meer. Iedere herfst weer deze jacht, iedere herfst deze terugkeer. We stopten in Bartlett Hot Springs. Aan de kant van de weg, in de kortstondige schemering van ons eigen stof, wachtte mijn vader niet tot de lucht klaarde, hij deed zijn portier meteen open, stapte uit, een lange magere schaduw; hing zijn geweer om zijn schouder. Mijn vader scherp afgetekend, lichtend, zelfs in de schaduw, een ding apart van de rest van de aarde, meer dan aanwezig. Nu liep hij weg, het pad op naar de bronnen. Aan de andere kant van de cabine stapte eerst mijn grootvader uit, die de citroenen droeg, en daarna Tom, de beste vriend van mijn vader, die in het midden geperst had gezeten, al in mijn vroegste herinnering was hij erbij, hij was zo goed als familie. Hij droeg een bril die spiegelde toen hij opkeek, zelfs in deze stoffige vergetelheid. We zijn er, zei hij. Ik sprong aan de kant van mijn vader van de truck. Ik stak een arm in de cabine, achter de stoel, om mijn eigen geweer te pakken, een .30-.30 Winston hefboom-karabijn met korrel, koud metaal, nog niet opgewarmd door de dag. Geen schouderriem, dus droeg ik hem in mijn hand terwijl ik naar de bronnen liep. Zo was het altijd geweest en zou het altijd zijn, dacht ik, op stap met dit geweer laag in mijn rechterhand, de loop een beetje naar beneden. Een wijzer die uitsloeg, dat geweer, op het kantelen van de planeet, hij duwde me voort.”
De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.
VENKEL
knollen voor een groentewinkel in de winter – als bleke harten, zei jij, opeengedrongen in een kist, warmte zoekend – zodat wij
hen met ons meenamen en naar huis droegen, waar vuur in de haard aangestoken was, waar kaarsen op de tafel aangestoken waren,
en hen hielpen uit hun dunne huid, de stronken kapten, de trillende bladeren wegnamen en hen tot fijne witte vlokken hakten,
wachtend, tot het water kookte, de ruit blind was door damp.
Vertaald door Monique de Waal
Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)
Onafhankelijk van geboortedata
De Sri Lankaanse schrijver Shehan Karunatilaka werd geboren in 1975 inGalle in Zuid-Sri Lanka. Zijn debuutroman uit 2010 “Chinaman: The Legend of Pradeep Mathew” won de Commonwealth Prize, de DSC Prize, de Gratiaen Prize en werd door Wisden uitgeroepen tot het op één na beste cricketboek aller tijden. Karunatilaka groeide op in Colombo, studeerde in Nieuw-Zeeland en woonde en werkte in Londen, Amsterdam en Singapore. Voordat hij in 2010 zijn debuutroman publiceerde, werkte hij in de reclamewereld bij McCann, Iris en BBDO, en schreef hij ook films voor The Guardian, Newsweek, Rolling Stone, GQ, National Geographic, Conde Nast, Wisden, The Cricketer en de Economic Times. Hij speelde bas met Sri Lankaanse rockbands Independent Square en Powercut Circus en de Brass Monkey Band. Hij werd opgeleid bij S. Thomas’ Preparatory School, Kollupitiya, Sri Lanka, Whanganui Collegiate School en Massey University, Palmerston North (waar hij Engelse literatuur studeerde, evenals bedrijfskunde). Zijn tweede roman “The Seven Moons of Maali Almeida” (Sort of Books, 2022) werd op 17 oktober 2022 uitgeroepen tot winnaar van de Booker Prize 2022.
Uit: Chats with theDead
“This started ages ago, a thousand centuries ago, but let’s start with last Tuesday. It’s a day you wake up hungover and empty of thought. Isn’t that most days? Funny. You wake up in an endless waiting room. You look around and it’s a dream and, for once, you know it’s a dream and you’re happy to wait it out. All things pass, especially dreams. You are in a queue, shouting at a woman behind a mahogany counter, which is not unusual. You’ve been furious at women behind counters before, who hasn’t? Most Lankans are silent seethers, but you are one loud complainer. ‘Not saying your fault. Not saying my fault. But mistakes happen, no? Especially in government offices. What to do?’ ‘This is not a government office.’ ‘I don’t care, aunty. I’m just saying, I can’t be here, I have photos to take. I have friends to look after.’ ‘I am not your aunty.’ The woman behind the counter looks upon you with neither interest nor scorn. She wears what looks like a chef’s jacket, though this corridor looks more like a hospital than a kitchen. If you were a betting man, which you are, you’d take 5/8 on this being a railway station. ‘I have two babas,’ cries a young girl. ‘How can they be without their amma?’ You realize you’re not the only one complaining. You are surrounded by a swarm of people, each shouting at the woman in white. Most are old, a few look your age, many are younger. You try again. ‘This is a big mistake. I don’t eat meat. I smoke less than five a day.’ The woman is familiar to you, as perhaps your lies are to her. For a moment, it feels like you are all there is. Especially when she speaks. ‘Aiyo, listen please. Every excuse we have heard. No one wants to go, not even the suicides. I was shot in the throat. My daughters were eight and ten. What to do? Please be patient and wait your turn. We are serving as fast as we can.’ You understand nought of what she is saying. So, you try again. ‘Up north, Tigers are killing army, civilians, even their own people. Indian peacekeepers are starting wars. Down south, JVP Commies are killing rich and poor. Government is murdering the murderers, and killing non-murderers as well. Must be busy these days. I fully understand.’
De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook alle tags voor Kees Fens op dit blog.
Uit: Wilhelmus Jozef Maria Bronzwaer Heerlen 15 mei 1936 – Nijmegen 20 januari 1999
“Hij kende de praktijk van de literaire kritiek – Vormen van imitatie is eruit voortgekomen. Vanaf 1962 – hij was nog maar een jaar afgestudeerd met een scriptie over Joseph Conrad en was nog maar net wetenschappelijk medewerker geworden aan het instituut Engels-Amerikaans van de Nijmeegse universiteit (tussen 1958 en 1962 was hij leraar Engels aan het R.K. Lyceum Onze Lieve Vrouw ter Eem in Amersfoort) – tot 1968 schreef hij met grote regelmaat kritieken over Engelse en Amerikaanse literatuur in het dagblad De Tijd. Hij hoorde ineens tot de mensen ‘die er ook moeten zijn’, zoals van academische hoogte eens over critici gezegd is, de straatvegers van de wetenschappelijke wereld dus. Het meest verwonderlijke, verbijsterende misschien zelfs, was dat Bronzwaer, toen nog maar zesentwintig jaar, vanaf het eerste stuk het kritisch métier volmaakt beheerste. Hij voldeed aan wat misschien de zwaarste eis ervan is: een hoog gemiddelde. Ik was in die tijd zelf als medewerker aan De Tijd verbonden en ben van die wonderlijke ontplooiing van dichtbij getuige geweest. De uitzonderlijke kwaliteit van zijn bijdragen laat zich aflezen uit Vormen van imitatie, dat zijn krantenwerk als grondslag heeft. Die kwaliteit is natuurlijk te verklaren uit begaafdheid, belezenheid, een groot gemak in helder formuleren en een zeer grote werksnelheid. Maar er ligt nog een kwaliteit achter: graagte. En die moet zijn voortgekomen uit zijn ontdekking van de vrijheid. De krant was en bleef tot in zijn laatste levensjaar zijn vrije ruimte. Die is meer dan de halve pagina die hij in De Tijd tweewekelijks vulde: het is vooral, paradoxaal gezegd, de geestelijke ruimte van de beperking. Die betekent ook de vrijheid van het volgen van de impuls. Maar misschien toch vooral het geluk van de onmiddellijkheid. Je leest en je schrijft. In het grote plezier waarmee Bronzwaer in de krant – en dat betekent voor de latere jaren De Volkskrant – over literatuur, later ook over muziek heeft geschreven, laat zich de gymnasiale ontdekker van de literatuur vermoeden, de persoonlijke lezer zo men wil. Die is nooit uit hem verdwenen. Vanaf 1968 werd zijn medewerking incidenteel. Hij moest zijn proefschrift schrijven. Op Tense in the Novel promoveerde hij in 1970 bij de hoogleraren G. Storms, de opvolger van Visser, en Birrell. In de laudatio, die door de eerste werd gehouden, klonken vaderlijke gevoelens door om een verloren geachte zoon, die zoveel jaren zwijnen had gehoed in een dagblad. Misschien verried Storms wel iets van een algemeen gevoelen. De academische week telt zeven dagen; een vrije ruimte is er niet, geen vrije dag dus ook, laat staan de notie dat die vrije dag de belangrijkste is, de meest wezenlijke ook. Voorlopig leek Bronzwaer voor de volle week te kiezen: zijn publicaties uit de jaren zeventig kunnen het bewijzen en uiteraard vooral zijn benoeming in 1974 tot hoogleraar Algemene literatuurwetenschap. Hij werd en bleef een voorbeeldig academicus. Hij heeft de algemene literatuurwetenschap in Nijmegen gestalte gegeven, was bij talloze activiteiten van de letterenfaculteit betrokken, was drie jaar decaan en vervulde binnen de verschillende afdelingen van de letterenstudie een spilfunctie. Vooral in de laatste jaren werd hij vaak haast vanzelfsprekend geraadpleegd wegens de wijsheid van zijn afgewogen oordeel.”
Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)
De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.
SLUIPGEER (ZEVENBLAD)
niet te onderschatten: de sluip- geer, met de begeerte al in de naam, daarom de bloemen die zo zwevend wit zijn, kuis als een tirannendroom.
komt steeds terug als een oude schuld, kruit door het duister zijn smokkelwaar onder het gras door, onder het veld, totdat een nieuwe witte verzetshaard
ergens weer opduikt. achter het tuinhuis, bij de struiken, tussen de kruiden: sluipgeer als bruisen zonder geluid,
dat schuimend opspuit, langs puien omhoogkruipt, totdat sluipgeer alle ruimte gebruikt om uit te spruiten, tot overal sluipgeer over sluipgeer schuift, de tuin verslindt met uitsluitend sluipgeer.
Drie eilanden staan aan de horizon, Als ’t niet zeer nevelt. Jongens komen kijken, Wanneer de postboot keert, die langs de dijk een Rookpluim doet strijken, licht-bruin voor de zon.
De winter duurt hier lang; het spaarzaam groen Bevat een stillen winter in zijn takken. En in de binnentuintjes, kalme vlakken, Zou zelfs geen moordenaar een moord gaan doen.
Het drievuldig plaveisel, gele klinkers, Gekleurde keien, blauwe, bolle stenen: Zij dragen jaren reeds dezelfde benen,
Want ’s avonds, in hun pas van stille drinkers, Slenteren mannen rokend naar het dok – De haven langs – en weer terug naar ’t dok.
September
O koel getij, de maagd is u gewijd, Maar gij zijt maagd’lijk als een lappendeken: Verschoten, opgesierd en nooit gevrijd; Want nu is wel de laatste kans verkeken
Voor oude vrijsters, die in de avondtijd Voor buurbezoek de dorpsweg oversteken, De opgenomen rok om ’t been gevlijd En om de maag’re heupen gladgestreken.
Een moede maand, een wachtend land; de koeien Staan ’s avonds in het zilv’ren nevellicht, En al het werk op de akker is verricht.
Men ziet geen boom in bloei, geen vlinder stoeien, En waar de oogst tot schoven is gestoeld Is alles zwijgzaam en reeds afgekoeld.
April
De eerste knoppen zijn al voorbereid: Zij zwellen zoals ook de meisjes zwellen Van weelde na die lange wintertijd Dat ’t hart zich nog niet open wilde stellen
Straks zal hen wel een jonkman vergezellen; En ’t groeit heel snel, om ’t even of men vrijt Of dat men niet vrijt, – niets is te voorspellen, Geen knop die ooit zijn zondeval belijdt!
Liefde doet wat zij wil: de smalle dijken, De wegen en het eenzaam heidepad, Zij staan vol knop tegen de avondval.
En zelfs de stad – die men vaak onderschat – Zoemt van het vrijend volk, dat neer gaat strijken En zwelt en breekt dat het hen heugen zal!
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)
De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.
botanische tuin
bezig, de woorden tot jou te wegen- de paren zwijgend op aangeharkte paden, de bedden met loof bedekt, de bomen kaal, de bloemen aan de hekken smeedijzer koel, het licht aristocratisch bleek als was – zag ik op de heuvel van glas de broei- kas, zijn witte ribben, fin de siècle, en dacht meteen aan die walvisskeletten waarvoor je als kind je nek verrekte in de musea, aan onzichtbare draden, dat ze leken te zweven, opgehangen, aan die monsters, toe gezwommen uit oertijddiepten naar een strook kust, gestikt door hun eigen gewicht.
Bevor die grünen Dotter welken – die Hennen brüten einen frühen Herbst -, jetzt gleich, bevor die Scherenschleifer den Mond mit hartem Daumen prüfen, der Sommer hängt noch an drei Fäden, den Frost verschließt ein Medaillon, noch eh der Schmuck, verwandt dem Regen, wandert, noch eh die Hälse nackt, vom Nebel halb begriffen, bevor die Feuerwehr die Astern löscht und Spinnen in die Gläser fallen, um so der Zugluft zu entgehen, vorher, bevor wir uns verkleiden, in ärmliche Romane wickeln, laßt uns noch grüne Bohnen brechen. Mit gelben Birnen, einer Nelke, mit Hammelfleisch laßt uns die grünen Bohnen, mit schwarzer Nelke und mit gelben Birnen, so wollen wir die grünen Bohnen essen, mit Hammelfleisch, mit Nelke und mit Birnen.
KINDERLIED
Wer lacht hier, hat gelacht? Hier hat sich’s ausgelacht. Wer hier lacht, macht Verdacht, daß er aus Gründen lacht.
Wer weint hier, hat geweint? Hier wird nicht mehr geweint. Wer hier weint, der auch meint, daß er aus Gründen weint.
Wer spricht hier, spricht und schweigt? Wer schweigt, wird angezeigt. Wer hier spricht, hat verschwiegen, wo seine Gründe liegen.
Wer spielt hier, spielt im Sand? Wer spielt, muß an die Wand, hat sich beim Spiel die Hand gründlich verspielt, verbrannt.
Wer stirbt hier, ist gestorben? Wer stirbt, ist abgeworben. Wer hier stirbt, unverdorben, ist ohne Grund verstorben.
MEINE ALTE OLIVETTI
ist Zeuge, wie fleißig ich lüge und von Fassung zu Fassung der Wahrheit um einen Tippfehler näher bin.
BONEN EN PEREN
Voordat de groene dooiers verwelken broeden de kippen op een vroege herfst -, nu meteen, voordat de scharenslijpers de maan met een harde duim controleren, de zomer hangt nog aan drie draden, een medaillon schroeit de vorst dicht, nog voordat de sieraden, familie van de regen, zich verplaatsen, nog voordat de halzen bloot, half gegrepen door de mist, voordat de brandweer de asters blust en spinnen in de glazen vallen, om aan de tocht te ontsnappen, daarvoor, voordat we ons verkleden, in armmoedige romans wikkelen, laten we sperziebonen breken. Met gele peren, een kruidnagel, met schapenvlees laten we de sperziebonen, met zwarte kruidnagel en met gele peren, zo willen we de sperziebonen eten, met schapenvlees, met kruidnagel en met peren.
“Achter in de schemerige gang lag een dode man, bewaakt door een naakte vrouw, die op knieën en ellebogen razendsnel heen en weer kroop. Grommend met ontblote tanden – alsof ze het lijk wilde beschermen tegen onverwachte indringers. Haar rechtmatige prooi. De voordeur was tegen de muur geslagen, en voor mijn voeten lag nu een rechthoek van zonlicht waarbinnen zich mijn schaduw aftekende. De vrouw knipperde met haar ogen, wat in tegenspraak leek met haar verder zo vervaarlijke aanblik. Ze deed met geheven hand een uitval in mijn richting tot ongeveer halverwege de gangloper, en maakte toen, misschien verdreven door het felle licht, rechtsomkeert – op het lijk af, nog steeds kruipend, waarbij ze over haar schouder naar me bleef kijken. Slijmdraden lekten uit haar mondhoeken en trilden aan haar kin. ‘Rustig maar,’ riep ik. ‘We zijn hier om je te helpen.’ Ik zette een stap over de drempel en de kokosmat, waarna de vrouw een soort luchtsprongetje van schrik maakte en een golf urine verloor, die half tegen de muur en voor de andere helft in het stof naast de loper terechtkwam. Ze nam haar positie pal voor de dode weer in, gezicht naar mij toe, halsspieren gespannen, zwaaiend met haar bovenlijf. De handen maakten pas op de plaats, bonzend op de planken vloer. Ik deed een paar stappen dieper de gang in. ‘Voorzichtig aan, Zwanet,’ klonk achter me de stem van mijn collega, die op het trottoir stond. ‘Laat mij anders even.’ ‘Ze is banger voor mij dan ik voor haar, Ron.’ ‘Maar toch,’ zei Ron. Hij stapte het granieten stoepje op, waarvan de plaat los lag, zodat het dreunende geluid de vrouw nog meer deed terugdeinzen. Achterwaarts kruipend stootte ze tegen het lichaam. Het lag op z’n rug, geheel gekleed, behalve dat de pantalon samen met de onderbroek tot halverwege de bovenbenen omlaag was geschoven. Ook toen mijn ogen nog aan het halfduister moesten wennen, had ik meteen al gezien dat de man was overleden. Mijn collega’s van de GG&GD hadden het altijd over ‘een bepaalde grijsheid van het gezicht’ waaruit ze de dood afleidden. Deze gestorvene had eerder een stoffige beige teint. En trouwens, al bedroog mijn zicht me misschien in het halfdonker, mijn reuk was er ook nog. Niet voor niets hadden de buren in de Retiefstraat geklaagd over ‘lijkenlucht’. ‘Op z’n minst een kapotte rioolpijp.’ ‘Vertel me dan in ieder geval,’ zei Ron, ‘wat je daar aantreft. Ik kan niks zien… je staat als een blok voor me.’
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)
De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Katha Pollit op dit blog.
EEN DICHTER VAN ONS KLIMAAT
De vergulde en grandioze weelde van de geschiedenis minachtte hij vanaf het begin, die met roze en goud verlichte wolk die zichzelf voortdurend boven het hoofd beukte tot nieuwe namaak-knikkers, onechte monumenten – en de geur van geschiedenis: pioenen en loopgraven.
Waarheid had geen verleden. Zij was woordeloos als water, een vallen van schaduw op steen. Hoe hij ernaar verlangde de stilte te benaderen, om zichzelf te zien verdwijnen in de kalme uitgestrektheid van sneeuw in Ohio. Op een dag zou hij dat doen. Intussen hield hij zijn regels kort en zijn vocabulaire klein.
Ik wil geen cultureel ondernemer zijn en roep vanaf de koude steen dat ik liefde wil. Ik ben zzp’er. Ik wil liefde en een vrije kunst. Er zit geld in gedichten en ik wil geld om halve liters te kopen, want ik ben saai en verslaafd aan bier. Dat is een saaie verslaving. In een tunnel stel ik me voor dat alle wegen ondergronds zijn. Geen masochisme in romans meer of tv-series over zwijgzame, beschadigde mannen. Ik praat tegen je. Vanaf de koude steen praat ik tegen je. Ergens wordt een wil gebroken. Çağlar Köseoğlu op de koude steen. Ik hou van Çağlar en ik hou van Léjon Saarloos. Léjon Saarloos op de koude steen. Hannah van Binsbergen en Matthijs Ponte op de koude steen. Op de koude steen zitten is strafwerk. Je kunt een doodsmak maken op de koude steen. Ik zou een illegale poëziebijeenkomst willen organiseren, maar omdat het opstandige en geheime gefetisjeerd worden door cultuurproducenten, heb ik er geen zin in. Ik ben niet gekomen om een warme steen te brengen. Het licht wordt smeriger, het handschrift obsessiever. Arno Van Vlierberghe en Mathijs Tratsaert op de koude steen. Bert van der Beek op de koude steen. Op de koude steen zitten is liefdewerk. Op de koude steen zitten is een dom kunstwerk. Ik geloof in herhaling en ruik de stille adem van de catastrofe. Max Czollek danste op techno, maakte techno en dacht iets te zien. Een andere samenleving (nu bouwt hij drukkamers). Mina Pam Dick op de koude steen. Vanaf de koude steen praat ik tegen jullie. Alle poëzie is burgerlijk, alle gemeenplaatsen zijn van ons. Kom naar me toe! Mijn huisdieren zullen sterven en ik zal bij ze liggen in de grond. Alle cultuur zal verdwijnen en ik leef in Utrecht, zoek naar werk en eet dingen op.
Maarten van der Graaff (Dirksland, 14 oktober 1987)
De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Katha Pollit op dit blog.
Vijf november, Riverside Drive
De lucht een schok, de ginkgo’s gele koorts, Ik breng de dag door met wandelen. November, en nog steeds verblindt licht de grote erkers op West End Avenue, het park bruist van licht als een kom en op de rivier trilt een zeilboot als een wit blad in de wind.
Wat een achttiende-eeuws schilderij, dit keurig verstrijken van het jaar: de zon verwarmt nog steeds de versleten marmeren portieken en met krullen verfraaide paviljoens waar een oude man, zwart gejaste verschijning van Voltaire, klapwiekt op zijn aangeboren. ‘Heldere lucht, heldere geest’ -alsof hij de duisternis kon overtreffen door als een zwerm kraaien naar huis te zwieren.
“In white, at dusk, on the final day of all that he had known to be his life, Eddie Blackwell left Eugenia sleeping in a ball of naked flesh and made two strides across the planking to the open door. He was broad-shouldered and compact with wavy, center-parted hair, and there was something in the way he slightly hunched and kept his pelvis taut that marked him as the kind of man who’d taken drinks in places where the patrons settled arguments by dropping in a crouch. He was long-faced, with tight skin, and if you saw him in a quarter pose, even if your view was just a glance, you’d note the angle of his cheeks, the way they jutted then descended in a scoop along his jaw, how they tapered thinly from his eyes toward his ears as if they were designed to swim. Eddie Blackwell’s hut was built on stilts on marshy ground with pilings driven deeply in a natural bank of mud and sand along the sloping crescent where the River Janga made its final curve before it poured into the belly of a dark lagoon—a mangled mass of mangrove roots and hidden channels with a secret opening to the minty waters of the Caribbean Sea. In the shadow of the mangroves, Eddie, an American who’d lived in the West Indies for the most fulfilling years of his chaotic life, could see a buzz of trembling lights. An armada of canoes had come together overnight, and he could see now in the water right below him pink and yellow petals from the flowers that the people of New Lagos had released into the stream. On the other bank, a little string of boats constructed from banana leaves were tangled in the reeds. A light emerged out of the pulsing mass of brightness and began to shimmer up the stream toward him. And, living as he did before the camera was a common object, he built a book of memories in his mind. In deep focus, he looked east across the marsh toward the hills, which in the lifting darkness had begun to show their edges in the bluish-gray collage of earth and sky. Dark and undulating, they approached from either side, a gentle rise and fall that gathered force, congealing in the cratered cone of Mt. Diablo, the volcano that had caused implosions in his life. Eugenia wasn’t sleeping. This he knew. And as he thought again about the multistranded knotting of her complicated love, he panned now to the north. From his elevation he could see the marshland merging with repeated frames of cattle farms and cane.”
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)
De Indiase dichter, schrijver, librettist en muzikant Jeet Thayil werd geboren op 13 oktober 1959 in Kerala. Zie ook alle tags voor Jeet Thavil op dit blog.
Aan Baudelaire
Ik ben eindelijk over je heen, in Mexico-Stad, in een witte ruimte hoog boven de straat, mijn handen stil, de muren onbeweeglijk. Het is hier warm, veilig en zelfs in de winter is de regen goedaardig. Op sommige morgens zet ik de geluiden van het plein – een fruitverkoper, een jongensacrobaat, een vrouw die onmogelijke ficties verkoopt – op een hoop in een hoek van de kamer. Ik zeg niet dat ik gelukkig ben, maar ik ben gezond en mijn geld is van mij. Soms als ik op de markt loop, langs de kippen en de varkensrook, denk ik aan jou – je opschepperij en wolvenhart, je haar van Bonaparte en ogen van Poe. ik mis je niet. Ik mis je niet wanneer ik een raam open en licht de kamer vult als water dat in een papieren beker stroomt, of als ik de witte jurk van een vrouw zie glanzen als nieuwe munten en ik weet dat ik mijn voeten zou kunnen volgen naar de rivier en mijn leven weg laten gaan van mij. Op momenten als deze, als ik mezelf betrap terwijl ik tegen je praat, ben ik altijd verbaasd over de woorden die ik hoor van spijt en stomme jongensachtige toewijding.
De Britse dichter Michael Symmons Roberts werd geboren op 13 oktober 1963 in Preston, Lancashire. Symmons Roberts bracht zijn jeugd door in Lancashire voordat hij begin jaren ’70 met zijn gezin naar het zuiden verhuisde naar Newbury in Berkshire. Hij ging naar de middelbare school in Newbury en vervolgens naar Regent’s Park College, Oxford om filosofie en theologie te studeren. Na zijn afstuderen volgde hij een opleiding tot krantenjournalist voordat hij in 1989 als radiomaker bij de BBC in Cardiff in dienst trad. Hij verhuisde met de BBC naar Londen en vervolgens naar Manchester, waar hij aanvankelijk bij de radio en daarna als documentairemaker werkte. Zijn laatste baan bij het bedrijf was als Executive Producer en Head of Development voor BBC Religion and Ethics, voordat hij de BBC verliet om zich op schrijven te concentreren. Voor zijn vierde dichtbundel, “Corpus”, ontving hij Whitbread Poëzieprijs 2004. Zijn zesde bundel, “Drysalter”, won in 2013 de Forward Prize en de Costa Poetry Award, en stond op de shortlist voor de TS Eliot Prize. Daarnaast kreeg hij nog diverse andere prijzen en onderscheidingen. Zijn voortdurende samenwerking met componist James MacMillan heeft geleid tot twee BBC Proms-kooropdrachten, liedcycli, muziektheaterwerken en een nieuwe opera voor de Welsh National Opera, The Sacrifice, die in 2008 de Royal Philharmonic Society Award won. Zijn eerste roman, “Patrick’s Alphabet”, werd in 2006 gepubliceerd door Jonathan Cape en zijn tweede, Breath, in 2008. Hij is hoogleraar poëzie aan de Manchester Metropolitan University en een trustee van de Arvon Foundation.
Mapping the Genome
Geneticist as driver, down the gene codes in, let’s say, a topless coupe and you keep expecting bends,
real tyre-testers on tight mountain passes, but instead it’s dead straight, highway as runway,
helix unravelled as vista, as vanishing point. Keep your foot down. This is a finite desert.
You move too fast to read it, the order of the rocks, the cacti, roadside weeds, a blur to you.
Every hour or so, you pass a shack which passes for a motel here: tidy faded rooms with TVs on
for company, the owner pacing out his empty parking lot. And after each motel you hit a sandstorm
thick as fog, but agony. Somewhere out there are remnants of our evolution, genes for how
to fly south, sense a storm, hunt at night, how to harden your flesh into hide or scales.
These are the miles of dead code. Every desert has them. You are on a mission to discover
why the human heart still slows when divers break the surface, why mermaids still swim in our dreams.
Fox In A Man Suit
Masked, gloved, brush tucked flat against her back, faint with heat
this vixen is silent at soirees, attentive to talk of defence, the public purse.
Emissary from the wild woods, agent from the other side, she shakes her head
at wine, at canapés, she gags on human stench, their meat and sweat.
When taxis come, she slips through kitchens, drops to all fours (still in black tie),
sprints along the back streets like a feral duke until she meets the edgelands
where – rubbed on the shuck of a tree – her man-skin peels off
like a calyx and the sleek red flower unfurls. Tongue drinks in the cold,
nose down in leaf mould, deep rush and tow of attachment, of instinct. I, the only witness,
take this for a resurrection (body sloughed and after-life as fox-soul), so I watch
in awe and slow my breath until she catches sight and howls and howls.
Michael Symmons Roberts (Preston, 13 oktober 1963)
Dit is mijn enige volstrekte daad: dat ik geboren ben. Waarbij ik ongetwijfeld schreeuwde als vermoord; zoals het hoort. Nadien gaf men mij namen. Of ik alsnog dingen deed sindsdien door eigen toedoen, is mij niet duidelijk. Ik weet: ik leef: dit is van mij. Zodoende heb ik leren zwijgen. Ik kan zelfs zwijgen als ik spreek. Ik ben niet eens meer in mijn eigen woorden als ze je bereiken.
Het is geen gein: Ik ben niet hier. Er is van bij ’t begin dit grandioos misverstand. Zeg mij zijn zin. Ik wacht nog steeds op het appèl waarop ik mij aanwezig meld. En schrijf, in afwachting, wijl ik verblijf ondergetekende, met alle achting.
Ars Poetica
Zo lokt een zoemtoon ook de dar. En raakt de radar in de war, ik weet op verre lippen woorden besterven terwijl ik verstar.
1 Noem mijn muze koel. Zij denkt haar schone voorhoofd in één
rimpel. Hoe nadrukkelijk grift het denken in dat gladde vel!
Zij lijkt soms geheel afwezig. Geen steek te zien. Geen woord
te horen. O mijn muze, blinde, dove gedachte die zingen wil!
2 Warm en koud speelt ze, spelt een alweer wijkende zin, brandt
haar vingers aan betekenis, klinkt ze eraan vast – zo hecht als
wijze bijen aan hun koningin. Mede klink ik, in haar zwerm-
cel gevangen, en dan komt het loze lezertje dat honing wil.
De adolescente nacht, het zuchtje wind van de stad, Verandaschommels en gefluister, esdoornbladeren die onzichtbaar Maanlicht stiller verspreiden dan een dode man Na het lied van de sprinkhaan. Deze huizen waren van mij En zijn het nu voor altijd niet, deze op de trappen Kinderen, denk ik, zijn naar veel plaatsen verhuisd, Verloren tussen stille jaren, en zo vreemd bekend.
Deze zaak is goed beëindigd. Als in het donker De vuurvlieg oplichtte en daarin weer wegzonk, Hoewel iemands hand hem opving, het natte gras Bood geen rustplaats meer. Vanuit hoeken van het gazon Wapperen de schemer-witte jurken en zijn verleden tijd. Voordat we naar bed gingen, waren er dingen te zeggen, Herinneringen aan boomschors, krekels en de eerste ster…
Daarna, en toen de somberheid van de tijd Van de zomer af verstreek, Hier in een vreemd land, Schiep ik mijn perfecte angsten en bloem van gedachten: Omdat de slaap niet langer snel komt in de armen van smart, Zijn herhalingsbezoeken handig bij een hoest, En er is iets dat ik nog een keer zou zeggen- Als ik het niet voor altijd had gezegd, als er tijd was.
Vertaald door Frans Roumen
Robert Fitzgerald (12 oktober 1910 – 16 januari 1985)