Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!
De aanbidding door de herders door Guido Reni, 1642
De kerstboom
De kaarsen branden tusschen mandarijnen, Sneeuwsterren, speelgoed en gekleurde noten. De kind’ren zingen, en de dauw der groote Oogen beweegt en blinkt in ’t trillend schijnen.
Hoor hoe ze zingen: ‘Nu zijt wellekome’ – ‘k Voel moeders hand weer die de mijne houdt, En huiver bij den geur van ’t schroeiend hout Als toen ik zong: ‘Gij zijt van ver gekomen -’
En daar staat weer de stal van Bethlehem, Sneeuw op het dak en licht door roode ramen! – – Moeder, wij waren veel te lang niet samen, – Ik heb het lied vergeten met uw stem.
Zij strijkt weer door mijn haar en zegt: ‘Ach jongen, Elk jaar dat jij er niet bent bij geweest, Meende ik je stem te hooren, hier op ’t feest, Vlak naast me en weenend als de kind’ren zongen.
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953) Kerstsfeer in Den Haag, de geboorteplaats van Martinus Nijhoff
Bomen dragen ronde vruchten, sparren siert een lichtjeskrans. Vlokken tuimelen in het dichte takkenwerk der mooi verlichte bomen, dansen er een rondedans.
Mensen haasten zich in lange rijen Vakmanschap naast snuisterijen. Feestlantaarns aan de wanden, Glanzend suikerwerk en lekkernijen stralen als door toverhanden.
Kerstmarkten alom ingericht, mensenmassa’s zonder overzicht, maar behorend tot die oorden, waar de zware ernst van woorden ten onder gaat in ‘t warme licht.
Vertaald door Frans Roumen
Ingo Baumgartner (24 december 1944 – 16 juli 2015)
De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Bly werd geboren op 23 december 1926 in Madison, Minnesota. Zie ook alle tags voor Robert Bly op dit blog.
BRAHMS
It must be that my early friendship with defeat Has given me affection for the month of August. The potato fields belong to early night.
So many times as a boy I sat in the dirt Among dry cornstalks that gave assurances Every hour that Francis had his ear to the night.
Columbus’s letters tell us that we will receive The gifts that mariners all receive at the end— Memories of gold and a grave in the sand.
The shadow of a friend’s hand gives us Promises similar to those we received from The light under the door as our mother came near.
I am the father who wept for Joseph. I am the sparrow that flies through the warrior’s Hall and back out into the falling snow.
I don’t know why these images should please me So much; an angel said: “In the last moment before night Brahms will show you how loyal the notes are.”
Ravens Hiding in a Shoe
There is something men and women living in houses Don’t understand. The old alchemists standing Near their stoves hinted at it a thousand times.
Ravens at night hide in an old woman’s shoe. A four-year-old speaks some ancient language. We have lived our own death a thousand times.
Each sentence we speak to friends means the opposite As well. Each time we say, “I trust in God,” it means God has already abandoned us a thousand times.
Mothers again and again have knelt in church In wartime asking God to protect their sons, And their prayers were refused a thousand times.
The baby loon follows the mother’s sleek Body for months. By the end of summer, she Has dipped her head into Rainy Lake a thousand times.
Robert, you’ve wasted so much of your life Sitting indoors to write poems. Would you Do that again? I would, a thousand times.
The Great Society
Dentists continue to water their lawns even in the rain: Hands developed with terrible labor by apes Hang from the sleeves of evangelists; There are murdered kings in the light-bulbs outside movie theaters: The coffins of the poor are hibernating in piles of new tires.
The janitor sits troubled by the boiler, And the hotel keeper shuffles the cards of insanity. The President dreams of invading Cuba. Bushes are growing over the outdoor grills, Vines over the yachts and the leather seats.
The city broods over ash cans and darkening mortar. On the far shore, at Coney Island, dark children Playing on the chilling beach: a sprig of black seaweed, Shells, a skyful of birds, While the mayor sits with his head in his hands.
De nacht dat Abraham naar de sterren riep
Herinner je je de avond dat Abraham voor het eerst De sterren zag? Hij riep naar Saturnus: “U bent mijn Heer!” Wat was hij blij! Toen hij de Morgenster zag,
Riep hij: “U bent mijn Heer!” Hoe gebroken was hij Toen hij zag hoe ze onder gingen. Vrienden, hij is zoals wij: Wij nemen als onze Heer de sterren die ondergaan.
We zijn trouwe metgezellen van de ontrouwe sterren. Wij zijn gravers, net als dassen; we houden ervan om het vuil Te voelen dat achter onze achterpoten vandaan vliegt.
En niemand kan ons ervan overtuigen dat modder niet Mooi is. Het is onze dassenziel die dat denkt. We zijn klaar om de rest van ons leven door te brengen
Met wandelen in modderschoenen door de natte velden. We lijken op ballingen in het koninkrijk van de slang. We staan in de uienvelden naar de nacht omhoog te kijken.
Mijn hart is overdag een kalme aardappel en een huilende verlaten vrouw in de nacht. Vriend, vertel me wat ik doen moet, Want ik ben een man die verliefd is op de ondergaande sterren.
banjerend over de slingerdijk kreeg ik eerst dansles met geschuif van één strenge hak werd ons juist afstand gewezen
kerk nog in de steigers zerk van bord- papier; de namen en –
hooglied jij in
ruwe schets, een zachtkool schriftuur in passen – zo passend – opgetekend: een datum bij het uur het eerste en
hooggehield ben ik dan ook tot de graven gegaan, heb weifelend een naam gefluisterd – ge- proefd tegen de wind in wie weet mijn rok een ietsje opgelicht en – nog geknield ook -:
de jouwe
in scherp grint toe dans lief, een laatste maal de armen tot een lint -; sling slang de slingerdijk
dans ons juist dronken dans ons…
banjerend over de dijk heb ik een naam gezwegen een horizon die wijkt
de strakke horizon
de strakke horizon leunt zwaar op nieuwe beelddragers
hier telt het zuiden in schokdempers fijnstof een haperend rolluik
hier telt het zuiden iets te grof afgesteld mijn hele cruiseschip draait om je as
iets leuks aantippen
iets leuks aantippen in de catalogus van je moeder pannen van zeildoek ik woon hier lijkt de centrale gedachte van dit werk
(met dikke vingers denkend aan de zwarte madonna pelgrimage naar het lipstickenorgel, rap een kruis zijn zelfportret gekerfd uit een aspirine)
knor knor nooit met een lege maag door het museum gaan van haar tasje een glimp de lappen tekst maar overslaan. dus hup
van het verzekeringsgeld, een smak dollars liet hij die bouwkeet toch mooi vol isolatie pompen – pik van marshmallow – licht ving! hoe één van haar sporen… oortje oortje knabbel knabbel sexy slang
dit testosteronfeest niet versjteren in de lucht simuleer ik the non-logical hunt for toverknal
( …mooi rond alles tril me los lieve ridder zoem ice cube ice cube en
Ik vind het menselijk ras niet erg. Ik ben er behoorlijk aan gewend geraakt In de afgelopen vijfentwintig jaar. Ik vind het niet erg als ze naast me zitten In trams, of eten In dezelfde restaurants, zolang Het niet aan dezelfde tafel is. Ik ben het echter niet mee eens Dat een vrouw die ik respecteer Met een van hen danst. Ik heb Geprobeerd ze bij mij thuis uit te nodigen, Zonder succes. Het zou me niets moeten schelen Mijn eigen zus te zien Trouwen met een van hen. Zelfs als ze Van hem hield, denk aan de kinderen. Hun kunst is interessant, Maar zonder twijfel barbaars. Ik weet het zeker, als ze de kans kregen, Zouden ze ons allemaal in ons bed vermoorden. En je moet toegeven, ze stinken.
Maar ook zonder ons samen draait de wereld wel door, al weet ik niet waarom.
Voor vriendschap is verhuizen als de dood. En ik blijf stom omdat ik stoer en sterk moet zijn,
zoals wij waren. Maar stil durf ik een onbeholpen woord: enzovoort, enzovoort, enzovoort.
Moeder
Ik wil graag weten wanneer volwassenheid begint. Ik vraag het maar – mijn moeder zegt: hoe oud je ook bent, je blijft altijd mijn kind. Ze heeft haar dood nog niet gepland, is zelfs niet ziek. Ik heb wel alvast gezegd dat ik de kast wil hebben; tegen de tijd dat ik hem erf is hij antiek.
Maar dat duurt nog vele jaren. Ze wijst soms naar de rust van Avondrood – daar wil ze later wonen (en of ik vast wil sparen).
Het is voor haar eigen bestwil dat ze eerder doodgaat dan ik: een moeder zonder kind, daar bestaat zelfs geen naam voor, zoals weduwe of wees.
Nou ja, voorlopig mag ze blijven leven. Een moeder is altijd handig als er even niemand anders is die van mij wil houden.
Een rivier dankt haar naam
Een rivier dankt haar naam
aan de oevers, want het water stroomt anoniem voorbij.
Zoals ook ik beweeg binnen de uiterwaarden van wetten, aangeduid word en bepaald.
Als ik geen naam had kwam ik in de Noordzee uit, maar de regel houdt me bij elkaar.
En als ik overstroom staan dijken mij terecht te wijzen. Toch laat ik schepen door en soms vergaan.
Ted van Lieshout (Eindhoven, 21 december 1955)
De Tsjechische dichter Ivan Blatný werd geboren op 21 december 1919 in Brno. Zie ook alle tags voor Ivan Blatnýop dit blog. Zie ook alle tags voor Ivan Blatný op dit blog.
JANUA SAPIENTIAE
The Monx speak Monx I speak czech and english I have an instrument for getting traffic-wardens out of the drain-pipes and changing them into an apple-rose
It all happens in time-space when the traffic warden is already out we can hear the noise.
SLAVHOST
Poetry is a panacea for all illnesses The Marx Brothers pluck the egg yolk out
Der Dichter spricht in verschiedenen Sprachen On the bottom of the lake where mermen spend the night
The open road was blocked quite blocked by gaiety girls.
Vlak land
De bergen zijn de vragen van de bergbeklimmers Maar ze geven geen antwoord Het zijn tenslotte geen schoolkinderen Maar St. Bernardhonden zullen aan komen kuieren Het advies geven om te keren En nooit meer te klimmen.
Das Mondlicht ruht wie Schnee so bleich Auf Dach und First in stiller Stunde, Und durch den weiten Traumbereich Geht weihevoll geheime Kunde: Mir ist, als stünde still die Zeit, Und dort sei Nazareth am Hügel, Und jenes Haus, mondglanzbeschneit, Es lausche bang dem Klang der Flügel.
So kehrt im Sternenlauf zurück Die ewig gnadenreiche Stunde, Da Erdenleid und Himmelsglück Versöhnt sich küßten Mund an Munde, Die Stunde, da beim Engelsgruß Des Vaters Wort ist Fleisch geworden, Und Stern an Stern zum Friedensschluß Rauschten in mächtigen Akkorden.
Mir ist, als stünde still die Zeit, Versenkt in ihrer Andacht Schauer, Als öffne sich der Himmel weit Dem Sehnenden aus Angst und Trauer; Wie einst im Kinderparadies Vermeint das Auge durchzudringen, Bis wo am Thron gebeugten Knies Die Seraphim ihr Loblied singen.
Lebendig webt und wogt die Nacht Von ungeahnten Heimlichkeiten; Ein neues Leben ist erwacht; Der Himmel ruht am Herz der Zeiten. O wundervoll Mysterium In dieses Lebens Nacht und Trauer; Wie fühlt die Seele freudig stumm Der Ewigkeit verhaltne Schauer!
Sternbilder zittern tief im Blau Gleichwie der Harfen goldne Saiten; Und, o! die wunderholde Frau, Die Auserwählte aller Zeiten! Es steigt ein süß-geheimes Graun Aus meines Herzens tiefster Fülle; Mir ist, als sei zum lichten Schaun Erblüht des Glaubens Knospenhülle,
Als sei die Zeitlichkeit verrauscht Und Erdenglück und -weh versunken; Denn meine ganze Seele lauscht Nur himmelan, vor Freude trunken. Die Nacht der Schatten ist vorbei; Es ruht beseligt das Verlangen, Und was der Friede Gottes sei, Ist leis dem Herzen aufgegangen.
Johannes Rothensteiner (21 januari 1860 – 26 september 1936) Kerstsfeer in St. Louis (Missouri), de geboorteplaats van Johannes Rothensteiner
Maanlicht nu boven Malibu De winternacht de paar sterren Ver weg miljoenen kilometers De zee gaat maar door Voor altijd over de hele aarde Ver zo ver als je lippen dichtbij zijn Gevuld met hetzelfde licht als je ogen Liefje liefje liefje De toekomst is allang voorbij En het verleden zal nooit gebeuren We hebben alleen dit Ons ene voor eeuwig Zo klein zo oneindig Zo kortstondig zo onmetelijk Onvergankelijk als onze handen die elkaar raken Zo onsterfelijk als de door vuur verlichte wijn die we drinken Almachtig als deze enkele kus Die geen begin heeft Die nooit Nooit zal Eindigen
Uit: De hemel verslinden(Vertaald door Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd)
‘Het doet pijn als hij zijn arm optilt. ’s Avonds maakt Floriana kompressen met appelazijn voor hem.’ ‘Ik denk trouwens dat je het mis hebt, het was niet mijn vader die die steen gooide. Het moet Cosimo zijn geweest.’ Het leek of Bern niet naar me luisterde, hij ging helemaal op in het kikkers vangen. Hij droeg een broek die ooit blauw geweest moest zijn, en had geen schoenen aan. Toen zei hij ineens: ‘Jij durft, zeg.’ ‘Hoezo?’ ‘Meneer Cosimo beschuldigen om je vader vrij te pleiten. Daarvoor betalen jullie hem niet genoeg, volgens mij.’ Er viel weer een kikker in de emmer. Het waren er nu een stuk of twintig, ze bliezen zich op en liepen weer leeg. Ik wilde hem afleiden van mijn leugen van daarnet en daarom vroeg ik: ‘Waarom zijn je vrienden er niet?’ ‘Omdat het mijn idee was om het zwembad te gebruiken.’ Ik voelde aan mijn haar: het gloeide. Ik had voorover kunnen buigen om mijn hand in het water te steken en mijn hoofd nat te maken, maar er zaten nog kikkers in het zwembad. Bern ving er eentje en hield het schepnet onder mijn neus: ‘Wil je hem aanraken?’ ‘Ik pieker er niet over!’ ‘Dat dacht ik al,’ zei hij met een vals lachje. En toen, langs zijn neus weg: ‘Vandaag is Tommaso naar zijn vader in de gevangenis.’ Hij wachtte op het effect van deze mededeling. Ik zei niets. ‘Hij heeft zijn vrouw met een houten sandaal doodgeslagen. Daarna wilde hij zich aan een boom ophangen, maar de politie kreeg hem op tijd te pakken.’ De kikkers sloegen onrustig tegen de emmer. Die hele berg glibberige beesten: ik moest er bijna van overgeven. ‘Dit sta je nu te verzinnen, hè?’ Bern hield zijn schepnet in de lucht. ‘Absoluut niet.’ Eindelijk ving hij de laatste kikker, die het langst uit zijn handen had weten te blijven. Hij bukte om het net niet te hoog te hoeven optillen. ‘En jouw ouders?’ vroeg ik. De kikker sprong omhoog en vluchtte naar het diepste punt van het zwembad. ‘Verdorie, zie je nou wat je doet? Je bent een warbol.’ Ik verloor mijn geduld. ‘Wat betekent dat, warbol? Dat woord bestaat niet eens! Ik heb je broer, of je vriend of wat het ook is, geen pijn gedaan, hoor!’ Ik wilde meteen weglopen, maar toen keek Bern me voor het eerst echt aan. Er stond oprechte spijt op zijn gezicht te lezen, en tegelijkertijd ook een soort naïviteit. Weer die verlammende, licht loensende blik.”
Ik ben in een zaal Vol Egyptische goden Sommige blokkeren de uitgang Want het is na sluitingstijd En de goden verbergen zich In een slaap van zwart marmer
Hoe vaak ik ook probeer De hele nacht door te slapen Ik word wakker van de stappen Van wie vergeten waren Mij naar buiten te laten Voordat de nacht binnensloop.
Uit: Vergeef ons (Vertaald door Gerda Baardman en Wim Scherpenisse)
“Jane boende schalen schoon, stapelde de vuile vaat op en gooide het glibberige tafelzilver in het dampende sop in de afwasbak. Ze keek even naar mij, streek met de rug van haar hand haar haar uit haar gezicht en glimlachte. Ik ging weer naar binnen om de rest te halen. Ik keek naar hun kinderen en probeerde me voor te stellen hoe ze eruit zouden zien als ze als Pilgrims verkleed waren, met zwarte schoenen met gespen, en als Pilgrims-kinderen karweitjes deden, als menselijke ossen met emmers melk sjouwden. Nathaniel van twaalf en Ashley van elf zaten als zoutzakken aan tafel, krom of eigenlijk meer gekruld, alsof ze in hun stoel gegoten waren en geen ruggengraat hadden, met hun ogen op hun kleine beeldschermpjes gericht; het enige wat bewoog, waren hun duimen – de een sms’te met vrienden die niemand ooit had gezien en de andere liquideerde digitale terroristen. Het waren afwezige kinderen, zonder persoonlijkheid, zonder présence, en met uitzondering van de feestdagen ook grotendeels letterlijk afwezig van huis. Ze werden al naar kostschool gestuurd toen ze daar volgens veel anderen nog te jong voor waren, maar Jane had me eens bekend dat dat nodig was: ze maakte toespelingen op niet nader omschreven leerproblemen waardoor ze thuis niet tot bloei konden komen en impliceerde voorzichtig dat het thuis door George’ onvoorspelbare stemmingswisselingen niet ideaal voor ze was. Op de achtergrond voerden twee televisies een luidruchtige strijd om niemands aandacht – de ene met football en de andere met de film Mighty Joe Young. ‘Ik lééf voor de zaak,’ zegt George nu. ‘Hoofd Amusement van ons tv-station. Daar ben ik me dag en nacht van bewust.’ In alle kamers staat een televisie; George kan namelijk niet alleen zijn, zelfs niet op de wc. Hij kan er blijkbaar ook niet tegen als zijn succes niet voortdurend wordt bevestigd. Zijn meer dan tien Emmy Awards hebben zich vanuit zijn werkkamer geleidelijk over het hele huis verspreid, samen met diverse andere prijzen en eervolle vermeldingen in geslepen kristal, allemaal complimentjes voor George’ vermogen om de populaire cultuur te doorgronden en ons weer onszelf te laten zijn – licht ironisch, in een format dat we het best kennen van de sitcom van een halfuurtje of het actualiteitenprogramma. De schaal met kalkoen stond midden op de tafel. Ik boog me over de schouder van mijn vrouw en tilde de schaal op – die was zwaar en hing scheef. Ik concentreerde me tot het uiterste en slaagde erin de exercitie tot een goed einde te brengen terwijl ik op mijn andere arm een ovenschaal met spruitjes en spek liet balanceren. De kalkoen – een ‘traditioneel beest’, wat dat ook mag betekenen – was tot souplesse gekneed en tot overgave gekruid, totdat hij ging geloven dat het niet erg was om bij dit jaarlijks terugkerende ritueel te worden onthoofd en tot zijn reet te worden volgestopt met broodkruim en veenbessen. Het beest was grootgebracht met een duidelijk doel voor ogen: een vaststaande datum waarop zijn laatste uur zou slaan.”
Bereiken wij de zee met klokken In onze zakken, met het geruis van de zee In de zee, of zijn wij eer de dragers Van een zuiverder en stiller water?
Handenwrijvend slijpt het water messen De krijgers vonden hun wapens in de golven En het geluid van hun slagen is eender als dat Van de rotsen die ’s nachts de schepen stukslaan.
Het is de storm en de donder. Waarom niet de stilte Van de zondvloed, want in ons is heel de gedroomde ruimte Voor de grootste stilte en wij zullen ademen Als de wind der verschrikkelijke zeeën, als de wind
De Nederlandse schrijfster Yvonne Keuls werd geboren op 17 december 1931 in Batavia, toen nog een onderdeel van Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Yvonne Keuls op dit blog.
Uit: Alle Indische tantes
“lk vroeg Tante Bel of ze het prettig zou vinden wanneer Tante Toetie, Tante Mekkie, Tante Dé en Tante Bé haar zouden opzoeken. ‘Hebben ze hier clan een lift…’ vroeg ze mokkend, ‘moet je sien hoe hoog ik hier lig, zevende etage, ik krijg gewoon vrees..? Nadat ik haar gerustgesteld had en bovendien had beloofd dat ik de zusters en schoonzusters heen en weer zou brengen, klaarde ze iets op. ‘Ajo dan… ik wil wel… laat ze maar morgen komen allemaal… en vraag of ze saté voor mij maken..? ‘Maar u heeft toch dieet?’ zei ik haar. ‘Ach… flauwekul dat dieet, waarom moet ik op dieet, ik heb toch niks aan mijn maag, ik lig hier voor mijn benen…’ De volgende dagen sjouwde ik dc andere tantes naar het ziekenhuis. Zonder dat ik één woord over de saté had gerept, hadden ze zelf begrepen dat Tante Bel zonder Indische kostjes het niet lang maken zou. Met rantangs (etensdragers) vol stapten ze bij mij in de auto -een fles sherry kon ik nog net onderscheppen – en het hele bezoekuur werd er door alle tantes gegeten. Dc pannetjes circuleerden, de kippenbotjes werden verzameld en de kamer van Tante Bel rook al spoedig naar een zeer goed florerend Indisch restaurant. Na vijf dagen ‘observatie’ mocht Tante Bel naar huis. Als de dokter tenminste voor elf uur bij haar was gekomen. Was dat niet het geval, dan mocht ze pas de volgende dag naar huis. Onnodig te zeggen dat ik dc vijfde dag om elf uur in haar kamer stond. Tante Bel zat gepakt en gezakt op haar bed met een zo ontevreden gezicht dat ik niet lang hoefde te raden. ‘De dokter is nóg niet geweest.: riep ze meteen, ‘ze denken zeker dat ik niks te doen heb… Ik zit hier al van negen uur af te wachten… Ik bel naar beneden en dan krijg ik zo’n zuster, ik seg tegen haar: is die dokter van jullie soms dood… als hij niet gauw komt dan wil ik hem ook niet meer sten… Brutale meid… weet je wat ze ség? Ze seg: De dokter is in vergadering, rustigjes wachten mevrouw… Nou… ik heb haar goed de waarheid verteld, wie dénkt ze wel dat ze is, ze heeft nog steeds mijn sherry niet teruggegeven…’ En pruilend ging Tante Bel achterover leunen. ‘Nou heb ik mij voor niks opgemaakt met bedák (poeder)… onbetrouwbare mensen zijn dat hier… ik ga nooit.. nóóit meer naar zo’n ziekenhuis… als ik dan dood moet liever in mijn eigen bed…’ Dan, met een onderzoekende blik naar mij: ‘Heb jij sherry meegenomen…’ Ik schudde ontkennend mijn hoofd. ‘Ach…’ zei Tante Bel, ‘aan jou heb ik ook niks… soeda… ga maar naar huis en als je mc morgen komt halen, doe dan éindélijk wat ik jou ség: één fles sherry van Albert Geijn… meer vraag ik niet, dan kan ik als ik thuis kom tenminste meteen drinken…’
Deze vergulde kamers Zijn zo volkomen somber En verlaten door dromen Dat je alleen het kraken Van de voetstappen in de hal hoort Nadat ze allemaal de persoon verlaten hadden Zolang ze dat nog konden
Zelfs het licht kwam niet meer terug Door de kogelvrije luiken Niemand gaat naar binnen of naar buiten Door de overwoekerde deur Alleen een boom strekt zijn takken uit Door het dak Alsof de kleinste beweging Te voorkomen is
Niet eens het touw Om zijn eigen nek Vermag hij verder Te bedwingen En hij voelt niet De kiemen die de takken Naar hem uitstrekken Met de geur van Vergeving en lente.
De Nederlandse schrijver en televisiemaker Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zie ook alle tags voor Adriaan van Dis op dit blog.
Uit: Zilver, of het verlies van de onschuld
“Zilver bladert in het Boek met Duizend Platen. Hij kijkt naar een man die niet kan lachen. Zweren op zijn mond, zijn neus weggerot, wat tussen zijn benen hangt is rood en ziek. Hij is kaal. Syfilis in het laatste stadium, staat eronder. Met zijn lippen heeft deze man vrouwen gezoend, met zijn neus hun geuren opgesnoven. Zij streelden zijn schouders. Hun vingers trokken door zijn haar. Misschien had hij zwarte krullen, weerbarstig, door geen kam of vet te bedwingen. Zijn ogen zijn aangetast. Zo komen zoeners te pas. Zilver voelt aan zijn krullen en likt zijn lippen. Hij is nog heel. Welke lippen hebben hem gezoend? De Juffrouw, vluchtig, als hij naar school gaat, en filmsterren op foto’s die hij tegen zijn wang drukt. Hij droomt van zoenen. Lippen die zachtjes over zijn rug gaan als een grashalm van nek tot onder. Warme adem achter zijn oren. Hij is naakt. De adem wordt wind. Een wind die hem opneemt en hem als een vlieger over het land stuwt. Hij spant zijn spieren, zijn huis wordt een stip, de stad een vlek. Daar gaat hij, Zilver, de jongen die vliegt, de jongen die zijn ogen maar hoeft te sluiten en dan alles dromen kan. Schateiland?… daar ligt het, geel zand in de branding. Een oerwoud?… daar groeit het, apen slingeren aan takken, papegaaien vliegen met hem mee. Zilver bukt voor zwiepende lianen, een kruk schuurt onder zijn oksel. Hij heeft een houten been, een snor. Hemd open tot zijn buik, zijn gouden oorbel kietelt als een tergende kus. Een papegaai strijkt neer op zijn schouder, snoept het smeer uit zijn oor en scherpt zijn klauwen aan zijn sleutelbeen. Zilver voelt geen pijn. Bloed sijpelt langs zijn borst, over zijn buik, stolt tussen zijn benen. Hij vliegt weer verder. Nu is hij een zwaan, door golven schoongewassen. Hij hoeft geen vleugels uit te slaan, hij zweeft… boven straten waar meisjes hem wenken. Hij nijgt zijn kop. Rode lippen lachen hem toe en tanden schitteren als zijn witte veren. Hij zou op hun schouders willen landen, ze willen zoenen, proeven van dat rode daar. Hij cirkelt boven een lach die hij herkent. Zij is het meisje van de Prodent-tandpasta. Haar gezicht heeft hij al honderd keren uitgeknipt, twee monden op één doos. Hij bewaart haar in zijn schriften, zij lacht hem toe in de hoek van de badkamerspiegel; zij tuit haar lippen. Als een pluis dwarrelt hij in haar mond. Een koude wind trekt langs zijn nek. Onder aan de trap hoort hij de Juffrouw in haar handen klappen. Weg is de mond. Hij zit gewoon op zolder, het Boek met Duizend Platen op zijn schoot. Schoenen kraken op de trap.”
Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)
De Nederlandse dichter Alfred Schaffer krijgt de P.C. Hooft-prijs 2021 voor poëzie. ‘Een dichter die zonder met modes mee te waaien midden in deze tijd staat’, zo oordeelt de jury. ‘Zijn poëzie omvat zeer precies gekozen momentopnames, met zinnen die ogen alsof er een scalpel aan te pas is gekomen.’ De prijsuitreiking, die in mei plaatsvindt, wordt georganiseerd door het Literatuurmuseum. Alfred Schaffer werd geboren in Leidschendam op 16 september 1973. Zie ook alle tags voor Alfred Schaffer op dit blog.
Politiek voor beginners
Je staat te glunderen, alsof je al gewonnen hebt. Of wil je de menukaart zien? Lieveling, er trok vandaag een optocht door de straat, er was confetti, er waren voorzorgsmaatregelen, er was genoeg voor iedereen. De dag stond bol van nijverheid.
Dit is geen gezeur, dit is de kolder in m’n kop, secondewerk. En dit hier liep ik in de oorlog op, ik was een scherpschutter, ik schoot met scherp, waande mij een voorvader, mijn bleke snufferd in alle soorten en maten. Zo ging dat in die tijd van
voor de nieuwsberichten, wie niet deugde kon bij het grofvuil. Ik moest tot inkeer komen, kwam tot inkeer en toen wilde ik naar huis – tussen de flats laat jij je hondje uit, het kinderspel,
de graffiti, het gekef, alles in nostalgisch zwart en wit. Luister, brult de meester. Eendracht, klaagt de meester. Wie de schoen past, begint de meester. Maar wat het ook was, het is verleden.
Het persoonlijk magnetisme
Kijk eens naar rechts en vertel me wat je ziet. De constante verandering, nu al onderdeel van onze dagelijkse routine.
Dit is de grote dag, de dag van het titelgevecht en het spontane compliment. In de drukte zoek je naar het gat in een gesprek en als op een teken lijkt de aandacht te verschuiven naar geluiden buiten. Het blijft vragen naar de bekende weg, een vloeiende beweging van aantrekken en afstoten.
Onze speelsheid een nieuwe vorm van liefdewerk: de kortstondige toewijding, het verrassend perspectief.
Zo te horen is het vrijgezellenfeest hiernaast een groot succes. Maar laat je niet afleiden, hier gelden andere wetten.
Kies nu een gedachte
Bericht gaat dat de stad drastisch veranderde. Toeristen maken gretig gebruik van de nieuwe faciliteiten en flaneren over het stadsplein in avondkledij met op de achtergrond de prachtig gerestaureerde fontein.
De beroemde struisvogelboerderijen bleven intact. Er zijn monumenten opgericht waar men, als er tijd is, bloemen legt of uitrust onder een voorbijsnellende hemel. De struisvogeleieren worden tegenwoordig beschilderd met figuren uit buitenlandse handboeken.
Elke ochtend dringen de struisvogels massaal tegen de hekken wanneer de eerste mensen uit de buitenwijken, op weg naar de stad in het zuiden, zonder een spoor van argwaan komen aangewandeld.