plotseling vind je jezelf overgoten met saus en samengepropt met aardappels en gelei wonderlijk slap in het vlees na al dat trancheren en rukken aan ingewanden tot ze los en eruit gingen denk niet dat ik het niet weet deze satanische zorgvuldigheid in het aanbrengen van vork en mes glasgetinkel en lucifergerammel om het maar niet te hebben over de manier waarop lever en hart zorgvuldig gesepareerd in een heel klein medisch uitziend bakje gestopt worden en bij god in de hemel hebben ze ook nog bedacht om me te camoufleren als mezelf met veren en al na dat ondragelijke bijnacrematorium de duizelige tocht met mijn hoofd naar beneden loodsteken in mijn zij en dan de gedachte aan die smakbeer servetverbonden betalende middelmatigheid met wie ik heel binnenkort speeksel moet delen ik moet braken
Pauw
kinderjaren herinnerd als niet erkende moeheid loop nu daarheen kom nu hierheen de rijen kooien ezelzweet en leeuwenongedierte
kramp vóór de grotten de onverschilligheid van het exotische de terrariumtrage koortslucht van de kruipdieren
de zon uitgewrongen in je droge nek
dan mildheid als porcelein verlangen als miniatuurtuinen jouw gestileerde vrijheid over paden van moddergruis
geësthetiseerde geslachtsdrift sterk chinees niet erkend flirt ogengul met jezelf.
Zwaan
zo moet je gezien worden halsdier door dronken dijen en met mijn nek diep in mythologisch gras zo hamerend en klapperend je vleugels in extatische symmetrie met mijn benen een veren wagen uit de hemel elias neergedaald op mijn lippen zonder schaamte jij ook bicepsstier en regen van gouden geld vlieg vol bronst hier lig ik te wachten op je mooiste gestalte jij vogel van de Olympus kom en neuk me
Vertaald door Annelies van Hees
Klaus Rifbjerg (15 December 1931 – 4 April 2015)
De Estse dichter, beeldend kunstenaar en vertaler Indrek Hirv werd geboren op 15 december 1956 in Kohila. Zie ook alle tags voor Indrek Hirv op dit blog.
Met olijven diep in mijn winterzak
Met olijven diep in mijn winterzak slaap ik overdag – houd ik ’s nachts de wacht een berk in het zuiden – thuis ben ik een wijnstok rustig en kalm aan – tegelijkertijd
met olijven diep in mijn winterzak dwalen mijn gedachten af – omlijst door staal en glas sla ik acht op de doden – en plant op hun verzoek mijn voeten stevig hier op thuisgrond
“Het schip begint te trillen. Ik grendel de deur, kruip onder de dekens en probeer een opstandige gedachte te verdrijven, zonder echter te kunnen beletten dat ik hem hardop uitspreek. Het schip vaart nu. ‘Als u de mensheid hebt verlost, waarom dan mij niet – dat was toch in één moeite door gegaan?’ Op weg naar het Noorden, zaterdag 18 augustus. Na gistermorgen in Stowmarket, op ongeveer een uur reizen van Harwich, door Tony G. met de automobiel van het station te zijn afgehaald en naar Felsham te zijn gereden, en aldaar bij hem en mijn kunstbroeder Angus W. te hebben overnacht, zijn we hedenmorgen gedrieën in de auto naar het noorden vertrokken. Thans, tegen het einde van de middag, hebben we ongeveer driekwart van de route afgelegd. Een ontzaglijke wolkbreuk kort na ons vertrek dwong Tony gedurende een half uur, wegens het verminderde zicht, langzaam te rijden, maar daarna zijn wij onder een opgeklaarde hemel en met een snelheid die zelden onder de 140 kilometer per uur zakte, aan één stuk voortgesuisd. De stemming is zeer goed, wat zich uit in een slappe lach die ons al sedert de vroege ochtend in zijn greep houdt. De mop bijvoorbeeld van de Chinaman in the train, bescheiden in zijn pointe als hij mag zijn, doet ons, telkens wanneer een van ons er aan refereert, in een ademloos gegier uitbarsten, dat mij een uur lang spierpijn bezorgt. Ziehier de simpele geschiedenis, opdat men over de grappigheid zelve oordele: Chinaman zit dus in de trein. Kellner komt een paar maal door de loopgang, schuift telkens de coupédeur open en roept dan: ‘You for coffee!… You for coffee!…’ Waarop tenslotte Chinaman razend wordt en terugroept: ‘Me no fuckoffee! Me first class ticket! You fuckoffee!’ Verder ontwikkelen wij onderweg een aantal wat ik zou willen noemen Vertellingen Uit Het Dierenrijk, zeer anthropomorphe Sketches From The Animal Kingdom, waarop W. en ik beide dol zijn: het leven van alle dag, dat onze gevederde zowel als viervoetige vrienden in het woud leiden, verteld, toegelicht en, gelijk het histories materialisme door Herman Gorter, eveneens voor arbeiders verklaard. Vooral Doctor Owl wordt door W. minstens even goed vertolkt als voor de Nederlandse radio Paulus de Boskabouter door diens auteur. Ontucht van Doctor Owl met jonge patiëntjes is aan de orde van de dag, terwijl hij voorts een ware hartstocht koestert zowel voor ophtalmotomie als voor euthanasie. Wij zijn dus, om met mijn moeder, zij ruste onder de Vleugels van de almachtige, te spreken, ‘goed te pas’ en vooral W. is in een betere stemming dan gisteren, toen ik hem zeer nerveus, met een van spanning dik geworden gezicht aantrof: hij had bepaald werk nog voor zijn vertrek gereed en ingeleverd willen hebben, en dat is hem niet, of maar gebrekkig, gelukt. Je met romanschrijven, literaire kritiek of met wat dan ook voor werk van de pen bezighouden is in het Verenigd Koninkrijk, en zeker als men een schrijver van enige naam is, helemaal geen gekkenwerk, zoals in Nederland. W. bespreekt wekelijks wat hij de moeite waard heeft gevonden van het T.V.-programma (hij kan kijken, of niet kijken, naar wat hij wil) in een rubriekje in een blad dat de merkwaardige naam The Queen draagt.”
Slapen, in het ene oog de maan, in het andere de zon, Een liefde in je mond, een mooie vogel in je haar, Uitgedost als de velden, de bossen, de wegen en de zee, Mooi en uitgedost als een tocht om de wereld.
Vlucht door het landschap, Tussen takken van rook en alle vruchten van de wind, Benen van steen en sokken van zand, Gevat bij de taille, spieren van rivieren, En de laatste zorgen op een veranderd gezicht.
Vertaald door Kiki Coumans
Paul Eluard (14 december 1895 – 18 november 1952) Portret door Salvador Dali, 1929
De Britse thrillerschrijver John le Carré is afgelopen zaterdag op 89-jarige leeftijd overleden. John le Carré werd geboren op 19 oktober 1931 in Poole, Dorset, Engeland. Zie ook alle tags voor John le Carré op dit blog.
Uit : Agent Running in the Field
“Our meeting was not contrived. Not by me, not by Ed, not by any of the hidden hands supposedly pulling at his strings. I was not targeted. Ed was not put up to it. We were neither covertly nor aggressively observed. He issued a sporting challenge. I accepted it. We played. There was no contrivance, no conspiracy, no collusion. There are events in my life – only a few these days, it’s true – that admit of one version only. Our meeting is such an event. My telling of it never wavered in all the times they made me repeat it. It is a Saturday evening. I am sitting in the Athleticus Club in Battersea, of which I am Honorary Secretary, a largely meaningless title, in an upholstered deckchair beside the indoor swimming pool. The clubroom is cavernous and high-raftered, part of a converted brewery, with the pool at one end and a bar at the other, and a passageway between the two that leads to the segregated changing rooms and shower areas. In facing the pool I am at an oblique angle to the bar. Beyond the bar lies the entrance to the clubroom, then the lobby, then the doorway to the street. I am thus not in a position to see who is entering the clubroom or who is hanging around in the lobby reading notices, booking courts or putting their names on the Club ladder. The bar is doing brisk trade. Young girls and their swains splash and chatter. I am wearing my badminton kit: shorts, sweatshirt and a new pair of ankle-friendly trainers. I bought them to fend off a niggling pain in my left ankle incurred on a ramble in the forests of Estonia a month previously. After prolonged back-to-back stints overseas I am savouring a well-deserved spell of home leave. A cloud looms over my professional life that I am doing my best to ignore. On Monday I expect to be declared redundant. Well, so be it, I keep telling myself. I am entering my forty-seventh year, I have had a good run, this was always going to be the deal, so no complaints. All the greater therefore the consolation of knowing that, despite the advance of age and a troublesome ankle, I continue to reign supreme as Club champion, having only last Saturday secured the singles title against a talented younger field. Singles are generally regarded as the exclusive preserve of fleet-footed twenty-somethings, but thus far I have managed to hold my own. Today, in accordance with Club tradition, as newly crowned champion I have successfully acquitted myself in a friendly match against the champion of our rival club across the river in Chelsea. And here he is sitting beside me now in the afterglow of our combat, pint in hand, an aspiring and sportsmanlike young Indian barrister. I was hard pressed till the last few points, when experience and a bit of luck turned the tables in my favour. Perhaps these simple facts will go some way to explaining my charitable disposition at the moment when Ed threw down his challenge, and my feeling, however temporary, that there was life after redundancy.”
John le Carré (19 oktober 1931 – 12 december 2020)
De prediking van Johannes de Doper door Mattia Preti, ca. 1665. Fine Arts Museums of San Francisco
St. John Baptist
I When, for the fifteenth year, Tiberius Caesar Cursed, with his reign, the Roman world, Sharing the Near-East with a tribe of tetrarchs, The Word of God was made in far-off province: Deliverance from the herd of armored cattle, When, from the desert, John came down to Jordan.
But his prophetic messages Were worded in a code the scribes were not prepared to understand. Where, in their lexicons, was written: “Brood of vipers,” Applied, that is, to them?
“Who is this Lamb, Whose love Shall fall upon His people like an army: Who is this Savior, Whose sandal-latchet This furious Precursor is afraid to loose?”
His words of mercy and of patience shall be flails Appointed for the separation of the wheat and chaff. But who shall fear the violence And crisis of His threshing-floor Except the envious and selfish heart? Choose to be chaff, and fear the Winnower, For then you never will abide His Baptism of Fire and Spirit. You proud and strong, You confident in judgment and in understanding, You who have weighed and measured every sin And have so clearly analyzed the prophecies As to be blinded on the day of their fulfillment: Your might shall crumble and fall down before Him like a wall, And all the needy and the poor shall enter in, Pass through your ruins, and possess your kingdom.
This is the day that you shall hear and hate The voice of His beloved servant. This is the day your scrutiny shall fear A terrible and peaceful angel, dressed in skins, Knowing it is your greedy eyes, not his, that die of hunger. For God has known and loved him, from his mother’s womb, Remembering his name, filling his life with grace, Teaching him prophecy and wisdom, To burn before the Face of Christ, Name Him and vanish, like a proclamation.
II Tell us, Prophet, Whom you met upon the far frontier At the defended bridge, the guarded outpost.
“I passed the guards and sentries, Their lances did not stay me, or the gates of spikes
Or the abysses of the empty night. I walked on darkness
To the place of the appointed meeting: I took my sealed instructions, But did not wait For compliment or for congratulation from my hidden Captain. Even at my return I passed unseen beside the stern defenders In their nests of guns, And while the spies were trying to decode some secret In my plain, true name. I left them like the night wind.”
What did you learn on the wild mountain When hell came dancing on the noon-day rocks?
“I learned my hands could hold Rivers of water And spend them like an everlasting treasure. I learned to see the waking desert Smiling to behold me with the springs her ransom, Open her clear eyes in a miracle of transformation, And the dry wilderness Suddenly dressed in meadows, All garlanded with an embroidery of flowering orchards Sang with a virgin’s voice, Descending to her wedding in these waters With the Prince of Life. All barrenness and death lie drowned Here in the fountains He has sanctified, And the deep harps of Jordan Play to the contrite world as sweet as heaven.”
But did your eyes buy wrath and imprecation In the red cinemas of the mirage?
“My eyes did not consult the heat of the horizon: I did not imitate the spurious intrepidity Of that mad light full of revenge. God did not hide me in the desert to instruct my soul In the fascism of as asp or scorpion. The sun that burned me to an Arab taught me nothing: My mind is not in my skin. I went into the desert to receive The keys of my deliverance From image and from concept and from desire. I learned not wrath but love, Waiting in darkness for the secret stranger Who, like an inward fire, Would try me in the crucibles of His unconquerable Law: His heat, more searching than the breath of the Simoon, Separates love from hunger And peace from satiation, Burning, destroying all the matrices of anger and revenge. It is because my love, as strong as steel, is armed against all hate That those who hate their own lives fear me like a sabre.”
III St. John, strong Baptist, Angel before the face of the Messiah Desert-dweller, knowing the solitudes that lie Beyond anxiety and doubt, Eagle whose flight is higher than our atmosphere Of hesitation and surmise, You are the first Cistercian and the greatest Trappist: Never abandon us, your few but faithful children, For we remember your amazing life, Where you laid down for us the form and pattern of Our love for Christ, Being so close to Him you were His twin. Oh buy us, by your intercession, in your mighty heaven, Not your great name, St. John, or ministry, But oh, your solitude and death: And most of all, gain us your great command of graces, Making our poor hands also fountains full of life and wonder Spending, in endless rivers, to the universe, Christ, in secret, and His Father, and His sanctifying Spirit.
Thomas Merton (31 januari 1915 – 10 december 1968) Detail van het altaarretabel (het grootste in Frankrijk) in de kerk Saint-Pierre te Prades, de geboorteplaats van Thomas Merton.
Waar de doden ook zijn, daar zijn ze en Niets meer. Maar jij en ik kunnen verwachten Engelen te zien in het weidegras die lijken Op koeien – En waar we ook zijn in het paradijs in een gemeubileerde kamer zonder bad en zes verdiepingen hoog Is alles God! Wij lezen Elkaar voor, genietend van het geluid van de s’en Die uitglijden over de f’s en veel is goed Genoeg om het haar op ons hoofd overeind te laten staan, zoals Rilke en Wilfred Owen
Elke persoon die van een andere persoon houdt, Waar ook ter wereld, is bij ons in deze kamer – Ook al zijn er slagvelden.
Vertaald door Frans Roumen
Kenneth Patchen (13 december 1911 – 8 januari 1972)
De Iraans – Nederlandse schrijver Kader Abdolah (pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) werd geboren in Arak op 12 december 1954. Zie ook alle tags voor Kader Abdolah op dit blog.
Uit: Farao van de Vliet
“Zayed Hawass was zijn geheugen kwijt. Hij was alles vergeten en wist niet meer wie hij was. Van zijn hele verleden had hij alleen deze naam en een geheim onthouden. Hij was eigenlijk de bekende Nederlandse egyptoloog professor Herman Raven. Zayed Hawass was een pseudoniem. Herman Raven had een bloeiende carrière als archeoloog in Egypte achter de rug en hij had een reeks boeken en talloze artikelen over de Oudheid van het land geschreven. Hij woonde jarenlang in Egypte en was zo verbonden geraakt met dat land dat hij een Arabisch pseudoniem voor zichzelf bedacht had. In zijn tijd was Zayed Hawass altijd betrokken geweest bij belangrijke opgravingen in de grafkelders van farao’s. Hij was meestal de eerste die de oude trap van een nieuw ontdekte grafkelder afdaalde, en de eerste die het deksel van de kist opzijschoof om een blik op de mummie te werpen. Daarnaast was hij lid geweest van een roboticateam dat voor het eerst met een kabelcamera onderzoek deed naar een mysterieuze schat in de grootste piramide. Maar Zayed Hawass wist niets meer over die tijd, zelfs niets meer over de grote invloedrijke farao’s als Hatsjepsoet, Thoetmoses III, Amenhotep III, Achnaton en Ramses III. Van zijn interessante glorieuze carrière had hij alleen een naam van een koningin uit een vroege dynastie onthouden. Deze naam was in hiërogliefen geschreven en klonk als Mrjt Njt. Dit betekende iets als ‘Geliefde van de Nijl’. Zayed Hawass had een dochter die Merie heette, naar diezelfde koningin. Zijn vrouw was jong gestorven, toen Merie nog een kind was. Om die reden had hij Egypte definitief verlaten en was hij als egyptoloog aan de Universiteit Leiden gaan werken. Hij woonde nu in Den Haag, aan de Haagse Vliet. Het was een groot oud huis met twee verdiepingen en een grote achtertuin. De woonkamer had een breed raam waar grote vrachtschepen regelmatig langs voeren. Er kwamen later andere vrouwen in het leven van Zayed Hawass, maar hij hertrouwde niet en bracht die vrouwen nooit thuis want zijn huis behoorde toe aan zijn vrouw en was het nest van zijn dochter. Omdat Hawass’ geheugen niet meer werkte wilde zijn dochter hem in een bejaardentehuis onderbrengen, maar het was haar niet gelukt hem zover te krijgen. Zayed wilde onder geen enkel beding zijn huis verlaten. Hij was alles vergeten, maar niet dat hij in de kelder van zijn woning heimelijk iets kostbaars bewaarde. Daarom had Merie een verzorgster voor haar vader geregeld, een oude weduwe die doordeweeks in het huis verbleef en beneden in haar eigen kamer sliep. De vrouw, die Anneke heette, deed huishoudelijke taken voor hem en hield een oogje in het zeil. De weekenden waren Merie en haar gezin vaak bij Zayed en was Anneke vrij.”
In desolate drugssteegjes, onder overkappingen, in percelen vol zure aarde die doorgaan voor tuinen, in de ruimte tussen muur en afvalbak, waar mannen met mobiele telefoons een dringend gesprek voeren,
waar meisjes met blote benen huiveren in de aprilwind, waar een jonge moeder voor haar deur staat en met haar ogen knippert tegen de schittering van de ochtend, zo plotseling geboren –
op al deze plaatsen duwen de seringen van de stad hun kegels van bloesem de lente in, om te worden meegenomen door de warme wind.
Een sering maakt, net als liefde, geen onderscheid. Hij gaat voor iedereen open. Zelfs voordat liefde weet dat het liefde is weet de sering dat hij moet bloeien.
In desolate drugssteegjes, onder overkappingen, in iemands voortuin prijsgegeven aan verkreukelde pakjes en blikjes,
op fraai aangelegde rotondes van snelwegen, in de diepte van parken waar mannen en vrouwen zich verliezen in transacties van vlees en geld, waar mobiele telefoons rinkelen
en de deal gesloten wordt – hier geven de stad seringen hun zoete, wilde parfum af, buigen dan door, zwaar van de regen.
‘Lief roodhaartje, mag ik je morgenmiddag verwelkomen? Neem je paspoort of identiteitsbewijs mee,’ schreef hij me als hij zich iets te veel door zijn fantasieën over een gezamenlijk reisje naar een tentoonstelling in Essen of een theatervoorstelling in Darmstadt had laten meeslepen en even vergeten was dat hij de volgende dag allerlei verplichtingen had. Door zijn Parkinson kon hij zich heel moeilijk een accuraat beeld van de toekomst vormen. En in de uren voor onze ontmoeting was hij geneigd zijn krachten nogal te overschatten en zijn afhankelijkheid van zijn levodopa te bagatelliseren. Niets dan schaamte om me onder ogen te moeten komen als hij slecht praatte en slecht bewoog, en dat wist hij zelf het beste. In de trein hoorde ik al in mijn oor wat hij me straks zou vragen met die zorgelijke vogelstem van hem: ‘Was het niet erg vies in de trein?’ En: ‘Kon je je goed van je werk losmaken? Ik betaal je je reisgeld terug, hoor.’ En dan zou ik hem, heel vriendelijk, in zijn gezicht uitlachen om dat woord vies en om de spijtige toon waarop hij het uitsprak, vol mededogen met mij, arme treinreiziger. ‘Ach jongen, het openbaar vervoer valt best mee.’ Ik had in de anderhalf uur van mijn treinreis naar hem toe wel altijd angstvisioenen van brand in mijn flat, of waterschade, die mijn kostbare papieren fotocollectie zou vernietigen. Maar dat zei ik liever niet te vaak tegen hem, want dan zou hij dat beeld van al die in de fik vliegende, smeulende, zwartgeblakerde foto’s moeilijk meer uit zijn hoofd kunnen zetten. Mijn neurotische angst voor verwoesting van mijn levenswerk sloeg gemakkelijk op hem over, en dan had ik spijt omdat ik mijn mond niet had gehouden. Als ik nog in de voormiddag uit de trein stapte, kocht ik onderweg soms een paar broodjes haring voor onze lunch, een lekkernij die hij niet gauw voor zichzelf zou kopen. Hij proefde de zilte vissmaak toch niet. Maar ik kende zijn voorkeur voor alles wat glad en soepel was en niet te erg tegenstribbelde goed genoeg om af en toe zo’n heerlijk vers harinkje voor hem te kopen bij de viskar op de hoek van de Stationsstraat en de Zuidelijke Ringweg. Op dagen met een schrale noordoostenwind kon ik het niet aanzien dat de visboer daar zo stond te blauwbekken in zijn kraam en deed ik een extra grote bestelling. Hij had dan van die dikke, rode handen, die hij voortdurend beademde om ze op te warmen onder het wachten op zijn klanten. Tegen twaalven kreeg hij het te druk om er nog op te letten hoe ontoonbaar zijn handen eruitzagen, met hun strakgetrokken, kapotte huid en hun stijve knoken die zijn bewegingen verlangzaamden. Hoe meer hij opging in het smeren van de broodjes en het strooien van de uitjes, des te minder kon het hem schelen of een klant naar de stroeve bewegingen van zijn gezwollen handen staarde of niet.”
„Unsere Liebe Frau kniete im seidenen Mantel vor der Krippe, und auf der Strohschütte lag das rosige Himmelskind, leider auch nicht mehr ganz heil, seit ich versucht hatte, ihm mit der Brennschere neue Locken zu drehen. Hinten standen Ochs und Esel und bestaunten das Wunder. Der Ochs bekam sogar ein Büschel Heu ins Maul gesteckt, aber er fraß es ja nie. Und so ist es mit allen Ochsen, sie schauen nur und schauen und begreifen rein gar nichts.Weil der Vater selber Zimmermann war, hielt er viel darauf, daß auch sein Patron, der heilige Joseph, nicht nur so herumlehnte, er dachte sich in jedem Jahr ein anderes Geschäft für ihn aus. Joseph mußte Holz hacken oder die Suppe kochen oder mit der Laterne die Hirten einweisen, die von überallher gelaufen kamen und Käse mitbrachten oder Brot oder was sonst arme Leute zu schenken haben.Es hauste freilich ein recht ungleiches Volk in unserer Krippe, ein Jäger, der zwei Wilddiebe am Strick hinter sich herzog, aber auch etliche Zinnsoldaten und der Fürst Bismarck und überhaupt alle Bestraften aus der Spielzeugkiste.Ganz zuletzt kam der Augenblick, auf den ich schon tagelang lauerte. Der Vater klemmte plötzlich meine Schwester zwischen die Knie, und ich durfte ihr das längste Haar aus dem Zopf ziehen, ein ganzes Büschel mitunter, damit man genügend Auswahl hatte, wenn dann ein golden gefiederter Engel darangeknüpft und über der Krippe aufgehängt wurde, damit er sich unmerklich drehte und wachsam umherblickte. Das Gloria sangen wir selber dazu. Es klang vielleicht ein bißchen grob in unserer breiten Mundart, aber Gott schaut seinen Kindern ja ins Herz und nicht in den Kopf oder aufs Maul. Und es ist auch gar nicht so, daß er etwa nur Latein verstünde. Mitunter stimmten wir auch noch das Lieblingslied der Mutter an, das vom Tannenbaum. Sie beklagte es ja oft, daß wir so gar keine musikalische Familie waren. Nur sie selber konnte gut singen, hinreißend schön für meine Begriffe, sie war ja auch in ihrer Jugend Kellnerin gewesen. Wir freilich kamen nie über eine Strophe hinaus. Schon bei den ersten Tönen fing die Schwester aus übergroßer Ergriffenheit zu schluchzen an. Der Vater hielt ein paar Takte länger aus, bis er endlich merkte, daß seine Weise in ein ganz anderes Lied gehörte, etwa in das von dem Kanonier auf der Wacht. Ich selber aber konnte in meinem verbohrten Grübeln, wieso denn ein Tannenbaum zur Winterzeit grüne Blätter hatte, die zweite Stimme nicht halten. Daraufhin brachte die Mutter auch mich mit einem Kopfstück zum Schweigen und sang das Lied als Solo zu Ende, wie sie es gleich hätte tun sollen. Advent, sagt man, sei die stillste Zeit im Jahr. “
Karl Heinrich Waggerl (10 december 1897 – 4 november 1973)
“Ingehouden, besmuikt hoesten hoor ik haar. En lachen tegelijk, heel kort. De lach van Marleen, even maar, verontrustend in de stilte van het huis, de lach waarmee ik niets te maken mag hebben, maar die ik toch horen moet. Er gaat me iets niet aan, dát moet ik begrijpen, maar ik weet niet hoe. Dat is mijn verontrusting. Haar lach moet me raken, ik weet het zeker, zij ook. Ik heb haar niet horen thuiskomen, ik zat in de tuin met de Muziek Expres, dacht na over een foto van Bob Dylan achter een piano, in strakke donkere kleding met een zonnebril op, geconcentreerd, alsof hij niet bij onze wereld hoorde en, voor zover ik me een voorstelling kon maken van onze wereld, ook niet bij een andere, alleen maar bij zichzelf, wat ik ook wilde, alleen maar bij mezelf horen. Ik wacht, misschien hoor ik haar nog een keer lachen, maar het blijft stil. Het is het soort stilte waarvan ik nerveus kan worden. Vader geeft college, moeder is naar een vriendin met wie ze om de twee weken over een nieuw boek praat, gesprekken waar ze het thuis niet over heeft. Meestal roept Marleen schel en dwingend: ‘Ik ben er!’ Mijn vader liep laatst de gang op en zei: ‘Wij ook, poppie.’ Ze kan er niet tegen als hij haar poppie noemt. Daarom zeg ik het ook soms: ‘Wil je je alsjeblieft niet met me bemoeien, poppie! Alsjeblieft niet, poppie!’ Ze kan potsierlijk tieren met haar ogen. Ze heeft niets geroepen, ze zal me gezien hebben, in de tuin. Ze is nu al een paar maanden het huis uit, aan het begin van de zomer is ze vertrokken, naar Arnhem, waar ze aan de kunstacademie gaat studeren. Ze heeft een kamer gevonden in de buurt van het station, aan de Sonsbeekzijde. De kamer is niet groot, maar kijkt uit over het glooiende park, een van de fraaiste stadsparken van Nederland, met een groot en statig wit huis in de verte. Het uitzicht maakt haar kamer ruim. Die kamer is het grootste gedeelte van een lage zolder in een herenhuis, eigendom van de oude mevrouw Muskens, die om de maand in het zuiden van Engeland woont, bij Lyme Regis (foto in de hal: uitzicht op zee in ochtendmist), en graag wil dat het huis er dan levendig uitziet, alsof het bewoond is. Marleen mag in die periodes ook zitten in de koel geurende woonkamer van mevrouw Muskens vol herinneringen aan Nederlands- Indië waar ze op de eerste dag van de twintigste eeuw werd geboren, in een klein ziekenhuis ergens in een groen paradijs op West-Sumatra.”
Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Eileen Myles werd geboren in Boston, Massachusetts, op 9 december 1949. Zie ook alle tags voor Eileen Myles op dit blog.
Ons geluk
was het toen de lichten uit waren
de hele stad in het donker
& we naar het noorden reden naar het gele appartement van onze vrienden waar ze stroom hadden & wij konden werken
later bleven we in het verduisterde appartement jij ziek in bed & ik ambitieus schrijvend bij kaarslicht in dunne blauwe boekjes
je buurman had een generator & na een tijdje hadden we een klein beetje licht
ik liet de hond uit & jij was nog een klein beetje ziek
we zaten op een stoepje op een dag laat in de middag we hadden heel weinig geld. genoeg voor een sterke cappuccino die we daar zittend deelden & plotseling was de stad verlicht.
“Ze laat zich voorzichtig zakken op de rand van het kinderbed, houdt een hand boven het meisje zonder het aan te raken. Warmtebron: de lucht boven de deken gloeit. Ze kijkt op haar telefoon. WhatsApp van Alice: ‘Staat woensdag nog, schatje?’ Sms’je van ouders: ‘Dag lieverd, alles goed met jullie?’ Facebook: vier nieuwe likes voor de foto van vanmiddag waarop Lydia appelmoes eet — achtergrond: de opkomende zon boven het water, liet uitzicht vanuit hun huiskamer. Hier nog even blijven genieten van haar geluk of iets nuttigs gaan doen? Achterstallige administratie? Ze staat op, verlaat de kinderkamer. De gang is donker. Ze tast langs de muur om het begin van de trapleuning te vinden en schrikt. Beweging in haar ooghoek. Haar vingers vinden de lichtschakelaar. Het spook ontmaskerd. Ze zucht beschaamd als ze ziet wat het is: een laken aan het wasrek, misschien wel door haarzelf in beweging gebracht, door de lucht die zij verplaatste. Dit huis is haar te groot. Twee verdiepingen zo vol kamers, dat zelfs wanneer ze alle drie thuis zijn, er ten minste vier ruimtes onbemand blijven. Papa stond erop, destijds. ‘Je blijft toch niet In zo’n studentenhok zitten zweten? Jullie verdienen allebei goed, neem het er dan van. Met kinderen in huis heb je ruimte nodig.’ Waar is Philip? Daar, op de bank nog steeds. Het journaal van acht uur inmiddels. Zou zij ook even voor moeten gaan zitten, in verband met werk. Ze ploft naast hem neer, hand op zijn been, hij omklemt met zijn vuist haar pink. ‘…kunnen de illegale asielzoekers,’ zegt de nieuwslezer, ‘niet langer opgevangen worden in de voormalige bunker onder het…’ Zin in morgen. Geen zin in morgen. Zin in morgen. Geen zin in morgen. Elke zondagavond hetzelfde. Heen en weer geslingerd tussen de hevige behoefte alleen maar titer te zijn, hier thuis, bij de twee mensen van wie ze het meest houdt, en aan de andere kant de drang om de wereld in te trekken, zich niet te laten ketenen door het gezinsleven. ‘…naast het slachtoffer,’ zegt de nieuwslezer, ‘een honkbalknuppel aangetroffen, waarmee het hoofdletsel vermoedelijk…’ Aan het eind van de werkweek, na de uitzending op vrijdagavond, weet ze niet hoe gauw ze de slotborrel moet verlaten om naar huis te gaan, en tegelijk valt het afscheid van haar collega’s haar altijd zwaar, al hoeft ze hen maar twee dagen te missen. Op zondagavond razen de onderwerpen voor de komende week alweer door haar hoofd, maakt ze plannen, heeft ze enorm veel zin—en tegelijkertijd wil ze niet, wil ze niet vroeg op hoeven staan, Lydia naar de crèche brengen, naar haar werk fietsen. Haar zo kwetsbare oase achterlaten. Ze streelt Philips bebaarde wangen. Keel, adamsappel. Zijn hals, laat haar nagels over de haartjes knisperen, hij zegt: ‘Auw’, en: ‘Niet tegen de haarrichting in’, en ze verplaatst haar vingers naar zijn hoofdhaar, dat vol is en zacht. Zo lang samen, nog altijd iets te leren. Het nieuws is afgelopen. Volume omlaag. Ze bespreken de aanstaande week. Vergaderen, je kunt het overal doen, ook thuis. ‘…haal ik Lydia dinsdag van de opvang, en als jij dan de bood-‘ ’terwijl ze praten glijdt haar wijsvinger over het scherm van haar iPhone. Ray op de Facebook-chat: ‘Kun jij morgen die dvd-box van The Hunters meenemen?’ ‘
De geest is een stad als Londen, Rokerig en dichtbevolkt: het is een hoofdstad Net als Rome, verwoest en eeuwig, Gemarkeerd door de monumenten die niemand Zich nu herinnert. Want de geest bevat, net als Rome Catacomben, aquaducten, amfitheaters, paleizen, Kerken en ruiterstandbeelden, gevallen, gebroken of vervuild. De geest bezit en wordt bezeten door alle ruïnes Van de gedenktekens van elke spookachtige, opgejaagde generatie.
“Noem ons wat je wilt: we zijn zo gemaakt door liefde.” We zijn zulke spetters waar dromen van gemaakt worden, en Onze kleine levens worden geregeerd door de goden, door Pan, Die fluit bij iedereen, die alle druiven probeert te grijpen Of grijpt; en door de pijl en boog god, Cupido, die het hart doorboort, plotseling en voor altijd.
Schemering zijn we, naar de schemering terugkerend, na het kabbelen, Na de gouden val, de gevallen as, het brons, Verspreid en verrot, na de witte miezerige standbeelden die Zijn winter, slaap en wezenloosheid: wanneer Zal de huisverlichting van het universum Oplichten en gloeien? ………………………………..Want het is niet de zee Die ruist in een schelp, En het is niet alleen het hart, op het uur van de harp, Het is de gevreesde terreur van de oncontroleerbare Paarden van de Apocalyps, die draven in wilde angst Op weg naar Arcturus – en net zo plotseling terugkeren…
De Duits-Oostenrijkse schrijver, presentator en cabaretier Dirk Stermann werd geboren op 7 december 1965 in Duisburg. Zie ook alle tags voor Dirk Stermann op dit blog.
Uit: Der Hammer
„In einer Zeit, als es noch Abenteuer gab und fremde Welten, als die eigene Welt noch klein war und deshalb groß, lag in Graz eine Frau im Bett und wartete unter Schmerzen auf die Wehmutter, die nicht kam. Es war der neunte Juni siebzehnhundertvierundsiebzig. Ihr Mann Josef war Gubernialrat und seit Tagen in der Krain und in Oberkärnten auf Jesuitengütern unterwegs, um Steuern ein-zutreiben. Ninette, wie man Anna Hammer rief, war keine zwanzig Jahre alt und wischte sich selbst den Schweiß von der Stirn. Im Bett war es feucht, als hätte sich etwas aus ihr heraus entleert. Sie erschrak. Ihr Unterleib krampfte. Noch war es dunkel. Sie hatte sich zur Tür der Nachbarn geschleppt, als die Schmerzen zu groß geworden waren. Margarete, die Frau des Gelbgießers Egger, hatte ihr versprochen, nach der Wehmutter zu suchen. Sie selbst war kinderlos und traute es sich nicht zu, ihrer Nachbarin eine Hilfe zu sein. Wieder schrie Ninette auf. Das Kind in ihr gebärdete sich wie toll. Wie lang war Margarete schon fort? Ninette versuchte sich abzulenken, indem sie in Gedanken dem Weg folgte, den Margarete auf der Suche nach der Wehmutter nehmen musste. Beim Perückenmacher Gränäthä vorbei, beim Haus des Schlossbergtürmers Weeß die Gasse nach links, dort wohnte der Schiffklampfelmacher Fallwein. Dann der Wachskezzler Honig, der Kartenmaler Fetscher der Landschaftssprachmeister Nikolaus Napee. Um die Ecke der Kotzenmacher Gissl, von dem sie die grobe, zottelige Wolldecke gekauft hatten, die ihr zu schwer geworden war. Sie hatte sie in ihrem Bett weggestoßen. Der Stockfischwässerer Eybl, der Schön- und Schwarzfärber Wallgram, der Geisterbrenner Schärfer, der Zischmenmacher, der nur Ungarisch sprach, der Kapaunhändler Paull und der Wachsbossierer Pauliel. Dann links die Brüder Germain, die Pfeifenkopferzeuger, die ihre eigenen Pfeifen nur zum Essen aus dem Mund nahmen und nur aßen, um danach wieder rauchen zu können. Dort wohnte der Wochennmelbler Fuchs mit seiner Frau, der Wehmutter. Vielleicht hatte sie ihn auf einen der Wochenmärkte begleiten müssen? Fuchs war als Weinhändler viel unterwegs. Oder war Margarete gar nicht losgegangen, die Wehmutter zu rufen? Margarete war schon bald vierzig und hatte dem Gelbgießer Egger noch immer keinen Sohn geschenkt. Oft hatte Ninette das Gefühl, dass die Eggerin ihr neidische Blicke zuwarf. Sie traute ihrer Nachbarin zu, dass sie sich wieder hingelegt hatte, missgünstig grinsend, eine böse Frau. Im Haus der Hammers lebten noch der Kleinuhrmacher Khopp und der Salpetersieder Geyer, beide Großkunden des Geisterbrenners Schäffer. Ihnen traute sie daher nicht über den Weg. Ständig stritten sie sich betrunken, ob es Graz oder Grätz heißen müsse. Khopp trank so viel, dass er stark zitterte. Er bekam seine Kleinuhren kaum mehr in den Griff, was dazu führte, dass er aus Verzweiflung noch mehr trank.“
Achter de omgekeerde ruggen van de heuvels hoor ik nog altijd de hoest van motors die plots zwenken en de blauwe rook van de lucht is de blauwe rook van geweren en de grauw- blauwe rook van de jaren. En er is daar een gezang dat ik mij rekkend wil bereiken, een harmonie van razernij die mij lieflijker toeklinkt dan om het even welke liefde. Maar de heuvels zijn hoog, hoger dan mijn begerig hart, en mijn voeten zijn verstrikt in de wieren. Soms lijkt het alsof ik een phut-phut-phut hoor als een kind dat knalt met een kinderlijk speelgoedgeweer en ik weet dat de verre kogels opnieuw zoeken naar de levenden tussen de gebeenten. Maar er zijn daar geen levenden meer, alleen doden, en zij zijn dood zoals ik dood ben, alhoewel ik ademhaal en mijn gehuil is dat van een wolf tussen de schedels en mijn stap is die van een schaduw in een plek van uilen.
Vertaald door Hugo Claus
Tatamkhulu Afrika (7 december 1920 – 23 december 2002)