Anton Koolhaas, Chinua Achebe

De Nederlandse schrijver Anton Koolhaas werd op 16 november 1912 in Utrecht geboren. Zie ook alle tags voor Anton Koolhaas op dit blog.

Uit: Fame, Fortune and the Ant (Vertaald door Iain Macintyre)

“He woke up in the middle of the night and at first had no idea where he was. But he soon remembered es erg thing. Often things that are still more or less formless when we fall asleep are suddenly equipped with a clear solution the next morning.
He would push the sugar cube to the biggest anthill in the world, make his entrance unannounced, and show all the ants in the anthill once and for all what an ant can do! Yes, it would be an incredible achievement. First, he would have to shift it halfway across the city (the Supreme Court was right in the middle), then make his way down the long road to the forest, to where the biggest anthill in the world was (right in the middle again). In fact, it was a plan that only the strongest ant in the world could have countenanced. Sugar is energy, which was just as well. Once he had made his plans, he ate some sugar from the cube and was soon impatient to start his journey. He decided to keep pushing at the short end of the sugar cube, because if he bumped into some obstacle or other he wouldn’t have to run along the full length of the cube to see what it was, but just part of the short side! And he would only eat from the place where he was pushing. That would create a little hollow, of course, but most of the ants who saw him arrive would hardly accuse him of any deception, since the chance that they had ever even seen an entire double sugar cube was extremely remote, and those who had would doubtless find the whole affair that much more interesting, because they could point this out to the others. At half past six in the morning the ant dis-lodged the sugar cube from the bottom step and began to push against the narrow side, off towards the road that led to the forest. It was a year later when he reached the road. Already he was slightly deformed from all the pushing. His poor legs. always braced with all their might at loll stretch, had developed balloon-like calves – something never seen even on the most industrious ant; his eyes were glazed over. the extent of his terrible experiences far eclipsed those of any soldier at the front. The only way he could count himself lucky was that the great highway was no longer concrete. It had been asphalted some time before. But in the meantime he had eaten so much sugar from the area where he was pushing that a hole had been created, in which he had disappeared, so deep that only two legs still protruded as he pushed against the asphalt he now encountered. He had to eat away at the floor of the hole to regain the use of all his legs. This made the sugar cube a rather sorry sight, and not just to the expert eye. On the other hand, on his travels through the city, he had come across several hundred ants who had quizzed him about his purpose for the past two months, and some of them had even come up to him and said: ‘Sir, you must be the ant who is on his way with the double sugar cube,’ ‘Indeed, I am’ – had been his only response.”

 

Anton Koolhaas (16 november 1912 – 16 december 1992)

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

 

Vlinder

Snelheid is geweld
Macht is geweld
Gewicht is geweld

De vlinder zoekt veiligheid in lichtheid
In gewichtloze, golvende vlucht

Maar op een kruispunt waar gevlekt licht
Van bomen op een onbezonnen nieuwe snelweg valt
Ontmoeten onze convergerende territoria elkaar

Ik met genoeg kracht voor twee
En de tere vlinder biedt
Zichzelf aan als felgele offergave
Op mijn harde siliconen schild.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Chinua Achebe (16 november 1930 – 21 maart 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e november ook mijn blog van 16 november 2018 en eveneens mijn blog van 16 november 2014 deel 2.

Clemens J. Setz, Ted Berrigan

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Clemens J. Setz werd geboren op 15 november 1982 in Graz. Zie ook alle tags voor Clemens J. Setz op dit blog.

Uit: Der Trost runder Dinge (Südliches Lazarettfeld)

„Ich weiß noch, dass ich an dem Tag recht früh erwachte. An Träume erinnere ich mich nicht. Ich zog mich an und trat auf den Balkon. Es wurde gerade hell, aber die Sonne war noch nicht ganz aufgegangen. Ein leichter Wind bewegte die Katzenminze. Ich rauchte eine Zigarette und studierte dabei eine dämmerungsträge Spinne, die etwas oberhalb des Geländers in ihrem schon halb aufgegebenen Nachtnetz hing. Es war später März, und auf der Hausmauer war viel los. Die Feuerwanzen klebten schon wieder am Hinterteil zusammen.
Unten im noch dunklen Garten waren Autos geparkt mit aktivierten Sicherheitssystemen: Hinter jeder Windschutzscheibe blinkte eine kleine Raumstation. Ein Specht bearbeitete einen Baumstamm, aber er war schlecht synchronisiert, das Klopfen passte nicht zu seinen Kopfbewegungen. Er hüpfte mehrere Äste ab und maß dem Baum den Puls. Ich bekam davon ein mulmiges Gefühl, wie Durst, und ging zurück in die Wohnung, um etwas zu trinken. Wie immer, wenn man ein volles Glas Wasser durch einen Raum trägt, ohne dass es überschwappt, befiel mich das leicht übernatürliche Fernlenkgefühl. Selbst wenn ich versuchte, absichtlich ein bisschen Wasser zu verschütten, hielt mein inneres Lot irgendwie dagegen und glich alles aus. Zu Mittag würde ich nach Kanada fliegen, für vier Wochen. Es war der Flug OS 4977.
Für den Vormittag war Föhnwind vorhergesagt. Ich schaute mir Wetterseiten im Internet an und betrachtete später unser holzgeschnitztes Barometer im Vorzimmer. Es bestand aus zwei tanzenden Bauersleuten, einem Mann und einer Frau, und je nach Luftdruck verschwand einer von beiden in das Gehäuse. Zu keiner Zeit war es ihnen erlaubt, sich gemeinsam in ihrem Heim aufzuhalten. Wie fast jeden Morgen befiel mich beim An-blick des altertümlichen Messgeräts die Gewissheit, dass die sich ins Häuschen zurückdrehende Figur, sobald sie um die Ecke bog und unsichtbar wurde, in einer anderen, weit entfernten Wohnung, wenn nicht überhaupt auf einem ganz anderen Kontinent oder Planeten, in Erscheinung treten würde.
Ich kontrollierte die Zeit. Noch etwa eine Stunde, dann ging es los, Taxi, Flughafen, warten, dann fast einen halben Tag oben im Loch. Es half nicht viel, dass man aus dem Flugzeugfenster Wolkenfelder und den endlosen Atlantik würde sehen können, man war abgeschnitten von der Welt, man erstreckte sich nicht mehr. Ich hörte, dass meine Frau aufgestanden war: Im Schlaf-zimmer wurden alle über Nacht aufgerollten Teppichecken heruntergeklappt. Dann lief sie, ohne mich zu bemerken, an mir vorbei, und im Raum roch es für einen Augenblick nach et-was lang Vergangenem, nach Adventskalender oder Dinosaurierbuch.“

 

Clemens J. Setz (Graz, 15 november 1982)

 

De Amerikaanse dichter Ted Berrigan werd geboren op 15 november 1934 in Providence, Rhode Island. Zie ook alle tags voor Ted Berrigan op dit blog.

 

De sonnetten: XLI

rond stotend in een sigaret, ze is niet “verliefd”
mijn droom een drankje met Ira Hayes wij bespreken de code van het westen
mijn handen vrijen met mijn lichaam als ik mijn armen om je heen sla
je vertelt me nooit hoe je heet
en ik ben gedwongen ‘buik’ te schrijven als ik ‘liefde’ bedoel
Au revoir, scène!
Ik word wakker, lees, schrijf lange brieven en
dwaal rusteloos rond als de bladeren waaien
mijn droom een verfrommelde hoorn
voorafgaand aan de gebroken arm
zij mompelt iets over wenken voor haar vingers
huilt in de ochtend om zo geketend door liefde wakker te worden
Ik niet. Ik hou ervan mensen in elkaar te slaan.
Mijn droom een witte boom

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ted Berrigan (15 november 1934 – 4 juli 1983)

 

Voor nog meer schrijvers van de 15e november zie ook mijn blog van 15 november 2018 en eveneens mijn blog van 15 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Olga Grjasnowa, Juan S. Guse

De Duitse schrijfster Olga Grjasnowa werd geboren op 14 november 1984 in Baku  Azerbeidzjan, in een Russisch-joodse familie. Haar vader werkte als advocaat en haar moeder als muzikante. In 1996 verhuisde het gezin als “quotavluchtelingen” naar Hessen, waar Grjasnowa op elfjarige leeftijd Duits leerde en eindexamen deed aan de school in Friedberg. Vanaf 2005 studeerde ze eerst kunstgeschiedenis en Slavische studies in Göttingen. Daarna stapte ze echter over naar het Duitse Literatuurinstituut in Leipzig om “Literair Schrijven” te studeren, waar ze in 2010 haar bachelorsdiploma behaalde. Na studiebezoeken aan Polen, Rusland (Maxim Gorki Literatuur Instituut) en Israël, studeerde Grjasnowa danswetenschappen aan de Vrije Universiteit van Berlijn. Ze is lid van het PEN Center Duitsland en het Goethe Instituut. Olga Grjasnowa woont in Berlijn en is getrouwd met de in Syrië geboren acteur Ayham Majid Agha. Grjasnowa nam deel aan de “Klagenfurt Literatuurcursus” in 2007. In 2008 ontving ze een beurs van de Rosa Luxemburg Stiftung. In 2010 bezocht ze de Jürgen Ponto schrijfworkshop. In hetzelfde jaar ontving ze de toneelschrijversprijs van de “Wiener Wortstätten” voor haar debuutspel “Mitfühlende Deutsche”. In 2011 ontving ze een beurs van de Robert Bosch Stiftung en in 2012 de Hermann Lenz-beurs. Haar debuutroman “Der Russe ist einer, der Birken liebt”, verscheen in 2012 en trok onmiddellijk de aandacht en werd lovend besproken. In 2014 publiceerde ze haar roman “Die juristische Unschärfe einer Ehe”. Beide romans werdenals stuk opgevoerd in het Maxim Gorki Theater. In 2016 ontving ze een beurs van zeven maanden van de Tarabya Kültür Akademisi  in Istanboel. In 2017 werd “Gott ist nicht schüchtern” gepubliceerd en vierde het zijn première in het Berliner Ensemble in 2020. In 2020 verscheen haar vierde roman “Der Verlorene Sohn”, waarvoor ze opnieuw beurzen had ontvangen.

Uit: Gott ist nicht schüchtern

„Durch das Bullauge des Flugzeugs sind bereits die ersten Felder zu sehen, ihnen folgt ein Häusermeer und ver-schwindet wieder, dann schwenkt die Tragfläche nach oben, und durch das Fenster ist nur noch das Himmelblau zu se-hen. Der Flügel senkt sich wieder, und Hammoudi sieht ein von der Sonne verbranntes Feld. Die Räder setzen unsanft auf.
Der internationale Flughafen von Damaskus hat sich seit Hammoudis letztem Besuch kaum verändert. Hinter den Kabinen, von denen die Farbe abblättert, stehen dieselben schlechtgelaunten Grenzbeamten wie immer. Mürrisch mus-tern sie seinen Pass und machen ihn darauf aufmerksam, dass er in ein paar Tagen abläuft.
»Deswegen bin ich ja hier«, sagt Hammoudi. Der Grenz-beamte in seiner schlechtsitzenden Uniform scheucht ihn fort.
Hammoudi ist gerne in Syrien, doch stets unter Vorbe-halt: Sein ganzes Leben lang wurde ihm eingetrichtert, dass es hier keine Zukunft gebe und er spätestens nach dem Stu-dium nach Kanada, Australien oder Europa auswandern sollte. Das Leben, das er in Syrien gelebt hatte, hat diese Vor-behalte bestätigt.
Das Gepäck lässt lange auf sich warten. Mehrere Groß-familien werden ungeduldig; Kinder quengeln; ein Herr mit graumeliertem Haar zündet sich eine Zigarette an und wird
vom Wachpersonal ermahnt; Putzfrauen laufen betont lang-sam mit ihren Wassereimern hin und her, ohne etwas zu put-zen. Als das Licht über dem Gepäckband endlich rot auf-blinkt, scharen sich alle um den Ausgabepunkt und versuchen, sich einen strategisch günstigen Platz zu sichern, wobei zwei blonde Männer mit rötlichem Bart, die laut Schweizer-deutsch miteinander sprechen, am Ende siegen. Als das Ka-russell sich endlich in Bewegung setzt, geht ein Raunen durch die Menge. Das Gepäck wird schnell vom Band ge-nommen. Taschen, Koffer aus unterschiedlichsten Materia-lien, Bündel, Rucksäcke und Kartons werden geschultert, auf die Gepäckwagen gelegt und euphorisch in Richtung des Ausganges geschoben.
Hinter der Absperrung in der Ankunftshalle steht eine Masse von Menschen, die nach ihren Verwandten und Freunden Ausschau halten und auf diese zustürmen, sobald die Tür zur Gepäckausgabe sich einen Spalt breit öffnet. Ein Polizist ermahnt sie immer wieder, nicht zu nahe an die Tür zu kommen. Auf den Gesichtern wechseln sich in kurzen Abständen Freude, Neugierde und Bestürzung ab. Kinder mit Luftballons in den Händen stehen ratlos herum, Babys, deren Väter mit Blumensträußen winken, reiben sich vor Müdigkeit die Augen.“

 

Olga Grjasnowa (Baku, 14 november 1984)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver van Argentijnse afkomst Juan Sebastian Guse werd geboren in 1989 in Seligenstadt. Guse groeide op in het Rijn-Main-gebied en voltooide aanvankelijk een cursus creatief schrijven aan de universiteit van Hildesheim. Daarna begon hij moderne Duitse literatuur en sociologie te studeren aan de universiteit van Hannover. In 2012 won Guse de Berlijnse literaire wedstrijd open mike met zijn verhaal “Pelusa”. Met zijn 23 jaar was hij een van de jongste deelnemers. Zijn debuutroman “Lärm und Wälder” werd in 2015 gepubliceerd. Daarnaast was Guse co-redacteur van het literaire tijdschrift BELLA triste en maakte hij deel uit van de artistieke leiding van het literatuurfestival Prosanova 2014. In 2014 werkte hij drie maanden als vrijwilliger op de redactieafdeling van Suhrkamp Verlag en schreef hij af en toe voor de filmrubriek van de Frankfurter Allgemeine Zeitung.

Uit: Lärm und Wälder

„Es ist ein heißer Tag, der die Dinge durchsichtig und unfass-bar klar erscheinen lässt, ein Tag wie eine Erinnerung, die mit einem Mal aus unendlicher Tiefe steigt, als Pelusa sich in großer Eile von den Mitgliedern der Joyce Meyer Minis-tries Gemeinde verabschiedet, in ihren Wagen springt und losfährt.
Der Asphalt der vierspurigen Hauptstraße, die zu den Eingangstoren der Nachbarschaften West führt, ist weltall-schwarz und die Fahrbahnmarkierung leuchtend gelb. Die Luftspiegelungen über der Straße vermitteln den Eindruck großer Löcher, die in ein unbekanntes, diesiges Nichts füh-ren. Die Hitze macht die Reifen weich und geschmeidig. Es herrscht eine unbeschreibliche Ruhe, obwohl gerade einige Gärtner ihre Rasenmäher über den Grasstreifen zwischen den beiden Fahrbahnen schieben, auf dem sich Bäume in re-gelmäßigen Abständen abwechseln – Palme, Akazie, Palme, Akazie. Vorbei an zahlreichen teureren Nachbarschaften fährt Pelusa bis an den äußersten Rand von Nordelta, wo ihre Nachbarschaft La Lansia liegt.
Pelusa kratzt sich hinterm Ohr. Eigentlich hat sie es eilig, doch das Tempolimit verbietet es ihr, schneller zu fahren, während auf dem Radweg neben der Straße eine Gruppe drahtiger alter Männer auf Rennrädern Kolonne fährt. Sie tragen kontrasterhöhende Sportsonnenbrillen und haben dunkelbraune, straff gespannte Haut. Der Hinterste greift nach der in einer Halterung am Rahmen befestigten Trink-flasche, richtet sich auf und spritzt sich freihändig fahrend blaue Flüssigkeit in den offenen Mund. Sie alle ziehen an Pelusas Fenster vorbei und verschwinden im Rückspiegel. Pelusa fährt genau achtzig. Auf der Straße sind nur wenige Autos. Sie überholt niemanden und niemand überholt sie. Alle Wagen treiben die Straße hinunter. Alle treiben gleich-zeitig.
Sie fährt von der Hauptstraße ab und auf ihre Nachbar-schaft zu, die hinter dem neoklassischen Eingangstor be-ginnt. Im Glashäuschen des Eingangstores sitzen die Wach-männer in ihren schwarzen Hosen, mit ihren Lackschuhen, ihren weißen Hemden, den goldenen Ansteckern in Form einer im Wind flatternden Flagge, den Sonnenbrillen und den Kappen, auf denen in Serifenschrift NORDELTA steht. Vor ihnen die Monitore.
Pelusa hält ihren Bewohnerausweis über die mattgraue Magnetfläche und grüßt das Personal. Ihre Angst davor, das grüne Licht nicht aufleuchten zu sehen, wird sie vermutlich nie ablegen können. Jedes Mal tagträumt sie davon, einen Alarm auszulösen, und sieht sich schon von bewaffneten Wachmännern umstellt, die sie an den Haaren aus dem Wa-gen zerren und ihr mit Knüppeln ins Gesicht schlagen. Doch nichts ertönt; lautlos hebt sich die Schranke. Mit dem Zucken ihres Handgelenks richtet sie eine abschließende Geste des Grußes an die jungen Wachmänner und drückt leicht auf das Gaspedal, so dass der Wagen sanft anrollt und man nur am hypnotischen Schwingen des kleinen Holz-kreuzes, das vom Rückspiegel herabhängt, erkennen kann, dass sich der Wagen in Bewegung gesetzt hat.“

 

Juan S. Guse (Seligenstadt, 1989)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e november ook  mijn blog van 14 november 2018 en eveneens mijn blog van 14 november 2015 deel 2.

Norbert Krapf

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Norbert Krapf werd geboren op 14 november 1943 in Jasper, Indiana. Zie ook alle tags voor Norbert Krapf op dit blog.

 

Georgia O’Keefe’s Mountain

As I sat listening, eyes sometimes
closed, to young writers read songs

they heard wanting to be sung,
I suddenly looked up and saw,

through the window, the flat-
topped mountain called Pedernal

that Georgia O’Keefe loved to paint.
“If I painted it enough,” Georgia

said, “I thought God might give
it to me.” And She did.

The mountain became Georgia’s
because she gave herself to it

and recreated it for all of us.
Georgia’s eyes and brush

created a Pedernal that
became ours to behold.

As I gazed at that mountain
that God gave to Georgia

so she could give it to us,
I noticed close to the window

light-filled, heart-shaped leaves
on a cottonwood, rooted in winter

sunlight, ablaze as if in a vision
of medieval mystic Hildegaard

of Bingen, who gives us the power
to open our eyes to everyday

beauty waiting to be seen,
cherished, and shared.

 

Garip and the Clouds
for Helmut and Garip

In the back of his Erlangen grocery store behind
a screen at a table with a miniature Turkish
carpet and a dish of figs, dates, apricots and grapes
Garib reads, at our request, a poem. He tells how

he came into the world buck naked and so
he would not freeze, his mother reached
for a tattered blanket, found none, and wrapped
him in clouds. Ever since then, the clouds

have pulled him along and he is somewhere
between clouds and deep blue seas, between
Asia and Europe. “Don’t ask me about home.
Do the clouds or the deep blue sea claim me?

Do I belong here or there?” He brings us a bottle
of Turkish wine called Villa Doloca made of a grape
named The Eye of the Ox, and we drink until we float
between continents like clouds drifting in the wind.

Together we toast a life lived between continents
and countries where wine and poetry and music
and food bring people together and make time
stop at the intersection where human life begins.

 

Avondlied
(naar Matthias Claudius, 1740-1815)

De maan is opgekomen,
de kleine gouden sterren schijnen
helder en duidelijk in de hemel.
De bossen zijn zwart en stil
en de witte mist stijgt mysterieus
uit de weilanden op.

Hoe stil is de wereld
en knus en lieflijk,
beschut door de schemering,
als een stille kamer
waar je rustig in kunt slapen
en de ellende van de dag vergeten.

Zie je de maan daarboven?
Je kunt er maar de helft van zien,
toch is zij rond en mooi.
Zo zijn er eigenlijk veel dingen
waar we te gemakkelijk om lachen,
omdat we ze niet kunnen zien.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Norbert Krapf (Jasper, 14 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e november ook mijn blog van 14 november 2018 en eveneens mijn blog van 14 november 2015 deel 2.

Frank Westerman, Timo Berger

De Nederlandse schrijver en journalist Frank Martin Westerman werd geboren in Emmen op 13 november 1964. Zie ook alle tags voor Frank Westerman op dit blog.

Uit: De wereld volgens Darp

“Vlak voordat de Varkensbaai in het vizier komt, “” ik iets over het wegdek schieten. Iets kleins en beweeglijks. Hoewel ik rem hoor ik onder mijn autobanden een licht gekraak. Krkk krrkk.
Dus híérvoor ben ik gewaarschuwd – al had ik het niet verstaan. ‘Cuidado , hè. Oppassen,’ had de pompbediende gezegd bij de afslag van de A1, de door de Sovjets aangelegde autopista. ‘Vooral dicht bij zee.’ Onder het tanken bekeek hij mijn zwarte huurjeep, een Suzuki.
Ik wilde zijn waarschuwing in de wind slaan door op te merken dat de cia sinds de mislukte Varkensbaai-invasie toch nergens meer een voet aan wal heeft op Cuba. Maar dat is buiten Guantánamo Bay gerekend, de Amerikaanse legerbasis en is-gevangenis op de westpunt van het eiland.
‘Zal ik doen,’ zei ik.
‘Er zijn daar veel… (onverstaanbaar),’ merkte de pompbediende op.
‘Animales ?’ gokte ik. ‘Op de weg?’ Ik dacht aan loslopende koeien. Geiten misschien.
‘Sí ! Ze kunnen je banden lekprikken.’ De pompbediende maakte een handgebaar dat ik niet kon thuisbrengen.
Egels? Stekelvarkens?
Tussen het tankstation en de Varkensbaai strekt zich het Zapatamoeras uit, de habitat van de ruitkrokodil: ‘een stevige, agressieve soort/kan ver uit het water omhoogspringen en langsvliegende vogels uit de lucht pakken’ – aldus het Wereldnatuurfonds.
De afslag voerde me eerst nog door het dorp Australië – vol billboards op de straathoeken.
dit was het hoofdkwartier vanwaar comandante fidel de tegenaanval aanvoerde.
Net buiten Australië begon een strekdam van twintig kilometer door het moeras, een liniaalrecht dijkje waarop twee paard-en-wagens elkaar net konden passeren. Halverwege kondigde zich een krokodillenranch aan en een van Fidels favoriete vissersdatsja’s.
De bermheroïek nam in dichtheid toe: alhier bracht het cubaanse volk het yankee-imperialisme zijn eerste grote nederlaag in latijns-amerika toe. De leuzen waren verluchtigd met Cubaanse vlaggen en silhouetten van tanks.
yo soy fidel – ik ben fid(e)el.
Voorbij dit bord begon het gekraak. Ik minderde vaart en zag toen pas wat ik plette. Krabbetjes. Iel gebouwde, hoogpotige cangrejos. Grijs dekschild, oranje scharen.
Hoe traag ik ook rijd, hoe ik ook laveer, ik kan ze niet allemaal ontwijken. Het zijn er tientallen. Honderden. De meeste houden zich tot het laatst toe gedeisd. Ik kan hun koolzwarte ogen op steeltjes onderscheiden. Ze zien een groot gevaar op zich afrazen. Hun enige uitweg is zijwaarts wegrennen, maar ik weet niet welke kant ze zullen kiezen: links of rechts.”

 

Frank Westerman (Emmen, 13 november 1964)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Timo Berger werd geboren op 13 november 1974 in Stuttgart. Zie ook alle tags voor Timo Berger op dit blog.

 

Technologieverliezen

Ze gaat met haar gedichten op de geheugenstick
wandelen, splitst metaforen op in meer dan
twee megapixels

De liedjes uit haar geheugen geript en
vrij zwevend in genetwerkte werelden

Ze heeft een spamfilter gemaakt
zodat zich een bekende afzender
niet meer in haar verzen smokkelt

Mobiel en 24 uur online, sinds gisteren
weer in de chat van eenzame harten

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Timo Berger (Stuttgart, 13 november 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e november ook mijn blog van 13 november 2018 en ook mijn blog van 13 november 2017 en eveneens mijn blog van 13 november 2016 deel 2.

Daniël Dee, Hans Magnus Enzensberger

De Nederlandse dichter Daniël Dee werd geboren op 12 november 1975 in Empangeni, Zuid-Afrika. Zie ook alle tags voor Daniël Dee op dit blog.

 

Urban legend in de supermarkt

Als je toch naar de supermarkt gaat neem dan wat liefde voor me
mee, maar niet die goedkope van de Euro Shopper.

In Holland staat een supermarkt. En ze gaat in haar eentje naar de
supermarkt, op het moment dat een verloofde haar vriend in het bos
ziet bungelen aan een boom boven de auto waar ze op hem had
gewacht.

Het verhaal gaat dat er ooit een vakkenvuller heeft staan dansen bij
het toiletpapier, omdat een caissière met hem uit wilde gaan. Zo zijn
er meer fantastische verhalen.

In een ander huis wordt een babysitter keer op keer gebeld door een
onbekende die meldt dat ze naar de kinderen moet kijken…

Alles veramerikaniseert daarom koopt ze geen chocoladebroodjes bij
de broodafdeling, omdat ze niet in de plastic zakjes passen. Als ze
net iets te lang naar de tijdschriften staart, steelt iemand haar
winkelwagentje.

Het is niet leuk om single te zijn, het is onhandig. De maatschappij
is niet berekend op vrijgezellen. Elk product dat je koopt in de
supermarkt is voor minimaal twee personen of meer bedoeld.

Jaloezie voor alle moeders met hetzelfde masker van liefde voor hun
pasgeborenen. Jaloezie voor hangende pubers die gulzig goedkope
Lambrusco inslaan.

Ze snapt wel dat er soms mensen doordraaien en met een uzi of
ander semi-automatisch wapen een supermarkt inlopen. Het zijn die
hufters die stralen van hun eigen zelfvoldane gelijk die je tot het
uiterste drijven.

Ze probeert uit alle macht niet te denken aan een supermarktinfarct
met zuchtende sissende klanten aan de kassa. Ze denkt er toch aan.
Op de hoek van mijn straat, voor de supermarkt zit een zwerver. De
armzalige sloeber heeft een kartonnen bordje voor zich gestald met
de tekst: ‘Twee vrouwen en een kind te onderhouden.’

Twee vrachtwagens komen in botsing. De achterdeuren van de een
klappen open. Apenkadavers rollen de straat in. Een onbemand
winkelwagentje rolt de parkeerplaats af.

 

Daniël Dee (Empangeni, 12 november 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

De nieuwe mens

Deze nieuwe mens
ziet er vreemd uit.

Aangenaam,
deze ongelijkenis.

“Helemaal z’n vader.”
Hopelijk niet.

Hij werkt hard,
brengt geluid voort.

Wij komen er niet achter,
wat hij wil.

Ademt, verteert,
kruipt, jammert.

aarzelend ontdekt hij
de Tweeëenheid.

Klautert aan woorden
omhoog, oefent

schommelen, wippen,
stoutmoedigheid, angst.

Op een dag, slimmer
dan wij, verbluft hij ons.

Dan, terwijl wij
langzaam sterven,

gaat hij ons, onstuitbaar,
steeds meer gelijken.

 

Vertaald door Monique de Waal

 

Hans Magnus Enzensberger (Kaufbeuren, 11 november 1929)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e november ook mijn blog van 12 november 2018 en ook mijn blog van 12 november 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Kinderfest im Herbst (Hoffmann von Fallersleben), Hans Magnus Enzensberger

Bij Sint Maarten

 

Sint Maarten door Rolf Dieter Meyer-Wiegand., z.j.

 

Kinderfest im Herbst

Doch ehe der Herbst uns ganz verläßt,
So bringt er uns noch ein Kinderfest:
Sobald es Abend, zieh’n wir aus
Und wandern singend von Haus zu Haus,

Und bitten dem heiligen Martin zu Ehren
Uns kleinen Kindern was zu bescheren.
Da reicht man uns Äpfel und Nüsse dar,
Zuweilen auch Honigkuchen sogar.

Wir sprechen unsern Dank dafür aus
Und wandern dann in ein anderes Haus.
Nun laßt uns heute singen auch
Wie’s ist am Martinstag der Brauch!

 

Hoffmann von Fallersleben (2 april 1798 – 19 januari 1874)
Schloss Fallersleben. Tegenwoordig is in een vleugel van het slot het Hoffmann von Fallersleben museum gevestigd.

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

Raddraaier

iets waaraan men zich vastklampen kan,
bijvoorbeeld prikkeldraad.
iets onvergankelijks,
mijnentwege een houten been.
ja wie dat had,
een houvast.

of althans in zijn hoofd
een gave wereld,
laat ons zeggen: drie pond cement.

wat willen jullie, ik beken.
onder mijn haren
wil het niet hard worden.

verdekt opgesteld onder de wol
mijn samenzweringstoestel:
doodsvijand van alles
wat ons heilig moet zijn
en basta.

tien hoog tien cellen:
als dat geen hoogverraad is!
ik heb niets aan te voeren
tot mijn verdediging.

 

Vertaald door C. Buddingh’

 

Hans Magnus Enzensberger (Kaufbeuren, 11 november 1929)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e november ook mijn blog van 11 november 2018 deel 1 en ook deel 2. en eveneens deel 3.

Jacob Cats, Werner Söllner

De Nederlandse dichter en schrijver Jacob Cats werd geboren op 10 november 1577 in Brouwershaven. Zie ook alle tags voor Jacob Cats op dit blog.

 

Een rijk van dwang en duurt niet lang

Als de most, te nauw bedwongen,
Lijdt en worstelt, lijdt en zucht,
Zonder adem, zonder lucht,
Zie, dan doet hij vreemde sprongen;
Zie, dan riekt de ganse vloer
Naar de dampen van de moer:
Alle banden, alle duigen,
Die het vrij, het edel nat
Hielden in het enge vat,
Moeten wijken, moeten buigen
Voor de krachten van de wijn,
Hoe geweldig dat ze zijn.

Als een koning vrije lieden,
Op een ongewone voet,
Uit een trotse overmoed,
Al te vinnig wil gebieden;
Daar en is geen twijfel aan,
Of ’t en moet er kwalijk gaan.
Strenge prinsen, harde vorsten,
Die met al te nauwe band
Drukken op het ganse land,
Doen het al in stukken borsten;
Want een rijk van enkel dwang
Duurt gemeenlijk niet te lang.

 

Behartenswaardige les van vader Cats

Gelukkig is de mens, die als hij gaat te bed,
Zijn rekening met God gedurig effen zet.
Gelukkig is de mens, die, als het licht begint,
In zijn verlichte geest een nieuwe wereld vindt.

 

Niet en kan er beter passen, als dat ’t samen is gewassen
Il n’y a que les premiers amours

Als van twee gepaarde schelpen
D’ ene breekt, of wel verliest,
Niemand zal u kunnen helpen ¬
Hoe men zoekt, hoe nauw men kiest ¬
Aan een, die met effen randen
Juist op d’ ander passen zou.
D’ oudste zijn de beste panden,
Niet en gaat voor d’ eerste trouw;
D’ eerste trouw, die leert het minnen,
D’ eerste trouw is enkel vreugd,
D’ eerste trouw die bindt de zinnen,
Zij is ’t bloempje van de jeugd.
Maar mijn oordeel: twee-maal trouwen
Dat is veel niet zonder pijn;
Drie maal kan niet als berouwen,
Want hoe kan er liefde zijn?
Houd uw eerste lief in waarde,
eer ze met een volle zin;
’t Is een Hemel op aarde,
Zo je paart uit rechte min.

 

Jacob Cats (10 november 1577 – 12 september 1660)
Standbeeld op de markt in Groede

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Werner Söllner werd geboren op 10 november 1951 in Arad, Roemenië. Zie ook alle tags voor Werner Söllner op dit blog.

 

Tweede natuur

Verbaasd
over het uithoudingsvermogen waarmee levende wezens
leven, over de verbeelding
van de scheuten, zie ik hoe de tuin
langzaam verwildert.
Ik weet het, zonder enig recht er
te zijn ben ik hier. Opzegbaar zonder opzegtermijn
zit ik bij het hek, argeloos klaar
gemaakt onder een vreemde ster, ontboden
in de huid, dit unieke verhaal,
en bereid me voor terwijl
de vlijtige buurman het gras
van het mes veegt zodat het
niet roest.

In het gehuurde paradijs noem ik
niets noemenswaardigs mijn eigendom, alleen
een machteloze soort liefde die vreemdgaat
met de dood, alleen die paar bij elkaar geraapte
letters waar ik op zit, alleen
de herinnering, het vlijtig liesje
van mijn vergissingen, gestaag groeiende
twijfel, mijn tweede natuur.

Zeker, ook verdrietig geworden
op natuurlijke wijze toen ik ontwaakte
en de bloedrode sleutel in het gras
zag zonder te kunnen bukken. Zou
ik weten wie dat gedaan heeft, dan zou ik
erop afgaan. Maar zo blijf ik, ongevraagd
vol verbazing bij het hek, zo buk ik mij
voorlopig over een blad, verliefd
op iets zonder hoop
op meer.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Werner Söllner (10 november 1951 – 19 juli 2019)
Hier met de Duitse dichteres, schrijfster en vertaalster Safiye Can

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e november ook mijn blog van 10 november 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Lloyd Haft, Werner Söllner

De Nederlandstalige dichter, vertaler en sinoloog Lloyd Lewis Haft werd geboren in Sheboygan, Wisconsin, op 9 november 1946. Zie ook alle tags voor Lloyd Haft op dit blog.

 

Wij hebben het erover of wij zullen verhuizen

Waar je stem is wil ik zijn
zoals op onze eerste dag
toen jij aan stilte die hem veilig hield
mijn naam ontsloot

samen met namen van vogels –
mees, jonge merel;
bloemen die daar uit het stof
ontstonden – krokus,

sneeuwklok, narcis –
wuifden, geven
aan je groet gehoor.
Wij spraken met geen woord

van ‘ons inrichten’, volgden waar warmte ons
over de aarde geleidde:
in de dag die niemand eerder zag
bloemen open, ogen.

 

Naar psalm 132

Dat alle woning mij is
als een tent in de wind;
dat ik iedere nacht tot de plaats
van mijn rust moet klimmen
als tegen een berg op;
dat ik mijn ogen moet smeken
zich eens een uur in het donker te sluiten –
is omdat ik nergens
uw plaats heb gevonden op aarde.
Niet in de tent:
niet in de wind.

 

Wapenfeiten

Van alle pantsers nog het meest te duchten
is niets – geen pantser, nergens. Niets te zien.
O Djenghiz, om een wereld te veroveren
is nodig: honger en gebrek, niet meer.

Ik kwam vanmiddag langs een voetbalveld.
Ik zag de mannen spelen.
Ik kon ze niet behoeden
voor ’t feit dat midden op het veld
niet één obstakel staat, of ooit zal staan.
Zij wilden. ( Wat zij wilden komt vanzelf.)

Zij joegen door bestaande wolkenschaduwen,
geweldige, als grotten hol van binnen.
Hun stappen door geen sterveling gehoord
weerklonken en ik zweeg. Ik zweeg,
ik kon ze niet beschermen. Want zij zoeken

en vinden, vroeg of laat, de ongeziene,
de ene ware stoot tussen de ogen
die men verwacht en nergens, niet zal weren.

 

Lloyd Haft (Sheboygan, 9 november 1946)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Werner Söllner werd geboren op 10 november 1951 in Arad, Roemenië. Zie ook alle tags voor Werner Söllner op dit blog.

 

Weersomstandigheden

Het regent, buiten speelt
de wind de baas, onzichtbare
piloot, die zijn lading, de geluiden,
altijd afwerpt wanneer zij
te zwaar worden. Auto’s, geschreeuw
van kinderen op het balkon aan de overkant,
blaffende honden, in de tuin kreunt
de kersenboom zich dood, in zijn schuur
zaagt de buurman brandhout.

Niets is hier te horen
van de oorlog, ons eiland is groot
genoeg voor het geschreeuw
van de gewonden en de buren
van de moeder, die zich snikkend
over haar dode kind buigt, slapen al
de slaap der rechtvaardigen.

We zullen ook deze en de volgende
storm doorstaan. Op openbare plaatsen laat
de verlichting vreemde bloemen bloeien. Als zij
op het punt staan een ervaring te hebben, zeggen
de dichters dat er niets meer
te prijzen valt, en houden op tijd
hun mond.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Werner Söllner (10 november 1951 – 19 juli 2019)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e november ook mijn blog van 9 november 2018 en ook mijn blog van 9 november 2014 deel 1 en eveneens deel 2.

Joshua Ferris, Werner Söllner

De Amerikaanse schrijver Joshua Ferris werd op 8 november 1974 in Danville, Illinois geboren. Zie ook alle tags voor Joshua Ferris op dit blog.

Uit: To Rise Again At A Decent Hour

“Everything was always something, but something—and here was the rub—could never be everything. A thriving practice couldn’t be everything. A commitment to healthy patients and an afternoon mochaccino and pizza Fridays just couldn’t be everything. The banjo couldn’t be everything, either, unfortunately. Streaming movies directly to the TV was almost everything when first available, but soon fell off to just barely something. The Red Sox had been everything for a long time, but they disappointed me in the end. The greatest disappointment of my adult life came in 2004, when the Red Sox stole the pennant from the Yankees and won the World Series.
For two months one summer, I thought golf could be everything. For the rest of my life, I thought, I’ll put all my energy into golf, all my spare time, all my passion, and that’s what I did, for two months, until I realized that I could put all my energy into golf, all my spare time, all my passion, for the rest of my life. I don’t think I’ve ever been so depressed. The last ball I putted circled the hole, and the rimming impression it made as it dropped was that of my small life draining into the abyss.
So work, fun, and total dedication to something bigger than myself, something greater—my work, golf, the Red Sox—none could be everything, even if each, at times, filled the hour perfectly. I’m like that dreamer desperate to describe his dream when I try to explain the satisfactions of replacing a rotten tooth with a pontic so that a patient could smile again without shame. I had restored a baseline human dignity, no small thing. Pizza Fridays were no small thing. And that mochaccino was a little joy. The night in 2004 when David Ortiz homered against the Yankees to jump-start the greatest comeback in sports history made me simply happy to be alive.
I would have liked to believe in God. Now there was something that could have been everything better than anything else. By believing in God, I could succumb to ease and comfort and reassurance. Fearlessness was an option! Eternity was mine! It could all be mine: the awesome pitch of organ pipes, the musings of Anglican bishops. All I had to do was put away my doubts and believe. Whenever I was on the verge of that, I would call myself back from the brink. Keep clarity! I would cry. Hold on to yourself! For the reason the world was so pleasurable, and why I wanted to extend that pleasure through total submission to God, was my thinking, my reasoned, stubborn, skeptical thinking, which always unfortunately made quick work of God.”

 

Joshua Ferris (Danville, 8 november 1974)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Werner Söllner werd geboren op 10 november 1951 in Arad, Roemenië. Zie ook alle tags voor Werner Söllner op dit blog.

 

Boven de daken van Amsterdam

In een vreemde stad
in het land Nooit
heeft mijn vader me bezocht.

Ik riep hem. Op het dak
een duif, op de vensterbank de blinde,
schuwe kat, op tafel een kopje
koffie. Wolkjes melk.

Hij was op de rieten stoel
gaan zitten, besluiteloos en stil. Een klein beetje
afwezig. Als was hij, zoals vroeger, ergens anders
thuis. En daar iemand anders. Kameraad
God bijvoorbeeld in het aards paradijs
in ballingschap. De dunne huid van zijn handen
vol ouderdomsvlekken.

Met luide stem
heb ik verteld. Over angst
en schuld, over oorlog en stilte
in mij. Over de erfenis. Van vroeger en nooit.
Alles misschien. Ik weet het niet. Het leven
om me heen groeit en groeit
als aluminium. Kliergeluiden, warmte
en kou. In één. Dat ik in staat ben
te blaffen sinds enige tijd.

Buiten is het begonnen
te regenen. Het is niet zo gemakkelijk, heeft hij
met mijn stem gezegd, zoals jij
het jezelf maakt. Zijn hoofd heeft niet meer
gewiebeld. En moeder? Het is eenvoudiger
ingewikkeld. Droom dat het tijd is. Heb jij
kaartjes voor de tram?

Ja. Volle maan
boven het Leidseplein. Buitenaardse wezens
met ogen, monden, oren. Het hart, hoor
ik, slaat tussen de ribben. Links
onder de portemonnee. Het is tijd, hoor ik
een stem, verzin iets. Voor een paar
gulden. Over blinden, stommen, doven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Werner Söllner (10 november 1951 – 19 juli 2019)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e november ook mijn blog van 8 november 2018 en eveneens mijn blog van 8 november 2015 deel 2.