Portret van een kat en een hond door Carl Suhrlandt, 1884
De grote hond en de kleine kat
Een grote hond en een kleine kat, Die zaten op de kamermat; En de hond die zei: Zeg, scheelt jou wat? Scheer je weg!
En de kat die zei: Jij bent een hond, En ik een kat, niet zonder grond; Hou jij dus nou jouw grote mond: Scheer je weg!
Scheer je weg: waf, waf! Scheer je weg: sis, sis Scheer je weg: die is raak! Scheer je weg: die ’s nie mis!
Waf waf! Sis sis! Woef woef! Mauw mauw! En een houw en een beet en een blaf en een grauw: En de grote hond en de kleine kat, Die vlogen van de kamermat, En de keuken in: Zeg, scheelt jullie wat?
En hij trapte op een teen, En zij beet in een been Van de meid, die riep: Ga je heen! O mijn been! Scheer je weg!
En de grote hond en de kleine kat, Die zaten weer samen op de kamermat, En ze lachten en praatten: ‘Och hemeltje, wat trapte ik op haar teen!’ ‘En ik beet in haar been!’ ”t Is gek, maar zo ’n mens krijgt ook altijd wat!’
Albert Verwey (15 mei 1865 – 8 maart 1937) Amsterdam, de geboorteplaats van Albert Verwey, rond 1890
Van tijd tot tijd is het nodig de dingen de revue te laten passeren, opnieuw hun aanwezigheid vast te stellen. Wij moeten weten of de bomen daar nog staan, of de vogels en de bloemen hun onwaarschijnlijke toernooi voortzetten, of de verborgen helderheid de wortel van het licht nog voedt, of de buren van de mens nog aan de mens denken, of god zijn plaats heeft afgestaan aan een vervanger, of jouw naam jouw naam nog is of al de mijne, of de mens zijn leerschool heeft afgemaakt zich van buitenaf te bekijken.
En als wij alles de revue laten passeren moeten wij ons niet laten misleiden: geen ding kan een ander ding benoemen. Niets mag het afwezige vervangen.
Soms gebeurt het als je brak naar de wasmachine kijkt in de wasserette ziet hoe de machines zich voor je uitsloven geuren uit kleding verdrijven en schone dagen beloven
er iemand een deuntje fluit en even naar jou kijkt en voordat je het weet in een flamencobar belandt elkaar wanhopig aanstaart vraagt of het morgen mooi weer wordt en waar de was gebleven is.
Als we uiteengaan, zeg je dat je de was niet meer op zaterdag doet dat we voortaan de wasdagen zullen verdelen.
Gevonden voorwerpen
Sleutelbossen met toegang tot vakantieverblijven, auto’s, wijnkelders en villa’s. Iemand heeft ze nodig of laat ze roesten omdat hij zich liever wilde uitkleden en de zee in wou gaan. Zijn kleding had hij midden in de nacht op marktplaats gezet.
De volgende dag miste niemand hem behalve de hond. Die bleef wachten op een woord, liggend op een mat. De vrouw bracht de hond naar de afdeling gevonden voorwerpen.
Ik hoef geen persoonlijk contact zei ze bij de balie, en als iemand voor mij belt zegt u dat ik ben verloren. De hond trok zwijgzaam zijn wenkbrauwen op.
Oude mannen houden de wacht. Ze roken een pijp. Wat niemand komt halen mogen ze houden.
Minste van beide
Als je er niet bent dan verstop ik me in jouw huis speel met de lichtknoppen aan/uit/aan/uit zwaai naar het huis aan de overkant daarna kleed ik me aan maak me op en was het weer eraf een lichaam is niet voldoende om het hier warm te houden daarom draag ik het liefst kleding die iets te krap zit vroeger knipte je een gat in het midden van mijn trui terwijl ik hem nog droeg
ik kruip in jouw bad stolsels in het putje houden het water tegen dichter dan dit zijn we nooit geweest terwijl hijskranen buiten de tuin verwoesten
Er zijn sporen die niet met hun voet samenvallen. Er zijn sporen die op hun voet vooruitlopen. Er zijn sporen die hun voet maken. Er zijn sporen die meer voet zijn dan de voet.
Wat kan een voet doen wanneer hem zulke dingen overkomen? Enkel zich naar de lucht keren.
“In Spanje is alles straffer: de koffie, de look, de sigaretten, de baardgroei. Dus misschien ook wel de rouwverwerking. Elma’s man was vier maanden geleden overleden, geen arts die wist aan wat. Zoals een wasmachine het opeens haast onverklaarbaar begeeft, terwijl die daarnet nog olijk zwierde en rammelde, geen vuiltje aan de lucht, zo zat hij met nog al zijn kwaliteiten en mogelijkheden plotsklaps dood in de zetel. Nooit gerookt, nooit buitensporig gezopen, gevitaminiseerd tot in zijn tenen, spaarzaam op zijn verval. Zesenveertig was hij. Een kind nog, zei zijn vader. Er kwam ondertussen bijna geen post meer voor hem aan, zelfs geen geadresseerde reclame voor haagscharen of kettingzagen, doder kon men haast niet worden. Meer zelfs, het kon er bij momenten soms op lijken alsof hij er nooit was geweest, de wereld was hem al vergeten, en zijn verdwijning werd Elma te veel. Alles werd haar te veel. De winter, de nevel, dinsdagen. Ze moest het huis uit, het huis met de gehate zetel, alleszins voor even. En ze had in een opwelling een vakantie geboekt in een clubhotel met animatie, en wel precies omdat ze een hekel had aan clubhotels, met of zonder animatie. Zij was het type dat zich schuldig voelde bij het beleven van geluk. En als weduwe al helemaal. Ontroostbaarheid ervoer ze als een blijk van liefde. Pijn die slijt is aanstellerij. Natuurlijk kende ze de geruchten over die hotels, waar dames aanpapten met het personeel, omdat het nu eenmaal kon. Natuurlijk kende ze de geruchten over die hotels, waar dames aanpapten met het personeel, omdat het nu eenmaal kon. Animatoren. je denkt dat ze zijn besneden. Maar in werkelijkheid is hun voorhuid gewoon afgesleten. Een citytrip had uiteraard veel meer in de lijn van haar persoonlijkheid gelegen. Lissabon, Gent, Utrecht, Hamburg. Een dagje of drie, voldoende om de batterijen op te laden, de rommel in haar kop op te ruimen, afgeleid met een lijstje aan bezienswaardigheden op zak dat niet noodzakelijk helemaal diende te worden afgevinkt. Maar ze was te lusteloos om zo’n uitstapje voor zichzelf te organiseren. Het eindeloze geslenter door middeleeuwse stegen stond haar voor een keertje tegen, het hoppen van museum naar kathedraal, het zieltogende in haar eentje zitten te eten in een restaurant dat nochtans de stratosfeer in werd geprezen door gezaghebbende reisgidsen met een verschrikkelijke lay-out. Ze had het zichzelf makkelijk willen maken, vond dat ze recht had op luiheid en leegte, een strandvakantie heette zoiets, het recht om een hele dag te zweten van het liggen. Dat ze onderwijl een teint zou krijgen die voor het gros van het toeristendom een voorname drijfveer was, vond ze bijzaak, doch niet onprettig.”
De rozen bloze’ in ’t broze oktoberblauw En aadmen vrolijk hoop- en zomergeuren. Eén knop alleen voorvoelt het herfstgebeuren En wil niet bloeie’ in najaars tranendauw.
Die bloem voorvoelt, in pronk van bonte kleuren Vermomd, verborgen, zwarten bomenrouw, In vleiend zoeltje, zoenend zonnelauw, Kil-wrede wind, die ruw haar zal verscheuren.
In ’t groene pantser, dat haar eng omkleedt, Houdt zij beloken, als een kleinood veilig, Haar smartehartje, zwaar van aardeleed.
De wolken dobbren, bootjes zilverzeilig, Door ’t broze blauw… En de éne bloem die weet Zal valle’ in knop, een jonkvrouw wijs en heilig.
Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941) Herfst in Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth
We waren veertien en we gingen met zijn tweeën kamperen en jij smokkelde je mijn tent binnen en we smokkelden en ’s ochtends was je glimlach een verrukking maar toen we terug op school waren moesten we omdat ik een jongen was en jij ook een jongen was het verborgen houden anders zouden de anderen hun angsten op ons hebben afgereageerd maar het was ook onze angst en terug op school zelfs als er niemand anders in de buurt was praatten we alleen maar over voetbal.
De nacht schrijdt voort; de laatste slag verklonk, en in zijn hart welt weer de droefenis om het verminkt bestaan en wat het werd, nadat de godenbeelden zijn vernield. en weer ziet hij zich op een morgen staan tusschen de glooiingen en ’t heet azuur van het demetrisch eiland, éen brandend gouden uur bezield door het geweld van de antieke zuilen, en van een rust vervuld zoo sterk en ongekweld dat hij den dood vergat, het sluipend schaduwbeest dat hem een leven lang een dubbelganger was geweest en hem tot in de holen van den slaap vervolgd. toen liet het van hem af – hij voelde dat hij rees, terwijl hij dieper drong in het geheim der aarde en dat hij zonder vrees kon denken aan zijn graf.
niet meer verteerd door een onwereldsch heimwee, ontstegen aan den angst van zijn ontredderd vleesch.
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940) Portret door Valentijn van Uytvanck, 1925. Houtsnede
De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter en vertaler Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Zie ook alle tags voor Pé Hawinkels op dit blog.
Het uiterlijk van de Rolling Stones (Fragment) Een lyrisch-episch leerdicht
II De zwarte markies met suikerziekte
……. En van al de menigvuldige kandidaten, die, Wanneer het comité heeft plaatsgenomen in De vertrouwde schaduw van de Europese lindebomen, Hoewel de moderator nog rabiaat hooizolders & bovenkamers Overhoop haalt, op zoek naar een bruikbare mandoline, Z. komen presenteren, van de vergrijsde kardinaal In battledress, de aamborstige sportman, De amateursjamaan met kalkoensnek en Gepocheerde wangen, de gewetensvolle drinker, tot De idiosyncratische fakir toe, wiens okseldamp En cariëtische adem even gretig Opgesnoven worden als die van fresia’s Door de liefhebbers van de entr’acte-muziek Uit Rosamunde, en die aan dit benijdenswaardig kenmerk Een wetscherp inzicht parenteert In de fluctuering van de conjunctuur, worden er Maar twee, die, weliswaar strijdig met de eisen Van het savoir-vivre, maar perfect conform die Der efficiency, voorlopig onbenoemd blijven, Volledig serieus genomen: aanschouw Het twijfelspel, als op een kopje verse thee, Op het mythogene, van Schönheitsfehler Echter allerminst verstoken snuitwerk van onze president. Het vindt een parallel in het eigenaardig gedrag Van onze beide helden; kijk ze unduleren! Ze vloeien in elkander over, splitsen weer, Als dux en comes, en na het schisma Heeft nummer één het gezicht, de handen of zo Van de ander over-, aangenomen. Het valt niet mee, Zo, om de gestalte van een van twee Goed op z. in te laten werken, want vóor De impuls, het in een krantepapieren bootje Neergepoot tinnen soldaatje met een boodschap Om zijn been het riool in is kunnen verdwijnen, Sterft het kind, dat speelt en op de nominatie Staat voor de bijbehorende gevoelsfunctie, Laat het kind, dat als een paddestoelwolk Opstijgt uit zijn lijkje, een vlieger op In de militaire kleuren. Wat schiet er anders over Dan de krant maar open te vouwen en de benen Op elkaar te ruste te leggen?
Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)
De Noorse schrijver en dichter Jon Fosse werd geboren in Haugesund op 29 september 1959. Zie ook alle tags voor Jon Fosse op dit blog.
Uit: Slapeloos (Vertaald door Marianne Molenaar)
“Ik ben zo moe, zegt Alida en ze blijven staan en Asle kijkt naar Alida en hij weet niet hoe hij haar moet troosten, want ze hadden elkaar al zo vaak getroost door over het kind te praten dat zou komen, of het een meisje zou zijn of een jongen, daar praatten ze over, en Alida dacht dat meisjes gemakkelijker waren, en hij dacht het tegendeel, dat het gemakkelijker was met een jongen, maar of het nu een jongen werd of een meisje, ze zouden hoe dan ook blij zijn met het kind waar ze nu gauw de ouders van werden, en dankbaar, dat zeiden ze en ze troostten zich met de gedachte aan het kind dat nu gauw geboren zou worden. Asle en Alida liepen door de straten van Bjørgvin. En tot nu toe hadden ze er niet zo zwaar aan getild dat niemand hun onderdak wilde geven, het kwam vast wel in orde, er zou vast gauw iemand zijn die een kamertje te huur had waar ze een tijdje konden wonen, het moest wel in orde komen, met zo veel huizen in Bjørgvin, kleine huizen en grote huizen, niet zoals in Dylgja, waar alleen een paar boerderijen waren en wat kleine vissershuisjes, zij, Alida, was de dochter van moeder Herdis op Brotet, zoals ze daar zeiden, en kwam van een boerderijtje in Dylgja, daar was ze opgegroeid bij moeder Herdis samen met haar zus Oline, nadat vader Aslak verdween en nooit meer was teruggekomen, toen Alida drie was en haar zus Oline vijf, en Alida had niet eens herinneringen aan haar vader, alleen aan zijn stem, want in gedachten kon ze zijn stem nog horen, het diepe gevoel dat in zijn stem lag, de hoge heldere en de zware klanken, maar dat was dan ook alles wat ze van vader Aslak nog had, want ze herinnerde zich er niets van hoe hij eruitzag, en verder herinnerde ze zich ook niets, alleen zijn stem als hij zong, dat was alles wat ze van vader Aslak nog had. En hij, Asle, was opgegroeid in een boothuis in Dylgja waarvan ze de zolder bewoonden, daar groeide hij op bij moeder Silja en vader Sigvald, tot vader Sigvald op zee bleef op een dag toen plotseling de herfststorm opstak, hij was aan het vissen ten westen van de eilanden en daar voor de eilanden zonk de boot, voor Storesteinen. En toen waren moeder Silja en Asle alleen in het boothuis. Maar niet lang nadat vader Sigvald was overleden werd moeder Silja ziek, ze werd steeds magerder, ze werd zo mager dat het leek of je door haar gezicht heen tot op het bot keek, haar grote blauwe ogen leken steeds groter te worden en vulden ten slotte bijna haar hele gezicht, vond Asle, en haar lange bruine haar werd dunner dan ooit, en piekerig, en toen, toen ze op een ochtend niet opstond, vond Asle haar dood in bed. Moeder Silja lag met haar grote blauwe ogen open en keek naast zich, naar waar vader Sigvald had moeten liggen. Het lange dunne bruine haar bedekte bijna haar hele gezicht. Daar lag moeder Silja en was dood.”
Elk jaar heb ik zonder het te weten de dag doorgebracht Waarop de laatste vuren naar mij zullen zwaaien En de stilte zal vertrekken Onvermoeibare reiziger Als de straal van een lichtloze ster
Dan zal ik niet langer Mezelf in het leven vinden als in een vreemd gewaad Verrast door de aarde En de liefde van een vrouw En de schaamteloosheid van mannen Zoals vandaag nu ik schrijf na drie dagen regen Het winterkoninkje hoor zingen en het vallen ophoudt En buig zonder te weten waarvoor
Vertaald door Frans Roumen
W. S. Merwin (30 september 1927 – 15 maart 2019) In 1972
I. Nadat de pijn niet meer zo heftig was dat je amper kon ademhalen kwam een andere pijn je gezelschap houden in je borstkas je wandelde om door te gaan zonder afstand te nemen elke dag opnieuw dezelfde rondjes in het park, met vrienden, vreemden en oude bekenden ze wilden weten hoelang of hoelang al niet meer bij elk antwoord stak die nieuwe pijn op als de wind tussen je ribben je borstkas, een zeil.
II. Op weg naar het eiland verdween de kustlijn, of, nee: veranderde van schaal; twee haren op een jas, zout op je vingertoppen en jullie weer zwevend in zingend wit licht.
III. Ook zonder haar lijf ligt je hand nog op haar billen, vijf vingers in de rouw. Je was niet voorbereid op het voorbij-zijn legt je nu toch neer bij het neerleggen, verlaat het eiland op de boot waarmee je kwam.
IV. En op een dag word je wakker, denk je pas halverwege de middag aan haar – en, daarna, als de kom van je handen zich ’s ochtends vouwt om je gezicht zal ook het bos op het eiland zich om je vouwen met haar groene licht
Op de kaarten en bij de bocht in de weg zagen we je nooit in de baarmoeder en in het kruisvuur in de getallen waar je ook de hand in had en dat was alles ons werd verteld om nooit ons vertrouwen in je te stellen om uiteindelijk nederig voor je te buigen omdat er uiteindelijk niets anders was dat we konden doen dan niet in je te geloven
toch zouden we je kunnen verleiden met kiezels warm gehouden in de hand of munten of de relikwieën van verdwenen dieren in voorschriften rituelen niet bindend voor jou die geen beloften doet we zouden zulke dingen alleen kunnen doen om je niet te verwaarlozen en je ongenade te riskeren oh jij die nooit dezelfde bent die geheim is als de dag wanneer hij komt jij die we uitleggen zo vaak als we kunnen zonder je te begrijpen
De Amerikaanse dichteres Kay Ryan werd geboren op 27 september 1945 in San Jose, California. Zie ook alle tags voor Kay Ryan op dit blog.
THAT WILL TO DIVEST
Action creates a taste for itself. Meaning: once you’ve swept the shelves of spoons and plates you kept for guests, it gets harder not to also simplify the larder, not to dismiss rooms, not to divest yourself of all the chairs but one, not to test what singleness can bear, once you’ve begun.
DOUBT
A chick has just so much time to chip its way out, just so much egg energy to apply to the weakest spot or whatever spot it started at. It can’t afford doubt. Who can? Doubt uses albumen at twice the rate of work. One backward look by any of us can cost what it cost Orpheus. Neither may you answer the stranger’s knock; you know it is the Person from Porlock who eats dreams for dinner, his napkin stained the most delicate colors.
HOPE
What’s the use of something as unstable and diffuse as hope— the almost-twin of making do, the isotope of going on: what isn’t in the envelope just before it isn’t: the always tabled righting of the present.
De stukken die op aarde vallen
Je zou haast willen dat ze het niet zouden doen; ze zijn zo ver uit elkaar, zo willekeurig. Je kunt niet wachten, je kunt het wachten niet opgeven. De drie of vier momenten waarop ze landen vervagen nooit. Mochten er meer zijn, dan zullen er nooit genoeg zijn om een patroon te maken dat kan opwegen tegen de dominante manier waarop ze ertoe doen.
“DE LENTE KWAM vroeg dat jaar; zo vroeg dat ook de lente zelf het nauwelijks kon bijbenen. Ik kwam van een afspraak met een oude vriend vandaan en liep naar mijn auto, die ik in de namiddag voor het Vredespaleis had geparkeerd. De straten zaten me als gegoten. Ter hoogte van de Franse ambassade kwam een brommer aanrijden. Een type dat ik kende uit mijn jeugd: geen Puch met een hoog stuur, zoals ik zelf ooit een blauwe maandag had, maar een buikschuiver: een Kreidler, Zndapp of Berini. De bromfietser keek naar me: dat wil zeggen, de helm draaide mijn kant op. Daarop nam de bestuurder gas terug, remde en kwam naast de stoeprand tot stilstand. Een Kreidler. De helm ging af en ik zag dat de bestuurder een vrouw was. ‘Bart?’ zei ze. ‘Ben jij Bart Chabot?’ Ze had witte gymschoenen aan. Onder haar leren jack droeg ze een witte broek. Was ze verpleegkundige, Pleegzuster Bloedwijn? Ze zette de brommer op de standaard. Dit kon even gaan duren. `Sorry dat ik je aanspreek,’ zei ze. Ik zei dat het geen probleem was, dat ik het gewend was dat wildvreemden me aanspraken. Wat kon ik voor haar betekenen? Weet je,’ zei ze, ‘het zijn mijn zaken niet, en ik heb me er niet mee te bemoeien, het gaat me niet aan…’ `Maar?’ zei ik. `Ik kom van je vader vandaan.’ Het liep tegen negen uur; er was nauwelijks verkeer, op een stadsbus na die vrijwel leeg voorbijreed. `Ik heb hem net gewassen, je vader, en in bed gestopt.’ Dat is mooi,’ zei ik. ‘Dat waardeer ik bijzonder, dat u…’ `Ik ben Nicolette.’ Ze stak haar hand uit. dat je mijn vader verzorgt,’ zei ik terwijl ik haar hand schudde. Hoe lang, vroeg ik me af, had ik mijn vader niet gezien of gesproken? Twintig, tweeëntwintig jaar? En hetzelfde gold voor mijn moeder. Ik had met mijn ouders al zeker twintig jaar geen contact meer. Je zou zomaar de indruk kunnen krijgen dat er iets was misgelopen tussen ons. `Ik heb begrepen,’ zei Nicolette, ‘dat je hen niet meer wenst te spreken, je beide ouders. Je zult daar goede redenen voor hebben, daar twijfel ik niet aan, maar…’ Boven de daken klonk een vertrouwd gekrijs dat ik tijdens de wintermaanden niet had gehoord: de meeuwen waren terug. `Hoe is het met hem?’ vroeg ik. `Slecht,’ zei Nicolette. ‘Ik kan er niet meer van maken. Ronduit slecht. Je vader is dement, zo dement dat hij in de gesloten afdeling van het verzorgingshuis is opgenomen.”
Bart Chabot (Den Haag, 26 september 1954)
De Engels-Amerikaanse dichter en schrijver T. S. Eliot werd op 26 september 1888 geboren in St.Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor T. S. Eliot op dit blog.
Nicht Nancy
Miss Nancy Ellicott Schreed de heuvels over en bedwong ze, Reed de heuvels over en bedwong ze – De dorre New England-heuvels – Op vossejacht Over de koeiewei.
Miss Nancy rookte en danste Al de moderne dansen; En haar tantes wisten niet goed wat ervan te denken, Maar ze wisten dat het modern was.
Op de glanzende boekenplank hielden Matthew en Waldo de wacht, Geloofsbeschermers, het leger Van de onwrikbare wet.
“Dit verhaal begint op een woensdag in het afgelopen decennium, het is kwart over negen in de ochtend en Maria Cristina Palma doet haar work-out. Ze is bezig met een Bulgaarse split squat, een oefening waarmee de quadriceps en bilspieren worden getraind. Ze heeft één been naar achteren gestrekt, het andere naar voren en ze buigt haar voorste knie, terwijl ze door de ramen van de serre naar de grijze deken staart. Het fijnstof dat de Romeinen wekenlang heeft genoodzaakt tot een rijverbod dat afwisselend geldt voor auto’s met even en oneven kentekens is samen met de regen neergedaald. In huis is het warm, maar aan de andere kant van het dubbele glas heeft de nachtelijke vrieskou de varenpalmen en de kale pergola op het terras bedekt met rijp. Tussen de zuiltjes van de balustrade door is de verkeersopstopping op de Lungotevere te zien, en verderop het plompe silhouet van de Engelenburcht dat langzaam vervaagt in de ongezonde nevel van de hoofdstad. Het penthouse waar Maria Cristina woont is zo’n paradijs waarvan de meeste mensen niet eens durven dromen, zo onbereikbaar is het. Meer dan driehonderd vierkante meter, op een steenworp afstand van het Piazza Navona, in een neoklassiek stadspaleis dat dag en nacht wordt bewaakt door politiebusjes. Haar personal trainer, Mirco Tonik, een grote kerel uit Francavilla al Mare, vertelt dat hij de verjaardag van zijn verloofde, Michael Carmichael, een Ier die handleidingen van printers en routers vertaalt, heeft gevierd in een vegan restaurant in de wijk Pigneto. Terwijl de trainer smakelijk vertelt over de heerlijke parmigiana di melanzane haalt hij een schijf van de halter af, waardoor het gewicht aan het andere uiteinde van de stang, vijf kilo puur gietijzer, eraf glijdt en op de rechter grote teen van de vrouw terechtkomt, die zo’n harde kreet slaakt dat het koppeltje dwergpapegaaien in de geëmailleerde kooi boven de varens er stil van is. De serre, met olifantsoren in azuurblauwe potten, de Kentia-palm en de uitlopers van de drakenklimop die neerbuigen vanaf de boekenkasten, pulseert om haar heen als een special effect in een slechte film. Mirco Tonik, die de enorme omvang van zijn stommiteit inziet, brengt heupwiegend zijn handen naar zijn hoofd en roept de schepper aan: ‘0 god! 0 god! 0 mijn god. Wat heb ik gedaan?’ Maria Cristina trilt van de pijn. Ze moet alleen maar ademhalen en het laten stromen. Anders dan herinneringen aan pijn van de ziel verdwijnt de herinnering aan lichamelijke pijntjes na verloop van tijd en zijn we na een paar jaar vergeten hoeveel we moesten lijden om een kies die werd getrokken of een blindedarmontsteking.”
Afgelopen veronachtzaamde november, Leporello, en meer achtertuin-rozig-rode appels versierden de boom dan telbare bladeren toen zij, door het raam, een pimpelmees op een tak zag.
Zuchtte: ‘Wat een ongelooflijk mooi plaatje, een ouderwetse bonbondoos.’
Later, verrast, denkend aan ongeplukte appels, proefde ik natuurlijk haar rode mooie mond.
Nog later, in de schemering, het uitpakken. Haar vallende zwarte jurk ritselde als chocoladepapier;
en die hele heerlijke ouderwetse, Rubens-mooie doos geopend. Aangeboden en genomen: truffel, kersenlikeur, marsepein, Turks fruit.
Vertaald door Frans Roumen
Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014) Portret door Dean Lewis, 2014