Jay Parini

De Amerikaanse schrijver, dichter en essayist Jay Parini werd geboren in Pittston op 2 april 1948. Parini groeide op in Pennsylvania en studeerde geschiedenis en Engelse letterkunde aan het Lafayette College en de Universiteit van St Andrews. Later doceerde hij Engels en creatief schrijven aan Dartmouth College en Middlebury College. Parini heeft acht romans geschreven, waarvan er veel gaan over het leven van literaire iconen, en daarnaast verhalen vanuit zijn eigen persoonlijke leven. Zijn internationale bestseller “The Last Station” uit 1990 gaat over de laatste maanden van Leo Tolstoy. Het werd vertaald in meer dan dertig talen en verfilmd met in de hoofdrol Helen Mirren, Christopher Plummer, James McAvoy en Paul Giamatti. De film werd uitgebracht in december 2009. Parini’s historische roman ”Benjamin’s Crossing” uit 1997 gaat over de Joodse criticus en filosoof Walter Benjamin, en zijn vlucht over de Pyreneeën uit bezet Frankrijk naar Spanje. In “The Passages van H.M. (2011) is de schrijver Herman Melville het onderwerp. Voor de biografie “Robert Frost: A Life” ontving Parini in 2000 de Chicago Tribune Heartland-prijs voor het beste non-fictie boek van het jaar. Hij schreef ook opmerkelijk biografieën over John Steinbeck, William Faulkner, Jezus en Gore Vidal, met wie hij lang bevriend was. Hij heeft non-fictie boeken gepubliceerd over uiteenlopende onderwerpen, zoals “Theodore Roethke, an American Romantic” (1980), “Some Necessary Angels: Essays on Writing and Politics” (1997), “The Art of Teaching” (2005), “Why Poetry Matters” (2008), en “Promised Land: Thirteen Books That Changed America” (2008). Zijn gedichten zijn verschenen in een breed scala van tijdschriften, waaronder The Atlantic, The New Yorker en Poetry. Verder publiceerde hij de dichtbundels “Singing in Time” (1972), “Anthracite Country” (1982), “Town Life” (1988), “House of Days” (1998), “The Art of Subtraction: New and Selected Poems” (2005), en “New and Collected Poems: 1975 – 2015 “(2015).

Anthracite Country

The culm dump burns all night,
unnaturally blue, and well below heaven.
It smolders like moments almost forgotten,
the time when you said what you meant
too plainly and mined your chance of love.

Refusing to dwindle, fed from within
like men rejected for nothing specific,
it lingers at the edge of town, unwatched
by anyone living near. The smell now
passes for nature. It would be missed.

Wound of the earth, offal of an age
when pitch-faced men dug marrow
from the Epine of a speechless land,
it resists a healing.
Its luminous hump cries comfortable pain.

  

The Lake House In Autumn

A silence in the house at summer’s wake:
the last leaves (all in one night’s wind,
the mice are eaten, and the cats begin
a rumbling sleep. There’s nothing much at stake.
It’s not quite cold enough to stoke
the furnace, and the neighbors never seem to mind
if leaves are raked. I’m staring through a blind
at less and less beside a cooling lake.

I keep forgetting that this absence, too,
must be imagined. I cannot just frown
or fill the vacancy with stately me.
The mind is darker, deeper than a windblown
lake that tries to mirror every hue
of feeling as the dusky season takes me down.

 

After The Terror

Everything has changed, though nothing has.
They’ve changed the locks on almost every door,
and windows have been bolted just in case.

It’s business as usual, someone says.
Is anybody left to mind the store?
Everything has changed, though nothing has.

The same old buildings huddle in the haze,
with faces at the windows, floor by floor,
the windows they have bolted just in case.

No cause for panic, they maintain, because
the streets go places they have been before.
Everything has changed, though nothing has.

We’re still a country that is ruled by laws.
The system’s working, and it’s quite a bore
that windows have been bolted just in case.

Believe in victory and all that jazz.
Believe we’re better off, that less is more.
Everything has changed, though nothing has.
The windows have been bolted just in case.

 
Jay Parini (Pittston, 2 april 1948)

Milan Kundera, Sandro Veronesi, Nikolaj Gogol, Arnold Aletrino, Max Nord, Urs Allemann, Rolf Hochhuth, John Wilmot

De Tsjechische schrijver Milan Kundera werd geboren in Brno op 1 april 1929. Zie ook alle tags voor Milan Kundera op dit blog.

Uit: De ondraaglijke lichtheid van het bestaan (Vertaald door Jana Beranová)

“Hoe kwam het dat ongesteldheid bij een hond haar vervulde met vrolijke tederheid, terwijl haar eigen ongesteldheid haar misselijk maakte? Het antwoord lijkt me gemakkelijk: de hond is nooit uit het paradijs verstoten. Karenin weet niets van een dualiteit tussen lichaa­m en ziel en weet niet wat walging betekent. Daarom voelt Tereza zich zo prettig en rustig met hem. (En daarom is het zo gevaarlijk een dier te veranderen in een machina animata en een koe in een automaat om melk te produceren: de mens verbreekt daardoor de draad die hem aan het paradijs bond, en in zijn vlucht door de leegte van de tijd kan niets hem meer stoppen of troosten.)
Uit deze warboel van denkbeelden ontkiemt de heiligschennende gedachte die ze niet van zich af kan zetten: de liefde die haar aan Karenin bindt is beter dan die tussen haar en Tomas. Beter, niet groter. Tereza wil Tomas noch zichzelf de schuld geven, ze wil niet beweren dat ze meer van elkaar zouden kunnen houden. Ze vindt eerder dat een mensenpaar zo geschapen is dat hun liefde a priori van een slechtere soort is dan (althans in het beste geval) de liefde die kan bestaan tussen een mens en een hond, het bizarre in de geschiedenis der mensheid dat door de Schepper waarschijnlijk niet was gepland.
Die liefde is onbaatzuchtig: Tereza wil niets van Karenin. Ze vraagt niet eens liefde. Nooit heeft ze zich de vragen gesteld die mensenparen kwellen: houdt hij van me? Heeft hij ooit van iemand anders meer gehouden dan van mij? Houdt hij meer van mij dan ik van hem? Misschien dat al deze vragen naar liefde, die liefde meten, doorgronden, onderzoeken, verhoren, haar tegelijkertijd in de kiem smoren. Misschien zijn we juist daarom niet in staat liefde te geven, omdat we ernaar verlangen liefde te krijgen, dat wil zeggen dat we steeds iets (liefde) van de ander willen in plaats van hem te benaderen zonder eisen en niets anders te willen dan zijn aanwezigheid. En dan nog iets: Tereza accepteerde Karenin zoals hij was, ze wilde hem niet naar haar eigen beeld veranderen, ze was het bij voorbaat eens met zijn hondenwereld, ze wilde hem die niet afnemen, ze was niet jaloers op zijn geheime avonturen. Ze voedde hem niet op om hem te herscheppen (zoals een man zijn vrouw en een vrouw haar man herscheppen wil), maar alleen om hem de elementaire taal te leren die het mogelijk maakte elkaar te begrijpen en met elkaar te leven.”

 
Milan Kundera (Brno, 1 april 1929)

Lees verder “Milan Kundera, Sandro Veronesi, Nikolaj Gogol, Arnold Aletrino, Max Nord, Urs Allemann, Rolf Hochhuth, John Wilmot”

Deborah Feldman

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijfster Deborah Feldman werd geboren in 1986 in de chassidische gemeenschap van Satmar in Williamsburg, Brooklyn, New York. Haar huwelijk werd gearrangeerd toen zij 17 jaar oud was, en haar zoon werd twee jaar later geboren. Op 25-jarige leeftijd publiceerde ze de New York Times bestseller memoires, “UNORTHODOX: The Scandalous Rejection of My Hasidic Roots” en twee jaar later volgde “EXODUS a memoir of post-religious alienation and identity.” Tegenwoordig werkt zij in twee media, film en schrijven. Ze is het meest geïnteresseerd in het verkennen van de kruising tussen globalisering, religie, en de vrouwelijke identiteit. Haar werk is vertaald in het Hebreeuws en het Duits. Sinds eind 2014 woont zij met haar zoon in Berlijn.

Uit: Exodus

“There she is, just across the street, sulking on the stoop. Seven years old, skin pale almost to the point of translucence, lips pursed into a sullen pout. She stares gloomily at the silver Mary Janes on her feet, the tips of which catch the last rays of sunlight quickly fading behind the three-story brownstone.
She has been scrubbed and primped in preparation for Passover, soon to arrive. Her hair hurts where it’s been pulled too tight into a bun at the top of her head. She feels each strand stretching from its inflamed follicle, especially at the nape of her neck, where an early-spring breeze raises goose bumps on the exposed skin. Her hands are folded into the lap of her brand-new purple dress, with peonies and violets splashed wildly on the fabric, smocking at the chest, and a sash tied around the waist. There are new white tights stretched over her thin legs.
This little side street in Williamsburg, Brooklyn, usually bustling with black-clad men carrying prayer books, is momentarily silent and empty, its residents indoors making preparations for the evening. The little girl has managed to sneak away in the rush, to sit alone across from the young pear tree the neighbors planted a few years ago after carving out a square of beige dirt in the stretch of lifeless asphalt. Now it f lowers gently, bulbous white blossoms dangling precariously from its boughs.
I cross the street toward her. No cars come. The silence is magnificent, enormous. She doesn’t seem to notice me approaching, nor does she look up when I sit down next to her on the stoop. I look at her face and know instantly, with the pain of a punch to the gut, exactly how long it’s been since there was a smile on it.
I put my arm around her shoulder, ever so gently, as if she might break from the weight, and I whisper into her ear, “Everything is going to be fine.”
She turns and looks at me for the first time, her face a mask of distrust.
“It’s going to be just fine. I promise.”
Snap. The hypnotherapist wakes me by clicking her fingers together in a classic stage move.
“You did good,” she says. “Go home and try to have sex tonight. Let me know what happens. I have a feeling we’ve fixed the problem. Not completely, but enough for now.”

 
Deborah Feldman (New York, 1986)

Stefan Hertmans, Octavio Paz, Asis Aynan, Martijn Teerlinck, Marga Minco, Enrique Vila-Matas, Rob Boudestein, Kornej Tsjoekovski

De Vlaamse dichter, schrijver en essayist Stefan Hertmans werd geboren in Gent op 31 maart 1951. Zie ook alle tags voor Stefan Hertmans op dit blog.

 

De overtocht

Het zijn die ogen in de schaduw
die dood gelezen zijn.
Waarheid is een woord met wapens.
Het gaat om angst in de woestijn,
gevleugeld beest uit lang vervlogen eeuwen,
wreedheden flitsend op een zinkend scherm.

Je moet niet met je vinger wijzen,
het was haar moeder die het zei.
Ze stak hem in haar keel,
de boot schokte zich door een storm
die de wereld overspoelde.

Haar vonnis onverstaanbaar,
iets dat zich niet liet schrijven,
een vinger in een bloedend oog,
en naamloos door de jaren drijven.

 

Hoe een omelet te bakken zonder het ei te breken

Leg eerst de schalen in een geur –
Aarde en wind, dat wat je bij kinderen vindt
Het dood konijntje bij de achterdeur.

Sluit dan bokaaltjes af,
Adem niet langer
Wees je eigen ruime graf.

Wacht nog een dag of twee.
Je eieren broeden met je mee.

Open de ramen op de derde dag.
Lees psalmen; onthaal je
Weggelopen liefde op en
Zorgeloze lach.

Breek open, vingernagels,
Ruk de ongedachte
Dooier uit je dichtgeknepen palm.

Warm de aarde met je hand.
Wacht nu het bakken af,
en roer, roer, roer

Tot diep in je schaalomhulde nacht.

 

 
Stefan Hertmans (Gent, 31 maart 1951)

Lees verder “Stefan Hertmans, Octavio Paz, Asis Aynan, Martijn Teerlinck, Marga Minco, Enrique Vila-Matas, Rob Boudestein, Kornej Tsjoekovski”

In Memoriam Imre Kertész

In Memoriam Imre Kertész

De Hongaarse auteur en winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur Imre Kertész is op 86-jarige leeftijd overleden. Kertész overleed volgens het Hongaarse staatspersbureau MTI na een lang ziekbed. Imre Kertész werd geboren op 9 november 1929 in Boedapest. Zie ook alle tags voorImre Kertész op dit blog en ook mijn blog van 9 november 2010

Uit: Fateless

“I took my own steps. No one else did. And I remained honest in the end to my given fate. The only stain or beauty flaw, I might say the only incorrectness, that anyone could accuse me of is maybe the fact that we are talking now. But thatis not my doing. Do you want all this horror and all my previous steps to lose their meaning entirely? Why this sudden turn, why this opposition? Why can’t you see that if there is such a thing as fate, then there is no freedom? If, on the other hand,” I continued, more and more surprised at myself and more and more wound up, “if, on the other hand, there is freedom, then there is no fate. That is,” and I stopped to take a breath, “that is, we ourselves are fate.” I recognized this all of a sudden and with such clarity that I had never seen before. I was a little sorry that I was only facing them and not someone more intelligent-let’s say, more worthy opponents. But they were the ones who were here, at that moment, and at any rate they were the ones who had also been there when we were saying good-bye to my father.
They too had taken their steps. They too knew. They too had seen ahead. They too had said good-bye to my father as if we were already hurrying out. Later, all they fought about was whether I should take the local tram or the local bus on the way to Auschwitz. At this point not only Uncle Steiner but also Uncle Fleischmann jumped up. He tried to restrain Uncle Steiner but was no longer able. “What?” he screamed at me, his face crimson-red and his fist beating against his chest. “What? Are we now the guilty ones-we, the victims?” I tried to explain to him: “It’s not that this is a sin. We ought to simply, modestly recognize it for the sake of our honor, so to speak.”
They had to try to understand that they couldn’t take everything away from me. It couldn’t be that I was either the victim or the vanquished, that I couldn’t be right and that I couldn’t have been mistaken, that I was not the reason or the result of anything. I almost begged them to understand this. I couldn’t simply swallow this silly bitterness simply for the sake of be- coming innocent again.”

 

 
Imre Kertész (9 november 1929 – 31 maart 2016)

Gerrit Komrij, Paul Verlaine, Milton Acorn, Erika Mitterer, Uwe Timm

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus, polemist en toneelschrijver Gerrit Komrij werd geboren op 30 maart 1944 in Winterswijk. Zie ook alle tags voor Gerrit Komrij op dit blog.

 

Terribilità

De jongen is een grijze filosoof.
De knieën zijn de zetel van de wijsheid.
De Noordpool herbergt menige korenschoof.
In de Sahara heerst de grote ijstijd.

Een padvinder beheert het labyrint.
De sfinx kijkt vol begrip de wereld in.
De hemelgod is een driejarig kind.
De wereldondergang is het begin.

De olifant danst op het slappe koord.
De stier is meer dan zeven maanden drachtig.
De veldmuis heeft een tijgerkat vermoord.
De seksualiteit is mooi en prachtig.

 

In dit ondermaanse

Ik ben nog jong. Een ijsbaan is het leven.
De benen zweven en de zinnen zweven.
Vioolmuziek klinkt uit een megafoon.

De sneeuw maakt van de wereld een stilleven.
Ik tintel en ik draag een koningskroon.
Door eigen krachten word ik aangedreven

En vrienden zeilen schaterend voorbij.
Het is in hartje winter volop mei.
We schaatsen op een vloer van porselein

En slaan de dagen stuk om aan het end
Te stoppen bij de koek- en zopietent
Waar zure melk en bitterkoekjes zijn.

 

De monumenten 4

Gebouwen zijn aandoenlijk als ruïne,
Hun ziel ligt bloot. Paleizen, kerken, banken,
Geen sterveling die weet waartoe ze dienen.
Je hoort dus overal de luide klanken

Van tuba en trompet en mandoline
En ziet er mensen langs de straten trekken
Met feestgetoeter en plezier voor tienen.
Dit is een stad van louter lachebekken.

Hun meester is de Dood. Wat kan ze deren?
Wie maakt zich druk om eer en geld verdienen?
Ze dansen tot de ochtend, en verteren
Veel spijs en rijnwijn, waarna aspirine.

 

 
Gerrit Komrij (30 maart 1944 – 5 juli 2012)
In Vila Pouca da Beira, Portugal, 1994

Lees verder “Gerrit Komrij, Paul Verlaine, Milton Acorn, Erika Mitterer, Uwe Timm”

Geert van Istendael, Wim Brands, Eric Walz, Georg Klein, Ernst Jünger, Yvan Goll

De Vlaamse schrijver, dichter en essayist Geert van Istendael werd geboren in Ukkel op 29 maart 1947. Zie ook alle tags voor Geert van Istendael op dit blog.

 

Groot boerderijdak

Het dak ligt op zijn buik. Nee, haar buik, dak
is moederlijk. Dak mompelt ‘ons’ tot kepers
en vee en kind. Damast of voddenbak,
dak houdt ze droog. Een dak torst zon en regen,
blij en venijn verleent het onderdak.

Gebinte vouwt de vingers tot gebeden.
Als eik zo hard is de arbeid van de boer.
Hij dekt zijn dak. Zijn moeder. Dikke hoer.

 

Mand

Van knot gekapt op griend. Geschild. Gekloven.
Gespreid. Geweekt. Door dauw en mist gekust.
Wis laat zich willig buigen, wacht met drogen
tot hij, gevlochten om een leegte, rust
en beidt wat komt. Pak koffie. Uien. Boter.

Kijk toch hoe onze taal dit ding bemint:
korf, mars, ben, paander, gondel, kaar, karbies.
Mand draagt meer namen dan een koningskind.

 

De man die naast het frietkot woont

Ik heb het al wel duizend keer gezegd,
tegen de Geoffrey van het frietkot.
Uw afsluiting, da’s niet genoeg,
een plaat beton, dat moet daartegen
of avanceerstenen, ’t is eendert, als ’t maar toe is.
Maar peinst gij dat die luistert?
Hij hoort u nog allengs niet.
Altijd die écouteurs op zijne kop.

Pas op, ’t is nu nog redelijk proper rond zijn kot.
Ge zoudt ‘ne keer de vrijdag moeten komen,
als de jong’ gasten met hun brommers uitgaan,
dan ligt hier ’t een pak friet neffest ’t ander.
Ik ben al zeker drie keer uitgeschoven,
ja, op de mayonaise, op wat anders?
De vierde keer was ’t op een curryworst,
da’s nog te smerig voor een rat mee dood te doen.
En weet ge wat de Geoffrey doet als hem dat ziet?
Die lacht ‘ne keer gelijk als ‘nen onnozele.
Zie, als ’k ik niet zo ‘ne stille mens was,
ik peins da ’k ik zijn tanden uit zijn frank bakkes had geslagen,
dat hem een nieuw salle à manger kost installeren.
Ik wil maar zeggen . . . 
Kom nee, ik zeg niks meer.

 

 
Geert van Istendael (Ukkel, 29 maart 1947)

Lees verder “Geert van Istendael, Wim Brands, Eric Walz, Georg Klein, Ernst Jünger, Yvan Goll”

Der Auferstandene (Rainer Maria Rilke)

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

 
Noli me tangere door Anton Raphael Mengs, 1770-71

 

Der Auferstandene

Er vermochte niemals bis zuletzt
ihr zu weigern oder abzuneinen,
daß sie ihrer Liebe sich berühme;
und sie sank ans Kreuz in dem Kostüme
eines Schmerzes, welches ganz besetzt
war mit ihrer Liebe größten Steinen.
 
Aber da sie dann, um ihn zu salben,
an das Grab kam, Tränen im Gesicht,
war er auferstanden ihrethalben,
daß er seliger ihr sage: Nicht

Sie begriff es erst in ihrer Höhle,
wie er ihr, gestärkt durch seinen Tod,
endlich das Erleichternde der Öle
und des Rührens Vorgefühl verbot,

um aus ihr die Liebende zu formen
die sich nicht mehr zum Geliebten neigt,
weil sie, hingerissen von enormen
Stürmen, seine Stimme übersteigt.

 

 
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Jezusbeeld op de Karelbrug in Praag. Rainer Maria Rilke werd geboren in Praag.
(Photo: Nico Trinkhaus – It’s Prague, Dude.. | Czech Republic)

 

Zie voor de schrijvers van de 28e maart ook mijn drie vorige blogs van vandaag.

Walter van den Broeck, Mario Vargas Llosa, Joost de Vries, Nelson Algren, Marianne Fredriksson

De Vlaamse roman- en toneelschrijver Walter van den Broeck werd geboren in Olen op 28 maart 1941. Zie ook alle tags voor Walter van den Broeck op dit blog.

Uit: Een verliefde monnik

“Het was ook toen dat mijn leeswoede het gezelschap kreeg van een beginnende schrijfwoede, en mijn verlangen naar onsterfelijkheid begon te groeien. Nee, ik wilde geen Methusalem worden, ik wilde sporen achterlaten op deze planeet, die mijn naam zouden spreken als ik niet langer lijfelijk aanwezig was. Ik wilde eerst onsterfelijk worden en dan pas doodgaan.
Doodgaan… Wat erg toch, denk je dan. Maar dat is het pas echt als je beseft geen enkel spoor te hebben achtergelaten, niet te hebben ingegrepen op je tijd en je omgeving, de wereld niet een ietsje beter te hebben achtergelaten dan je hem had gevonden.
En je kinderen dan? Zijn zij niet het levende spoor dat jij zult achterlaten? Je schudt het hoofd, en wat beschaamd ontwijk je de vraag: gaat het om het spoor of om de spoortrekker zelve?
Nog altijd probeer ik te pennen. Nog altijd leg ik sporen. Opdat ik er altijd zal zijn.
Hoelang nog zal ik dit als een noodzaak beschouwen, heren veertigers, vijftigers, zestigers, zeventigers, tachtigers…?
Wie schrijft doet niet meer mee, is verloren voor het leven, maar gewonnen voor de eeuwigheid.
Zoals die West-Vlaamse monnik uit de 11de eeuw.”

 

 
Walter van den Broeck (Olen, 28 maart 1941)

Lees verder “Walter van den Broeck, Mario Vargas Llosa, Joost de Vries, Nelson Algren, Marianne Fredriksson”

Russell Banks, Chrétien Breukers, Maksim Gorki, Bohumil Hrabal, Lauren Weisberger

De Amerikaanse schrijver Russell Banks werd geboren op 28 maart 1940 in Newton, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Russell Banks op dit blog.

Uit: Trailerpark

“What didn’t make sense was how someone who seemed slightly cracked, as Flora came quickly to seem, could have stayed in the military long enough to end up collecting a pension for it. Here’s how she first came to seem cracked. She sang out loud, in public. That’s the first thing. She supposedly was raised here in Catamount, and though she had moved away when she was a girl, she still knew a lot of the old-timers in town, and she would walk into town every day or two for groceries and beer, singing in a loud voice all the way, as if she were the only person who could hear her. But by the time she had got out to Old Road, she naturally would have passed someone in the park who knew her, so she had to be aware that she wasn’t the only person who could hear her. Regardless, she’d just go right on singing in a huge voice, singing songs from old Broadway musicals, mostly. She knew all the songs from Oklahoma and West Side Story and a few others as well, and she sang them, one after the other, all the way into town, then up and down the streets of town as she stopped off at the A & P, Brown’s Drug Store, maybe Hayward’s Hardware, finally ending up at the Hawthorne House for a beer before she headed back to the trailerpark. Everywhere she went, she sang those songs in a loud voice that was puffed up with feeling if it was a happy song or thick with melancholy if it was a sad song. You don’t mind a person whistling or humming or maybe even singing to him- or herself under his or her breath while he or she does something else, sort of singing absentmindedly. But you do have to wonder about someone who forces you to listen to him or her the way Flora Pease forced everyone within hearing range to listen to her. Her voice wasn’t half-bad, actually, and if she had been singing for the annual talent show at the high school, say, and you were sitting in the audience, you might have been pleased to listen, but at midday in June on Main Street, when you’re coming out of the bank and about to step into your car, it can be a slightly jarring experience to see and hear a person who looks like Flora Pease come striding down the sidewalk singing in full voice…”

 
Russell Banks (Newton, 28 maart 1940)

Lees verder “Russell Banks, Chrétien Breukers, Maksim Gorki, Bohumil Hrabal, Lauren Weisberger”